<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR120911_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren 2011-2</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerhugowaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws 4-10-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren 2011-2</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 147 van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 12, eerste lid, onderdeel e en artikel 35, eerste lid van de Wet investeren in jongeren</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-09-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Aanpassing regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB2011108</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr.RB2011017</al><al/><al>de Raad van de gemeente Heerhugowaard;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 augustus
                        2011</al><al/><al>artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 12, eerste lid,
                        onderdeel e, en artikel 25, eerste lid van de Wet investeren in
                        jongeren</al><al/><al>b e s l u i t</al><al/><al>vast te stellen de Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren
                        2011-2</al><al/><al>en in te trekken de Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren zoals
                        vastgesteld op 25 januari 2011.</al><al/><al>Heerhugowaard, 27 september 2011</al><al/><al>De Raad voornoemd,</al><al>de griffier, de voorzitter,</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ);</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 28, eerste lid
                                    onderdeel d, van de WIJ;</al></li><li nr="c."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op
                                    de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld
                                    in artikel 3, zesde lid, Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="d."><al>woonkosten:</al><lijst><li nr="1°."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                            geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
                                            van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="2°."><al>Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                            per maand omgerekende som van de verschuldigde
                                            hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                            hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind;</al></li><li nr="f."><al>ten laste komend kind: het kind voor wie de alleenstaande ouder
                                    of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken;</al></li><li nr="g."><al>verzorgingsbehoevende: degene die zonder verzorging zou zijn
                                    aangewezen op opname in een instelling ter verzorging of
                                    verpleging;</al></li><li nr="h."><al>verzorgende: degene die de verzorgingsbehoevende verzorgt;</al></li><li nr="i."><al>schoolverlater: de jongere die 6 maanden voorafgaand aan de
                                    aanvraag voor een inkomensvoorziening de deelname aan onderwijs
                                    of een beroepsopleiding heeft beëindigd;</al></li><li nr="j."><al>dak- of thuisloze: persoon zonder vaste woon- of
                                    verblijfplaats</al></li><li nr="k."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Heerhugowaard</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Categorie</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN EN VERLAGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, juncto artikel 35
                                tweede lid sub a van de WIJ bedraagt 20% van de gehuwdennorm voor de
                                jongere in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft en die
                                daarom de noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de WIJ bedraagt
                                10% van de gehuwdennorm voor de jongere die met één ander zijn
                                hoofdverblijf in dezelfde woning heeft en die daarom de
                                noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de WIJ bedraagt 0%
                                van de gehuwdennorm voor de jongere die met twee of meer personen
                                zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft en die daarom de
                                noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verzorgingsbehoevenden en
                                verzorgenden, tussen wie een eerste- of tweedegraads
                                bloedverwantschap bestaat, niet in aanmerking genomen als een ander
                                die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de WIJ bedraagt 10% van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die met één ander hun hoofdverblijf in
                                dezelfde woning hebben en die daarom de noodzakelijke kosten van het
                                bestaan kunnen delen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de WIJ bedraagt 20% van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die met twee of meer anderen hun
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en die daarom de
                                noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen delen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het vierde lid van artikel 3 van deze verordening is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 32 van de WIJ bedraagt 20% van de
                                gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor de jongere
                                geen woonkosten, als bedoeld in artikel 1 van deze verordening
                                onderdeel d, zijn verbonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt bij voorrang
                                toegepast op de toeslag als bedoeld in artikel 3 van deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Norm schoolverlaters</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 33 van de WIJ bedraagt 20% van de
                            gehuwdennorm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 34 van de WIJ bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de gehuwdennorm indien het een jongere van 21 jaar
                                        betreft;</al></li><li nr="b."><al>10% van de gehuwdennorm indien het een jongere van 22 jaar
                                        betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte
                                van de op grond van artikel 3 van deze verordening toegekende
                                toeslag, indien deze toeslag minder bedraagt dan de verlaging
                                waartoe toepassing van lid 1 zou leiden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een
                                jongere op wie artikel 6 van deze verordening van toepassing
                                is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 van de verordening
                            geschiedt zodanig, dat de toepasselijke norm voor de jongere tenminste
                            bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>35% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>55% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>65% van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin
                            deze verordening niet voorziet beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jongere
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            investeren in jongeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2010 in
                            werking, per welke datum de verordening tijdelijke regels Wet investeren
                            in jongeren van rechtswege is vervallen.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Heerhugowaard op 27 september 2011.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Heerhugowaard, 27 september 2011</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING TOESLAGENVERORDENING WIJ</titel></kop><divisie><kop><titel>De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening</titel></kop><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking
                        getreden. Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in
                        regulier werk van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een
                        recht op een zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust
                        op het uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende
                        kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor
                        zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van
                        alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                        gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                        werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                        jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                        beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere
                        gelegen of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit
                        aanbod onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan
                        worden gedaan. De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de
                        inkomensvoorziening anderzijds is een bepalend element in de WIJ.</al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan
                        de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij het recht op bijstand vooropstaat met
                        als afgeleide de plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ander
                        kader beoogd: is het uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ
                        is dit omgedraaid en geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’. Deze
                        uitkering, de zogenaamde inkomensvoorziening, volgt in grote lijnen de WWB
                        voor wat betreft de voorwaarden die aan het recht zijn verbonden en de
                        normering die geldt voor de hoogte van deze voorziening. </al><al>Evenals in de WWB bestaat de inkomensvoorziening uit een rijksgeregeld deel
                        (de norm) die binnen bepaalde grenzen verhoogd of verlaagd kan worden op
                        grond van gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). Dit gemeentelijk
                        beleid moet door de gemeenteraad in een verordening worden vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Relatie met de WWB</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van de WIJ is de WWB in beginsel afgesloten voor
                        jongeren tot 27 jaar en kunnen deze jongeren in beginsel geen algemene
                        bijstand meer ontvangen. Daartoe is de WWB op een aantal onderdelen
                        aangepast en zou de Toeslagenverordening WWB een overeenkomstige wijziging
                        moeten ondergaan. </al><al>Bij het inrichten van de WIJ is op het punt van de inkomensvoorziening
                        uitdrukkelijk ervoor gekozen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken met de
                        WWB, op onderdelen als de normensystematiek, de middelentoets, verlaging van
                        bijstand en terugvordering en verhaal. Hoewel die aansluiting niet in alle
                        opzichten volledig is gerealiseerd, is ten aanzien van het te voeren
                        toeslagen- en verlagingenbeleid sprake van een identiek wettelijk kader als
                        thans in de WWB. Normen die specifiek betrekking hebben op
                        jong-meerderjarigen zijn uit de WWB overgeheveld naar de WIJ. </al><al>Omdat het oogmerk van de WIJ niet is geweest de normen van de
                        inkomensvoorziening voor jongeren te verlagen is, gelet op de gewenste
                        aansluiting met de WWB en uit overwegingen van uitvoerbaarheid, in deze
                        Toeslagenverordening WIJ aansluiting gezocht bij de Toeslagenverordening
                        WWB. </al></divisie><divisie><kop><titel>Een toeslagenverordening Wet investeren in jongeren</titel></kop><al>Evenals in de WWB heeft de wetgever in de WIJ het college en de gemeenteraad
                        afzonderlijke taken toebedeeld. Het college is verantwoordelijk voor de
                        uitvoering van de WIJ, terwijl de gemeenteraad de opdracht heeft gekregen in
                        een aantal verordeningen regels vast te stellen, ondermeer met betrekking
                        tot het verhogen en verlagen van de normen die voor de inkomensvoorziening
                        gelden (artikel 12, eerste lid, sub e, WIJ). Deze regels moeten in een
                        verordening worden vastgelegd, ter wille van de rechtszekerheid. Aangenomen
                        mag worden dat deze regelgevende bevoegdheid rechtens niet kan worden
                        overgedragen aan het college. </al><al>De Toeslagenverordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen dat
                        voor een aantal categorieën jongeren de hoogte van de toeslag dan wel
                        verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is beschreven. Het is
                        daarbij niet nodig c.q. mogelijk om alle mogelijke situaties uitputtend te
                        beschrijven. In niet geregelde gevallen is het college immers bevoegd én
                        verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze van individualisering
                        afwijkend vast te stellen (artikel 35, vierde lid, WIJ). </al></divisie><divisie><kop><titel>Normen, toeslagen en verlagingen</titel></kop><al>Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft de wetgever ervoor gekozen om de
                        normensystematiek die thans is vastgelegd in de WWB zoveel mogelijk over te
                        nemen in de WIJ. Dat betekent enerzijds dat onderscheid is gemaakt tussen de
                        normen die gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren van 18 tot 21 jaar) en
                        oudere jongeren (21 tot 27 jaar). Anderzijds zijn de normen voor beide
                        leeftijdsgroepen identiek aan de normen die thans in de WWB voor beide
                        groepen gelden. Hetzelfde geldt voor de normen die van toepassing zijn bij
                        het verblijf in een inrichting. De overgang naar de WIJ leidt op dit
                        onderdeel dus niet tot een wijziging van de financiële positie van de
                        jongeren die afhankelijk worden van een inkomensvoorziening.</al><al/><al><onderstreept>Normen</onderstreept></al><al>In Hoofdstuk 4 van de WIJ (‘Recht op inkomensondersteuning’) zijn de normen
                        vastgelegd die gelden voor de verschillende leefsituaties (artikelen 26 t/m
                        29 WIJ). Voor personen van 21 jaar tot en met 27 jaar bestaat een drietal
                        basisnormen (artikelen 26, 27 en 28 WIJ), te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de
                                gehuwdennorm)</al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="3."><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm</al><al/></li></lijst><al>Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt de huidige
                        WWB-normering, die is afgestemd op de kinderbijslag (artikelen 26, sub a en
                        27, sub a, WIJ). Deze normen kunnen eventueel worden aangevuld met
                        bijzondere bijstand, voor zover de middelen van de ouders niet toereikend
                        zijn dan wel de onderhoudsplicht van de ouders niet te gelde gemaakt kan
                        worden. Artikel 12 WWB blijft voor deze groep onverkort van toepassing. </al><al>Voor jongeren waarvan één van de partners zich in de leeftijdsgroep 18 tot
                        21 jaar bevindt en de ander in de groep 21 tot 27 jaar, gelden eveneens
                        identieke normen als thans in de WWB voor partners in de leeftijd van 21 tot
                        65 jaar.</al><al/><al><onderstreept>Toeslagen en verlagingen</onderstreept></al><al>Voor jongeren in de leeftijd van 21 tot 27 jaar geldt dat de normen verhoogd
                        en/of verlaagd kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als thans in de WWB
                        is vastgelegd. Kort gezegd betreft het de verplichting om de norm voor
                        alleenstaanden en alleenstaande ouders te verhogen met een toeslag als deze
                        een woning bewonen zonder medebewoner. Omdat de kosten van het bestaan dan
                        niet gedeeld kunnen worden met een ander bedraagt de toeslag het maximale
                        bedrag, zijnde 20% van de norm voor gehuwden in die leeftijdscategorie.
                        Kunnen de bestaanskosten wel met een ander gedeeld worden dan kan de toeslag
                        worden verlaagd.</al><al> De bevoegdheid om de uitkering te verlagen bij medebewoning geldt ook voor
                        de norm voor gehuwden. Voorts kan de norm of toeslag worden verlaagd als de
                        woonsituatie, los van medebewoning, lagere bestaanskosten met zich
                        meebrengt. Daarnaast is verlaging van de norm of toeslag mogelijk als de
                        jongere een schoolverlater is. Ten slotte kan het college bij een 21- of
                        22-jarige alleenstaande de toeslag verlagen om de uitkering in de pas te
                        laten lopen met het wettelijk minimumjeugdloon. De laatstgenoemde
                        verlagingen kunnen niet in combinatie met elkaar worden toegepast. Binnen de
                        gestelde randvoorwaarden staat het de gemeenten in beginsel vrij om eigen
                        beleid te voeren over de hoogte van de toeslagen en verlagingen. Er bestaat
                        geen wettelijke verplichting om de norm en/of toeslag te verlagen. </al><al>Ook voor gehuwde jongeren waarvan één van de partners in de leeftijdsgroep
                        van 18 tot 21 jaar en de ander in de leeftijd van 21 tot 27 jaar zit, geldt
                        dat de norm verlaagd kan worden. De WIJ sluit dit, evenmin als de WWB, niet
                        uit. Dit geldt evenzeer voor het geval beide partners in de leeftijdsgroep
                        18 tot 21 jaar zitten. Ook de voor hen geldende norm kan verlaagd worden.
                        Niettemin wordt dit niet opportuun geacht. De normen voor deze categorie
                        jongeren zijn immers al lager vastgesteld, vanwege de (vaak theoretische)
                        onderhoudsplicht van ouders. Het verder verlagen van deze normen kan er
                        spoedig toe leiden dat deze jongeren onder het bestaansminimum terechtkomen.
                        Bovendien maakt categoriale verlaging op deze groep jongeren de toch al
                        behoorlijk complexe normensystematiek nog ingewikkelder.</al><al/><al><onderstreept>Gehuwde jongeren van 21 tot 27 jaar met niet-rechthebbende
                            partner </onderstreept></al><al>Voor jongeren van 21 tot 27 jaar met een partner van 27 jaar of ouder, geldt
                        dat de norm gelijk is aan de norm die voor een alleenstaande of
                        alleenstaande ouder geldt (artikel 28, eerste lid, sub e, resp. 28, tweede
                        lid, sub e, WIJ). Personen van 27 jaar of ouder komen immers niet in
                        aanmerking voor een inkomensvoorziening in het kader van de WIJ. De norm
                        alleenstaande of alleenstaande ouder geldt ook als de andere partner om
                        andere redenen (bijv. in geval van detentie) geen recht heeft op een
                        inkomensvoorziening (artikel 28, derde lid, WIJ). De mogelijkheid om de norm
                        voor een alleenstaande (ouder) te verhogen met een toeslag is in de WIJ
                        evenwel beperkt tot de jongere die <cursief>feitelijk</cursief>
                        alleenstaande (ouder) <cursief>is</cursief> (artikel 30, eerste lid, in
                        verbinding met 26, sub b en 27, sub b, WIJ). Naar de letter bestaat dus voor
                        de gehuwde met niet-rechthebbende partner geen recht op toeslag. </al><al>Niettemin mag, gegeven de wens van de wetgever om e.e.a. zoveel mogelijk
                        conform de WWB te regelen en met een beroep op de jurisprudentie die gevormd
                        is onder de WWB en Algemene bijstandswet (Abw), worden aangenomen dat ook
                        gehuwde jongeren die voor de normering worden gelijkgesteld met een
                        alleenstaande (ouder), onder omstandigheden recht kunnen hebben op een
                        toeslag, mede gelet op het individualiseringsbeginsel, dat binnen de WIJ ook
                        een rol speelt op het punt van normen, toeslagen en verlagingen (artikel 35,
                        vierde lid, WIJ; zie m.b.t. de bijstand bijvoorbeeld CRvB 12 december 1995,
                        JABW 1996/40). </al><al>Heeft de niet-rechthebbende partner geen of een zeer laag inkomen en is geen
                        sprake van medebewoning, dan zal de toeslag, naar analogie van de WWB, in
                        beginsel zelfs 20% van de gehuwdennorm moeten bedragen (CRvB 4 maart 2003,
                        LJN: AF6326). </al><al>Als de niet-rechthebbende partner een WWB-uitkering ontvangt, is er geen
                        aanleiding om een toeslag te verstrekken. Dat geldt evenzeer voor de
                        bijstandsgerechtigde partner. Beiden kunnen immers nimmer een uitkering
                        ontvangen die tezamen meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm voor
                        gehuwden. Omdat beide partners dan aanspraak hebben op de norm die voor een
                        alleenstaande geldt, betekent dit tegelijkertijd dat een verlaging in
                        verband met medebewoning formeel gezien niet mogelijk is, omdat deze beperkt
                        is tot de gehuwdennorm (als bedoeld in artikel 28, eerste/tweede lid
                        onderdeel d WIJ). In voorkomende gevallen is het in dat geval mogelijk met
                        toepassing van artikel 18, eerste lid, WWB de bijstandsnorm van de
                        bijstandsgerechtigde partner te verlagen. </al><al> Voor de situatie dat beide partners ten laste komende kinderen hebben, is
                        een specifieke regeling getroffen. Dan geldt voor de jongere partner de
                            <cursief>gehuwdennorm</cursief> die bij zijn leeftijd past (artikel 28,
                        vierde lid, WIJ). Omdat daar expliciet over gehuwdennorm wordt gesproken, is
                        verlaging van die norm wegens medebewoning, wel mogelijk. De algemene
                        bijstand die de bijstandsgerechtigde partner ontvangt, moet vervolgens
                        daarop in mindering worden gebracht.</al></divisie><divisie><kop><titel>Berekening toepasselijke uitkering</titel></kop><al>In de WIJ is evenmin als in de WWB voorgeschreven, dat in gevallen waarin
                        zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met
                        voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. Het bij voorrang toepassen
                        van de verlaging op de toeslag blijft ook in de WIJ de aangewezen volgorde.
                        In de praktijk leidt dit overigens alleen bij de combinatie verlaging wegens
                        woonsituatie en leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk in
                        combinatie met de leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten.
                        Bovenstaande in acht nemend kan de hoogte van de normuitkering voor jongeren
                        als volgt worden berekend:</al><lijst><li nr="1."><al>Norm;</al></li><li nr="2a."><al>Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                                ouders)</al></li></lijst><al>OF</al><lijst><li nr="2b."><al>Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen
                                (alleen bij gehuwden)</al></li><li nr="3."><al>Korten met verlaging wegens woonsituatie;</al></li><li nr="4a."><al>Korten met verlaging schoolverlater</al></li></lijst><al>OF</al><al>4b.Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op (het restant
                        van) de toeslag.</al><al>De verlagingen onder stap 4a en 4b mogen nooit gelijktijdig worden
                        toegepast. De Toeslagenverordening geeft aan welke verlaging geldt.</al><al>Leidt de uitkomst tot een lager bedrag aan inkomensvoorziening dan de
                        gestelde minima in artikel 8 van de Toeslagenverordening, dan moet het
                        college de inkomensvoorziening vaststellen op de van toepassing zijnde
                        minimum hoogte volgens dit artikel. </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Evenals in de Toeslagenverordening WWB is het begrip ‘gehuwdennorm’
                        omschreven, omdat het uitkeringsgebouw in de WIJ, inclusief toeslagen en
                        verlagingen, voor 21- tot 27-jarigen daaraan is gerelateerd. Volstaan is met
                        een verwijzing naar artikel 28, tweede lid, sub e, WIJ. De daar genoemde
                        gehuwdennorm is gelijk aan de gehuwdennorm genoemd in artikel 21, sub a,
                        WWB. </al><al>Evenmin als in de WWB wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven. Gelet
                        op de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee hetzelfde begrip
                        is bedoeld als in de WWB, te weten het begrip ‘woning’, bedoeld in de Wet op
                        de huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als
                        zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige
                        woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende aanhorigheden”. </al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor
                        de toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de
                        begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene
                        Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen. </al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens verwezen
                        naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin deze woonruimtes met een woning worden
                        gelijkgesteld. </al><al>Een persoon is verzorgingsbehoevende als de jongere aannemelijk kan maken
                        dat deze persoon zonder de verzorging zou zijn aangewezen op opname in een
                        instelling ter verzorging of verpleging. Er moet een duidelijke indicatie
                        zijn op grond waarvan de verzorgingsbehoevendheid kan worden aangenomen. De
                        verzorgende is degene die de verzorgingsbehoevende verzorgt. Hij neemt
                        bepaalde taken van de verzorging op zich, die anders zou zijn gegeven in een
                        instelling ter verzorging of verpleging.</al><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn
                        omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Zo wordt in deze
                        verordening meerdere malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2, eerste
                        lid, WIJ omschrijft dit begrip. Onder jongere wordt verstaan: een hier te
                        lande woonachtige Nederlander (of daarmee gelijkgestelde vreemdeling) 16
                        jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. Voor de toepassing van deze
                        verordening wordt onder jongeren echter verstaan de jongeren in de leeftijd
                        van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar (zie ook artikel 2). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorie</titel></kop><al>De regels van deze verordening zijn van toepassing voor de jongeren van 21
                        jaar doch jonger dan 27 jaar. Een samenloop van de inkomensvoorziening WIJ
                        en algemene bijstand WWB is mogelijk als de jongere een partner heeft die 27
                        jaar of ouder is. In zo’n situatie worden beiden aangemerkt als
                        alleenstaande of één van hen als alleenstaande en de ander als alleenstaande
                        ouder. Als er geen ten laste komende kinderen zijn is voor beiden de norm
                        voor een alleenstaande van toepassing. </al><al>Omdat de norm alleenstaanden 50% van het wettelijk minimumloon is,
                        garanderen beide normen samen het normbedrag voor een gezin. In die situatie
                        is daarom geen ruimte voor het verstrekken van een toeslag. Dat zou over en
                        weer leiden tot verlaging van de uitkering door de toets of de gezamenlijke
                        middelen uitkomen boven de gehuwdennorm (artikel 36, vijfde lid WIJ en 32,
                        derde lid WWB). </al><al> Als er ten laste komende kinderen zijn wordt de norm van de WIJ ontleend
                        aan de gehuwdennorm (zie daarvoor artikel 28, vierde lid, WIJ). Het ligt
                        voor de hand dat de partner de alleenstaande oudernorm WWB krijgt. Ook in
                        dit geval heeft het weinig zin om aan die partner een toeslag te verlenen,
                        want de algemene bijstand van die partner wordt in mindering gebracht op de
                        WIJ-norm voor een gezin. </al><al>Onder een gehuwde wordt ook verstaan een ongehuwd samenwonende. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad verplicht
                        om te bepalen dat de toeslag 20% van de gehuwdennorm bedraagt voor de
                        alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                        hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of
                        toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1 van deze
                        verordening. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld
                        dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden
                        (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een
                        gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat niet alle
                        kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. </al><al>Evenals in de Toeslagenverordening WWB is in deze verordening als
                        uitgangspunt gekozen voor de forfaitaire variant voor het vaststellen van de
                        hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke
                        bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld worden bepalend
                        zijn voor de hoogte van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat het
                        delen van kosten mogelijk is. In de jurisprudentie is de forfaitaire variant
                        algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In de
                        Toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10% van de
                        gehuwdennorm in het geval één ander in dezelfde woning zijn hoofdverblijf
                        heeft. Als nog een ander zijn hoofdverblijf in de woning heeft dan kunnen de
                        kosten nog meer gedeeld worden. </al><al>Een kamerbewoner die een reële huurprijs betaalt, kan de woonkosten niet
                        delen en wordt niet als kostendeler beschouwd. De huurprijs van de kamer
                        moet dan tenminste ter hoogte zijn van het bedrag als bedoeld in artikel 17
                        lid 2 Wet op de huurtoeslag.</al><al>De kostganger kan in aanmerking komen voor een toeslag als er sprake is van
                        een commerciële verhouding tussen de kostganger en de hospita. </al><al>Zorgbehoevenden en verzorgenden, tussen wie een eerste- of tweedegraads
                        bloedverwantschap bestaat, worden eveneens niet aangemerkt als degenen in
                        wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft. Het is niet wenselijk om de
                        jongere vanwege diens zorgtaken of zorgbehoevendheid te confronteren met een
                        lagere toeslag. Dit sluit aan bij de huidige uitvoeringspraktijk van de
                        WWB.</al><al>De gemeente Alkmaar is centrumgemeente waar het gaat om het toekennen van
                        een inkomensvoorziening aan jongere dak- of thuislozen. Het beleid van de
                        gemeente Alkmaar is geldend voor jongeren uit de regio Noord-Kennemerland,
                        die dak- of thuisloos zijn. Een jongere dak- of thuisloze ontvangt als
                        gevolg van het ontbreken van woonkosten geen toeslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><al>Wanneer in de woning van de jongere een ander zijn hoofdverblijf heeft, dan
                        wordt er vanuit gegaan dat bepaalde kosten gedeeld kunnen worden
                        (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Het is niet van belang of de kosten
                        daadwerkelijk gedeeld kunnen worden. Dat is een verantwoordelijkheid van de
                        jongere zelf.</al><al>Gekozen is, net als bij de alleenstaanden en alleenstaande ouders, voor een
                        verlaging van 10% van de gehuwdennorm, als één ander in de woning zijn
                        hoofdverblijf heeft. Indien meer dan één ander zijn hoofdverblijf heeft in
                        de woning is de verlaging 20%.</al><al>De inhoud van het tweede lid is overeenkomstig die van artikel 3, lid
                        3.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders verlaagt de norm of de toeslag
                        (verder) op grond van artikel 32 van de wet als de jongere lagere kosten van
                        bestaan heeft door zijn woonsituatie. </al><al>Als aan een door de jongere bewoonde woning geen woonkosten zijn verbonden
                        verlaagt het college van burgemeester en wethouders de norm met 20% van de
                        gehuwdennorm. Onder de woonkosten van een huurwoning wordt verstaan de op de
                        aanvangsdatum van het lopende tijdvak huurtoeslag geldende huurprijs per
                        maand. Indien een eigen woning wordt bewoond wordt onder de woonkosten het
                        volgende verstaan: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten
                        behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de
                        in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke
                        lasten. Dat zijn de rioolrechten, het eigenaarsaandeel van de
                        onroerende-zaakbelasting, de brandverzekering, de opstalverzekering en het
                        eigenaarsaandeel van de waterschapslasten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Norm schoolverlaters</titel></kop><al>Voor de duur van maximaal zes maanden na de beëindiging van onderwijs of
                        beroepsopleiding waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering of een
                        tegemoetkoming op grond van de Wtos, verlagen burgemeester en wethouders de
                        norm voor een schoolverlater.</al><al>De jongere stemde tijdens de studieperiode de bestedingen af op zijn
                        doorgaans beperkte inkomen (veelal uit studiefinanciering). Als hij zijn
                        studie beëindigt, nemen zijn noodzakelijke kosten van bestaan niet
                        onmiddellijk toe. Om deze reden wordt de norm voor schoolverlaters afgestemd
                        op de hoogte van het tijdens de studie genoten inkomen. De invloed van
                        inkomsten bijvoorbeeld uit arbeid of stagevergoeding tijdens de studie
                        speelt hierbij geen rol. </al><al>Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit- of
                        thuiswonende student. Opmerking verdient nog dat bij gehuwden die beiden
                        schoolverlater zijn, de verlaging niet verdubbeld wordt. Deze blijft dan
                        20%. Wel wordt de periode waarover de verlaging wordt toegepast verlengd als
                        beide partners na elkaar schoolverlater worden. </al><al>Wordt naast de schoolverlatersverlaging ook een verlaging toegepast i.v.m.
                        medebewoning dan kan dit spoedig tot gevolg hebben dat de totale verlaging
                        te groot is en aanpassing behoeft, gelet op het individualiseringsbeginsel.
                        Dat kan afgeleid worden uit CRvB 12 mei 2009, LJN: B15349. Als de
                        schoolverlater voor beëindiging van de studie studiefinanciering WSF 2000
                        ontving naar de norm van uitwonende student dan moet de inkomensvoorziening
                        minimaal op die norm worden vastgesteld</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><al>Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te
                        passen indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                        jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien
                        het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige
                        ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te
                        passen dan voor een 22-jarige.</al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat – in overeenstemming met het bepaalde
                        in artikel 34 WIJ – de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan
                        plaatsvinden op de toeslag van artikel 33 WIJ.</al><al>In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel
                        35, tweede lid, sub b, WIJ om in de verordening vast te stellen dat de
                        schoolverlaters verlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast met de
                        verlaging voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de
                        schoolverlaters verlaging is gekozen, omdat een 21- of 22-jarige
                        schoolverlater niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige
                        schoolverlater op grond van artikel 6 van de Toeslagenverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Anti-cumulatie-bepaling</titel></kop><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien toe op
                        verschillende omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk als
                        redelijk worden aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen
                        betekenen, dat het college de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop
                        dermate laag zou moeten vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou
                        zijn van een toereikende uitkering. In voorkomende gevallen zou het college
                        op grond van artikel 35, vierde lid, WIJ de inkomensvoorziening hoger moeten
                        vaststellen. Daarom is er voor gekozen om reeds in de Toeslagenverordening
                        een <cursief>absoluut </cursief>minimumbedrag vast te leggen, waarop het
                        college de norm (inclusief eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet
                        vaststellen. Dat laat onverlet dat in concrete omstandigheden het bij
                        samenloop ook denkbaar is dat de norm hoger moet worden vastgesteld. Zie
                        bijv. de hierboven beschreven jurisprudentie t.a.v. de samenloop van een
                        verlaging i.v.m. medebewoning en het ontbreken van woonkosten (CRvB 27 mei
                        2008, LJN: 2698) en de samenloop van een schoolverlatersverlaging en een
                        verlaging i.v.m. medebewoning (CRvB 12 mei 2009, LJN: BI5349). </al><al>Het individualiseringsbeginsel kan dus met zich meebrengen dat bij samenloop
                        ook bij een resterende norm die boven de in dit artikel genoemde percentages
                        ligt, al aanleiding is om tot verhoging daarvan over te gaan, gelet op alle
                        omstandigheden van de jongere.</al><al>Aan de verplichting van artikel 35, tweede lid, sub b, WIJ, t.w. dat in de
                        Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging
                        (artikel 33 WIJ) en de leeftijdsverlaging (artikel 34 WIJ) niet gelijktijdig
                        mogen worden toegepast, wordt reeds voldaan door de formulering van artikel
                        7 van de Toeslagenverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>WIJZIGINGENOVERZICHT toeslagenverordening WIJ</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="38*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="35*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al><vet>Toeslagenverordening WIJ</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet><onderstreept>Huidige artikelen in de
                                                verordening</onderstreept></vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet><onderstreept>wijzigingen</onderstreept></vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet><onderstreept>Nieuwe artikelen in de aangepaste
                                                verordening</onderstreept></vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 3. Toeslagen</al><al>1.De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, juncto
                                        artikel 35 tweede lid sub a van de WIJ bedraagt 20% van de
                                        gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander zijn
                                        hoofdverblijf heeft en die daarom de noodzakelijke kosten
                                        van het bestaan niet kan delen.</al><al>2.De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de WIJ
                                        bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor de jongere die met één
                                        of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft
                                        en die daarom de noodzakelijke kosten van het bestaan kan
                                        delen.</al><al>3.Voor de toepassing van dit artikel worden
                                        verzorgingsbehoevenden en verzorgenden, tussen wie een
                                        eerste- of tweedegraads bloedverwantschap bestaat, niet in
                                        aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                        hoofdverblijf heeft. </al><al>4.Een dak- of thuisloze heeft geen recht op een
                                        toeslag.</al></entry><entry colname="col2"><al>In januari 2011 is de toeslagenverordening vastgesteld.
                                        Hierdoor is een verschil ontstaan tussen klanten met een
                                        WWB- en klanten met een WIJ-uitkering. Dit verschil komt tot
                                        uiting als een belanghebbende met meer dan één ander zijn
                                        hoofdverblijf heeft in de woning. In dat geval kunnen
                                        noodzakelijke kosten met meer dan één ander worden gedeeld,
                                        en is het gerechtvaardigd dit tot uiting te laten komen in
                                        de hoogte van de toeslag. </al><al>Bovendien is het (oude) lid 4 verwijderd omdat dit niet van
                                        toepassing is; dak- en thuislozen vallen onder de
                                        centrumgemeente Alkmaar.</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 3. Toeslagen</al><al>1.De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, juncto
                                        artikel 35 tweede lid sub a van de WIJ bedraagt 20% van de
                                        gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander zijn
                                        hoofdverblijf heeft en die daarom de noodzakelijke kosten
                                        van het bestaan niet kan delen.</al><al>2.De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de WIJ
                                        bedraagt 10% van de gehuwdennorm voor de jongere die met één
                                        ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft en die
                                        daarom de noodzakelijke kosten van het bestaan kan
                                        delen.</al><al>3.De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de WIJ
                                        bedraagt 0% van de gehuwdennorm voor de jongere die met twee
                                        of meer personen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft
                                        en die daarom de noodzakelijke kosten van het bestaan kan
                                        delen.</al><al>4.Voor de toepassing van dit artikel worden
                                        verzorgingsbehoevenden en verzorgenden, tussen wie een
                                        eerste- of tweedegraads bloedverwantschap bestaat, niet in
                                        aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                        hoofdverblijf heeft. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel 4. Verlaging gehuwden</al><al>1.De verlaging bedoeld in artikel 31 van de WIJ bedraagt 10%
                                        van de gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer
                                        anderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en die
                                        daarom de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen
                                        delen.</al><al>2.Het derde lid van artikel 3 van deze verordening is van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></entry><entry colname="col2"><al>Conform de wijziging van artikel drie wordt ook dit artikel
                                        gewijzigd. </al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 4. Verlaging gehuwden</al><al>1.De verlaging bedoeld in artikel 31 van de WIJ bedraagt 10%
                                        van de gehuwdennorm voor gehuwden die met één ander hun
                                        hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en die daarom de
                                        noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen delen.</al><al>2.De verlaging bedoeld in artikel 31 van de WIJ bedraagt 20%
                                        van de gehuwdennorm voor gehuwden die met twee of meer
                                        anderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en die
                                        daarom de noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen
                                        delen.</al><al>3.Het vierde lid van artikel 3 van deze verordening is van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>