<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR120471_5</dcterms:identifier><dcterms:title>Woonschepenverordening Zaanstad 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-01-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-6519">Gemeenteblad 2016, nummer 6519</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Woonschepenverordening Zaanstad</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005537">1. Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">2. Algemene Plaatselijke verordening</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-04-16</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 1.1. sub h, met toelichting en artikel 22</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015/268434</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Wonen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Woonschepenverordening Zaanstad 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de Gemeente Zaanstad,gelezen het voorstel van het college;</al><al>kennis genomen hebbende van de punten uit de voorbereidende
                        vergadering;</al><al>kennis genomen hebbende van de toezeggingen van de portefeuillehouder in de
                        voorbereidende vergadering;</al><al/><al><cursief>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</cursief></al><al><cursief>overwegende dat het uit een oogpunt van openbare orde, veiligheid,
                            gezondheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente wenselijk is
                            regels te stellen ten aanzien van het gebruik van ligplaatsen voor
                            woonschepen in openbaar water;</cursief></al><al/><al><vet>Besluit:</vet></al><al/><al>Vast te stellen de Woonschepenverordening Zaanstad 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Woonschepenverordening Zaanstad 2010</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen en wijze van
                                meten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Algemene plaatselijke verordening: de door de raad
                                        vastgestelde Algemene plaatselijke verordening
                                        Zaanstad;</al></li><li nr="b."><al>college: burgemeester en wethouders van Zaanstad;</al></li><li nr="c."><al>openbaar water: alle wateren die, al dan niet met enige
                                        beperking, voor het publiek bevaarbaar of anderszins
                                        toegankelijk zijn;</al></li><li nr="d."><al>aangewezen ligplaats: door de raad aangewezen kavel in het
                                        openbaar water, al dan niet met een op de oever aangewezen
                                        terrein of gedeelte daarvan, bestemd voor het permanent
                                        afmeren van een (bepaald soort) woonschip;</al></li><li nr="e."><al>aanwijzingsbesluit: overzicht van aangewezen ligplaatsen met
                                        kaart, met daarop onder meer een aanduiding van de
                                        kavelgrenzen;</al></li><li nr="f."><al>waterkavel: het watergedeelte van een ligplaats;</al></li><li nr="g."><al>oeverkavel: het terreingedeelte van een ligplaats, inclusief
                                        eventueel aanwezige beschoeiing; </al></li><li nr="h."><al>woonschip: woonark of woonboot, uitsluitend of in hoofdzaak
                                        gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie of
                                        inrichting, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd tot dag- of
                                        nachtverblijf van een of meer personen, niet zijnde een
                                        waterwoning en al dan niet te kwalificeren als
                                        bouwwerk;</al></li><li nr="i."><al>woonark: drijvend object, in het algemeen niet bestemd of
                                        ingericht om te varen, doorgaans voorzien van een betonnen
                                        casco met vierkante of rechthoekige opbouw(en);</al></li><li nr="j."><al>woonboot: drijvend of varend object dat herkenbaar is aan
                                        casco, romp en opbouw als een (van origine) varend
                                        schip;</al></li><li nr="j."><al>bijbehorende voorzieningen: zaken zonder welke het gebruik
                                        van een woonschip als woning niet goed mogelijk is, zoals
                                        een steiger of een loopplank; </al></li><li nr="k."><al>waterwoning: geheel of gedeeltelijk in of op het water
                                        gelegen object, niet zijnde een woonschip, uitsluitend of in
                                        hoofdzaak gebezigd als, of te oordelen naar zijn constructie
                                        of inrichting, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd tot dag-
                                        of nachtverblijf van een of meer personen, met zodanige
                                        (verankerings)voorzieningen dat op het object als bouwwerk
                                        de bij of krachtens de Woningwet geldende bepalingen van
                                        toepassing zijn. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in deze verordening genoemde maten worden uitwendig gemeten, daar
                                waar de grootste afstand geldt, en verder met inachtneming van het
                                volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>lengte wordt gemeten op de plaats waar het woonschip het
                                        langst is, inclusief voorzieningen zoals stoot-, loop- en
                                        dakranden, goten, roer, boegspriet en dergelijke;</al></li><li nr="-"><al>breedte wordt gemeten op de plaats waar het woonschip het
                                        breedst is, inclusief voorzieningen zoals stoot-, loop- en
                                        dakranden, gangboorden, goten, zwaarden en dergelijke;</al></li><li nr="-"><al>hoogte wordt gemeten in meters vanaf de waterlijn tot aan
                                        het hoogste punt van de romp of, indien aanwezig, opbouw.
                                        Boven de romp of opbouw uitstekende delen en eenvoudig te
                                        verwijderen onderdelen, een en ander ter beoordeling van het
                                        college, worden niet meegerekend;</al></li><li nr="-"><al>diepte wordt gemeten vanaf de waterlijn tot het diepst
                                        stekende scheepsdeel;</al></li><li nr="-"><al>oppervlakte wordt bepaald als product van de lengte en de
                                        breedte van het woonschip.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Algemene plaatselijke verordening</titel></kop><al>In gevallen, waarin deze verordening niet voorziet, is de Algemene
                            plaatselijke verordening van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verbod woonschip in openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in openbaar water met een woonschip ligplaats in te
                                nemen of te hebben of een ligplaats voor een woonschip beschikbaar
                                te stellen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het voorgaande lid geldt niet voor een woonschip in
                                aanbouw of ter reparatie op een scheepswerf of reparatie-inrichting,
                                een en ander ter beoordeling van het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Ligplaatsvergunning</titel></kop><al>Het college kan in afwijking van het verbod in artikel 3 op aanvraag aan
                            een eigenaar vergunning verlenen om met een woonschip in openbaar water
                            een aangewezen ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te
                            stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanwijzingsbesluit en nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad wijst ligplaatsen aan (aanwijzingsbesluit met bijbehorende
                                kaart).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het aanwijzingsbesluit kan door deraad worden gewijzigd, onder meer
                                om het in overeenstemming met een bestemmingsplan te brengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan het met een woonschip innemen van een aangewezen
                                ligplaats dan wel aan het hebben of het beschikbaar stellen van een
                                aangewezen ligplaats voor een woonschip in openbaar water:</al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                        volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien
                                        van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal woonschepen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aanvraag en beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om ligplaatsvergunning wordt ingediend door
                                gebruikmaking van het daartoe door het college vastgestelde
                                formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Bij de aanvraag worden als bijlagen in ieder geval gevoegd: </al><lijst><li nr="a."><al>kopie van de verkrijgingstitel;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: kopie van inschrijving in
                                        scheepskadaster;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist op de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van de aanvraag of op verzoek aanvullend verstrekte gegevens.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Weigering ligplaatsvergunning en
                                vergunningvoorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ligplaatsvergunning wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de betreffende ligplaats al vergunning is verleend en
                                        deze nog geldig is;</al></li><li nr="b."><al>het woonschip belemmeringen of gevaarlijke situaties
                                        veroorzaakt voor verkeer te water of op de wal;</al></li><li nr="c."><al>vergunningverlening zou leiden tot afwijking van het
                                        aanwijzingsbesluit;</al></li><li nr="d."><al>de afmetingen van het woonschip niet voldoen aan het
                                        bepaalde in artikel 10; </al></li><li nr="e."><al>de afmetingen van het woonschip weliswaar voldoen maar de
                                        aangevraagde afmetingen onmogelijk zijn als gevolg van
                                        plaatselijke omstandigheden van de betreffende ligplaats;
                                    </al></li><li nr="f."><al>het uiterlijk van het woonschip naar het oordeel van het
                                        college afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="g."><al>niet wordt voldaan aan de veiligheids- en inrichtingseisen
                                        als genoemd in artikel 11;</al></li><li nr="h."><al>het, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk
                                        is dat de aanvrager binnen twaalf weken na het indienen van
                                        de aanvraag met het woonschip de plaats waarvoor de
                                        ligplaatsvergunning is aangevraagd, kan innemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan een ligplaatsvergunning kan het college voorwaarden
                                verbinden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad wijst ligplaatsen voor woonschepen aan en als deze zijn
                                aangewezen, kan het college nadere regels stellen met betrekking tot
                                het verlenen van een ligplaatsvergunning. De bevoegdheid is van
                                belang voor bijvoorbeeld het toewijzen van door de raad aangewezen
                                ligplaatsen aan rechthebbende personen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in Zaanstad maximaal drie ligplaatsen aanwijzen, die
                                gelden als gereserveerde ligplaatsen waarvoor geen
                                ligplaatsvergunning wordt afgegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Karakter ligplaatsvergunning en
                                tenaamstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ligplaatsvergunning is persoons-, ligplaats- en
                                scheepsgebonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>2 Een ligplaatsvergunning wordt gesteld op naam van de eigenaar van
                                het woonschip en vermeldt de plaatsaanduiding van de desbetreffende
                                ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het
                                woonschip.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op verzoek van de eigenaar van het woonschip kan het college de
                                vergunning op naam van een rechtverkrijgende stellen. Bij het
                                verzoek, waarbij gebruikt wordt gemaakt van een aanvraagformulier,
                                wordt een kopie van de verkrijgingstitel gevoegd. Op het verzoek tot
                                het uitsluitend wijzigen van de tenaamstelling is het bepaalde in de
                                artikelen 6 en 7 niet van toepassing, tenzij het woonschip na 1
                                januari 2004 zonder vergunning is gewijzigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Wijzigingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien wijziging van een ligplaatsvergunning noodzakelijk is, anders
                                dan de enkele wijziging van een tenaamstelling als bedoeld in
                                artikel 8 lid 3, dient de eigenaar vooraf bij het college een
                                aanvraag tot wijziging van de ligplaatsvergunning in.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de aanvraag tot wijziging van een ligplaatsvergunning is het
                                bepaalde in de artikelen 6, 7 en 8 lid 1 en 2 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Afmetingen woonschip en ontheffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maximum afmetingen van een woonark zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>lengte: 20 meter;</al></li><li nr="b."><al>breedte: 6,50 meter;</al></li><li nr="c."><al>hoogte: 5 meter boven de waterlijn;</al></li><li nr="d."><al>diepte: 2 meter onder de waterlijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan, onder meer in verband met de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 1 lid 2, ontheffing verlenen van de sub a en b
                                genoemde afmetingen tot maximaal 25 respectievelijk 6,875 meter,
                                mits dat niet leidt overschrijding van de waterkavelgrens, genoemd
                                in artikel 11 lid 1 sub k.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maximum afmetingen van een woonboot zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>lengte: 32 meter;</al></li><li nr="b."><al>breedte: 6,50 meter;</al></li><li nr="c."><al>hoogte: 5 meter boven de waterlijn;</al></li><li nr="d."><al>diepte: 2 meter onder de waterlijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan, onder meer in verband met de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 1 lid 2, ontheffing verlenen van de sub a en b
                                genoemde afmetingen tot maximaal 40 respectievelijk 7,50 meter, mits
                                dat niet leidt overschrijding van de waterkavelgrens, genoemd in
                                artikel 11 lid 1 sub k.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste
                                en derde lid tot de maximale afmetingen toegestaan op basis van een
                                ter plaatse van een ligplaats geldend bestemmingsplan, indien deze
                                afmetingen de in het eerste en derde lid genoemde afmetingen
                                overschrijden en mits dat niet leidt overschrijding van de
                                waterkavelgrens, genoemd in artikel 11 lid 1 sub k.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het derde
                                lid onder d voor een diepte tot 4 meter onder de waterlijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Veiligheids- en inrichtingseisen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In het kader van de veiligheid, de gezondheid en het milieu dient
                                een woonschip te voldoen aan de navolgende eisen: </al><lijst><li nr="a."><al>Een woonschip wordt uitsluitend afgemeerd aan daartoe
                                        bestemde, deugdelijke afmeermiddelen.</al></li><li nr="b."><al>Een woonschip is lekvrij en waterdicht;</al></li><li nr="c."><al>Een woonschip waarvan het drijvende deel bestaat uit een
                                        stalen casco heeft een scheepswand met een plaatdikte van
                                        minimaal 3,0 millimeter.</al></li><li nr="d."><al>De opbouw beschikt over voldoende sterkte, stijfheid en
                                        stabiliteit, waarvan moet blijken uit een berekening, uit te
                                        voeren naar analogie van de in het Bouwbesluit gestelde
                                        voorschriften.</al></li><li nr="e."><al>Een woonschip, waarvan het drijvende deel bestaat uit een
                                        stalen casco, wordt tenminste eenmaal in zeven jaren bij een
                                        scheepswerf op het droge gezet voor inspectie en onderhoud.
                                        Van inspectie en onderhoud wordt een rapport opgemaakt,
                                        waarvan binnen vier weken na ontvangst daarvan door de
                                        eigenaar van het woonschip kopie aan het college wordt
                                        gezonden.</al></li><li nr="f."><al>De toegang tot/vluchtweg van het woonschip sluit direct aan
                                        op de wal en is tenminste 0,85 meter breed;</al></li><li nr="g."><al>De vluchtweg (loopplank, steiger) is zodanig gelegen dat,
                                        vanuit het woonschip komend, op de wal zonder obstakels
                                        zowel naar links als naar rechts kan worden gevlucht;</al></li><li nr="h."><al>Een beweegbaar constructieonderdeel, niet zijnde een
                                        nooddeur, bevindt zich in geopende stand niet boven een
                                        loopplank of steiger waarover een vluchtroute voert.</al></li><li nr="i."><al>De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte in
                                        het woonschip en een ingang van het woonschip die aansluit
                                        op de loopplank of steiger van waaruit de vluchtroute buiten
                                        het woonschip begint, bedraagt ten hoogste 15 meter. In een
                                        besloten ruimte, in de route als hiervoor bedoeld, moet een
                                        niet-ioniserende rookmelder, volgens de eisen in NEN 2555,
                                        zijn aangebracht,die is aangesloten op een voorziening voor
                                        elektriciteit, zoals eveneens is aangegeven in de NEN-norm.
                                    </al></li><li nr="j."><al>De in i. genoemde loopafstand kan maximaal 25 meter zijn
                                        als</al><lijst><li nr="-"><al>in voor alle voor mensen toegankelijke ruimten, met
                                                uitzondering van een toilet- of badruimte, een
                                                niet-ioniserende rookmelder volgens de eisen in NEN
                                                2555 is aangebracht, die is aangesloten op een
                                                voorziening voor elektriciteit, zoals is aangegeven
                                                in NEN 2555.</al></li><li nr="-"><al>bij het in alarmfase gaan van één rookmelder in elke
                                                verblijfsruimte een geluidniveau hoorbaar is van ten
                                                minste 65 dB(A), doch niet meer dan 85 dB(A).</al></li></lijst></li><li nr="k."><al>De afstand tussen twee naast of achter elkaar liggende
                                        woonschepen bedraagt ten minste 5 meter. Deze tussenafstand
                                        wordt tot stand gebracht doordat met elk der woonschepen een
                                        afstand van tenminste 2,5 meter tot de daartussen gelegen
                                        waterkavelgrens in acht wordt genomen;</al></li><li nr="l."><al>Het college kan ontheffing verlenen van de eis van 5 meter
                                        tussenruimte, tot een minimum van 1,5 meter, indien de
                                        wanden die grenzen aan naastliggende woonschepen voldoen aan
                                        de volgende eisen:</al><lijst><li nr="1."><al>de in deze wanden aanwezige deur- en
                                                raamconstructies en mogelijke doorvoeringen bezitten
                                                een brandwerendheid van 30 minuten conform de
                                                NEN-norm 6068,</al></li><li nr="2."><al>in de wanden bevinden zich geen draaiende delen
                                                anders dan zelfsluitende deuren, en</al></li><li nr="3."><al>de wanden bezitten een brandvoortplantingsklasse van
                                                2 of minder conform de NEN-norm 6064. </al></li></lijst></li><li nr="m."><al>Ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats van
                                        een woonschip wordt onbrandbaar materiaal conform NEN-norm
                                        6064 toegepast indien:</al><lijst><li nr="1."><al>ter plaatse van of in de nabijheid van die
                                                stookplaats een intensiteit van de warmtestraling
                                                kan optreden die groter is dan 2 kW/m<sup>2</sup>,
                                                conform NEN-norm 6061 of</al></li><li nr="2."><al>in het materiaal een temperatuur kan optreden die
                                                hoger is dan 363 K, bepaald volgens NEN-norm
                                                6061.</al></li></lijst></li><li nr="n."><al>Een voorziening voor de afvoer van rook is brandveilig
                                        uitgevoerd, conform NEN –norm 6062.</al></li><li nr="o."><al>Een voorziening voor de afvoer van rook is samengesteld uit
                                        onbrandbaar materiaal, conform NEN-norm 6064, indien in dat
                                        materiaal een temperatuur kan optreden van meer dan 363 K,
                                        overeenkomstig NEN-norm 6062.</al></li><li nr="p."><al>Materiaal van een constructieonderdeel van een wand die
                                        grenst aan de binnenlucht bezit een rookdichtheid van
                                        maximaal 10 m<sup>-1</sup>, bepaald volgens NEN 6066.</al></li><li nr="q."><al>Het dak van een woonschip is niet brandgevaarlijk, conform
                                        NEN-norm 6063.</al></li><li nr="r."><al>Een woonschip op minder dan 40 meter afstand van een
                                        gemeentelijk riool of andere afvoervoorziening voor
                                        vuilwater en faecaliën is op die afvoervoorziening
                                        aangesloten;</al></li><li nr="s."><al>Een woonschip heeft een aansluiting voor het distributienet
                                        van de openbare waterleiding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een verzoek om ontheffing van het bepaalde in het eerste lid
                                onder l wordt een toelichting met tekeningen of een
                                deskundigenrapport gevoegd, waaruit blijkt dat aan de betreffende
                                eisen is voldaan. Het college wint advies in bij de regionale
                                brandweer Zaanstreek-Waterland.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met betrekking tot het bepaalde in de voorgaande leden kan het
                                college nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Intrekking ligplaatsvergunning</titel></kop><al>Het college kan de ligplaatsvergunning intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de ligplaatsvergunning ten gevolge van een onjuiste opgave of
                                    informatie is verleend</al></li><li nr="b."><al>de gegevens in de ligplaatsvergunning niet meer overeenstemmen
                                    met de werkelijke situatie;</al></li><li nr="c."><al>niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze verordening
                                    gegeven voorschriften, waaronder de veiligheids- en
                                    inrichtingseisen als genoemd in artikel 11;</al></li><li nr="d."><al>het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft naar het
                                    oordeel van het college afbreuk doet aan het aanzien van de
                                    gemeente;</al></li><li nr="e."><al>het woonschip gedurende twaalf tot maximaal zesentwintig
                                    aaneengesloten weken niet op de ligplaats aanwezig is zonder
                                    voorafgaande schriftelijke melding aan het college; </al></li><li nr="f."><al>het woonschip langer dan zesentwintig aaneengesloten weken niet
                                    op de ligplaats aanwezig is zonder voorafgaand schriftelijk
                                    gevraagde en voorafgaand verkregen toestemming van het
                                    college;</al></li><li nr="g."><al>op de ligplaats voorzieningen aanwezig zijn die niet zijn
                                    vermeld op de ligplaatsvergunning. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Herstellen, (ver)bouwen, droogzetten, slopen
                                en het opleggen van woonschepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college in
                                openbaar water:</al><lijst><li nr="a."><al>aan een woonschip herstellingen te verrichten;</al></li><li nr="b."><al>een woonschip te bouwen, te verbouwen of te vergroten;</al></li><li nr="c."><al>een vaartuig tot woonschip om te bouwen dan wel tot
                                        woonschip te verbouwen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor kleine
                                reparaties, behorende tot het normale onderhoud, voor inwendige
                                verbouwingen en voor noodreparaties.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                wordt tenminste gevoegd een toereikende omschrijving van de te
                                verrichten werkzaamheden en bouwtekeningen van de bestaande en
                                beoogde situatie. Voorts is op de aanvraag- en verleningprocedure
                                van overeenkomstige toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 6 lid 3,</al></li><li nr="b."><al>artikel 7 lid 1, aanhef en sub b tot en met g.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden een woonschip te slopen of droog te zetten op andere
                                dan door het college aangewezen plaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Aanwijzingen van het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de rechthebbende op een woonschip aanwijzingen
                                geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een
                                ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid,
                                veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een woonschip is verplicht alle door of vanwege
                                het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen,
                                veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Bedrijfsmatige activiteiten op
                                woonschepen</titel></kop><al>Het is verboden zonder voorafgaande ontheffing van het college
                            bedrijfsmatige activiteiten op een woonschip uit te oefenen. Dit verbod
                            geldt niet ingeval van gebruik van gedeelten van een woonschip als
                            kantoor en/of praktijkruimte ten behoeve van aan huis verbonden beroepen
                            en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, mits:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft;</al></li><li nr="b."><al>het vloeroppervlak in gebruik voor kantoor-en/of praktijkruimte
                                    of de bedrijfsmatige activiteit niet groter is dan 30% van het
                                    bruto vloeroppervlakte van het woonschip en bijbehorende
                                    bouwwerken, met een maximum van 65 m²;</al></li><li nr="c."><al>ten behoeve van de kantoor- en/of praktijkruimte wordt voorzien
                                    in voldoende parkeergelegenheid;</al></li><li nr="d."><al>het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale
                                    afwikkeling van het verkeer;</al></li><li nr="e."><al>geen horeca en geen detailhandel mag plaatsvinden, uitgezonderd
                                    een beperkte verkoop ondergeschikt aan de uitoefening van de
                                    kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;</al></li><li nr="f."><al>het beroep of de activiteit door de bewoner wordt
                                    uitgeoefend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Ontsierende woonschepen</titel></kop><al>Het is verboden in openbaar water met een woonschip ligplaats in te
                            nemen of te hebben of een ligplaats voor een woonschip beschikbaar te
                            stellen waarvan het uiterlijk naar het oordeel van het college afbreuk
                            doet aan het aanzien van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Anti-hardheid</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van het bepaalde in deze
                            verordening, indien toepassing daarvan zou leiden tot onevenredige
                            onbillijkheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Toezicht</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college van burgemeester
                            en wethouders aan te wijzen personen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Strafbepalingen</titel></kop><al> Overtreding van het bepaalde in artikel 3 lid 1 wordt gestraft met
                            hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede
                            categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Binnentreden</titel></kop><al> Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woonschip zonder toestemming
                            van de bewoner. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Dit besluit treedt in werking de dag na de bekendmaking</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: 'Woonschepenverordening
                                    Zaanstad'.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ligplaatsvergunningen, afgegeven op grond van een besluit van de
                                    gemeente Zaanstad, de voormalige Zaangemeenten of de Provincie
                                    Noord-Holland worden geacht vergunningen op grond van deze
                                    verordening te zijn.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen van vergunning waarop op het moment van
                                    inwerkingtreding van deze verordening nog geen beslissing is
                                    genomen, worden afgehandeld op grond van deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>De aangepaste bepalingen van deze Verordening, vastgesteld door
                                    de gemeenteraad op 17 december 2015 hebben een terugwerkende
                                    kracht tot en met 16 april 2014.'</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen en wijze van
                    meten</tussenkop><al/><al>Deze verordening geldt voor woonschepen, die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd
                    tot dag- of nachtverblijf van een of meer personen (woonfunctie). De verordening
                    geldt niet voor jachten en andere pleziervaartuigen, zolang deze als zodanig
                    worden gebruikt. Deze kunnen echter als woonschepen worden aangemerkt indien -
                    bijvoorbeeld op grond van de aanwezigheid van een aansluiting op openbare
                    nutsvoorzieningen, aan de wal getroffen voorzieningen of anderszins -
                    redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het recreatief gebruik als zodanig
                    bijzaak is. Verder heeft deze verordening geen betrekking op zgn. waterwoningen
                    (zie ook onder m). Op waterwoningen is de bouwregelgeving ingevolge de Woningwet
                    c.a. (voor zoveel mogelijk) rechtstreeks van toepassing, omdat deze als
                    ‘bouwwerk’ op grond van die regelgeving kwalificeren. Een woonschip wordt sinds
                    16 april 2014 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met
                    regelmaat gekwalificeerd als bouwwerk.</al><al/><al>Bij het begrip ‘woonschip’ (vgl. onder h) kan het gaat om woonarken of
                    woonboten. Onder i en j zijn deze twee categorieën woonschepen nader
                    gedefinieerd. Het gaat daarbij om uiterlijke kenmerken en deels ook om
                    functionele mogelijkheden. Een woonark is in het algemeen niet geschikt om mee
                    te varen. Bij woonboten was dat (en is dat in sommige gevallen nog steeds)
                    mogelijk. De niet-varende woonboten zijn als zodanig herkenbaar als een van
                    origine varend schip. Kenmerkend voor woonarken is voorts dat deze vaak
                    beschikken over een betonnen casco (‘bak’) en voorzien zijn van vierkante of
                    rechthoekige opbouwen. Het kan daarbij echter ook gaan om voormalige dekschuiten
                    of stalen pontons, waarbij op het (meestal) stalen casco een opbouw is
                    aangebracht. Het onderscheid is onder meer van belang omdat het verwisselen van
                    bijvoorbeeld een woonboot door een woonark als een nieuwe situatie wordt
                    aangemerkt, waarvoor wijziging van de ligplaatsvergunning nodig is. Ook kan in
                    bestemmingsplannen of in nadere regels van het college en in het
                    aanwijzingsbesluit zijn bepaald dat het afmeren op bepaalde locaties
                    bijvoorbeeld alleen voor woonboten maar niet voor woonarken mogelijk is.</al><al/><al>Onder c is het begrip 'openbaar water' gedefinieerd. Een openbaar water in de
                    zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat voor enig gebruik
                    open staat voor het publiek. 'Openbaar' is hier dus synoniem aan 'feitelijk voor
                    het publiek toegankelijk'. Het openbaar water heeft dus niet alleen betrekking
                    op het water dat in beheer is van de gemeente.</al><al/><al>Onder d wordt gesproken over de “aangewezen ligplaats”. Het college kan zgn.
                    kavels in openbaar water aanwijzen, die als ligplaats mogen worden gebruikt.
                    Naast een watergedeelte (waterkavel) kan bij een ligplaats ook sprake zijn van
                    een mede aangewezen gedeelte van de oever (oeverkavel), zie onder f en g. In
                    deze verordening is gekozen voor een systeem, waarin uitsluitend vergunning kan
                    worden verleend ten aanzien van aangewezen ligplaatsen (vgl. verder artikel 3 en
                    4).</al><al/><al>Onder k is term 'bijbehorende voorzieningen' gedefinieerd, zoals een loopplank
                    of een steiger. Zie voor andere voorbeelden de toelichting op artikel 8 lid 2.
                    Het moet gaan om voorzieningen die nodig zijn voor het gebruik van een
                    woonschip. Voorzieningen als bijvoorbeeld vlotten of pleziervaartuigen vallen
                    niet onder de reikwijdte van deze bepalingen. Dit onderwerp is onder meer in de
                    Algemene plaatselijke verordening geregeld. De bijbehorende voorzieningen kunnen
                    op het aanvraagformulier worden vermeld. Deze worden getoetst en, indien akkoord
                    bevonden, opgenomen in de ligplaatsvergunning (vgl. artikel 8 lid 2). Als
                    vervolgens op de ligplaats voorzieningen aanwezig zijn, die afwijken van de
                    toegestane voorzieningen, kan de gemeente de ligplaatsvergunning intrekken (vgl.
                    artikel 12). Op deze manier kunnen excessen op het water worden voorkomen.
                    Intrekking van een vergunning wordt overigens als een ingrijpende beslissing
                    beschouwd. Er zijn ook andere vormen van handhaving denkbaar (vgl. daarover
                    verder de toelichting bij artikel 12).</al><al/><al>In het tweede lid van artikel 1 zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot
                    de wijze van bepaling van de afmetingen van een woonschip. Een woonschip mag
                    niet een zodanige omvang hebben dat bijvoorbeeld de doorvaartmogelijkheden van
                    de beroeps- of recreatievaart worden bemoeilijkt. Verder spelen de afmetingen
                    een rol bij de situering van een woonschip in een aangewezen ligplaatskavel en
                    bij de situering van woonschepen ten opzichte van elkaar. Gemeten wordt ‘bruto
                    over alles’, dus bijvoorbeeld de lengte op <cursief>dat</cursief> punt van de
                    woonark of woonboot, waar deze – inclusief uit- of overstekende onderdelen zoals
                    stoot-, loop- en dakranden, gangboorden, goten, roer, boegspriet, zwaarden e.d.–
                    het langst is. Zie verder de toelichting op artikel 10.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Algemene plaatselijke verordening</tussenkop><al>In deze verordening zijn onderwerpen geregeld, die voorheen in de APV een
                    regeling hadden gevonden. De APV bevat nog steeds bepalingen die bijvoorbeeld
                    met openbaar water verband houden of voorzien in meer algemene voorschriften,
                    die zich mede (kunnen) uitstrekken tot onderwerpen die voor het overige meer
                    specifiek in de Woonschepenverordening geregeld zijn. Mocht zich een situatie
                    voordoen, waarin deze verordening geen of onvoldoende uitsluitsel biedt, dan is
                    sprake van de (aanvullende) werking van de APV. </al><al/><tussenkop>Artikel 3 Verbod woonschip in openbaar water</tussenkop><al>Uitgangspunt is het algehele verbod om binnen de gemeente in openbaar water met
                    een woonschip ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen. Het
                    ‘innemen van ligplaats’ als genoemd in artikel 3 heeft geen specifieke
                    juridische betekenis. Het begrip ‘ligplaats’ is in de verordening als zodanig
                    ook niet gedefinieerd. Bedoeld is hetgeen daaronder naar algemeen spraakgebruik
                    wordt verstaan: het ergens neerleggen/afmeren van een woonschip. Dat is in
                    openbaar water in de gemeente verboden. Twee uitzonderingen zijn daarop
                    mogelijk. </al><al>De eerste uitzondering is wanneer de eigenaar van een woonschip beschikt over
                    een door het college verleende vergunning om met een woonschip een ligplaats in
                    te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen. Het moet daarbij om een zgn.
                    ‘aangewezen ligplaats’ gaan. Dat begrip is in de verordening wel gedefinieerd
                    (vgl. artikel 1.1 sub d) en het innemen van een aangewezen ligplaats is daarmee
                    een juridisch relevant begrip: alleen dáárvoor kan een ligplaatsvergunning
                    worden verleend (vgl. artikel 4).</al><al>In het tweede lid is bepaald dat een woonschip zich in openbaar water (dus ook
                    buiten door het college aangewezen ligplaatsen) mag bevinden ingeval van bouw of
                    reparatie daarvan, mits dit op een scheepswerf of reparatie-inrichting plaats
                    vindt. Het college komt beslissingsvrijheid toe bij de bepaling of er sprake is
                    van een scheepswerf of reparatie-inrichting, om oneigenlijk gebruik tegen te
                    gaan. </al><al/><tussenkop>Artikel 4 Ligplaatsvergunning</tussenkop><tussenkop>De eigenaar van een woonschip moet beschikken over een
                    ligplaatsvergunning, ook in de (weinig voorkomende) gevallen waarin er sprake is
                    van een verhuurd woonschip. Bepalingen over de aanvraagprocedure zijn vervat in
                    artikel 6. Artikel 7 van deze verordening bevat de weigeringsgronden. </tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 5 Aanwijzingsbesluit en nadere regels</tussenkop><al>Een ligplaatsvergunning kan alleen worden verleend voor locaties, die door
                    deraad als ligplaats zijn aangewezen. De verordening gaat ervan uit dat de
                    ligplaatsen worden aangeduid op een bij het aanwijzingsbesluit behorende kaart
                    (vgl. de toelichting op artikel 1.1 sub d). Aanwijzing van ligplaatsen – althans
                    tenminste één ligplaats - is verder vereist om niet in strijd te komen met de
                    Huisvestingswet (artikel 88). Bij het aanwijzen als ligplaatsen gaat het om een
                    afweging van diverse belangen (zoals planologische en nautische). Daarnaast is
                    andere regelgeving (zoals een provinciale landschaps- of woonschepenverordening,
                    de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het
                    Luchthavenindelingbesluit Schiphol e.d.) relevant bij het al dan niet aanwijzen
                    van ligplaatsen.</al><al>Verder bestaat er een relatie met de bestemmingsplannen, die op de aan te wijzen
                    locaties betrekking hebben. Het aanwijzingsbesluit en die bestemmingsplannen
                    moeten op elkaar worden afgestemd. In lid 2 is daarom aan de raad de bevoegdheid
                    gegeven om het aanwijzingsbesluit en de bijbehorende kaart te actualiseren
                    ingeval er een nieuw bestemmingsplan is opgesteld of een bestemmingsplan is
                    herzien. Wijzigingen in het aanwijzingsbesluit zullen eveneens in het
                    bestemmingsplan moeten worden doorgevoerd. Indien een aanvraag van een ligplaats
                    wordt ingediend voor een plaats die op grond van een nieuw bestemmingsplan is
                    aangewezen als ligplaats, maar op grond van de Woonschepenverordening moet
                    worden geweigerd omdat het aanwijzingsbesluit nog niet geactualiseerd is, ligt
                    het voor de hand dat de raad de aanvraag aanhoudt, het aanwijzingsbesluit en de
                    kaart actualiseert en vervolgens de ligplaatsvergunning verleent (indien de
                    aanvraag verder aan de voorwaarden van de verordening voldoet). </al><al/><al>In lid 3 is voorzien in de (algemene) mogelijkheid voor het college om bij het
                    innemen van een ligplaats en dergelijke nadere regels te stellen met het oog op
                    de in dat lid genoemde belangen. Tevens voorziet het derde lid in de bevoegdheid
                    om beperkingen te stellen aan het aantal en de soort woonschepen (vgl. voor dat
                    laatste onder meer de toelichting op artikel 1.1 sub h, i, en j).</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Aanvraag en beslistermijn</tussenkop><al>Voor het aanvragen van een ligplaatsvergunning wordt gebruik gemaakt van een
                    daartoe bestemd formulier. Daarbij kan de aanvrager relevante bescheiden
                    overleggen. Bij de aanvraag moeten tenminste een kopie van de verkrijgingstitel
                    en, indien van toepassing, een kopie van inschrijving in het scheepskadaster
                    zijn gevoegd. Met verkrijgingstitel wordt bedoeld een document, waaruit blijkt
                    dat de aanvrager eigenaar van het woonschip is. Dat kan een koopovereenkomst
                    zijn, maar bijvoorbeeld ook een testament. In bepaalde gevallen kan (en moet)
                    een kopie van de inschrijving in het scheepskadaster worden overgelegd. Dit
                    geldt voor die woonschepen, die in een dergelijk kadaster kunnen zijn
                    ingeschreven.</al><al>Lid 3 maakt het mogelijk dat het besluit naar behoren wordt voorbereid. Een
                    termijn van acht weken zal daarvoor doorgaans toereikend zijn. Deze termijn
                    vangt aan op het moment waarop de aanvraag compleet is. Dit is het geval als bij
                    de aanvraag voldoende gegevens zijn gevoegd voor een goede beoordeling van de
                    aanvraag.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Weigering ligplaatsvergunning en
                    vergunningvoorwaarden</tussenkop><al>In artikel 7 van de verordening is geregeld aan welke vereisten moet zijn
                    voldaan, wil een ligplaatsvergunning kunnen worden verleend. Is aan een of meer
                    van de betreffende voorwaarden niet voldaan, dan moet de vergunning worden
                    geweigerd. Ingevolge het tweede lid kan het college aan de vergunning
                    voorwaarden verbinden.</al><al>De weigeringsgronden spreken over het algemeen voor zichzelf. Zo mag de
                    vergunningverlening niet in strijd zijn met het aanwijzingsbesluit, moet het
                    woonschip aan de in de verordening opgenomen afmetingen en veiligheids- en
                    inrichtingseisen voldoen etc. Onder meer kunnen er niet twee
                    ligplaatsvergunningen voor dezelfde locatie/situatie worden verleend. Te denken
                    valt aan de situatie waarin er twee aanvragers aanvragen voor een lege ligplaats
                    worden ingediend en het college aan een aanvrager al vergunning heeft verleend
                    maar deze vergunninghouder de ligplaats nog niet heeft ingenomen met zijn
                    woonschip. De tweede aanvraag dient dan alleen om die reden al te worden
                    geweigerd.</al><al>Verder mag het uiterlijk van het woonschip geen afbreuk doen aan het aanzien van
                    de gemeente. Dit is te vergelijken met welstandseisen die voor bouwwerken kunnen
                    gelden. Om duidelijk te maken dat het hier niet het welstandstoezicht uit de
                    Woningwet betreft, is in de verordening gekozen voor de met het bepaalde in de
                    Gemeentewet verband houdende 'het aanzien van de gemeente'. Het college komt op
                    dit punt beoordelingsvrijheid toe. In het door de gemeente geformuleerde
                    woonschepenbeleid zijn basiscriteria gegeven, die bij de beoordeling worden
                    betrokken. Daarbij is onder meer onderscheid gemaakt tussen woonarken en
                    woonschepen.</al><al>De in het tweede lid genoemde mogelijkheid voor het college, om aan een
                    vergunning voorwaarden te verbinden, is een gebruikelijk voorschrift bij
                    vergunningbepalingen. Dergelijke voorschriften mogen slechts worden gesteld met
                    het oog op de door de verordening te behartigen belangen en daarmee kan niet
                    worden afgeweken van criteria die uitdrukkelijk in de verordening zijn vermeld. </al><al/><tussenkop>Artikel 8 Karakter ligplaatsvergunning en
                    tenaamstelling</tussenkop><al>Bij de vergunningverlening ten behoeve van woonschepen is sprake van een
                    drievoudige ‘binding’. De vergunning is bedoeld voor een bepaalde persoon, een
                    bepaalde ligplaats en een bepaald woonschip.</al><al/><al>Artikel 8 lid 2 bepaalt welke gegevens de ligplaatsvergunning omvat: de gegevens
                    van de eigenaar, de ligplaats, de gegevens van het betreffende woonschip (zoals
                    de maatvoering en de naam van het schip) en de toegestane bijbehorende
                    voorzieningen (vgl. artikel 1.1 sub k; zaken zonder welke het gebruik van het
                    schip als woning niet goed mogelijk is zoals steigers, loopplanken, palen,
                    afhouders en dergelijke). </al><al/><al>In het derde lid is voorzien in de mogelijkheid om de vergunning op naam van een
                    rechtverkrijgende te stellen, bijvoorbeeld ingeval van verkoop van een
                    woonschip. In artikel 9 is de wijziging van een ligplaatsvergunning geregeld.
                    Hoewel wijziging van de tenaamstelling feitelijk een verandering van de
                    vergunning met zich brengt, zijn de voorwaarden van artikel 6 en 7 niet van
                    overeenkomstige toepassing verklaard op het uitsluitend wijzigen van de
                    tenaamstelling. Een andere tenaamstelling is in dat opzicht van ondergeschikte
                    betekenis. Het voorgaande betekent dat niet dezelfde procedure gevolgd hoeft te
                    worden. Volstaan kan worden met een schriftelijk verzoek (met een
                    aanvraagformulier) aan het college tot wijziging van de tenaamstelling. Wel
                    dient daarbij een kopie van de verkrijgingstitel (koopovereenkomst, testament
                    e.d.) te worden gevoegd waaruit blijkt dat de persoon, op wiens naam het
                    woonschip gesteld moet worden, eigenaar van het woonschip is. Verder komen de
                    weigeringsgronden van artikel 7 in het kader van de gemeentelijke besluitvorming
                    niet aan de orde. Zo kan het verzoek om slechts de tenaamstelling te veranderen
                    bijvoorbeeld niet geweigerd worden, omdat het woonschip niet aan de vereiste
                    afmetingen zou voldoen o.i.d.</al><al/><al>Op zichzelf heeft het college ten aanzien van een verzoek tot wijziging van de
                    tenaamstelling beoordelingsvrijheid. In de praktijk zal zich zelden een reden
                    voor weigering van een gewijzigde tenaamstelling voordoen. Niettemin is het van
                    belang – onder meer in verband met eventuele handhavingssituaties – dat sprake
                    is van een correcte tenaamstelling van ligplaatsvergunningen en dat
                    ‘bestandvervuiling’ als gevolg van tussentijdse vervreemding van woonschepen zo
                    veel als mogelijk wordt voorkomen. Daarom betekent bijvoorbeeld verkoop van een
                    woonschip niet dat de vergunning ‘automatisch’ op naam van de koper komt te
                    staan.</al><al/><al>Op het voorgaande bestaat een uitzondering. In 2003 is het vergunningstelsel in
                    de Algemene plaatselijke verordening opgenomen. Indien bij een verzoek, om enkel
                    de tenaamstelling te wijzigen, blijkt dat het woonschap na 1 januari 2004 zonder
                    vergunning is gewijzigd, wordt het verzoek beschouwd als een verzoek om
                    wijziging van de vergunning conform artikel 9 van de verordening. Daarmee zijn
                    de procedure van artikel 6 en de weigeringsgronden van artikel 7 van toepassing.
                    Onderzocht wordt daarbij dan of de sinds 1 januari 2004 aangebrachte wijzigingen
                    alsnog kunnen worden vergund.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Wijzigingsvergunning</tussenkop><al>In bepaalde gevallen is het nodig dat een ligplaatsvergunning wordt gewijzigd.
                    Te denken valt aan de situatie van een nieuwe ligplaats voor een bestaand
                    woonschip (bijvoorbeeld verplaatsing van een woonschip naar een andere
                    ligplaats) of aan het geval van een nieuw (ander) woonschip op een bestaande
                    ligplaats (en daarbij niet slechts het vervangen van een woonark of woonboot
                    door een andere woonark respectievelijk woonboot, maar bijvoorbeeld ook het
                    verwisselen van een woonboot door een woonark of andersom). Op de
                    wijzigingsprocedure zijn (eveneens) de artikelen 6, 7 en 8 lid 1 en 2 van de
                    verordening van toepassing. Dit geldt niet als het alleen gaat om een wijziging
                    van de tenaamstelling, als bedoeld in artikel 8 lid 3, bijvoorbeeld bij verkoop
                    van een woonschip, zonder dat er aan het woonschip iets verandert. Zie verder de
                    toelichting op artikel 8 lid 3.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Afmetingen woonschip en ontheffing</tussenkop><al>In de verordening zijn maximumafmetingen voor woonschepen opgenomen (vgl. de
                    toelichting op artikel 1, tweede lid). Daarbij is onderscheid gemaakt tussen
                    woonarken en woonboten. Laatstgenoemde woonschepen – varende of van origine
                    varende schepen – zijn doorgaans langer dan woonarken. De maximumlengte van
                    woonarken is gesteld op 20 meter, die van woonboten op 32 meter.</al><al/><al>Voor beide categorieën kan het college ontheffing verlenen als het om grotere
                    woonschepen gaat of de maten worden overschreden door voorzieningen, als bedoeld
                    in artikel 1 lid 2 (zoals stoot-, loop- en dakranden, goten, roer, boegspriet en
                    dergelijke). Ook aan de ontheffing is evenwel een maximum gesteld (25
                    respectievelijk 40 meter). Hetzelfde geldt voor de breedte van woonschepen
                    (6,875 respectievelijk 7,50 meter). Ontheffing kan alleen worden verleend als
                    daarmee de waterkavelgrens niet wordt overschreden. Verder kan ontheffing worden
                    verleend als een voor de betreffende locatie geldend bestemmingsplan meer ruimte
                    biedt. Daarbij gelden dan niet de eerdergenoemde ontheffingsgrenzen van 25 en 40
                    meter voor wat betreft lengte en 6,875 en 7,50 meter voor wat betreft breedte.
                    Wel geldt daarbij als eis dat ook in dat geval de waterkavelgrens niet wordt
                    doorschreden. Ingevolge het zesde lid kan ontheffing worden verleend tot een
                    diepte van 4 meter onder de waterlijn.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Veiligheids- en inrichtingseisen</tussenkop><al>Op grond van deze verordening gelden er regels ten aanzien van (brand)veiligheid
                    en het college kan in verband daarmee nadere eisen stellen (vgl. de artikelen 5
                    lid 3 en 11 lid 3). Aan een ligplaatsvergunning kunnen eveneens voorwaarden
                    worden verbonden die betrekking hebben op (brand)veiligheid (vgl. artikel 7 lid
                    1 sub g).Te denken valt aan constructie-eisen, afmeervoorzieningen maar ook aan
                    brandveiligheidsregels. Woonschepen zijn door hun veelal houten opbouw immers
                    brandgevoelig. Voorts zijn dikwijls meerdere woonschepen in elkaars nabijheid
                    afgemeerd, zodat zich tevens het risico van brandoverslag voordoet. Dit betekent
                    dat de aandacht niet alleen uitgaat naar brandveiligheid aan boord maar ook naar
                    de brandveiligheid rondom woonschepen.</al><al/><al>Artikel 11 lid sub a tot en met e bevat algemene veiligheids- en
                    constructie-eisen, die op zichzelf weinig toelichting behoeven. Onder a is
                    aangegeven dat bij het innemen van een ligplaats gebruik moet worden gemaakt van
                    deugdelijke afmeervoorzieningen, zodat het woonschip voldoende veilig kan worden
                    vastgelegd. Dit is van belang om te voorkomen dat schepen op drift raken en
                    ongevallen veroorzaken. Eveneens voor de hand liggend is de voorwaarde genoemd
                    onder b, te weten dat een woonschip lekvrij en waterdicht moet zijn. Voorts moet
                    de opbouwconstructie voldoende sterk, stijf en stabiel zijn (sub d) hetgeen moet
                    blijken uit een berekening, vergelijkbaar met de berekeningen die op basis van
                    het Bouwbesluit voor bouwwerken gelden. Tot besluit gelden voor schepen met een
                    metalen casco extra criteria, te weten dat deze een scheepswand hebben met een
                    plaatdikte van minimaal 3,0 millimeter dik (sub c) en dat een dergelijk casco
                    tenminste eenmaal in de zeven jaar op het droge wordt geïnspecteerd en
                    onderhouden (sub e). Een daarvan te maken rapportage moet binnen vier weken,
                    nadat het ontvangen is, aan het college in kopie worden gezonden. Mogelijk is
                    dat verzekeraars dergelijke verplichtingen al aan eigenaren van woonschepen
                    hebben opgelegd. Mits tenminste eenmaal in de zeven jaar wordt geïnspecteerd en
                    gerapporteerd, kan in dat geval worden volstaan met het telkens toezenden aan de
                    gemeente van de betreffende inspectierapporten. Ook hier geldt een termijn van
                    vier weken na ontvangst van het rapport. </al><al/><al>Artikel 11 lid 1 sub f tot en met p betreft brandveiligheidseisen. Het gaat
                    hierbij om ontvluchtingsmogelijkheden, maatregelen ter voorkoming van
                    brandoverslag en voorzieningen ter beperking van rookontwikkeling en van het
                    ontstaan en voortplanting van brand. Ook deze eisen spreken goeddeels voor
                    zichzelf.</al><al/><al>De regels in verband met veilige ontvluchting zien in de eerste plaats op de
                    toegang. Het begin van de loopplank of steiger (aan de walzijde) van het
                    woonschip wordt als toegang aangemerkt. Deze sluit direct aan op de wal, zodat
                    de vluchtweg vanaf het woonschip ook direct op de wal aansluit. Deze vluchtweg
                    moet tenminste 85 centimeter breed zijn (sub f). De situering daarvan moet
                    zodanig zijn dat men het woonschip via die voorziening veilig kan verlaten en
                    verder zonder obstakels zowel naar links als naar rechts kan worden gevlucht
                    (sub g). De bedoeling is dat een dergelijke vluchtroute leidt naar een ‘veilige
                    plaats’, in dit geval het aansluitende terrein. Er wordt van uitgegaan dat
                    personen veilig zijn, zodra deze in de buitenlucht zijn en direct weg kunnen
                    vluchten van het brandgevaar. Vanaf het aansluitend terrein kan men vervolgens
                    bijvoorbeeld naar de weg vluchten. Ontvluchting via het water, bijvoorbeeld door
                    middel van een vluchtboot of door in het water te springen, wordt niet als
                    veilig alternatief voor vluchten via de wal beschouwd. Verder moet een
                    vluchtroute obstakelvrij zijn. Zo mag een beweegbaar constructieonderdeel,
                    anders dan een nooddeur, zich in geopende stand niet boven een steiger bevinden
                    waarover een vluchtroute voert (sub h).</al><al>Tot slot gelden er regels met betrekking tot de vluchtafstand vanuit het
                    woonschip naar de ingang van het schip, die aansluit op een loopplank of steiger
                    (sub I), en ten aanzien van een vluchtroute die door een besloten ruimte voert
                    (sub j). Een dergelijke vluchtroute mag maximaal 25 meter lang zijn indien
                    bepaalde voorzieningen zijn aangebracht. </al><al/><al>In verband met het tegengaan van brandoverslag voorziet de verordening in een
                    minimumafstand van 5 meter, die tussen naast of achter elkaar liggende
                    woonschepen in acht moet worden genomen (sub k). Deze afstand wordt doorgaans
                    beschouwd als voldoende veilig omdat de stralingswarmte ingeval van brand geacht
                    wordt dusdanig laag te zijn, dat brandoverslag niet zal plaatsvinden binnen 30
                    minuten na het uitbreken van de brand (weerstand tegen branddoorslag en
                    brandoverslag ofwel WBDBO). Bij de bepaling van de afstand wordt voor wat
                    betreft de wijzen van meten uitgegaan van de criteria, genoemd in artikel 1. De
                    minimale afstand van 5 meter dient bij voorkeur te worden bereikt doordat de
                    woonschepen zodanig in hun waterkavels worden gesitueerd, dat beide op een
                    minimale afstand van 2,5 meter van de kavelgrens – de zijgrens in de waterkavel
                    – worden afgemeerd.</al><al/><al>Het tegengaan van brandoverslag kan, behalve door het aanhouden van een minimale
                    afstand tussen twee woonschepen, ook worden bereikt door (verhoging van) de
                    brandwerendheid van de wanden. Ook is een combinatie van beide maatregelen
                    denkbaar. Er bestaat in dat verband voor het college de mogelijkheid om
                    ontheffing te verlenen van de eis van 5 meter indien er – wat brandveiligheid
                    betreft – wordt voorzien in een gelijkwaardige oplossing (sub l). Deze oplossing
                    wordt in ieder geval geacht aanwezig te zijn, wanneer de wanden die grenzen aan
                    naastliggende woonschepen voldoen aan een drietal (cumulatieve) eisen. Artikel
                    11 lid 2 noemt enkele eisen waaraan een verzoek tot een dergelijke ontheffing
                    moet voldoen. Bij de aanvraag wordt gevoegd een toelichting van tekeningen of
                    een deskundigenrapport, waaruit blijkt dat aan de gestelde eisen wordt voldaan.
                    De beoordeling van de gegevens is opgedragen aan de regionale brandweer
                    Zaanstreek-Waterland. Het college verleent de ontheffing uitsluitend indien en
                    nadat de regionale brandweer tot het oordeel is gekomen dat wordt voorzien in
                    een gelijkwaardige oplossing. Bij het verlenen van ontheffing wordt echter
                    altijd nog steeds een minimumafstand van 1,5 meter tussen aangrenzende
                    woonschepen aangehouden. Eventuele gebiedsspecifieke omstandigheden worden
                    opgenomen in het ter plaatse van de ligplaats geldende bestemmingsplan. </al><al/><al>Verdere brandveiligheidseisen aan boord hebben betrekking op de toepassing van
                    onbrandbaar materiaal bij een stookplaats (sub m), op een brandveilige
                    voorziening voor rookafvoer (sub n en o), op beperking van rookontwikkeling (sub
                    p) en op een niet-brandgevaarlijke uitvoering van het dak van een woonschip (sub
                    q). </al><al/><al>Sub r is de verplichting vervat om een woonschip aan te sluiten op het openbare
                    riool of een andere afvoervoorziening voor vuilwater en faecaliën, indien een
                    riool of een dergelijke andere voorziening aanwezig is. Als de gemeente ter
                    plaatse een openbaar riool of voorziening heeft aangelegd, is het gewenst dat
                    daarvan gebruik wordt gemaakt. Overigens gaat de gemeentelijke zorgplicht niet
                    zo ver, dat een gemeente een riolering of voorziening moet aanleggen indien
                    bijvoorbeeld een ligplaatsvergunning is verleend. De aansluitverplichting is
                    beperkt tot die gevallen, waarin het riool of de voorziening op minder dan 40
                    meter afstand van het woonschip gelegen is. Deze afstand wordt gemeten langs de
                    kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt. In
                    dit artikel is geen verbod opgenomen om huishoudelijk afvalwater of faecaliën in
                    openbaar water te lozen. Reden hiervoor is dat het lozen op het water wordt
                    geregeld in specifieke lozingsregelingen. Voor het lozen van huishoudelijk en
                    eventueel ander afvalwater op oppervlaktewater is een vergunning vereist van de
                    waterkwaliteitsbeheerder.</al><al/><al>In artikel 11 lid 1 onder s is tot slot de aansluiting ten aanzien van het
                    distributienet van de openbare waterleiding geregeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Intrekking ligplaatsvergunning</tussenkop><al>Artikel 12 regelt de gevallen waarin het college tot intrekking van de
                    ligplaatsvergunning kan overgaan. Zoals in de toelichting bij artikel 1 lid 1
                    sub k opgemerkt, is intrekking van een vergunning een ver strekkende maatregel.
                    Van de intrekkingsbevoegdheid wordt, behoudens ingeval van excessen, niet snel
                    gebruik gemaakt. Doorgaans zal eerst worden bezien of met andere
                    handhavingsmaatregelen (zoals oplegging van een dwangsom, uitoefening van
                    bestuursdwang e.d.) het beoogde doel kan worden bereikt.</al><al>Voor het overige betreft het een discretionaire bevoegdheid van het college. De
                    genoemde criteria zijn helder: er mag geen sprake zijn van een
                    ligplaatsvergunning die op basis van onjuiste gegevens is verleend of waarvan de
                    in de vergunning genoemde gegevens inmiddels niet meer corresponderen met de
                    feitelijke situatie (sub a, b en g). Voorts is intrekking mogelijk indien een
                    woonschip niet voldoet aan de veiligheids- en inrichtingseisen of afbreuk doet
                    aan het aanzien van de gemeente (sub c en d).</al><al>Tot slot kan het college gebruik maken van de intrekkingsbevoegdheid als een
                    woonschip langer dan 26 weken ononderbroken buiten de gemeente ligt, zonder dat
                    daarvoor toestemming is gegeven. Aangewezen ligplaatsen zijn schaars en de
                    belangstelling daarvoor is doorgaans groot. Voorkomen moet worden dat een
                    vergunninghouder zonder genoegzame reden ‘leegstand’ van zijn ligplaats
                    veroorzaakt, doordat hij met zijn woonschip langdurig elders ligplaats inneemt.
                    Indien daartoe wel een acceptabele aanleiding bestaat (nieuwbouw, langdurige
                    vakantie of reparatie of bijvoorbeeld herbouw na een calamiteit) kan de
                    vergunninghouder het college schriftelijk om toestemming voor een langduriger
                    niet-gebruik van de aangewezen ligplaats verzoeken. Voor een afwezigheidsperiode
                    van 12 tot 26 weken kan worden volstaan met een melding aan het college. Een
                    ‘leegstand’ korter dan 12 weken valt niet onder het bereik van deze
                    bepaling.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Herstellen, (ver)bouwen, droogzetten, slopen
                    en het opleggen van woonschepen</tussenkop><al>Naast de ligplaatsvergunning (die ziet op het met een woonschip in openbaar
                    water een aangewezen ligplaats innemen, hebben of beschikbaar stellen) kan op
                    grond van deze verordening een vergunning nodig zijn voor bepaalde
                    (ver)bouwactiviteiten ten aanzien van vaartuigen en woonschepen in openbaar
                    water. Het gaat daarbij om de bouw en verbouw (inclusief vergroting) van, of
                    herstelwerkzaamheden aan, een woonschip en om het ombouwen of verbouwen van een
                    (ander) vaartuig tot woonschip. Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd
                    inwendige verbouwingen, die niet leiden tot wijziging van het uiterlijk van het
                    woonschip. Verder is geen vergunning nodig voor tot het regulier onderhoud
                    behorende kleine reparaties en evenmin voor noodreparaties. Op de aanvraag- en
                    verleningprocedure zijn de artikelen 6 lid 3 en 7 lid 1, aanhef en sub b tot en
                    met g van overeenkomstige toepassing. Verder moet de aanvraag toegelicht worden
                    door een genoegzame omschrijving van de beoogde werkzaamheden, vergezeld van
                    bouwtekeningen van de oude en nieuwe situatie.</al><al>Verder bevat artikel 13 het verbod om woonschepen te slopen of droog te zetten
                    op andere dan door het college aangewezen plaatsen. Met deze bepaling wordt
                    onder meer beoogd te voorkomen dat zich gevaarlijke en/of milieuhygiënisch
                    ongewenste situaties voordoen.</al><al/><tussenkop>Artikel 14 Aanwijzingen van het college</tussenkop><al>Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid voor het college om aanwijzingen te
                    geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in
                    het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne
                    en het aanzien van de gemeente. De aanwijzingsbevoegdheid ziet primair op
                    incidentele maatregelen. Men denke bijvoorbeeld aan het geval bij een ligplaats
                    door derden werkzaamheden moeten worden uitgevoerd en het woonschip in verband
                    daarmee tijdelijk moet worden verlegd. Een aanwijzing kan gegeven worden aan een
                    rechthebbende op een woonschip en dient door betrokkene te worden opgevolgd.
                    Anders dan bij het vergunningenregime voor ligplaatsen (artikel 4 en 8 lid 2) is
                    hier gekozen voor het begrip ‘rechthebbende ’in plaats van ‘eigenaar’. Het
                    rechthebbendenbegrip is ruimer. Behalve aan de eigenaar van een woonschip kunnen
                    aanwijzingen ook gegeven worden aan anderen die als rechthebbend kunnen worden
                    aangemerkt, zoals huurders.</al><al/><tussenkop>Artikel 15 Bedrijfsmatige activiteiten op
                    woonschepen</tussenkop><al>Een woonschip is uitsluitend of in hoofdzaak bedoeld voor de woonfunctie. ‘In
                    hoofdzaak’ betekent niet dat de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten
                    zonder meer geoorloofd is. Wel kan het college daartoe op verzoek ontheffing
                    verlenen. Geen ontheffing is vereist voor een kantoor en/of praktijk ‘aan huis’
                    en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, mits er aan een aantal voorwaarden
                    is voldaan. Deze zijn ontleend aan de in bestemmingsplannen voor deze situatie
                    gehanteerde (standaard)criteria. De inhoud daarvan spreekt voor zichzelf en
                    behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 16 Ontsierende woonschepen</tussenkop><al>In artikel 16 is volledigheidshalve tot uitdrukking gebracht dat woonschepen in
                    openbaar water geen afbreuk mogen doen aan het aanzien van de gemeente. Bij de
                    beoordeling daarvan komt het college beoordelingsvrijheid toe. Doel van de
                    bepaling is onder meer om ontsiering te voorkomen als gevolg van achterstallig
                    onderhoud of reiniging, verwaarlozing en dergelijke. Te denken valt ook aan
                    (gedeeltelijk) gezonken of ernstig scheefhangende woonschepen, waarmee
                    normaliter eveneens afbreuk aan het aanzien van de gemeente wordt gedaan.</al><al/><tussenkop>Artikel 17 Anti-hardheid</tussenkop><al>Een logisch gevolg van een algemene regeling is, dat deze altijd door alle
                    betrokkenen als billijk wordt ervaren. Het is immers niet mogelijk om met
                    regelgeving die algemeen werkt (voor een onbepaalbaar aantal personen in een
                    onbepaalbaar aantal gevallen) volledig aansluiting te vinden bij elke
                    individuele situatie. Daarom is in veel regelingen een zgn.
                    anti-hardheidsbepaling opgenomen. Zo ook in deze verordening. In artikel 17 is
                    voorzien in de bevoegdheid voor het college om van het bepaalde in de
                    verordening af te wijken als toepassing daarvan in een bepaald geval leidt tot
                    een onevenredig onbillijke situatie. Deze bepaling is bedoeld voor
                    uitzonderlijke gevallen en van de bevoegdheid wordt zeer terughoudend gebruik
                    gemaakt.</al><al/><tussenkop>Artikel 18 Toezicht</tussenkop><al>Het college kan personen aanwijzen die met het toezicht op de naleving van het
                    bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast. </al><al/><tussenkop>Artikel 19 Strafbepalingen</tussenkop><al> Overtreding van het bepaalde in artikel 3 lid 1 (in openbaar water met een
                    woonschip ligplaats innemen of hebben dan wel een ligplaats voor een woonschip
                    beschikbaar stellen, anders dan met vergunning van het college innemen van een
                    aangewezen ligplaats, of ingeval van aanbouw of reparatie van een woonschip op
                    een scheepswerf of reparatie-inrichting) kan worden bestraft met hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Artikel 154
                    van de Gemeentewet biedt de grondslag daarvoor. In artikel 23 van het Wetboek
                    van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete
                    voor strafbare feiten in de tweede categorie bedraagt maximaal € 3700.</al><al/><tussenkop>Artikel 20 Binnentreden</tussenkop><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening personen aan te wijzen, die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 20 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid. Overige bepalingen (onder
                    meer met betrekking tot legitimatie, verlenen van een machtiging tot
                    binnentreden e.d.) zijn vervat in de Algemene wet op het binnentreden.</al><al/><tussenkop>Artikel 21 Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>De bekendmaking en inwerkingtreding van onder andere verordeningen is geregeld
                    in de artikelen 139 tot en met 144 Gemeentewet. Artikel 142 bepaalt dat de
                    besluiten in werking treden met ingang van de achtste dag na de datum van de
                    bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is
                    aangewezen. In lid 1 wordt uitgegaan van de eerste dag van de kalendermaand,
                    volgend op de datum van bekendmaking.</al><al/><tussenkop>Artikel 22 Overgangsbepalingen</tussenkop><al>Deze verordening is niet alleen op toekomstige situaties van toepassing, maar
                    ook op reeds bestaande verhoudingen. Daarom is een overgangsbepaling voor eerder
                    verleende vergunningen opgenomen. Deze eerder afgegeven vergunningen worden
                    geacht vergunningen op grond van deze nieuwe verordening te zijn (lid 1).
                    Lopende aanvragen worden afgehandeld op grond van de nieuwe verordening (lid
                    2).</al><al/><al>Aldus besloten in de raadsvergadering van  </al><al>    </al><al>voorzitter,</al><al/><al>raadsgriffier,</al><al/><tussenkop>Na de raadsbehandeling worden amendementen in het besluit
                    verwerkt en worden eventueel toegevoegd:</tussenkop><lijst><li nr="-"><tussenkop>Toezeggingen gedaan tijdens de
                            Raadsvergadering</tussenkop></li><li nr="-"><al>Moties bij dit besluit</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>