<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR120624_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kinderopvang Schiedam 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-07-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kinderopvang Schiedam 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 1.25 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-06-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>VR 41/2011</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>verordening waarin de aanspraak van ouders op de gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang is geregeld.</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Beleidsregels tegemoetkoming kosten kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kinderopvang Schiedam 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b."><al>wet: de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;</al></li><li nr="c."><al>ouder: de ouder als bedoeld in artikel 1.22 van de wet;</al></li><li nr="d."><al>partner: de partner als bedoeld in artikel 1.22 van de wet;</al></li><li nr="e."><al>tegemoetkoming: tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1.24 van de
                                wet;</al></li><li nr="f."><al>inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Wet werk en
                                bijstand.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanvraag van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en burgerservicenummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en burgerservicenummer van de
                                        partner en, indien dit een ander adres is dan het adres van
                                        de ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en burgerservicenummer van het kind of
                                        de kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking
                                        heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                        gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in
                                        ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang
                                        per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de
                                        opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat
                                        de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in
                                        artikel 1.22 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Toekennen van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het besluit tot toekenning van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van
                            de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                            stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de ouder niet behoort tot de personen als bedoeld in artikel 1.22
                                van de wet of, </al></li><li nr="b."><al>de ouder en de kinderen waarvoor kinderopvang noodzakelijk is niet
                                woonachtig zijn in de gemeente Schiedam of,</al></li><li nr="c."><al>de kinderopvang niet formeel geregistreerd staat in het Landelijk
                                Register Kinderopvang.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt toegekend met ingang van de datum, waarop de
                            aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is
                            genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de ouder zich al eerder heeft gemeld voor een tegemoetkoming kan in
                            afwijking van het eerste lid de tegemoetkoming worden toegekend vanaf de
                            eerste meldingsdatum.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de tegemoetkoming toegekend
                            met ingang van de datum waarop de kinderopvang zal plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt toegekend.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt toegekend voor de periode dat gebruik wordt
                            gemaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling of
                            inburgering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ouder geen gebruik maakt van een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling of inburgering, kan het college de tegemoetkoming
                            voor een andere periode toekennen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt toegekend voor het aantal uren kinderopvang dat naar
                        het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie
                        van werk of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling of inburgering
                        met zorg mogelijk te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van
                        kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de ouder
                                behoort;</al></li><li nr="b."><al>het burgerservicenummer van het kind of de kinderen waarop de
                                tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en het adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar
                                de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de ingangsdatum, de periode en het aantal uren kinderopvang waarvoor
                                de tegemoetkoming wordt toegekend;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="f."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoogte van de tegemoetkoming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming voor de ouder die een uitkering ontvangt op grond
                                van de WWB, WIJ, IOAW, IOAZ of ANW wordt verhoogd met de eigen
                                bijdrage, zodat het totaal van maximaal recht op
                                kinderopvangtoeslag, tegemoetkoming en eigen bijdrage gelijk is aan
                                de kosten van kinderopvang.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is eveneens van toepassing op de ouder die een
                                inburgeringsvoorziening volgt als bedoeld in de Wet inburgering of
                                die een re-integratietraject of opleiding volgt zonder uitkering,
                                voor zover het gezamenlijk inkomen niet meer bedraagt dan 120% van
                                de toepasselijke bijstandsnorm.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid is eveneens van toepassing op de ouder die de
                                leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, een opleiding volgt en
                                algemene bijstand ontvangt of kan ontvangen.</al></li><li nr="4."><al>Voor andere ouders bedraagt de tegemoetkoming niet meer dan hetgeen
                                hierover is bepaald in artikel 1.24 van de wet.</al></li><li nr="5."><al>Voor de vaststelling van de hoogte van de tegemoetkoming zijn de
                                percentages van toepassing zoals die zijn opgenomen in het overzicht
                                van de doelgroepen in de toelichting bij dit artikel.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>verplichtingen van de ouder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend
                            worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van alle
                            inlichtingen en gegevens die voor de aanspraak op en de hoogte van de
                            tegemoetkoming van belang zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen een
                            door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en
                            inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                            hoogte van de tegemoetkoming van belang zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Kinderopvangtoeslag</titel></kop><al>De ouder is verantwoordelijk voor het aanvragen van kinderopvangtoeslag bij
                        de Belastingdienst en draagt er zorg voor dat de Belastingdienst de
                        kinderopvangtoeslag betaalbaar stelt aan het kindercentrum of
                        gastouderbureau.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Sociaal medische Indicatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Sociaal medische indicatie</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt op aanvraag van de ouder vast of de ouder of
                                partner dan wel het kind van de ouder in aanmerking komt voor een
                                sociaal medische indicatie, en in welke mate uit dien hoofde voor
                                zover andere voorzieningen geen passender oplossing kunnen bieden,
                                kinderopvang in de zin van deze verordening noodzakelijk is.</al></li><li nr="2."><al>Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij het
                                college door middel van een door het college vastgestelde
                                formulier.</al></li><li nr="3."><al>Alvorens te besluiten, kan het college ten behoeve van de
                                vaststelling van de noodzakelijkheid van kinderopvang als bedoeld in
                                het eerste lid advies opvragen bij een onafhankelijk
                                adviesorgaan.</al></li><li nr="4."><al>Het besluit van het college vermeldt de geldigheidsduur van de
                                indicatie.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan periodiek herindicatie verrichten van personen als
                                bedoeld in het eerste lid. </al></li><li nr="6."><al>Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot de
                                tegemoetkoming in kosten voor de kinderopvang uit hoofde van een
                                sociaal medische indicatie.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen
                        van deze verordening, indien de toepassing hiervan leidt tot bijzonder
                        onredelijke gevolgen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag volgend op
                        de maand waarin deze is bekend gemaakt onder gelijktijdige intrekking van de
                        Verordening Wet kinderopvang Schiedam 2004.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Kinderopvang Schiedam
                        2011</al><al/><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet><cursief>INLEIDING</cursief></vet></al><al>Op 1 januari 2005 is de Wet kinderopvang in werking getreden. Deze wet
                        beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te
                        combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op deze wet. Een
                        aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente
                        voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang.
                        De vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang
                        wordt aangeduid met de term ‘tegemoetkoming’. Artikel 1.25 van de
                        (gewijzigde) Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen bepaalt
                        dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt omtrent de
                        tegemoetkoming van de gemeente.</al><al/><al><vet><cursief>HOOFDLIJNEN VAN HET PROCES VAN TOEKENNING VAN DE
                                TEGEMOETKOMINGEN</cursief></vet></al><al/><al>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het proces van toekenning van
                        de tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee
                        uitgangspunten gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de
                        uitvoeringslasten zo beperkt mogelijk moeten zijn. Het tweede uitgangspunt
                        is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn met de verstrekking van de
                        tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar zijn. </al><al/><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een
                        zogeheten ‘open-einde regeling’. Dit betekent dat iedereen die op grond van
                        de wet behoort tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak heeft op een
                        tegemoetkoming van de gemeente. Om de gemeente in staat te stellen de kosten
                        die gepaard gaan met de toekenning van de tegemoetkomingen beheersbaar te
                        houden, zijn in de verordening de volgende bepalingen opgenomen:</al><lijst><li nr="·"><al>De ouder is zelf verantwoordelijk voor het aanvragen van de
                                kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst. De ouder zorgt er ook
                                voor dat de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag rechtstreeks
                                betaalbaar stelt aan het kindercentrum of gastouderbureau. De
                                gemeente int dus niet langer de kinderopvangtoeslag voor de ouder
                                met de financiële risico’s die daarbij horen.</al></li><li nr="·"><al>De gemeente vergoedt de eigen bijdrage voor ouders die een uitkering
                                hebben ingevolge de WWB, WIJ, IOAW, IOAZ of ANW. Deze ouders hebben
                                onvoldoende draagkracht om die kosten zelf te dragen. Eigen kosten
                                zouden ook een drempel kunnen opwerpen om een traject gericht op
                                re-integratie of inburgering te volgen en uiteindelijk uit te
                                stromen naar werk. Voor de ouders die een inburgeringsvoorziening
                                volgen op grond van de Wet inburgering of die een
                                re-integratietraject volgen zonder uitkering (nuggers) wordt de
                                eigen bijdrage alleen nog vergoed, indien het (gezamenlijk) inkomen
                                niet meer bedraagt dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm.
                                Andere ouders betalen de eigen bijdrage zelf.</al></li><li nr="·"><al>De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming van ouders wordt
                                beperkt. In de verordening is bepaald dat de tegemoetkoming wordt
                                toegekend voor het aantal uren kinderopvang dat naar het oordeel van
                                het college redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie met zorg
                                mogelijk te maken. Er worden dus niet meer uren vergoed dan nodig
                                is.</al></li><li nr="·"><al>De tegemoetkoming wordt alleen toegekend als er daadwerkelijk
                                kinderopvang plaatsvindt. </al></li><li nr="·"><al>Het college stelt regels vast met betrekking tot de tegemoetkoming
                                voor ouders waarvan uit hoofde van een sociaal medische indicatie
                                kinderopvang noodzakelijk is. Door regels te stellen over onder
                                andere het toetsingskader voor sociaal medische indicatie en de
                                hoogte van de eigen bijdrage blijven de kosten beheersbaar.</al></li></lijst><al/><al>Om de uitvoeringslasten zoveel mogelijk te beperken is in de verordening de
                        bepaling opgenomen dat de gemeentelijke tegemoetkoming wordt toegekend voor
                        de periode dat gebruik wordt gemaakt van een voorziening gericht op
                        arbeidsinschakeling of inburgering. Hiermee wordt voorkomen dat de ouder elk
                        jaar opnieuw een aanvraag voor een tegemoetkoming bij de gemeente moet
                        indienen. Dit scheelt administratieve lasten voor de ouder en de
                        gemeente.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>De begripsbepalingen in artikel 1.1 van de wet zijn ook van toepassing op
                        deze verordening. Een paar begrippen is in deze verordening aangevuld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel
                        1.26 van de wet). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar de
                        ouder woont (artikel 1.22 van de wet). De aanvraag moet schriftelijk
                        gebeuren (artikel 4:1 Awb).</al><al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het
                        aantal uren of dagdelen kinderopvang zal ook moeten worden aangevraagd. Een
                        verlaging van de tegemoetkoming in verband een vermindering van de omvang
                        van de kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan
                        wel onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel 1.28 van de wet en
                        artikel 10).</al><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                        contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                        verzorgen moet worden gevoegd. Op basis van de offerte of het contract kan
                        de gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen. Het kindercentrum
                        of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet ingeschreven
                        staan in een gemeentelijk register (artikel 1.5 van de wet).</al><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft,
                        deze partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is
                        volledigheidshalve in de verordening opgenomen. De verplichting is reeds
                        neergelegd in artikel 1.26 van de wet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het besluit tot toekenning van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag
                        van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming.
                        Deze termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor
                        aanvragen die betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming
                        en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding
                        van de omvang van de kinderopvang. In de verordening is gekozen voor een
                        beslistermijn van ten hoogste acht weken die eventueel met vier weken kan
                        worden verlengd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Naast de weigeringsgronden in dit artikel zijn ook de weigeringsgronden in
                        de Awb van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van de toekenning van de tegemoetkoming.
                        Er zijn drie ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente
                                in ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder
                                op het moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang
                                hebben.</al></li><li nr="2."><al>Inden de ouder zich al eerder had gemeld voor een tegemoetkoming, de
                                meldingsdatum. Ook in deze situatie zal de ouder al kinderopvang
                                hebben.</al></li><li nr="3."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het derde lid
                                bepaalt dat er alleen een tegemoetkoming wordt toegekend als er
                                kinderopvang plaatsvindt. </al></li></lijst><al/><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop
                        de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de
                        tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot
                        toekenning van de tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met
                        terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is
                        genomen of als de ouder zich al eerder had gemeld voor een tegemoetkoming,
                        de meldingsdatum.</al><al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing
                        op aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt toegekend</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt toegekend voor de periode dat gebruik wordt gemaakt
                        van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling of inburgering. Dit kan
                        langer zijn dan een kalenderjaar. Hiermee wordt voorkomen dat ouders die
                        gebruik maken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling of
                        inburgering elk jaar opnieuw een aanvraag voor een tegemoetkoming bij de
                        gemeente moeten indienen.</al><al/><al>Het college kan in andere gevallen de tegemoetkoming voor een andere periode
                        toekennen. Bij de studerende ouder kan deze periode bijvoorbeeld het
                        studiejaar zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>De wet regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een tegemoetkoming van
                        de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de omvang van die
                        aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft tot
                        een gemeentelijke doelgroep behoort, heeft deze recht op een gemeentelijke
                        tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren
                        kinderopvang waarvoor de tegemoetkoming wordt toegekend. Om de kosten voor
                        de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling in de verordening
                        opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming beperkt. Dit artikel geeft
                        het college de bevoegdheid om per geval te beoordelen hoeveel kinderopvang
                        de ouder redelijkerwijs nodig heeft om het werk of de voorziening gericht op
                        arbeidsinschakeling of inburgering te kunnen combineren met zorgtaken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Onderdeel f schrijft voor dat in de beschikking de verplichtingen van de
                        ouder worden opgenomen. Daarbij kan onder andere aan de volgende
                        verplichtingen worden gedacht:</al><lijst><li nr="·"><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is toegekend aan het college een
                                overzicht te verstrekken van de feitelijke kosten van kinderopvang
                                over deze periode; </al></li><li nr="·"><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 1.28 van de
                                wet;</al></li><li nr="·"><al>de verplichting om de kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst
                                rechtstreeks over te laten maken aan het kindercentrum of
                                gastouderbureau.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoogte van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Na aftrek van de gemeentelijke tegemoetkoming en het maximale recht op
                        kinderopvangtoeslag (dus zonder verrekeningen van de Belastingdienst e.d.)
                        blijft er nog een eigen bijdrage voor de ouders over. In dit artikel is
                        geregeld dat de ouders die een uitkering ontvangen op grond van de WWB, WIJ,
                        IOAW, IOAZ of ANW geen eigen bijdrage verschuldigd zijn. Deze ouders hebben
                        een inkomen op of rond het sociaal minimum en derhalve onvoldoende
                        draagkracht om de kosten van de eigen bijdrage zelf te kunnen dragen. </al><al/><al>Hetzelfde geldt voor de ouder die een inburgeringsvoorziening volgt als
                        bedoeld in de Wet inburgering of een re-integratietraject volgt zonder
                        uitkering (negeer). In dit artikel is voor deze doelgroepen wel een
                        inkomensgrens opgenomen. Het inkomen van de ouder en eventuele partner mag
                        niet meer bedragen dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. Ook de ouder
                        die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, een opleiding volgt en
                        algemene bijstand ontvangt of kan ontvangen is geen eigen bijdrage
                        verschuldigd. Voor andere doelgroepen geldt dat de gemeentelijke
                        tegemoetkoming niet meer bedraagt dan waartoe de gemeente wettelijk is
                        gehouden. </al><al/><al>In onderstaand overzicht zijn de doelgroepen in beeld gebracht met het recht
                        op de gemeentelijke tegemoetkoming en eigen bijdrage.</al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="57*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="12*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="10*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Doelgroepen</al></entry><entry colname="col3"><al>Gemeentelijke tegemoetkoming</al></entry><entry colname="col4"><al>Totaal in procenten</al></entry><entry colname="col5"><al>Eigen bijdrage</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>De ouder ontvangt een uitkering in het kader van de WWB,
                                            WIJ, IOAW, IOAZ of ANW en volgt een re-integratietraject
                                            of opleiding.</al></entry><entry colname="col3" morerows="4"><al>1/6 deel plus 4,5% toeslag</al></entry><entry colname="col4" morerows="4"><al>21,17%</al></entry><entry colname="col5" morerows="4"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt,
                                            volgt een opleiding en ontvangt algemene bijstand of kan
                                            algemene bijstand ontvangen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>De ouder heeft geen uitkering en volgt een
                                            re-integratietraject of een opleiding en heeft een
                                            inkomen dat lager is dan 120% van de toepasselijke
                                            bijstandsnorm.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>De ouder volgt een inburgeringsvoorziening op grond van
                                            de Wet Inburgering en heeft een inkomen dat lager is dan
                                            120% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>De ouder of partner behoort tot één van de doelgroepen
                                            onder 1 tot en met 4 en de andere partner heeft inkomen
                                            uit arbeid dat lager is dan 120% van de toepasselijke
                                            bijstandsnorm.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>De ouder heeft geen uitkering en volgt een
                                            re-integratietraject of een opleiding en heeft een
                                            inkomen dat hoger is dan 120% van de toepasselijke
                                            bijstandsnorm.</al></entry><entry colname="col3" morerows="4"><al>1/6 deel</al></entry><entry colname="col4" morerows="4"><al>16,67% </al></entry><entry colname="col5" morerows="4"><al>Ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>De ouder volgt een inburgeringsvoorziening op grond van
                                            de Wet Inburgering en heeft een inkomen dat hoger is dan
                                            120% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>De ouder of partner behoort tot één van de doelgroepen
                                            onder 1 tot en met 4 en de andere partner heeft inkomen
                                            uit arbeid dat hoger is dan 120% van de toepasselijke
                                            bijstandsnorm.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>De ouder is student en ingeschreven bij een school of
                                            instelling als bedoeld in de WTOS of de Wsf 2000 en
                                            heeft geen inkomen uit arbeid.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>De ouder of partner behoort tot één van de doelgroepen
                                            onder 7 en 9 en de andere partner heeft inkomen uit
                                            arbeid.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>De ouder heeft een inkomen uit arbeid, aangevuld met
                                            algemene bijstand.</al></entry><entry colname="col3" morerows="1"><al>4,5% toeslag</al></entry><entry colname="col4" morerows="1"><al>4,5%</al></entry><entry colname="col5" morerows="1"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>Zowel de ouder als de partner hebben een inkomen uit
                                            arbeid dat wordt aangevuld met algemene bijstand.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>Zowel de ouder als partner behoren tot één van de
                                            doelgroepen 1 tot en met 4.</al></entry><entry colname="col3"><al>1/3 deel plus 4,5% toeslag</al></entry><entry colname="col4"><al>37,84%</al></entry><entry colname="col5"><al>Nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>De ouder of partner behoort tot één van de doelgroepen
                                            onder 1 tot en met 4 en de andere partner behoort tot
                                            één van de doelgroepen onder 7 en 9.</al></entry><entry colname="col3"><al>1/3 deel</al></entry><entry colname="col4"><al>33,34%</al></entry><entry colname="col5"><al>Ja</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel
                        1.28 van de wet. Volledigheidshalve wordt deze verplichting hier herhaald.
                        Het vierde lid van artikel 1.28 bevat de inlichtingenplicht voor houders van
                        een kindercentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt: ‘De houder
                        verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders alle
                        gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de
                        tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn’.</al><al/><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                        onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang; </al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft
                                geen recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke
                                doelgroep). </al></li></lijst><al/><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten
                        onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het
                        college de beschikking tot het toekennen van de tegemoetkoming intrekken of
                        wijzigen en het te veel betaalde bedrag terugvorderen. In artikel 1.38 van
                        de wet worden de bepalingen in de Wet werk en bijstand (WWB) over de
                        terugvordering van bijstand van overeenkomstige toepassing verklaard op het
                        terugvorderen van een tegemoetkoming. Dit betekent bijvoorbeeld dat het
                        bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden verrekend met de tegemoetkoming
                        die aan de ouder wordt verstrekt. Naast het intrekken en terugvorderen van
                        de tegemoetkoming kan het college in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke
                        boete opleggen op grond van artikel 1.72 van de wet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Kinderopvangtoeslag</titel></kop><al>De ouder is zelf verantwoordelijk voor het aanvragen van
                        kinderopvangtoeslag. In de beschikking wordt als voorwaarde voor toekenning
                        opgenomen dat de ouder de Belastingdienst opdracht geeft om de
                        kinderopvangtoeslag rechtstreeks betaalbaar te stellen aan het kindercentrum
                        of gastouderbureau. Hiermee wordt voorkomen er schulden ontstaan bij de
                        Belastingdienst. De Belastingdienst kan schulden verrekenen met nog te
                        betalen toeslagen waardoor de kinderopvang vroegtijdig moet worden
                        beëindigd. Dit is niet in het belang van de gemeente en de ouder.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Sociaal medische indicatie</titel></kop><al>Wanneer als gevolg van sociaal medische problematiek van ouder of kind een
                        ontwikkelingsachterstand dreigt voor het kind en de ouder niet behoort tot
                        een van de wettelijke doelgroepen, kan de ouder een aanvraag doen voor
                        vergoeding van kosten voor kinderopvang in het kader van een sociaal
                        medische indicatie. Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot
                        de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat op een tegemoetkoming uit hoofde
                        van een sociaal medische indicatie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid tot individualiserend handelen als strikte
                        toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt. Bij het afwijken van
                        de bepalingen kunnen de rechten van belanghebbende op basis van deze
                        verordening niet worden aangetast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al><al/><al>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Schiedam in zijn openbare
                        vergadering van 9 juni 2011.</al><al/><al>De griffier, J. Gordijn,</al><al>de voorzitter M.J.C.Houtkamp</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>