<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR121187_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Elburg</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Elburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Elburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Huis aan huis Elburg, 15-11-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Elburg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs art. 102, Wet op de expertisecentra art. 100, Wet op het voortgezet onderwijs art. 76m.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-10-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>huisvesting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Elburg
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Elburg, gelezen het voorstel van het college van 13
                        september 2011 gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met
                        de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al>
          <al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de
                        Wet op de expertisecentra, artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs;</al>
          <al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en
                        het voortgezet onderwijs bij verordening te regelen;</al>
          <al>besluit vast te stellen de volgende: Verordening voorzieningen huisvesting
                        onderwijs gemeente Elburg.</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li>
              <li nr="b."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school,
                                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li>
              <li nr="c."><al>school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al></li>
              <li nr="d."><lijst>
                  <li nr="-"><al>school voor basisonderwijs: een basisschool of een
                                            speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; </al></li>
                  <li nr="-"><al>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school
                                            voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en
                                            voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1
                                            van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor
                                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school
                                            voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;</al></li>
                  <li nr="-"><al>school voor voortgezet onderwijs: school of
                                            scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                            onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                            onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                            praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van
                                            de Wet op het voortgezet onderwijs.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="e."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                                    ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra of
                                    artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor
                                    bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li>
              <li nr="f."><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                    bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li>
              <li nr="g."><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening;</al></li>
              <li nr="h."><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li>
              <li nr="i."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging
                                    van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding
                                    van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze
                                    verordening heeft ingediend;</al></li>
              <li nr="j."><al>aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></li>
              <li nr="k."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer
                                    noodzakelijk is;</al></li>
              <li nr="l."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                    noodzakelijk is;</al></li>
              <li nr="m."><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp
                                    en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren
                                    als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li>
              <li nr="n."><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li>
              <li nr="o."><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening;</al></li>
              <li nr="p."><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                    vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                    richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel
                                    95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op
                                    de expertisecentra, artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li>
              <li nr="q."><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al></li>
              <li nr="r."><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet
                                    op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de
                                    expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li>
              <li nr="s."><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde
                                    staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van
                                    de Wet op het primair onderwijs, artikel 108, tweede lid van de
                                    Wet op de expertisecentra, artikel 76u, tweede lid van de Wet op
                                    het voortgezet onderwijs;</al></li>
              <li nr="t."><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van
                                    de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel>
            </kop>
            <al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al>
            <al>a.de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                            bestaande uit:</al>
            <al>1° nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in
                            aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke
                            vervanging van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet
                            op dezelfde locatie;</al>
            <al>2° uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al>
            <al>3° gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten
                            behoeve van de huisvesting van een school;</al>
            <al>4° verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de
                            huisvesting van een school;</al>
            <al>5° terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub 1°
                            tot en met 4° omschreven voorziening;</al>
            <al>6° inrichting met onderwijsleerpakket (voor vwo, avo en vbo: of met
                            leer- en hulpmiddelen) voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging
                            van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht;</al>
            <al>7° inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor
                            bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht;</al>
            <al>8° medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al
                            bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een
                            gymnastiekruimte;</al>
            <lijst>
              <li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en
                                    een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, bestaande uit
                                    een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder
                                    1.9 en 2.9;</al></li>
              <li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, bestaande uit één
                                    of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.10
                                    en 2.10;</al></li>
              <li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li>
              <li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket (voor vo: of leer- en hulpmiddelen) en
                                    meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;</al></li>
              <li nr="f."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten
                                    behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel>
            </kop>
            <al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a1°, a2°
                            en a3° kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                                toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                                vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV deel A en is van
                                toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a, e
                                en f.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De bekostiging op basis van feitelijke kosten is van toepassing op
                                de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder b, c, d en artikel
                                3.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Informatieverstrekking</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Programma en overzicht</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.1</nr>
              <titel>Aanvragen programma</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6</nr>
                <titel>Indiening aanvraag</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid,
                                    neemt het college niet in behandeling.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7</nr>
                <titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De aanvraag vermeldt in ieder geval: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                            gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                            bestemd;</al></li>
                  <li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li>
                  <li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                            gewenste voorziening;</al></li>
                  <li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                            voorziening.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                    aanvraag vergezeld van: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6° tot en met
                                            8° en artikel 2, onder d, e en f;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                            moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening
                                            betreft als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1°
                                            tot en met 4°;</al></li>
                  <li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt,
                                            indien het een voorziening betreft bestaande uit: </al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="1."><al>1° nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging
                                            van een gebouw;</al></li>
                  <li nr="2."><al>2° onderhoud aan een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs of van een school voor (voortgezet)
                                            speciaal onderwijs, of;</al></li>
                  <li nr="3."><al>3° herstel van een constructiefout. Bij de rapportage
                                            wordt gebruik gemaakt van het door het college
                                            vastgestelde formulier ‘Bouwkundige opname’.</al></li>
                </lijst>
                <lijst>
                  <li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft
                                            op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4,
                                            derde lid, laatste volzin van toepassing is;</al></li>
                  <li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                            indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                            vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als
                                            bedoeld in artikel 27.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                    de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de
                                    gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
                                    Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt,
                                    neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                    betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                    beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                    leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van
                                    1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een
                                    afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het
                                    aantal leerlingen dat op de wettelijke teldatum staat
                                    ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het
                                    afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft
                                    ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld
                                    het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien het afschrift
                                    niet binnen de termijn bedoeld in de vorige volzin is verstrekt,
                                    neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8</nr>
                <titel>Opgave ingediende aanvragen</titel>
              </kop>
              <al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft
                                daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                                genomen.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.2</nr>
              <titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>9</nr>
                <titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe
                                    te lichten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                    aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel
                                    4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college
                                    van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in
                                    het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en
                                    het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van
                                    de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming
                                    is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het college
                                    geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag
                                    aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan
                                    bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>10</nr>
                <titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk
                                    in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                    voorgenomen inhoud van het voorstel.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                    tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en
                                    van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar
                                    tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt
                                    aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt
                                    verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen
                                    deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                    overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te
                                    brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                    beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>8.</lidnr>
                <al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    college bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg.In alle andere gevallen
                                    beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het
                                    advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft
                                    dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van
                                    de Onderwijsraad.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>9.</lidnr>
                <al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                                    bedoeld in het vierde lid.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.3</nr>
              <titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>11</nr>
                <titel>Tijdstip vaststelling</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                    bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort of per voorziening.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>12</nr>
                <titel>Inhoud programma</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                    plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels
                                    toe met betrekking tot: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                            bedoeld in bijlage III.</al></li>
                </lijst>
                <al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                                    voorzieningen neemt het college, aan de hand van de
                                    urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend
                                    voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of de
                                    deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend
                                    zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                    college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                    bijlage V.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het college aangegeven: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV , deel A
                                            voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                            gesteld;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                            volzin;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>13</nr>
                <titel>Inhoud overzicht</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                    voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>14</nr>
                <titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk
                                    mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde
                                    gezagsorganen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.4</nr>
              <titel>Uitvoering programma</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>15</nr>
                <titel>Overleg wijze van uitvoering</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                    college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering
                                    van de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg
                                    wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering
                                    van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                                    afspraken gemaakt over: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                            onderwijs, de Wet op de Expertisecentra en de Wet op het
                                            voortgezet onderwijs;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                            begroting door de aanvrager;</al></li>
                  <li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                            inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li>
                  <li nr="d."><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de
                                            toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan
                                            de toetsing in verband met wettelijke voorschriften en
                                            nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel
                                            16;</al></li>
                  <li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            de besteding van de beschikbaar te stellen
                                            middelen;</al></li>
                  <li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met als
                                            uitgangspunt dat op opdrachten onder het Europese
                                            drempelbedrag de richtlijnen zoals vastgelegd in het
                                            Besluit overheidsaanbestedingen van toepassing
                                            zijn.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college
                                    schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na
                                    afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt.
                                    Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of
                                    binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                    gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                    overeenstemming te zijn bereikt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>16</nr>
                <titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid,
                                    is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het college.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college
                                    over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende
                                    begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                                    aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet
                                    binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn
                                    verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de
                                    bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. </al>
                <al>Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    een aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de
                                    beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het
                                    college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden
                                    komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in
                                    aanmerking.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is
                                    van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven
                                    als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                    overleg als bedoeld in artikel 15.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin.</al>
                <al>De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid
                                    betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij
                                    zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige
                                    toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                    ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                    hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                                    lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes
                                    voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist
                                    binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag
                                    dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van
                                    de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                    aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de
                                    datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                    offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>17</nr>
                <titel>Aanvang bekostiging</titel>
              </kop>
              <al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>18</nr>
                <titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                    niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                    vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend,
                                    dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten
                                    en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan
                                    het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                    bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van
                                    het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen,
                                    waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin
                                    bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                                    erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding,
                                    alsmede de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst
                                    vermeldt de datum van aankoop.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                    veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                    aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september
                                    een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de
                                    termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft
                                    ingediend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                    verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                    wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                    bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.1</nr>
              <titel>Aanvraag</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>19</nr>
                <titel>Indiening aanvraag</titel>
              </kop>
              <al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>20</nr>
                <titel>Inhoud aanvraag</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                            voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet
                                            kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te
                                            stellen programma;</al></li>
                  <li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6° tot en met
                                            8° en artikel 2 onder d, e en f;</al></li>
                  <li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                            artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken
                                    na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld
                                    aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld
                                    de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                    vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                    aanvraag niet te behandelen.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.2</nr>
              <titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>21</nr>
                <titel>Tijdstip beslissing</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het college.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>22</nr>
                <titel>Inhoud beslissing</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past
                                    het college de regels toe met betrekking tot: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            bijlage III.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                    bepaalde in bijlage IV, deel A voor de toegewezen voorziening
                                    beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is
                                    indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4,
                                    derde lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college
                                    vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan
                                    wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten,
                                    en voor welke datum een afschrift daarvan aan het college moet
                                    zijn toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de
                                    beschikking door het college moet een bouwopdracht zijn
                                    verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst zijn
                                    gesloten.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>23</nr>
                <titel>Uitvoering beslissing</titel>
              </kop>
              <al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering.</al>
              <al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
                                termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een
                                termijn van drie weken geldt.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>24</nr>
                <titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                                    wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in
                                    artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van
                                    deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                    bij het college tot verlenging van de termijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                    op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college
                                    het verzoek inwilligt, noemt het college een nieuwe datum waarop
                                    de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het
                                    verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek
                                    als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                    oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>25</nr>
              <titel>Aanvraag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
                                college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                                aanbesteding van die voorziening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt
                                gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li>
                <li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li>
                <li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                        wordt gewenst;</al></li>
                <li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                        gewenste locatie van de voorziening;</al></li>
                <li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                        voorziening;</al></li>
                <li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten;</al></li>
                <li nr="g."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de
                                        vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter
                                        vervanging van een bestaand gebouw. Bij de rapportage wordt
                                        gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde
                                        formulier ‘Bouwkundige opname’;</al></li>
                <li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                        indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als
                                        een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>26</nr>
              <titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting als bedoeld in het vorige artikel, is het
                                bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als
                                bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en
                                vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>27</nr>
              <titel>Beschikking op aanvraag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                        bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li>
                <li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                        vaststaat;</al></li>
                <li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                        gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking
                                        kan worden gebracht.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
                                bedrag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>28</nr>
              <titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel>
            </kop>
            <al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin het besluit is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Medegebruik en verhuur</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5.1</nr>
              <titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>29</nr>
                <titel>Aanduiding omstandigheden</titel>
              </kop>
              <al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li>
                <li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li>
                <li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li>
                <li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li>
                <li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>30</nr>
                <titel>Omschrijving leegstand</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                                            indien uit de vergelijking van het aantal vierkante
                                            meters bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op basis
                                            van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw
                                            in vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                            vastgesteld op basis van bijlage III, deel A, blijkt dat
                                            er ten minste een aantal vierkante meters
                                            bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage
                                            III, deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de
                                            daar gevestigde school of scholen;</al></li>
                  <li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de
                                            ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III,
                                            deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld
                                            op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een
                                            overschot is aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                            tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of
                                            de lesroosters voor het lopende of eerstkomende
                                            schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan
                                            vierkante meters bruto-vloeroppervlakte geen sprake is
                                            van onderbenutting van de onderwijsruimten.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het
                                            aantal klokuren gebruik dat door het college wordt
                                            vergoed minder is dan 40 klokuren;</al></li>
                  <li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis
                                            van bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het
                                            gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag
                                            op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                            lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet
                                            het geval is;</al></li>
                  <li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs, voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs,
                                            indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a
                                            en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>31</nr>
                <titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                            gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                            tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                            leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                            biedt;</al></li>
                  <li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin
                                            een school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></li>
                  <li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                            dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                            behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>32</nr>
                <titel>Overleg en mededeling</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te
                                    hebben.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid,
                                    doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan
                                    het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling
                                    kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te
                                    kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                            waarvan wordt gevorderd;</al></li>
                  <li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve
                                            waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                            onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren
                                            dat gevorderd wordt;</al></li>
                  <li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                            betrekking heeft;</al></li>
                  <li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                            gevorderd wordt;</al></li>
                  <li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum
                                            van het medegebruik.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>33</nr>
                <titel>Vergoeding</titel>
              </kop>
              <al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg een vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg
                                niet tot overeenstemming leidt wordt deze vergoeding gebaseerd op
                                het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen door het
                                ministerie van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de
                                groepsafhankelijke programma’s van eisen, zoals jaarlijks
                                gepubliceerd door het ministerie van OCW.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5.2</nr>
              <titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>34</nr>
                <titel>Aanduiding omstandigheden</titel>
              </kop>
              <al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;</al></li>
                <li nr="b."><al>sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>35</nr>
                <titel>Overleg en mededeling</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg
                                    met het bevoegd gezag.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                            wordt;</al></li>
                  <li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li>
                  <li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                            voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                            gevestigde school hinder van het medegebruik
                                            ondervindt;</al></li>
                  <li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li>
                  <li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                            aanvang kan nemen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het
                                    eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                    vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het
                                    overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
                                    geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot
                                    overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing
                                    van het college over deze punten. Indien het bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de
                                    vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld
                                    worden afgezien.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5.3</nr>
              <titel>Verhuur</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>36</nr>
                <titel>Toestemming college</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                    toestemming voor de verhuur aan het college.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder, en van de bestemming van de te
                                    verhuren ruimte.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college verleent geen toestemming indien: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                            bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                            onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                            voortgezet onderwijs;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                            school.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>37</nr>
              <titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo
                                spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de
                                door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
                                beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                                gezamenlijke akte.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht heeft plaats vindt,
                                een staat van onderhoud opgemaakt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>38</nr>
              <titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1
                                april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de
                                voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in
                                        een aantal klokuren;</al></li>
                <li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                        gebruik wordt gewenst;</al></li>
                <li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                        schoolweek wordt gewenst.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
                                een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                                afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
                                van toepassing is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen
                                voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het
                                grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt
                                het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
                                capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
                                        in bijlage I, deel B;</al></li>
                <li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                        gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                        wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                        voor die gymnastiekruimte;</al></li>
                <li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                gegevens: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
                                        een gymnastiekruimte;</al></li>
                <li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                        gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></li>
                <li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                        gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li>
                <li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
                                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet)
                                        speciaal onderwijs voor bekostiging door de gemeente in
                                        aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor
                                        rekening komen van het bevoegd gezag van de school.</al></li>
              </lijst>
              <al>Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d
                                slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog
                                capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale
                                klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking
                                komt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor
                                basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De bevoegde
                                gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het
                                voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending
                                van het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de
                                bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                                voorstel tot inroostering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde
                                lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college
                                daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het
                                zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit
                                gemotiveerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>8.</lidnr>
              <al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de
                                betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van
                                het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten
                                van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het
                                volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een
                                beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing, een
                                beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>39</nr>
              <titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel>
            </kop>
            <al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>40</nr>
              <titel>Indexering</titel>
            </kop>
            <al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>41</nr>
              <titel>Intrekking oude verordening</titel>
            </kop>
            <al>De oude verordening voorzieningen huisvesting onderwijs zoals
                            vastgesteld op 29 september 2008 vervalt op de datum waarop deze
                            verordening in werking treedt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>42</nr>
              <titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Elburg.</al></li>
              <li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2011.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 31 oktober 2011.</ondertekening>
        <ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening>
        <ondertekening>F.A. de Lange Mr. Ir. M.C. Luiting-Kamminga</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>I</nr>
          <titel>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</titel>
        </kop>
        <al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al>
        <al>• deel A: lesgebouwen;</al>
        <al>• deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al>
        <al>
          <cursief>
            <vet>DEEL A Lesgebouwen</vet>
          </cursief>
          <vet>1 School voor basisonderwijs</vet>
        </al>
        <al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, en 1.9c worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al>
        <al>
          <vet>1.1 Nieuwbouw</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li>
          <li nr="2."><al/><lijst>
              <li nr="1."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                                    zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                                    de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                                    kunnen worden verwacht of</al></li>
              <li nr="2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                                    zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                                    leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li>
            </lijst></li>
          <li nr="3."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                            dezelfde richting in de eigen kern een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.2 Vervangende bouw</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen
                            geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li>
          <li nr="3."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn)
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li>
          <li nr="4."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li>
          <li nr="5."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                            dezelfde richting in de eigen kern een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al></li>
        </lijst>
        <al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li>
          <li nr="2."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li>
          <li nr="3."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li>
        </lijst>
        <al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten
                    plaats.</al>
        <al>
          <vet>1.3 Uitbreiding</vet>
          <vet>1.3.1 Uitbreiding algemeen</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en</al></li>
          <li nr="2."><al/><lijst>
              <li nr="1."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                                    aaneengesloten jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                    uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li>
              <li nr="2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                                    aaneengesloten jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li>
              <li nr="3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de
                                    aanvraag aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor
                                    maximaal vier aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de
                                    gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al></li>
            </lijst></li>
          <li nr="3."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                            dezelfde richting in de eigen kern een passende extra huisvesting voor
                            de school te realiseren.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een
                        speellokaal</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li>
          <li nr="2."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en</al></li>
          <li nr="3."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li>
          <li nr="4."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                            hemelsbreed niet mogelijk is en</al></li>
          <li nr="5."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde
                            bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                            A, inpandig een speellokaal te maken.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="2."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li>
          <li nr="3."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li>
          <li nr="4."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li>
          <li nr="5."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li>
          <li nr="6."><al>er binnen dezelfde richting in de eigen kern geen mogelijkheden zijn om
                            door medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren;</al></li>
          <li nr="7."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li>
          <li nr="8."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan dezelfde richting in de eigen kern kunnen voorzien,
                            terwijl</al></li>
          <li nr="2."><al>er binnen dezelfde richting in de eigen kern geen mogelijkheden zijn om
                            door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li>
          <li nr="3."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.6 Terrein</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al>
        <al>
          <vet>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al>
        <al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs
                    uitgebreid wordt met een speellokaal.</al>
        <al>
          <vet>1.8 Medegebruik</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al>
        <al>
          <vet>1.9 Aanpassing</vet>
        </al>
        <al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li>
          <li nr="2."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                            afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                            basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al></li>
          <li nr="3."><al>creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor speciaal
                            basisonderwijs;</al></li>
          <li nr="4."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving;</al></li>
          <li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li>
          <li nr="6."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al></li>
        </lijst>
        <al>Ad a</al>
        <al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks
                    ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al>
        <al>Ad b</al>
        <al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te kunnen
                    afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal leerlingen het
                    gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen een of meer
                    andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig is, terwijl
                    deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot
                    twaalfjarigen.</al>
        <al>De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een speciale school
                    voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger dan zes jaar
                    worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt is voor het
                    onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.</al>
        <al>Ad c</al>
        <al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale school voor
                    basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan
                    56 m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een
                    school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast is de noodzaak afhankelijk van
                    het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten.</al>
        <al>Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een uitbreiding,
                    zulks ter beoordeling van het college, op grond van bijlage IV, deel A, wordt
                    beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</al>
        <al>Ad d</al>
        <al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven.</al>
        <al>Ad e</al>
        <al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al>
        <al>Ad f</al>
        <al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al>
        <al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al>
        <al>
          <vet>1.10 Onderhoud</vet>
        </al>
        <al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen brandtrap.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen erfscheiding.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen binnenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen buitenkozijnen en –deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                            verwarming.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen boeiboorden.</al></li>
        </lijst>
        <al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. Noodzakelijk
                    onderhoud aan:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II,
                            het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en</al></li>
          <li nr=""><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw
                            nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en voor de aanwezige
                            leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik elders.</al></li>
        </lijst>
        <al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al>
        <al>
          <vet>1.11 Herstel van constructiefouten</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al>
        <al>
          <vet>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al>
        <al>
          <vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet>
        </al>
        <al>Vervallen</al>
        <al>
          <vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet>
        </al>
        <al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college.</al>
        <al>
          <vet>3.1 Nieuwbouw</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li>
          <li nr="3."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li>
          <li nr="4."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li>
          <li nr="5."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                            dezelfde richting in de eigen kern een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>3.2 Vervangende bouw</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de
                            bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in
                            zo'n slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li>
          <li nr="3."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li>
          <li nr="4."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal
                            leerlingen kan worden verwacht en</al></li>
          <li nr="5."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                            dezelfde richting in de eigen kern een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al></li>
        </lijst>
        <al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li>
          <li nr="2."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li>
          <li nr="3."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li>
        </lijst>
        <al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al>
        <al>
          <vet>3.3 Uitbreiding</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met
                            tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen,
                            vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A - voor de aanwezige
                            capaciteit en bijlage III, deel B - voor de ruimtebehoefte -, aangeeft
                            en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                            dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik
                            bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren voor uitbreiding
                            met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze aantallen
                            leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li>
          <li nr="2."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                            dezelfde richting in de eigen kern een passende huisvesting voor de
                            school te realiseren.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="2."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li>
          <li nr="3."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li>
          <li nr="4."><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht
                            of</al></li>
          <li nr="5."><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li>
          <li nr="6."><al>er binnen dezelfde richting in de eigen kern geen mogelijkheden zijn om
                            door medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren;</al></li>
          <li nr="7."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li>
          <li nr="8."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                            beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan
                            dezelfde richting in de eigen kern kunnen voorzien, terwijl</al></li>
          <li nr="2."><al>er binnen dezelfde richting in de eigen kern geen mogelijkheden zijn om
                            door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en</al></li>
          <li nr="3."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>3.6 Terrein</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al>
        <al>
          <vet>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet>
        </al>
        <al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                    school.</al>
        <al>Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting- en
                    hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een
                    andere ruimtesoort wordt gecreëerd.</al>
        <al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra inrichting leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen na de fusie groter is
                    dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke aan de fusie deelnemende
                    scholen.</al>
        <al>
          <vet>3.8 Medegebruik</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a.</al>
        <al>
          <vet>3.9 Herstel van constructiefouten</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al>
        <al>
          <vet>3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                        gehinderd.</al>
        <al>
          <cursief>
            <vet>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</vet>
          </cursief>
          <vet>1 School voor basisonderwijs</vet>
          <vet>1.1 Nieuwbouw</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li>
          <li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li>
          <li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.2 Vervangende bouw</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li>
          <li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li>
          <li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.3 Uitbreiding</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en</al></li>
          <li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li>
          <li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="2."><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li>
          <li nr="3."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li>
          <li nr="4."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li>
          <li nr="5."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li>
          <li nr="6."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.5 Terrein</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al>
        <al>
          <vet>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al>
        <al/>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li>
          <li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.7 Eerste inrichting meubilair</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li>
          <li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li>
        </lijst>
        <al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li>
          <li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.8 Medegebruik</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al>
        <al>
          <vet>1.9 Aanpassing</vet>
        </al>
        <al>De aanpassingen bestaan uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li>
          <li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li>
          <li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li>
          <li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al></li>
          <li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li>
        </lijst>
        <al>Ad 1</al>
        <al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al>
        <al>Ad 2</al>
        <al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al>
        <al>Ad 3</al>
        <al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al>
        <al>Ad 4</al>
        <al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil
                    op korte termijn moet worden opgeheven.</al>
        <al>Ad 5</al>
        <al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al>
        <al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al>
        <al>
          <vet>1.10 Onderhoud</vet>
        </al>
        <al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen brandtrap.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen erfscheiding.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen binnenkozijnen en -deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen buitenkozijnen en -deuren inclusief hang- en sluitwerk.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                            verwarming.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li>
          <li nr=""><al>Vervangen boeiboorden.</al></li>
        </lijst>
        <al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat. Noodzakelijk
                    onderhoud aan:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>permanente gebouwen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis
                            van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II,
                            het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en</al></li>
          <li nr=""><al>noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                            prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw
                            nog ten minste vier jaar voor de school nodig is en voor de aanwezige
                            leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van medegebruik elders.</al></li>
        </lijst>
        <al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al>
        <al>
          <vet>1.11 Herstel constructiefouten</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al>
        <al>
          <vet>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al>
        <al>
          <vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet>
        </al>
        <al>Vervallen</al>
        <al>
          <vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>3.1 Nieuwbouw</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li>
          <li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen dezelfde richting in de
                            eigen kern gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                            van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li>
          <li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>3.2 Vervangende bouw</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li>
          <li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen dezelfde richting in de
                            eigen kern gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                            van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li>
          <li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>3.3 Uitbreiding</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en</al></li>
          <li nr="2."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen dezelfde richting in de
                            eigen kern gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                            van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li>
          <li nr="3."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="2."><al>het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li>
          <li nr="3."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 3.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li>
          <li nr="4."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen dezelfde richting in de
                            eigen kern gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                            van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en</al></li>
          <li nr="5."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en het feit dat
                            de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>3.5 Terrein</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al>
        <al>
          <vet>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li>
          <li nr="2."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                            inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>3.7 Medegebruik</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                    klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik
                    zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al>
        <al>
          <vet>3.7.2 Huur van een sportterrein</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd
                            gezag niet beschikt over een eigen sportveld en</al></li>
          <li nr="2."><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een ander
                            bevoegd gezag.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>3.8 Herstel constructiefouten</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al>
        <al>
          <vet>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet>
        </al>
        <al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al>
        <al/>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>II</nr>
          <titel>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses</titel>
        </kop>
        <al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging.</al>
        <al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose.</al>
        <al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>a. het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li>
          <li nr="2."><al>b. de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li>
          <li nr="3."><al>c. de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li>
          <li nr="4."><al>d. de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de
                            bevolking als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li>
          <li nr="5."><al>e. de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li>
          <li nr="6."><al>f. de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor
                            de school en</al></li>
          <li nr="7."><al>g. het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li>
        </lijst>
        <al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</al>
        <al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al>
        <al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs,
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij
                    aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over
                    de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt.</al>
        <al>Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
                    aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop
                    de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al>
        <al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente
                    Elburg.</al>
        <al/>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>III</nr>
          <titel>Criteria voor oppervlakte en indeling</titel>
        </kop>
        <al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>- deel A: de bepaling van de capaciteit;</al></li>
          <li nr=""><al>- deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li>
          <li nr=""><al>- deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li>
          <li nr=""><al>- deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <cursief>
            <vet>DEEL A De bepaling van de capaciteit</vet>
          </cursief>
        </al>
        <al>
          <vet>1 School voor basisonderwijs en speciale school voor basisonderwijs</vet>
        </al>
        <al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
                    van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder
                    kinderopvang) en recreatieve doeleinden.</al>
        <al>
          <vet>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                        B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard</vet>
        </al>
        <al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'.</al>
        <al>Basisschool</al>
        <al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het bruto
                    vloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een permanente
                    bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk
                    vastgesteld.</al>
        <al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al>
        <al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al>
        <al>Speciale school voor basisonderwijs</al>
        <al>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter, een
                    eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling wordt
                    meegenomen. Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de
                    voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 1.3.2, wordt op het
                    bruto vloeroppervlak 90 m2in mindering gebracht.</al>
        <al>
          <vet>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</vet>
        </al>
        <al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1.</al>
        <al>
          <vet>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet>
        </al>
        <al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al>
        <al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld,
                    doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit.</al>
        <al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven.</al>
        <al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al>
        <al>
          <vet>1.4 Terrein</vet>
        </al>
        <al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster.</al>
        <al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al>
        <al>
          <vet>1.5 Inventaris</vet>
        </al>
        <al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al>
        <al>
          <vet>1.6 Gymnastiekruimten</vet>
          <vet>1.6.1 Gymnastiekruimte</vet>
        </al>
        <al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                    klokuren.</al>
        <al>
          <vet>1.6.2 Terrein</vet>
        </al>
        <al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                    geregistreerd.</al>
        <al>
          <vet>1.6.3 Inventaris</vet>
        </al>
        <al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                    zijn.</al>
        <al>
          <vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet>
        </al>
        <al>Vervallen</al>
        <al>
          <vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet>
        </al>
        <al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;</al></li>
          <li nr=""><al>het aantal specifieke ruimten;</al></li>
          <li nr=""><al>het aantal werkplaatsen;</al></li>
          <li nr=""><al>het aantal gymnastieklokalen.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al>
        <al>
          <vet>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                        een tijdelijke bouwaard</vet>
        </al>
        <al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet
                    onderwijs'.</al>
        <al>Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal gymnastieklokalen'
                    moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen' indien en voorzover deze noodzakelijk zijn in het kader van
                    aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven 'aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                    zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van
                    een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet
                    tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.</al>
        <al>
          <vet>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet>
        </al>
        <al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en
                    een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit
                    is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld.</al>
        <al>Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de
                    dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</al>
        <al>De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het bovenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al>
        <al>
          <vet>3.3 Terrein</vet>
        </al>
        <al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al>
        <al>
          <vet>3.4 Inventaris</vet>
        </al>
        <al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De bruto
                    vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                    aanwezige inventaris.</al>
        <al>
          <vet>3.5 Gymnastiekruimten</vet>
          <vet>3.5.1 Gymnastiekruimte</vet>
        </al>
        <al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40
                    uur.</al>
        <al>
          <vet>3.5.2 Terrein</vet>
        </al>
        <al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                    geregistreerd.</al>
        <al>
          <vet>3.5.3 Inventaris</vet>
        </al>
        <al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                        zijn.</al>
        <al>
          <cursief>
            <vet>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet>
          </cursief>
          <vet>1 School voor basisonderwijs</vet>
          <vet>1.1 Lesgebouwen</vet>
        </al>
        <al>Basisschool</al>
        <al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor
                    de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al>
        <al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al>
        <al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al>
        <al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al>
        <al>B = basisruimtebehoefte in m2bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond
                    op hele vierkante meters en</al>
        <al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al>
        <al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al>
        <al>T = 1,40 * G, waarbij</al>
        <al>T=toeslag in m2bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters en </al>
        <al>G=gecorrigeerde gewichtensom.</al>
        <al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al>
        <al>- bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle gewichten
                    van alle ingeschreven leerlingen);</al>
        <al>- verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van 6,0 %
                    van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom niet kleiner dan
                    0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal;</al>
        <al>- als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het aantal
                    ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80 % van het
                    aantal ingeschreven leerlingen.</al>
        <al>Speciale school voor basisonderwijs</al>
        <al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen bepalend
                    voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al>
        <al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met
                    de formule:</al>
        <al>R= 250+7,35*L, waarbij</al>
        <al>R= ruimtebehoefte in m2bruto-vloeroppervlakte,rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters en L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan
                    elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn
                    ingeschreven.</al>
        <al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    m2.</al>
        <al>
          <vet>1.2 Gymnastiekruimten</vet>
        </al>
        <al>Basisschool</al>
        <al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                    formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.</al>
        <al>Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                    gymnastiek.</al>
        <al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al>
        <al>Speciale school voor basisonderwijs</al>
        <al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen bepalend
                    voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6
                    jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet
                    de beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6
                    jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek.</al>
        <al>Het aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de
                    'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor
                    een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen
                    naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het
                    andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.</al>
        <al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe gymaccommodatie
                    voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal gymgroepen
                    bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II.</al>
        <al>
          <vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet>
        </al>
        <al>Vervallen</al>
        <al>
          <vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>3.1 Lesgebouwen</vet>
        </al>
        <al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>een leerlinggebonden component;</al></li>
          <li nr="2."><al>een vaste voet.</al></li>
        </lijst>
        <al>ad 1 Een leerlinggebonden component</al>
        <al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de
                    leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen
                    bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                    leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs,
                    leerweg of sector die de leerling volgt.</al>
        <al>ad 2 Een vaste voet</al>
        <al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de
                    vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste
                    voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod
                    binnen de beroepsgerichte leerweg.</al>
        <al>Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de
                    bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en,
                    indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto
                    vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling.</al>
        <al>Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet
                    in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum
                    (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van leerlingen op de scholen
                    die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van
                    de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen ingeschreven bij
                    reguliere scholen voor voortgezet onderwijs.</al>
        <al>Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen
                    bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                    Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                    basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw
                    voor voortgezet onderwijs worden bepaald.<cursief>Tabel 7.1.a. Berekening van de
                        leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</cursief></al>
        <table>
          <tgroup cols="4">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <colspec colname="colD"/>
            <thead>
              <row>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Onderwijssoort</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Leerweg</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Ruimtetype</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>BVO/leerling</vet>
                  </al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
          <tgroup cols="4">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <colspec colname="colD"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>6,18</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Bovenbouw AVO/VWO</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>5,85</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Bovenbouw theoretische leerweg</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>TLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>6,41</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>LWOO</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>7,07</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Bovenbouw techniek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>GLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>5,98</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>5,47</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>BLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>4,69</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>8,99</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>LWOO</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>4,44</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>12,72</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Bovenbouw economie</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>GLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>5,95</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,89</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>BLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>5,56</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>2,25</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>LWOO</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>5,85</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>3,06</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Bovenbouw zorg/welzijn</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>GLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>5,33</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>2,10</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>BLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>4,71</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>4,22</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>LWOO</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>4,85</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>5,53</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Bovenbouw landbouw</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>GLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>5,94</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,78</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>BLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>5,37</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>2,34</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>LWOO</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>5,03</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>4,69</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Praktijkonderwijs</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>4,41</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>7,72</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al/>
        <al>Legenda </al>
        <al>TLW = theoretische leerweg</al>
        <al>LWOO= leerwegondersteunend onderwijs</al>
        <al>GLW = gemengde leerweg</al>
        <al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)<cursief>Tabel 7.1.b Berekening
                        van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte
                        voortgezet onderwijs</cursief></al>
        <table>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <thead>
              <row>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Onderwijssoort</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Ruimtetype</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Vaste voet</vet>
                  </al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Hoofdvestiging</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>980</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>550</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>VMBO-techniek BLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>299</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>VMBO-economie BLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>196</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>168</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>VMBO-landbouw BLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Specifiek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>117</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Praktijkonderwijs</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>306</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Legenda</al>
        <al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al>
        <al>De vaste voet per instelling is 980 m2bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke
                    wordt toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging
                    die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor
                    aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende
                    vaste voet van 550 m2 BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende
                    bij die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op
                    de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt
                    een vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs
                    aanwezig is.</al>
        <al>
          <vet>3.2 Gymnastiekruimten</vet>
        </al>
        <al>De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
                    gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto vloeroppervlakten
                    vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de
                    huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.<cursief>Tabel 7.2 Berekening
                        van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet
                    onderwijs</cursief></al>
        <table>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <thead>
              <row>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Onderwijssoort</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet> Leerweg</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet> BVO/leerling</vet>
                  </al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,66</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Bovenbouw AVO/VWO</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,78</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Bovenbouw theoretische leerweg</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>TLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,11</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>LWOO</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,26</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Bovenbouw techniek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>GLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,11</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>BLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,38</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>LWOO</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,57</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Bovenbouw economie</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>GLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,11</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>BLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,38</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>LWOO</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,57</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Bovenbouw zorg/welzijn</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>GLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,11</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>BLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,38</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>LWOO</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,57</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Bovenbouw landbouw</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>GLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,11</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>BLW</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,38</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>LWOO</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,57</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Praktijkonderwijs</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1,99</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Legenda</al>
        <al>TLW = theoretische leerweg</al>
        <al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</al>
        <al>GLW = gemengde leerweg</al>
        <al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of
                        kader-)</al>
        <al>
          <vet>
            <cursief>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al>
        <al>
          <vet>1 School voor (speciaal) basisonderwijs</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet>
        </al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>nieuwbouw, dan wel</al></li>
          <li nr=""><al>vervangende nieuwbouw</al></li>
        </lijst>
        <al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al>
        <al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>uitbreiding, dan wel</al></li>
          <li nr=""><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li>
          <li nr=""><al>ingebruikneming dan wel</al></li>
          <li nr=""><al>medegebruik</al></li>
        </lijst>
        <al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage.</al>
        <al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>55 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening basis-onderwijs;</al></li>
          <li nr=""><al>40 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening basis-onderwijs;</al></li>
          <li nr=""><al>50 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend of tijdelijk gebruik
                            bestemde voorzie-ning voor een school voor speciaal basisonderwijs.</al></li>
        </lijst>
        <al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al>
        <al>Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de bruto-vloeroppervlakte
                    van een speellokaal 90 m2bvo.</al>
        <al>
          <vet>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet>
        </al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van
                    het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
                    het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage
                    III, deel D.</al>
        <al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, en meubilair wordt bepaald door de omvang in
                    m2bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende)
                    nieuwbouw of uitbreiding.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al>
        <al>
          <vet>1.3 Gymnastiekruimten</vet>
        </al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al>
        <al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al>
        <al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al>
        <al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al>
        <al>
          <vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet>
        </al>
        <al>Vervallen</al>
        <al>
          <vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet>
          <vet>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet>
        </al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                    is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                    uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die
                    aanwezig is.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</al>
        <al>
          <vet>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet>
        </al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan weluitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m2bruto
                    vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                    vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent
                    verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</al>
        <al>De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                    huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                    en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'.</al>
        <al>
          <vet>3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet>
        </al>
        <al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer-
                    en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                    voorziening in de huisvesting.</al>
        <al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of
                    specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt
                    het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                    en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al>
        <al>
          <vet>3.4 Gymnastiekruimten</vet>
        </al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de
                    toelichting bij deze bijlage.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen,
                    waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen
                    met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig
                    is.</al>
        <al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al>
        <al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt
                    uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met
                    behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van
                    het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2bvo
                    gym) : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule
                    gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2bvo gym) : 322.</al>
        <al>Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering
                    gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1).</al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste
                    acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt
                    gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met
                    toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal
                    leerlingen x 32 x m2bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs
                    wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2bvo
                    gym) / 322.</al>
        <al>
          <cursief>
            <vet>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</vet>
          </cursief>
        </al>
        <al>
          <vet>1 School voor basisonderwijs</vet>
        </al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li>
          <li nr=""><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al></li>
          <li nr=""><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van
                            84m2 voor een speellokaal.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>
          <vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet>
        </al>
        <al>Vervallen</al>
        <al>
          <vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet>
        </al>
        <al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2:</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>theorielokaal:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>42 m2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>theorievaklokaal:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>50 m2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>vaklokaal natuurkunde:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>50 m2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>vaklokaal biologie:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>50 m2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>vaklokaal scheikunde:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>60 m2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>vaklokaal handvaardigheid:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>60 m2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>vaklokaal overig:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>80 m2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>specifiek vaklokaal lassen:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>50 m2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>specifiek vaklokaal meten:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>50 m2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>werkplaats:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>115 m2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>restaurant:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>80 m2</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <vet>4 Gymnastiekruimten</vet>
        </al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.</al></li>
          <li nr=""><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                        was-/douchegelegenheid.<cursief>III-1 Overzicht 'Meetinstructie voor het
                        vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                        primair onderwijs'</cursief></al>
        <al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                    voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN 2580, met de
                    volgende aantekeningen:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf be-reikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                            gerekend;</al></li>
          <li nr=""><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li>
          <li nr=""><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                            gymnastiek-lokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al></li>
          <li nr=""><al>bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte
                            of andere ruimte, wordt het bruto vloeroppervlak bepaald door de
                            nettovloeroppervlakte van het deel van de ruimte met een vrije hoogte
                            van ten minste 2,6 m te vermenigvuldigen met een factor 1.1;</al></li>
          <li nr=""><al>voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als
                            berging, keuken, reproruimte of werkkast telt deze niet mee voor de
                            berekening van de bruto-vloeroppervlakte</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <cursief>III-2 Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                        bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet
                        onderwijs'</cursief>
        </al>
        <al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW.</al>
        <al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende 'beloopbare' binnenruimten. De
                    bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</al>
        <al>Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau;</al></li>
          <li nr=""><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 m2.</al></li>
        </lijst>
        <al>Uitzonderingen:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                            luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en
                            dergelijke.</al></li>
          <li nr=""><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij
                            de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.</al></li>
          <li nr=""><al>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend. </al></li>
        </lijst>
        <al/>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>IV</nr>
          <titel>Financiële normering</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>
            <cursief>DEEL A</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is
                    tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8%
                    (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5%
                    (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke
                    genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor
                    (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde
                    vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. Alle
                    in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW.</al>
        <al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen voor het jaar 2010 zijn aangepast
                    conform de systematiek van prijsbijstelling en indexering die is opgenomen in
                    hoofdstuk 4, Indexering.</al>
        <al>
          <vet>1 School voor basisonderwijs</vet>
        </al>
        <al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li>
          <li nr=""><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li>
          <li nr=""><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li>
          <li nr=""><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                            1.4);</al></li>
          <li nr=""><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en</al></li>
          <li nr=""><al>gymnastiek (paragraaf 1.6).</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</vet>
        </al>
        <al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal
                    kostencomponenten, te weten:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>kosten voor terrein;</al></li>
          <li nr=""><al>bouwkosten;</al></li>
          <li nr=""><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw;</al></li>
          <li nr=""><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag voor een
                            speellokaal.</al></li>
        </lijst>
        <al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al>
        <al>
          <cursief>Kosten voor terreinen</cursief>
        </al>
        <al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt
                    en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                    dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten
                    behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                    terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                    gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar
                    te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij
                    de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de
                    minimaal benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III,
                    deel D. In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude
                    gebouw) behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen.</al>
        <al>
          <cursief>Bouwkosten</cursief>
        </al>
        <al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag,
                    waarin inbegrepen een aantel m2 en een bedrag per m2 voor de overige m2
                    bvo.</al>
        <al>Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding voor een basisschool
                    wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350 m²
                                        bvo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 737.840,11</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Elke volgende m² bvo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 1.262,65</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen:</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670 m² bvo,
                                        waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 1.195.523,02</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Elke volgende m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 1.322,16</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m² bvo)</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 113.433,60</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                        bouw op dezelfde plaats</cursief>
        </al>
        <al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</al>
        <al>De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is
                    gebaseerd op een vast bedrag per m2 bvo, afhankelijk van het type huisvesting
                    dat gesloopt dient te worden.</al>
        <al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Permanente bouw per m² bvo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 51,18</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Tijdelijke bouw per m² bvo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 35,13</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <vet>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</vet>
        </al>
        <al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1.035 m2
                    brutovloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</al>
        <al>
          <cursief>Kosten voor terrein</cursief>
        </al>
        <al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al>
        <al>
          <cursief>Bouwkosten</cursief>
        </al>
        <al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag en een bedrag per m2 . Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de
                    in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al>
        <al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m² bvo of groter</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 108.049,33</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m² bvo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 72.032,89</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 1.439,33</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen:</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m² bvo of groter</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 111.114,06</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m² bvo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 74.076,04</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo, waarin niet begrepen
                                        een eventueel speellokaal</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 1.468,01</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m²
                                        bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 129.539,98</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m² bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 238.167,07</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                        bouw op dezelfde plaats</cursief>
        </al>
        <al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente
                    bouwaard).</al>
        <al>
          <vet>1.3 Tijdelijke voorziening</vet>
        </al>
        <al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke
                    voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke
                    voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.
                    Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in
                    principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval
                    dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij
                    nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al>
        <al>
          <cursief>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                        hoofdlocatie</cursief>
        </al>
        <al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                    nutsvoorzieningen.</al>
        <al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 42.018,79</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m² bvo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 28.012,53</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 1.032,60</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</cursief>
        </al>
        <al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen.</al>
        <al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m² bvo of groter</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 23.619,10</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m² bvo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 15.746,06</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 1.081,99</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</cursief>
        </al>
        <al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                    gehuurd.</al>
        <al>In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke
                    kosten)</al>
        <al>
          <vet>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Basisschool</cursief>
        </al>
        <al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2. Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</al>
        <al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen (in euro):</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Basisbedrag</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 36.144,43</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 126,44</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>Speciale school voor basisonderwijs</cursief>
        </al>
        <al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen in euro):</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Basisbedrag</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 76.685,50</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 130,81</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt €
                    6.997,89.</al>
        <al>
          <vet>1.5 Aanpassing</vet>
        </al>
        <al>Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B:
                    vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al>
        <al>
          <vet>1.6 Gymnastiek</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Nieuwbouw</cursief>
        </al>
        <al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 775.656,43 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 791.344,53 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat
                    tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein.
                    De grondkosten zijn hierin niet begrepen.</al>
        <al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte.</al>
        <al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte 1&lt;15 meter</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 15.601,47</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte 15&lt;20 meter</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 21.507,44</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte &gt;20 meter</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 30.206,26</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>Uitbreiding</cursief>
        </al>
        <al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    brutovloeroppervlakte van 455 m2.</al>
        <al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140
                    m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252
                    m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit:</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 180.213,98</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 219.074,84</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen:</al>
        <table>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <thead>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>112-120m2</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>121-150m2</vet>
                  </al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte 1&lt;15m</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 6.984,51</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 8.733,47</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte 15&lt;20m</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 12.097,56</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 15.118,06</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte &gt;=20m</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 19.778,19</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 24.722,74</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>OLP/meubilair</cursief>
        </al>
        <al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs € 48.422,31.</al>
        <al>
          <vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet>
        </al>
        <al>Vervallen</al>
        <al>
          <vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet>
        </al>
        <al>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);</al></li>
          <li nr=""><al>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);</al></li>
          <li nr=""><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3);
                            en</al></li>
          <li nr=""><al>gymnastiek (paragraaf 3.4).</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>
          <vet>3.1 Nieuwbouw en uitbreiding</vet>
        </al>
        <al>Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding.
                    Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie
                    voor de vaststelling van het bedrag voor de component 'aanpassing' deel B).</al>
        <al>De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal
                    kostencomponenten:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>kosten van terreinen;</al></li>
          <li nr=""><al>bouwkosten.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <cursief>Kosten van terreinen</cursief>
        </al>
        <al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen.</al>
        <al>
          <cursief>Bouwkosten</cursief>
        </al>
        <al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal,
                    alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de
                    vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een
                    vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de
                    sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen
                    per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een
                    schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de
                    hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in
                    Bijlage III, deel B.</al>
        <al>De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2
                    brutovloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede een
                    vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen sectie-afhankelijke
                    kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de bedragen
                    voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2 brutovloeroppervlakte.</al>
        <al>De bedragen in de tabel omvatten vaste bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en
                    vaste bedragen per voorziening. Voor de berekening van de vergoeding voor de
                    ruimte-afhankelijke kosten worden de benodigde aantallen m2 per type ruimte van
                    de goedgekeurde huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel
                    C, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de
                    vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de
                    algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de
                    werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis
                    van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor
                    de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke
                    kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten.</al>
        <al>Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2 (in euro)</al>
        <table>
          <tgroup cols="4">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <colspec colname="colD"/>
            <thead>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>&lt;460m2</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>460&lt;2500m2</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>&gt;=2500m2</vet>
                  </al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
          <tgroup cols="4">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <colspec colname="colD"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Algemene en specifieke ruimte</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.975,43</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.172,35</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.144,27</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Werkplaatsen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.929,42</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.560,75</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.560,75</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Werkplaatsen consumptief</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>2.342,91</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.974,24</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.974,24</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Specifieke ruimte:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li>
          <li nr=""><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren.</al></li>
        </lijst>
        <al>Werkplaatsen:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek;</al></li>
          <li nr=""><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li>
          <li nr=""><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li>
          <li nr=""><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li>
        </lijst>
        <al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al>
        <al>Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening (in euro)</al>
        <table>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <thead>
              <row>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>&lt; 460 m2</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>&gt; 460 &lt; 2500 m2</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>&gt;= 2500 m2</vet>
                  </al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Vaste voet algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>124.645,03</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>124.645,03</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Vaste voet algemene sectie</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>244.668,77</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>341.613,57</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Vaste voet werkplaatssectie</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>45.240,07</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>45.240,07</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek,
                    machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek,
                    grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                    motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de
                    algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en
                    tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen.</al>
        <al>
          <cursief>Aanvullende normkosten</cursief>
        </al>
        <al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een
                    standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen
                    extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een
                    aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal
                    aspecten, te weten fundering en bemaling.</al>
        <al>In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal.
                    In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor
                    toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen
                    sonderingsrapport. De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en
                    de omvang van de bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden
                    berekend aan de hand van de volgende formules:</al>
        <al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1000 m2</al>
        <table>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte 1 tot 15 meter</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 3.633,57</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 19,06</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte 15 tot 20 meter</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 3.868,40</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 32,25</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte 20 meter of langer</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 4.318,94</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 57,71</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2</al>
        <table>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte 1 tot 15 meter</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 4.437,25</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 6,68</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte 15 tot 20 meter</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 5.787,66</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 17,33</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte 20 meter of langer</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 8.789,04</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 35,03</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullend bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2
                    goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 12,38 per m2
                    terrein.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>3.2 Tijdelijke voorziening</vet>
        </al>
        <al>Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet
                    onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type
                    voorziening. De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden
                    onderscheiden:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</al></li>
          <li nr=""><al>huur van tijdelijke lokalen.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <cursief>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen</cursief>
        </al>
        <al>Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met
                    tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule:</al>
        <al>€ 628,60* A + € 43.217,44</al>
        <al>A = het toegekende aantal m2 bruto-vloeroppervlakte aan tijdelijke
                    huisvesting.</al>
        <al>Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe
                    en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden
                    bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder
                    meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op
                    nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief
                    fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening.</al>
        <al>
          <cursief>Huur van tijdelijke lokalen</cursief>
        </al>
        <al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke
                    kosten).</al>
        <al>
          <vet>3.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet>
        </al>
        <al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen
                    nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij
                    uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts
                    van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                    ontbreekt dan wel niet geschikt is.</al>
        <al>De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat wordt
                    gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto
                    vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto vloeroppervlakte per
                    ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in
                    onderstaande tabel genoemde bedragen.</al>
        <al>Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro)</al>
        <table>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <thead>
              <row>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Ruimtetype</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Functie</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Inventaris/m2</vet>
                  </al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Algemene ruimte</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>149,16</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Specifieke ruimte</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>348,62</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Handel/verkoop/administratie</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>213,26</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Praktijkonderwijs</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>286,34</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Werkplaatsen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Techniek algemeen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>365,76</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Consumptief</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>708,30</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Grafische techniek</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.354,17</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Landbouw</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>0,00</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Specifieke ruimte:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li>
          <li nr=""><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren;</al></li>
          <li nr=""><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></li>
        </lijst>
        <al>Werkplaatsen:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek;</al></li>
          <li nr=""><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li>
          <li nr=""><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li>
          <li nr=""><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li>
          <li nr=""><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></li>
        </lijst>
        <al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al>
        <al>
          <vet>3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijs</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</cursief>
        </al>
        <al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    brutovloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 775.656,43 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 791.344,53 (op afzonderlijk terrein).</al>
        <al>De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en
                    ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De
                    kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen. Indien paalfundering
                    noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde
                    paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte 1&lt;15 meter:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 15.601,47</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte 15&lt;20 meter:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 21.507,44</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Paallengte &gt;20 meter:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>€ 30.206,26</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal</cursief>
        </al>
        <al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van
                    een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële
                    exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor
                    voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet
                            onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het
                            klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al></li>
        </lijst>
        <al>Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt gebruikt,
                    wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed voor het
                    aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de gymnastiekruimte vanwege
                    het medegebruik door de VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de
                    VO-school voor het aantal uren dat boven de 26 klokuren ligt ook het vaste deel
                    van het klokuurbedrag te vergoeden.</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de
                            school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan
                            exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al></li>
          <li nr=""><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                            gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs
                            (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan
                            de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De
                            hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen
                            huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het
                            aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt
                            aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                            het primair onderwijs.</al></li>
        </lijst>
        <al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt
                    het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                    onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het
                    op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale
                    vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs
                    moet vergoeden.</al>
        <al>
          <cursief>Huur sportvelden</cursief>
        </al>
        <al>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een
                    vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten
                    bedraagt € 19,76 per klokuur.</al>
        <al>
          <cursief>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair</cursief>
        </al>
        <al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat
                    aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                    medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende
                    gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in
                    euro):</al>
        <table>
          <tgroup cols="4">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <colspec colname="colD"/>
            <thead>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Meubilair</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>L.h.m</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Totaal</vet>
                  </al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
          <tgroup cols="4">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <colspec colname="colD"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Eerste lokaal</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.022,67</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>60.983,82</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>62.006,49</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Tweede lokaal</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.022,67</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>47.572,01</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>48.594,68</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Derde lokaal</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.022,67</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>20.682,09</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>21.704,75</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Oefenplaats 1</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>13.468,17</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>13.468,17</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>Oefenplaats 2</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.554,72</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1.554,72</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <vet>4 Indexering</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Werkelijke prijsontwikkeling</vet>
        </al>
        <al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling
                    tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen
                    aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het
                    prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.</al>
        <al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen;
                    outputindex 2005=100 (inclusief BTW)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek
                    bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het
                    tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar.</al>
        <al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle
                    huishoudens’ (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van
                    het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan
                    voorafgaande jaar.</al>
        <al>Indien de CBS-indexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2005 = 100” over het
                    tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de
                    CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal van
                    het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al>
        <al>
          <vet>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</vet>
        </al>
        <al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma
                    wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het
                    werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is
                    noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma
                    en het moment van vergoeding vast te stellen.</al>
        <al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen door bedrijven
                    in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al>
        <al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals
                    bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al>
        <al>
          <vet>5 Europese aanbesteding</vet>
        </al>
        <al>Voor opdrachten die vallen onder de Europese aanbesteding geldt de richtlijn van
                    de Europese Unie (2004/18/EG) met daarin de volgende bedragen:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>193.000 euro excl. BTW voor leveringen en diensten</al></li>
          <li nr="2."><al>4.845.000 euro excl. BTW voor werken.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>V</nr>
          <titel>Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</vet>
          <vet>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</vet>
        </al>
        <al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit.</al>
        <al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>1. voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen;</al></li>
          <li nr="2."><al>2. voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te
                            handhaven i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;</al></li>
          <li nr="3."><al>3. voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden;</al></li>
          <li nr="4."><al>4. voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe
                            onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om
                            gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al></li>
        </lijst>
        <al>Ad 1</al>
        <al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al>
        <al>Ad 2</al>
        <al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander
                    gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                    onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in
                    bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit.</al>
        <al>Ad 3</al>
        <al>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                    (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                    verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</al>
        <al>Ad 4</al>
        <al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend
                        is.<vet>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                        subprioriteiten</vet></al>
        <al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
                    hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie
                    die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                    opnieuw toegepast.</al>
        <al>Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en
                    gymnastiekruimten.</al>
        <al>Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige
                    nevenruimten binnen het gebouw.</al>
        <al>Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en
                    voorzieningen aan het terrein.<vet>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen
                        om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen'
                        komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</vet></al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li>
          <li nr="2."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en</al></li>
          <li nr="3."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                        onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                        aanmerking:</vet>
        </al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li>
          <li nr="2."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li>
          <li nr="3."><al>vervolgens die voorziening aan een
                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                            kwaliteit wordt toegekend;</al></li>
          <li nr="4."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li>
          <li nr="5."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan
                        bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor
                        zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt voor plaatsing op het
                        programma in aanmerking:</vet>
        </al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                            bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li>
          <li nr="2."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                            voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                            volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                            is;</al></li>
          <li nr="3."><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                            dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                            conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                            de minste is;</al></li>
          <li nr="4."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al></li>
          <li nr="5."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg
                        van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                        aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                        onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</vet>
        </al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                            vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                            groepen leerlingen het hoogst is;</al></li>
          <li nr="2."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is;</al></li>
          <li nr="3."><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                            beleid geldt het hoogst is;</al></li>
          <li nr="4."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al></li>
          <li nr="5."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al></li>
          <li nr="6."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                            aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst
                            is.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>
          <vet>Formulier voor aanvragen van voorzieningen in de onderwijshuisvesting</vet>
        </al>
        <al>Bij de gemeente beschikbaar </al>
        <al>
          <vet>Toelichting</vet>
        </al>
        <al>Het formulier is bedoeld om de werkzaamheden van de gemeente voor
                    onderwijshuisvesting zo effectief mogelijk gestalte te geven. Het formulier
                    ondersteunt de gemeente bij de verwerking en beoordeling van aanvragen voor de
                    huisvesting van het onderwijs. Essentiële gegevens over de aanvraag, de gewenste
                    voorziening en dergelijke kunnen op het formulier worden ingevuld. Daarnaast zal
                    een aantal gegevens worden geleverd in rapporten, formulieren en dergelijke, die
                    ook onderdeel uitmaken van de onderbouwing van de noodzaak van de gewenste
                    voorziening.</al>
        <al>Aanvragen worden onderscheiden in aanvragen voor het programma, voor
                    spoedvoorzieningen en (eventueel afhankelijk van hetgeen opgenomen is in de
                    gemeentelijke verordening) voor bouwvoorbereiding. Per type aanvraag, als
                    hiervoor aangegeven, en per gebouw wordt gevraagd één formulier in te dienen. Zo
                    ontstaat voor de gemeente optimale duidelijkheid over hetgeen het schoolbestuur
                    in één bouwsituatie in of bij een gebouw wenst te realiseren In het onderdeel
                    'gevraagde voorziening' kunnen verschillende - met elkaar verband houdende -
                    voorzieningen tegelijk worden aangekruist.</al>
        <al>De formulieren maken het voor de gemeente mogelijk de aanvragen eenvoudig te
                    rubriceren voor de bekendmaking van ingediende aanvragen aan alle schoolbesturen
                    in de gemeente.</al>
        <al>Het gebouw(deel)nummer wordt gevraagd in de veronderstelling dat veel gemeenten
                    de nummers van OCenW/Cfi wensen te handhaven. Eventueel kan daar een eigen
                    nummer of in het geheel geen nummer ingevuld worden.</al>
        <al>Achter elke gevraagde voorziening (ook bij de aanvraag voor bouwvoorbereiding)
                    is door middel van een codering aangegeven welke gegevens overgelegd moeten
                    worden. In de verordening is de verplichting de gegevens te leveren vastgelegd.
                    Voor de prognose kan afhankelijk van de bouwaard van de voorziening (permanent
                    of tijdelijk) of de prognosevereiste bij de voorziening met name bij aanpassing
                    en onderhoud worden gekozen voor een kortetermijnprognose of een
                    langetermijnprognose. Vanzelfsprekend dient de prognose te voldoen aan het
                    gestelde voor de desbetreffende onderwijssoort in bijlage II.</al>
        <al>Alleen indien de feitelijke kostensystematiek van toepassing is, moet de
                    begroting van de kosten worden ingediend. Indienen van een bouwplan en
                    bouwbegroting is slechts van toepassing bij een aanvraag nadat daaraan
                    voorafgaand bouwvoorbereiding heeft plaatsgevonden.</al>
        <al>Om een goed oordeel over de aanvraag mogelijk te maken, moeten alle relevante
                    factoren worden vermeld, dus ook eventuele herschikkingen die het bevoegd gezag
                    voornemens is uit te voeren.Indien de gemeente in de verordening
                    bouwvoorbereiding voor andere voorzieningen, zoals nieuwbouw en uitbreiding,
                    mogelijk heeft gemaakt, kan de gemeente bij bouwvoorbereiding het formulier
                    uitbreiden met de desbetreffende voorzieningen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Formulier voor het verstrekken van informatie over lesgebouwen</vet>
        </al>
        <al>Bij de gemeente beschikbaar.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Toelichting</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Algemeen</vet>
        </al>
        <al>Dit formulier is bedoeld voor zogenaamd 'turn around'-gebruik, dat wil zeggen na
                    de eerste opgave behoeft het formulier slechts indien er wijzigingen zijn te
                    worden ingezonden. Alleen de te wijzigen gegevens worden dan door het bevoegd
                    gezag vermeld. Bij elektronische uitwisseling van het formulier kunnen slechts
                    de van toepassing zijnde gegevens worden afgedrukt.</al>
        <al>Na verwerking zendt de gemeente een nieuw formulier met gegevens in de kolom
                    'huidig gegeven' toe aan het bevoegd gezag. Dit maakt het mogelijk voor het
                    bevoegd gezag te controleren of verwerking van de wijzigingen conform de opgave
                    is geschied.</al>
        <al>
          <vet>Basisgegevens</vet>
        </al>
        <al>Nauwkeurig vastleggen en bijhouden van de gegevens voorkomt dat gemeente en
                    schoolbestuur uitgaan van verschillende huisvestingsgegevens.</al>
        <al>Er wordt gevraagd voor elk gebouw een formulier te verstrekken. Voor elk gebouw
                    wordt een aantal gegevens gevraagd. De meeste hiervan zijn al bekend en liggen
                    vast in de historische gegevens of BRHU voor het VO zoals C¦i die heeft
                    verstrekt.</al>
        <al>Het kan voorkomen dat een gebouw bestaat uit gedeelten die elk in een
                    verschillend jaar zijn gebouwd. In dat geval dient elk van de bouwjaren apart te
                    worden vermeld tezamen met de brutovloeroppervlakte van het desbetreffende
                    deel.</al>
        <al>Bij het verstrekken van de gegevens is in het formulier uitgegaan van de
                    beschrijving van de informatieverstrekking zoals opgenomen in de verordening.
                    Indien burgemeester en wethouders het noodzakelijk achten om aanvullende
                    gegevens te vervangen, dan kan in het formulier worden voorzien in de
                    mogelijkheid tot het verstrekken van deze informatie. Het kan dan gaan om:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>gebouw(deel)nummer;</al></li>
          <li nr=""><al>aantal bouwlagen;</al></li>
          <li nr=""><al>kadastraal nummer;</al></li>
          <li nr=""><al>oppervlakte terrein;</al></li>
          <li nr=""><al>aanwezige lokalen, zo nodig te splitsen in: </al></li>
          <li nr=""><al>aanwezigheid van voorzieningen voor gehandicapten;</al></li>
          <li nr=""><al>aanwezigheid van een rijwielberging.</al></li>
          <li nr=""><al>groepslokalen (PO)/theorie(vak)lokalen (VO);</al></li>
          <li nr=""><al>speellokaal (PO)/vaklokalen (VO);</al></li>
          <li nr=""><al>werkplaatsen (VO); aanwezige overige ruimten/nevenruimten;</al></li>
        </lijst>
        <al>Alvorens van deze mogelijkheid gebruik te maken, dient de gemeente wel overleg
                    te voeren met de schoolbesturen.</al>
        <al>
          <vet>Periodieke gegevens</vet>
        </al>
        <al>Het is niet mogelijk om met dit formulier te voorzien in verstrekking van
                    periodieke gegevens aan burgemeester en wethouders. Levering van periodieke
                    gegevens vindt op basis van de verordening plaats door een afschrift van het
                    leerlingtelformulier inclusief een opgave van het aantal leerlingen per locatie
                    naar burgemeester en wethouders te zenden.</al>
        <al>Om als gemeente goed inzicht te hebben in de benutting van de
                    onderwijshuisvesting is het nodig steeds inzicht te hebben in de actuele
                    situatie. Gevraagd wordt daarom wijzigingen steeds zo spoedig mogelijk door te
                    geven. Bij wijzigingen dient het bevoegd gezag ook de datum van ingang van de
                    wijzigingen op te geven.</al>
        <al>
          <vet>Formulier voor het verstrekken van informatie over eigen gymnastiek-ruimten
                        en jaarlijkse opgave gebruik gymnastiekruimten</vet>
        </al>
        <al>Bij de gemeente beschikbaar</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Toelichting</vet>
        </al>
        <al>Dit formulier ondersteunt de gemeente bij de planning van het gebruik van de
                    gymnastieklokalen. Tevens biedt het formulier de mogelijkheid een (wijziging van
                    een) opgave te doen van noodzakelijke gegevens van een gymnastiekruimte in
                    eigendom van het schoolbestuur.</al>
        <al>
          <vet>Gegevens over de gymnastiekruimte</vet>
        </al>
        <al>Eenmalig, op basis van de situatie per 1 januari 1997, geeft het schoolbestuur
                    dat zelf eigenaar is van de gymnastiekruimte de gegevens op. Bij wijzigingen in
                    de gegevens - anders dan het gebruik - wordt hernieuwd een opgave gedaan. Dit
                    vorenstaande geldt zowel voor het primair onderwijs als het voortgezet
                    onderwijs.</al>
        <al>Het formulier beperkt zich tot de gebouwgegevens opgenomen in de verordening
                    voorzieningen huisvesting onderwijs. Eventueel gewenste aanvullende gegevens
                    (over brutovloeroppervlakte, over aanwezigheid van was- en kleedgelegenheid
                    bijvoorbeeld) kan de gemeente vragen opnemen in het formulier. Voordat de
                    gemeente daartoe overgaat, is wel overleg met het bijzonder onderwijs
                    nodig.</al>
        <al>
          <vet>Opgave gewenst gebruik gymnastiekruimte</vet>
        </al>
        <al>Voor het inroosteren van gymnastiekruimten doet het bevoegd gezag voor elke
                    school in het primair onderwijs jaarlijks voor het volgende schooljaar een
                    opgave van het aantal klokuren gewenst gebruik. Daarbij geeft zij ook aan welke
                    gymnastiekruimte zij wenst te gebruiken en wanneer. Er is rekening gehouden met
                    opgave van gewenste dagdelen (ochtend en/of middag).</al>
        <al>Indien de gemeente ook het voortgezet onderwijs wenst te betrekken bij het
                    inroosteren van gymnastiekruimten, dan neemt de gemeente het op in de
                    verordening. Ook de instellingen voor voortgezet onderwijs geven dan jaarlijks
                    een opgave van het gewenst gebruik van gymnastiekruimten in het volgende
                    schooljaar.</al>
        <al>
          <vet>Berekeningsformulier Prognosemodel huisvesting voortgezet onderwijs
                        (VO)</vet>
        </al>
        <al>Bij de gemeente beschikbaar</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Toelichting</vet>
        </al>
        <al>In het voortgezet onderwijs bestaat er (nog) geen vastgesteld model dat ook in
                    de vorm van software beschikbaar is. Daarom zijn de rekenregels zoals aangegeven
                    in bijlage II onder 3 van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs op
                    dit formulier in schema gezet. Het is voor de nauwkeurigheid van de prognose van
                    belang dat het schema wordt ingevuld voor alle gemeenten van waaruit leerlingen
                    de vestiging waarvoor de prognose wordt gemaakt bezoeken. Het uiteindelijke
                    prognoseresultaat is dan de som van de schoolbevolking (M) voor elk van de
                    gemeenten in de jaren t tot en met t+15.</al>
        <al>In de analyseperiode worden feitelijke gegevens gebruikt: het aantal 12 jarigen
                    en het aantal 13-jarigen per 1 januari van de afgelopen zes jaar (zo mogelijk)
                    en het aantal leerlingen in het eerste leerjaar en in de hele vestiging per 15
                    september/1 oktober daaraan voorafgaand. Bij fusies gedurende de analyseperiode
                    wordt gehandeld, alsof de fusie aan het begin van die periode heeft
                    plaatsgevonden.</al>
        <al>Door de leerlingen in het eerste leerjaar te sommeren (-D) en te delen door de
                    som van het gemiddelde aantal 12- en 13-jarigen (C) wordt het gemiddelde
                    belangstellingspercentage (E) berekend.</al>
        <al>De som van de schoolbevolking (F) gedeeld door de som van de leerlingen in het
                    eerste leerjaar levert de gemiddelde vermenigvuldigingsfactor G op die in de
                    prognoseperiode moet worden gebruikt. Bij veranderingen in gedoceerd onderwijs
                    wordt de vermenigvuldigingsfactor over de drie meest recente jaren
                    berekend.</al>
        <al>In de prognoseperiode wordt voor de 12- en 13-jarigen gebruikgemaakt van de
                    cijfers uit de meest recente PRIMOS-raming (die jaarlijks wordt gemaakt).</al>
        <al>De te verwachten schoolbevolking in de prognoseperiode ontstaat door het
                    gemiddeld aantal 12- en13-jarigen te vermenigvuldigen met het
                    belangstellingspercentage en de vermenigvuldigingsfactor.</al>
        <al>NB: Mits gemeenten onderling niet te veel verschillen in toekomstige
                    ontwikkeling van de 12- en 13-jarigen, kunnen gemeenten van waaruit slechts
                    enkele leerlingen de vestiging bezoeken worden samengenomen (hetgeen het
                    rekenwerk enigszins beperkt).</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Formulier bouwkundige opname</vet>
        </al>
        <al>Bij de gemeente beschikbaar</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Toelichting</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Algemeen</vet>
        </al>
        <al>Voor de beoordeling van de bouwkundige staat van schoolgebouwen worden in het
                    primair onderwijs en het voortgezet onderwijs vrijwel identieke methoden
                    gehanteerd. Het betreft een opnamemethodiek die is ontwikkeld door de
                    Rijksgebouwendienst (RGD).</al>
        <al>De beoordeling van de bouwkundige staat van schoolgebouwen wordt gemeten aan de
                    hand van de navolgende gobouwonderdelen:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>fundering</al></li>
          <li nr=""><al>buitenwanden</al></li>
          <li nr=""><al>binnenwanden</al></li>
          <li nr=""><al>vloeren</al></li>
          <li nr=""><al>dakconstructie</al></li>
          <li nr=""><al>draagconstructie</al></li>
          <li nr=""><al>buitenwandopeningen</al></li>
          <li nr=""><al>vloerafwerkingen</al></li>
          <li nr=""><al>plafondafwerkingen</al></li>
          <li nr=""><al>dakafwerkingen</al></li>
          <li nr=""><al>warmteopwekking</al></li>
          <li nr=""><al>warmtedistributie</al></li>
          <li nr=""><al>luchtbehandeling</al></li>
          <li nr=""><al>elektrotechniek</al></li>
          <li nr=""><al>transportinstallatie</al></li>
          <li nr=""><al>terreinafwerkingen</al></li>
        </lijst>
        <al>In het primair onderwijs is ook het onderdeel 'waterleiding/riolering'
                    opgenomen.</al>
        <al>Op grond van de bij de Wet decentralisatie huisvestingsvoorzieningen (Stb. 1996,
                    402) gevoegde 'kruisjeslijst', is het mogelijk de elementen die zowel voor het
                    primaire onderwijs (P0) als voor het voortgezet onderwijs (VO) bij de gemeente
                    kunnen worden aangevraagd, te selecteren. De 'kruisjeslijst' is het overzicht
                    met de elementen die voor rekening van het bevoegd gezag dan wel de gemeente
                    komen.</al>
        <al>
          <vet>Onderhoud primair onderwijs en aanpassing voortgezet onderwijs</vet>
        </al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Onderhoud dat kan worden aangevraagd bij de gemeente, PO </al><lijst>
              <li nr="1."><al>- vervangen dakpannen, houtwerk, goten</al></li>
              <li nr="2."><al>- vervangen rijwielstalling/-staanders</al></li>
              <li nr="3."><al>- vervangen brandtrap</al></li>
              <li nr="4."><al>- vervangen erfscheiding</al></li>
              <li nr="5."><al>- vervangen/herstel riolering/bestrating</al></li>
              <li nr="6."><al>- vervangen buitenkozijnen (inclusief hang- en sluitwerk)</al></li>
              <li nr="7."><al>- vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer</al></li>
              <li nr="8."><al>- vervangen buitenberging</al></li>
              <li nr="9."><al>- vervangen binnenkozijnen (inclusief hang- en sluitwerk)</al></li>
              <li nr="10."><al>- vervangen radiatoren, convectors, leidingen</al></li>
            </lijst></li>
          <li nr="2."><al>Aanpassing die kan worden aangevraagd bij de gemeente, VO </al><lijst>
              <li nr="1."><al>- vervangen stenen dakbedekking, dakranden, dakvensters,
                                    lichtkoepels</al></li>
              <li nr="2."><al>- vervangen rijwielloods</al></li>
              <li nr="3."><al>- vervangen buitentrap</al></li>
              <li nr="4."><al>- vervangen afrastering</al></li>
              <li nr="5."><al>- vervangen bestrating/buitenriolering</al></li>
              <li nr="6."><al>- vervangen buitenkozijnen</al></li>
              <li nr="7."><al>- vervangen/herstel buitenwanden</al></li>
              <li nr="8."><al>- herstel voegwerk</al></li>
              <li nr="9."><al>- herstel entreepui</al></li>
              <li nr="10."><al>- vervangen buitenzonwering</al></li>
            </lijst></li>
        </lijst>
        <al>Opm.: Indien in een gemeente geen voortgezet onderwijs voorkomt, kunnen de
                    elementen 11 tot en met 20 worden geschrapt uit het formulier.</al>
        <al>Ten behoeve van een aanvraag voor onderhoud/aanpassing kan de noodzaak worden
                    vastgesteld met behulp van de beoordeling van de bouwkundige staat. De elementen
                    uit A en B zijn onder te brengen in de rubrieken van het formulier dat wordt
                    gehanteerd voor het vastleggen van de bouwkundige staat. In het navolgend
                    overzicht is aangegeven hoe de elementen die bij de gemeente kunnen worden
                    aangevraagd, zijn ondergebracht bij de gebouwonderdelen van het formulier ter
                    beoordeling van de bouwkundige staat.</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>buitenwanden: </al></li>
          <li nr=""><al>17 vervangen/herstel buitenwanden</al></li>
          <li nr=""><al>18 herstel voegwerk</al></li>
          <li nr=""><al>20 vervangen buitenzonwering</al></li>
          <li nr=""><al>binnenwanden: </al></li>
          <li nr=""><al>buitenwandopeningen: </al></li>
          <li nr=""><al>dakafwerkingen: </al></li>
          <li nr=""><al>warmtedistributie: </al></li>
          <li nr=""><al>transport(-install.): </al></li>
          <li nr=""><al>terrein(-afwerking): </al></li>
          <li nr=""><al>2 vervangen rijwielstalling (-staanders) (PO)</al></li>
          <li nr=""><al>4 vervangen erfscheiding (PO)</al></li>
          <li nr=""><al>5 vervangen/herstel riolering/bestrating (PO)</al></li>
          <li nr=""><al>12 vervangen rijwielloods (VO)</al></li>
          <li nr=""><al>14 vervangen afrastering (VO)</al></li>
          <li nr=""><al>15 vervangen bestrating/buitenriolering (VO)</al></li>
          <li nr=""><al>8 vervangen buitenberging (PO)</al></li>
          <li nr=""><al>3 vervangen brandtrap</al></li>
          <li nr=""><al>13 vervangen buitentrap</al></li>
          <li nr=""><al>1 vervangen radiatoren, convectors, leidingen</al></li>
          <li nr=""><al>1 vervangen dakpannen. houtwerk, goten (PO)</al></li>
          <li nr=""><al>11 vervangen stenen dakbedekking, dakranden, dakvensters,
                            lichtkoepels</al></li>
          <li nr=""><al>7 vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer</al></li>
          <li nr=""><al>6 vervangen buitenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk) (PO)</al></li>
          <li nr=""><al>16 vervangen buitenkozijnen (VO)</al></li>
          <li nr=""><al>19 herstel entreepui</al></li>
          <li nr=""><al>9 vervangen binnenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk)</al></li>
        </lijst>
        <al>Vervangende nieuwbouw en herstel constructiefouten</al>
        <al>De overige onderdelen (blad 2 van het formulier) behoeven alleen te worden
                    ingevuld indien de gevraagde voorziening de vervanging van het gebouw of het
                    herstel van constructiefouten betreft. Indien de vervanging vanwege de
                    bouwkundige staat van het gebouw noodzakelijk is, moeten alle onderdelen worden
                    ingevuld. Indien het herstel van constructiefouten is gewenst, moet alleen het
                    element worden ingevuld waarop de constructiefout betrekking heeft. Het betreft
                    de navolgende gebouwonderdelen:</al>
        <al>- fundering 5</al>
        <al>- buitenwanden 13</al>
        <al>- binnenwanden 7</al>
        <al>- vloeren 10</al>
        <al>- dakconstructie 12</al>
        <al>- draagconstructie 6</al>
        <al>- buitenwandopeningen 12</al>
        <al>- vloerafwerkingen 5</al>
        <al>- plafondafwerking 4</al>
        <al>- dakafwerking 8</al>
        <al>- warmteopwekking 4</al>
        <al>- warmtedistributie 4</al>
        <al>- luchtbehandeling 3</al>
        <al>- elektrotechniek 4</al>
        <al>- transport 1</al>
        <al>- terrein 2</al>
        <al>De conditie van een gebouwonderdeel bepaalt de mate waarin het wegingsgetal
                    meetelt in de totale afweging, volgens de volgende verdeling:</al>
        <al>- conditie 1 0%</al>
        <al>- conditie 2 10%</al>
        <al>- conditie 3 20%</al>
        <al>- conditie 4 40%</al>
        <al>- conditie 5 80%</al>
        <al>- conditie 6 100%</al>
        <al>Voorbeeld:</al>
        <al>buitenwandopeningen: 40% in conditie 3 en 60% in conditie 5</al>
        <al> 40% * 20% + 60% * 80% = 56%</al>
        <al> de score is derhalve 56% van 12 = 6.72</al>
        <al>Op deze wijze kunnen de gebouwonderdelen in een onderlinge prioritering worden
                    gerangschikt. Indien de conditie van een gebouw ten opzichte van een ander
                    gebouw wordt afgewogen, bijvoorbeeld bij vervangende nieuwbouw, bepaalt de som
                    van de scores per gebouwonderdeel de totale conditie van het gebouw ten opzichte
                    van een ander gebouw.</al>
        <al>
          <vet>Toelichting specifiek</vet>
        </al>
        <al>Het formulier dient te zijn toegevoegd aan het formulier voor aanvragen van
                    voorzieningen in de onderwijshuisvesting indien bij de gevraagde voorziening
                    onder 'te overleggen gegevens' code D is vermeld. De invulling van het formulier
                    geschiedt door iemand met voldoende bouwkundige expertise om de staat van de
                    elementen van het gebouw te relateren aan de omschrijving van de onderscheiden
                    condities, zoals is weergegeven onder 4 (bouwkundige staat).</al>
        <al>
          <vet>1. School</vet>
        </al>
        <al>Bij 'school' wordt, indien een gebouwnummer ontbreekt, de gebouwnaam
                    vermeld.</al>
        <al>Bij 'omvang' kan worden aangegeven of het formulier betrekking heeft op het
                    gehele gebouw of op een van de onderscheiden gebouwgedeelten. Voor de
                    bouwbepalingen wordt verwezen naar bijlage V, hoofdstuk 2.2, van de verordening
                    voorzieningen huisvesting onderwijs. Indien de voorziening betrekking heeft op
                    het gehele gebouw of één gebouwgedeelte (bijvoorbeeld alleen het speellokaal)
                    kan worden volstaan met het formulier. Indien de voorziening betrekking heeft op
                    meerdere gebouwgedeelten moet voor ieder gebouwgedeelte een apart formulier
                    worden ingevuld. Dit is noodzakelijk om op basis van bijlage V van de
                    verordening voorzieningen huisvesting onderwijs, de prioriteiten te kunnen
                    stellen zoals deze zijn aangegeven in hoofdstuk 2.2 en 2.3. Indien de gewenste
                    voorziening noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen, bijlage V hoofdstuk 2.3, kan in de meeste gevallen worden
                    volstaan met een rapportage waaruit blijkt dat de gewenste voorziening
                    noodzakelijk is.</al>
        <al>
          <vet>3. Voorziening</vet>
        </al>
        <al>Bij 'voorziening' wordt, onder a, het elementnummer aangegeven dat overeenkomt
                    met de voorziening zoals deze op de aanvraag bij de gemeente is ingediend. Het
                    betreft de elementnummers zoals deze zijn aangegeven onder punt 4 (bouwkundige
                    staat) van het formulier.</al>
        <al>Tevens dient, onder b, te worden aangegeven of de gevraagde voorziening
                    noodzakelijk is om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven (2.2) of dat de
                    voorziening noodzakelijk is om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde
                    voorlichting (2.3). Het onderdeel dat niet van toepassing is, kan worden
                    doorgehaald.</al>
        <al>
          <vet>4. Bouwkundige staat</vet>
        </al>
        <al>Bij 'conditie' wordt aangegeven welk percentage van een gebouwonderdeel in welke
                    conditie verkeert. De invulling geschiedt zodanig dat het totaal op 100%
                    uitkomt. Om te kunnen voldoen aan het in bijlage I van de
                    huisvestingsverordening aangegeven noodzakelijkheidscriterium dient het gehele
                    bouwelement of het in ogenschouw genomen gedeelte van het bouwelement ten minste
                    in conditie 3, 4, 5 of 6 te verkeren. Het betreft het percentage dat als
                    ondergrens wordt gehanteerd om te bepalen of bijvoorbeeld de buitenkozijnen voor
                    vervanging in aanmerking komen. In de eerste plaats wordt de conditie van een
                    gebouwonderdeel bepaald door de mate waarin de functies van het onderdeel zijn
                    aangetast. In de tweede plaats wordt de conditie van een onderdeel bepaald door
                    de mate van veroudering of aantasting. De condities zoals deze per
                    gebouwonderdeel worden aangetroffen, zijn als volgt gedefinieerd:</al>
        <al/>
        <al>Conditie 1</al>
        <al>Algemeen: Nieuwbouwkwaliteit en/of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit.</al>
        <al>Functioneel: Functionele gebreken veroorzaakt door veroudering van materialen en
                    constructies mogen niet voorkomen of voorgekomen zijn. Wel kunnen functionele
                    gebreken voorgekomen zijn na bijvoorbeeld een calamiteit.</al>
        <al>Veroudering: Tamelijk ernstige gebreken, ontstaan door veroudering, mogen niet
                    voorkomen. Zeer incidenteel kunnen lichte mechanische beschadigingen voorkomen
                    die niet bedreigend zijn voor het functioneren van (het deel van) het
                    gebouw.</al>
        <al>Basiskwaliteit: Het werk is onder meer als goed en degelijk te typeren. Zeer
                    incidenteel kan een goed uitgevoerde en duurzame reparatie aangetroffen
                    worden.</al>
        <al>Conditie 2</al>
        <al>Algemeen: Nieuwbouwkwaliteit met eerste tekenen van feitelijke veroudering.</al>
        <al>Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich incidenteel onder ongunstige
                    omstandigheden voordoen. Functionele gebreken die onbruikbaarheid veroorzaken,
                    mogen niet voorkomen.</al>
        <al>Veroudering: Zeer incidenteel kan zich een ernstig gebrek in de vorm van
                    bijvoorbeeld materiaalaantasting voordoen. Tamelijk ernstige gebreken, zoals
                    duidelijke verweringsverschijnselen, kunnen zich incidenteel en plaatselijk
                    voordoen.</al>
        <al>Basiskwaliteit: Het werk is als redelijk tot goed te typeren. Plaatselijk kunnen
                    goed uitgevoerde en duurzame reparaties worden aangetroffen.</al>
        <al>Conditie 3</al>
        <al>Algemeen: Het verouderingsproces is over de gehele linie duidelijk op gang
                    gekomen.</al>
        <al>Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich incidenteel en plaatselijk onder
                    normale omstandigheden voordoen. Functionele gebreken die onbruikbaarheid
                    veroorzaken, mogen niet voorkomen.</al>
        <al>Veroudering: Plaatselijk kunnen zich ernstige gebreken aan materialen en/of
                    constructies voordoen zonder te resulteren in functionele gebreken. Tamelijk
                    ernstige gebreken, zoals een duidelijke verwering, kunnen plaatselijk tot
                    regelmatig voorkomen.</al>
        <al>Basiskwaliteit: Het werk is als matig te typeren. Goed uitgevoerde en duurzame
                    reparaties kunnen regelmatig voorkomen. Anderzijds kunnen ook plaatselijke
                    reparaties worden aangetroffen die slecht zijn uitgevoerd en/of zijn uitgevoerd
                    met minder geschikte materialen.</al>
        <al>Conditie 4</al>
        <al>Algemeen: Het verouderingsproces heeft het gebouwonderdeel duidelijk in zijn
                    greep.</al>
        <al>Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich plaatselijk tot regelmatig
                    voordoen onder normale omstandigheden. Functionele gebreken die onbruikbaarheid
                    veroorzaken, kunnen zich in de afgelopen jaren incidenteel op beperkte schaal
                    hebben voorgedaan naar aanleiding van veroudering van materialen en/of
                    constructies.</al>
        <al>Veroudering: Plaatselijk tot regelmatig kunnen zich ernstige gebreken aan
                    materialen en/of constructies voordoen (incidenteel kunnen zich hierdoor
                    functionele gebreken voordoen en/of hebben voorgedaan). Tamelijk ernstige
                    gebreken, zoals een duidelijke verwering, kunnen algemeen voorkomen. Onderdelen
                    die het directe functioneren van een deel van een gebouw niet bedreigen, kunnen
                    vrijwel volledig zijn verdwenen.</al>
        <al>Basiskwaliteit: Het werk is als zeer matig te typeren.</al>
        <al>Conditie 5</al>
        <al>Algemeen: Het verouderingsproces is min of meer onomkeerbaar geworden c.q. heeft
                    het deel van een gebouw zeer duidelijk in zijn greep.</al>
        <al>Functioneel: Functionele gebreken kunnen zich regelmatig voordoen. Functionele
                    gebreken die de onbruikbaarheid veroorzaken, kunnen zich incidenteel plaatselijk
                    voordoen en/of in de afgelopen jaren met duidelijke regelmaat op beperkte schaal
                    hebben voorgedaan.</al>
        <al>Veroudering: Regelmatig kunnen zich ernstige gebreken aan materialen en/of
                    constructies voordoen (incidenteel kunnen zich hierdoor functionele gebreken
                    voordoen en/of met enige regelmaat voorgedaan hebben). Tamelijk ernstige
                    gebreken aan materialen en/of constructies kunnen tamelijk algemeen in duidelijk
                    gevorderde stadia voorkomen. Onderdelen welke het directe functioneren (van het
                    deel) van het gebouw bedreigen, kunnen duidelijke gebreken vertonen.</al>
        <al>Basiskwaliteit: Het werk is als slecht te typeren.</al>
        <al>Conditie 6</al>
        <al>Algemeen: Een zodanig slechte toestand dat dit niet meer te classificeren is
                    onder conditie 5.</al>
        <al>
          <vet>Omschrijving gebreken:</vet>
        </al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>ernstige gebreken: </al></li>
          <li nr="2."><al>tamelijk ernstige gebreken </al></li>
          <li nr="3."><al>geringe gebreken </al></li>
          <li nr="4."><al>esthetische gebreken, verkleuring, bekladding, vervuiling;</al></li>
          <li nr="5."><al>defecten aan kleine en/of ondergeschikte onderdelen.</al></li>
          <li nr="3."><al>materiaaloppervlakte-gebreken; verwering, erosie, afschilfering
                            e.d.;</al></li>
          <li nr="4."><al>secundaire constructieve gebreken: doorbuiging, scheuren, vervorming
                            e.d.;</al></li>
          <li nr="5."><al>gebreken aan beschermde afwerklagen.</al></li>
          <li nr="2."><al>functionele gebreken zoals lekkage, vochtdoorslag, vochtoptrek, niet
                            beloopbaar zijn e.d.;</al></li>
          <li nr="3."><al>primaire constructieve gebreken: gebreken met betrekking tot
                            verankering, oplegging, houtrot, corrosie, betonschade, delaminatie
                            e.d.;</al></li>
          <li nr="4."><al>materiaalwezenlijke gebreken: houtrot, corrosie, betonschade,
                            delaminatie e.d</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>Omschrijving gebouwonderdelen</vet>
        </al>
        <al>De in het opnameformulier weergegeven gebouwonderdelen moeten vrij ruim worden
                    geïnterpreteerd. In principe moet het weergegeven onderdeel in zijn algehele
                    verschijningsvorm worden beoordeeld</al>
        <al>Bij de verschillende gebouwonderdelen is aangegeven welke elementen, zoals deze
                    kunnen worden aangevraagd bij de gemeente, behoren bij het desbetreffende
                    gebouwonderdeel. Indien een element wordt aangevraagd, dient de conditie te
                    worden ingevuld van het bijhorende deel van het gebouw.</al>
        <al>Buitenwanden: Zowel dragende als niet-dragende gevelwanden, inclusief isolatie
                    en afwerking. maar zonder de buitenwandopeningen. </al>
        <al> Elementen: 17 vervangen/herstel buitenwanden (VO)</al>
        <al> 18 herstel voegwerk (VO)</al>
        <al> 20 vervangen buitenzonwering (VO)</al>
        <al>Binnenwanden: Zowel dragende als niet-dragende binnenwanden, inclusief
                    binnenwandopeningen, afwerkingen etc. </al>
        <al> Elementen: 9 vervangen binnenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk) (PO)</al>
        <al>Buitenwandopeningen: Alle openingen voor uitzicht, ventilatie en verkeer in een
                    gevel. </al>
        <al> Elementen: 6 vervangen buitenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk) (PO)</al>
        <al> 16 vervangen buitenkozijnen (VO)</al>
        <al> 19 herstel entreepui (VO)</al>
        <al>Dakafwerkingen: De waterdichte laag inclusief de direct onder of boven de laag
                    aanwezige isolatie en inclusief eventuele goten. </al>
        <al> Elementen: 1 vervangen dakpannen. houtwerk, goten (PO)</al>
        <al> 11 vervangen stenen dakbedekking, dakranden. dakvensters, lichtkoepels
                    (VO)</al>
        <al> 7 vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer (PO)</al>
        <al>Warmtedistributie: Verwarmingsleidingen. radiatoren/convectors etc., koud- en
                    warmwaterleidingen. </al>
        <al> Elementen: 10 vervangen radiatoren, convectors, leidingen (PO)</al>
        <al>Transportinstallaties: Liftinstallaties, buitentrappen. </al>
        <al> Elementen: 3 vervangen brandtrap (PO)</al>
        <al> 13 vervangen buitentrap (VO)</al>
        <al>Terrein(-afwerking): Alle afwerkingen van het terrein, bestrating en begroeiing.
                    Buitenbergingen en erfafscheiding. </al>
        <al> Elementen: 2 vervangen rijwielstalling (-staanders) (PO)</al>
        <al> 4 vervangen erfscheiding (PO)</al>
        <al> 5 vervangen/herstel riolering/bestrating (PO)</al>
        <al> 12 vervangen rijwielloods (VO)</al>
        <al> 14 vervangen afrastering (VO)</al>
        <al> 15 vervangen bestrating/buitenriolering (VO)</al>
        <al> 8 vervangen buitenberging (PO)</al>
        <al>De navolgende gebouwonderdelen worden slechts geïnventariseerd indien de totale
                    vervanging van het gebouw wordt gewenst.</al>
        <al>Fundering: Dit onderdeel heeft zowel betrekking op de eventuele dieptefundering
                    (paalfundering), funderingsbalken, vloeren op grondslag, etc.</al>
        <al>Vloeren: Alle horizontale vloerdelen: op begane grond en verdiepingen, exclusief
                    de afwerking.</al>
        <al>Dakconstructie: De volledige opbouw van het dak, inclusief dakbalken, dakplaten,
                    exclusief de dakafwerking.</al>
        <al>Draagconstructie: Voornamelijk kolommen en balken.</al>
        <al>Vloerafwerkingen: De toplaag van de vloer inclusief eventuele deklagen.</al>
        <al>Plafondafwerkingen: Systeemplafonds, stuclagen, sauswerk, etc.</al>
        <al>Warmteopwekking: Verwarmingsketels en warmwaterboilers, geisers, inclusief
                    randapparatuur.</al>
        <al>Waterleiding/sanitair: Warm- en koudwaterleidingen, toiletpotten, wastafels
                    etc.</al>
        <al>Luchtbehandeling: Mechanische ventilatie; afzuiging/toevoer
                    luchtbehandelingskasten, randapparatuur, distributieleidingen.</al>
        <al>Elektrotechniek: Alle elektrotechnische voorzieningen.</al>
      </bijlage>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label/>
          <nr/>
          <titel>Nota-toelichting</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>1 Algemene toelichting</vet>
          <vet>1.1 Inleiding</vet>
        </al>
        <al>Sinds de decentralisatie van onderwijshuisvesting hebben gemeenten de opdracht
                    te voorzien in adequate huisvesting voor het primair en het voortgezet
                    onderwijs, op basis van een verordening. In deze algemene toelichting wordt
                    ingegaan op de totstandkoming van de Verordening voorzieningen huisvesting
                    onderwijs. Er wordt een kort overzicht gegeven van de overwegingen die tot de
                    decentralisatie van de onderwijshuisvesting hebben geleid, van het belang ervan
                    en van de wet. Daarna wordt ingegaan op het belangrijkste instrument dat
                    gemeenten hebben om de nieuwe taak uit te voeren: de verordening. Een ander
                    belangrijk instrument voor het gemeentelijk beleid is het overleg met het
                    onderwijsveld. Op dat overleg, en op de functie van de verordening daarin, wordt
                    tot slot ingegaan.</al>
        <al>
          <vet>1.2 Het belang van de decentralisatie van de onderwijshuisvesting</vet>
        </al>
        <al>De samenleving heeft belang bij goed onderwijs. Goed onderwijs is mede
                    afhankelijk van een goede infrastructuur, waaronder begrepen de huisvesting van
                    de scholen. Bij de realisatie van die huisvesting is het van belang een situatie
                    te creëren die zo goed mogelijk op de omstandigheden van de school is
                    toegesneden, tegen een zo laag mogelijke prijs. Het gaat immers om de aanwending
                    van gemeenschapsgelden. Deze twee uitgangspunten, maatwerk en efficiency,
                    vormden de belangrijkste redenen voor decentralisatie van onderwijshuisvesting.
                    Veel meer dan de rijksoverheid is het immers voor gemeenten mogelijk bij het
                    huisvestingsbeleid rekening te houden met de omstandigheden van de school en de
                    overige lokale omstandigheden.</al>
        <al>De decentralisatie van de onderwijshuisvesting is dus op de eerste plaats van
                    belang voor scholen. Ook voor gemeenten, in hun rol van overheid, is het echter
                    van belang. Op tal van gemeentelijke beleidsterreinen is immers sprake van
                    huisvestingsbehoefte. Gemeenten dienen de rol van beleidsbepalend coördinator en
                    financier te vervullen en zo een optimale afstemming tussen
                    huisvestingsbehoefte, beschikbare huisvestingscapaciteit en beschikbare middelen
                    te bewerkstelligen. Enerzijds wordt hierdoor meer efficiency bereikt en
                    anderzijds wordt de inhoud van het lokale onderwijsbeleid via de huisvesting
                    ondersteund. Zou de gemeente bijvoorbeeld in het kader van het
                    achterstandsbeleid besluiten dat extra aandacht (en geld) wordt besteed aan een
                    bepaalde categorie leerlingen, dan kan daaraan gekoppeld worden dat daar ook in
                    de sfeer van de huisvesting een mogelijkheid voor wordt gecreëerd.</al>
        <al>Ook buiten de sfeer van het onderwijs heeft de nieuwe taak van gemeenten
                    inmiddels zijn vruchten afgeworpen. Zo worden nieuwe vormen van bouwen
                    gestimuleerd en heeft de groei van het aantal Brede Scholen een grote vlucht
                    genomen.</al>
        <al>Samenvattend kan gesteld worden dat niet alleen het onderwijs, maar ook andere
                    gemeentelijke beleidsterreinen kunnen profiteren van de
                    huisvestingsverantwoordelijkheid van gemeenten. Het spreekt voor zich dat dit
                    gebeurt in goed overleg met de betrokken schoolbesturen.</al>
        <al>
          <vet>1.3 De wet</vet>
        </al>
        <al>De verordening voorzieningen huisvesting onderwijs stoelt op de Wet op het
                    primair onderwijs (WPO), de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de Wet op
                    de expertisecentra (WEC). De belangrijkste elementen uit de wet zijn:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>de gemeenteraad heeft een zorgplicht voor alle huisvestingsvoorzieningen
                            op het grondgebied van de gemeente;</al></li>
          <li nr=""><al>de voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk
                            zijn benoemd in de onderwijswetgeving;</al></li>
          <li nr=""><al>de gemeenteraad heeft de plicht een verordening vast te stellen. In die
                            verordening moet onder andere worden geregeld welke criteria de gemeente
                            hanteert bij de beoordeling van verzoeken, hoe de bedragen voor de
                            huisvestingsvoorzieningen worden vastgesteld, aan welke eisen
                            schoolgebouwen moeten voldoen en welke procedures gelden voor aanvragen
                            van schoolbesturen. Voordat de verordening wordt vastgesteld, wordt
                            daarover overleg gevoerd met de schoolbesturen;</al></li>
          <li nr=""><al>aan het college wordt opgedragen jaarlijks een bedrag vast te stellen.
                            Dit bedrag is bestemd voor de bekostiging van huisvestingsvoorzieningen
                            in het daaropvolgende jaar en moet zodanig worden vastgesteld dat
                            daarmee redelijkerwijs kan worden voorzien in de
                            huisvestingsbehoefte;</al></li>
          <li nr=""><al>als de huisvestingsverzoeken zijn beoordeeld dient een zogenoemd
                            programma te worden vastgesteld door de gemeenteraad. Dit programma
                            bevat alle aangevraagde voorzieningen die het jaar daarop voor
                            bekostiging door de gemeente in aanmerking komen. Verzoeken die worden
                            afgewezen komen op het zogenoemde overzicht te staan.</al></li>
        </lijst>
        <al>De afwijzingsgrond wordt daarbij vermeld;</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>de wet regelt ook de weigeringsgronden. Een voorziening wordt geweigerd
                            indien:</al></li>
          <li nr=""><al>niet aan de formele eisen voor indiening is voldaan;</al></li>
          <li nr=""><al>de voorziening niet noodzakelijk is;</al></li>
          <li nr=""><al>op een andere wijze in de behoefte kan worden voorzien, bijvoorbeeld
                            door medegebruik. Om dat medegebruik te kunnen realiseren heeft de
                            gemeente het recht leegstaande ruimte te vorderen van een
                            schoolbestuur;</al></li>
          <li nr=""><al>de voorziening noodzakelijk is als gevolg van verwijtbare nalatigheid
                            van het schoolbestuur;</al></li>
          <li nr=""><al>het door de gemeenteraad vastgestelde budget niet toereikend is;</al></li>
          <li nr=""><al>in afwijking van hetgeen in de wet geregeld wordt, kan een gemeente met
                            een schoolbestuur overeenkomen dat het schoolbestuur zelf
                            verantwoordelijk is voor de huisvestingsvoorzieningen en daarvoor van de
                            gemeente jaarlijks een bedrag ontvangt; de zogenaamde
                            doordecentralisatie. Dit kan gaan om alle huisvestingsvoorzieningen,
                            maar ook om een gedeelte daarvan. De gemeenteraad kan voorwaarden
                            stellen aan de doordecentralisatie.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.4 Het overleg met het lokale onderwijsveld; consensusmodel</vet>
        </al>
        <al>Alvorens in paragraaf 1.5 in te gaan op het formele instrument dat gemeenten ter
                    beschikking staat om de huisvestingstaak uit te voeren (de verordening), wordt
                    eerst ingegaan op het minstens zo belangrijke instrument van het overleg.</al>
        <al>De wet schrijft een aantal malen overleg met bijzondere scholen of hun
                    vertegenwoordigers voor. Méér echter dan een wettelijke verplichting is het
                    overleg een instrument om lokaal onderwijs(huisvestings)beleid te voeren. Het is
                    niet alleen van belang om draagvlak te verkrijgen voor de intenties van de
                    gemeente, maar ook nuttig om inzicht te krijgen in de wensen en mogelijkheden
                    van schoolbesturen. Met name indien een gemeente de onderwijshuisvesting wil
                    inbedden in het bredere lokaal onderwijsbeleid, is goed overleg
                    onontbeerlijk.</al>
        <al>In paragraaf 1.5 wordt onder andere beschreven wat het programma, het overzicht
                    en de urgentiecriteria inhouden. De toepassing van deze wettelijke instrumenten
                    kàn ertoe leiden dat het huisvestingsbeleid niet meer wordt dan het van jaar tot
                    jaar toe- en afwijzen van ingediende verzoeken. Op die wijze is het niet alleen
                    onmogelijk om integraal beleid te voeren; ook de ontwikkeling van een
                    meerjarenperspectief is dan niet aan de orde.</al>
        <al>Er kan echter, in overleg met het onderwijsveld, gekomen worden tot een
                    meerjarenplanning. Van de scholen wordt dan gevraagd inzicht te geven in hun
                    meerjarenplanning en de daaruit voortvloeiende huisvestingswensen. De gemeente
                    geeft aan wat, naar verwachting, de financiële mogelijkheden zijn en of er
                    ontwikkelingen op andere gemeentelijke beleidsterreinen verwacht worden die
                    mogelijk van invloed zijn op de onderwijshuisvesting. Vervolgens wordt, in
                    gezamenlijk overleg, een planning voor de komende jaren vastgesteld. Op basis
                    van deze (jaarlijks te actualiseren) meerjarenplanning dienen de schoolbesturen
                    hun aanvragen in.</al>
        <al>Dit zogenaamde consensusmodel stelt eisen aan het overleg. Daarbij gaat het
                    zowel om de agenda als de deelnemers. Dit type overleg kan alleen zinvol zijn
                    als het niet wordt beperkt tot de 'techniek' van de huisvesting, maar wordt
                    verbreed tot de voornemens en wensen van alle partijen op het brede
                    onderwijsterrein. Dat stelt uiteraard ook eisen aan de deelnemers. Overleg is
                    alleen zinvol als men voldoende deskundigheid, maar ook voldoende mandaat heeft.
                    Bovendien geldt voor de gemeente dat het noodzakelijk is een helder onderscheid
                    aan te brengen tussen de lokale overheidstaak en het bestuur van het openbaar
                    onderwijs. Dat betekent bij voorkeur dat aan het overleg een representant van de
                    gemeente en een representant van het openbaar onderwijs deelnemen. Afhankelijk
                    van de mate van verzelfstandiging van het openbaar onderwijs en de keuze van de
                    directiestructuur kan de representant van het openbaar onderwijs een ambtenaar
                    van de dienst onderwijs of een lid van de (centrale) directie zijn. Het is
                    uiteraard van belang dat deze personen kunnen rekenen op een draagvlak binnen de
                    scholen die zij representeren. Om hiervan verzekerd te zijn kunnen bijvoorbeeld
                    de medezeggenschapsraden vooraf geconsulteerd worden. Als het openbaar onderwijs
                    is verzelfstandigd, neemt uiteraard het bevoegd gezag deel aan het overleg. Voor
                    het bijzonder onderwijs betekent dit deelname door het schoolbestuur zelf, een
                    representant daarvan met bestuurlijk mandaat of een vertegenwoordiger van een
                    aantal schoolbesturen. Met name in gemeenten met veel schoolbesturen zal een
                    praktische keuze gemaakt moeten worden, om het overleg niet op een 'Poolse
                    landdag' te laten uitlopen.</al>
        <al>Toepassing van het hiervoor beschreven consensusmodel betekent niet dat er geen
                    verordening behoeft te worden vastgesteld. Volgens de wet dient iedere gemeente
                    waar zich basis-, speciaal, of voortgezet onderwijs bevindt een verordening te
                    hebben. Ook al wordt die verordening niet strikt toegepast, De uitkomsten van
                    het consensusmodel zullen tot de vaststelling van een programma (de
                    beschikkingen) door de gemeenteraad moeten leiden.</al>
        <al>Ook in het bovenbeschreven consensusmodel vormen de bepalingen in de verordening
                    de basis voor het onderwijshuisvestingsbeleid. Formeel gezien kunnen er geen
                    rechten ontleend worden aan de meerjarenplanning.</al>
        <al>Om het consensusmodel een steviger juridische basis te geven kan worden
                    aangesloten bij de mogelijkheid die de onderwijswetten bieden om naast de
                    verordening afspraken te maken met een of meer schoolbesturen.</al>
        <al>
          <vet>1.5 De verordening</vet>
        </al>
        <al>De wet geeft gemeenten een belangrijk instrument om de huisvestingstaak gestalte
                    te geven: de verordening. De verordening dient de uitwerking te vormen van een
                    aantal wettelijke bepalingen. De belangrijkste daarvan is dat de verordening
                    zodanig moet worden opgezet dat kan worden 'voldaan aan de redelijke eisen die
                    het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt'.</al>
        <al>In de VNG-modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs, die door iedere
                    gemeente op de gewenste lokale maat gesneden kan worden, is dat principe
                    uitgewerkt. Deze modelverordening is tot stand gekomen met medewerking van een
                    klankbordgroep, bestaande uit gemeentelijke vertegenwoordigers, en na uitgebreid
                    en constructief overleg met de besturenorganisaties voor het bijzonder
                    onderwijs.</al>
        <al>De verordening bestaat voor het belangrijkste deel uit bepalingen die volgens de
                    wet moeten worden opgenomen. Daarnaast is een aantal facultatieve bepalingen
                    opgenomen. Op het eerste gezicht lijkt de verordening, en met name de bijlagen,
                    vrij omvangrijk. De redenen daarvoor zijn de volgende: alhoewel het sterk de
                    voorkeur heeft om in overleg met de schoolbesturen (zie hiervoor paragraaf 1.4)
                    het huisvestingsbeleid gestalte te geven, dient de verordening zodanig van
                    inhoud te zijn dat die in juridische zin voldoende waarborgen biedt om, ook in
                    beroep, de gemeentelijke beslissingen te kunnen dragen. Dat gegeven leidt tot
                    meer bepalingen dan op het eerste gezicht wenselijk lijkt.</al>
        <al>- Bovendien vervangt de modelverordening het grootste deel van het omvangrijke
                    scala aan rijksregelgeving en andere voorschriften. Gemeenten hebben nu eenmaal
                    niet dezelfde variëteit aan regelgevingsmogelijkheden die het rijk heeft, dus
                    alle regels moeten in de vorm van een verordening worden gegoten.</al>
        <al>
          <vet>1.5.1 Uitgangspunten</vet>
        </al>
        <al>De modelverordening heeft de volgende uitgangspunten:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>Integraal gemeentelijk huisvestingsbeleid;</al></li>
          <li nr=""><al>Efficiency;</al></li>
          <li nr=""><al>Maatwerk;</al></li>
          <li nr=""><al>Gelijke behandeling van openbaar en bijzonder onderwijs.</al></li>
        </lijst>
        <al>Integraal gemeentelijk beleid</al>
        <al>In de modelverordening is uitgegaan van integraal gemeentelijk
                    huisvestingsbeleid. Dat betekent dat niet op voorhand een scheiding wordt
                    aangebracht tussen primair, speciaal en voortgezet onderwijs. Hieruit vloeit
                    niet alleen voort dat ervan uit wordt gegaan dat de gemeenteraad één budget
                    vaststelt voor alle mogelijke huisvestingsvoorzieningen, maar ook dat bij het
                    opstellen van de beoordelingscriteria waar mogelijk wordt uitgegaan van één
                    systematiek.</al>
        <al>Om het mogelijk te maken dat het onderwijshuisvestingsbeleid zoveel mogelijk
                    wordt ingebed in het totale gemeentelijke beleid, wordt bij de aanvraag- en
                    toekenningsprocedure de gemeentelijke begrotingscyclus gevolgd. Op die wijze
                    wordt bewerkstelligd dat een brede lokale afweging wordt gemaakt binnen het
                    totaal aan beschikbare gemeentelijke middelen. Het programma met daarop de
                    huisvestingsvoorzieningen die door de gemeente worden vergoed, wordt in principe
                    dan ook gelijktijdig met de begroting vastgesteld. Op die wijze zijn het bedrag
                    op de begroting en de toegekende voorzieningen altijd met elkaar in
                    overeenstemming. Er is dus geen sprake van een vooraf vastgesteld budget, waarna
                    vervolgens zoveel voorzieningen worden toegekend als het budget toelaat. Een
                    dergelijke handelwijze kan ertoe leiden dat niet voldaan wordt aan de opdracht
                    tot adequate huisvesting, omdat absoluut noodzakelijke voorzieningen niet aan
                    bod komen. Evenzeer is het denkbaar dat voorzieningen die niet absoluut
                    noodzakelijk zijn worden toegekend, omdat er nu eenmaal budget is. Dat
                    'overtollige' budget kan wellicht beter ingezet worden voor andere gemeentelijke
                    beleidsterreinen.</al>
        <al>Efficiency</al>
        <al>Het is belangrijk om zorgvuldig om te gaan met gemeenschapsgeld. Daarom heeft
                    dit item een groot accent gekregen in de verordening. De inzet is het zoveel
                    mogelijk gebruik maken van bestaande huisvestingscapaciteit. Dat komt tot
                    uitdrukking in de beoordelingscriteria die worden toegepast bij verzoeken om
                    nieuwe huisvestingsvoorzieningen, maar bijvoorbeeld ook bij het toekennen van
                    ruimte voor gymnastiekonderwijs. Bij dat laatste wordt het uitgangspunt verlaten
                    dat bij een bepaalde omvang van het gebruik recht bestaat op een 'eigen'
                    gymlokaal, en wordt uitgegaan van gemeentelijke accommodaties die beschikbaar
                    worden gesteld voor het onderwijs.</al>
        <al>Maatwerk</al>
        <al>Het maatwerk komt onder andere tot uitdrukking in de mate van autonomie die aan
                    schoolbesturen wordt gegeven; er worden slechts minimale normen voor
                    huisvestigingsvoorzieningen vastgelegd. De modelverordening gaat ook niet uit
                    van een genormeerd systeem van periodieke toekenning van bedragen voor groot
                    onderhoud en renovatie. Als dergelijke voorzieningen gewenst zijn, dan wordt de
                    noodzaak ervan getoetst.</al>
        <al>Het maatwerk komt ook tot uitdrukking in de wijze waarop de vergoeding van de
                    kosten van bepaalde voorzieningen tot stand komt. De wet schrijft voor dat de
                    gemeenteraad daarvoor normen vastlegt. In de modelverordening is ervoor gekozen
                    de vergoeding voor alle voorzieningen waarvoor dat mogelijk is, te normeren in
                    de vorm van een soort van programma van eisen. Voor de voorzieningen waarvoor
                    dat niet mogelijk is wordt uitgegaan van de offertelijn. Die houdt in dat een
                    schoolbestuur bij de aanvraag een begroting overlegt. Na eventuele bijstelling
                    daarvan wordt een voorlopig vergoedingsbedrag vastgesteld. Als de voorziening
                    door het college is goedgekeurd, vraagt het schoolbestuur een aantal offertes
                    op. Op basis daarvan wordt vervolgens het definitieve vergoedingsbedrag bepaald.
                    Op die wijze ontstaat ook in de vergoeding van de voorzieningen het benodigde
                    maatwerk. In de artikelsgewijze toelichting is aangegeven dat ook de
                    vergoedingsbedragen die genormeerd zijn, kunnen worden vervangen door de
                    offertelijn.</al>
        <al>Gelijkstelling onderwijs</al>
        <al>Als laatste, maar zeker niet onbelangrijkste uitgangspunt, kan de gelijke
                    behandeling van openbaar en bijzonder onderwijs genoemd worden.</al>
        <al>
          <vet>1.5.2 De structuur</vet>
        </al>
        <al>De modelverordening is opgesteld volgens het 'ladenkastprincipe'. Dit houdt in
                    dat de bepalingen voor de onderwijssoorten die in een gemeente niet voorkomen,
                    gemakkelijk verwijderd kunnen worden. Dat geldt ook voor facultatieve
                    bepalingen, zoals het toekennen van een vergoeding voor de kosten van
                    bouwvoorbereiding. Verder zijn alle bepalingen waar keuzen gemaakt zijn op het
                    gebied van termijnen duidelijk aangegeven. De gekozen termijnen kunnen zodoende
                    makkelijk vervangen worden.</al>
        <al>De modelverordening bevat een aanzienlijk aantal vrij technische bepalingen. Dit
                    geldt met name voor de bouwkundige en financiële normering en de urgentie- en
                    prognosecriteria. Omwille van de inzichtelijkheid bestaat de modelverordening
                    daarom uit een zgn. rompverordening met bijlagen. In de romp staan bepalingen
                    die in hun algemeenheid voor iedere gemeente gelden, zoals de
                    begripsomschrijvingen, de aanvraagprocedure en de competentieverdeling tussen
                    raad en college van burgemeester en wethouders. Verder is een aantal
                    'kapstokbepalingen' opgenomen. Deze maken het mogelijk dat een nadere uitwerking
                    plaatsvindt in de bijlagen. Romp en bijlagen vormen overigens in juridische zin
                    één geheel. De totstandkoming en wijziging van de bijlagen zullen op dezelfde
                    wijze dienen plaats te vinden als die van de romp. Dat betekent overigens niet
                    dat iedere wijziging tot een nieuwe vaststelling door de gemeenteraad moet
                    leiden. Wanneer het gaat om zaken die jaarlijks bijgesteld moeten worden, zoals
                    normbedragen, is die bijstelling opgedragen aan het college.</al>
        <al>
          <vet>1.5.3 De procedures van aanvragen en afhandeling</vet>
        </al>
        <al>Wat de procedures betreft wordt aangesloten bij de gemeentelijke
                    begrotingscyclus. De totale cyclus, die start met vaststelling of (indien
                    noodzakelijk) wijziging van de verordening en eindigt met de uitvoering van de
                    huisvestingsvoorziening, vindt plaats in drie kalenderjaren. In het schema op
                    blz. 11 wordt geschetst welke activiteiten in welk jaar moeten plaatsvinden,
                    waarbij met jaar 't' het jaar van uitvoering van de huisvestingsvoorziening door
                    het schoolbestuur is bedoeld. De aangegeven maanden zijn uiteraard
                    indicatief.</al>
        <al>Er is bij de aanvraagprocedures geen onderscheid gemaakt tussen voor blijvend en
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Beide worden op hetzelfde moment
                    en voor hetzelfde programma aangevraagd. Indien zich calamiteiten voordoen,
                    waarbij de voortgang van het onderwijs belemmerd wordt, kan een spoedprocedure
                    gevolgd worden. Naar verwachting zal hier weinig gebruik van hoeven te worden
                    gemaakt.</al>
        <al>
          <vet>1.5.4 De normering</vet>
        </al>
        <al>De wet draagt gemeenten op om in de verordening bouwkundige en financiële normen
                    vast te leggen. Het vastleggen van financiële normen is volledig overgelaten aan
                    gemeenten. Deze vaststelling moet zodanig plaatsvinden, dat een schoolbestuur
                    vooraf weet waar het op kan rekenen.</al>
        <al>Voor de bouwkundige normering is er wel sprake van centrale regelgeving. Met
                    name in het Bouwbesluit worden eisen aan gebouwen, waaronder schoolgebouwen,
                    gesteld. Ook zijn in het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting
                    PO/VO (Stb. 1997, 125) minimale oppervlaktenormen gegeven. Aanvullend daarop
                    zijn in de modelverordening enkele minimale eisen opgenomen.</al>
        <al>De bouwkundige normering dient twee doelen. Enerzijds wordt daarmee bepaald aan
                    welke eisen nieuwe voorzieningen moeten voldoen. Anderzijds kan uit de
                    bouwkundige normering informatie worden ontleend over de capaciteit en de
                    functionaliteit van een bestaand gebouw. Deze informatie is belangrijk om te
                    beoordelen of er een nieuwe voorziening aan een gebouw getroffen moet
                    worden.</al>
        <al>Ten aanzien van de financiële normering zijn er twee opties: een strikt
                    genormeerde lijn en een offertelijn (deze opties worden in 1.5.1 onder maatwerk
                    beschreven). Ook kan een combinatie van beide worden gekozen.</al>
        <al>
          <vet>1.5.5 Beoordelings- en urgentiecriteria</vet>
        </al>
        <al>Beoordelingscriteria zijn onontbeerlijk voor de vaststelling of een verzoek in
                    principe voor bekostiging in aanmerking komt. Als voldaan is aan de
                    beoordelingscriteria, wordt aan de hand van de urgentiecriteria en het
                    beschikbare budget vastgesteld of een voorziening daadwerkelijk bekostigd wordt.
                    Omdat één budget voor alle schoolsoorten het uitgangspunt is, gelden de
                    urgentiecriteria ook voor alle schoolsoorten. Dat betekent dat is gezocht naar
                    een methode om verzoeken van verschillende schoolsoorten onderling vergelijkbaar
                    te maken.</al>
        <al>De urgentiecriteria worden onderscheiden in vier hoofdgroepen:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>1. voorzieningen die nodig zijn om een kwantitatief tekort op te heffen
                            (te weinig ruimte);</al></li>
          <li nr=""><al>2. voorzieningen die nodig zijn om een adequaat onderhoudsniveau te
                            handhaven;</al></li>
          <li nr=""><al>3. noodzakelijke aanpassingen aan gebouwen die voortkomen uit bij of
                            krachtens de wet gestelde verplichtingen;</al></li>
          <li nr=""><al>4. voorzieningen die wenselijk zijn om kwalitatieve tekorten op te
                            heffen die het gevolg zijn van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of
                            gewenste bouwkundige aanpassingen (bijvoorbeeld andere indeling gebouw),
                            doch die als zodanig niet verplicht zijn.</al></li>
        </lijst>
        <al>De vier hoofdgroepen moeten vervolgens weer onderscheiden worden in een aantal
                    subgroepen. Voorbeeld: er zijn in een bepaald jaar drie verzoeken om
                    uitbreiding. Deze verzoeken vallen in hoofdgroep 1. Binnen die hoofdgroep moet
                    worden vastgesteld welke uitbreiding het meest urgent is. Dit kan bijvoorbeeld
                    door te bepalen dat de school waar relatief de grootste groei plaatsvindt, de
                    hoogste prioriteit heeft.</al>
        <al>Alle binnengekomen verzoeken worden dus eerst beoordeeld aan de hand van
                    wettelijke voorschriften en de gemeentelijke beoordelingscriteria. De
                    voorzieningen die deze toets niet doorstaan, komen op het overzicht. De
                    voorzieningen die overblijven worden met behulp van de urgentiecriteria in
                    volgorde van prioriteit geplaatst. Vervolgens wordt aan de hand hiervan bepaald
                    welke voorzieningen het volgende jaar vergoed worden. Deze komen op het
                    programma te staan. Op grond van de bijbehorende normbedragen of de bedragen die
                    op basis van de offertelijn zijn vastgesteld, wordt vervolgens het bedrag
                    bepaald dat de gemeenteraad voor deze voorzieningen op de begroting voor het
                    volgende jaar opneemt. De voorzieningen die 'onder de streep' belanden, worden
                    wegens ontoereikendheid van het budget op het overzicht geplaatst. Als er
                    voldoende budget is, komen alle aanvragen op het programma. Zodoende worden op
                    één moment het bedrag, het programma en het overzicht vastgesteld. De
                    voorzieningen die het volgende jaar door de gemeente vergoed worden komen op het
                    programma; alle afgewezen verzoeken komen op het overzicht.</al>
        <al>
          <vet>1.5.6 Prognosecriteria</vet>
        </al>
        <al>In de modelverordening is vastgelegd dat voor de beoordeling van aanvragen in de
                    meeste gevallen een prognose van leerlingaantallen moet worden overlegd.
                    Prognoses gelden als één van de criteria voor bepaling van de noodzaak van een
                    aangevraagde voorziening. De verordening geeft het college de bevoegdheid
                    hiervoor nadere regels vast te stellen.</al>
        <al>Als model hiertoe is in samenwerking met de besturenorganisaties voor het
                    openbaar en bijzonder onderwijs een uitgewerkt 'programma van eisen voor
                    leerlingprognoses' opgesteld. In dit programma van eisen is tot op het niveau
                    van de vereiste rekenregels uitgeschreven waaraan nieuwe prognoseprogrammatuur
                    moet voldoen. In het programma van eisen is een beschrijving gegeven van
                    definities, begrippen en formules die per onderwijssoort leiden tot het hanteren
                    van de juiste basisgeneraties en daarmee tot een geprognosticeerd aantal
                    leerlingen van de school.</al>
        <al>Maatwerk bij toepassing van de prognosemethodiek ligt voor de hand wanneer de
                    specifieke positie van enkele kleinere richtingen aan de orde is. Het betreft
                    hier met name gereformeerd-vrijgemaakte, reformatorische en vrije scholen,
                    waarbij de kerkelijke gebondenheid of het uitermate grote voedingsgebied een
                    wezenlijke rol spelen. Het maatwerk kan hier getroffen worden door op onderdelen
                    van de standaardsystematiek af te wijken of door deze systematiek op een
                    bepaalde manier toe te passen.</al>
        <al>
          <vet>1.5.7 Vaststelling van de verordening</vet>
        </al>
        <al>Op de vaststelling van de verordening zijn in algemene zin de betreffende
                    bepalingen uit de Gemeentewet van toepassing. Daarnaast zijn ook in de WPO, de
                    WEC en de WVO enkele bepalingen hieromtrent opgenomen.</al>
        <al>De grondslag voor de regelgevende bevoegdheid van gemeenten ligt vast in de
                    Grondwet. De gemeenteraad staat aan het hoofd van de gemeente, en beschikt
                    dientengevolge over de bevoegdheid alles te regelen in het belang van de
                    openbare orde, de zedelijkheid, de gezondheid en andere zaken betreffende de
                    huishouding van de gemeente (artikel 150 Gemeentewet). Daarnaast is de raad op
                    grond van artikel 109, tweede lid Gemeentewet, verplicht die regelingen te
                    treffen die door hogere regelingen worden gevorderd. Daarvan is in het geval van
                    de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs sprake.</al>
        <al>De onderwijswetten kennen ook een aantal bepalingen omtrent de vaststelling van
                    de huisvestingsverordening. Zo bepalen de artikelen 102 WPO, 100 WEC en 76m WVO
                    dat de verordening niet vastgesteld of gewijzigd wordt dan nadat daarover op
                    overeenstemming gericht overleg is gevoerd met vertegenwoordigers van de niet
                    door de gemeente in stand gehouden scholen. Voor dat overleg moet de
                    gemeenteraad een procedure vaststellen.</al>
        <al>
          <vet>1.6 Rechtsbescherming</vet>
        </al>
        <al>De Awb-bepalingen die gelden voor de procedure voor de totstandkoming van
                    besluiten van de gemeente, hebben grotendeels een vertaling in de
                    modelverordening gekregen. Over de rechtsbescherming die van toepassing is nadat
                    de gemeente een besluit op grond van de verordening heeft genomen, wordt in de
                    modelverordening zelf niets bepaald; hier gelden onverkort de bepalingen van de
                    Awb.</al>
        <al>Daarnaast kent de verordening een andere vorm van rechtsbescherming: advies van
                    de Onderwijsraad. Zowel de gemeente als een schoolbestuur kan een dergelijk
                    advies vragen. Het advies van de Onderwijsraad kan gevraagd worden in het kader
                    van de vaststelling of wijziging van de verordening, en in het kader van de
                    vaststelling van het jaarlijkse huisvestingsprogramma. Het advies wordt binnen
                    vier weken gegeven. Bij het definitieve besluit houdt de gemeente rekening met
                    het advies; een eventuele afwijking daarvan moet gemotiveerd worden.</al>
        <al>
          <vet>1.7 Ten slotte</vet>
        </al>
        <al>Hiervoor is weergegeven hoe gemeenten kunnen handelen bij de uitvoering van de
                    wettelijke opdracht om te voorzien in adequate huisvesting. Met name de
                    verordening is daarbij een belangrijk instrument. In paragraaf 1.4 is verwoord
                    dat er mogelijkheden zijn om, in afwijking van de verordening, in overleg met de
                    schoolbesturen het lokale huisvestingsbeleid gestalte te geven. Daarbij kunnen
                    dan aspecten van het lokale onderwijsbeleid en andere gemeentelijke
                    beleidsterreinen betrokken worden.</al>
        <al>De modelverordening is geschreven voor alle Nederlandse gemeenten. Daarbij kan
                    onmogelijk volledig recht gedaan worden aan de verschillende lokale
                    omstandigheden. Het is daarom van groot belang de verordening te beschouwen als
                    een dynamisch beleidsinstrument, dat op de maat van de individuele gemeente
                    gesneden wordt en dat ook, waar nodig, regelmatig aangepast wordt. Naast de
                    modelverordening zijn er andere handreikingen bieden om het huisvestingsbeleid
                    gestalte te geve, zoals een handreiking omtrent doordecentralisatie en het
                    efficiënt omgaan met bestaande en nieuwe gebouwen.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>2 Artikelsgewijze toelichting</vet>
          <vet>Considerans</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Reikwijdte verordening</vet>
        </al>
        <al>De verordening behoeft alleen maar bepalingen te bevatten over de
                    onderwijsvoorzieningen die zich op het grondgebied van de gemeente bevinden. Zo
                    kan bijvoorbeeld een gemeente met alleen maar basisonderwijs volstaan met een
                    verwijzing naar de WPO. Materieel betekent dit dat deze gemeente - afgezien van
                    de bepalingen en mogelijke bijlagen waarvoor het onderscheid naar onderwijssoort
                    niet relevant is - met minder bepalingen/bijlagen kan volstaan dan een gemeente
                    die beschikt over voorzieningen voor zowel basisonderwijs, (voortgezet) speciaal
                    onderwijs als voortgezet onderwijs. Indachtig het 'ladenkast-principe' kunnen
                    uit de tekst van de modelverordening en bijlagen passages worden geschrapt
                    wanneer in een gemeente een van de genoemde onderwijssoorten niet aanwezig is.
                    Wanneer deze situatie in de loop der tijd wijzigt, kan een gemeente de
                    verordening alsnog aanpassen (uitbreiden, maar eventueel ook inkorten bij het
                    verdwijnen van een onderwijssoort). In tijd bezien behoeft dit geen probleem te
                    zijn, omdat dergelijke veranderingen in het voorzieningenpatroon zich niet van
                    de ene op andere dag voltrekken.</al>
        <al>De hiervoor geschetste benadering kan in juridische zin worden gebaseerd op de
                    wettelijke bepaling dat 'de verordening zodanig wordt vastgesteld dat kan worden
                    voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van de
                    scholen in de gemeente stelt'. Met andere woorden: wanneer er geen scholen voor
                    voortgezet onderwijs (inclusief nevenvestigingen/dislocaties) in de gemeente
                    aanwezig zijn, dan is er ook geen sprake van de (juridische) noodzaak om te
                    voldoen aan de redelijke eisen van de onderwijshuisvesting van de
                    'niet-aanwezige scholen'.</al>
        <al>Overleg voorafgaande aan vaststelling (wijziging) verordening</al>
        <al>Het wettelijk voorgeschreven 'op overeenstemming gericht' overleg tussen de
                    gemeente en de schoolbesturen dat voorafgaat aan de vaststelling van de
                    verordening, is van groot belang met het oog op het streven om een zo breed
                    mogelijk draagvlak voor de verordening te bereiken binnen de onderwijssector. Om
                    dit belang te benadrukken is dit overleg in de considerans
                    aangehaald.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet>
        </al>
        <al>Een belangrijk in de wet verankerd uitgangspunt bij de uitvoering van de aan de
                    gemeente overgedragen huisvestingstaak is dat het openbaar en bijzonder
                    onderwijs op gelijke voet worden behandeld. Dit uitgangspunt komt ook tot uiting
                    in de modelverordening. Het gemeentebestuur past bij de uiteindelijke
                    beslissingen over de huisvesting voor alle schoolbesturen dezelfde normen,
                    criteria etc. toe. Ook in procedurele zin is sprake van een volstrekt gelijke
                    behandeling. Als concreet voorbeeld kan genoemd worden dat de indieningsdatum
                    voor aanvragen en de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen voor alle
                    schoolbesturen dezelfde zijn.</al>
        <al>Om de gelijke behandeling over de volle breedte te waarborgen is ervoor gekozen
                    om onder de begripsomschrijving van 'bevoegd gezag' en 'aanvrager' alle
                    schoolbesturen te vatten die een volgens de wet bekostigde onderwijsvoorziening
                    in stand houden die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is op het grondgebied van
                    de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, dislocatie). Er is dus geen
                    onderscheid gemaakt tussen openbaar (in welke bestuursvorm dan ook) en bijzonder
                    onderwijs.</al>
        <al>De aanduiding ‘‘op het grondgebied van de gemeente’’ is overigens niet bedoeld
                    om scholen uit te sluiten die weliswaar voor een gemeente zijn opgenomen op een
                    plan van scholen, maar nog niet daadwerkelijk op het grondgebied van die
                    gemeente zijn gevestigd. Een dergelijke uitleg zou er toe leiden dat de
                    stichting van nieuwe scholen onmogelijk zou worden.</al>
        <al>In het geval dat het college bestuur is van een openbare school waarvoor een
                    huisvestingsvoorziening wordt gewenst, betekent dit dat het college dus gehouden
                    is aan dezelfde procedures en termijnen als een bestuur van een bijzondere
                    school, een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet waaraan de
                    schoolbestuurlijke zorg voor de huisvesting is overgedragen of een openbaar
                    lichaam dat krachtens een gemeenschappelijke regeling een openbare school in
                    stand houdt.</al>
        <al>Dit kan tot de op het eerste gezicht wellicht wat wonderlijke situatie leiden
                    dat het college voor de in de verordening opgenomen indieningsdatum 'bij
                    zichzelf' een aanvraag indient. In de gemeentelijke bestuurspraktijk is dit geen
                    novum. Zo komt het bijvoorbeeld geregeld voor dat het college bij zichzelf een
                    verzoek om een bouwvergunning voor een gemeentelijk project indient.</al>
        <al>Dit alles vergt wel dat het college hiermee zorgvuldig omgaan, in die zin dat
                    men altijd aan anderen (de raad, besturen van niet door de gemeente in stand
                    gehouden scholen) moet kunnen aantonen dat men de 'eigen' aanvragen ook
                    daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten opzichte van de andere
                    aanvragen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 2 Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</vet>
        </al>
        <al>De omschreven voorzieningen geven niet alleen aan wat kan worden aangevraagd,
                    maar ook wat er door de gemeente (anderszins) kan worden toegewezen.
                    Voorzieningen die worden gewenst, maar die niet onder de omschrijving van dit
                    artikel kunnen worden gebracht, vallen buiten het bereik van deze verordening.
                    Slechts op deze grond kan de gemeente een dergelijke voorziening weigeren. Dit
                    sluit ook aan op de in de wet opgenomen weigeringsgrond dat een voorziening
                    wordt geweigerd indien het geen voorziening in de huisvesting is in de zin van
                    de wet (zie bijvoorbeeld artikel 100, eerste lid, onder a WPO).</al>
        <al>Voorbeeld: het buitenschilderwerk van een basisschool wordt volgens de opsomming
                    van de onderhoudsactiviteiten (zie bijlage I, overzicht 'Onderhoud PO') niet
                    gerekend tot de huisvestingsvoorziening onderhoud als bedoeld in artikel 2,
                    onder c. Reden hiervoor is dat in deze bijlage buitenschilderwerk niet als
                    voorziening in de huisvesting is opgenomen. (Een vergoeding voor het
                    buitenschilderwerk vormt overigens een onderdeel van de vergoeding voor de
                    materiële instandhouding, welke een schoolbestuur rechtstreeks van het rijk
                    ontvangt.)</al>
        <al>De benoemde activiteiten die wel als zodanig zijn aangemerkt, hebben daarmee een
                    limitatief karakter. Uiteraard heeft iedere gemeente de vrijheid tot verruiming
                    van de opgesomde activiteiten over te gaan, maar dus niet tot inperking.</al>
        <al>In artikel 2 zijn de in de wet globaal aangeduide voorzieningen in de
                    huisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 92 WPO) nader gespecificeerd. Op dit punt
                    onderscheidt het zich van de in artikel 1 verklaarde begrippen.</al>
        <al>Ad a</al>
        <al>1° Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</al>
        <al>2° Ingevolge het bepaalde in bijlage I gaat het bij uitbreiding in het primair
                    onderwijs om een noodzakelijke uitbreiding voor de huisvesting van minimaal 55
                    m² brutovloeroppervlakte.</al>
        <al>3° Ingebruikneming komt als term voor een voorziening in de huisvesting in de
                    wet niet voor, maar wordt daar aangeduid met 'bestaand gebouw of een gedeelte
                    daarvan'. Het kan daarbij gaan om zowel een onderwijsgebouw dat geheel leegstaat
                    als een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikneming worden de gebouwen bestemd
                    voor onderwijsdoeleinden. Bij gedeeltelijke leegstand in schoolgebouw waarvan
                    een andere school gebruikt maakt is er sprake van medegebruik.</al>
        <al>4° Vanwege de aard van een gebouw is verplaatsing beperkt tot noodlokalen (men
                    kan zich in de praktijk weinig voorstellen bij een verplaatsing van een
                    permanent gebouw, dan is er sprake van vervangende nieuwbouw).</al>
        <al>5° Toekenning van terrein voor de realisering van de bouw of uitbreiding van een
                    onderwijsgebouw is geen automatisme, zoals voor de decentralisatie in het
                    primair onderwijs het geval was. Een toekenning van terrein vindt nu alleen nog
                    maar plaats wanneer de grond nodig is voor de feitelijke realisering van de
                    huisvestingsvoorziening.</al>
        <al>6°/7° De handelwijze om bij fusies uit te gaan van de inbreng van het bestaande
                    meubilair en onderwijsleerpakket in de gefuseerde school betekent een
                    verscherping ten opzichte van het huidige toekenningsbeleid, maar is in het
                    kader van het bereiken van efficiency en het leveren van maatwerk op lokaal
                    niveau te rechtvaardigen. De afwijkende terminologie voor het voortgezet
                    onderwijs (leer- en hulpmiddelen) vloeit voort uit de wet.</al>
        <al>7° Medegebruik beperkt zich in principe tot schoolgebouwen die reeds in gebruik
                    zijn bij primair en voortgezet onderwijs. Onder medegebruik valt tevens het
                    gebruik van een gymnastiekaccommodatie die niet in eigendom is van een school
                    (bijvoorbeeld medegebruik in een gemeentelijke accommodatie). De genoemde
                    schoolsoorten in het (v)so betreffen de volgende. Voor een bad voor
                    bewegingstherapie: een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen of
                    meervoudig gehandicapte kinderen met een lichamelijke handicap. Voor een bad
                    voor watergewenning: een school voor zeer moeilijk lerende kinderen of
                    meervoudig gehandicapte kinderen.</al>
        <al>Ad b en c</al>
        <al>In bijlage I van de modelverordening is ter verduidelijking het overzicht, dat
                    ook onderdeel vormt van de toelichting op de wet, overgenomen. In dit overzicht
                    is aangegeven welke onderhoudsactiviteiten voor het primair onderwijs (overzicht
                    I-1) in beginsel voor rekening van de gemeente kunnen worden gebracht. Daarnaast
                    is in bijlage I verder de concrete inhoud van de begrippen aanpassing en
                    onderhoud aangegeven.</al>
        <al>Ad d</al>
        <al>Voor het begrip constructiefouten is een 'definitie' geformuleerd, gebaseerd op
                    hierover gevormde jurisprudentie. Als een constructiefout een directe
                    belemmering vormt voor de voortgang, kan het herstel van de fout op grond van de
                    spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden aangevraagd. Kan het herstel van de fout
                    wel uitstel dulden dan is de mogelijkheid tot het aanvragen van plaatsing van
                    een voorziening op het programma de meeste geëigende procedure. In dat laatste
                    geval zijn de gewone urgentiecriteria alsmede de financiële weigeringsgrond van
                    toepassing.</al>
        <al>Ad e</al>
        <al>De bijzondere omstandigheden zoals genoemd in de wet zijn in de verordening niet
                    nader uitgewerkt, aangezien dergelijke omstandigheden zich niet uitputtend laten
                    beschrijven. Wel is in de wet bepaald dat de gemeente een
                    huisvestingsvoorziening kan weigeren indien de voorziening nodig is voor herstel
                    van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag (zie
                    bijvoorbeeld artikel 100, tweede lid WPO).</al>
        <al>De aanduiding in de wet dat herstel en vervanging in verband met schade aan een
                    gebouw geldt als een huisvestingsvoorziening betekent dat de beoordeling van
                    deze voorziening dient te verlopen via de reguliere procedure van het programma
                    of via de spoedprocedure. De reguliere procedure zal niet altijd geschikt zijn
                    voor de afhandeling van dergelijke aanvragen. Het herstel van schade is meestal
                    spoedeisend. Daarbij komt dat zeker voor de kleine schadegevallen (bijvoorbeeld
                    glasschade) de reguliere procedure te zwaar en te omslachtig is.</al>
        <al>Ad f</al>
        <al>Aan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs kan onder bepaalde voorwaarden
                    een vergoeding worden toegekend voor het huren van een sportterrein voor
                    buitensportactiviteiten gedurende een periode van maximaal acht
                    weken.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen</vet>
        </al>
        <al>De wet biedt de gemeenteraad de mogelijkheid om, naast de toewijzing en
                    vergoeding van de huisvestingsvoorziening zelf, aan een bevoegd gezag dat daarom
                    verzoekt een vergoeding toe te kennen voor de kosten gemoeid met de
                    voorbereiding (van de aanvraag) van de huisvestingsvoorziening. Het betreft een
                    facultatieve bepaling. Een gemeente is, met andere woorden, niet verplicht
                    daadwerkelijk deze mogelijkheid te bieden. Uit oogpunt van 'kenbaar bestuur',
                    waaronder het vooraf geven van duidelijkheid over het gemeentelijk optreden, is
                    ervoor gekozen om in de modelverordening een bepaling op te nemen waarmee de
                    lokale overheid aangeeft of, en zo ja ten aanzien van welke soort van
                    huisvestingsvoorzieningen, de gemeente de mogelijkheid van een
                    bouwvoorbereidingskrediet opent.</al>
        <al>In artikel 3 wordt hiervoor de basis gelegd, waarbij het voor de hand ligt dat
                    een gemeente de mogelijkheid beperkt tot die huisvestingsvoorzieningen die naar
                    aard en (financiële) omvang belangrijk zijn. Hierbij kan vooral worden gedacht
                    aan voorzieningen zoals (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Deze
                    voorzieningen vergen doorgaans de meeste voorbereidingstijd en kosten het meeste
                    geld, in het kader van de bouwplanontwikkeling.</al>
        <al>In hoofdstuk 4 van de modelverordening wordt de aanvraag- en
                    besluitvormingsprocedure voor de bouwvoorbereiding nader geregeld. Hierbij is
                    uitgegaan van een - ook in tijd bezien - gelijkschakeling met de
                    aanvraagprocedure voor opneming van een huisvestingsvoorziening in het
                    programma. Formeel is het evenwel een gescheiden traject, omdat de vergoeding
                    voor de kosten van bouwvoorbereiding in de zin van de wet géén voorziening in de
                    huisvesting is en derhalve ook geen onderdeel van het huisvestingsprogramma kan
                    zijn.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel vormt de 'kapstok' op basis waarvan de vergoeding wordt vastgesteld
                    voor de door de gemeente voor vergoeding in aanmerking gebrachte
                    huisvestingsvoorzieningen in het kader van de programmavaststelling, de
                    spoedprocedure, de bouwvoorbereiding of het overgangsrecht. Ten aanzien van de
                    in de artikelen 2 en 3 onderscheiden voorzieningen wordt hier de grondslag van
                    de vergoeding gelegd. Hierbij zijn twee benaderingen denkbaar: een normatieve en
                    een feitelijke bepaling van de kosten die vergoed worden. Ook hier is uit
                    oogpunt van 'kenbaar bestuur' ervoor gekozen om voorafgaande aan de indiening
                    van en besluitvorming over aanvragen, duidelijk per voorziening aan te geven
                    welke benadering ten aanzien van de vergoeding geldt. Bij de vaststelling van de
                    verordening dient per voorziening de afweging te worden gemaakt welke benadering
                    van toepassing is. Deze afweging dient niet alleen te worden gemaakt ten aanzien
                    van de voorzieningen in de huisvesting, maar voor de vergoeding van de kosten
                    van bouwvoorbereiding. Dit vloeit ook voort uit het eerste lid van artikel 4 en
                    uit artikel 25, derde lid, onder h van de modelverordening. Bij de te maken
                    afweging ligt het voor de hand om in ieder geval voor niet of nauwelijks vooraf
                    te normeren kosten van bepaalde voorzieningen te kiezen voor een
                    vergoedingswijze die gebaseerd is op een individuele beoordeling van de
                    feitelijke kosten (de zgn. offertelijn).</al>
        <al>Uitgaande van de voorzieningen waarvoor in bijlage IV, deel A, van de
                    modelverordening gezien de aard van de voorziening geen normvergoeding is
                    bepaald, is de offertelijn in ieder geval goed denkbaar bij de volgende
                    voorzieningen:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen;</al></li>
          <li nr=""><al>herstel van constructiefouten;</al></li>
          <li nr=""><al>herstel en vervanging in verband met schade;</al></li>
          <li nr=""><al>aanpassingen aan gebouwen;</al></li>
          <li nr=""><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw;</al></li>
          <li nr=""><al>aankoop van terreinen ten behoeve van de realisering van een
                            huisvestingsvoorziening;</al></li>
          <li nr=""><al>huur van bestaande andere, niet-onderwijsgebouwen</al></li>
          <li nr=""><al>kosten van bouwvoorbereiding;</al></li>
          <li nr=""><al>medegebruik of nieuwbouw van een bad voor watergewenning of
                            bewegingstherapie in het (v)so.</al></li>
        </lijst>
        <al>Uiteraard kan op basis van de afweging op lokaal niveau een andere keuze worden
                    gemaakt, die verankerd dient te worden in artikel 4 opdat de potentiële
                    aanvragers vooraf op de hoogte zijn van welke lijn van toepassing is op een
                    voorziening (de genormeerde of feitelijke kostenlijn).</al>
        <al>Het onderbrengen van een van de hiervoor genoemde voorzieningen in een
                    genormeerde benadering brengt met zich mee dat daarvoor door de gemeente in
                    bijlage IV, deel A, een genormeerde vergoeding moet worden vastgesteld.</al>
        <al>Anders dan bij de vooraf genormeerde vergoeding het geval is, begint de
                    offertelijn met een door de aanvrager bij de aanvraag van de gewenste
                    huisvestingsvoorziening over te leggen raming van de kosten. De gemeente toetst
                    deze raming en stelt deze zo nodig bij. Het bedrag van de al dan niet
                    bijgestelde raming is vervolgens een gegeven in het kader van de vaststelling
                    van het huisvestingsbudget en het programma. Bij een eventuele uitvoering van de
                    voorziening, die voortkomt uit een plaatsing op het programma, kan de raming op
                    basis van over te leggen offertes worden omgezet in een definitieve vaststelling
                    van de vergoeding die de gemeente ter beschikking stelt van de
                    aanvrager.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 5 Informatieverstrekking</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel is de concrete uitwerking van de informatiebepaling uit de wet. Deze
                    bepaalt dat een bevoegd gezag aan de gemeente alle inlichtingen dient te
                    verschaffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een adequate uitvoering van
                    de bevoegdheden terzake van de onderwijshuisvesting (zie bijvoorbeeld artikel
                    112 WPO).</al>
        <al>In artikel 5 staat beschreven hoe en welke informatie door het schoolbestuur aan
                    het college moet worden verstrekt. Er is voor gekozen om dit artikel een
                    algemene invulling te geven: afhankelijk van het moment en de situatie kan het
                    college het schoolbestuur verzoeken de benodigde informatie te verstrekken. Het
                    informatieverkeer dient gekenmerkt te worden door een zekere terughoudendheid
                    bij de lokale overheid, in die zin dat de te verstrekken informatie ook een
                    aantoonbare functie vervult in het licht van de gemeentelijke zorg voor de
                    huisvesting. Het opvragen van informatie waarbij een dergelijke functie niet kan
                    worden aangetoond, dient achterwege te blijven omdat het anders onnodige
                    administratieve lasten veroorzaakt .</al>
        <al>
          <vet>Artikel 6 Indiening aanvraag</vet>
        </al>
        <al>(Indienings)termijnen</al>
        <al>In de algemene toelichting op de verordening is in paragraaf 1.5.3 de procedure
                    (koppeling aan gemeentelijke begrotingscyclus en het daaraan ontleende tijdpad)
                    uitgebreid beschreven. De in de verordening vermelde data zijn zodanig gekozen,
                    dat de gemeente voldoende voorbereidingstijd heeft om te komen tot een
                    zorgvuldige vaststelling van het programma. Dit sluit niet uit dat naar gelang
                    de lokale situatie (zoals de omvang van de gebouwenvoorraad en de hiermee
                    samenhangende omvang van het te verwachten aantal aanvragen, de mogelijke
                    aanwezigheid van een meerjarige planning en hieraan gekoppelde afspraken over de
                    huisvesting en de inrichting van de eigen organisatie) de voorbereidingstijd
                    wordt bekort en dus van een later tijdstip van indiening wordt uitgegaan (1
                    maart of 1 april).</al>
        <al>Een verlenging van deze periode door het vervroegen van de indieningsdatum ligt
                    minder voor de hand. Het tijdstip tussen indiening van de aanvraag en de
                    beslissing daarop wordt dan aan de lange kant.</al>
        <al>In de modelverordening is een sanctie verbonden aan een te late indiening van de
                    aanvraag: deze aanvraag neemt het college niet in behandeling. Het buiten
                    behandeling laten van de aanvraag betekent dat het college de aanvraag niet
                    verder betrekt bij de voorbereiding van het programma en het overzicht en dus
                    ook niet bij het uiteindelijke voorstel daarover aan de raad.</al>
        <al>In artikel 6 is de mogelijkheid van indiening van aanvragen beperkt tot die voor
                    het programma. De reden hiervan is dat de wetgeving slechts van deze
                    mogelijkheid uitgaat. De wetgever heeft niet voorzien in een mogelijkheid van
                    indiening van een aanvraag voor het overzicht. Dit hangt samen met de functie
                    die de wetgever aan het overzicht toekent (zie bijvoorbeeld artikel 96 WPO). Bij
                    de parlementaire behandeling is daarover het volgende opgemerkt: 'Het overzicht
                    [...] bevat slechts een verzameling van afgewezen aanvragen van niet door de
                    gemeente in stand gehouden scholen en gewenste huisvestingsvoorzieningen van
                    door de gemeente in stand gehouden scholen die niet in het eerste jaar kunnen
                    worden gerealiseerd. De plaatsing op het overzicht kan bijvoorbeeld het gevolg
                    zijn van het feit dat het voor nieuwe voorzieningen vastgestelde budget niet
                    toereikend is dan wel dat de aangevraagde voorziening geen
                    huisvestingsvoorziening in de zin van de wet en/of gemeentelijke verordening is.
                    De enige reden dat bedoeld overzicht dient te worden gepubliceerd, is
                    informatieverstrekking van scholen om te kunnen inschatten of een aanvraag in
                    een volgend jaar een kans van slagen heeft. Het is derhalve niet bedoeld als
                    huisvestingsplan.' (TK 1995-1996, 24 455, nr.7).</al>
        <al>Geconstateerd kan worden dat de wetgever geen kaders heeft willen stellen of
                    instrumenten in de wet heeft opgenomen waarmee een gemeente schoolbesturen kan
                    'dwingen' om ten aanzien van de huisvesting te handelen in het licht van een
                    meerjarig perspectief. Met dit laatste wordt bedoeld dat op lokaal niveau sprake
                    is van een voortschrijdende meerjarige planning van huisvestingsvoorzieningen,
                    waarbij een koppeling is gelegd met de gemeentelijke meerjarenbegroting. Zo'n
                    meerjarige planning kan gebaseerd zijn op:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>een inventarisatie van de wensen ten aanzien de huisvesting (op basis
                            van prognoses; woningbouwplanning; verschuiving in leerlingstromen en
                            voedingsgebieden; meerjarige onderhoudsplannen e.d.);</al></li>
          <li nr=""><al>een aangebrachte prioritering in de wensen, tot uitdrukking komend in
                            het vermoedelijke tijdstip van daadwerkelijke bekostiging;</al></li>
          <li nr=""><al>een koppeling met de financiële mogelijkheden in het kader van de
                            meerjarenbegroting.</al></li>
        </lijst>
        <al>Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat zeker in het primair onderwijs een
                    dergelijk meerjarige aanpak op lokaal niveau steeds meer ingang vindt, in de
                    vorm van 'integrale huisvestingsplannen' en plannen voor het meerjarig
                    onderhoud. Niet verwonderlijk omdat:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>het een efficiënte aanwending van de gebouwenvoorraad bevordert (saneren
                            van zowel voor gemeente als schoolbesturen kostbare leegstand;
                            capaciteit creëren of in stand houden op die locaties waar de behoefte
                            aanwezig is);</al></li>
          <li nr=""><al>gemeente en schoolbestuur meer houvast wordt gegeven over de richting
                            van het huisvestingsbeleid. Behoudens onvoorziene omstandigheden vormt
                            het programma het (jaarlijkse) formele sluitstuk van de bekostiging van
                            voorzieningen die op zich reeds enige tijd werden voorzien en waarmee
                            rekening was gehouden.</al></li>
        </lijst>
        <al>Zoals gezegd kan een dergelijke benadering ingevolge de wet niet worden
                    afgedwongen.</al>
        <al>Er is van af gezien om in de modelverordening (facultatieve) bepalingen op te
                    nemen in het geval op lokaal niveau een planmatige aanpak wordt overeengekomen.
                    Dit is gedaan vanuit de notie dat wanneer men overeenstemming weet te bereiken
                    over een dergelijke aanpak, inclusief afspraken over de effectuering in het
                    kader van de vaststelling van het programma, men ook zelf invulling geeft aan de
                    vormgeving van deze afspraken. Gezien het tweezijdige karakter van deze
                    afspraken is het opnemen van bepalingen in de verordening daarvoor niet de
                    aangewezen weg. Daarbij kan sterk getwijfeld worden aan de rechtskracht van
                    dergelijke bepalingen, indien (onverhoopt) een van de partijen af wil van de op
                    vrijwillige basis gemaakte afspraken en zich daarbij beroept op de formele
                    wettelijke kaders.</al>
        <al>Zoals gezegd bieden de onderwijswetten wel een aangrijpingspunt om de
                    verordening (op onderdelen) te passeren. Daarbij gaat het om het zogenoemde
                    doordecentralisatieartikel. Dat maakt het voor gemeente en schoolbestuur
                    mogelijk om, op basis van meerjarenbeleid, afspraken te maken die ook wettelijk
                    bindend zijn.</al>
        <al>Aanvraagformulier</al>
        <al>Zeker in grotere gemeenten kan een gestandaardiseerde wijze van indiening van
                    aanvragen zijn nut hebben. Zo kan het bijvoorbeeld de onderlinge
                    vergelijkbaarheid van aanvragen verbeteren, hetgeen van belang kan zijn wanneer
                    men vanwege een ontoereikend budget moet overgaan tot prioritering.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                        behandelen onvolledige aanvraag</vet>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Dit lid bevat een opsomming van enkele basisgegevens die bij elke aanvraag
                    moeten worden vermeld. Wanneer gewerkt wordt met een aanvraagformulier, worden
                    deze en de onder lid 2 opgenomen gegevens standaard opgenomen.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>In dit lid is een aantal specifieke aanvullende gegevens opgenomen dat,
                    afhankelijk van de voorziening die wordt aangevraagd, moet worden
                    overgelegd.</al>
        <al>Allereerst betreft het de leerlingprognose, die vrijwel bij iedere aangevraagde
                    voorziening moet worden ingediend. Hierop zijn enkele uitzonderingen van
                    toepassing. Het betreft de aanvragen 'sec' voor de eerste aanschaf van
                    onderwijsleerpakket en meubilair, dat wil zeggen zonder dat er noodzaak is om de
                    capaciteit van de bestaande huisvesting uit te breiden, aanvragen voor herstel
                    van constructiefouten en herstel van schade wegens bijzondere omstandigheden en
                    aanvraag voor de huur van een sportterrein voor een school voor voortgezet
                    onderwijs.</al>
        <al>In de praktijk is het echter goed denkbaar dat in bepaalde situaties de
                    prognose-eis te zwaar is of geen reëel doel dient. Gedacht kan bijvoorbeeld
                    worden aan de aanvraag voor vervanging van de dakbedekking van een (getalsmatig)
                    gezonde, levensvatbare basisschool. Overwogen kan worden hiervoor een
                    aanvullende bepaling op te nemen in de verordening waarbij het college de
                    mogelijkheid hebben om op verzoek van het schoolbestuur de prognose-eis te laten
                    vallen, indien de aard van de gevraagde voorziening daartoe aanleiding geeft.
                    Aan de andere kant is het ook denkbaar dat de gemeente in de verordening wel een
                    prognose-eis verbindt aan een voorziening die hiervan nu is uitgezonderd.
                    Hierbij kan worden gedacht aan de herbouw van een afgebrand schoolgebouw
                    (onderdeel van de voorziening herstel en vervanging in verband met schade). Een
                    prognose kan daarbij uitwijzen in hoeverre het noodzakelijk is de school in haar
                    oorspronkelijke omvang te herbouwen.</al>
        <al>Overigens is het ook mogelijk de prognose-eis in zijn geheel te schrappen uit
                    het model, wanneer op lokaal niveau overeenstemming bestaat over de toepassing
                    en het resultaat (inclusief de jaarlijkse bijstelling) van een
                    prognosemethodiek. Eén instantie, bijvoorbeeld het onderdeel van het
                    gemeentelijk apparaat dat belast is met bevolkingsprognoses, is dan belast met
                    de operationalisering van de methodiek.</al>
        <al>Naast de prognose is de bouwkundige rapportage een in het oog springend,
                    aanvullend gegeven.</al>
        <al>Een bouwkundige opname is aan de orde wanneer het relevant is om bij de
                    beoordeling van een huisvestingsverzoek vast te stellen of het gewenste
                    onderhoud aan een gebouw inderdaad noodzakelijk is. De bouwkundige rapportage
                    dient een tweeledig doel:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>vaststelling van de noodzaak voor dat onderhoud;</al></li>
          <li nr="2."><al>vaststelling van de mate van urgentie.</al></li>
        </lijst>
        <al>De bouwkundige rapportage kan geschieden aan de hand van de invulling van het
                    door het college vast te stellen formulier 'Bouwkundige opname'. Bij de opzet
                    van dit formulier is aangesloten bij een reeds door de Rijksgebouwendienst
                    ontwikkelde schouwmethode voor schoolgebouwen, zoals deze voor de
                    decentralisatie zowel in het primair als voortgezet onderwijs werd
                    toegepast.</al>
        <al>Lid 3-4</al>
        <al>Met de in deze leden geformuleerde bepalingen wordt nader invulling gegeven aan
                    het bepaalde in artikel 4:5 Awb. De geboden mogelijkheid om aanvullend gegevens
                    aan te leveren gaat vooraf aan de in de Awb opgenomen mogelijkheid om als
                    bestuursorgaan (in casu het college) een aanvraag buiten behandeling te laten in
                    verband met onvoldoende verstrekte gegevens en bescheiden.</al>
        <al>De Awb kent nadere bepalingen die het bestuursorgaan daarbij in acht moet nemen.
                    In de modelverordening is er voor gekozen om de concrete uitwerking van de Awb
                    in de verordening op te nemen, door de duur van termijnen die het college kan
                    hanteren in de verordening is vastgelegd.</al>
        <al>De bevoegdheid die het college wordt toegekend om incomplete aanvragen niet te
                    behandelen, heeft als praktisch voordeel dat dergelijke aanvragen in een eerder
                    stadium kunnen worden afgehandeld. De gemeenteraad hoeft zich in het kader van
                    de vaststelling van het programma alleen te buigen over de inhoud van volledige
                    aanvragen en zich niet met vormfouten rond incomplete aanvragen bezig te
                    houden.</al>
        <al>Géén hardheidsclausule</al>
        <al>In de modelverordening is er van afgezien hier een hardheidsclausule op te
                    nemen, die het mogelijk maakt om in geval van overmacht aan de zijde van de
                    aanvrager af te wijken van de termijnen. Een gemeente kan zelf de afweging maken
                    of men een dergelijke clausule, die een zekere mate van vrijheid toestaat bij
                    het afwijken van de algemene regels, wenselijk vindt. Het gevaar van een
                    hardheidsclausule is dat er (relatief) vaak een beroep op wordt gedaan. De
                    behandeling vergroot de uitvoeringslast van het bestuursorgaan en bekort bij
                    toewijzing de beschikbare tijd voor de (voorbereiding van de) besluitvorming.
                    Daarnaast lijkt een hardheidsclausule te veel van het goede tegen de achtergrond
                    van de mogelijkheid om in klemmende situaties een aanvraag met een spoedeisend
                    karakter in te dienen.</al>
        <al>Lid 4</al>
        <al>In enkele specifieke gevallen is het noodzakelijk om het resultaat van de
                    wettelijke teldatum van 1 oktober 'onverwijld' door te geven aan de gemeente.
                    Dit omdat het resultaat - en de daarmee samenhangende behoefte aan
                    huisvesting(scapaciteit) - van direct belang is voor de beoordeling van de
                    noodzaak van een aangevraagde voorziening en daarmee van het al dan niet opnemen
                    van de voorziening op het programma.</al>
        <al>In concreto betreft het hier aanvragen voor tijdelijke voorzieningen in de
                    huisvesting in het (school)jaar dat volgt op de programmavaststelling. Zo zal
                    bijvoorbeeld de noodzaak van een extra noodlokaal aan het begin van het
                    schooljaar doorgaans bepaald worden door het leerlingaantal en het daarmee
                    samenhangende 'ruimtebeslag' op de teldatum van 1 oktober daarvoor. De noodzaak
                    van de tijdelijke voorziening is daarmee afhankelijk van het resultaat op de
                    teldatum. Aangezien dit essentieel is voor de uiteindelijke beoordeling door het
                    college, is de bepaling in het vierde lid opgenomen. Evenals het geval is bij
                    andere in de modelverordening opgenomen termijnen is ook hier gekozen voor het
                    werken met een fatale termijn.</al>
        <al>Er is nog een andere mogelijkheid denkbaar, namelijk dat achteraf wordt
                    geconstateerd dat uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening
                    wegens gewijzigde omstandigheden (in casu een tegenvallend resultaat van de
                    leerlingtelling) geen doorgang vindt (zie bijvoorbeeld artikel 16, derde lid).
                    Met deze mogelijkheid moet men bij voorkeur terughoudend omgaan, zeker wanneer
                    de gewijzigde omstandigheid zich nog aan de vooravond van de
                    programmavaststelling manifesteert en er in procedureel opzicht rekening kan
                    gehouden met deze mogelijkheid.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel is een direct uitvloeisel van het wettelijk uitgangspunt om ook in
                    procedureel opzicht het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet te
                    behandelen. De opgave van de ingediende aanvragen geeft alle bevoegde
                    gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen ligt, zowel vanuit het bijzonder
                    als vanuit het openbaar onderwijs. Er kunnen daarmee niet naderhand nog
                    aanvragen worden toegevoegd.</al>
        <al>Bij het vooroverleg over de vaststelling van de verordening kan met de
                    schoolbesturen worden afgesproken om deze informatieverstrekking per
                    onderwijssector (primair, speciaal en voortgezet onderwijs) te regelen. Zo zal
                    een bestuur voor voortgezet onderwijs niet altijd geïnteresseerd zijn in welke
                    huisvestingswensen er precies leven in het primair onderwijs.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</vet>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Deze bepaling is met name opgenomen om de tijdsbesteding voor de behandeling van
                    de aanvragen te beperken. Dit gebeurt met het oog op een effectief verloop van
                    de verdere procedure op weg naar de vaststelling van het programma.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Ten aanzien van een voorziening waarvan de uiteindelijke vergoeding ingevolge
                    artikel 4, derde lid, laatste volzin, gebaseerd wordt op de werkelijke kosten
                    zal in eerste instantie worden gewerkt met een raming van de kosten. De bepaling
                    in dit lid regelt dat er overleg plaatsvindt tussen de aanvrager en het college
                    indien de gemeente daartoe aanleiding ziet in de door de aanvrager overgelegde
                    begroting. Het college kan na toetsing van deze raming van oordeel zijn dat de
                    begroting op een of meer onderdelen bijstelling behoeft.</al>
        <al>Uiteindelijk bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten zoals deze, al
                    dan niet bijgesteld, wordt voorgesteld in het kader van de vaststelling van het
                    gemeentelijk huisvestingsbudget en het daaruit voortkomende
                    programma.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</vet>
        </al>
        <al>Lid 1-4</al>
        <al>De wet schrijft voor dat de gemeente slechts na overleg met het onderwijsveld
                    overgaat tot de vaststelling van een huisvestingsprogramma. Met deze leden wordt
                    de in de wet opgenomen verplichting ingevuld.</al>
        <al>Het overleg bevat tevens de hoorplicht van de aanvragers, in de zin van de Awb.
                    De aanvrager bepaalt hoe hij gehoord wil worden, daarom moet gelegenheid worden
                    gegeven om de standpunten ook schriftelijk kenbaar te maken. Gezien het karakter
                    van het overleg (met alle bevoegde gezagsorganen) moeten degenen die aan het
                    overleg deelnemen weten wat de schriftelijke standpunten inhouden, zodat ze daar
                    eventueel op kunnen reageren.</al>
        <al>Overigens verdient het aanbeveling om in het overleg, dat voorafgaat aan de
                    vaststelling van de verordening, na te gaan hoe dit overleg praktisch het best
                    kan worden ingericht. Zo is het bijvoorbeeld denkbaar om voor gemeenten die
                    beschikken over een breed spectrum van onderwijssoorten, het overleg per sector
                    in te richten (primair en voortgezet onderwijs). Daarnaast kan worden
                    vastgesteld of het hier bedoelde overleg over de onderwijshuisvesting ingebed
                    wordt in een mogelijk breder gestructureerde overlegvorm in het kader van het
                    lokaal onderwijsbeleid.</al>
        <al>Lid 5-9</al>
        <al>De wet bepaalt dat de Onderwijsraad om advies wordt verzocht wanneer een bevoegd
                    gezag de gemeente daarom vraagt, dan wel wanneer de gemeente uit eigen beweging
                    hiertoe overgaat (zie bijvoorbeeld artikel 102, lid 6 WPO). De Onderwijsraad
                    brengt binnen vier weken zijn advies uit. Het advies wordt tegelijkertijd met
                    het programma bekend gemaakt. Op de advisering door de Onderwijsraad is van
                    toepassing hetgeen in algemene zin over advisering is geregeld in de Awb. In dit
                    verband is met name het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en
                    artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede lid de
                    gemeenteraad het programma vaststellen indien de Onderwijsraad het advies niet
                    binnen vier weken uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is de gemeente gehouden,
                    al dan niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad
                    nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer de raad afwijkt van het
                    advies van de Onderwijsraad worden ingevolge artikel 3:50 Awb de redenen daarvan
                    vermeld in de motivering.</al>
        <al>In de leden 5 t/m 9 is in procedurele zin aangegeven op welke wijze de
                    Onderwijsraad kan worden ingeschakeld voor het inwinnen van advies over de
                    vaststelling van het huisvestingsprogramma in relatie tot de aspecten van de
                    vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Hierbij is aangesloten op de
                    procedurele lijn zoals die van toepassing is op de inschakeling van de
                    Onderwijsraad bij de vaststelling of wijziging van de huisvestingsverordening
                    (zie artikel 7).</al>
        <al>In lid 6 is bepaald dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden
                    gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om
                    advies aan de Onderwijsraad. Dit tegen de achtergrond dat iedereen erbij gebaat
                    is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle
                    partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Deze gedachtewisseling laat
                    uiteraard het recht van een individueel schoolbestuur of van de gemeente om de
                    Onderwijsraad in te schakelen, ook wanneer de andere overlegpartners daaraan
                    geen behoefte hebben, onverlet. De zienswijzen van de schoolbesturen dienen
                    schriftelijk te worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij zijn
                    oordeelsvorming over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                    betrekken.</al>
        <al>Ingevolge de wettekst is het de gemeenteraad die in alle gevallen de
                    Onderwijsraad verzoekt om advies. In lid 7 wordt tot uiting gebracht dat de raad
                    - in navolging van het bepaalde in lid 5 - dit overdraagt aan het college.</al>
        <al>Het is van belang dat het door het college ingediende verzoek om advies goed
                    gedocumenteerd is en vergezeld gaat van alle stukken die relevant (kunnen) zijn
                    voor de adviseur (artikel 3:9 Awb). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het
                    standpunt dat de adviestermijn van vier weken een aanvang neemt vanaf het moment
                    waarop de Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de
                    advisering.</al>
        <al>Bij een eventuele inschakeling van de Onderwijsraad is het van belang dat de
                    gemeente goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige
                    vertraging oploopt. Dit geldt zeker wanneer het overleg waarin kenbaar werd
                    gemaakt dat een of meer van de overlegpartners een advies van de Onderwijsraad
                    wenste, na de zomer plaatshad. Met het oog op het bepaalde in artikel 11, lid 4
                    verdient het dan nadrukkelijk aanbeveling om zo spoedig mogelijk tot de
                    indiening van het advies over te gaan. Minstens zo belangrijk is dat, zoals
                    hiervoor is opgemerkt, hierbij de Onderwijsraad de beschikking krijgt over alle
                    relevante stukken.</al>
        <al>Lid 1-4</al>
        <al>Met deze leden wordt de in de wet opgenomen verplichting ingevuld dat de
                    gemeente niet dan na overleg met het onderwijsveld overgaat tot de vaststelling
                    van een huisvestingsprogramma.</al>
        <al>Onder het overleg is ook vervat de hoorplicht ingevolge de Awb van de
                    aanvragers. Omdat de aanvrager bepaalt hoe hij gehoord wil worden, moet
                    gelegenheid worden gegeven om de standpunten ook schriftelijk kenbaar te maken.
                    Gezien het karakter van het overleg (met alle bevoegde gezagsorganen) moeten
                    degenen die wel aan het overleg deelnemen weten wat de schriftelijke standpunten
                    inhouden, zodat ze daar eventueel op kunnen reageren.</al>
        <al>Overigens verdient het aanbeveling om in het overleg dat voorafgaat aan de
                    vaststelling van de verordening na te gaan hoe dit overleg praktisch het best
                    kan worden ingericht. Zo is het bijvoorbeeld denkbaar om voor gemeenten die
                    beschikken over een breed spectrum van onderwijssoorten, het overleg per sector
                    in te richten (primair en voortgezet onderwijs). Daarnaast kan worden
                    vastgesteld of het hier bedoelde overleg over de onderwijshuisvesting ingebed
                    wordt in een mogelijk breder gestructureerde overlegvorm in het kader van het
                    lokaal onderwijsbeleid.</al>
        <al>Lid 5-9</al>
        <al>De wet bepaalt dat de Onderwijsraad om advies wordt verzocht wanneer een bevoegd
                    gezag de gemeente daarom vraagt, dan wel wanneer de gemeente uit eigen beweging
                    hiertoe overgaat (zie bijvoorbeeld artikel 102, lid 6 WPO). De Onderwijsraad
                    brengt binnen vier weken zijn advies uit. Het advies wordt tegelijkertijd met
                    het programma bekend gemaakt. Op de advisering door de Onderwijsraad is van
                    toepassing hetgeen in algemene zin over advisering is geregeld in de Awb. In dit
                    verband is met name het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en
                    artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede lid de
                    gemeenteraad het programma vaststellen indien de Onderwijsraad het advies niet
                    binnen vier weken uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is de gemeente gehouden,
                    al dan niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad
                    nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer de raad afwijkt van het
                    advies van de Onderwijsraad worden ingevolge artikel 3:50 Awb de redenen daarvan
                    vermeld in de motivering.</al>
        <al>In de leden 5 t/m 9 is in procedurele zin aangegeven op welke wijze de
                    Onderwijsraad kan worden ingeschakeld voor het inwinnen van advies over de
                    vaststelling van het huisvestingsprogramma in relatie tot de aspecten van de
                    vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Hierbij is aangesloten op de
                    procedurele lijn zoals die van toepassing is op de inschakeling van de
                    Onderwijsraad bij de vaststelling of wijziging van de huisvestingsverordening
                    (zie artikel 7 met de daarbij behorende toelichting van de VNG-modelverordening
                    procedure overleg huisvesting).</al>
        <al>Volgens de wet is het de gemeenteraad die tijdens het overleg over het programma
                    kan besluiten 'uit eigen beweging' een verzoek om advies in te dienen bij de
                    Onderwijsraad. Op grond van het vijfde en het zevende lid delegeert de raad dit
                    aan burgemeester en wethouders. Dit sluit ook aan op de (voor de hand liggende)
                    keuze om ook het voeren van het overleg over het programma over te laten aan
                    burgemeester en wethouders.</al>
        <al>In lid 6 is bepaald dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden
                    gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om
                    advies aan de Onderwijsraad. Dit tegen de achtergrond dat iedereen erbij gebaat
                    is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle
                    partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Deze gedachtewisseling laat
                    uiteraard het recht van een individueel schoolbestuur of van de gemeente om de
                    Onderwijsraad in te schakelen, ook wanneer de andere overlegpartners daaraan
                    geen behoefte hebben, onverlet. De zienswijzen van de schoolbesturen dienen
                    schriftelijk te worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij zijn
                    oordeelsvorming over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen
                    betrekken.</al>
        <al>Ingevolge de wettekst is het de gemeenteraad die in alle gevallen de
                    Onderwijsraad verzoekt om advies. In lid 7 wordt tot uiting gebracht dat de raad
                    - in navolging van het bepaalde in lid 5 - dit overdraagt aan burgemeester en
                    wethouders.</al>
        <al>Het is van belang dat het door burgemeester en wethouders ingediende verzoek om
                    advies goed gedocumenteerd is en vergezeld gaat van alle stukken die relevant
                    (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 Awb). De Onderwijsraad stelt zich
                    namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier weken een aanvang neemt
                    vanaf het moment waarop de Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij
                    relevant acht voor de advisering.</al>
        <al>Bij een eventuele inschakeling van de Onderwijsraad is het van belang dat de
                    gemeente goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige
                    vertraging oploopt. Dit geldt zeker wanneer het overleg waarin kenbaar werd
                    gemaakt dat een of meer van de overlegpartners een advies van de Onderwijsraad
                    wenste, na de zomer plaatshad. Met het oog op het bepaalde in artikel 11, lid 4
                    verdient het dan nadrukkelijk aanbeveling om zo spoedig mogelijk tot de
                    indiening van het advies over te gaan. Minstens zo belangrijk is dat, zoals
                    hiervoor is opgemerkt, hierbij de Onderwijsraad de beschikking krijgt over alle
                    relevante stukken.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 11 Tijdstip vaststelling</vet>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Het vaststellen van de begroting is een verantwoordelijkheid van de
                    gemeenteraad. De enkele vaststelling van het voor bekostiging beschikbare budget
                    in het kader van de begrotingsbehandeling is niet aan te merken als een besluit,
                    bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar openstaat.</al>
        <al>Het vaststellen van het programma, het overzicht en een eventueel budgetplafond
                    is een bevoegdheid van het college. het besluit een bekostigingsplafond in te
                    stellen is aan te merken is als een besluit van algemene strekking, niet zijnde
                    een wettelijk voorschrift. Tegen zo’n beslissing kan wel bezwaar en beroep
                    worden gemaakt.</al>
        <al>Hoe de twee verantwoordelijkheden (of eigenlijk de resultaten ervan) worden
                    ‘gekoppeld’, is een intern gemeentelijke (organisatorische) zaak die niet hoeft
                    te worden vastgelegd in een verordening.</al>
        <al>Het ligt voor de hand dat het college de voor uitvoering van een programma
                    benodigde gelden of een bekostigingsplafond voor een van de onderdelen van dat
                    programma laat vallen binnen het budget dat de gemeenteraad daarvoor beschikbaar
                    heeft gesteld.</al>
        <al>Als vooraf duidelijk is dat de aanvragen blijven binnen het door de raad begrote
                    bedrag, kunnen programma en –overzicht eerder worden vastgesteld en weten alle
                    partijen eerder waar ze aan toe zijn.</al>
        <al>Verder wordt hier de mogelijkheid geopend om desgewenst afzonderlijke bedragen
                    vast te stellen voor specifiek gemeentelijk beleid. Hierbij kan gedacht worden
                    aan het treffen van bepaalde huisvestingsvoorzieningen om bepaalde
                    onderwijsinhoudelijke ontwikkelingen te stimuleren, zoals bijvoorbeeld de
                    integratie tussen het basisonderwijs en delen van het speciaal onderwijs. Tevens
                    kan een deel van het budget worden geoormerkt voor de gerichte aanwending van
                    middelen voor de uitvoering van een meerjarige onderhoudsplanning van
                    schoolgebouwen, die op lokaal niveau is overeengekomen.</al>
        <al>Het afsplitsen van een bedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen
                    kan een belangrijk instrument voor de gemeente zijn om bepaalde accenten te
                    leggen in de uitvoering van haar zorgplicht voor een adequate
                    onderwijshuisvesting. Teneinde dit instrument effectief te kunnen inzetten is
                    het wel noodzakelijk om voorafgaande aan het moment van de indiening van
                    huisvestingsverzoeken hierover aan alle schoolbesturen duidelijkheid te bieden.
                    Dit kan door bijvoorbeeld in de meerjarenbegroting voor bepaalde
                    huisvestingsvoorzieningen een apart budget op te nemen en daarbij te waarborgen
                    dat dit bedrag ook beschikbaar komt ten tijde van de vaststelling van het
                    programma. Een dergelijk deelbudget dient in combinatie met de volgorde van de
                    hoofd- en subprioriteiten zoals opgenomen in bijlage V te worden bezien.
                    Afhankelijk van de aard van de prioriteit kan een wijziging in deze volgorde
                    nodig zijn om te bewerkstelligen dat het deelbudget ook daadwerkelijk kan worden
                    aangewend voor de beoogde prioriteit in het huisvestingsbeleid. Wordt de
                    volgorde van de prioriteiten namelijk niet aangepast aan de gewenste
                    intensivering van bepaalde onderdelen van het beleid, dan bestaat de kans dat de
                    beschikbare middelen ingevolge de niet-aangepaste volgorde van urgentiecriteria
                    moeten worden aangewend voor andere voorzieningen.</al>
        <al>Het is evident dat eventuele accenten binnen het toekenningsbeleid altijd in het
                    verlengde dienen te liggen van de gemeentelijke zorgplicht voor een adequate
                    huisvesting. Dergelijke accenten mogen met andere woorden de reguliere
                    noodzakelijke voorzieningen zoals uitbreidingen en onderhoud niet onmogelijk
                    maken. Voorts zullen de beleidsaccenten en de daaruit voortvloeiende
                    deelbudgetten in relatie tot een bijstelling van de prioriteiten altijd in en na
                    overleg met de schoolbesturen moeten worden aangebracht. Zo is bijvoorbeeld een
                    voorgenomen wijziging in de urgentiecriteria (bijlage V) aan te merken als een
                    wijziging van de verordening, waaraan op overeenstemming gericht overleg vooraf
                    moet gaan met de schoolbesturen.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Uitgangspunt van de modelverordening is de koppeling aan de begrotingscyclus.
                    Dat leidt ertoe dat gelijktijdig met de begroting ook het programma en het
                    daaruit voortvloeiende overzicht worden vastgesteld. Ter bescherming van de
                    aanvragers wordt een uiterste datum binnen het lopende kalenderjaar
                    gesteld.</al>
        <al>Het spreekt voor zich dat het college geen programma hoeft vast te stellen,
                    indien geen voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is
                    ingediend. Dit is in de wet zelf geregeld (zie bijvoorbeeld artikel 97 WPO).
                    Hetzelfde geldt voor het overzicht, met dien verstande dat de vaststelling van
                    een overzicht achterwege kan blijven wanneer alle aanvragen worden geplaatst op
                    het programma of wanneer er geen aanvragen zijn ingediend - en er dus ook geen
                    kunnen worden afgewezen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 12 Inhoud programma</vet>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>In dit lid, dat een belangrijk onderdeel van de verordening betreft, namelijk de
                    inhoud van het huisvestingsprogramma, komt voor alle duidelijkheid tot
                    uitdrukking dat het college het programma vaststelt als resultante van de
                    toetsing aan de in de wet limitatief omschreven weigeringsgronden (zie
                    bijvoorbeeld artikel 95, derde lid WPO). Een deel van deze weigeringsgronden
                    wordt voor wat betreft hun feitelijke toepassing geoperationaliseerd via de
                    nadere regels die het college stelt op de onderdelen, genoemd in de tweede
                    volzin.</al>
        <al>Zo zijn de 'beoordelingscriteria' een nadere invulling van de toets of de
                    aangevraagde voorziening noodzakelijk is en of de aanvraag een voorziening
                    betreft als genoemd in artikel 2 van de verordening.</al>
        <al>De criteria voor de prognose operationaliseren de wettelijke weigeringsgrond
                    'dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te
                    verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen ...'</al>
        <al>De regels over de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen doen ditzelfde ten
                    aanzien van de weigeringsgrond '... dat de gewenste voorziening niet
                    gerechtvaardigd is op grond van de aard en omvang van de voorzieningen waarover
                    de school reeds beschikt'.</al>
        <al>De concrete invulling van deze regels wordt niet in de romp van de
                    modelverordening uitgeschreven, maar in de in artikel 12 genoemde bijlagen.
                    Artikel 12 vormt daarmee, zoals ook bij andere bepalingen uit de romp het geval
                    is, de kapstok voor de gedetailleerde uitwerkingen van bepaalde elementen in de
                    bijlagen.</al>
        <al>De urgentiecriteria zijn apart gepositioneerd, omdat deze - in tegenstelling tot
                    de andere regels in het eerste lid - niet noodzakelijk bij de
                    programmavaststelling behoeven te worden toegepast. De urgentiecriteria komen
                    pas in beeld wanneer er meer aanvragen liggen dan waarvoor er budget beschikbaar
                    is.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Het college en schoolbesturen kunnen het wenselijk vinden om voorzieningen op
                    het programma op te nemen die volgens de criteria over de urgentie (bijlage V)
                    daar strikt genomen niet voor in aanmerking zouden komen. Indien daarover
                    consensus bestaat (uiteindelijk blijkend uit het bestuurlijk overleg over het
                    concept-programma als bedoeld in artikel 10, eerste lid van de verordening), kan
                    het college aan de raad verzoeken om af te mogen wijken van de criteria zoals
                    geformuleerd in bijlage V.</al>
        <al>Hoewel het bestuurlijk overleg over het concept-programma geen 'op
                    overeenstemming gericht overleg' betreft, is de praktijk binnen veel gemeenten
                    dat het overleg wel als zodanig wordt gevoerd en beleefd. Er is van afgezien om
                    een regeling te treffen voor het stemmen over een alternatieve urgentievolgorde.
                    Beoogd wordt te komen tot een gezamenlijk gedragen voorstel. Finale
                    besluitvorming over de daadwerkelijke urgentievolgorde vindt niet plaats tijdens
                    het overleg. Uiteindelijk beslist de raad of hij wel of niet wenst af te wijken
                    van de systematiek en criteria van bijlage V..</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>De zinsnede 'voor zover van toepassing' kan ook op de vergoeding betrekking
                    hebben. Zo zijn er voorzieningen denkbaar waarvoor het niet nodig is om een
                    bedrag beschikbaar te stellen. Hierbij kan worden gedacht aan medegebruik in een
                    (onderwijs)gebouw dat geschikt is en waaraan dus geen aanpassingen hoeven plaats
                    te vinden.</al>
        <al>Een aanvrager die een voorziening geplaatst ziet op het programma, kan daaruit
                    niet alleen afleiden dat de voorziening voor bekostiging in aanmerking komt,
                    maar ook welke eventuele nadere voorwaarden er gelden rond ingebruikneming of
                    buitengebruikstelling. Bijvoorbeeld: de uitbreiding van een hoofdgebouw gaat
                    gepaard met het afstoten van een dislocatie.</al>
        <al>Wanneer de vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening op
                    normatieve wijze is vastgesteld dan kan de aanvrager ook rechtstreeks uit de
                    opneming op het programma afleiden voor welk bedrag de voorziening dient te
                    worden gerealiseerd.</al>
        <al>Indien het gaat om een voorziening waarvan de uiteindelijk vergoeding gebaseerd
                    is op de feitelijke kosten, dan vermeldt het programma van welke raming is
                    uitgegaan. Deze raming zal vervolgens als leidraad worden gehanteerd bij de
                    vaststelling van het definitief vergoedingsbedrag aan de hand van door de
                    aanvrager in het kader van de uitvoering te overleggen offertes.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 13 Inhoud overzicht</vet>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Een verwijzing naar artikel 12, eerste lid volstaat, omdat uit de toepassing van
                    de daar genoemde criteria blijkt of een aangevraagde voorziening op het
                    programma dan wel op het overzicht terechtkomt. Ook aangevraagde voorzieningen
                    die geen voorzieningen zijn in de zin van artikel 2 van de verordening komen op
                    het overzicht te staan.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Deze bepaling is een direct uitvloeisel van het motiveringsbeginsel.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bedrag, programma en
                        overzicht</vet>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Volgens de toelichting op de wet moeten het programma en het overzicht worden
                    opgevat als een bundel van beschikkingen. Deze beschikkingen moeten uiteraard
                    ter kennis van de aanvragers worden gebracht. De termijn van twee weken is
                    gekozen, omdat de wet bepaalt dat binnen vier weken na vaststelling van het
                    programma overleg over de uitvoering plaatsvindt met het college. Ingevolge
                    artikel 3:43 Awb dient de gemeente van het besluit mededeling toe doen aan
                    degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben
                    gebracht. Gelet op het overleg met het totale scholenveld voorafgaande aan de
                    vaststelling van het programma is er echter voor gekozen het besluit aan alle
                    schoolbesturen toe te sturen. Hierbij doet dus niet terzake of het betrokken
                    schoolbestuur in een eerder stadium een zienswijze naar voren heeft
                    gebracht.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>De wet bepaalt alleen iets over de terinzagelegging van het overzicht. Vanwege
                    de samenhang tussen bedrag, programma en overzicht ligt het voor de hand het
                    totaal ter inzage te leggen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering</vet>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg
                    over de wijze van uitvoering. Met deze invulling wordt beoogd dat de aanvrager
                    en het college een aantal praktische afspraken maken over aspecten die
                    samenhangen met de realisering van de toegekende voorziening. Met dergelijke
                    afspraken kunnen onduidelijkheden en misverstanden in het verdere
                    uitvoeringstraject worden voorkomen. In ieder geval zal hierbij volstrekt
                    duidelijk moeten zijn wie als bouwheer optreedt. De wet (artikel 103 WPO,
                    artikel 101 WEC en artikel 76n WVO) gaat er weliswaar vanuit dat het bevoegd
                    gezag optreedt als bouwheer, maar biedt de mogelijkheid dat het bevoegd gezag en
                    het college overeenkomen dat de gemeente de voorziening tot stand brengt. Het
                    moet duidelijk vaststaan of al dan niet gebruik wordt gemaakt van deze
                    mogelijkheid.</al>
        <al>De termijn van vier weken waarbinnen het college met het betrokken schoolbestuur
                    in overleg treedt over de uitvoering vloeit direct voort uit de wetgeving
                    (artikel 95, lid 8 WPO; artikel 93, lid 8 WEC en artikelen 76, lid 8 WVO).</al>
        <al>De passage 'voor zover van toepassing' is opgenomen om niet alle voorkomende
                    varianten op het bouwheerschap en de eigendomssituatie te hoeven beschrijven.
                    Daarnaast is het bijvoorbeeld denkbaar dat geen nadere afspraken behoeven te
                    worden gemaakt over het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                    desbetreffende begroting, eenvoudigweg omdat het college in het kader van
                    artikel 16, vierde lid heeft besloten dat dit achterwege kan blijven. Hetzelfde
                    kan gelden voor de uitvoering van de toets of zich nieuwe feiten en
                    omstandigheden voordoen.</al>
        <al>In het kader van de controle en het afleggen van verantwoording over de
                    besteding van de middelen kunnen nadere afspraken worden gemaakt over de wijze
                    en momenten waarop het college geïnformeerd wordt over de voortgang van de
                    uitvoering van de voorziening, alsmede over de wijze waarop de finale
                    verantwoording wordt afgelegd. Daarbij kan - zeker bij omvangrijke projecten -
                    ook aan de orde zijn dat dit gepaard gaat met een accountantsverklaring.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Wanneer de vergoeding van de uitvoering van de voorziening gebaseerd is op de
                    feitelijke kosten wordt in aanvulling op de afspraken die voortvloeien uit het
                    bepaalde in lid 1, ook expliciet in het overleg aan de orde gesteld op welke
                    wijze de aanvrager het werk wil gaan aanbesteden en wanneer de gemeente zicht
                    krijgt op de offertes die op de aanbesteding worden uitgebracht (zie ook
                    toelichting bij artikel 4). Bij de aanbesteding van het werk dient de aanvrager,
                    voor zo ver dit gezien de aard van de voorziening nodig is, ingevolge het
                    bepaalde in bijlage IV, deel B richtlijnen in acht te nemen. Overigens kan de
                    aanvrager eerst tot aanbesteding overgaan wanneer het college heeft ingestemd
                    met het bouwplan, tenzij een dergelijk plan naar het oordeel van het college
                    eveneens gezien de aard van de voorziening niet vereist is (zie ook artikel 16,
                    lid 4).</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden rijzen over de afspraken
                    over de uitvoering is bepaald dat deze schriftelijk worden vastgelegd en ter
                    instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Indien de aanvrager zijn
                    instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er
                    overeenstemming bestaat over de wijze van uitvoering. Mocht de aanvrager niet
                    instemmen met het verslag, dan zal in de praktijk meestal nader overleg
                    plaatsvinden om alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het niet
                    eens te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dat wordt dit ook
                    schriftelijk vastgelegd en van beide zijde geconstateerd.</al>
        <al>Lid 4</al>
        <al>Hierin is bepaald dat het college de aanvrager uitsluitsel geeft wanneer de
                    bekostiging start, binnen vier weken nadat het overleg tot overeenstemming heeft
                    geleid, in geval in het overleg is medegedeeld dat de indiening van een bouwplan
                    en begroting achterwege kan blijven en/of er geen nadere toetsing aan wettelijke
                    voorschriften of gewijzigde omstandigheden hoeft plaats te vinden (zie artikel
                    16, vierde lid). Het zal daarbij in de regel voorzieningen betreffen waarvoor in
                    een eerder stadium al een offerte is overgelegd, die weinig of geen
                    voorbereidingstijd meer vergen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de
                    vervanging van de dakbedekking van een basisschool (onderdeel van de
                    huisvestingsvoorziening onderhoud).</al>
        <al>Lid 5</al>
        <al>Wanneer uit het ingevolge het derde lid vastgestelde verslag blijkt dat het
                    overleg over de wijze van uitvoering uiteindelijk niet uitmondt in
                    overeenstemming tussen aanvrager en het college, dan is het college als
                    bestuursorgaan de instantie die dit constateert en meedeelt aan het
                    schoolbestuur. Hierbij deelt het college mee wat de overwegingen zijn om niet in
                    te stemmen met de door de aanvrager gewenste uitvoering. Deze mededeling is een
                    besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid
                    van bezwaar en beroep openstaat.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 16 Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                        bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                        omstandigheden; overlegging offertes</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel is voor een belangrijk deel een nadere uitwerking van de wettelijke
                    bepaling, waarbij een schoolbestuur dat aanspraak heeft op een vergoeding van
                    een voorziening en bij de uitvoering van de voorziening als bouwheer optreedt,
                    een bouwplan en de daarbij behorende begroting ter goedkeuring moet indienen bij
                    het college (zie bijvoorbeeld artikel 103 WPO). Tevens geeft de aanvrager
                    daarbij aan op welk moment de bekostiging een aanvang dient te nemen.</al>
        <al>Indien in het overleg over de uitvoering (zie artikel 15) in afwijking van het
                    uitgangspunt dat de aanvrager optreedt als bouwheer, wordt afgesproken dat de
                    gemeente het bouwheerschap op zich neemt, dan is het gestelde in het eerste lid
                    uiteraard niet van toepassing.</al>
        <al>De aanvrager moet alleen een begroting bij het bouwplan in te dienen wanneer het
                    een voorziening betreft waarvoor de vergoeding op basis van de genormeerde
                    benadering (bijlage IV, deel A) is vastgesteld. Deze begroting zal marginaal
                    getoetst worden zolang de geraamde kosten de genormeerde vergoeding niet
                    overschrijden.</al>
        <al>Met het oog op een goede voortgang van de uitvoering en de duidelijkheid
                    richting aanvrager is in het tweede lid voorzien in een fatale termijn (maximaal
                    beslaat deze termijn negen weken) waarbinnen de gemeente het bouwplan en de
                    begroting moet hebben goedgekeurd. Bij goedkeuring van het bouwplan en begroting
                    stelt het college ook het tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt.
                    Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de wettelijke opdracht om een dergelijk
                    tijdstip vast te stellen (zie bijvoorbeeld artikel 99, eerste lid WPO). Wanneer
                    de fatale termijn door het college wordt overschreden dan wordt het bouwplan en
                    de begroting geacht te zijn goedgekeurd en dient de bekostiging aan te vangen op
                    het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven.</al>
        <al>Het bepaalde in het derde lid markeert in de procedure rond de uitvoering van
                    het programma het moment waarop wordt bezien of er zich na vaststelling van het
                    programma nieuwe omstandigheden hebben aangediend, die het rechtvaardigen om de
                    aanspraak op vergoeding te herzien. Het betreft hier een nadere invulling van
                    wederom een wettelijke bepaling (zie bijvoorbeeld artikel 101 WPO in samenhang
                    met artikel 99, eerste lid WPO). Het moment is zodanig gekozen dat door de
                    aanvrager nog geen onomkeerbare stappen zijn gezet, zoals bijvoorbeeld het
                    verlenen van een bouwopdracht.</al>
        <al>De leden 5 en 6 zien op de besluitvorming over de uitvoering van aanvragen
                    waarvoor de offertelijn geldt, of anders gezegd, waarbij de feitelijke kosten
                    bepalend zijn voor de uiteindelijke vergoeding. Hierbij is geen sprake van een
                    begroting, dus ook niet van een toets daarvan. De begroting is namelijk al bij
                    de indiening van de aanvraag overgelegd en heeft toen alleen de functie gehad om
                    te komen tot een bedrag ten behoeve van de vaststelling van het programma. Bij
                    de uitvoering van een voorziening die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd,
                    nemen de offertes de rol over van de begroting.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 17 Aanvang bekostiging</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel is de uitwerking van de wettelijke opdracht zoals neergelegd in
                    bijvoorbeeld artikel 102, vierde lid WPO. Er is gekozen voor een globale
                    regeling waarin ruimte is voor variatie naargelang de concrete omstandigheden.
                    Door de bepaling op te nemen dat de aanvrager altijd aan zijn financiële
                    verplichtingen moet kunnen voldoen, is de bescherming van de aanvrager
                    gewaarborgd.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 18 Vervallen aanspraak op vergoeding</vet>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>De data van 1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op de vaststelling van de
                    volgende gemeentebegroting. Het is van belang om op dat moment te weten of een
                    toegekende voorziening eventueel in een volgend begrotingsjaar betaald moet
                    worden. De bepaling over de toezending van onder meer de bouwopdracht binnen
                    twee weken berust niet op de wet. Het is echter van belang om een dergelijke
                    bepaling op te nemen, omdat de gemeente daarna actie in de richting van de
                    aanvrager kan ondernemen. De term 'door de aanvrager' is opgenomen om duidelijk
                    te maken dat, indien de gemeente optreedt als bouwheer en de termijn wordt
                    overschreden, er geen sprake is van het vervallen van het recht op een
                    vergoeding. De aanvrager heeft dan immers recht op een voorziening.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Deze hardheidsclausule is, in aanvulling op de wet, opgenomen, omdat het
                    denkbaar is dat, bijvoorbeeld door ruimtelijke ordeningprocedures, de termijn
                    buiten de schuld van de aanvrager wordt overschreden.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>De datum van 15 september is gekozen opdat de aanvrager bij afwijzing van het
                    verzoek kan proberen voor 1 oktober alsnog een bouwopdracht etc. te
                    geven.</al>
        <al>
          <vet>Artikelen 19-24 Spoedprocedure</vet>
        </al>
        <al>In dit hoofdstuk van de modelverordening zijn nadere regels opgenomen over de
                    indiening en beoordeling van aanvragen met een spoedeisend karakter. Deze
                    aanvragen doorlopen niet de procedure die geldt voor het programma en zijn
                    daarom niet gebonden aan een bepaalde indieningsdatum. De aanvragen kunnen dus
                    het gehele jaar door worden ingediend. Het zou een misvatting zijn op grond
                    hiervan te veronderstellen dat de spoedprocedure als een soort
                    'ontsnappingsroute' kan worden gebruikt. Een ontsnappingsroute die zou kunnen
                    worden gevolgd wanneer een bevoegd gezag verzuimd tijdig - op grond van artikel
                    6 van de modelverordening - een aanvraag in te dienen voor het programma of
                    wanneer een aanvraag niet op het programma is geplaatst wegens toepassing van de
                    financiële weigeringsgrond. In dit laatste geval kan een bevoegd gezag in de
                    verleiding komen de aanvraag opnieuw in te dienen via de spoedprocedure, omdat
                    de financiële weigeringsgrond bij deze procedure niet kan worden gehanteerd door
                    de gemeente.</al>
        <al>Een andere optie is dat een bevoegd gezag op 'twee paarden wedt', namelijk: voor
                    dezelfde voorziening een aanvraag indient voor de opneming in het programma én
                    een aanvraag indient in het kader van de spoedprocedure.</al>
        <al>Al deze procedurele opties lopen echter bij toepassing van de modelverordening
                    spaak, omdat het uiteindelijk gaat om de inhoud van de aanvraag. Er moet
                    onomstotelijk blijken dat het bij een aanvraag met een spoedeisend karakter gaat
                    om een daadwerkelijke calamiteit in : een calamiteit die onvoorzienbaar was en
                    volgens de wetgever zodanig moet zijn dat het treffen van een voorziening geen
                    uitstel kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan
                    vinden. Het meest voor de hand liggende voorbeeld daarbij is het afbranden van
                    een schoolgebouw, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere
                    accommodatie moet doorgaan.</al>
        <al>Toepassing van de modelverordening leidt er toe dat het moment tussen indiening
                    van een reguliere aanvraag en de beoordeling in het kader van het programma,
                    aanzienlijk wordt bekort. Dit betekent dat het overgrote deel van de aanvragen
                    voor huisvestingsvoorzieningen via deze procedure op adequate wijze kan worden
                    afgehandeld. Ook de aanvragen die wellicht hoog zouden scoren bij de toepassing
                    van de urgentiesystematiek, maar waarvan op moment van indiening en op het
                    moment van programmavaststelling (nog) niet kan worden gesproken over de
                    noodzaak om onverwijld de voorziening te treffen omdat anders het
                    onderwijsproces stokt. Dit betekent ook dat mag worden verwacht dat de aanvragen
                    die in het kader van de spoedprocedure worden ingediend ook écht spoedeisend
                    zijn. Normaliter zal dit betekenen dat de toepassing, maar zeker ook de
                    toewijzing in het kader van de spoedprocedure, eerder uitzondering dan regel zal
                    zijn.</al>
        <al>In de bepalingen over de procedure rondom aanvragen met een spoedeisend karakter
                    wordt aangesloten bij de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit
                    komt erop neer dat een aanvraag bij het college van burgemeester en wethouders
                    kan worden ingediend (artikel 19) en dat zij binnen een redelijke termijn
                    (artikel 4:13 Awb) een beschikking dient af te geven. Indien een beschikking
                    niet binnen een redelijke termijn kan worden gegeven, stelt het college de
                    aanvrager daarvan in kennis en wordt een redelijke termijn genoemd waarbinnen
                    hij de beschikking wel tegemoet kan zien (art. 4:14 Awb).</al>
        <al>
          <vet>Artikel 19 Indiening aanvraag</vet>
        </al>
        <al>Het college is verantwoordelijk voor de ontvangst, beoordeling, besluitvorming
                    en uitvoering van een aanvraag met een spoedeisend karakter. Artikel 4:4 van de
                    Awb bepaalt dat het orgaan dat beslissingsbevoegd is een formulier kan
                    vaststellen. Deze taak ligt derhalve eveneens bij het college.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 20 Inhoud aanvraag</vet>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>In aanvulling op de basisgegevens die moeten worden overgelegd als het om een
                    reguliere aanvraag zou gaan, dient in de aanvraag ook duidelijk het spoedeisende
                    karakter (de calamiteit waardoor het onderwijsproces geen voortgang kan vinden)
                    te worden toegelicht.</al>
        <al>Evenals bij een aanvraag voor het programma het geval is, kan ook bij de
                    aanvragen voor spoedeisende voorzieningen een keuze worden gemaakt ten aanzien
                    van welke gewenste voorzieningen in de huisvesting een prognose wel of niet
                    vereist is. Harmonisatie met de in dit verband in artikel 7, tweede lid, onder a
                    van de modelverordening gemaakte keuze ten aanzien van de prognoses is daarbij
                    vanzelfsprekend.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>De termijnen voor het aanleveren van aanvullende gegevens zijn bewust kort
                    gehouden. Dit is gerechtvaardigd, omdat het gaat om het treffen van een
                    voorziening die eigenlijk geen uitstel kan dulden. Iedereen, en zeker de school,
                    is gebaat bij een snelle, maar zorgvuldige besluitvorming.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 21 Tijdstip beslissingen</vet>
        </al>
        <al>De procedure sluit aan op de bepalingen in artikel 4:13 en 4:14 van de Awb. In
                    beginsel beslist het college binnen vier weken op een aanvraag. Het tweede lid
                    geeft de mogelijkheid om op een later tijdstip te beslissen indien het niet
                    mogelijk is binnen vier weken te beslissen. Het college niet in de dient de
                    aanvrager hiervan op de hoogte te stellen en daarbij een redelijke termijn te
                    noemen waarbinnen wel een beschikking tegemoet kan worden gezien.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 22 - 24 Inhoud en uitvoering beschikking; vervallen aanspraak
                        vergoeding</vet>
        </al>
        <al>Bij de besluitvorming en de uitvoering daarvan ten aanzien van aanvragen met een
                    spoedeisend karakter is, afgezien van de afwijkende termijnen, de lijn gevolgd
                    die ook van toepassing is ten aanzien van de vaststelling van programma en
                    overzicht.</al>
        <al>Dit betekent dat met inachtneming van de in de wet opgenomen weigeringsgronden
                    (zie bij voorbeeld artikel 100 WPO), de toetsingscriteria worden toegepast
                    overeenkomstig de bijlagen van de verordening. Extra dimensie die ten opzichte
                    van de 'reguliere lijn' aan deze toetsing wordt toegevoegd is het element van de
                    spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in
                    verband met de voortgang van het onderwijs. Tevens komt in de modelverordening
                    tot uiting dat het college niet de financiële weigeringsgrond kan hanteren. Dit
                    komt tot uiting doordat de urgentiecriteria zoals opgenomen in bijlage V buiten
                    beschouwing blijven.</al>
        <al>Het college geeft bij de beschikking aan voor welke datum een bouwopdracht moet
                    zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn
                    gesloten, dit is geen onderwerp meer van het gesprek dat zij voert over de
                    uitvoering van de toegekende aanvraag.</al>
        <al>
          <vet>Artikelen 25-28 Vergoeding kosten bouwvoorbereiding</vet>
        </al>
        <al>Gemeenten die geen mogelijkheid willen bieden voor het aanvragen en daarmee
                    toekennen van vergoedingen voor de kosten van de bouwvoorbereiding, kunnen bij
                    de vaststelling van de verordening de artikelen 3 en 25 t/m 28 achterwege laten.
                    Met nadruk zij opgemerkt dat de aanvraag om een vergoeding van de kosten van
                    bouwvoorbereiding van een andere orde is dan een aanvraag voor plaatsing op het
                    programma. Eerstbedoelde aanvraag is bedoeld om de weg te plaveien naar de
                    indiening van een aanvraag voor het programma. Het zal daarbij in de regel gaan
                    om huisvestingsvoorzieningen die als omvangrijk moeten worden gekwalificeerd en
                    die zich al enkele jaren van tevoren aankondigen (de nieuwbouw van een school is
                    daarbij het meest voor de hand liggende voorbeeld). Met behulp van een
                    bouwvoorbereidingskrediet kunnen de aanvragen voor het programma goed worden
                    voorbereid. Dit heeft als voordeel dat wanneer dergelijke goed gedocumenteerde
                    aanvragen verschijnen op het programma, de uitvoering vrij snel na vaststelling
                    van het programma ter hand kan worden genomen. De gemeente heeft dan de
                    zekerheid dat in het jaar waarvoor de middelen beschikbaar worden gesteld, ook
                    de besteding zal plaatsvinden.</al>
        <al>Een bouwvoorbereidingskrediet is bedoeld voor de bestrijding van salariskosten,
                    die zijn gemoeid met de voorbereiding van een bouwproject. Onder voorbereiding
                    worden de werkzaamheden verstaan tot aan het moment van aanbesteding. Het kan
                    daarbij gaan om kosten van:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>architect;</al></li>
          <li nr=""><al>adviseur constructie;</al></li>
          <li nr=""><al>adviseur werktuigbouwkundige installatie;</al></li>
          <li nr=""><al>adviseur elektrotechnische installatie.</al></li>
        </lijst>
        <al>In bepaalde situaties kan het bovendien nuttig zijn adviseurs in te schakelen
                    voor bijvoorbeeld het programma van eisen, het projectmanagement, de
                    kostenbeheersing of de bouwfysica.Inschakeling van laatstgenoemde adviseurs kan
                    een beperking inhouden van de werkzaamheden van de architect en de eerstgenoemde
                    overige adviseurs.</al>
        <al>De bouwvoorbereiding is niet aangemerkt als een voorziening in de huisvesting,
                    omdat het dat volgens de wet niet is. De toekenning van een vergoeding voor
                    bouwvoorbereiding dient daardoor buiten het programma te blijven. Het bedrag
                    voor het programma is immers bestemd voor huisvestingsvoorzieningen zoals
                    bedoeld in de wet. Als een zodanige voorziening niet wordt toegekend omdat het
                    bedrag niet voldoende is, en er wordt wel in dat kader bouwvoorbereiding
                    toegekend (het kan daarbij om aanmerkelijke bedragen gaan), dan heeft de
                    aanvrager die wordt afgewezen in beroep een gerede kans op succes. Het bedrag
                    voor bouwvoorbereiding dient dus als apart bedrag te worden opgenomen.</al>
        <al>Er is wel alles voor te zeggen om, gezien de budgettaire gevolgen voor de
                    gemeentebegroting in het algemeen en voor de onderwijshuisvesting in het
                    bijzonder, de beoordeling en afhandeling van verzoeken om bouwvoorbereiding in
                    procedure gelijk te schakelen met die voor het programma. Voor deze benadering
                    is dan ook gekozen in hoofdstuk 4 van de modelverordening. Dit betekent ook dat
                    het college het orgaan is dat beslist over het inwilligen van dergelijke
                    verzoeken.</al>
        <al>Toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding van een voorziening
                    betekent niet dat de voorziening die met behulp van deze vergoeding wordt
                    voorbereid, per saldo meer kost dan een soortgelijke voorziening, die zonder een
                    dergelijke vergoeding geplaatst wordt op het programma. In feite komt de
                    toekenning van een vergoeding er op neer dat een deel van de kosten gemoeid met
                    de huisvestingsvoorziening naar voren worden gehaald. Dit betekent ook dat
                    wanneer een genormeerde vergoeding wordt toegekend ter realisering van de
                    huisvestingsvoorziening zelf, de bouwvoorbereidingsvergoeding dan op de
                    genormeerde vergoeding in mindering wordt gebracht. Dit gebeurt omdat in de
                    normatieve vergoedingsbedragen voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in bijlage
                    IV, deel A, de kosten van voorbereiding zijn inbegrepen.</al>
        <al>De mogelijkheid om een bouwvoorbereidingskrediet aan te vragen is een nadere
                    concretisering van de in de wet opgenomen mogelijkheid inhoudende dat het
                    college een vergoeding voor bouwvoorbereiding kan toekennen. Bij de bepalingen
                    inzake de beslissing op dergelijke verzoeken zijn de toetsingscriteria
                    aangeduid, omwille van kenbaar bestuur en gelijke behandeling (zie artikel 27).
                    Daarbij is voorzien in een financiële weigeringsgrond. Voorts spreekt het voor
                    zich dat de noodzaak van de voorziening waarvoor de bouwvoorbereiding is bestemd
                    aanwezig moet zijn. Daarnaast zal ook, uit oogpunt van een gerichte en
                    effectieve besteding van eventueel toe te kennen gelden voor de
                    bouwvoorbereiding, een duidelijk perspectief aanwezig moeten zijn: wanneer de
                    plannen zijn uitgewerkt, moet er ook binnen afzienbare termijn daadwerkelijk een
                    aanvang mee worden gemaakt.</al>
        <al>Dit is niet alleen afhankelijk van de vraag of het bevoegd gezag in het beoogde
                    jaar de opdracht tot uitvoering kan verlenen, maar ook van een reële inschatting
                    door de gemeente of het beoogde project voor dat jaar op een nog vast te stellen
                    programma kan worden geplaatst. Het verstrekken van een
                    bouwvoorbereidingskrediet geeft hierop weliswaar geen recht, maar het is weinig
                    zinvol een dergelijk krediet toe te kennen en vervolgens bij de daarop volgende
                    - met behulp van het krediet voorbereide - aanvraag voor plaatsing op het
                    programma te moeten constateren dat de financiële ruimte niet aanwezig is voor
                    de realisering van de voorziening. Iets dat zich natuurlijk altijd kan voordoen
                    in geval van onvoorziene tegenvallers op de gemeentebegroting.</al>
        <al>
          <vet>Artikelen 29-36 Medegebruik en verhuur</vet>
        </al>
        <al>De artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m WVO geven de opdracht aan de gemeenteraad om
                    in de huisvestingsverordening een procedure voor het medegebruik en de verhuur
                    van onderwijsgebouwen op te nemen. Wat het medegebruik betreft houdt de opdracht
                    in feite in het vastleggen van de wijze waarop het college met het recht tot het
                    vorderen van leegstaande ruimten omgaat. Dit vorderingsrecht kan betrekking
                    hebben op medegebruik ten behoeve van onderwijs en educatie, maar ook ten
                    behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Met nadruk
                    zij gemeld dat het gaat om delen van gebouwen die leegstaan. Indien het gaat om
                    een gebouw dat in zijn geheel leeg is of komt, is artikel 37(Tijdstip
                    beëindiging gebruik gebouwen) van toepassing.</al>
        <al>Het vorderingsrecht met betrekking tot gebouwen kan betrekking hebben op zowel
                    het gebruik tijdens als na de schooltijden. Dit geldt ook voor sportterreinen
                    die in eigendom zijn van een schoolbestuur voor voortgezet onderwijs. Het
                    vorderingsrecht beperkt zich dan tot het vorderen ten behoeve van ander gebruik
                    dan onderwijsgebruik (bijvoorbeeld voor sportverenigingen). Het recht van de
                    gemeente om leegstand te bestemmen voor ander gebruik strekt zich uit over de
                    wel en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Het sluitstuk van de
                    procedure - het vorderen - vindt echter niet plaats als het leegstand betreft in
                    een gebouw van een school die de gemeente zelf in stand houdt. Dat neemt niet
                    weg dat de criteria die in deze artikelen worden geformuleerd uiteraard ook
                    gelden voor gebouwen van scholen die door de gemeente in stand worden
                    gehouden.</al>
        <al>Er is gekozen voor een iets verschillende benadering van medegebruik ten behoeve
                    van onderwijs en medegebruik ten behoeve van andere activiteiten. Voor
                    medegebruik ten behoeve van andere activiteiten mag van het college worden
                    verlangd dat in het overleg met het bevoegd gezag expliciet, en ten aanzien van
                    met name aangeduide onderwerpen, de gelegenheid wordt geboden om eventuele
                    wensen aangaande het medegebruik te uiten, mede gelet op de vrijheid van
                    richting en inrichting. Uiteraard bestaat die gelegenheid ook in het overleg
                    over het onderwijsmedegebruik. Aangezien het dan echter altijd gaat om gebruik
                    dat overeenkomt met de bestemming van het gebouw, zal het overleg daarover meer
                    een praktisch dan een principieel karakter kunnen hebben.</al>
        <al>De artikelen 29 t/m 33 worden toegepast als er een aanvraag van een bevoegd
                    gezag voor plaatsing op het programma of voor de spoedprocedure is gedaan. Dat
                    kan een aanvraag om medegebruik zijn, maar het kan ook een andere aanvraag zijn
                    die wordt afgewezen en waarin door middel van medegebruik wordt voorzien.</al>
        <al>Voorbeeld: er komt een aanvraag binnen om de uitbreiding van een basisschool op
                    het programma te plaatsen. De bepalingen van artikel 12 (regels voor de
                    vaststelling van het programma) zijn van toepassing op die aanvraag. In artikel
                    12 wordt onder meer verwezen naar bijlage I. In die bijlage is gesteld dat de
                    uitbreiding niet wordt bekostigd als er binnen 2.000 meter hemelsbreed sprake is
                    van leegstand waar medegebruik kan plaatsvinden. Binnen die afstand blijkt
                    geschikte leegstand aanwezig te zijn, hetgeen wordt geconstateerd aan de hand
                    van artikel 30 (omschrijving leegstand). Tevens wordt geconstateerd dat de
                    situatie als bedoeld in artikel 31, lid 1 (de leegstand is al door het bevoegd
                    gezag in medegebruik gegeven aan een andere school) zich niet voordoet. Die
                    constatering kan plaatsvinden aan de hand van de gemeentelijke
                    gegevensadministratie; op grond van artikel 5 moet een bevoegd gezag immers
                    melden dat er sprake is van medegebruik. Het college deelt in het overleg als
                    bedoeld in artikel 10 (het overleg over het programma) mede dat zij voornemens
                    zijn om de wettelijke weigeringsgrond genoemd in artikel 100, lid 1d WPO toe te
                    passen (de aanvraag wordt geweigerd als er door middel van medegebruik in de
                    huisvestingsbehoefte kan worden voorzien). Over dat voornemen wordt op grond van
                    artikel 32 overleg gevoerd met het bevoegd gezag dat de aanvraag heeft ingediend
                    en met het bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd zal worden. Dat overleg
                    maakt deel uit van het overleg over het programma als bedoeld in artikel 10. Er
                    wordt voorzien in de aanvraag door toepassing te geven aan artikel 31 (volgorde
                    van vorderen) en 32 (overleg en mededeling). De beschikking voor het bevoegd
                    gezag dat de uitbreiding heeft aangevraagd (onderdeel van het programma) luidt
                    als volgt: de aanvraag wordt afgewezen en in plaats daarvan wordt medegebruik in
                    gebouw [.....] toegekend. Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt krijgt op
                    grond van artikel 32 een vorderingsbeschikking, tenzij in het overleg is
                    aangegeven dat er tegen de vordering geen bezwaar bestaat.</al>
        <al>Wat de verhuur betreft kan de regeling in de verordening beperkt zijn; de wet
                    regelt immers uitputtend wanneer wel en niet sprake kan zijn van
                    verhuur.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 29 Aanduiding omstandigheden</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel is aangegeven dat er, alvorens het college kan overgaan tot
                    vordering, eerst sprake moet zijn van een aanvraag (op grond van artikel 6 of
                    19) om een huisvestingsvoorziening voor een school, en dat er bij die school ook
                    een aantoonbaar tekort aan huisvesting is. Lid 1b ziet op de situatie dat er
                    bijvoorbeeld sprake is van een omvangrijke onderhouds- of aanpassingsbehoefte,
                    terwijl medegebruik daarvoor een alternatief vormt. De leden 1d en e regelen dat
                    er sprake dient te zijn van leegstand.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 30 Omschrijving leegstand</vet>
        </al>
        <al>Lid 1a</al>
        <al>Door de capaciteit van het gebouw (als bepaald volgens bijlage III, deel A) te
                    relateren aan de behoefte volgens het ruimtebehoeftemodel ingevolge bijlage III,
                    deel B wordt bezien of er een overschot aan ruimte is</al>
        <al>Er word uitgegaan van een genormeerde benadering: als het aantal vierkante
                    meters van een gebouw de drempelwaarde overschrijdt is er sprake van genormeerde
                    leegstand..</al>
        <al>Bij de capaciteitsbepaling worden ruimten die een bevoegd gezag eventueel voor
                    eigen rekening heeft gerealiseerd en waar geen (rijks)vergoeding voor wordt
                    verstrekt wel geregistreerd, maar niet als beschikbare capaciteit. Het
                    vorderingsrecht strekt zich derhalve niet tot dergelijke ruimten uit. Voor de
                    goede orde: de zogenaamde eigendoms- en huurscholen vallen dus wel onder het
                    vorderingsrecht. Hiervoor wordt immers wel een (rijks)vergoeding verstrekt.</al>
        <al>In tegenstelling tot de volledig voor eigen rekening gefinancierde ruimten,
                    strekt het vorderingsrecht zich wel uit tot leegstaande ruimten waaraan een
                    bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal)
                    heeft gegeven. Deze handelwijze kan worden afgeleid uit de jurisprudentie onder
                    de oude wetgeving waarin is vastgelegd dat, indien er sprake is van genormeerde
                    leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven, deze
                    bestemming moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</al>
        <al>Lid 1b</al>
        <al>Voor het voortgezet onderwijs kan niet van een zelfde, strikt genormeerde,
                    benadering worden uitgegaan als bij het primair onderwijs. Het vertrekpunt is
                    wel hetzelfde: door de capaciteit van het gebouw (als bepaald volgens bijlage
                    III, deel A) te relateren aan de behoefte volgens het ruimtebehoeftemodel
                    ingevolge bijlage III, deel B wordt bezien of er een overschot aan vierkante
                    meters is. Als dat overschot geconstateerd wordt, behoeft dat niet automatisch
                    te betekenen dat er dan ook een deel van het gebouwvrij is op de gewenste tijd.
                    Een bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs heeft namelijk het
                    recht, binnen de rijksbekostiging, om meer of minder uren aan bepaalde vakken
                    toe te delen. Deze keuzen hebben consequenties voor het lesrooster en de omvang
                    van de groepen, en daarmee voor de beschikbaarheid van het gebouw. Daarom wordt
                    bij een school voor voortgezet onderwijs vervolgens aan de hand van het
                    lesrooster bekeken of er daadwerkelijk sprake is van leegstand. De
                    verantwoordelijkheid om op basis van lesroosters eventueel aan te tonen dat er
                    geen sprake is van leegstand, ligt bij het schoolbestuur. Achtergrond hiervan is
                    dat gemeenten geen zicht hebben op de lesroosters van scholen.</al>
        <al>Het gaat hier met nadruk om de vrijheid binnen de rijksbekostiging. Indien een
                    bevoegd gezag extra middelen aanwendt en daarmee beslag op leegstand legt, is er
                    sprake van eigen beleid dat dient te wijken voor noodzakelijk
                    onderwijsgebruik.</al>
        <al>Lid 2a</al>
        <al>Voor de beoordeling of er leegstand is in een gymlokaal dat gebruikt wordt door
                    het primair onderwijs wordt het aantal klokuren dat voor dat lokaal in gebruik
                    is en waarvoor de gemeente goedkeuring heeft verleend, bij elkaar opgeteld. De
                    capaciteit van het gebouw, verminderd met dit aantal, levert de leegstand op.
                    Voor de capaciteit van het gebouw wordt uitgegaan van het maximum aantal uren
                    dat een gebouw per week voor het onderwijs gebruikt kan worden. Het aantal van
                    40 is dan reëel, gelet op de schooltijden voor het voortgezet onderwijs die de
                    maximumgrens vormen. Het getal van 40 betekent uiteraard niet dat scholen voor
                    primair onderwijs buiten hun reguliere schooltijden verwezen kunnen worden naar
                    een gymnastiekruimte die nog geen 40 klokuren in gebruik is. Verwijzing kan
                    alleen maar plaatsvinden binnen de voor de betreffende schoolsoort geldende
                    reële schooltijden.</al>
        <al>Lid 2b</al>
        <al>De reden van de controle aan de hand van het lesrooster is dezelfde als bij lid
                    1b.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</vet>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Door opneming van deze bepaling wordt recht gedaan aan de autonomie van scholen.
                    Indien bevoegde gezagsorganen onderling medegebruik overeenkomen, is er geen
                    reden voor de gemeente om dat te doorkruisen. Deze bepaling kan er mogelijk toe
                    leiden dat in een enkel geval alsnog bijvoorbeeld een uitbreiding moet worden
                    toegestaan omdat door de bevoegde gezagsorganen niet de meest optimale situatie
                    is gecreëerd. Aangezien deze situatie waarschijnlijk alleen bij hoge
                    uitzondering zal voorkomen, is dit geen reden om af te zien van deze
                    bepaling.</al>
        <al>Overigens kan deze bepaling uitgebreid worden naargelang de gemeente in het
                    (brede) huisvestingsbeleid bepaalde accenten wil leggen. Als voorbeeld kan
                    genoemd worden het niet vorderen van leegstand indien deze wordt benut als
                    peuterspeelzaal.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Hierin is bepaald dat het onderling overeengekomen medegebruik alleen dan een
                    reden is om niet tot vordering over te gaan, indien de eigen gebouwen van de
                    school die medegebruikt, onvoldoende capaciteit hebben. Uiteraard wordt ook hier
                    uitgegaan van de bepaling van de capaciteit en van het aantal groepen zoals
                    bedoeld in bijlage III. Ook hier geldt dat eigen beleid van bevoegde
                    gezagsorganen, bijvoorbeeld het verkleinen van groepen zodanig dat dit leidt tot
                    een extra huisvestingsbehoefte, moet wijken voor noodzakelijk ander
                    onderwijsgebruik.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>De keuze voor deze volgorde van vorderen kan uiteraard gewijzigd worden. Het
                    verdient echter aanbeveling om deze keuze wel vast te leggen. Indien er meerdere
                    opties zijn moet immers gemotiveerd kunnen worden hoe het college tot een
                    bepaalde keuze is gekomen. Het gestelde in dit lid zijn bij uitstek
                    aangelegenheden die met de bevoegde gezagsorganen besproken moeten worden,
                    alvorens ze vast te leggen. Dat geldt uiteraard ook voor a, zoals dat voor de
                    hele verordening geldt. Uitgangspunt bij de vordering is dat een schoolbestuur
                    dat ruimtegebrek heeft bij een van zijn scholen, eerst gaat kijken naar
                    eventueel beschikbare ruimte binnen een van de onder zijn beheer staande
                    gebouwen. Indien deze aanwezig is, zal het in de regel nog geen eens komen tot
                    een aanvraag voor medegebruik bij de gemeente. Mocht dit wel zo zijn dan is de
                    kans groot dat ingevolge lid 3a de gemeente het bestuur verwijst naar een van
                    zijn eigen gebouwen. Voor a geldt echter ook dat het financiële consequenties
                    kan hebben om niet als eerste optie van de - qua oppervlakte en indeling -
                    geschiktste ruimte uit te gaan. Vandaar dat uit hoofde van een doelmatiger
                    oplossing kan worden voorbijgegaan aan aanwezige leegstand in een van de
                    gebouwen van het betrokken schoolbestuur. Het gestelde onder b is minder
                    relevant als het gaat om gymnastiekruimten. Om redenen van eenvoud is er echter
                    voor gekozen geen aparte volgorde voor gymnastiekruimten op te nemen. Bij de
                    toepassing van lid 3c dient het openbaar onderwijs in dit verband ook als een
                    richting te worden aangemerkt.</al>
        <al>Lid 4</al>
        <al>Deze bepaling voorkomt dat de volgorde zoals opgenomen in het derde lid te
                    rigide gaat werken. Wanneer op lokaal niveau alle bij de vordering betrokken
                    partijen het eens zijn over een oplossing die niet direct voortvloeit uit het
                    derde lid, dan kan van de daarin neergelegde volgorde worden
                    afgeweken.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 32 Overleg en mededeling</vet>
        </al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>Het voeren van overleg is wettelijk verplicht. Om praktische redenen is ervoor
                    gekozen dit te koppelen aan het overleg over het programma. In het kader van de
                    vaststelling van het programma zal immers in de regel geconstateerd worden of er
                    van medegebruik sprake kan zijn.</al>
        <al>Ten aanzien van het voorgenomen besluit in het kader van het programma (dat is
                    niet het besluit tot vordering maar het besluit om medegebruik toe te staan) is
                    er voor beide bevoegde gezagsorganen de mogelijkheid een advies van de
                    Onderwijsraad te vragen. Ook hebben zij beiden de mogelijkheid om bezwaar en
                    beroep tegen de vaststelling van het programma in te stellen. Dit heeft geen
                    opschortende werking.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>De termijn van vier weken is uiteraard facultatief. Om een bevoegd gezag waarvan
                    gevorderd gaat worden de gelegenheid te geven desgewenst tijdig
                    (organisatorische) maatregelen te nemen, verdient het aanbeveling de termijn zo
                    kort mogelijk te houden. Het bevoegd gezag is overigens op grond van het overleg
                    ook al in de gelegenheid om zich voor te bereiden op het medegebruik. De
                    mededeling dient schriftelijk plaats te vinden. Er is sprake van een beschikking
                    waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Het instellen van
                    bezwaar en/of beroep heeft geen opschortende werking.</al>
        <al>De laatste volzin is toegevoegd om geen overbodige administratieve handelingen
                    te hoeven uitvoeren indien er in het overleg is komen vast te staan dat er
                    overeenstemming over de vordering bestaat.</al>
        <al>Leden 3 en 4</al>
        <al>In geval van een spoedprocedure is het niet goed mogelijk om termijnen op te
                    nemen voor het overleg. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich
                    meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden.
                    Uiteraard geldt ook hier dat het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de
                    gelegenheid moet hebben om de nodige maatregelen te treffen.</al>
        <al>Lid 5e</al>
        <al>De vordering geschiedt voor een bepaalde periode, zodat het bevoegd gezag
                    waarvan gevorderd wordt weet waar het aan toe is. Het ligt voor de hand de
                    periode te baseren op de uitkomst van de prognose. De periode van vordering kan
                    verlengd worden indien dat noodzakelijk is.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 33 Vergoeding</vet>
        </al>
        <al>Voor het primair onderwijs is in de wet bepaald dat een bevoegd gezag dat
                    gebruik maakt van een gebouw van een andere bevoegd gezag, de daarvoor ontvangen
                    vergoeding doorbetaalt. Aangezien 'de ontvangen' vergoeding niet eenduidig te
                    definiëren valt - de vergoeding is namelijk mede afhankelijk van de omvang van
                    de school - dient daarover overleg tussen de bevoegde gezagsorganen plaats te
                    vinden. Voor het voortgezet onderwijs geldt niet een dergelijke wettelijke
                    bepaling, daar is overleg dus ook de aangewezen weg.</al>
        <al>Omdat de belangen uiteenlopen, kan het voorkomen dat het overleg niet tot
                    overeenstemming leidt. Omdat er dan geen wettelijk geregelde rechtsbescherming
                    geldt, lijkt het verstandig om in de verordening een bepaling ten aanzien van de
                    vergoedingen op te nemen voor het geval men er onverhoopt niet uitkomt. Een
                    systematiek hiervoor is opgenomen in bijlage IV, deel C, en is afgeleid van de
                    rijksvergoeding voor de materiële instandhouding voor de huisvesting van groepen
                    in het basisonderwijs. Uiteraard kunnen andere bedragen worden
                    opgenomen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden</vet>
        </al>
        <al>Onderdeel a</al>
        <al>Zie de toelichting bij artikel 30.</al>
        <al>Onderdeel b</al>
        <al>De sportvelden zijn hier opgenomen vanwege de bepaling in artikel 76r WVO dat
                    het vorderingsrecht zich ook daartoe uitstrekt.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 35 Overleg en mededeling</vet>
        </al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>De reden dat hier expliciet is aangegeven wat in ieder geval in het overleg aan
                    de orde dient te komen is gelegen in het feit dat het gaat om gebruik van een
                    gebouw of terrein waarvoor het gebouw of terrein niet in eerste instantie is
                    bedoeld. Dat betekent dat de positie van het bevoegd gezag met nog meer
                    waarborgen omkleed moet worden dan wanneer het om onderwijsmedegebruik gaat. Het
                    bevoegd gezag moet in de gelegenheid gesteld worden zich in het overleg een
                    oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die
                    activiteit op het onderwijsproces. Als gevolg daarvan kan ook afgesproken worden
                    dat bepaalde maatregelen van de zijde van de gemeente of de medegebruiker
                    genomen worden om hinder te voorkomen. Omdat het om verschillende vormen van
                    medegebruik kan gaan is niet eenduidig vast te stellen welke vergoeding
                    daartegenover dient te staan. Wel is het mogelijk om hierbij aan te sluiten op
                    een vergoedingsbedrag in het kader van de programma's van eisen materiële
                    instandhouding basisonderwijs door middel van een verwijzing naar bijlage IV,
                    deel C. Deze vergoeding dekt de variabele kosten en zal in het algemeen
                    voldoende zijn; het gaat immers niet om huur.</al>
        <al>Er is van afgezien de beoogde gebruiker in het overleg te betrekken. Er wordt
                    van uitgegaan dat deze door het college vertegenwoordigd wordt. Desgewenst kan
                    de beoogde gebruiker natuurlijk wel in het overleg betrokken worden. Het
                    verdient in ieder geval aanbeveling dat het bevoegd gezag en de medegebruiker,
                    voor de aanvang van het medegebruik, schriftelijk een aantal (praktische)
                    afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het
                    besluit tot vordering door het college.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, neemt het college een
                    beslissing inzake de openstaande punten. Voor deze formulering is gekozen om te
                    voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet
                    geëffectueerd kan worden. De beslissing van het college is een beschikking,
                    waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 36 Toestemming college</vet>
        </al>
        <al>Leden 2 en 3</al>
        <al>De aanduiding van de bestemming van de te verhuren ruimte is van belang voor de
                    toetsing door het college aan de wet- en regelgeving die bepaalde bestemmingen
                    niet toelaat. Zo is het bijvoorbeeld op grond van de onderwijswetgeving niet
                    toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als woon- of
                    bedrijfsruimte. Ook een bestemming die zich niet verdraagt met het onderwijs aan
                    de school is in de onderwijswetgeving uitgesloten. Er is echter voor gekozen die
                    afweging aan het bevoegd gezag te laten. Het college maakt wel de afweging of er
                    een andere school is die ruimte voor het onderwijs nodig heeft, op basis van
                    eventueel binnengekomen verzoeken. In dat verband is gekozen voor een
                    onmiddellijke noodzaak. Indien die noodzaak over enige tijd ontstaat, is dat
                    geen reden voor weigering. Het verdient wel aanbeveling, indien het college een
                    indicatie heeft dat de beoogde ruimte op korte termijn nodig zal zijn voor het
                    onderwijs, dat zij dit aan het bevoegd gezag mededeelt. Dat geldt evenzeer als
                    het college voornemens is de ruimte te vorderen voor ander gebruik. Het bevoegd
                    gezag kan dan een verantwoorde afweging maken of het wil overgaan tot verhuur.
                    De risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij
                    voortijdige opzegging van het contract omdat het college gebruik maakt van haar
                    vorderingsrecht ligt ingevolge de wet bij het bevoegd gezag.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</vet>
        </al>
        <al>Het eindigen van het recht op het gebruik van hoofdgebouwen is in de wet
                    gekoppeld aan de beëindiging van de bekostiging van de school, zie bijvoorbeeld
                    artikel 110 en 163 WPO. De WVO kent weliswaar niet zo'n bepaling, maar het
                    spreekt voor zich en het kan ook worden afgeleid uit artikel 76u en 110a WVO jo
                    artikel 24 Bekostigingsbesluit W.V.O. dat het recht op het gebruik van een
                    gebouw eindigt wanneer de school die het gebouw gebruikt wordt opgeheven.</al>
        <al>De artikelen 102 WPO, 100 WEC en 76m WVO geven aan de gemeente opdracht om in de
                    verordening een termijn op te nemen gedurende welke een gebouw nog ten hoogste
                    kan worden gebruikt nadat, bij een gezamenlijke akte of door gedeputeerde
                    staten, is bepaald dat de school heeft opgehouden of zal ophouden het gebouw te
                    gebruiken. Tevens moet de gemeente een procedure vaststellen voor een eventueel
                    op te maken staat van onderhoud ingeval van beëindiging van het gebruik.</al>
        <al>Artikel 37 van de modelverordening voorziet in deze wettelijke opdracht. In het
                    artikel wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties. Dat
                    onderscheid is in dit kader ook niet relevant; ten aanzien van alle gebouwen
                    moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet
                    worden.</al>
        <al>Het opmaken van de staat van onderhoud is gekoppeld aan de beëindiging van het
                    gebruik van een gebouw. De wettelijke bepalingen over de beëindiging van het
                    gebruik hebben alleen betrekking op niet door de gemeente in stand gehouden
                    scholen. In formele zin zijn de bepalingen over het achterstallig onderhoud dus
                    niet van toepassing op de scholen die door de gemeente in stand worden gehouden.
                    Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling is dit uiteraard in materiële zin wel
                    het geval. Het volgen van eenzelfde handelwijze ligt dan ook voor de hand.</al>
        <al>Lid 1</al>
        <al>De datum van de beëindiging van het gebruik ligt in formele zin altijd na de
                    datum waarop toepassing is gegeven aan artikel 110 WPO, 108 WEC, of 76u WVO. Aan
                    die artikelen wordt toepassing gegeven doordat het college en het bevoegd gezag
                    in een gezamenlijke akte verklaren dat het gebruik van het gebouw beëindigd
                    wordt of, ingeval van een geschil daarover, indien gedeputeerde staten daar een
                    beslissing over nemen op verzoek van een van de partijen. In materiële zin kan
                    uiteraard sprake zijn van een beëindiging van het gebruik op een tijdstip dat
                    ligt voor toepassing van eerder genoemde artikelen. Van belang is dan echter wel
                    dat de eigendomsoverdracht dan nog niet heeft plaatsgevonden en dat het bevoegd
                    gezag als eigenaar nog steeds verantwoordelijk is voor het gebouw.</al>
        <al>Als datum is gekozen de datum die in de akte, die bevoegd gezag en gemeente
                    opstellen, wordt genoemd. Als er een geschil over de akte ontstaat zullen
                    gedeputeerde staten een beslissing nemen. In de meeste gevallen zal de datum aan
                    het einde van het schooljaar liggen.</al>
        <al>Om een en ander inderdaad aan het einde van het schooljaar te kunnen realiseren,
                    is het nodig dat het college in een vroegtijdig stadium constateert dat een
                    gebouw mogelijk niet meer nodig is voor een school. Die constatering kan in de
                    regel plaatsvinden aan de hand van de leerlingtelling van 1 oktober. Als er
                    sprake is van een voorgenomen fusie of opheffing, moet een bevoegd gezag daarvan
                    mededeling doen aan de gemeente ingevolge artikel 5 van de modelverordening.
                    Direct na de telling van 1 oktober, of na de mededeling van het bevoegd gezag,
                    kan de procedure voor de vaststelling van een gezamenlijke akte over het einde
                    van het gebruik in gang worden gezet. Mocht daarover een geschil ontstaan, dan
                    kan gedeputeerde staten om een beslissing worden verzocht. De beslissing van
                    gedeputeerde staten is een beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb
                    van toepassing is. Of het instellen van beroep in dit geval opschortende werking
                    heeft, is niet eenduidig aan te geven. In het algemeen geldt dat het instellen
                    van beroep geen opschortende werking heeft, tenzij de wet anders bepaalt. De wet
                    bepaalt dat de eigendomsoverdracht, die pas kan plaatsvinden nadat is komen vast
                    te staan dat de school het gebouw blijvend niet meer nodig heeft, niet eerder
                    kan plaatsvinden dan nadat de beslissing van gedeputeerde staten onherroepelijk
                    is geworden of nadat door de rechter in beroep is beslist. Ten aanzien van de
                    eigendomsoverdracht heeft het instellen van beroep dus opschortende werking. Ten
                    aanzien van de beslissing of een school heeft opgehouden het gebouw te gebruiken
                    sec, bepaalt de wet niets. Ten aanzien van een mogelijk beroep tegen die
                    beslissing zou dus gesteld kunnen worden dat het geen opschortende werking
                    heeft. Mocht blijken dat dat wel zo is, dan kan overwogen worden een voorlopige
                    voorziening bij de president van de rechtbank te vragen indien er sprake is van
                    spoedeisende omstandigheden.</al>
        <al>Lid 2</al>
        <al>Met achterstallig onderhoud wordt in dit verband bedoeld het onderhoud dat, met
                    het oog op de onderhoudsplicht van een bevoegd gezag, al uitgevoerd had moeten
                    zijn. Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet
                    krijgen alvorens het buiten gebruik wordt gesteld. Als bijvoorbeeld de
                    meerjarenonderhoudsplanning aangeeft dat er een schilderbeurt gepland is over
                    één jaar, en uit de schouwing van het gebouw blijkt niet dat dit schilderwerk
                    eigenlijk al had moeten plaatsvinden, dan is er geen sprake van achterstallig
                    onderhoud.</al>
        <al>Het is van belang de staat van het onderhoud op te maken, voordat de
                    eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Alleen voor die tijd kan nog eenduidig
                    worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te
                    rekenen. Het spreekt voor zich dat het opmaken van de staat van onderhoud
                    achterwege kan blijven indien er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen
                    dat er sprake is van achterstallig onderhoud dat tot de verantwoordelijkheid van
                    het bevoegd gezag behoort.</al>
        <al>Lid 3</al>
        <al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college. Hiervoor kan
                    het college een ambtenaar met deskundigheid van bouwzaken aanwijzen of een
                    derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Over de inhoud van de opdracht en over
                    de persoon of instantie die dit uitvoert, heeft het college eerst overleg met
                    het betrokken bevoegd gezag. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige
                    discussie c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en
                    over de keuze van de uitvoerder. De positie van het college is in dit kader
                    vergelijkbaar met die van de verhuurder, die bij de opzegging van de huur een
                    inventarisatie maakt van datgene wat voor rekening van de huurder hersteld moet
                    worden. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd
                    gezag gevraagd worden. Deze inlichtingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben
                    op een meerjarenonderhoudsplanning (indien aanwezig) of uit bewijsstukken dat er
                    geregeld onderhoud is uitgevoerd. Het spreekt voor zich dat bij het opmaken van
                    de staat van onderhoud overleg plaatsvindt over het tijdstip waarop de schouwing
                    plaatsvindt.</al>
        <al>Lid 4</al>
        <al>Het college voert overleg met het bevoegd gezag over de uitkomsten van de staat
                    van onderhoud. Het bevoegd gezag kan dan aangeven of men het daar wel of niet
                    mee eens is. Als er achterstallig onderhoud is geconstateerd, geeft het bevoegd
                    gezag in het overleg aan of het bereid is dit alsnog uit te voeren. Er kan ook
                    overeengekomen worden dat het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig
                    onderhoud wordt betaald aan de gemeente. Indien partijen geen overeenstemming
                    bereiken, bespreken ze hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er kan bijvoorbeeld
                    arbitrage overeengekomen worden, waarbij beide partijen afspreken zich te zullen
                    neerleggen bij de uitkomst daarvan. Burgemeester en wethouders kan zich ook
                    wenden tot de burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het bevoegd gezag
                    een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan de wettelijke
                    opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te onderhouden. Gelet op de
                    kosten en de moeite die dergelijke procedures voor beide partijen met zich
                    meebrengen, verdient het veruit de voorkeur in gezamenlijk overleg een oplossing
                    te bereiken.</al>
        <al>Lid 5</al>
        <al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er weliswaar een vermoeden over
                    achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten
                    uitvoeren. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als het gebouw gesloopt
                    wordt.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 38 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                        inroostering gebruik</vet>
        </al>
        <al>In artikelen 38 is het gebruik van gymnastiekruimten voor het primair onderwijs
                    nader geregeld. Het college is bevoegd tot het vaststellen van het aantal
                    klokuur gymnastiek en de vergoeding daarvoor. Voor de dualisering was het aan de
                    raad om dergelijke regels te bepalen. Omdat het aantal klokuur gymnastiek echter
                    van direct belang is voor de beopaling van de noodzaak voor nieuwbouw/
                    uitbreiding en medegebruik van gymnastiekzalen (zaken waarover de raad moet
                    beslissen) is er voor gekozen om de tekstgedeelten uit de verordening die van
                    toepassing waren op het vaststellen van het aantal en de hoogte van de
                    klokuurvergoeding uit de modelverordening te halen en deze in een aparte, door
                    het college vast te stellen beleidsregel te plaatsen.</al>
        <al>Het gebruik door het primair onderwijs van gymnastiekruimten vindt meestal
                    plaats in gemeentelijke accommodaties. Formeel beschouwd gaat het daarbij
                    doorgaans om situaties van medegebruik en daarmee om een voorziening in de
                    huisvesting als bedoeld in artikel 2 van de verordening.</al>
        <al>Aangezien de omvang van dit medegebruik, uitgedrukt in het aantal klokuren,
                    jaarlijks kan fluctueren door de veranderingen in het aantal leerlingen van een
                    school, zou dat jaarlijks kunnen leiden tot aanvragen in het kader van het
                    programma, dan wel spoedprocedure. Beide procedures zijn te zwaar en te
                    omslachtig om jaarlijkse mutaties in het gebruik van gymnastiekaccommodaties aan
                    te vragen. Dit geldt voor die mutaties die binnen de bestaande capaciteit kunnen
                    worden opgevangen en dus niet leiden tot een uitbreiding of nieuwbouw van
                    gymnastiekruimten. Zeker wanneer daarbij wordt bedacht dat de gemeente ingevolge
                    de wet en de eerder genoemde modelbeleidsregel gehouden is tot bekostiging van
                    het genormeerde gymnastiekgebruik.</al>
        <al>Tegen deze achtergrond is in artikel 38 voor een benadering gekozen waarbij de
                    huisvestingsprocedures worden ontlast van aanvragen die samenhangen met mutaties
                    in klokuren, voor zover deze mutaties binnen de voorhanden zijnde capaciteit
                    kunnen worden ondergebracht. Formeel worden de jaarlijkse opgaven van
                    schoolbesturen van het gewenste gebruik van de gymnastiekruimten weliswaar
                    beschouwd als een aanvraag in het kader van de spoedprocedure, materieel worden
                    zij echter buiten deze procedure om afgewikkeld. Hiervoor in de plaats komt de
                    benadering uit artikel 38, die in essentie op het volgende neerkomt.</al>
        <al>De gemeente heeft als lokale overheid zicht op het onderwijsgebruik van de
                    sportaccommodaties (welke school geeft gymnastiekonderwijs in welk gebouw,
                    wanneer en voor hoeveel uren, en wat is de capaciteit van het gebouw?).</al>
        <al>Op basis van dit inzicht maakt de gemeente jaarlijks een voorstel tot
                    inroostering van het onderwijsgebruik, waarbij indien nodig ook wordt bezien in
                    hoeverre gebruik boven de norm kan plaatsvinden, gegeven de beschikbare
                    capaciteit. Dit voorstel wordt na overleg met de betrokken schoolbesturen
                    vastgesteld.</al>
        <al>De opgaven van het gewenste gebruik, het voorstel tot en het vaststellen van de
                    inroostering vinden relatief kort voor het nieuwe schooljaar plaats. Dit omdat
                    de meeste schoolbesturen over de exacte omvang van het gymnastiekgebruik pas
                    uitspraken kunnen doen wanneer zicht bestaat op de omvang en inzet van de
                    personeelsformatie voor het komende schooljaar.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 40 Indexering</vet>
        </al>
        <al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat de verordening jaarlijks door de
                    raad moet worden gewijzigd, alleen om de in artikel 4 gehanteerde genormeerde
                    vergoedingen aan de prijsontwikkeling aan te passen. Bijlage IV, deel A, waar
                    deze normen hun basis hebben, vormt namelijk - net als de overige bijlagen -
                    onderdeel van de verordening. Door de prijsbijstelling te delegeren aan het
                    college wordt een dergelijke relatief zware procedure via de raad overbodig. Het
                    wettelijk verplichte overleg met het onderwijsveld dat voorafgaat aan
                    wijzigingen van de verordening, kan plaatsvinden door toezending van de
                    voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de mogelijkheid om hierop te
                    reageren.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al>
          <cursief>
            <vet>TOELICHTING Bijlage I</vet>
          </cursief>
          <vet>Algemeen</vet>
        </al>
        <al>De wet geeft in artikel 100 WPO, 98 WEC en 76k WVO expliciet aan op grond
                    waarvan een voorziening kan worden geweigerd. Voor toepassing van de
                    weigeringsgronden dienen deze artikelen nog nader te worden uitgewerkt. Dat
                    gebeurt in deze bijlage door per voorziening de beoordelingscriteria te
                    beschrijven. Ze hebben betrekking op de aanwezigheid van leerlingen, prognoses,
                    oppervlakten/capaciteit van gebouwen, bouwkundige staat van een gebouw
                    enzovoort. De noodzaak van de aangevraagde voorziening(en) - of van mogelijke
                    alternatieve voorzieningen - voor de desbetreffende school wordt vastgesteld op
                    basis van de beoordelingscriteria. Na toepassing van de beoordelingscriteria kan
                    er antwoord worden gegeven op de vraag: 'Is de voorziening noodzakelijk?'</al>
        <al>De noodzaak van een voorziening zal in het algemeen afhangen van:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>de capaciteit van het gebouw of de gebouwen die door de school worden
                            gebruikt;</al></li>
          <li nr=""><al>de (onderhouds)staat van het gebouw of de gebouwen;</al></li>
          <li nr=""><al>het leerlingaantal nu en op korte en/of lange termijn;</al></li>
          <li nr=""><al>de mogelijkheid via andere en eenvoudiger voorzieningen adequaat de
                            noodzaak van de gevraagde voorziening op te heffen.</al></li>
        </lijst>
        <al>Veel voorzieningen vragen een forse investering. Een gebruik gedurende ten
                    minste een bepaalde periode voorkomt dat de investering als desinvestering gaat
                    gelden. De minimaal gewenste termijn van zekerheid over het aantal leerlingen en
                    daarmee het gebruik van de voorziening, is evenredig met de zwaarte van de
                    voorziening in financiële zin. De prognose die wordt gevraagd, dient ertoe het
                    verwachte aantal leerlingen voor een aantal jaren zo nauwkeurig mogelijk te
                    voorspellen.</al>
        <al>Toekenning van huisvestingsvoorzieningen - behalve bij medegebruik, bij
                    constructiefouten en bij vervanging of herstel van schade in geval van
                    bijzondere omstandigheden - kan plaatsvinden, indien volgens de prognose, die
                    voldoet aan de prognosecriteria (in bijlage II), voldoende duidelijkheid bestaat
                    over het voortbestaan van het instituut of de nevenvestiging voor een termijn
                    van minimaal vier jaren.</al>
        <al>Indien de gevraagde voorziening een voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    (nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of aanpassing) betreft, is de termijn
                    voor de prognose in elk geval vijftien jaren te rekenen vanaf het gewenste jaar
                    van bekostiging.</al>
        <al>Voor nieuwbouw en voor uitbreiding kan de voorziening - afhankelijk van de
                    verwachte duur van het gebruik en de mogelijkheden van medegebruik of
                    ingebruikname van een bestaand gebouw - in tijdelijke vorm (noodbouw en
                    dergelijke) of in permanente vorm worden gerealiseerd. Nieuwbouw is slechts aan
                    de orde indien het gaat om een nieuw instituut of om een nieuwe afdeling. In
                    alle andere gevallen gaat het om vervangende bouw, voor het hele instituut of
                    voor een deel daarvan, of om uitbreiding, bijvoorbeeld ter vervanging van een
                    bouwkundig slecht gebouw.</al>
        <al>Indien het huidige leerlingaantal niet kan worden ondergebracht in de school
                    (eventueel gehuisvest in meerdere gebouwen), ontstaat er in principe aanspraak
                    op een voorziening waarmee het tekort aan huisvestingscapaciteit kan worden
                    opgeheven.</al>
        <al>In welke vorm de extra capaciteit voor het desbetreffende instituut ter
                    beschikking komt, hangt af van de mogelijkheden van het college om gebruik te
                    maken van beschikbare capaciteit bij andere scholen. Dit beperkt zich in
                    principe tot de gebouwen in gebruik bij het primair onderwijs en het voortgezet
                    onderwijs. Bij medegebruik is geen langetermijnprognose nodig. Voor inzicht in
                    de periode van medegebruik is wel een indicatie van de duur nodig alsmede
                    inzicht in de eventuele ontwikkeling van de leegstand in het gebouw van de
                    hoofdgebruiker.</al>
        <al>Bij medegebruik van leegstand elders verdient het de voorkeur zoveel mogelijk de
                    leerlingen naar één ander gebouw te verwijzen om te voorkomen dat de school over
                    (te) veel locaties wordt verspreid. Overigens wordt het aantal locaties
                    vrijgelaten.</al>
        <al>De mogelijkheden voor benutting van de beschikbare capaciteit hangen af van de
                    ligging en de geschiktheid van de feitelijke leegstand.</al>
        <al>De verwijsafstand - die de ligging ten opzichte van andere gebouwen aangeeft -
                    is hier vastgelegd door te werken met een vaste straal (een maximale hemelsbrede
                    afstand). Daar waar het verkeer geen verwijzing toelaat, is het aan het
                    aanvragende schoolbestuur daarvoor de argumenten op tafel te leggen.</al>
        <al>De andere mogelijkheid om met de ligging van andere gebouwen rekening te houden,
                    is die van vaststelling van verwijsgebieden. Verwijsgebieden kunnen worden
                    bepaald door te letten op de wijkgebondenheid van scholen. De grenzen van het
                    verwijsgebied moeten - om gemakkelijk een prognose te kunnen maken - samenvallen
                    met de sociaal geografische grenzen. Eventueel kan dit per onderwijssector.
                    Binnen de gebieden kan wel worden verwezen, maar daarbuiten niet.</al>
        <al>Bij het bepalen of leegstand geschikt is kan als uitgangspunt dienen dat
                    onderwijsruimte die niet gedurende de gehele werkweek in gebruik zijn bij de
                    school die (hoofd)gebruiker van het gebouw is, kunnen worden gebruikt door
                    scholen die onvoldoende ruimte hebben in hun eigen huisvesting.</al>
        <al>Voor het primair onderwijs is leegstand binnen het primair onderwijs per
                    definitie geschikt. Voor het voortgezet onderwijs is het moeilijker leegstand
                    vast te stellen. Voor zover ruimte niet is, kunnen zij worden gebruikt door
                    andere scholen.</al>
        <al>Ruimte die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft gerealiseerd en
                    waarvoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten telt niet mee voor de
                    mogelijkheden van medegebruik.. Hieronder vallen dus niet de zogenaamde
                    eigendoms- en huurscholen.</al>
        <al>Medegebruik is voor gemeenten een belangrijk instrument als het gaat om het
                    realiseren van de benodigde doelmatigheid.</al>
        <al>Indien binnen redelijke termijn een ander geschikt gebouw vrijkomt, kan worden
                    bezien of gebruik maken van het vrijkomende gebouw een goede oplossing biedt
                    voor het huisvestingsprobleem. Ervan uitgaande dat door toepassing van een
                    meerjarenplanning samen met de schoolbesturen er optimaal zicht bestaat op het
                    vrijkomen van (onderwijs)gebouwen, kan hergebruik voor andere scholen worden
                    gekoppeld aan de meerjarenplanning. Overigens kan de gemeente in het kader van
                    ander beleid beslissen dat een vrijkomend schoolgebouw niet opnieuw voor
                    onderwijs wordt gebruikt, maar bijvoorbeeld voor kinderopvang gaat dienen of
                    wordt afgebroken opdat aan die plaats een andere bestemming kan worden
                    gegeven.</al>
        <al>De minimaal benodigde gebruiksduur om in aanmerking te kunnen komen voor (extra)
                    huisvesting is in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs hetzelfde. Voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde huisvesting is die periode vijftien jaren.
                    Voor tijdelijke huisvesting is deze periode vier jaren of meer. Voor gebruik van
                    minder dan vier jaren wordt uitgegaan van opvang binnen het bestaande gebouw,
                    bijvoorbeeld in de gemeenschapsruimte. Slechts indien dit onmogelijk is, wordt
                    een andere voorziening goedgekeurd. Daartoe is onder uitbreiding in het
                    basisonderwijs en in het (voortgezet) speciaal onderwijs een
                    beoordelingscriterium opgenomen.</al>
        <al>
          <vet>Deel A Lesgebouwen</vet>
        </al>
        <al>(vervangende) nieuwbouw</al>
        <al>Vervangende bouw komt in het algemeen voort uit de slechte conditie van een
                    gebouw. Om uitspraken te kunnen doen over de (slechte) bouwkundige staat en om
                    verschillen in de bouwkundige toestand van verschillende gebouwen in een
                    volgorde te kunnen plaatsen, is het noodzakelijk één techniek van schouwing voor
                    alle gebouwen te hebben, waaruit subjectieve factoren zo veel mogelijk zijn
                    geëlimineerd. Deze techniek, kan worden vastgesteld door het college.</al>
        <al>Vervangende bouw om andere dan bouwkundige redenen kan betrekking hebben op een
                    budgettair neutrale oplossing, een herschikkingsoperatie of verband houden met
                    ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening.</al>
        <al>Budgettair neutrale vervanging van een gebouw betekent dat daarvoor geen extra
                    kosten worden gemaakt. De kosten voor de gemeente mogen niet hoger zijn dan de
                    huidige kosten. Daarnaast kunnen - in overeenstemming met het aanvragende
                    schoolbestuur - eventuele gelden voor exploitatie, aanpassingen (VO) en
                    onderhoud (VO) van het schoolbestuur worden ingezet.</al>
        <al>Fusies kunnen aanleiding geven tot een herschikkingsoperatie, maar ook
                    bijvoorbeeld een flink overschot aan gymnastiekruimten. Doel van een
                    herschikkingsplan is in elk geval het realiseren van een optimale
                    huisvestingssituatie en een grotere doelmatigheid.</al>
        <al>Bij de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening valt bijvoorbeeld te denken aan
                    stadsvernieuwing en het realiseren van een centrumplan, waarvoor het
                    noodzakelijk is dat het gebouw vervangen wordt.</al>
        <al>Uitbreiding</al>
        <al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas de noodzaak de capaciteit uit te
                    breiden, als ook met een 10% hogere gebruiksduur van de bestaande capaciteit er
                    onvoldoende capaciteit voor de school aanwezig is. De wijze waarop de
                    voorziening - na goedkeuring - wordt gerealiseerd, hangt af van de normering die
                    in bijlage III, deel C, is uitgewerkt.</al>
        <al>Het speellokaal is voor het primair onderwijs als aparte voorziening verdwenen.
                    Wel is in de oppervlaktenormering rekening gehouden met deze vierkante meters
                    brutovloeroppervlakte. Het is aan het schoolbestuur om ervoor te kiezen deze
                    vierkante meters ook in te zetten als speellokaal. Daarbij zal het schoolbestuur
                    zich moeten realiseren dat er voor de leerlingen in deze leeftijdsgroep geen
                    automatische aanspraak bestaat op ruimte in een gymnastiekzaal.</al>
        <al>De mogelijkheid om een speciale school voor basisonderwijs uit te breiden met
                    een speellokaal is het gevolg van de invoering van de WPO. De schoolsoorten
                    so-lom en so-mlk zijn hierdoor opgegaan in de speciale scholen voor
                    basisonderwijs (sbo). Dit geldt ook voor een groot deel van de voormalige
                    afdelingen voor onderwijs aan in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk).
                    Circa 80% van deze afdelingen was verbonden aan een lom- of mlk-school. Aan lom-
                    of mlk-scholen zonder een dergelijke afdeling konden onder de ISOVSO alleen
                    kinderen vanaf zes jaar worden toegelaten. Onder de WPO is dit veranderd.
                    Evenals het geval is bij reguliere basisscholen kunnen tot een sbo kinderen
                    vanaf vier jaar worden toegelaten; dit voorzover de binnen het desbetreffende
                    samenwerkingsverband primair onderwijs werkzame 'permanente commissie
                    leerlingenzorg' heeft vastgesteld dat plaatsing van het jonge kind op een sbo
                    noodzakelijk is. Onder de WPO kan het dan ook voorkomen dat kinderen jonger dan
                    zes jaar worden geplaatst op een sbo die bouwkundig niet is berekend op
                    onderwijs aan de jongste kinderen. Het gaat hierbij om het ontbreken van een
                    speellokaal, maar ook om het realiseren van bouwkundige integratievoorzieningen
                    (het vervangen van hoge toiletpotten door kleine; het maken van een zgn. natte
                    hoek in de ruimten bestemd voor de jongste kinderen.).</al>
        <al>Aangezien het om relatief dure voorzieningen gaat, dient uit oogpunt van een
                    verantwoorde besteding van de middelen een drempel te worden gesteld. Dit om te
                    voorkomen dat de voorzieningen moeten worden getroffen voor een zeer gering
                    aantal leerlingen. Deze drempel bestaat uit twee elementen:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>De sbo moet bezocht worden door minimaal 12 kinderen jonger dan zes
                            jaar. Dit aantal leerlingen is afgeleid van de groepsgrootte zoals die
                            gold voor iobk-leerlingen.</al></li>
          <li nr=""><al>Aan de hand van een prognose moet aannemelijk worden gemaakt dat de sbo
                            waarvoor de voorziening wordt getroffen, voor minimaal 15 jaar
                            levensvatbaar is.</al></li>
        </lijst>
        <al>De gemeente kan bij de toetsing van een aanvraag van een sbo ook nadrukkelijk
                    kijken naar de bepalingen over de opvang van de jonge risico leerlingen in het
                    zorgplan van het samenwerkingsverband wsns. De samenwerkingsverbanden hebben in
                    hun zorgplan namelijk opgenomen waar welke zorg noodzakelijk wordt geacht. In
                    aanvulling hierop kan gemeente over de gebouwlijke consequenties van de WPO
                    afstemming zoeken met de schoolbesturen uit het samenwerkingsverband.</al>
        <al>Ingebruikneming</al>
        <al>Bij mogelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan
                    spelen bij de toekenning, naast de ligging, ook de omvang en de kwaliteit een
                    belangrijke rol. Voor de ligging zij verwezen naar hetgeen hiervoor is gesteld.
                    De omvang maakt een nauwkeurige beoordeling van de noodzakelijke aanpassingen
                    nodig (tenzij het een gebouw betreft dat reeds voor onderwijs geschikt is).
                    Indien de kosten samen met de (eventuele) verwervingskosten te hoog zijn (het
                    ministerie van OCenW hield daarvoor 70 procent van de kosten van nieuwbouw aan),
                    is de vraag gerechtvaardigd of vervangende bouw niet een betere optie is.
                    Natuurlijk staat het de gemeente vrij hiertoe te besluiten (en daarmee af te
                    wijken van dit percentage), bijvoorbeeld in verband met de locatie, het
                    (monumentale) gebouw of het ontbreken van alternatieve mogelijkheden voor
                    huisvesting binnen de wijk. Ook ontstaat hier - evenals bijvoorbeeld bij het
                    bijbouwen van noodlokalen - een onderhandelingssituatie, waarbij alternatieven
                    worden bezien en gewaardeerd.</al>
        <al>Ingebruikneming is ook mogelijk bij de situaties waarbij vervanging van een
                    bestaand gebouw aan de orde is, namelijk als:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>dit per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al></li>
          <li nr=""><al>er sprake is van een herschikkingsoperatie;</al></li>
          <li nr=""><al>dit noodzakelijk is in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                            ordening.</al></li>
        </lijst>
        <al>Daarnaast is een ingebruikneming mogelijk als er uitbreiding van het huidige
                    schoolgebouw aan de orde is.</al>
        <al>Indien terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele toestemming voor een
                    andere huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden.</al>
        <al>In de systematiek van de modelverordening is voor de huisvestingsvoorziening
                    'ingebruikneming' op basis van artikel 7, tweede lid, onder a, een prognose
                    vereist. De toetsing van een prognose komt dan ook tot uiting in de criteria
                    voor de beoordeling van aangevraagde voorziening tot ingebruikneming van een
                    bestaand lesgebouw (zie bijvoorbeeld b1 en b2 van paragraaf 1.4).</al>
        <al>Eerste inrichting</al>
        <al>De aanspraak op eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair in het
                    primair en voortgezet onderwijs is gekoppeld aan de toekenning van een
                    voorziening in de huisvesting met dien verstande dat die voorziening een
                    uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg moet
                    hebben. Daarnaast geldt dat er niet eerder (voor de betreffende vierkante
                    meters) een vergoeding is gegeven voor deze voorziening.Indien artikel 7, vierde
                    lid, van de verordening ook van toepassing is verklaard op eerste inrichting
                    onderwijsleerpakket en meubilair, dan is de passage 'de laatste teldatum
                    voorafgaande aan de indiening van de aanvraag' vervangen door: 'de meest recente
                    teldatum'.</al>
        <al>Aanpassingen</al>
        <al>Aanpassingen komen voort uit gewijzigde eisen of wensen. In elk geval zullen
                    aanpassingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan (nieuwe) wettelijke
                    vereisten (bijvoorbeeld volgend uit het Bouwbesluit of uit de regelgeving op het
                    gebied van de arbeidsomstandigheden) tot toekenningen leiden, voor zover niet in
                    overgangsbepalingen bij dergelijke regelingen een (tijdelijke) vrijstelling is
                    verleend.</al>
        <al>Voor het primair onderwijs zijn de aanpassingen uitgezonderd waarvoor een
                    schoolbestuur rechtstreeks van het rijk een vergoeding ontvangt. Het betreft
                    onder andere het aanbrengen van een gehandicaptentoilet en het geschikt maken
                    van het gebouw voor gehandicapten.</al>
        <al>Onder aanpassing kunnen wel enkele benoemde voorzieningen worden aangevraagd om
                    het gebouw en/of het terrein toegankelijk te maken voor in hun bewegingen
                    beperkte gehandicapten. Het gaat hierbij om het terrein toegankelijk maken tot
                    en met de entree (met name het realiseren van een hellingbaan) en het aanbrengen
                    van een traplift bij een meerlaags schoolgebouw.</al>
        <al>Aanpassingen om een gebouw (vaak de dislocatie) te kunnen afstoten, bestaan uit
                    het aanbrengen van die voorzieningen in het gebouw die niet aanwezig zijn, maar
                    wel aanwezig waren in de dislocatie en die noodzakelijk zijn om het onderwijs
                    aan de leerlingen uit het af te stoten gebouw te kunnen geven. Een
                    integratieverbouwing kan dan bijvoorbeeld bestaan uit:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>samenvoegen van twee lokalen of één lokaal en een aangrenzende ruimte
                            tot speellokaal inclusief berging;</al></li>
          <li nr=""><al>veranderen van leslokalen in werklokalen;</al></li>
          <li nr=""><al>plaatsen van kleutertoiletten en maken toezichtraam;</al></li>
          <li nr=""><al>maken zandbak en buitenberging;</al></li>
          <li nr=""><al>aanpassing deel van de buitenspeelplaats.</al></li>
        </lijst>
        <al>In het primair onderwijs is geen specifieke aanpassing opgenomen die het
                    mogelijk moet maken eenmaal in de levenscyclus van een permanent gebouw voor
                    primair onderwijs te besluiten de inrichting te optimaliseren. Ten eerste is
                    moeilijk een sluitende lijst van activiteiten hiervoor aan te geven en ten
                    tweede bieden de aanpassingen om te voldoen aan eisen voortkomend uit wet- en
                    regelgeving een kapstok om de noodzakelijke aanpassingen te kunnen
                    beoordelen.</al>
        <al>Het kan voorkomen dat kinderen jonger dan zes jaar worden geplaatst op een
                    speciale school voor basisonderwijs (sbo) die bouwkundig niet is berekend op
                    onderwijs aan de jongste kinderen. Het gaat hierbij om het ontbreken van een
                    speellokaal, maar ook om het realiseren van bouwkundige integratievoorzieningen.
                    Onder 1.3.2 wordt de mogelijkheid geboden om een sbo uit te breiden met een
                    speellokaal. Met deze wijziging wordt voorzien in de mogelijkheid om het gebouw
                    geschikt te maken voor kinderen jonger dan 6 jaar. Het gaat hierbij om de
                    volgende aanpassingen: het vervangen van hoge toiletpotten door kleine, het
                    maken van een zgn. natte hoek in de ruimten bestemd voor de jongste kinderen. In
                    het voorkomende geval dient het gebouw hierop te worden aangepast. De hoogte van
                    de noodzakelijke investering is sterk afhankelijk van het gebouw en de
                    noodzakelijke aanpassingen. Gezien de verscheidenheid aan mogelijke aanpassingen
                    is een normvergoeding niet aan te geven; deze aanpassing wordt (net als de
                    overige soorten aanpassingen) bekostigd op basis van de feitelijke kosten.</al>
        <al>Ook hier dient uit oogpunt van een verantwoorde besteding van de middelen een
                    drempel te worden gesteld. Dit om te voorkomen dat de voorzieningen moeten
                    worden getroffen voor een zeer gering aantal leerlingen. De gestelde drempel is
                    vergelijkbaar met de drempel voor het toekennen van een speellokaal aan een
                    sbo.</al>
        <al>Onderhoud</al>
        <al>Onderhoud is conform de wet enkel een voorziening in het primair onderwijs. Ook
                    hier geldt dat door het bevoegd gezag moet worden aangetoond dat het onderhoud
                    noodzakelijk is en dat regulier onderhoud, waarvoor het bevoegd gezag in de
                    materiële instandhouding een vergoeding ontvangt, niet langer volstaat.</al>
        <al>Voordat onderhoud aan noodlokalen of permanente gebouwen wordt toegekend, zal
                    worden nagegaan of de desbetreffende noodlokalen of gebouwen nog noodzakelijk
                    zijn voor in elk geval meer dan vier jaar. Indien de groepen uit de noodlokalen
                    elders in medegebruik kunnen worden ondergebracht, zal voor die optie worden
                    gekozen.</al>
        <al>Herstel van constructiefout</al>
        <al>Bij herstel van constructiefouten is het van (groot) belang daadwerkelijk vast
                    te stellen dat het gaat om een constructiefout. Voor het begrip constructiefout
                    is een 'definitie' geformuleerd, gebaseerd op hierover gevormde jurisprudentie.
                    Uit artikel 2 van de verordening blijkt dat onder constructiefout wordt
                    verstaan: schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf en
                    kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                    onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                    wanprestatie</al>
        <al>Vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden</al>
        <al>Bij bepaling van de omvang van de vervanging of het herstel van schade in geval
                    van bijzondere omstandigheden kan rekening worden gehouden met de situatie van
                    de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school
                    met acht lokalen worden vervangen door een kleiner gebouw met zes lokalen, omdat
                    de school zes groepen leerlingen telt, terwijl uit de prognose blijkt dat het
                    onwaarschijnlijk is dat de school de eerste vijftien jaren meer dan zes groepen
                    zal krijgen. Indien de schade is verzekerd, doet de gemeente er verstandig aan
                    eerst na te gaan op welke basis de verzekeraar tot uitkering
                    overgaat.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Deel B</vet>
        </al>
        <al>Gymnastiekruimten</al>
        <al>Bij de voorzieningen voor de lichamelijke oefening is steeds sprake van
                    gymnastiekruimte. De definitie van gymnastiekruimte omvat niet enkel het
                    traditionele gymnastieklokaal bij het schoolgebouw maar ook het gebruik van de
                    (gemeentelijke) sporthal. De verwijzing strekt zich niet enkel uit over de
                    aanwezige ruimten, maar ook over de ruimten die binnenkort worden gerealiseerd.
                    Zo kan bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk het aanvragende schoolbestuur voor het
                    bewegingsonderwijs worden verwezen naar de sporthal die de gemeente daar op
                    korte termijn gaat bouwen. Op deze wijze kan optimaal gebruik worden gemaakt van
                    de aanwezige ruimte. In feite wordt voorafgaand aan elke beslissing - nieuwbouw,
                    uitbreiding en ingebruikneming - bezien of niet door medegebruik de gevraagde
                    voorziening overbodig is. Overigens laat de praktijk zien dat - zeker in de
                    plattelandsgemeenten - eventueel vervoer naar een verder weg gelegen
                    gymnastiekruimte een goed alternatief kan zijn. Uiteraard is hiervoor overleg
                    met het bevoegd gezag noodzakelijk.</al>
        <al>Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt met gymnastiekruimte tevens
                    bedoeld een lokaal voor motorische therapie en een schoolbad (watergewenningsbad
                    of hydrotherapiebad). Vanzelfsprekend deze laatste twee enkel voor de
                    onderwijssoorten waarvoor een dergelijke ruimte verplicht is.</al>
        <al>Een hydrotherapiebad is noodzakelijk voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs ten behoeve van lichamelijk gehandicapte kinderen en voor een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van meervoudig gehandicapte
                    kinderen met een lichamelijke handicap.</al>
        <al>Een watergewenningsbad is noodzakelijk voor een school voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs ten behoeve van zeer moeilijk lerende kinderen en een school
                    voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van meervoudig gehandicapten
                    met zeer moeilijk lerende kinderen.</al>
        <al>Bij andere vormen van (voortgezet) speciaal onderwijs worden deze baden niet
                    noodzakelijk geacht en komen ze niet voor.</al>
        <al>Om vast te stellen of er daadwerkelijk medegebruik mogelijk is, wordt gekeken
                    naar de klokuurnorm zoals het college die voor het primair onderwijs heeft
                    vastgesteld en naar het rooster. Voor het voortgezet onderwijs is enkel het
                    rooster van belang.</al>
        <al>Het maken van was- en kleedgelegenheden in gymnastiekruimten wordt niet als
                    uitbreiding gezien maar als aanpassing. Dit ondanks het feit dat het maken van
                    deze ruimtes fysiek meestal een uitbreiding van het gebouw tot gevolg
                    heeft.</al>
        <al>Het maken van douches in plaats van wasbakken in gymnastiekruimten behoort ook
                    tot de aanpassingen, met name tot het voldoen aan wet- en regelgeving (eisen met
                    betrekking tot hygiëne).</al>
        <al>Aanvullend meubilair voor het bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting
                    worden verstrekt, wanneer men gaat van een kleine zaal (oefenvloer) naar een
                    grote en wanneer nog niet eerder het complete meubilair is verstrekt.</al>
        <al/>
        <al>
          <vet>
            <cursief>TOELICHTING Bijlage II</cursief>
          </vet>
        </al>
        <al>In veel gevallen moet voor de beoordeling van een aanvraag voor een
                    huisvestingsvoorziening een prognose van leerlingenaantallen te worden overlegd.
                    Prognoses gelden als één van de criteria voor bepaling van de noodzaak van een
                    aangevraagde voorziening. De verordening geeft het college de bevoegdheid nadere
                    regels vast te stellen. Als model is hiertoe in samenwerking met de
                    besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs een uitgewerkt
                    Programma van eisen voor leerlingprognoses opgesteld. In dit programma van eisen
                    is tot op het niveau van de vereiste rekenregels uitgeschreven waaraan nieuwe
                    prognoseprogrammatuur moet voldoen. In het programma van eisen is een
                    beschrijving gegeven van definities, begrippen en formules die per
                    onderwijssoort leiden tot het hanteren van de juiste basisgeneraties en daarmee
                    tot een geprognosticeerd aantal leerlingen van de school.</al>
        <al>Het Programma van eisen voor leerlingprognoses dat in samenwerking met de
                    besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs is opgesteld, is
                    aan gemeenten gezonden als bijlage bij ledenbrief 99/136. Door het vaststellen
                    van dit programma van eisen geeft het college invulling aan de bepaling dat het
                    nadere regels kan stellen. Het programma van eisen dient onderwerp te zijn van
                    het op overeenstemming gericht overleg.</al>
        <al>Door geen prognoseprogrammatuur maar rekenregels vast te stellen, wordt aan de
                    markt overgelaten elke programmatuur in de praktijk voor het prognosticeren van
                    leerlingenaantallen wordt gebruikt.</al>
        <al>
          <cursief>
            <vet>TOELICHTING Bijlage III</vet>
          </cursief>
          <vet>Deel A De bepaling van de capaciteit</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>1. School voor basisonderwijs</vet>
        </al>
        <al>Capaciteit van de gebouwen</al>
        <al>De vaststelling van de capaciteit van de gebouwen, ten behoeve van de nulmeting
                    en later, is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen beoordelen maar
                    ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                    capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd in vierkante meters
                    brutovloeroppervlakte. De eerste keer geschiedt dit in de nulmeting.</al>
        <al>De BVO is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van III-I, de
                    'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
                    schoolgebouwen in het primair onderwijs'.</al>
        <al>Door de bepaling dat het college in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                    school kan bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar beneden
                    wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te
                    zetten binnen het bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan brede schoolfaciliteiten, verhuur aan een
                    kinderopvangorganisatie, ICT-ruimten, een peuterspeelzaal, een uitleenpost van
                    de openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een dergelijke vermindering
                    van de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar komende ruimten kan
                    alleen in overeenstemming met het schoolbestuur worden doorgevoerd.
                    Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen - juridisch eigenaar van het
                    schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun leegstaande lokalen worden
                    ingezet.</al>
        <al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel
                    'eigen gebruik voor medegebruik' veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd
                    optredende - medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school (of
                    ingebruikname als gevolg van de grotere ruimtebehoefte door de
                    groepsgrootteverkleining). Overigens betekent een verlaging van de capaciteit
                    wel dat de school eerder in aanmerking kan komen voor een uitbreiding bij
                    eventuele groei van het aantal leerlingen, of te maken krijgt met een eventuele
                    verwijzing naar leegstaande lokalen elders.</al>
        <al>Rangordebepaling</al>
        <al>Indien de school beschikt over meerdere gebouwen, een hoofdgebouw en
                    dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat het
                    leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en zo
                    ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft
                    vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De
                    dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste gebouwen
                    het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen worden
                    afgestoten dan grotere gebouwen. Er zijn redenen denkbaar om voor een andere
                    rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld een kleinere dislocatie kan structureel
                    voldoende huisvesting bieden en door de rangorde aan te passen kan de grotere
                    dislocatie worden afgestoten. In een dergelijk geval stelt het college, na
                    overleg met het bevoegd gezag, een andere volgorde van de dislocaties vast.</al>
        <al>Terrein</al>
        <al>De terreinoppervlakte in het basisonderwijs wordt voor de eerste keer
                    geregistreerd. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale
                    registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet
                    overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het openbaar
                    onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen en
                    andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een geheel is
                    geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al>
        <al>Inventaris</al>
        <al>De hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat
                    uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Ten aanzien van de inventaris is bepaald dat
                    deze op 1-1-2009 wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor
                    nieuw te realiseren ruimte een aanvraag voor eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair kan worden toegekend.. Als in het verleden voor
                    meer vierkante meters bvo eerste inrichting is toegekend wordt dat
                    vastgelegd.</al>
        <al>Gymnastiekruimten</al>
        <al>De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van
                    een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal klokuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor
                    basisonderwijs kan 40 klokuren worden gebruikt. Een school voor het
                    basisonderwijs kan gezien de schooltijden van de school echter niet meer dan 26
                    klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak
                    maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan
                    behorende bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten
                    behoeve van de betreffende school bepaald door het aantal uren dat deze
                    gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor
                    de klokuren noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een
                    andere school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van
                    de gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden.</al>
        <al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding
                    van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk
                    terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de
                    terreinoppervlakte geregistreerd.</al>
        <al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket
                    en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de
                    invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar
                    medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het
                    meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in
                    gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al>
        <al>
          <vet>2. (Voortgezet) speciaal onderwijs</vet>
        </al>
        <al>Vervallen</al>
        <al>
          <vet>3. Voortgezet onderwijs</vet>
        </al>
        <al>De bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw voor het voortgezet onderwijs
                    wordt bepaald aan de hand van III-2, de 'Meetinstructie voor het vaststellen van
                    de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'.
                    Door de bepaling dat burgemeester en wethouders in overeenstemming met het
                    bevoegd gezag van de school kunnen bepalen dat de capaciteit van het gebouw of
                    de gebouwen naar beneden wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige
                    wijze lokalen/ruimten in te zetten binnen het bredere gemeentelijke
                    (onderwijs)beleid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan brede
                    schoolfaciliteiten, ICT-ruimten, een studiehuis-ruimte, een uitleenpost van de
                    openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een dergelijke vermindering van
                    de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar komende ruimten kan alleen
                    in overeenstemming met het schoolbestuur worden doorgevoerd. Schoolbesturen zijn
                    immers - over het algemeen - juridisch eigenaar van het schoolgebouw en bepalen
                    zelf op welke wijze hun leegstaande lokalen worden ingezet.</al>
        <al>Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel
                    'eigen gebruik voor medegebruik' veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd
                    optredende - medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school. Overigens
                    betekent een verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking
                    kan komen voor een uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of
                    te maken krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen
                    elders.</al>
        <al>Terrein</al>
        <al>De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de registratie in de
                    kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                    niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het
                    openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen
                    en andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een geheel is
                    geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al>
        <al>Inventaris</al>
        <al>De toekenning van inventaris is in het voortgezet onderwijs vanaf de
                    invoeringsdatum van de decentralisatie gekoppeld aan de toekenning van een
                    voorziening in de huisvesting.</al>
        <al>Bij de start van de nieuwe systematiek wordt ervan uitgegaan, dat alle scholen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van inventaris.</al>
        <al>Gymnastieklokalen</al>
        <al>Het gegeven 'aantal gymnastieklokalen in eigendom' heeft de gemeente nodig om
                    bij een aanvraag voor toewijzing van klokuren gymnastiek door een VO-instelling
                    te kunnen beoordelen hoeveel uren de school in de eigen huisvesting kan
                    verzorgen.</al>
        <al>De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege
                    aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van
                    een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van
                    mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in
                    een aantal lesuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor
                    voortgezet onderwijs kan 40 lesuren worden gebruikt. Indien een school aanspraak
                    maakt (kan maken) gedurende een aantal lesuren op het gebruik van een andere
                    gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is de capaciteit van deze
                    gymnastiekruimte het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is
                    gedurende de schooltijden van de school waarvoor de lesuren noodzakelijk zijn.
                    Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair
                    of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een
                    sportaccommodatie beheerd door derden.</al>
        <al>De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is
                    geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen
                    zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de
                    terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de
                    terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat
                    bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de
                    gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een
                    kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de
                    gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding
                    van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk
                    terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de
                    terreinoppervlakte geregistreerd.</al>
        <al>Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt
                    geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                    gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de invulling
                    van het noodzakelijke aantal lesuren gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik
                    van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair
                    niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik
                    gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</al>
        <al>
          <vet>Deel B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>1. School voor (speciaal) basisonderwijs</vet>
        </al>
        <al>Het bepalen van de ruimtebehoefte van een basisschool houdt in dat wordt bezien
                    hoe groot de capaciteitsbehoefte van de desbetreffende school is in relatie tot
                    de eventueel reeds aanwezige capaciteit. De omvang van de noodzakelijke
                    capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt uitgedrukt in vierkante meter
                    brutovloeroppervlakte.</al>
        <al>Voor de scholen in het basisonderwijs gelden in de nieuwe situatie de volgende
                    waarden: een vaste voet van 200 m2 bvo en een bvo per leerling van 5,03 m2.
                    Daarnaast geldt een toeslag als een school (voldoende) ‘gewichtenleerlingen’
                    heeft.</al>
        <al>De huisvestingscomponent van gewichtenkinderen wordt toegekend in de vorm van
                    een toeslag bovenop de m² bvo per leerling die hoort bij reguliere
                    leerlingen.</al>
        <al>Voor de bepaling van de toeslag worden in de nieuwe situatie de volgende stappen
                    doorlopen:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>1. De gewichtensom van de school wordt bepaald;</al></li>
          <li nr=""><al>2. Deze gewichtensom wordt verminderd met 6,0 % van het totaal aantal
                            ongewogen leerlingen;</al></li>
          <li nr=""><al>3. De gewichtensom wordt gemaximeerd op 80 % van het aantal ongewogen
                            leerlingen.</al></li>
        </lijst>
        <al>De toeslag op de ruimtebehoefte bedraagt 1,40 m2 bvo * (gecorrigeerde)
                    gewichtensom. Er wordt geen additionele vaste voet toegekend.</al>
        <al>De aparte normen in de verordening voor het realiseren van een (eerste of
                    tweede) speellokaal in het reguliere basisonderwijs zijn komen te vervallen.
                    Hiermee sluit de verordening (weer) aan op het gewijzigde Bouwbesluit 2003.</al>
        <al>De vierkante meters brutovloeroppervlakte (bvo) zijn echter niet verdwenen. In
                    de waarde van 5,03 m2 bvo per leerling zijn de vierkante meters voor het eerste
                    en tweede speellokaal verwerkt. Op deze manier wordt het schoolbesturen mogelijk
                    gemaakt om de hen ter beschikking staande vierkante meters bvo al dan niet in te
                    zetten als speellokaal.</al>
        <al>De vaste voet staat in de nieuwe methodiek voor voorzieningen die minder of niet
                    afhankelijk zijn van het leerlingenaantal. Voorbeelden hiervan zijn de staf- en
                    dienstruimten, directieruimte, administratie, teamkamer en spreekkamer. Verder
                    de facilitaire ruimten als reprografie, entree en bergingen.</al>
        <al>Voor de scholen voor het speciaal basisonderwijs (SBO) gelden in de nieuwe
                    situatie de volgende waarden: een vaste voet van 250 m2 bvo en een bvo per
                    leerling van 7,35 m2. In de 7,35 m2 bvo per leerling is de (voormalige) extra
                    ruimte bij de 12e groep verwerkt door te lineariseren.</al>
        <al>De ruimte voor een eventueel speellokaal is (in tegenstelling tot het reguliere
                    basisonderwijs) niet meegenomen omdat er voor gekozen is om de
                    ruimtebehoeftesystematiek voor het sbo (en het so) voor wat betreft het
                    speellokaal ongewijzigd te laten (zie paragraaf 2.2.5.6).</al>
        <al>Dat betekent dat indien sprake is van een speellokaal voor een school voor
                    speciaal basisonderwijs, daarvoor als ruimtebehoefte steeds 90 m2 bvo wordt
                    aangehouden.</al>
        <al>
          <vet>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet> Vervallen </al>
        <al>
          <vet>3. School voor voortgezet onderwijs</vet>
        </al>
        <al>Het bepalen van de ruimtebehoefte in het voortgezet onderwijs gaat aan de hand
                    van het ruimtebehoeftemodel. In dit model wordt op basis van een tweetal
                    componenten de ruimtebehoefte bepaald. De ruimtebehoefte is enerzijds
                    afhankelijk van het aantal leerlingen dat de school bezoekt en anderzijds
                    afhankelijk van kenmerken van de school (zoals de aard van de vestiging en het
                    onderwijsaanbod).</al>
        <al>Met behulp van tabel 7.1.a kan op basis van het aantal leerlingen per
                    onderwijssoort de zogenaamde leerlinggebonden component worden bepaald.</al>
        <al>Een voorbeeld: Het Lokale Lyceum</al>
        <table>
          <tgroup cols="6">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <colspec colname="colD"/>
            <colspec colname="colE"/>
            <colspec colname="colF"/>
            <thead>
              <row>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Ruimtesoort</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Leerweg</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Ruimtetype</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>BVO/II</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>aantal II</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>BVO</vet>
                  </al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
          <tgroup cols="6">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <colspec colname="colD"/>
            <colspec colname="colE"/>
            <colspec colname="colF"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>onderbouw</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemene ruimte</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>6,18</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>100</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>618</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>avo/vwo</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemene ruimte</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>5,85</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>200</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1170</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>totaal</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>Algemene ruimte</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>300</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>1788</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Daarna wordt de vaste voet van de instelling berekend aan de hand van tabel
                    7.1.b.</al>
        <al>De school uit het voorbeeld, Het Lokale Lyceum is een hoofdvestiging en heeft
                    geen afdeling waarin de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden. De vaste voet
                    van Het Lokale Lyceum bedraagt dus 980 vierkante meter Algemene Ruimte. Het
                    totale ruimtebeslag van Het Lokale Lyceum komt dus op 2768 m² bruto
                    vloeroppervlakte Algemene Ruimte.</al>
        <al>Een school komt in aanmerking voor een vaste voet per afdeling als op deze
                    school de beroepsgerichte leerweg voor deze afdeling wordt aangeboden.
                    Uitgangspunt daarbij is dat de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg wordt
                    aangeboden zo veel mogelijk wordt gefaciliteerd ten behoeve van het
                    beroepsgericht onderwijs. Pas als op de instelling de beroepsgerichte leerweg
                    van een bepaalde afdeling of sector wordt aangeboden, mag voor die afdeling of
                    sector ook de leerwegondersteunende of de gemengde leerweg worden
                    aangeboden.</al>
        <al>
          <vet>Deel C De bepaling van de omvang van de toekenning</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>1. School voor basisonderwijs</vet>
        </al>
        <al>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al>
        <al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal vierkante meter zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor
                    permanente voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                    huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                    capaciteitsvermeerdering.</al>
        <al>De omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal
                    vierkante meter bvo zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor
                    permanente voorzieningen. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw
                    volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al>
        <al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal vierkante meter bvo
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal vierkante meter bvo waarvoor
                    huisvesting aanwezig is.</al>
        <al>Zowel voor uitbreiding, ingebruikneming als medegebruik geldt in het primair
                    onderwijs een drempelwaarde van 55 m² bvo. Pas wanneer deze drempel overschreden
                    is, ontstaat aanspraak op een van de bovengenoemde voorzieningen.</al>
        <al>Voor het speciaal basisonderwijs geldt in de bovengenoemde gevallen een
                    drempelwaarde van 50 m² bvo.</al>
        <al>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al>
        <al>De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                    aantal vierkante meter bvo zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor
                    tijdelijke voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare
                    huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                    capaciteitsvermeerdering.</al>
        <al>De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal vierkante meterbvo
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal vierkante meter bvo waarvoor
                    huisvesting aanwezig is.</al>
        <al>De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal
                    vierkante meter bvo waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in
                    verhouding tot de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden
                    van medegebruik aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden
                    verwezen.</al>
        <al>Zowel voor uitbreiding, ingebruikneming als medegebruik van voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen geldt in het primair onderwijs een drempelwaarde
                    van 40 m² bvo. Pas wanneer deze drempel overschreden is, ontstaat aanspraak op
                    een van de bovengenoemde voorzieningen.</al>
        <al>Voor het speciaal basisonderwijs geldt in de bovengenoemde gevallen een
                    drempelwaarde van 40 m² bvo.</al>
        <al>Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al>
        <al>De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III, deel D,
                    gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen.
                    De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang van de
                    terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw.</al>
        <al>De voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair is
                    rechtstreeks gekoppeld aan de toekenning van voorzieningen in de huisvesting,
                    die een vergroting van de totale capaciteit tot gevolg hebben.</al>
        <al>De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die strikt
                    noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van onderwijs.
                    Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor bekostiging in aanmerking komen
                    die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het geven van onderwijs niet
                    overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn omdat een gebouw in gebruik
                    wordt genomen. of omdat de capaciteit van het gebouw van een school voor
                    speciaal basisonderwijs moet worden vergroot voor het creëren van een extra
                    speellokaal. Activiteiten die noodzakelijk zijn als gevolg van specifieke wet-
                    en regelgeving kunnen eveneens voor bekostiging in aanmerking komen. Als een
                    oliegestookte verwarmingsinstallatie moet worden vervangen door een gasgestookte
                    installatie komen de meerkosten ten opzichte van het vervangen van een
                    gasgestookte installatie door een gasgestookte installatie voor bekostiging in
                    aanmerking. De meerkosten zullen in de meeste gevallen betrekking hebben op de
                    noodzakelijke verplaatsing van de installatie.</al>
        <al>De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die noodzakelijk
                    zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn omschreven in het
                    overzicht 'onderhoud primair onderwijs', door de vervanging van de
                    binnenkozijnen en binnendeuren of door de vervanging van radiatoren, convectoren
                    en leidingen voor de centrale verwarming of door het totaal van verschillende
                    van deze activiteiten.</al>
        <al>
          <vet>2. School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet>
        </al>
        <al>Vervallen</al>
        <al>
          <vet>3. School voor voortgezet onderwijs</vet>
        </al>
        <al>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al>
        <al>De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald met
                    behulp van het Ruimtebehoeftemodel, dat staat beschreven in deel B van deze
                    bijlage en het bijbehorende gedeelte van de toelichting.</al>
        <al>In de toekenningscriteria (Bijlage I) is bepaald, dat voor de beoordeling of een
                    instelling voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening in aanmerking
                    komt de beschikbare capaciteit met tien procent wordt verhoogd. Vervolgens wordt
                    bezien of de ruimtebehoefte op basis van de leerlingprognose voor langer dan
                    vijftien jaar deze verhoogde capaciteit overschrijdt.</al>
        <al>Indien zulks het geval is wordt de omvang van de voorziening bepaald door
                    vaststelling van het verschil tussen de werkelijk beschikbare capaciteit (100%)
                    en de uitkomst van het ruimtebehoeftemodel (tabellen 7.1.a en 7.1.b).</al>
        <al>Met behulp van het RBM kan geen normatief lokalenplan worden opgesteld. Om te
                    bepalen wat de leegstand binnen de onderwijsruimten is, zal een toets moeten
                    plaatsvinden of er binnen het huidige lesrooster sprake is van onderbezetting.
                    In geval van medegebruik door een andere school voor voortgezet onderwijs moet
                    bekeken worden of de lesroosters van de scholen zo op elkaar kunnen worden
                    afgestemd dat overschotten en tekorten elkaar opheffen. In geval van medegebruik
                    door een school voor primair onderwijs zal gekeken moeten worden of binnen het
                    lesrooster een of meer lokalen leeggeroosterd kunnen worden.</al>
        <al>Het lesrooster en het feitelijke lokalenplan zijn bepalend bij de bepaling van
                    de leegstand. Het is nu van belang om enerzijds te toetsen of het lesrooster
                    redelijk is. Is het aantal ingeroosterde lessen bijvoorbeeld niet hoog in
                    verhouding tot het aantal leerlingen? Aan de hand van een aantal criteria kan
                    het lesrooster getoetst worden, bijvoorbeeld dat het gemiddeld aantal lessen in
                    de week niet boven de 29 uur uitkomt en dat een theorielokaal minimaal voor 32
                    uur in de week ingeroosterd kan worden. Aan de hand van het lokalenplan (bij
                    voorkeur een plattegrond van de school) kan bepaald worden of alle lokalen wel
                    ingeroosterd zijn of waarom in bepaalde lokalen de bezetting maximaal 16 is in
                    plaats van 26 leerlingen.</al>
        <al>Om nu te bezien of het feitelijk lesrooster redelijk is, in verhouding tot de
                    bepaling van de ruimtebehoefte van de instelling, wordt het aan de hand van de
                    volgende criteria getoetst:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>aantal lessen per week komt niet boven de 29 lesuur per week (excl.
                            gym);</al></li>
          <li nr=""><al>het aantal lessen lichamelijke oefening komt niet boven de 3 lesuur per
                            week;</al></li>
          <li nr=""><al>de gemiddelde groepsgrootte is 26 leerlingen. Uitzondering vormen het
                            praktijkonderwijs (14 leerlingen en het leerwegondersteunend onderwijs
                            16 leerlingen);</al></li>
          <li nr=""><al>het normatieve gebruik per week ligt voor algemene ruimten op 32 uur per
                            week. Voor specifieke lokalen en werkplaatsen ligt het normatieve
                            gebruik op 24 uur per week;</al></li>
          <li nr=""><al>gemiddeld past een hele groep (klas) in een onderwijsruimte. Alleen
                            ruimten voor machinale houtbewerking en de lasserij zijn geschikt voor
                            maximaal 8 leerlingen;</al></li>
          <li nr=""><al>een lesuur duurt 50 minuten. Wordt uitgegaan van lesuren van 45 minuten
                            dan wordt het aantal lessen per week naar rato verhoogd.</al></li>
        </lijst>
        <al>Voor de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming, medegebruik en verplaatsing van noodlokalen wordt de
                    beschikbare capaciteit verhoogd met tien procent.</al>
        <al>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al>
        <al>Met behulp van het Ruimtebehoeftemodel (tabel 7.1) wordt op basis van het
                    leerlingenaantal, dat voortvloeit uit de leerlingprognose voor een periode
                    langer dan vier jaar en korter dan vijftien jaar de ruimtebehoefte bepaald.
                    Vergelijking van deze ruimtebehoefte met de met tien procent verhoogde
                    beschikbare capaciteit geeft als resultaat de omvang van de goedgekeurde
                    tijdelijke voorziening, uitgedrukt in m² bruto vloeroppervlakte.</al>
        <al>Voor tijdelijke voorzieningen wordt deze oppervlakte niet naar lokaalsoort
                    toegedeeld. De toekenning vindt plaats op het niveau bruto m²'s lesruimte per
                    instelling. Als drempel voor toekenning wordt 1 lokaal gehanteerd, dat wil
                    zeggen dat het geconstateerde ruimtetekort minimaal 100 m² bruto moet bedragen
                    om voor toekenning van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in
                    aanmerking te komen.</al>
        <al>Voor de bepaling van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming, medegebruik en verplaatsing van noodlokalen wordt de
                    beschikbare capaciteit verhoogd met tien procent.</al>
        <al>Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</al>
        <al>De voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen is rechtstreeks
                    gekoppeld aan de toekenning van voorzieningen in de huisvesting, die een
                    vergroting van de totale capaciteit tot gevolg hebben (zie ook bijlage I,
                    paragraaf 3.7).</al>
        <al>Gymnastiekruimten</al>
        <al>De bepaling van de omvang van de verschillende voorzieningen in de huisvesting,
                    die gymnastiekruimte betreffen, verloopt, onder toepassing van het
                    Ruimtebehoeftemodel, analoog aan de bepaling van de omvang van toekenningen voor
                    lesgebouwen.</al>
        <al>Voor de bepaling van het aantal in medegebruik te geven lessen gymnastiek is het
                    lesrooster maatgevend. Het maximale aantal lestijden gymnastiek kan met de in
                    paragraaf 3.4 gegeven formule worden berekend.</al>
        <al>
          <vet>Deel D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</vet>
        </al>
        <al>De wet geeft de opdracht aan gemeenten om in de verordening bepalingen op te
                    nemen met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen. In de
                    modelverordening is gekozen voor een beperkt aantal bepalingen. Enerzijds omdat
                    op die wijze de autonomie van een schoolbestuur zo groot mogelijk is, anderzijds
                    omdat het Bouwbesluit reeds een aantal centrale eisen aan schoolgebouwen gesteld
                    stelt.</al>
        <al>Ook de minister van OCenW heeft, door middel van een Algemene maatregel van
                    bestuur, enkele minimale oppervlakte-eisen gesteld. Deze betreffen echter niet
                    de specifieke ruimten, maar het totale gebouw, dan wel alle bij een school in
                    gebruik zijnde gebouwen. Deze normen zijn gepubliceerd in het Uitvoeringsbesluit
                    voorzieningen in de huisvesting PO/VO (Stb. 1997, 125).</al>
        <al>In aanvulling op de centrale eisen bepaalt de modelverordening alleen iets over
                    de oppervlakte en de indeling uit het oogpunt van functionaliteit van ruimten,
                    met name in verband met de mogelijkheden voor
                            medegebruik.<vet><cursief>TOELICHTING BIJLAGE
                            IV</cursief></vet></al>
        <al>In deze bijlage is de systematiek opgenomen op basis waarvan toegekende
                    voorzieningen worden bekostigd. De bijlage valt uiteen in twee mogelijke
                    vergoedingsmethoden, namelijk:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>vergoeding op basis van normbedragen (deel A);</al></li>
          <li nr=""><al>vergoeding op basis van feitelijke kosten (deel B).</al></li>
        </lijst>
        <al>In deel C is vervolgens de systematiek weergegeven op basis waarvan
                    medegebruikstarieven kunnen worden vastgesteld.</al>
        <al>De keuze tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis van
                    feitelijke kosten dient vooraf te worden vastgelegd in artikel 4 van de
                    verordening. In deze modelverordening zijn zoveel mogelijk vergoedingen
                    genormeerd. Slechts indien normering niet mogelijk is, dan wel tot irreële
                    uitkomsten leidt, is afgezien van normering. Afhankelijk van de lokale situatie
                    kan de keuze tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis
                    van feitelijke kosten een andere zijn.</al>
        <al>
          <vet>Deel A Vergoeding op basis van normbedragen</vet>
        </al>
        <al>Procentuele normvergoeding voor bouwvoorbereiding</al>
        <al>In de artikelen 3, 4 en 25 t/m 28 van de modelverordening is een aantal regels
                    gegeven voor het toekennen van een vergoeding voor bouwvoorbereiding. In de
                    toelichting bij deze artikelen is aangegeven dat de vergoeding voor
                    bouwvoorbereiding is opgenomen in de genormeerde bedragen in Deel A van Bijlage
                    IV. Dit betekent dat, indien een genormeerde vergoeding voor bouwvoorbereiding
                    (uitgedrukt in een percentage van de bouwkosten) wordt verstrekt, deze
                    vergoeding in mindering moet worden gebracht op de genormeerde vergoeding voor
                    de uiteindelijke realisering van de voorziening. Het hiervoor genoemde
                    percentage is gebaseerd op de veronderstelling dat de aanvrager de bouw
                    voorbereidt tot aan het moment van aanbesteding (dus inclusief de opstelling van
                    het bestek, bouwvoorbereidingstekeningen en de begroting).</al>
        <al>
          <vet>1 School voor basisonderwijs</vet>
        </al>
        <al>In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke
                    voorziening, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair, onderhoud en
                    gymnastiek genormeerde bedragen opgenomen.</al>
        <al>Nieuwbouw/uitbreiding</al>
        <al>Voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw is zoveel mogelijk
                    genormeerd op een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. Hiernaast
                    kunnen, afhankelijk van de beoordeling, toeslagen worden gegeven voor de
                    inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal (in het geval van
                    een school voor speciaal basisonderwijs) en verhuiskosten. Kosten voor de
                    verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met de
                    ligging sterk kunnen variëren.</al>
        <al>Tijdelijke voorziening</al>
        <al>Een tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van
                    noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door
                    middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging
                    tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte
                    gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol
                    spelen.</al>
        <al>Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen
                    tijdelijke lokalen als eerste voorziening (nieuwbouw), het uitbreiden van een
                    permanent hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen en uitbreiding van een
                    bestaande noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen als eerste voorziening is er
                    geen permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er extra kosten gemaakt moeten worden
                    voor het realiseren van voorzieningen als directieruimten, lerarenkamer,
                    conciërgeruimte en dergelijke . Indien tijdelijke voorziening voor een kortere
                    periode nodig is, kan het aantrekkelijk zijn om in plaats van een
                    investeringsvergoeding voor een noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de
                    huurvergoeding kan een schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een
                    bestaand gebouw huren. Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke
                    huurprijs vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al>
        <al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al>
        <al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². Deze normbedragen zijn
                    investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m². Bij uitbreiding wordt
                    het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding. Voor alle
                    duidelijkheid: het basisbedrag wordt dus niet bij elke uitbreiding
                    toegekend.</al>
        <al>Gymnastiek</al>
        <al>De vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en
                    uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie en eerste inrichting met
                    onderwijsleerpakket/meubilair. De bedragen voor de klokuurvergoeding (materiële
                    exploitatie), welke van toepassing zijn bij gebruik van een 'eigen'
                    gymnastiekzaal en bij medegebruik/huur van een gymnastiekaccommodatie zijn
                    opgenomen in de modelbeleidsregel bekostiging gymnastiekruimte.<vet>2
                    </vet></al>
        <al>
          <vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet>
        </al>
        <al>Vervallen</al>
        <al>
          <vet>3 Voortgezet onderwijs</vet>
        </al>
        <al>In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke
                    voorziening, eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair en gymnastiek
                    genormeerde bedragen opgenomen.</al>
        <al>Nieuwbouw/uitbreiding</al>
        <al>De kosten voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw zijn
                    genormeerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ruimte-afhankelijke kosten
                    (lokaalspecifiek) en sectie-afhankelijke kosten (sectie-specifiek). Hiernaast
                    kan, afhankelijk van de beoordeling, een vergoeding voor aanvullende normkosten
                    (fundering en bemaling) worden gegeven. Kosten voor de verwerving van een
                    terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met de ligging sterk kunnen
                    variëren.</al>
        <al>Om de normvergoeding van de investeringskosten te kunnen berekenen is het
                    noodzakelijk te weten met hoeveel vierkante meters BVO de verschillende
                    ruimtesoorten moeten worden uitgebreid of teruggebracht. Het huidige gebouw zal
                    daarom eerst moeten worden opgemeten. Dit kan in drie stappen gebeuren:</al>
        <al>1. 1 Opmeten van de netto vierkante meters van de specifieke ruimten. Door
                    vermenigvuldiging van de netto vierkante meters van deze ruimten met de
                    bruto/netto factor van 1,67 wordt de BVO van deze ruimten verkregen.</al>
        <al>2. 2 Opmeten van de netto vierkante meters van de werkplaatsen. Ter verkrijging
                    van de BVO van deze werkplaatsen kunnen deze netto vierkante meters worden
                    vermenigvuldigd met de bruto/netto factor van 1,38.</al>
        <al>3. 3 De vierkante meters BVO van de algemene ruimte zijn nu: BVO van het gebouw
                    minus BVO specifieke ruimten en BVO werkplaatsen. Oftewel:</al>
        <al>BVO</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>Bestaande BVO totaal</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>... m²</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>BVO specifieke ruimte (netto m² x 1,67)</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>.. m²</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>BVO werkplaatsen consumptief (netto m² x 1,38)</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>... m²</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>= Algemene ruimte</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>... m²</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Het tekort of overschot per ruimtesoort wordt daarop vermenigvuldigd met het
                    bedrag per vierkante meter BVO. Door sommering van deze positieve en negatieve
                    bedragen wordt het totaal bedrag aan normvergoeding voor
                    investeringskosten/inventaris verkregen. Dit bedrag per vierkante meter BVO
                    verschilt overigens per omvang van de goed te keuren uitbreiding of nieuwbouw
                    (zie deel A, 3.1 van bijlage IV).</al>
        <al>Bij het in de vorige alinea berekende bedrag moeten vervolgens ook nog de
                    vergoedingen voor de sectie-afhankelijke en de aanvullende kosten worden
                    opgeteld.</al>
        <al>Tijdelijke voorziening</al>
        <al>Tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van
                    noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door
                    middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging
                    tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte
                    gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol
                    spelen.</al>
        <al>Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt geen onderscheid gemaakt tussen
                    nieuwbouw van tijdelijke lokalen als eerste voorziening en uitbreiding van een
                    bestaande noodaccommodatie. Met de op basis van bijlage III goedgekeurde
                    oppervlakte kan door middel van de formule het investeringsbedrag worden
                    berekend. Dit investeringsbedrag omvat tevens alle bijkomende kosten, zoals
                    eventuele kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en
                    dergelijke.</al>
        <al>Indien een tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het
                    aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een
                    noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een
                    schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw huren.
                    Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke huurprijs vergoed (zie deel
                    B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al>
        <al>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</al>
        <al>De normvergoeding voor inventaris wordt berekend door het tekort of overschot
                    per ruimtesoort te vermenigvuldigen met het normatieve bedrag per m² wat voor
                    deze ruimten is opgenomen. Hierbij gaat de vergelijking echter iets verder:</al>
        <al>Bestaande BVO totaal ... m²</al>
        <al>- BVO specifieke ruimte Handel/verkoop administratie (netto m² x 1,67) ...
                    m²</al>
        <al>- BVO specifieke ruimte (uiterlijke) verzorging/mode en commercie ... m² (netto
                    m² x 1,67)</al>
        <al>- BVO werkplaatsen Techniek Algemeen (netto m² x 1,38) ... m²</al>
        <al>- BVO werkplaatsen Grafische Techniek (netto m² x 1,38) ... m²</al>
        <al>- BVO werkplaatsen Landbouw (netto m² x 1,38) ... m²</al>
        <al>- BVO werkplaatsen AMVB (netto m² x 1,67) ... m²</al>
        <al>- BVO werkplaatsen consumptief (netto m² x 1,38) ... m²</al>
        <al>= Algemene ruimte ... m²</al>
        <al>Het bovenstaande betekent voor inventaris dat als een school goedkope ruimte
                    moet ombouwen voor dure ruimte, het verschil in inventariskosten wordt
                    gecompenseerd. Dit kan gebeuren als algemene ruimte verbouwd wordt tot
                    werkplaats of specifieke ruimte. Andersom kan ook voorkomen, dat de school
                    gekort wordt op het bedrag voor inventaris als werkplaatsen of specifieke ruimte
                    wordt verbouwd tot algemene ruimte. Bij dit laatste kan het in uitzonderlijke
                    gevallen voorkomen dat het totaalbedrag negatief wordt. In dit uitzonderlijke
                    geval wordt het bedrag voor inventaris op nul gezet.</al>
        <al>Gymnastiek</al>
        <al>Voor gymnastiek wordt een aparte vergelijking gemaakt tussen het aantal gymzalen
                    waar normatief recht op bestaat en het aantal aanwezige zalen. Bij uitbreiding
                    van een oefenvloer tot 252 m² kan het normbedrag aan
                    inventaris/investeringskosten worden berekend door:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>vermenigvuldiging van de netto m² met 1,3 tot BVO;</al></li>
          <li nr=""><al>door vermenigvuldiging van deze BVO met het aantal normbedrag per
                            vierkante meter voor inventaris/investeringskosten.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>4 Indexering</vet>
        </al>
        <al>Op grond van artikel 102, derde lid WPO; artikel 100, derde lid WEC en artikel
                    76m, derde lid WVO, is de gemeente verplicht normen vast te stellen aan de hand
                    waarvan bedragen kunnen worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in
                    de huisvesting. Een aantal voorzieningen, zoals aanpassing en onderhoud, zal
                    worden bekostigd nadat een offerte is uitgebracht en beoordeeld. Deze
                    voorzieningen zijn gezien de enorme verscheidenheid niet of nauwelijks zinvol te
                    normeren. Voorzieningen als nieuwbouw en uitbreiding kunnen op basis van
                    normbedragen worden bekostigd. De vastgestelde normbedragen zullen jaarlijks
                    moeten worden aangepast aan het geldende prijspeil.</al>
        <al>Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een
                    actueel prijspeil gebracht.</al>
        <al>Ten behoeve van bijvoorbeeld de begrotingsvoorbereiding kan dan worden uitgegaan
                    van vaststaande cijfers in het volgende jaar door met behulp van zogenaamde
                    MEV-cijfers het prijspeil voor een volgend jaar te prognosticeren. Door deze
                    methodiek van toepassing te verklaren, liggen de vergoedingen voor de
                    voorzieningen vast.. Jaarlijks wordt het prijsniveau gepubliceerd van het
                    daaropvolgende jaar. Voor iedere volgende prijsbijstelling zal het gepubliceerde
                    prijsniveau eerst moeten worden herleid naar het werkelijk prijspeil, dus een
                    'terugcorrectie' met het MEV-cijfer.</al>
        <al>De keuze van indexcijfer is vrij. Het is echter wel van belang deze keuze in de
                    verordening vast te leggen.</al>
        <al>De vaststelling van de index is jaarlijks. De vaststelling kan tegelijkertijd
                    plaatsvinden met de vaststelling van het programma en het overzicht. Gezien het
                    tijdstip van vaststellen van het programma en het overzicht kan zonder problemen
                    ook het MEV-cijfer worden gehanteerd omdat dit cijfer definitief bekend wordt
                    gemaakt op de derde dinsdag in september.</al>
        <al>Een alternatief voor het hanteren van de MEV-cijfers is het gebruik maken van
                    een inflatiecomponent zoals deze wordt gehanteerd ten behoeve van de
                    gemeentebegroting; ook kan het percentage waarmee het Gemeentefonds wordt
                    aangepast van toepassing worden verklaard bij de bijstelling van de
                    normbedragen.</al>
        <al>
          <vet>Deel B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet>
        </al>
        <al>In deze modelverordening is getracht zoveel mogelijk vergoedingen te normeren
                    (deel A). Voor een beperkt aantal voorzieningen is echter geen genormeerde
                    vergoeding opgenomen. Deze voorzieningen dienen derhalve op basis van feitelijke
                    kosten te worden vergoed. Uiteraard kan op lokaal niveau een andere scheiding
                    tussen de genormeerde vergoeding en vergoeding op basis van feitelijke kosten
                    worden gemaakt. Deze keuze dient echter wel vastgelegd te worden in artikel 4
                    van de verordening.</al>
        <al>In aanvulling op deel A is vergoeding op basis van feitelijke kosten, volgens
                    deze modelverordening, van toepassing op de volgende voorzieningen:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>verplaatsing van noodlokalen c.q. sloop van noodlokalen;</al></li>
          <li nr=""><al>nieuwbouw van een bad voor watergewenning of bewegingstherapie
                            (V)SO;</al></li>
          <li nr=""><al>aanpassingen aan gebouwen (in het primair en speciaal onderwijs);</al></li>
          <li nr=""><al>onderhoud aan gebouwen (in het primair en speciaal onderwijs);</al></li>
          <li nr=""><al>herstel van constructiefouten;</al></li>
          <li nr=""><al>herstel van schade;</al></li>
          <li nr=""><al>kosten van bouwvoorbereiding; alsmede</al></li>
          <li nr=""><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw;</al></li>
          <li nr=""><al>aankoop van terreinen;</al></li>
          <li nr=""><al>huur van gymnastiekruimten van derden;</al></li>
          <li nr=""><al>huur van bestaande gebouwen.</al></li>
        </lijst>
        <al>Bij vergoeding op basis van feitelijke kosten zijn de aanbestedingsregels, zoals
                    vastgelegd in deze verordening, van toepassing. Dit geldt uiteraard niet voor
                    aankoop c.q. huur van gebouwen en terreinen. Voor deze voorzieningen worden de
                    overeengekomen aankoop- of huurprijs vergoed.</al>
        <al>Procedure vergoeding op basis van feitelijke kosten</al>
        <al>Vergoeding op basis van feitelijke kosten betekent dat de hoogte van de
                    vergoeding wordt gebaseerd op de daadwerkelijke geoffreerde prijs van de uit te
                    voeren voorziening. Omdat offertes over het algemeen een beperkte
                    geldigheidsduur hebben moet in de procedure voor de vaststelling van het
                    programma worden gewerkt met een kostenraming. In eerste instantie dient de
                    aanvrager deze kostenraming bij de aanvraag te voegen. Ten behoeve van de
                    vaststelling van het bedrag en het programma wordt deze kostenraming beoordeeld
                    en zonodig door de gemeente bijgesteld c.q. geactualiseerd. Dit bedrag wordt na
                    vaststelling van het programma in de beschikking voor de aanvrager vermeld. Dit
                    bedrag is echter geen taakstellend budget (er kunnen derhalve geen rechten aan
                    worden ontleend). De daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt bepaald aan
                    de hand van de laagste geoffreerde prijs. Dat kan derhalve leiden tot meer- of
                    minderkosten ten opzichte van de raming. Deze meer- of minderkosten hebben geen
                    invloed meer op de voorzieningen, die op het reeds vastgestelde programma en
                    overzicht zijn geplaatst.</al>
        <al>Aanbestedingsregels</al>
        <al>Het schoolbestuur is bij de realisering van de diverse
                    onderwijshuisvestingsvoorzieningen bouwheer, tenzij schoolbestuur en college
                    anders overeenkomen. Dit vloeit voort uit de diverse onderwijswetten (artikel
                    103 van de Wet op het Primair Onderwijs, artikel 101 van de Wet op de
                    Expertisecentra en artikel 76n. van de Wet op het Voortgezet Onderwijs).</al>
        <al>Hieruit vloeit voort dat als het schoolbestuur als bouwheer optreedt, het ook de
                    aanbesteding regelt en zich dient te houden aan de van toepassing zijnde
                    aanbestedingsregels.</al>
        <al>Type voorziening van belang bij aanbesteding</al>
        <al>Voor wat betreft de aanbesteding maakt de (model-) verordening voorzieningen
                    huisvesting onderwijs onderscheid tussen onderwijshuisvestingsvoorzieningen die
                    worden vergoed op basis van normbedragen en voorzieningen die worden vergoed op
                    basis van feitelijke kosten (artikel 4 van de (model-) verordening).</al>
        <al>Vergoeding op basis van feitelijke kosten</al>
        <al>Aangezien de daadwerkelijke hoogte van de vergoeding van dit type voorzieningen
                    wordt gebaseerd op de laagst geoffreerde prijs is het van belang dat het vragen
                    van offertes door middel van een aanbestedingsprocedure op zeer zorgvuldige
                    wijze gebeurt. Alhoewel het schoolbestuur in principe bouwheer is, mag de
                    gemeente, met het oog op de gewenste zorgvuldigheid en de prijsvorming, eisen
                    stellen aan de te volgen aanbestedingsprocedure. In het overleg tussen aanvrager
                    en gemeente ingevolge artikel 15 van de (model-) verordening worden nadere
                    afspraken gemaakt over de te volgen aanbestedingsprocedure.</al>
        <al>Als uitgangspunt hierbij geldt dat op basis van het vastgestelde gemeentelijk
                    beleid wordt bepaald op welke wijze een opdracht wordt aanbesteed, tenzij het
                    college na overleg anders beslist. Indien de omvang van een opdracht of contract
                    boven een bepaald drempelbedrag uitkomt, worden ingevolge het Besluit
                    overheidsaanbestedingen de richtlijnen van de Europese Unie (2004/18/EG)
                    toegepast.</al>
        <al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen uit het
                    Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing.</al>
        <al>Vergoeding op basis van normbedragen</al>
        <al>Voor voorzieningen die op basis van een normbedrag worden vergoed, geldt het
                    gestelde in Bijlage IV, Deel B in mindere mate. De reden hiervoor is het feit
                    dat het normbedrag gezien moet worden als een voor het schoolbestuur
                    taakstellend budget, waarbinnen de voorziening moet worden gerealiseerd.
                    Daardoor is het financiële risico voor de gemeente beperkter.</al>
        <al>Desondanks is het schoolbestuur voor wat betreft de besteding van het normbedrag
                    ook voor dit type voorzieningen gebonden aan de bepalingen in het eerder
                    genoemde Besluit overheidsaanbestedingen. Een schoolbestuur wordt namelijk
                    aangemerkt als een ‘publiekrechtelijke instelling’. De reden hiervoor is dat het
                    gaat om de inzet van publieke middelen.</al>
        <al>Zowel voor voorzieningen die beschikbaar worden gesteld op basis van
                    normbedragen als voorzieningen op basis van feitelijke kosten gelden de van
                    toepassing zijnde aanbestedingsregelgeving. Voor de laatstgenoemde categorie
                    gaat de betrokkenheid van de gemeente verder omdat het financiële risico daar
                    groter is. Het is zaak om hierover in het uitvoeringsoverleg ingevolge artikel
                    15 van de modelverordening vooraf goede afspraken te maken.</al>
        <al>
          <vet>Deel C Bepaling medegebruikstarieven</vet>
        </al>
        <al>Medegebruik is in eerste instantie de competentie van de schoolbesturen. Indien
                    medegebruik plaatsvindt maken de schoolbesturen onderling afspraken over een
                    aantal zaken, waaronder de vergoeding die de medegebruikende school aan de
                    eigenaar geeft. Mocht hierover geen overeenstemming ontstaan, kan de gemeente de
                    hoogte van de vergoeding bepalen.</al>
        <al>Het medegebruikstarief voorziet in een vergoeding voor de gebouwafhankelijke
                    kosten, zoals gas, water, licht en dergelijke. In het bekostigingsstelsel voor
                    de materiële instandhouding voor het basisonderwijs is dit bedrag vormgegeven in
                    het bedrag dat voor elke groep meer dan zes groepen ter beschikking wordt
                    gesteld. Dit bedrag is tevens van toepassing voor medegebruik in het
                    (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs.</al>
        <al>Voor 2008 was de vergoeding € 4.285,- (zie PvE 2004,
                        www.cfi.nl)<vet><cursief>TOELICHTING BIJLAGE
                            V</cursief></vet></al>
        <al>Voor de vaststelling van het programma moet in de situatie dat het beschikbaar
                    gestelde of beschikbaar te stellen budget onvoldoende is voor alle potentiële
                    toekenningen - alle aanvragen voor voorzieningen die voldoen aan de
                    beoordelingscriteria en die niet een spoedeisend zijn - een nadere en eenduidige
                    volgorde worden vastgesteld. De urgentiecriteria zijn dan nodig om te bepalen
                    welke voorzieningen achtereenvolgens als eerste in aanmerking komen voor
                    bekostiging. Indien het budget ruim genoeg is, behoeven de urgentiecriteria niet
                    te worden toegepast en volstaat het toepassen van de beoordelingscriteria en de
                    toekenning van een bedrag, dus de beschreven regels in de bijlagen I tot en met
                    IV.</al>
        <al>Indien het vast te stellen budget onvoldoende ruimte biedt, ontkomt het college
                    niet aan toepassing van de urgentiecriteria. Exacte en daarmee correcte
                    toepassing is zeer belangrijk, omdat de aandacht van het college zeker zal
                    uitgaan naar de voorzieningen waarvoor geen budget meer is.</al>
        <al>Voor het staande houden van een budgettaire afwijzing in beroep is het nodig de
                    criteria die de volgorde bepalen, eenduidig vast te leggen en in de uitvoering
                    daaraan strikt de hand te houden. Met de hieronder gehanteerde indeling in
                    hoofd- en subprioriteiten is dit mogelijk.</al>
        <al>De zorg voor adequate huisvesting betekent concreet dat het vastgestelde bedrag
                    voor het programma minimaal zo groot dient te zijn dat:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>elke groep een dak boven het hoofd kan worden geboden (medegebruik/
                            nieuwbouw/uitbreiding; blijvend of tijdelijk);</al></li>
          <li nr="2."><al>vervanging en onderhoud/aanpassing (bouwkundige calamiteiten,
                            constructiefouten, herstel en vervanging van schade in verband met
                            bijzondere omstandigheden) absoluut noodzakelijk om de voortgang van het
                            onderwijs niet in gevaar te brengen, worden vergoed;</al></li>
          <li nr="3."><al>voor alle aanwezige leerlingen eerste aanschaf van
                            onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair wordt
                            vergoed.</al></li>
        </lijst>
        <al>Deze voorzieningen zullen altijd moeten worden toegekend los van het feit of het
                    budget het op dat moment toelaat of niet. Dat kan invloed hebben op het budget
                    voor de volgende programma's en op de mogelijkheden andere, minder urgente
                    voorzieningen toe te kennen.</al>
        <al>Bij twee of meer aanvragen die in één categorie voor bekostiging in aanmerking
                    komen, dient in de hoofdprioriteit nadere invulling plaats te vinden om te
                    bepalen welke aanvraag steeds als eerste op het programma wordt geplaatst. De
                    volgorde van subprioriteit is bepalend voor de volgorde van de lijst van goed te
                    keuren voorzieningen.</al>
        <al>In de subprioriteiten is met enkelvoudige criteria gewerkt om de bewerkingen
                    niet nodeloos gecompliceerd te maken.</al>
        <al>De gemeente kan één integraal budget vaststellen voor alle drie de
                    onderwijssectoren tezamen. Dit zorgt voor een integrale afweging. Van die
                    systematiek is in de modelverordening uitgegaan. De gemeente kan ook
                    deelbudgetten vaststellen. Dat dient dan echter vóór de beoordeling van de
                    voorzieningen plaats te vinden.</al>
        <al>Indien een gemeente een bepaald beleid wil prioriteren, dan dient dit in de
                    systematiek van de modelverordening te geschieden door een wijziging van de
                    urgentiecriteria, en dus door een wijziging van de verordening.</al>
        <al>De voorzieningen die in het kader van dat beleid aan de orde zijn worden
                    opgenomen als hoofdprioriteit 1. Desgewenst kunnen daarbinnen nog
                    subprioriteiten worden onderscheiden.</al>
        <al>(Eerste) nieuwbouw, ingebruikneming, uitbreidingen en aanpassingen die
                    capaciteitstoevoegingen inhouden voor hetzelfde relatieve aandeel, worden
                    gelijkgeschakeld qua prioriteit ongeacht de onderwijssector, de benodigde
                    oppervlakte en de kosten. De prioriteit is hier dus hoger naarmate de
                    voorziening bestemd is voor een groter deel van de school (de prioriteit wordt
                    dus in een percentage uitgedrukt).</al>
        <al>Herschikking levert altijd een extra waarde op ten opzichte van de som van
                    individuele nieuwbouw en uitbreidingen. In de fase van de beoordeling moet
                    scherp gelet worden op de noodzakelijkheid van elk van de in de herschikking
                    gevraagde voorzieningen om te voorkomen dat er een sluiproute ontstaat voor
                    individuele aanvragen.</al>
        <al>De afweging van de volgorde bij de voorzieningen voor een adequaat
                    onderhoudsniveau wordt op basis van de conditie van het onderdeel of de
                    onderdelen gemaakt. Er wordt gewerkt met scores van het bouwkundig onderzoek en
                    de hoogte van de scores bepaalt de volgorde. De slechtste conditie wordt als
                    eerste gehonoreerd. In de subprioriteit bij de hoofdprioriteiten 2 en 3 is een
                    volgorde qua gewicht bepaald: eerst voorzieningen als het hele gebouw een zekere
                    mate van onderhoud/aanpassingen nodig heeft; vervolgens voorzieningen voor
                    (bepaalde) lesruimten en eindigend met overige ruimten/niet-lesgebouwen.</al>
        <al>De aanpassingen om te voldoen aan wettelijke verplichtingen vallen onder
                    hoofdprioriteit 3. Voor zover sancties dreigen, die leiden tot sluiting van het
                    schoolgebouw op korte termijn indien niet aan het vereiste wordt voldaan, is er
                    sprake van een voorziening die spoedeisend is. </al>
        <al>Samenvatting urgentiecriteria</al>
        <table>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <thead>
              <row>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Hoofdprioriteiten</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Subprioriteiten</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Rangorde bepaling door:</vet>
                  </al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>1 capaciteitstekorten</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>a met herschikking</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>percentage capaciteitstekort</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al> -</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>b zonder herschikking</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>percentage capaciteitstekort</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al> -</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>c bij gymnastiekruimten</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>percentage capaciteitstekort</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>2 adequaat onderhoudsniveau</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>a gebouw</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>score bouwkundige kwaliteit</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al> -</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>b theorie-/leslokaal</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>score bouwkundige kwaliteit</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al> -</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>c vak-/speellokaal/ gymnastiekruimte</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>score bouwkundige kwaliteit</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al> -</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>d niet-lesruimte</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>score bouwkundige kwaliteit</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al> -</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>e overige ruimte</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>score bouwkundige kwaliteit</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>3 voldoen aan wettelijke verplichtingen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>a gebouw</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>score bouwkundige kwaliteit</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al> -</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>b theorie-/leslokaal</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>score bouwkundige kwaliteit</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al> -</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>c vak-/speellokaal/ gymnastiekruimte</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>score bouwkundige kwaliteit</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al> -</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>d niet-lesruimte</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>score bouwkundige kwaliteit</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al> -</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>e overige ruimte</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>score bouwkundige kwaliteit</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>4 nieuwe onderwijskundige inzichten c.a.</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>a voor theorie-/leslokalen</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid
                                        geldt</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>b voor vak-/speellokalen/ gymnastiekruimten</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid
                                        geldt</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al> -</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>c overige (toekomstige) onderwijsruimten</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid
                                        geldt</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al> -</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>d herstel/vervanging schade</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>in bijzondere omstandigheden,voor zover niet spoedeisend
                                        mate van ernst van de schade</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>e overige activiteiten</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>ouderdom van het gebouw</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Voorbeeld:</al>
        <al>Na toepassing van de beoordelingscriteria blijken er in de gemeente X zeven
                    aanvragen te zijn, die potentieel voor goedkeuring in aanmerking komen. Het
                    totale bedrag, dat hiermee gemoeid is bedraagt € 730.000,-.</al>
        <al>Het gaat om de volgende aanvragen:</al>
        <al>Aanvragen gemeente X</al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <thead>
              <row>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Onderwerp:</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>
                    <vet>Bedrag:</vet>
                  </al>
                </entry>
              </row>
            </thead>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al/>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
          <tgroup cols="4">
            <colspec colname="colA"/>
            <colspec colname="colB"/>
            <colspec colname="colC"/>
            <colspec colname="colD"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry>
                  <al>a Aanpassingen t.b.v. studiehuis V.O.</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>220.000,-</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>b wettelijke aanpassing lokaal B.O.</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>10.000,-</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>c wettelijke aanpassing lokaal B.O.</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>40.000,-</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>d Uitbreiding 1 groep</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>50.000,-</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>e Uitbreiding oefenvloer</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>300.000,-</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>f Vervangen dak B.O.</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>30.000,-</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry>
                  <al>g Vervangen erfscheiding V.S.O.</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>80.000,-</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>TOTAAL:</al>
                </entry>
                <entry>
                  <al>730.000,-</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Deze zeven aanvragen worden allereerst ingedeeld in hoofd- en subprioriteiten,
                    vervolgens voorzien van de score en ten slotte in volgorde van de
                    urgentiecriteria gezet. Daar waar meerdere aanvragen in dezelfde hoofd- en
                    subprioriteit voorkomen komt als eerste de aanvraag met de hoogste score.</al>
        <al>De score wordt als volgt bepaald:</al>
        <lijst>
          <li nr=""><al>Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 1 door het relatieve tekort aan
                            capaciteit. Bij aanvraag d is het tekort bijvoorbeeld 1 groepsruimte op
                            een aanwezige capaciteit voor 8 groepen. De 55%-score bij aanvraag e
                            komt tot stand omdat de bestaande oefenvloer van 140 m² wordt uitgebreid
                            tot 252 m²;</al></li>
          <li nr=""><al>Voor de aanvragen in de hoofdprioriteiten 2 en 3 door de uitkomst van de
                            bouwtechnische opname. Hoe hoger de score hoe meer noodzaak het probleem
                            aan te pakken;</al></li>
          <li nr=""><al>Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 4 door het relatieve gebruik van de
                            onderwijskundige vernieuwing.</al></li>
        </lijst>
        <al>Bij aanvraag a is de score bijvoorbeeld 33%, omdat de vernieuwing voor de
                    bovenste twee leerjaren van een zes leerjaren tellende opleiding is
                        bedoeld.<cursief><vet>Toelichting op de wijzigingen van
                            de Modelverordening voorzieningen huisvesting
                    onderwijs</vet></cursief></al>
        <al>
          <vet>1. Introductie</vet>
        </al>
        <al>In deze toelichting geven wij per aanpassing een toelichting op de wijziging van
                    de modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Daarbij wordt ingegaan
                    op de reden voor de wijziging, de gehanteerde uitgangspunten en welke elementen
                    de wijziging kent.</al>
        <al>
          <vet>2. Achtergrond aanpassingen</vet>
        </al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Met de wijziging van artikel 1 lid a wordt aangesloten bij de formele
                            tenaamstelling van de minister van Onderwijs, Cultuur en
                            Wetenschap.</al></li>
          <li nr="2."><al>In artikel 2 onder b wordt het begrip ‘gebouwen’ nader gedefinieerd door
                            op te nemen ‘gebouwen van een school voor basisonderwijs en een school
                            voor (voortgezet) speciaal onderwijs’. Met deze wijziging wordt
                            aangesloten bij de omschrijving in artikel 2 onder c.</al></li>
          <li nr="3."><al>In artikel 2 onder b en onder c wordt ‘zoals onderscheiden in bijlage I’
                            gewijzigd in ‘zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.9 en 2.9’ resp.
                            ‘1.10 en 2.10’. Met deze wijziging kan vervallen ‘overzicht onderhoud
                            primair onderwijs’ onder de onderdelen 1.9 en 2.9. Zie ook de
                            toelichting onder punt 10.</al></li>
          <li nr="4."><al>De tekst in artikel 4 lid 2 tot en met 4 betekende dat ten onrechte de
                            veronderstelling is gewekt dat de procedure voor de Europese
                            aanbesteding alleen van toepassing was op investeringen op basis van de
                            feitelijke kosten. Met de nu gekozen redactie is de gemeente verplicht
                            per lid op te nemen welke voorzieningen huisvesting onderwijs worden
                            bekostigd op basis van de genormeerde kosten (lid 2) of de feitelijke
                            kosten (lid 3). Het staat de gemeenten vrij om lid 3 niet op te nemen op
                            het moment dat in lid 2 zijn opgenomen de voorzieningen huisvesting
                            onderwijs die op basis van de normbedragen worden bekostigd. Voor
                            voorzieningen huisvesting onderwijs die niet zijn opgenomen in lid 2
                            betekent dit impliciet dat deze voorzieningen worden bekostigd op basis
                            van de feitelijke kosten. Op het moment dat de gemeente kiest voor het
                            bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs uitsluitend op
                            basis van de feitelijke kosten kan artikel 4 als volgt worden
                            geredigeerd: ‘De voorzieningen die genoemd zijn in artikel 2 worden
                            vergoed op basis van de feitelijke kosten per geval’.</al></li>
          <li nr="5."><al>In artikel 15 lid 1 wordt toegevoegd het lid f, waarmede is bepaald dat
                            ook de wijze van aanbesteding onderdeel uitmaakt van het verplichte
                            overleg tussen het college en de schoolbesturen. Gesproken moet worden
                            de wijze van aanbesteding en de voorwaarden die daarbij van toepassing
                            zijn. De gemeente kan hierbij ook de voorwaarden van het gemeentelijk
                            aanbestedingsbeleid inbrengen. Daarnaast moet in dit overleg duidelijk
                            worden of voor de investeringen de voorwaarden van de Europese
                            aanbesteding van toepassing zijn. Met het toevoegen van dit lid vervalt
                            in artikel 15 lid 2 en worden in artikel 15 de leden 3 tot en met 5
                            vernummerd tot 2 tot en met 4. Daarnaast vervalt in bijlage IV deel
                            B.</al></li>
          <li nr="6."><al>In lid 26 wordt verwezen naar het vorige ‘artikel’, terwijl in de tekst
                            staat opgenomen het vorige ‘lid’. De wijziging betreft zodoende een
                            tekstuele aanpassing zodat er een juiste verwijzing plaatsvindt.</al></li>
          <li nr="7."><al>In lid 28 moet in plaats van ‘de beschikking’ worden gelezen ‘het
                            besluit’. Het betreft zodoende een tekstuele aanpassing.</al></li>
          <li nr="8."><al>Uitgangspunt van de herziene redactie van artikel 33 is dat bij
                            medegebruik overleg plaatsvindt tussen de hoofdgebruiker en de
                            medegebruiker over de hoogte van de vergoeding die voor het medegebruik
                            wordt betaald. De hoogte van de vergoeding is daarbij afhankelijk van de
                            werkelijke kosten voor de hoofdgebruiker, maar ook van afspraken over
                            die kosten die voor rekening van de hoofdgebruiker komen en die kosten
                            die de medegebruiker voor zijn rekening neemt. Wordt geen
                            overeenstemming bereikt over de hoogte van de vergoeding medegebruik dan
                            bepaalt artikel 33 dat de over vergoeding die de medegebruiker moet
                            betalen aan de hoofdgebruiker wordt gebaseerd op de hoogte van de
                            bekostiging voor de materiële instandhouding die de school ontvangt van
                            het ministerie van OCW. De hoogte van deze bekostiging is onderdeel van
                            de lumpsumvergoeding aan het schoolbestuur. Met het opnemen van dit
                            laatste deel in de tekst van artikel 33 vervalt in bijlage IV deel
                            C.</al></li>
          <li nr="9."><al>Bij de vereenvoudiging van de verordening in 2008 is ‘het aantal
                            groepen’ vervangen door het aantal leerlingen. In bijlage I onder 1.5.
                            en 2.5. is ten onrechte ‘groepen’ blijven staan. Met deze wijziging
                            wordt de tekst in overeenstemming gebracht met de uitgangspunten van de
                            vereenvoudiging in 2008.</al></li>
          <li nr="10."><al>In de Ledenbrief van 18 april 2008 (08/052) is in de toelichting op
                            pagina 13 het volgende opgenomen: ‘de paragrafen over de aparte
                            voorziening en additionele middelen voor onderwijskundige vernieuwingen
                            zijn geschrapt. Wij gaan ervan uit dat deze middelen de afgelopen vijf
                            jaar zijn ingezet om bestaande gebouwen aan te passen. De
                            onderwijskundige vernieuwing is, zoals voorheen, verwerkt in de
                            vierkante meter norm en de daarop gebaseerde normbedragen’. De hieruit
                            voortvloeiende wijziging is in de genoemde Ledenbrief uitsluitend
                            verwerkt in bijlage IV. Om deze reden is de aanpassing van de tekst in
                            bijlage 1 deel A onder 1.9 noodzakelijk.</al></li>
          <li nr="11."><al>Met de nu aangebrachte aanpassing van bijlage I deel A onder 1.10 wordt
                            exact beschreven wat tot de voorziening onderhoud behoort. Gelijktijdig
                            kan in bijlage I vervallen het afzonderlijk opgenomen ‘overzicht
                            onderhoud primair onderwijs’.</al></li>
          <li nr="12."><al>Met de nu aangebrachte aanpassing van bijlage I deel A onder 2.10 wordt
                            exact beschreven wat tot de voorziening onderhoud behoort. Gelijktijdig
                            kan in bijlage I vervallen het afzonderlijk opgenomen ‘overzicht
                            onderhoud primair onderwijs’.</al></li>
          <li nr="13."><al>Met de nu aangebrachte aanpassing van bijlage I deel B onder 1.10 wordt
                            exact beschreven wat tot de voorziening onderhoud behoort. Gelijktijdig
                            kan in bijlage I vervallen het afzonderlijk opgenomen ‘overzicht
                            onderhoud primair onderwijs’.</al></li>
          <li nr="14."><al>Met de nu aangebrachte aanpassing van bijlage I deel B onder 2.10 wordt
                            exact beschreven wat tot de voorziening onderhoud behoort. Gelijktijdig
                            kan in bijlage I vervallen het afzonderlijk opgenomen ‘overzicht
                            onderhoud primair onderwijs’.</al></li>
          <li nr="15."><al>Met de wijzigingen die zijn vermeld onder 5 (artikel 15 lid f) en 8
                            (artikel 33) vervallen in bijlage IV de delen B en C. Dit heeft tot
                            gevolg dat ook de aanhef van bijlage IV wordt gewijzigd.</al></li>
        </lijst>
        <al>Bijlage is nu beperkt tot de normvergoedingen. Om deze reden begint bijlage IV
                    met de tekst ‘In onderstaande normbedragen …………………….’.</al>
        <al>Daarnaast is de tekst die betrekking heeft op de wijze waarop de
                    normvergoedingen worden vastgesteld aangepast en ondergebracht in het algemene
                    gedeelte.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>