<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR121162_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landsmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landsmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Kompas, 04-10-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 44</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 95 tot en met 99</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-09-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011 - 87</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99, 147 van de
                        Gemeentewet, het Rechtpositiebesluit wethouders en het Rechtpositiebesluit raads- en
                        commissieleden</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>In deze verordening wordt verstaan onder:</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22 maart
                                1994, Stb. 243;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van 20
                                februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>Verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de Minister van
                                Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr. AB87/74/U6DGMP/AV/FAR,
                                Stcrt. 212;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt. 56;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>Reisregeling buitenland: het besluit van de Minister van
                                Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr. AD94/U1011, Stcrt.
                                181;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>raadslid: lid van gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                Gemeentewet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste lid,
                            van het Rechtspostiebesluit raads- en commissieleden, is gelijk aan het
                            door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                            gemeenteklasse 2 vastgestelde maximum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                    verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 2,
                                    vermeld in tabel II van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding
                                    ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de
                                    loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als
                                    dienstbetrekking wordt aangemerkt, is in afwijking van het
                                    eerste lid de onkostenvergoeding gelijk aan het bedrag voor
                                    gemeenteklasse 2, vermeld intabel III van het
                                    Rechtspositie besluit raads- en
                                        commissieleden<cursief>.</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3a</nr><titel>Vergoeding raadsleden voor extra werkzaamheden</titel></kop><al>Het raadslid dat zitting heeft in de rekenkamercommissie, dan wel dat
                            zitting neemt in een commissie die werkzaamheden buiten de reguliere
                            raadswerkzaamheden verricht, ontvangt een vergoeding vn 5% van de
                            vergoeding voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 2 van deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                    geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2, 3
                                    en 3a, naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat
                                    jaar raadslid is geweest.</al></li><li nr="2."><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2, 3 en
                                    3a geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                    kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de
                                    gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                                    gemeentebestuur vergoed.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                            taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                            gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding
                                            van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 4<cursief>,
                                            </cursief>onderdeel b<cursief>,</cursief> van de
                                            Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen,
                                    congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang
                                    door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen
                                    voor rekening van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                    of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt
                                    aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag
                                    in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                    een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                    gemeente als deelname van algemeen belang is in verband met de
                                    vervulling van het raadslidmaatschap.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag stelt het college het raadslid ten laste van de
                                    gemeente voor de uitoefening van het raadslidmaatschap een
                                    computer en dergelijke apparatuur, bijbehorende apparatuur en
                                    software, in bruikleen ter beschikking.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover er sprake is van een belastingheffing in verband met
                                    een ten laste van de gemeente ter beschikking gestelde
                                    apparatuur als bedoeld in het eerste lid ontvangt het raadslid
                                    ten laste van de gemeente op aanvraag per jaar een
                                    tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde daarvan voor een
                                    periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt ten hoogste
                                    uitgegaan van de aanschafwaarde van de apparatuur welke het
                                    college aan raadsleden in bruikleen ter beschikking stelt.</al></li><li nr="3."><al>Indien geen computer en dergelijke apparatuur, bijbehorende
                                    apparatuur en software ter beschikking is gesteld, verleent het
                                    college een raadslid op aanvraag voor de uitoefening van het
                                    raadslidmaatschap voor een periode van maximaal drie jaar een
                                    tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde voor:</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer en dergelijke apparatuur,
                                            bijbehorende apparatuur en software, of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer en dergelijke apparatuur,
                                            bijbehorende apparatuur en software.</al></li></lijst><al>Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de
                                    apparatuur welke het college aan raadsleden in bruikleen ter
                                    beschikking stelt.</al></li><li nr="4."><al>Op aanvraag vergoedt het college het raadslid de aanleg- en
                                    abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het
                                    eerste of derde lid genoemde computerapparatuur.</al></li><li nr="5."><al>Het raadslid ondertekent voor de bruikleen een
                                    bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                    aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor
                                    de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt,
                                    kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentepersoneel
                                    geldende spaarloonregeling.</al></li><li nr="2."><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                    artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                    1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                    aangemerkt kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld
                                    in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></li><li nr="3."><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                    raadslid gebruik maakt van de wettelijke
                                    levensloopregeling.</al></li><li nr="4."><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat
                                    geen aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                    aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor
                                    de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt
                                    kan deelnemen aan de fietsregeling. Naar keuze van het raadslid
                                    wordt de raadsvergoeding dan wel vaste onkostenvergoeding
                                    verminderd met de vergoeding voor de fiets.</al></li><li nr="2."><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat
                                    geen aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hijeen
                            uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                    Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van
                                    die wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                    uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                    artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                    raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de
                                    gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></li><li nr="2."><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het
                                    Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt
                                    en de na toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit
                                    ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                    uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                    artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                    raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de
                                    gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de gemeenteraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer
                                    dan 30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de
                                    gemeenteraad waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag
                                    van 8% van de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de
                                    werkzaamheden over de tijd van de waarneming.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering
                                    als bedoeld in artikel 11 van het Rechtspositiebsluit raads- en
                                    commissieleden bedraagt € 203,21 per jaar.</al></li><li nr="2."><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                    kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                    tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid
                                    van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is
                                    geweest.</al></li><li nr="3."><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                    geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></li><li nr="4."><al>Het bedrag in lid 1 wordt gewijzigd aan de hand van de
                                    circulaire van de minister van Binnenlandse Zaken en
                                    Koninkrijksrelaties waarin wordt aangekondigd dat de
                                    tegemoetkoming moet worden aangepast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of ziekte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 10 tot en met 12 en 13a blijven
                                    van toepassing op het raadslid aan wie ingevolge artikel X10 van
                                    de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en
                                    bevalling of ziekte, met dien verstande dat de
                                    onkostenvergoeding die dit raadslid op grond van artikel 3,
                                    eerste of tweede lid, ontvangt de helft bedraagt van het bedrag
                                    dat op grond van die bepalingen van toepassing is.</al></li><li nr="2."><al>De artikelen 1 tot en met 7, 8, eerste en tweede, vierde en
                                    vijfde lid, en 11 tot en met 13a van deze verordening zijn van
                                    toepassing op raadsleden die tijdelijk worden benoemd ter
                                    vervanging van een raadslid dat ingevolge artikel X10 van de
                                    Kieswet tijdelijk ontslag heeft verkregen wegens zwangerschap en
                                    bevalling of ziekte<cursief>.</cursief></al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschap verbonden
                            kosten is gelijkaan het bedrag voorgemeentegrootte
                            8.001 – 14.000, vermeld in artikel 25 van het Rechtspositiebesluit
                            wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De tegemoetkoming voor het reizen tussen zijn woning en de plaats van
                            tewerkstelling van de wethouder is gelijk aan de vergoeding bedoeld in
                            artikel 3 van Regeling rechtspositie wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in
                                    artikel 15 vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van
                                    andere dan de in artikel 15 bedoelde reizen ten behoeve van de
                                    gemeente gemaakt.</al><al>De vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                            taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                            noodzakelijkgemaakte reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding
                                            als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling
                                            rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs
                                            gemaakte verblijfkosten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen van de
                                    wethouder gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor
                                    gemeentelijk personeel. Indien geen regeling als bedoeld in de
                                    eerste volzin is vastgesteld vindt op aanvraag saldering van de
                                    reiskosten voor de zakelijke reizen van de wethouder plaats
                                    overeenkomstig artikel 4a van de Reisregeling binnenland,
                                    artikel 2a van de Reisregeling buitenland en artikel 13a van de
                                    krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989 vastgestelde
                                    Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                    Nederland maakt, worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijk
                                    reis- en verblijfkosten vergoed.</al></li><li nr="2."><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                    zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf
                                    toestemming van het college vereist. De gemeenteraad kan aan
                                    deze toestemming voorwaarden verbinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen,
                                    congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang
                                    door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen
                                    voor rekening van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                    of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt
                                    aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag
                                    in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                    een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                    gemeente als deelname van algemeen belang is in verband met de
                                    uitoefening van het ambt van wethouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag worden de wethouder ten laste van de gemeente voor
                                    de uitoefening van het ambt een computer en dergelijke
                                    apparatuur, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                    beschikking gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover er sprake is van een belastingheffing in verband met
                                    een ten laste van de gemeente ter beschikking gestelde
                                    apparatuur als bedoeld in het eerste lid ontvangt de wethouder
                                    ten laste van de gemeente op aanvraag per jaar een tegmoetkoming
                                    van 30% van de aanschafwaarde daarvan voor een periode van
                                    maximaal drie jaar. Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de
                                    aanschafwaarde van de apparatuur welke het college aan
                                    wethouders in bruikleen ter beschikking stelt.</al></li><li nr="3."><al>Indien geen computer en dergelijke apparatuur, bijbehorende
                                    apparatuur en software ter beschikking is gesteld, verleent het
                                    college de wethouder op aanvraag voor de uitoefening van
                                    hetambt voor een periode van maximaaal drie jaar een
                                    tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde voor:</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer en dergelijke apparatuur,
                                            bijbehorende apparatuur en software, of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer en dergelijke apparatuur,
                                            bijbehorende apparatuur en software.</al><al> Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van
                                    de apparatuur welke het college aan de wethouders in bruikleen
                                    ter beschikking stelt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Op aanvraag worden de wethouder de aanleg- en abonnementskosten
                                    voor de internetverbinding voor de in het eerste of derde lid
                                    genoemde computerapparatuur vergoed.</al></li><li nr="5."><al>De wethouder ondertekent voor de bruikleen een
                                    bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de uitoefening
                                    van zijn ambt een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking
                                    gesteld.</al></li><li nr="2."><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met
                                    de gemeente.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li><li nr="4."><al>Voor zover de in bruikleen beschikbaar gestelde mobiele telefoon
                                    voor privé-doeleinden is gebruikt, vindt maandelijks een
                                    verrekening van de gesprekskosten plaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het
                                    gemeentelijk personeel geldende spaarloonregeling.</al></li><li nr="2."><al>De wethouder kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld
                                    in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></li><li nr="3."><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                    wethouder gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.
                                </al></li><li nr="4."><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat
                                    geen aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling. Naar keuze van
                                    de wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste
                                    onkostenvergoeding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                                    vergoeding voor de fiets.</al></li><li nr="2."><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat
                                    geen aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                    commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het
                                    door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                                    voor gemeenteklasse 2 vastgestelde maximum.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene
                                    die als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de
                                    werkzaamheden als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet
                                    ontvangt.</al></li><li nr="3."><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                    commissie:</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van
                                            een ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van
                                            een functie bij een instelling die grotendeels van
                                            overheidswege wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                            organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van
                                            de commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk
                                            belang dient.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
                                    hogere vergoeding vaststellen, zulks tot ten hoogste 20% van het
                                    in het eerste lid bedoelde bedrag van de vergoeding, ten aanzien
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn
                                            bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied
                                            van de commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                            aangetrokken, en</al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de
                                            vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke
                                            verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de
                                            omvang van de door hem te verrichten arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is
                                    en niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de
                                    commissie is benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van
                                    de vergaderingen van de commissie vergoed. De vergoeding
                                    betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                            taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                            gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding
                                            van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                            overeenkomstig de bedragen in artikel 4, onderdeel b,
                                            van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                    redelijkheid gemaakte noodzakelijke verblijfskosten ter zake van
                                    reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de
                                    Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad kan een commissie uit gemeenteraad toestemming
                                    verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                    gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of
                                    vanwege de gemeente georganiseerd.</al></li><li nr="3."><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                    rekening van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                    congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang
                                    door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen
                                    voor rekening van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres,
                                    seminar of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt
                                    aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag
                                    in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                    een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                    gemeente als deelname van algemeen belang is in verband met de
                                    vervulling van het commissielidmaatschap.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag stelt het college het commissielid ten laste van de
                                    gemeente voor de uitoefening van het commissielidmaatschap een
                                    computer en dergelijke apparatuur, bijbehorende apparatuur en
                                    software in bruikleen ter beschikking.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover er sprake is van een belastingheffing in verband met
                                    een ten laste van de gemeente ter beschikking gestelde
                                    apparatuur als bedoeld in het eerste lid ontvangt het
                                    commissielid ten laste van de gemeente op aanvraag per jaar een
                                    tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde daarvan voor een
                                    periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt ten hoogste
                                    uitgegaan van de aanschafwaarde van de apparatuur welke het
                                    college aan commissieleden in bruikleen ter beschikking
                                    stelt.</al></li><li nr="3."><al>Indien geen computer en dergelijke apparatuur, bijbehorende
                                    apparatuur en software ter beschikking is gesteld, verleent het
                                    college een commissielid op aanvraag voor de uitoefening van het
                                    commissielidmaatschap voor een periode van maximaal drie jaar
                                    een tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde voor:</al><lijst><li nr="a."><al>aanschaf van een computer en dergelijke apparatuur,
                                            bijbehorende apparatuur en software of</al></li><li nr="b."><al>gebruik van een eigen computer en dergelijke apparatuur,
                                            bijbehorende apparatuur en software.</al><al>Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de
                                    apparatuur welke het college aan commissieleden in bruikleen ter
                                    beschikking stelt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Op aanvraag vergoedt het college het commissielid de aanleg- en
                                    abonnementskosten voor de internetverbinding voor de in het
                                    eerste of derde lid genoemde computerapparatuur.</al></li><li nr="5."><al>Het commissielid ondertekent voor de bruikleen een
                                    bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door: </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6,
                                    16, 18, 23 en 26 wordt gebruik gemaakt van een
                                    declaratieformulier, waarvan het model door het college is
                                    vastgesteld, indien deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn
                                    betaald.</al></li><li nr="2."><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend.
                                    Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid
                                    dient het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                    onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door hem
                                    aangewezen ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele
                                    bewijsstukken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, 18, 19
                                    en 23 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door
                                    het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord
                                    ondertekende factuur aan de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door
                                    het begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                    vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></li><li nr="3."><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                    begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                    griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                    aangewezen ambtenaar.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Deze verordening wordt 4 jaar na inwerkingtreding geëvalueerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2010,
                            vastgesteld bij besluit van 31 augustus 2010, wordt ingetrokken bij het
                            inwerkingtreden van de verordening Verordening rechtspositie wethouders,
                            raads- en commissieleden 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2011.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding als bedoeld in artikel 3a van deze verordening
                                    werkt terug tot en met 1 januari 2009.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2011<cursief>.</cursief></al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad gehouden</ondertekening><ondertekening>op 27 september 2011.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label> TOELICHTING</label></kop><divisie><kop><label>ALGEMEEN</label></kop><al><vet>Wettelijke regelingen</vet></al><al/><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en
                                    leden van gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus
                                    plaats, te weten bij wet, AMvB, ministeriële regeling (alleen
                                    wethouders) en gemeentelijke verordening. Wettelijk is voor
                                    wethouders in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                                    (Appa) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. In de
                                    Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de
                                    rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden moet
                                    worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn totstandgekomen het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit
                                    raads- en commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders
                                    die gelijk zijn aan die voor rijksambtenaren, maar voor hen
                                    voorheen in verschillende regelingen waren opgenomen waarnaar in
                                    het verleden werd verwezen, zijn om pragmatische redenen sinds 1
                                    januari 2004 opgenomen in een ministeriële regeling, de Regeling
                                    rechtspositie wethouders. In deze wetten en nadere regelgeving
                                    zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde onderwerpen
                                    geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de
                                    bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is in
                                    beide rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende
                                    bepalingen. Voor een secundaire voorziening, zoals bijvoorbeeld
                                    een regeling tegemoetkoming in de kosten van een
                                    ziektekostenverzekering of een uitkering bij aftreden als
                                        raadslid<cursief>,</cursief> geldt dat de gemeente de
                                    vrijheid heeft om deze voorzieningen te treffen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdlijnen verordening </label></kop><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de
                                    rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                                    gemeentelijke commissies. De grondslag hiervoor is te vinden in
                                    de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten. Buiten
                                    hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de
                                    wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook,
                                    ten laste van de gemeente (artikel 44 van de Gemeentewet). Dit
                                    betekent dat de rechtspositionele aanspraken voor zittende
                                    wethouders uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de
                                    Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling
                                    rechtspositie wethouders en de plaatselijke Verordening
                                    rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden. Gewezen
                                    wethouders ontlenen hun aanspraak op een ontslaguitkering en
                                    pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers.</al><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en
                                    commissieleden opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet. Het
                                    tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij
                                    gemeentelijke verordening aan raads- en commissieleden
                                    voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en
                                    tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de
                                    goedkeuring van gedeputeerde staten vereist.</al><al>De rechtspositionele aanspraken voor raads- en commissieleden
                                    zijn dan ook uitsluitend te vinden in respectievelijk de
                                    Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                                    en de plaatselijke Verordening rechtspositie wethouders, raads-
                                    en commissieleden.</al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><lijst><li nr="-"><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en
                                            commissieleden (artikelen 2 en 25), waarbij is op te
                                            merken dat voor wethouders niets is opgenomen omdat hun
                                            bezoldiging uitputtend is geregeld in het
                                            Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="-"><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor wethouders en
                                            raadsleden (artikelen 3 en 14);</al></li><li nr="-"><al>een procentuele vergoeding voor raadsleden die
                                            werkzaamheden buiten de reguliere raadswerkzaamheden
                                            verrichten (artikel 3a);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en
                                            commissieleden, waarbij voor wethouders een onderscheid
                                            is gemaakt tussen woon-werkverkeer en zakelijke reizen
                                            (artikelen 5, 6, 15, 16, 18, 26 en 27);</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij
                                            benoeming verhuisplichtige wethouder (artikel 23)</al></li><li nr="-"><al>beschikbaarstelling van computer- en
                                            communicatieapparatuur aan wethouders en raads<cursief>-
                                            </cursief>en commissieleden (artikelen 8, 20, 21 en 29)
                                            en faciliteiten in de vorm van deelname van wethouders
                                            en raads<cursief>- </cursief>en commissieleden aan
                                            cursussen, congressen e.d. (artikelen 7, 19 en 28);</al></li><li nr="-"><al>een aantal secundaire voorzieningen voor raadsleden,
                                            zoals voor zowel wethouders als raadsleden zoals de
                                            spaarloonregeling of levensloopregeling (artikelen 10 en
                                            22);</al></li><li nr="-"><al>de procedure van declareren (artikelen 30 t/m 32).</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</label></kop><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De
                                    gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat
                                    zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen
                                    onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet,
                                    Ziektewet en WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als
                                    werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben
                                    derhalve op grond van die wet geen recht op vergoeding door de
                                    gemeente van de over de raadsvergoeding verschuldigde
                                    inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                                    basisverzekering. Als gevolg van een wijziging van artikel 11
                                    van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden van 6
                                    december 2006 (Stb. 2006, 660) kan de raad echter bij
                                    verordening wel een tegemoetkoming in de kosten van een
                                    ziektekostenverzekering toekennen. Daardoor is tegemoet gekomen
                                    aan de inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage. Omdat er
                                    geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet
                                    onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten
                                    getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een
                                    raadslid opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het
                                    fictief werknemerschap (ziehieronder).</al><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur
                                    ingevolge de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare
                                    dienst aangesteld en vallen onder de werking van die wet. Echter
                                    de bepalingen over het materiële ambtenarenrecht uit de
                                    Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders. Hun
                                    rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door
                                    specifieke wet- en regelgeving. De aanstelling in openbare
                                    dienst houdt voor de toepassing van de fiscale wetgeving in dat
                                    sprake is van een arbeidsverhouding die als dienstbetrekking
                                    wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders direct onder de
                                    werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Er is sinds de
                                    dualisering van het gemeentebestuur derhalve geen mogelijkheid
                                    meer om wel of niet voor de loonbelasting te opteren. Wethouders
                                    vallen niet onder de werking van de Ziektewet, Werkloosheidswet
                                    en WIA. Evenmin geldt voor hen de pensioenvoorziening bij het
                                    ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en nabestaandenpensioen
                                    zijn voor wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet
                                    politieke ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in de
                                    zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van
                                    die wet recht op vergoeding door de gemeente van de over hun
                                    bezoldiging verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de
                                    kosten van de basisverzekering.</al></divisie><divisie><kop><label>De loon- en inkomstenbelasting </label></kop><al><vet>Opting in regeling</vet></al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid
                                    kan met de gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt.
                                    Dat wordt de “opting in regeling” genoemd. De administratie van
                                    de gemeente is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de
                                    daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                                    verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                                    Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als
                                    gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem dan
                                    draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de
                                    Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele
                                    zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het
                                    raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om
                                    die reden worden over de raadsvergoeding ook geen premies
                                    sociale zekerheid ingehouden. </al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft
                                    in dat geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden
                                    gemaakt kunnen niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente
                                    onder voorwaarden bepaalde vergoedingen onbelast verstrekken en
                                    bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar stellen.
                                    Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten
                                    en de zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn
                                    ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden verstrekt.
                                    Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor na
                                    inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding
                                    resteert. Het meest duidelijke voorbeeld is de
                                    onkostenvergoeding, die aan raadsleden die gekozen hebben voor
                                    ‘opting-in’ als een bruto bedrag wordt verstrekt. Raadsleden die
                                    gekozen hebben voor de standaard regeling ontvangen een lager
                                    bedrag dat vergelijkbaar is met het netto resultaat van de bruto
                                    vergoeding. Raadsleden kunnen ook deelnemen aan de
                                    spaarloonregeling of de levensloopregeling en de fietsregeling.
                                </al></divisie><divisie><kop><label>Fiscale standaardpositie</label></kop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor
                                    het raadslid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001
                                    resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat geval is het
                                    winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                                    ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten
                                    daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor
                                    de standaard regeling zullen dan ook over het lagere bedrag dat
                                    zij als onkostenvergoeding ontvangen inkomstenbelasting moeten
                                    betalen, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen
                                    tonen dat de vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend
                                    uit het raadslidmaatschap<cursief>. </cursief>Zij kunnen niet
                                    deelnemen aan de spaarloonregeling en de levensloopregeling en
                                    de fietsregeling. </al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun
                                    werkelijke beroepskosten, met inachtneming van een aantal
                                    wettelijke beperkingen en normeringen, in mindering brengen op
                                    hun belastbaar inkomen (belastbare resultaat). De gemeente dient
                                    jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op grond van deze
                                    verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische
                                    verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik
                                    leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste
                                    kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel of
                                    niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor
                                    hieronder de toelichting op artikel 3). </al></divisie><divisie><kop><label>Eénmalige keuze per zittingsperiode</label></kop><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet
                                    te opteren voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende
                                    gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te
                                    opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt
                                    in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan
                                    betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de
                                    resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij
                                    aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook
                                    gedurende de zittingsperiode voor de resterende periode.</al></divisie><divisie><kop><label>De vergoedingssystematiek</label></kop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders
                                    niet het eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate
                                    vergoedingssystematiek is daarom van belang. Waar er functionele
                                    uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend te zijn met
                                    een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen
                                    middelen vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen
                                    middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden
                                    worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur de
                                    kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                                    mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter
                                    behoefte blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen
                                    voor de volgende wijze van redeneren:</al><lijst><li nr="-"><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de
                                            organisatie (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al></li><li nr="-"><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de
                                            uitoefening van het ambt, maar zijn niet rechtstreeks
                                            aan te bieden door de organisatie;</al></li><li nr="-"><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding
                                            worden aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr="-"><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen
                                            worden, kan een (bruto) vergoeding worden
                                            verstrekt.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</label></kop><al><cursief>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de
                                        bedrijfsvoering:</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al></li><li nr="-"><al>deelname aan cursussen en congressen e.d.</al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door
                                    de wethouder of het raadslid maar worden direct door de gemeente
                                    voldaan en de voorzieningen worden om niet in bruikleen gegeven.
                                    Zij vallen derhalve buiten de vergoedingssfeer. </al><al><cursief>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten
                                        maar onbelast kunnen worden
                                        ve</cursief><cursief>r</cursief><cursief>goed</cursief></al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en
                                    verblijfkosten, blijft het systeem overeind dat de gedane
                                    zakelijke uitgaven de wethouder of het raadslid op basis van
                                    declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan aan de
                                    gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed. </al><al><cursief>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en
                                        niet onbelast kunnen worden
                                        ve</cursief><cursief>r</cursief><cursief>goed
                                    </cursief></al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto)
                                    kostenvergoeding verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3
                                    en 14 is aangegeven om welke beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd
                                    geldt dezelfde systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders.
                                    Zij dienen alle vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in
                                    het economische verkeer als opbrengst te verant-woorden. Omdat
                                    zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen
                                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al></divisie><divisie><kop><label>Controle en verantwoording</label></kop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van
                                    alle andere publieke middelen - transparantie van groot belang.
                                    Daartoe dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen die
                                    voor het vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en
                                    anderzijds een duidelijke verantwoording van het daadwerkelijk
                                    gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van
                                    onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders en
                                    over de eventueel verschuldigde belasting. </al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen
                                    uitoefenen zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent
                                    de financiering van de functionele uitgaven. Daartoe is vereist
                                    dat er een zodanig sluitende financiële en administratieve
                                    organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent
                                    de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de
                                    beheers- en controle-verordening vastgestelde regels, een aantal
                                    belangrijke procedures vastgelegd over rechtstreekse facturering
                                    van functionele uitgaven, declaratie van vooruit betaalde
                                    kosten. Daarnaast zijn er in de bruikleenovereenkomsten heldere
                                    afspraken vastgelegd over het gebruik van computer- en
                                    communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de
                                    uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is
                                    een gedragscode ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn
                                    vastgelegd. Daarbij gaat het onder meer om afspraken omtrent de
                                    bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen voor bespreking en
                                    zonodig besluitvorming in het college. In die gedragscode is ook
                                    het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging van
                                    zakendiners met derden opgenomen. Verder zijn er aanvullende
                                    administratieve procedures beschreven over de afwikkeling van
                                    declaraties en facturen en de daarbij te hanteren verdeling van
                                    verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met
                                    interpretatie- of meningsverschillen. </al></divisie><divisie><kop><label>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</label></kop><al><vet>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</vet></al><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat
                                raadsleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De
                                hoogte van de vergoeding wordt bij gemeentelijke verordening
                                bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van
                                de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. In artikel 2 is de
                                hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. De
                                gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de
                                minister vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op drie
                                manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast
                                        op een percentage tussen 80 en 100 van het door de minister
                                        vastgestelde maximum;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt
                                        uitbetaald als pre-sentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van
                                        de raadsvergoeding zijn.</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden
                                        vast.</al></li></lijst><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt
                                tussen raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere
                                raadsvergoeding geldt voor alle raadsleden.</al><al>Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd.
                                Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het
                                indexcijfer CAO lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen
                                nadere besluitvorming nodig alsin de verordening in
                                algemene zin is aangegeven of de raadsvergoeding gelijk is aan het
                                door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan. </al><al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen kunnen sinds 1 januari
                                2006 verzoeken hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het
                                nadeel van indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse
                                worden voorkomen. Deze keuzemogelijkheid moet bij verordening worden
                                toegestaan en is opgenomen in artikel 11 van deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikelen 3 en 14 Vaste onkostenvergoeding</vet></al><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van
                                wethouder c.q. aan het raadslidmaatschap verbonden kosten. De
                                vergoeding is opgebouwd op basis van de volgende
                                kostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten
                                fax/pc en cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip
                                specifieke voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8, 19, 20,
                                28 en 29). De onkostenvergoeding is in verband hiermee vanaf die
                                datum neerwaarts bijgesteld. </al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer
                                onbelast worden verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste
                                kostenvergoeding gelijk te houden is het bedrag gebruteerd tegen het
                                belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft echter geen betrekking
                                op raadsleden die niet hebben geopteerd voor het
                                loonbelastingregime. Voor hen blijven de aftrekmogelijkheden van de
                                werkelijk gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming bestaan.
                                Zij ontvangen de vaste kostenvergoeding zonder de brutering. Voor
                                zover zij de uitgaven daaruit kunnen onderbouwen, blijft de
                                raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond, zal alsnog
                                worden belast bij de aangifte Inkomstenbelasting.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke
                                verordening bepaald. Wel is in de rechtspositiebesluiten voor
                                wethouders en raadsleden het maximale bedrag van de kostenvergoeding
                                aangegeven. In de artikelen 3 en 14 is de hoogte van de
                                kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Ook de
                                onkostenvergoeding kan door de raad op een lager bedrag worden
                                bepaald, dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het door de
                                minister vastgestelde maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt
                                jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van de
                                consumentenprijsindex. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                                besluitvorming nodig als in de verordening in algemene zin is
                                aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de
                                minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al/><al><vet>Artikel 5, 6 en 26 Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden</vet></al><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor
                                ‘woon-werk-verkeer’ voor raadsleden. Het is dan ook in strijd met
                                artikel 99 van de Gemeentewet als raadsleden van de gemeente een
                                vergoeding ontvangen voor reizen binnen het grondgebied van de
                                gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads- en
                                commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten
                                voor reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering
                                van een beslissing van het gemeentebestuur. </al><al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de
                                Gemeentewet echter wel een vergoeding worden gegeven de reis- en
                                verblijfkosten in verband met reizen binnen de gemeente.</al><al>Tot 2004 werd in de Rechtspositiebesluiten verwezen naar, in dit
                                geval, de Reisregeling binnenland en de Reisregeling buitenland
                                zoals die voor de sector Rijk zijn vastgesteld. Sinds 1 januari 2004
                                is voor wethouders de ‘Regeling rechtspositie wethouders’ en voor
                                burgemeesters de ‘Regeling rechtspositie burgemeesters’ ingevoerd.
                                De vergoedingen in deze regelingen zijn in principe dezelfde als in
                                de genoemde reisregelingen zijn opgenomen, maar de minister van
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door deze specifieke
                                regelingen voor politieke ambtsdragers de mogelijkheid meer op het
                                ambt toegespitste vergoedingen vast te stellen. De huidige
                                regelingen voor burgemeesters en wethouders kennen in beginsel
                                dezelfde bedragen als de rijksregeling. De vergoeding voor
                                noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is niet
                                nader ingevuld. Daarmee is dit een lokale aangelegenheid die kan
                                worden vastgelegd in een voor de wethouders door het college en voor
                                de raadsleden door u vast te stellen uitvoeringsregeling, waarbij
                                eventueel aansluiting gezocht kan worden bij de rijksregelingen. Het
                                is aan te bevelen de lokale uitvoeringsregelingen op elkaar af te
                                stemmen.</al><al>Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden geen
                                eigen vergoedingsregeling is opgenomen, is in artikel 5 , tweede
                                lid, onderdeel b, aansluiting gezocht bij de vergoedingsregeling
                                voor wethouders, die, zoals gezegd, overeenkomt met de vergoedingen
                                in de Reisregeling binnenland. Daardoor wordt het aantal regelingen
                                waarnaar verwezen zou kunnen worden, beperkt. De vergoeding van
                                noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is ook voor
                                raads- en commissieleden een lokale aangelegenheid die kan worden
                                vastgelegd in een door u vast te stellen uitvoeringsregeling,
                                waarbij aansluiting gezocht kan worden bij de uitvoeringsregeling
                                voor de wethouders.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting
                                geldt dat de verstrekte vergoedingen bij de aangifte
                                inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord. De
                                reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                                beroepskosten worden opgevoerd.</al><al>Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik
                                van eigen vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het
                                rijkspersoneel geldt. De vergoeding van de reiskosten met het
                                openbaar vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is voor € 0,19
                                onbelast, ongeacht het gebruikte vervoermiddel. In het Handboek
                                loonheffingen 200<cursief>7</cursief> wordt over de
                                kilometervergoeding opgemerkt:</al><al><cursief>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per
                                    kilometer betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld
                                    vergoedingen voor parkeer- en tolgelden, voor (extra)
                                    afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een
                                    carkit of navigatiesysteem, voor
                                    e</cursief><cursief>x</cursief><cursief>tra benzineverbruik
                                    wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan de
                                    a</cursief><cursief>u</cursief><cursief>to. Vergoedingen voor
                                    parkeer-, veer- en tolgelden en voor overeenkomstige
                                    verstre</cursief><cursief>k</cursief><cursief>kingen vallen
                                    onder de eindheffing. </cursief></al><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere
                                deel belast. </al><al/><al><vet>Artikelen 7 en 19 Cursus, congres, seminar of symposium</vet></al><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de
                                bedrijfsvoering gebracht en komen de kosten rechtstreeks voor
                                rekening van de gemeente. Zij zijn in verband hiermee uit de vaste
                                kostenvergoeding gehaald. Een onderscheid is gemaakt tussen
                                cursussen, congressen e.d. die door of vanwege de gemeente in het
                                gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen e.d.
                                waaraan het individuele raadslid in verband met de vervulling van
                                het raadslidmaatschap op eigen initiatief deelneemt. Partijgebonden
                                bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de gemeente worden gebracht.
                                Om die reden wordt in het tweede lid het algemeen belang van de
                                cursus etc. benadrukt<cursief>. </cursief>In het laatste geval zijn
                                er aanvullende voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over de
                                cursus of het congres en een kostenspecificatie). Hierbij kan de
                                fractievoorzitter een rol spelen. In het aanvraagformulier is een
                                vraag opgenomen of de fractievoorzitter de aanvraag
                                ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een
                                zakelijk karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de
                                vergoeding c.q. verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor
                                raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat
                                de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische
                                verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                                worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende
                                randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden
                                opgevoerd.</al><al/><al><vet>Artikelen 8, 20 en 29 Computer en internetverbinding</vet></al><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap, het ambt van
                                wethouder of het lidmaatschap van een commissie wordt op aanvraag om
                                niet een computer, of een notebook, of een iPad, met bijbehorende
                                apparatuur en software in bruikleen beschikbaar gesteld.
                                Bijbehorende apparatuur is apparatuur die is bestemd om aan de
                                computer te worden gekoppeld om informatie uit te wisselen.
                                Voorbeelden hiervan zijn een modem, een printer, een fax en een
                                digitale fotocamera. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de
                                bruikleenovereenkomst die het raadslid en de wethouder met de
                                gemeente sluit. Het model van die overeenkomst is door het college
                                vastgesteld. </al><al>De grondslag voor deze faciliteit is te vinden in de
                                rechtspositiebesluiten voor wethouders en raads- en commissieleden. </al><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software
                                alleen onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld
                                indien deze geheel of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. In de
                                Nota naar aanleiding van het verslag (Tweede-Kamerstuk 29 767, nr.
                                14, blz. 22) wordt hierover het volgende opgemerkt:</al><al><cursief>‘Er is juist omwille van de eenvoud gekozen voor het
                                    criterium geheel of nagenoeg
                                    g</cursief><cursief>e</cursief><cursief>heel. Op deze wijze
                                    blijven computers die louter zakelijk worden gebruikt buiten de
                                    he</cursief><cursief>f</cursief><cursief>fing. Het
                                    aanvu</cursief><cursief>l</cursief><cursief>lende criterium
                                    'nagenoeg geheel' zorgt ervoor dat de werkgever bij zeer
                                    incidenteel privé-gebruik niet meteen de gehele computer in de
                                    heffing hoeft te
                                    betre</cursief><cursief>k</cursief><cursief>ken. De
                                    wer</cursief><cursief>k</cursief><cursief>gever dient
                                    aannemelijk te maken dat de computer geheel (of nagenoeg geheel)
                                    zakelijk wordt gebruikt om deze onbelast te kunnen vergoeden,
                                    verstrekken of ter beschikking te
                                    ste</cursief><cursief>l</cursief><cursief>len. Hierbij geldt de
                                    vrije bewijslee</cursief><cursief>r.</cursief><cursief> In dit
                                    kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin
                                    technische voorzieningen zijn aangebracht aan de
                                    comp</cursief><cursief>u</cursief><cursief>ter die privé-gebruik
                                    als zodanig bemoeilijken, de werknemer via de computer toegang
                                    heeft tot het intranet van de werkgever, hij via de computer
                                    geen vrije interne</cursief><cursief>t</cursief><cursief>toegang
                                    heeft, er op de computer geen software anders dan bedrijfsmatige
                                    software staat, de werknemer ook niet de mogelijkheid heeft er
                                    software op te zetten en hij geen eigen randapparatuur kan
                                    aanslu</cursief><cursief>i</cursief><cursief>ten.’</cursief></al><al>Omwille van het creëren van een compensatie voor de
                                belastingheffing, wordt er in de respectievelijke
                                rechtspositiebesluiten en de verordening van uitgegaan dat
                                betrokkenen de computer niet geheel of nagenoeg geheel voor zakelijk
                                gebruik bestemmen.</al><al>Dat betekent dat zowel de vergoeding, de verstrekking als de
                                terbeschikkingstelling van computerapparatuur en de daaraan
                                gekoppelde tegemoetkoming zal worden belast. In verband hiermee
                                vindt er gedurende de afschrijvingsperiode van drie jaar voor de
                                door de gemeente beschikbaar gestelde computer een fiscale
                                bijtelling plaats van 30% van de waarde in het economisch verkeer op
                                het moment van eerste ingebruikneming. Na het derde jaar wordt de
                                waarde op nihil gesteld. Geregeld is dat de gemeente op aanvraag 30%
                                van de aanschafprijs vergoedt gedurende de drie jaar dat i.v.m. het
                                beschikbaar stellen van de computer belasting is verschuldigd. Deze
                                vergoeding is overigens belast. Indien een computer tijdens het
                                kalenderjaar wordt verstrekt geldt in het eerste en vierde
                                kalenderjaar een vergoeding naar evenredigheid van het aantal
                                kalendermaanden waarin de computer beschikbaar is gesteld. De
                                gemeente bepaalt zelf de hoogte van de vergoeding. Als norm kan
                                daarvoor worden uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer die
                                de gemeente ter beschikking stelt. </al><al>Een andere methode die toegepast kan worden is de volgende, waarbij
                                wordt uitgegaan van een bruikleen-pc en toebehoren ad € 1.500, -.
                                Deze is voor belanghebbende bij wie loonbelasting wordt ingehouden
                                toepasbaar omdat het inhoudingspercentage bekend is. Voor de fiscaal
                                zelfstandigen zal ofwel het percentage door betrokkene vrijwillig
                                moeten worden aangereikt dan wel dat voor die belanghebbende één en
                                hetzelfde percentage wordt toegepast zonder rekening te houden met
                                de feitelijke situatie van betrokkene.</al><al>De vergoeding wordt berekend aan de hand van de formule: L x T/(100
                                – T), waarin:</al><al>L = het ter zake van de voorziening tot het belastbare loon in de
                                zin van de Wet op de loonbelasting 1964 behorende bedrag;</al><al>T = het hoogste van de in de tarieftabel van artikel 20a, eerste
                                lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 opgenomen percentages.</al><al>Cijfermatig uitgewerkt zit dit er als volgt uit:</al><al>Fiscale bijtelling voor een ter beschikking gestelde computer is
                                500.</al><al>Tarief 52% = € 260. Resulteert netto in (€ 500 - € 260) = €
                                240.</al><al>Compensatie:</al><al>L500 x T52%/(100-T52) = € 541 bruto</al><al>Bruto € 541 = netto (€ 541 – 52%) = € 260.</al><al>Recapitulatie:</al><al>Totaal brutoloon € 500 + € 541 = € 1.041.</al><al>Totaal netto € 240 + € 260 = € 500.</al><al>Het is ook mogelijk om een vergoeding te geven voor de aanschaf of
                                het gebruik van een eigen computer. Een compensatie voor
                                belastingheffing is dan echter niet toegestaan. De gemeente bepaalt
                                zelf de hoogte van de vergoeding. Als norm kan daarvoor worden
                                uitgegaan van de aanschafwaarde van de computer die de gemeente ter
                                beschikking stelt.</al><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen ten
                                laste van de gemeente. Hier is er eveneens van uitgegaan dat de
                                internetverbinding niet geheel of nagenoeg geheel voor zakelijk
                                gebruik is. In dat geval is de vergoeding onbelast. Zie blz. 153
                                Handboek loonheffingen 2007. Ook hierbij kan de gemeente zelf een
                                normbedrag vaststellen uitgaande van bijvoorbeeld de laagste of de
                                gemiddelde kosten,</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting
                                geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het
                                economisch verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst
                                moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de
                                geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden
                                opgevoerd.</al><al>De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van commissieleden de
                                toepassing van de opting-in-regeling.</al><al/><al><vet>Artikel 10 en 22 Spaarloon/levensloop</vet></al><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en
                                wethouders kunnen deelnemen aan de spaarloonregeling dan wel aan de
                                levensloopregeling. Een combinatie van beide is niet toegestaan.
                                Evenmin is het mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Het
                                gaat hier niet om een rechtspositionele aangelegenheid maar om een
                                fiscale faciliteit voor werknemers. </al><al>Het levensloopsaldo kan niet omgezet worden in verlof, omdat
                                raadsleden noch wethouders in hun politieke functie verlof kennen.
                                Het saldo valt bij beëindiging van het ambt vrij en kan worden
                                meegenomen naar een andere levensloopregeling.</al><al/><al><vet>Artikel 10a en 22a Fietsregeling</vet></al><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en
                                wethouders kunnen deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet
                                om een rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale
                                faciliteit voor werknemers. Het is niet mogelijk een
                                ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. </al><al/><al><vet>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid</vet></al><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is
                                aangegeven dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de
                                bevolking dient te vormen. Om deze reden moeten drempels om raadslid
                                te worden of te blijven, worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het
                                algemene principe dat indien een persoon inkomen uit arbeid geniet,
                                dit in de regel zal leiden tot verlaging of intrekking van de
                                wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een dergelijke
                                uitkering is bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid
                                ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor raadsleden
                                kan dit ertoe leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door
                                een raadsvergoedingeen grote teruggang betekent voor de
                                hoogte van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg
                                van de anticumulatieregeling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij
                                aanvaarding van een raadszetel of bij verhoging van de vergoeding
                                voor de werkzaamheden. Op grond van artikel 12 vanhet
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen gemeenten
                                hiervoor een voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 11 van
                                de verordening. Daarin is geregeld dat op aanvraag een raadslid een
                                lagere vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te
                                voorkomen dat de anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging
                                van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van het
                                raadslid.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</vet></al><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het
                                moment dat iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet
                                ontvangt, nieuwe werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt
                                gekort met het aantal uren dat in de nieuwe functie wordt gewerkt.
                                Het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel kent een
                                soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit de nieuwe
                                betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve iemand tot
                                raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het
                                aantal uren dat het UWV voor het raadslidmaatschap in aanmerking
                                neemt. Indien deze verlaging van de WW-uitkering groter is dan de
                                vergoeding voor de werkzaamheden zal er een negatief inkomenseffect
                                optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt
                                gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is geregeld
                                in artikel 12 van de verordening</al><al/><al><vet>Artikel 13 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de gemeenteraad</vet></al><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap
                                van de gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de
                                burgemeester wordt waargenomen door het langstzittende raadslid. De
                                gemeenteraad kan ook een ander raadslid met de waarneming van het
                                voorzitterschap belasten. In overeenstemming met het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in artikel 13 van
                                de verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming van meer
                                dan 30 dagen het betreffende raadslid over de tijd van waarneming
                                recht heeft op een toeslag van 8% van de vergoeding voor de
                                werkzaamheden en van de vaste onkostenvergoeding.</al><al/><al><vet>Artikel 13a Ziektekostenvoorziening</vet></al><al>Ongeacht of een raadslid gekozen heeft voor het fictieve
                                werknemerschap of de status van fiscaal zelfstandige moet over de
                                raads- en onkostenvergoeding een inkomensafhankelijke bijdrage
                                worden betaald van 4,4%.</al><al>Bij degenenen die hebben gekozen voor het fictieve werknemerschap
                                wordt deze door de gemeente ingehouden; zelfstandigen betalen deze
                                via de inkomstenbelasting. Na afloop van het belastingjaar zal aan
                                de hand van de vaststelling van het maximum inkomen waarover de
                                bijdrage wordt geheven (dus alle belastbare inkomsten die in welke
                                hoedanigheid dan ook zijn ontvangen) worden vastgesteld of te veel
                                is ingehouden resp. betaald. In dat geval zal dat door de
                                Belastingdienst worden terugbetaald, te beginnen bij de inhoudingen
                                van 4,4%.</al><al>Sinds 1 januari 2006 kunt u op grond van artikel 11 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden besluiten dat deze
                                tegemoetkoming wordt vastgesteld. Dit moet bij verordening worden
                                bepaald. Deze tegemoetkoming is door tussenkomst van de VNG tot
                                stand gekomen op verzoek van een groot aantal gemeenten als reactie
                                op de inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage waardoor de
                                netto raadsvergoeding vermindert. De tegemoetkoming kan worden
                                gezien als een compensatie hiervoor.</al><al>Met ingang van 1 januari 2007is de bijdrage gewijzigd van € 175, -
                                in € 195,32. Dit bedrag is met ingang van 1 aprili 2008 € 199,23 en
                                1 april 2009 € 203,21.</al><al>Voorts is aan dit artikel het vierde lid toegevoegd om toekomstige
                                wijzigingen van het bedrag automatisch te kunnen aanpassen.</al><al/><al><vet>Artikel 13b Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens 
                                    zwangerschap en bevalling of ziekte</vet></al><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en
                                bevalling dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is
                                opgenomen in de Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk
                                ontslagen wordt. In de vacature wordt voorzien door de tijdelijke
                                benoeming van de vervanger. Er is steeds sprake van een vaste
                                periode van 16 weken. Door zowel het tijdelijke ontslag, de
                                tijdelijke benoeming en de vaste periode van vervanging is het niet
                                nodig dat tussen beiden een afspraak wordt gemaakt over de duur van
                                de vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de
                                termijn van 16 weken het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is
                                het mogelijk de vervanging nog even voort te laten duren, tenzij
                                opnieuw een verzoek wordt gedaan voor een tijdelijk ontslag. Bij
                                inwilliging van dat verzoek, is opnieuw sprake van een periode van
                                16 weken.</al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden
                                opgenomen waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum
                                van ingang en beëindiging van de vervanging. De verklaring van een
                                verloskundige dan wel behandelend arts is bepalend voor de aanvang
                                van de vervanging. De benoeming van de vervanger kan later
                                plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van het einde van het
                                tijdelijk ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor korter
                                zijn zijn dan 16 weken. Na afloop van de termijn van 16 weken wordt
                                zonder enig verzoek of besluit de oude situatie hersteld. Dat geldt
                                zowel voor de hervatting van het raadslidmaatschap, het einde van
                                het tijdelijk raadslidmaatschap als de rechtspositionele aspecten
                                daarvan.</al><al/><al><vet>Artikelen 15 en 16 Reiskosten woon/werk en zakelijke reiskosten</vet></al><al>Voor wethouders is in artikel 15 een belastingvrije vergoeding voor
                                het woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en
                                krachtens het Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling
                                rechtspositie wethouders. Bij gebruik van de eigen personenauto
                                bedraagt de vergoeding in 200<cursief>7</cursief> € 0,14 per
                                afgelegde kilometer. </al><al>Ingevolge artikel 16 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met
                                het openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in
                                redelijkheid gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto in
                                    200<cursief>7</cursief> € 0,28 per afgelegde kilometer. De
                                kilometervergoeding is, voor zover die meer bedraagt dan € 0,19,
                                belast. </al><al>Voor zakelijke kilometers (waaronder mede te verstaan de kilometers
                                voor het woon/werkverkeer) kan, zoals gezegd, een onbelaste
                                vergoeding worden verleend van maximaal € 0,19 per kilometer,
                                ongeacht het gebruikte vervoermiddel. Vergoedingen die daarboven
                                uitgaan zijn voor dat hogere deel belast. In het Handboek
                                loonheffingen 200<cursief>7</cursief><cursief>(§ 18.5.3)
                                </cursief>wordt over de kilometervergoeding opgemerkt:</al><al><cursief>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per
                                    kilometer betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld
                                    vergoedingen voor parkeer- en tolgelden, voor (extra)
                                    afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een
                                    carkit of navigatiesysteem, voor
                                    e</cursief><cursief>x</cursief><cursief>tra benzineverbruik
                                    wegens gebruik van een aanhangwagen of voor schade aan de
                                    a</cursief><cursief>u</cursief><cursief>to. Vergoedingen voor
                                    parkeer-, veer- en tolgelden en voor overeenkomstige
                                    verstre</cursief><cursief>k</cursief><cursief>kingen vallen
                                    onder de eindheffing. </cursief></al><al>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende
                                doeleinden te salderen. </al><al>Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de verstrekte reiskostenvergoeding
                                voor dienstreizen hoger is dan de fiscaalwettelijk vastgestelde
                                belastingvrije vergoeding van maximaal </al><al>€ 0,19 per kilometer een verstrekte lagere vergoeding dan € 0,19
                                voor woon/werkver-keer daarop in mindering mag worden gebracht. Die
                                salderingsmogelijkheid moet wel in een formele vergoedingsregeling
                                zijn vastgelegd. Die is opgenomen in artikel 16, tweede lid. Indien
                                voor het gemeentelijk personeel een salderingsregeling geldt wordt
                                daarbij aangesloten. Ontbreekt een dergelijke regeling, dan geldt in
                                ieder gevalde salderingsregeling voor het rijkspersoneel.
                                In het volgende voorbeeld wordt toegelicht wat het vorenstaande
                                betekent voor het salderen en de berekening van de loonheffing over
                                het bovenmatig deel van reiskostenvergoedingen.</al><al><vet>Voorbeeld</vet></al><al>Betrokkene krijgt in een kalenderjaar van zijn werkgever een
                                reiskostenvergoeding van in totaal € 2.240, bestaande uit:</al><al>een vergoeding voor 10.000 woon/werkkilometers x € 0,14 = € 1.400
                                en</al><al>een vergoeding voor 3.000 kilometers wegens dienstreizen x € 0,28 =
                                € 840.</al><al>Als er geen salderingsregeling is moet de inhoudingsplichtige in
                                ieder tijdvak het bovenmatig bedrag van de vergoeding voor de
                                dienstreizen in de heffing betrekken (in totaal 3.000 km x € 0,09 =
                                € 270). Als er wel een salderingsregeling is mag de
                                inhoudingsplichtige deze heffing uitstellen (dit is niet verplicht).
                                Saldering leidt dan tot het volgende resultaat: totale
                                reiskostenvergoeding € 2.240 gedeeld door het totaal aantal
                                kilometers 13.000 = gemiddelde vergoeding per km van € 0,17 per
                                kilometer. Na saldering blijft de vergoeding onder de € 0,19 per km
                                waardoor de totale reisvergoeding onbelast blijft. Indien de
                                werkgever het “bovenmatige’ gedeelte van € 0,09 van de
                                dienstreiskilometers reeds heeft belast (in totaal 3.000 km x € 0,09
                                = € 270) mag de inhoudingsplichtige uiterlijk in de eerste maand van
                                het nieuwe kalenderjaar in zijn loonadministratie als negatief loon
                                opnemen: € 270. </al><al>Reiskostenvergoedingen mogen dus ook onderling worden gesaldeerd.
                                Kilometers die betrekking hebben op het reizen per openbaar vervoer
                                waarvoor een vergoeding in geld is ontvangen, alsmede kilometers die
                                als meerijder zijn afgelegd zonder dat sprake is van vervoer vanwege
                                de werkgever en zonder dat de betrokkene daarvoor een vergoeding
                                heeft ontvangen, mogen eveneens bij de saldering worden betrokken.
                                Saldering, respectievelijk belastingheffing over het bovenmatig deel
                                dat na saldering overblijft, mag worden uitgesteld. Afrekening met
                                de fiscus op basis van saldering kan na afloop van een bepaald
                                loontijdvak, maar dient uiterlijk plaats te vinden in de eerste
                                maand van het nieuwe kalenderjaar. Saldering na afloop van een
                                kalenderkwartaal, half kalenderjaar of heel kalenderjaar is mogelijk
                                zolang de vergoeding niet definitief is toegekend. In verband
                                daarmee wordt de reiskostenvergoeding in eerste instantie bij wijze
                                van voorschot uitbetaald. Voor de berekening van de loonheffing over
                                het bovenmatig deel van de in een gekozen periode uitbetaalde
                                reiskostenvergoedingen dient te worden uitgegaan van alle
                                daadwerkelijk afgelegde dienstkilometers, vermeerderd met de
                                daadwerkelijk afgelegde woon/werkkilometers. </al><al/><al><vet>Artikelen 18 en 27 Buitenlandse dienstreis</vet></al><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan
                                de wethouder de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en
                                verblijfkosten worden vergoed. De tarieven in het voor het
                                rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn daarbij
                                richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode zijn nadere
                                gedragsregels vastgesteld. Daarbij gaat het om expliciete
                                besluitvorming in het college over buitenlandse reizen en over
                                uitnodigingen daartoe op kosten van derden. </al><al>Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf
                                (zowel inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en
                                het combineren van een dienstreis met een (direct voorafgaande of
                                aansluitende) privé-reis.</al><al>Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het
                                gemeentelijk belang excursies of reizen naar het buitenland.
                                Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet toestemming verlenen. De
                                reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege de gemeente
                                georganiseerd. Hetgeen hierboven is geschreven over buitenlandse
                                dienstreizen van wethouders geldt mutatis mutandis ook voor
                                buitenlandse excursies en reizen van de gemeenteraad of
                                raadscommissies.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting
                                geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het
                                economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst
                                moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de
                                geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden
                                opgevoerd.</al><al/><al><vet>Artikel 21 mobiele telefoon</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2007 zijn de vergoedingen of verstrekkingen
                                van een mobiele telefoon geheel onbelast als het zakelijk gebruik
                                meer dan 10% bedraagt.</al><al>In de vaste onkostenvergoeding is een component telefoonkosten
                                opgenomen. Voor deeltijdwethouders is dat 12% van de
                                onkostenvergoeding en voor voltijd wethouders 9%. Bij het
                                verstrekken van een mobiele telefoon kan sprake zijn van
                                overbedeling. De component telefoonkosten kan om die reden
                                verminderd worden. Anderzijds is ook bij wethouders sprake van
                                gebruik van de privé telefoon voor zakelijke doeleinden. Voor dit
                                doel ontvangen burgemeesters maandelijks bruto een bedrag van € 25,
                                -. Het is redelijk om, wanneer plaatselijk de component
                                telefoonkosten wordt gekort, deze korting tot een bedrag van € 25, -
                                per maand van de bruto onkostenvergoeding achterwege te laten.</al><al/><al><vet>Artikel 22 Spaarloonregeling/levensloopregeling</vet></al><al>Een wethouder is een werknemer en kan dientengevolge gebruik maken
                                van de spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Wanneer de
                                wethouder gebruik maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is
                                het niet toegestaan een levensloopbijdrage ten laste van de gemeente
                                te verstrekken. De opbouw van de levensloopvoorziening mag
                                uitsluitend ten laste van de wethouderswedde plaatsvinden. Aangezien
                                wethouders geen verlof kennen, is het slechts mogelijk dat de
                                opgebouwde voorziening bij de beëindiging van het wethouderschap
                                wordt meegenomen naar een volgende werkgever of dat uitbetaling
                                ineens plaatsvindt. </al><al/><al><vet>Artikel 23 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</vet></al><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van
                                buiten de gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook
                                personen zijn die niet in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond
                                van de Gemeentewet verplicht om te gaan wonen in de gemeente waar
                                zij wethouder zijn geworden. In artikel 24 is geregeld dat zij bij
                                verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen voor een
                                verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en
                                pensionkosten in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn
                                onbelast.</al><al/><al><vet>Artikel 25 Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</vet></al><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke
                                commissies geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en
                                wethouders die in de commissie zitten. Hun vergoeding is immers al
                                geregeld in de rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening.
                                Uitgezonderd zijn verder onder meer ambtenaren en bestuurders die in
                                die hoedanigheid in de commissie zitting hebben. Uitgezonderd zijn
                                tenslotte vertegenwoordigers van belangengroepen e.d. tenzij hun
                                lidmaatschap tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                dient. </al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening
                                bepaald. De bedragen worden door de minister van Binnenlandse Zaken
                                en Koninkrijksrelaties jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand
                                van het indexcijfer CAO lonen overheid. </al><al>In artikel 25, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de
                                vergoeding te bepalen op het door de minister vastgestelde maximum.
                                De raad kan ook een lager bedrag vaststellen. </al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook
                                de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in
                                bepaalde gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend
                                dan het eerder bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel
                                25, vierde lid, van de verordening. Er kan gekozen worden voor een
                                procentuele verhoging, maar het is ook mogelijk om het bedrag uit
                                een hogere gemeenteklasse te kiezen.</al><al/><al><vet>Artikelen 30 t/m 32 De procedure van declaratie</vet></al><al>In artikel 30 zijn de twee wijzen van betaling aangegeven. In de
                                artikelen 31 t/m 32 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke
                                betalingswijze aan de orde is en welke procedurevoorschriften
                                inachtgenomen moeten worden. </al><al>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                                        wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke
                                        commissies</al></li></lijst><al>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</al><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening worden
                                gebracht in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia
                                        door raadsleden en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                                        wethouders.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikelen 33 t/m 36 Citeertitel en inwerkingtreding</vet></al><al>Sinds 20 februari 2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit
                                wethouders ook de (ministeriële) Regeling rechtspositie wethouders.
                                In lijn met die gehanteerde benaming is gekozen voor: Verordening
                                rechtspositie wethouders, raads- en commissie</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>