<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR120059_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening leerlingenvervoer gemeente Woensdrecht 2008-2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Woensdrecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Woensdrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.woensdrecht.nl/index.php?simaction=content&amp;pagid=20&amp;stukid=2780&amp;mediumid=1">Woensdrechtse Bode, 10-12-2008 en Gemeenteblad 2008.20</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening leerlingenvervoer gemeente Woensdrecht 2008/2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0003420/HoofdstukI/TitelI/Artikel4">Wet op het primair onderwijs, art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0003549/TitelI/Artikel4">Wet op de expertisecentra, art. 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0002399/TitelI/Artikel4">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-08-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Gewijzigde verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Niet gepubliceerd in Gemeenteblad of Woensdrechtse Bode</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening leerlingenvervoer gemeente Woensdrecht 2008-2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Woensdrecht, in vergadering bijeen op: 25 november
                        2008</al><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en wethouders van 4 november 2008</al><al>gelet op de artikelen 4 van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
                        expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs</al><al>besluit vast te stellen de volgende: gewijzigde Verordening
                        leerlingenvervoer gemeente Woensdrecht 2008-2009.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan ondera school:- een basisschool of
                            speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair
                            onderwijs (Stb. 1998, 495);- een school voor speciaal onderwijs of
                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                            onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra (Stb. 1998, 496);-
                            een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het
                            voortgezet onderwijs (Stb. 1998, 512);b ouders: de ouders, voogden of
                            verzorgers van de leerling;c leerling: een leerling van een school als
                            bedoeld onder a;d gehandicapte leerling: een leerling bedoeld onder c,
                            die door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet,
                            of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken.e woning:
                            de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft;f afstand:
                            de afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor
                            de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;g vervoer: openbaar
                            vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de
                            opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en
                            einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele
                            handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk
                            maakt;h openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer
                            volgens een dienstregeling per trein, metro, tram, bus, veerdienst of
                            auto;i aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi,
                            treintaxi of bustaxi;j eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig,
                            bromfiets of fiets;k reistijd: de totale duur die ligt tussen het
                            verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de
                            schoolgids, minus maximaal 10 minuten indien en voorzover de leerling
                            het schoolgebouw met bijbehorende terrein gewoonlijk eerder bereikt dan
                            de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het
                            einde van de schooldag volgens de schoolgids, een eventuele wachttijd,
                            en de aankomst bij de woning.l toegankelijke school:- voor wat betreft
                            basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs: de basisschool van
                            de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de
                            openbare school of de speciale school voor basisonderwijs waarop de
                            leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of
                            levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school;- voor wat
                            betreft scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en scholen voor
                            voortgezet onderwijs: de school van de soort waarop de leerling is
                            aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke
                            richting dan wel de openbare school van de soort waarop de leerling is
                            aangewezen;m inkomen: het ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 2001
                            (Stb. 2000, 215) vastgestelde gecorrigeerde verzamelinkomen van de
                            ouders in het tweede kalenderjaar oorafgaande aan het schooljaar
                            waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd.n
                            opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling
                            gebruik kan maken van het vervoer;o commissie voor de begeleiding: de
                            commissie die is ingesteld door het bevoegd gezag van een school als
                            bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde een
                            instelling, of de bevoegde gezagsorganen van twee of meer scholen als
                            bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, niet zijnde
                            instellingen, die hetzelfde expertisecentrum instandhouden.;p
                            vervoersvoorziening: een gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door
                            het college noodzakelijk geachte vervoerskosten van de leerling en zo
                            nodig diens begeleider, of bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze
                            van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider, of
                            aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet
                            verzorgen.q permanente commissie leerlingenzorg: de commissie als
                            bedoeld in artikel 23 van de Wet op het primair onderwijs;r
                            samenwerkingsverband: het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18
                            van de Wet op het primair onderwijs;s regionale verwijzingscommissie: de
                            commissie als bedoeld in artikel 10 g van de Wet op het voortgezet
                            onderwijs;t opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in
                            artikel 10h, derde lid, Wet op het voortgezet onderwijs;u ambulante
                            begeleiding: de begeleiding door een personeelslid van een school of
                            instelling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra van
                            leerlingen die zijn geplaatst op een basisschool of leerlingen die zijn
                            geplaatst op een school voor voortgezet onderwijs en die naar het
                            oordeel van het bevoegd gezag zonder die begeleiding zouden zijn
                            aangewezen op het speciaal onderwijs of het voortgezet speciaal
                            onderwijs;v commissie voor de indicatiestelling: de commissie als
                            bedoeld in artikel 28 c van de Wet op de expertisecentra.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
                                vervoerskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van
                                in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een
                                vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij
                                van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                                vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste
                                het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening
                                moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of
                                nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde
                                bijdrage doet de aanspraak op bekostiging vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bepalingen in deze verordening laten onverlet de
                                verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun
                                kinderen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de
                                bekostiging op aanvraag verstrekt aan de leerling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bekostiging van de vervoerskosten wordt toegekend over de afstand
                                tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor
                                de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder
                                weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou
                                brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk
                                instemmen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien ouders bekostiging van de vervoerskosten aanvragen voor het
                                bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is
                                gelegen dan in artikel 11 of 15 is bepaald, terwijl een of meer
                                scholen van dezelfde onderwijssoort dichterbij de woning zijn
                                gelegen, ontstaat slechts aanspraak op bekostiging naar
                                eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard
                                dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan
                                wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen,
                                van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de
                                woning zijn gelegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitbetaling van de bekostiging</titel></kop><al>Het college bepaalt bij het verstrekken van bekostiging van de
                            vervoerskosten de wijze en het tijdstip van de uitbetaling, alsmede de
                            tijdsduur van de verstrekte bekostiging, met dien verstande dat de
                            tijdsduur, indien die mogelijk is, voor meerdere jaren of de hele
                            schoolperiode wordt vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag voor bekostiging van de vervoerskosten wordt gedaan
                                door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de
                                ouders ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier
                                vermelde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag wordt, indien het een aanvraag voor het eerstvolgende
                                schooljaar betreft, voor 1 juni voorafgaand aan dat schooljaar
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk
                                is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te
                                verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                hoogste vier weken verdagen. Het stelt de aanvrager hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt deze
                                getroffen:a met ingang van het nieuwe schooljaar indien de aanvraag
                                voor 1 juni is ingediend;b met ingang van de door de ouders
                                verzochte datum als het een aanvraag gedurende het schooljaar
                                betreft, met dien verstande dat de datum waarop bekostiging wordt
                                verstrekt niet ligt voor de datum van ontvangst van de aanvraag door
                                het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Doorgeven van wijzigingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ouders zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op
                                de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten, onder vermelding
                                van de datum van wijziging, onverwijld schriftelijk mede te delen
                                aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de
                                verstrekte bekostiging, vervalt de aanspraak op bekostiging en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de ouders niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en
                                het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt,
                                waardoor blijkt dat ten onrechte bekostiging is verstrekt, vervalt
                                de aanspraak op bekostiging van de vervoerskosten terstond en
                                verstrekt het college al dan niet opnieuw bekostiging van de
                                vervoerskosten.Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan
                                de ouders.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders worden
                                teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuwe
                                verstrekking van bekostiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Peildatum leeftijd leerling</titel></kop><al>Voor het verstrekken van bekostiging op basis van artikel 12 is bepalend
                            de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de
                            bekostiging betrekking heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Andere vergoedingen</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging wordt verminderd met de aanspraak op een
                            toelage, voorzover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op
                            de reiskosten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>2</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE (NIET-GEHANDICAPTE) LEERLINGEN
                            VAN SCHOLEN VOOR HET PRIMAIR ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale
                                school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt bekostiging
                            verstrekt van de kosten van het vervoer over de afstand tussen de woning
                            dan wel de opstapplaats en:a de dichtstbijzijnde voor de leerling
                            toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het
                            samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig
                            is, ofb een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a.
                            bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor
                            de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar
                            de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Permanente commissie leerlingenzorg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een
                                leerling op een school voor primair onderwijs niet of slechts
                                gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking de beslissing te
                                betrekken van de permanent commissie leerlingenzorg over de
                                toelating van de leerling op een speciale school voor
                                basisonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag voor
                                leerlingenvervoer eventuele adviezen van de permanente commissie
                                leerlingenzorg die voor de beoordeling van die aanvraag van belang
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs
                                bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem
                                toegankelijke school meer dan zes km bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien
                                de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder
                                begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een
                                begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van een begeleider, indien de leerling jonger dan negen jaar is, en
                                door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt
                                aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het
                                openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van aangepast
                            vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs
                            of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt
                            aan het afstandscriterium van artikel 11, ena de leerling met
                            gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan
                            anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50%
                            of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht,
                            of:b openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van
                            het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het
                            vervoer per fiets.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:a een bedrag op basis van de
                                kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op
                                bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                behoudens het bepaalde in het vijfde lid;b een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de
                                kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een
                                bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college
                                aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>3</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN DE LEERLINGEN VAN SCHOLEN VOOR
                            (VOORTGEZET) SPECIAAL ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                                fiets</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, bekostiging op basis
                                van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de
                                woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan zes
                                kilometer bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15a</nr><titel>Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school
                                cluster 4</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 geldt voor de leerling
                            die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs uit cluster 4
                            bezoekt als dichtstbijzijnde toegankelijke school, de school die door de
                            commissie voor de indicatiestelling is geadviseerd. Dit is van
                            toepassing zolang de leerling zijn woonplaats heeft in het gebied van
                            het regionale expertisecentrum waaraan voornoemde commissie is
                            verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Commissie voor de begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het college de gevraagde voorziening ten behoeve van een
                                leerling op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als de commissie van onderzoek binnen vier schoolweken na verzending
                                van de adviesaanvraag geen advies heeft uitgebracht of niet
                                schriftelijk om verlenging van de adviestermijn met ten hoogste twee
                                weken heeft verzocht, wordt door het college het besluit genomen
                                zonder het advies van de commissie voor de begeleiding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                                een begeleider</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 15,
                                bekostigt het college tevens de daarin bedoelde kosten ten behoeve
                                van een begeleider, indien door de ouders ten behoeve van het
                                college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling, gelet op zijn
                                lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap of leeftijd,
                                niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets
                                gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van één
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor
                                (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan
                                het afstandscriterium van artikel 15, ena de gehandicapte leerling,
                                die naar het oordeel van het college niet in staat is - ook niet
                                onder begeleiding - van openbaar vervoer gebruik te maken, of:b de
                                leerling die met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of
                                terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met
                                aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar
                                vervoer kan worden teruggebracht, of:c openbaar vervoer ontbreekt,
                                tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet
                                onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets, dan
                                wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:a een bedrag op basis van de
                                kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op
                                bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer,
                                behoudens het bepaalde in het vijfde lid;b een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging van de
                                kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren,
                                bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Bekostiging vervoerskosten van gehandicapte leerlingen voor
                                scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt eveneens bekostiging op basis van de kosten
                                van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, in het geval de
                                afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor de leerling
                                toegankelijke school minder bedraagt dan is bepaald in artikel 15,
                                indien het college van oordeel is dat de leerling gehandicapt
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de commissie voor de begeleiding of het advies van andere
                                deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten zoals
                                bedoeld in het eerste lid, is artikel 19 van toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>4</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT WEEKEINDE- EN VAKANTIEVERVOER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Bekostiging van de kosten van het weekeinde en vakantievervoer
                                aan de in de gemeente wonende ouders</titel></kop><al>Het college bekostigt desgewenst de kosten van het weekeinde- en
                            vakantievervoer aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling
                            die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet)
                            speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het
                            bepaalde in deze Titel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Bekostiging kosten weekeinde en vakantievervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt aan de ouders bekostiging van de kosten van
                                het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde
                                gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de
                                weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde
                                schoolvakanties.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college bekostigt de kosten van het vakantievervoer van de
                                leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer,
                                gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling
                                verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voorzover de
                                vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling
                                bezoekt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Titel 3 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing, met
                                uitzondering van artikel 16, artikel 17, tweede lid, artikel 18,
                                eerste lid onder b, artikel 18, tweede lid, en artikel 20.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>5</nr><titel>EIGEN BIJDRAGE EN BEKOSTIGING NAAR FINANCIËLE DRAAGKRACHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Drempelbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs
                                bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 22.050,--
                                wordt slechts bekostiging verstrekt voorzover de kosten van het
                                vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de
                                in artikel 11 bepaalde afstand te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
                                het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders
                                van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, per
                                leerling, maximaal 2 kinderen per gezin, per schooljaar een eigen
                                bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over
                                de in artikel 11 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders
                                meer bedraagt dan € 22.050,--.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van de
                                zone-indeling in de regeling die is gebaseerd op artikel 30, eerste
                                lid, van de Wet personenvervoer 2000, voor de afstand redelijkerwijs
                                zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer
                                of het daadwerkelijk gebruik ervan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bedrag van € 22.050,-- genoemd in het eerste en tweede lid wordt
                                met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de wijziging
                                die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers
                                heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en
                                rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,00. Het aangepaste
                                bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde
                                bedrag van € 22.050,--.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Financiële draagkracht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde
                                toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt,
                                wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de
                                financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen
                                het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van
                                de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor
                                basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de
                                financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het
                                bedrag van de kosten van het vervoer.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de
                                bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en
                                zijn afhankelijk van de hoogte van het gecorrigeerde verzamelinkomen
                                van de ouders in de zin van de Wet op de inkomensbelasting 2001. Zij
                                bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al><vet>Inkomen in euro’s</vet></al></entry><entry><al><vet>Eigen bijdrage in euro’s</vet></al></entry></row><row><entry><al> 0 – 29.500</al></entry><entry><al> Nihil</al></entry></row><row><entry><al> 29.500 – 35.500</al></entry><entry><al> 115</al></entry></row><row><entry><al> 35.500 – 41.000</al></entry><entry><al> 475</al></entry></row><row><entry><al> 41.000 – 46.500</al></entry><entry><al> 890</al></entry></row><row><entry><al> 46.500 - 53.000</al></entry><entry><al> 1.300</al></entry></row><row><entry><al> 53.000 - 58.500</al></entry><entry><al> 1.715</al></entry></row><row><entry><al> 58.500 en verder</al></entry><entry><al> voor elke extra € 4.500: € 420 erbij</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van
                                1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het
                                indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft
                                ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en
                                rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,00.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden
                                met ingang van 1 januari 2009 jaarlijks aangepast aan de wijziging
                                die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op
                                het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1
                                januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een
                                veelvoud van € 5,-.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Deze bepaling is niet van toepassing op de leerling voor wie
                                ingevolge Titel 6 een vervoersvoorziening is verstrekt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>6</nr><titel>BEPALINGEN OMTRENT HET VERVOER VAN GEHANDICAPTE LEERLINGEN VAN
                            SCHOLEN VOOR PRIMAIR ONDERWIJS EN VOORTGEZET ONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                                begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 verstrekt het college
                                bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                                begeleiding aan de ouders van de leerling die een basisschool,
                                speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                onderwijs bezoekt en die gehandicapt is. Ten aanzien van een
                                leerling van een speciale school voor basisonderwijs neemt het
                                college artikel 9 in acht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dienen zij bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt,
                                komen slechts de kosten van het openbaar vervoer ten behoeve van één
                                begeleider voor bekostiging in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verstrekt het college de ouders
                                bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets dan wel
                                bromfiets, indien de leerling naar het oordeel van het college, al
                                dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college verstrekt bekostiging op basis van de kosten van
                                aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een basisschool,
                                speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                onderwijs bezoekt, indiena. de leerling, naar het oordeel van het
                                college gehandicapt is. Ten aanzien van een leerling van een
                                speciale school voor basisonderwijs neemt het college artikel 9 in
                                acht. Of:b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in
                                artikel 25 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer
                                naar school en terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de
                                reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per
                                openbaar vervoer kan worden teruggebracht, of:c. aanspraak bestaat
                                op bekostiging zoals bedoeld in artikel 25 en openbaar vervoer
                                ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al
                                dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per
                                fiets, dan wel zelfstandig gebruik kan maken van het vervoer per
                                bromfiets.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het college de in het vorige lid bedoelde aanvraag niet of
                                slechts gedeeltelijk toekent, dient het bij de beschikking het
                                advies van de permanente commissie leerlingenzorg, de ambulante
                                begeleider of het advies van andere deskundigen te betrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten, kan
                                het college de ouders op aanvraag toestaan één of meer leerlingen
                                zelf te vervoeren of te laten vervoeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, bekostigt het college aan de ouders die één leerling zelf
                                vervoeren, dan wel laten vervoeren:a een bedrag op basis van de
                                kosten van het openbaar vervoer met begeleiding, indien aanspraak
                                zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar
                                vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid;b een bedrag op
                                basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de
                                Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging
                                van de kosten van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het
                                vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is
                                verleend, verstrekt het college aan de ouders die meer dan één
                                leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren,
                                bekostiging van een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor
                                de auto, afgeleid van de Reisregeling Binnenland, behoudens het
                                bepaalde in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere
                                ouders die van gemeentewege voor het vervoer van één of meer
                                leerlingen bekostiging ontvangen afgeleid van de Reisregeling
                                binnenland, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien aanspraak bestaat op bekostiging van de vervoerskosten en het
                                college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling
                                gebruik kan maken van het vervoer per fiets of bromfiets, verstrekt
                                het college aan de ouders bekostiging van een bedrag op basis van
                                een kilometervergoeding voor de fiets dan wel bromfiets, afgeleid
                                van de Reisregeling binnenland.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>7</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Afwijken van bepalingen</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs
                            aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze
                            verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan de permanent
                            commissie leerlingenzorg, de commissie van begeleiding, de regionale
                            verwijzingscommissie of andere deskundigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening leerlingenvervoer gemeente Woensdrecht 2004/2005 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Overgangsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor een leerling als bedoeld in Titel 6 voor wie in het schoooljaar
                                2001/2002 krachtens de Wet Rea een vervoersvoorziening werd
                                verstrekt, niet zijnde een voorziening in de vorm van een
                                bruikleenauto of een voorziening deel uitmakend van of samenhangend
                                met een leefvervoervoorziening blijft, indien de ouders dat wensen,
                                zo nodig in afwijking van artikel 3 aanspraak bestaan op een
                                gelijkwaardige voorziening van en naar de school die de leerling in
                                schooljaar 2001-2002 bezocht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de leerling van leerwegondersteunend onderwijs of
                                praktijkonderwijs die in het schooljaar 2001-2002 een
                                vervoersvoorziening kreeg naar een school voor speciaal voortgezet
                                onderwijs, leerwegondersteunend onderwijs, praktijkonderwijs of een
                                opdc, blijft aanspraak bestaan op een vervoersvoorziening van en
                                naar de school of opdc die de leerling in het schooljaar 2001-2002
                                bezocht indien de afstand van de woning naar de school meer dan 6 km
                                bedraagt. Titel 5 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bepalingen in Titel 6 zijn voor de eerste maal van toepassing in
                                het schooljaar 2002-2003. Op het vervoer van leerlingen voorafgaand
                                aan het schooljaar 2002-2003 en daarop betrekking hebbende
                                geschillen, blijven de regelingen zoals luidend voorafgaand aan de
                                inwerkingtreding van deze verordening van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het verstrijken
                            van een termijn van zes weken na de datum van uitgifte van de
                            Woensdrechtse Bode waarin de verordening is geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                            leerlingenvervoer gemeente Woensdrecht 2008/2009.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel/></kop><al><vet>Artikelsgewijze toelichting modelverordening leerlingenvervoer</vet></al><al>Artikel 1: BegripsomschrijvingIn artikel 1 van de modelverordening is een aantal
                    begrippen nader gedefinieerd, die regelmatig gebruikt worden in de
                    verordening.</al><al>Ad a School</al><al>Speciale school voor basisonderwijs De Wet op het primair onderwijs (WPO), die
                    op 1 augustus 1998 in werking is getreden, voorziet in de samenvoeging van het
                    basisonderwijs en het onderwijs voor kinderen met leer- en
                    opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk lerende kinderen (mlk) en in hun
                    ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) in een wet. De scholen voor lom, mlk en
                    iobk heten onder de WPO ‘speciale scholen voor basisonderwijs’.</al><al>School voor voortgezet onderwijsOnder een school voor voortgezet onderwijs als
                    bedoeld in de WVO, vallen het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo),
                    het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo)en het voorbereidend middelbaar
                    beroepsonderwijs (vmbo), waar praktijkonderwijs en leerwegondersteunend
                    onderwijs deel van uit maken.</al><al>Speciaal onderwijs (WEC)De Wet op de expertisecentra (WEC) omvat al het overig
                    speciaal en voortgezet speciaal onderwijs. Het gaat om onderwijs voor doven,
                    slechthorenden, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel
                    gehandicapten, lichamelijk gehandicapten, kinderen opgenomen in het ziekenhuis,
                    langdurig zieken, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare
                    kinderen, meervoudig gehandicapten en onderwijs op pedologische instituten.</al><al>De WEC onderscheidt de volgende clusters:- Cluster 1: onderwijs aan visueel
                    gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze
                    handicap;- Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en
                    kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudige gehandicapte
                    kinderen met een van deze handicaps;- Cluster 3: onderwijs aan langdurige zieke
                    kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en
                    zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een
                    van deze handicaps;- Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders
                    dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen
                    in scholen verbonden aan pedologische instituten.</al><al>Particuliere scholenAanspraak op leerlingenvervoer kan zowel naar
                    rijksbekostigde als particuliere scholen bestaan, mits de particuliere school
                    een onderwijsrichting vertegenwoordigt en mits de particuliere school een
                    ‘school’ in de zin van de onderwijswetten is. Momenteel zijn het individuele
                    leerplichtambtenaren die beslissen of een particuliere school voldoende lijkt op
                    bekostigde scholen. Op rijksniveau bestaat het voornemen dit centraal te gaan
                    bepalen. In 2007 is daarom een wetswijziging van de Leerplichtwet in behandeling
                    gegeven bij de Eerste en Tweede Kamer. De wetswijziging beoogt onder andere
                    aanscherping van de criteria waaraan particuliere scholen moeten voldoen. De
                    Raad van State heeft echter negatief geoordeeld over dit wetsvoorstel en de
                    minister en de staatssecretaris zijn om opheldering gevraagd. Het is niet
                    duidelijk of (en wanneer) het wetsvoorstel doorgang zal vinden.</al><al>Andere onderwijsvormenHet vervoer naar het middelbaar beroepsonderwijs, het
                    hoger beroepsonderwijs en het universitair onderwijs valt onder geen enkele
                    omstandigheid onder het leerlingenvervoer. Gehandicapte leerlingen die een
                    dergelijke opleiding volgen, kunnen zich tot het UWV wenden voor een eventuele
                    vergoeding.</al><al>Hoogbegaafde leerling Wanneer voor een hoogbegaafde leerling het reguliere
                    onderwijsaanbod niet adequaat is en de leerling dientengevolge een school voor
                    gewoon voortgezet onderwijs bezoekt, dan behoeft de gemeente volgens de afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State geen bekostiging van de kosten van het
                    leerlingenvervoer toe te kennen. De reden hiervoor is dat een school voor gewoon
                    voortgezet onderwijs geen school is in de zin van de WEC (uitspraak van 9
                    november 1995, nr. H 01.95.0165; zie Jur. 21.8; in een uitspraak van 23 april
                    1998, nr. H01.98.0221 bevestigd).</al><al>Besluit trekkende bevolking Het Besluit trekkende bevolking van de WBO (Stb.
                    465, 1985) bevat voorschriften voor scholen voor kinderen van wie de ouders een
                    trekkend bestaan leiden (zoals scholen voor kinderen van kermisexploitanten,
                    schippers of circusmedewerkers). De voorzieningen ten behoeve van deze groepen
                    zijn opgenomen in de WPO en de betreffende scholen worden aangemerkt als
                    basisscholen. Belangrijkste overweging hiervoor is, dat de desbetreffende
                    kinderen in principe aangewezen zijn op het reguliere basisonderwijs. Van
                    overwegende orthopedagogische of didactische benadering is geen sprake.Dit
                    betekent dat de ouders van de betreffende leerlingen aanspraak kunnen maken op
                    bekostiging van vervoer. Hiervoor gelden de bepalingen omtrent het vervoer van
                    leerlingen naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor
                    basisonderwijs (Titel 2 van de modelverordening).</al><al>Een belangrijke uitzondering vormen:- leerlingen die rijdende scholen bezoeken
                    voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B Besluit
                    trekkende bevolking);- leerlingen die ligplaatsscholen bezoeken voor varende
                    kinderen (Titel C Besluit trekkende bevolking).Ouders van leerlingen die
                    voornoemde scholen bezoeken, komen niet voor bekostiging van vervoer in
                    aanmerking. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve
                    van het schoolbezoek, vormen onderdeel van de materiele instandhouding van die
                    scholen.Medische behandeling en zorgGemeenten worden steeds vaker geconfronteerd
                    met aanvragen van ouders voor bekostiging van vervoer naar instellingen waar
                    kinderen dagbehandelingen (zorg) krijgen, al dan niet in combinatie met
                    onderwijs. Gemeenten zijn hier in principe niet toe verplicht. Het
                    leerlingenvervoer betreft slechts het vervoer naar en van een school op de
                    schooltijden die zijn aangegeven in de schoolgids. Dan gaat het dus om een
                    onderwijsinstelling in de zin van de onderwijswetgeving; zorginstellingen,
                    medisch kinderdagverblijven en dergelijke worden hier niet toe gerekend. Volgt
                    een kind ook onderwijs op of nabij die locatie, dan kan het zijn dat ouders een
                    (gedeeltelijke) tegemoetkoming bij de gemeente kunnen krijgen. Ook dan moet het
                    gaan om onderwijs in de zin van onderwijswetgeving, dus moet de instelling die
                    het onderwijs verzorgt een “school” zijn. Hierbij geldt dat gemeenten vervoeren
                    in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids
                    (artikel 1, onderdeel f, van de verordening). Krijgen kinderen voor, tijdens of
                    na schooltijd zorg of behandelingen, dan zijn toch de schooltijden leidend voor
                    het leerlingenvervoer. Ad b OudersIn de omschrijving van het begrip ‘ouders’ is
                    het onderscheid dat in de WPO en de WEC ten aanzien van ouders is aangebracht
                    niet overgenomen. De WPO verstaat onder ouders: ouders en voogden van kinderen.
                    De WEC verstaat ook de verzorgers daaronder. Op dit moment ligt er een
                    wetswijziging van de WPO bij de Raad van State dat dit onderscheid opheft: door
                    deze wijziging zullen ook verzorgers onder het begrip ‘ouders’ in de zin van de
                    WPO vallen.</al><al>Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het
                    begrip ‘ouders’, zoals bedoeld in de verordening.</al><al>Voor de bepaling of een drempelbedrag verplicht is, dient een inkomen in de zin
                    van de Wet op de inkomstenbelasting aanwezig te zijn. Als de aanvrager een
                    rechtspersoon is (bijvoorbeeld een zorginstelling), dan valt deze formeel niet
                    onder de werking van de Wet op de inkomstenbelasting. In de bekostiging van
                    instellingen is vaak rekening gehouden met bekostiging van de kosten van het
                    dagelijks vervoer naar school en het weekeinde- en vakantievervoer. In
                    voorkomende gevallen kan met de betrokken instelling contact worden
                    opgenomen.</al><al>Ad c LeerlingIn artikel 39, derde lid, van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf
                    drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de
                    basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen worden echter pas als zij de leeftijd
                    van vier jaar hebben bereikt leerling in de zin van de WPO (artikel 39, eerste
                    lid, WPO). De ouders kunnen dan ook pas vanaf het moment dat hun kind vier jaar
                    is geworden eventueel aanspraak maken op bekostiging van de vervoerkosten naar
                    de basisschool of speciale school voor basisonderwijs. De toelatingsleeftijd
                    voor kinderen in het speciaal onderwijs is geregeld in artikel 39 van de
                    WEC.</al><al>Voor leerlingen die op grond van de onderwijswetgeving toegelaten zijn op een
                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht of zij de leerplichtige
                    leeftijd hebben bereikt, of al voorbij zijn kunnen de ouders, indien zij voldoen
                    aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening leerlingenvervoer, aanspraak
                    maken op bekostiging van de vervoerskosten.</al><al>Voor het voortgezet onderwijs geldt dat zolang een leerling toegelaten is op een
                    school voor voortgezet onderwijs, en dus ‘leerling’ is van zo’n school, er
                    aanspraak kan bestaan op bekostiging op grond van titel 6 van de
                    verordening.</al><al>Illegale leerlingenHet recht op onderwijs, ook voor illegaal in ons land
                    verblijvende leerlingen, is gebaseerd op het principe dat jongeren waar ook ter
                    wereld moeten worden toegerust om aan het maatschappelijke leven deel te nemen,
                    Nederland is hiertoe ook internationale verdragsrechtelijke verplichtingen
                    aangegaan. In de Koppelingswet is zelfs vastgelegd dat illegale kinderen die
                    voor hun 18e jaar een onderwijstraject zijn gestart het recht hebben om dit af
                    te maken. Hier vloeit uit voort dat illegale leerlingen in principe ook recht
                    hebben op leerlingenvervoer. Scholen en gemeenten hoeven leerplichtige
                    leerlingen niet te vragen naar de verblijfsstatus. Een schoolleider kan dus niet
                    als een opsporingsambtenaar worden ingezet.</al><al>AsielzoekerskinderenVoor kinderen die in een Asielzoekerscentrum (AZC)
                    verblijven en naar school toe gaan, bestaat de Richtlijn schoolvervoer
                    asielzoekers. Deze richtlijn houdt in dat het AZC het vervoer betaalt van het
                    AZC naar de school. Dit betaalt het AZC uit de middelen die het via het Centraal
                    Orgaan Opvang Asielzoekers (COA) ontvangt. Leerlingen die niet in een
                    asielzoekerscentrum verblijven, vallen onder de gemeentelijke regeling
                    leerlingenvervoer. Gemeenten moeten leerlingen die in aanmerking komen voor het
                    leerlingenvervoer in principe vervoeren naar de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    school van de soort en de richting.</al><al>Besluit trekkende bevolkingVoor de begripsomschrijving ‘leerling’ geldt, evenals
                    voor de begripsomschrijving van ‘school’, dat die leerlingen zijn uitgesloten
                    die een rijdende school voor kinderen van kermisexploitanten of van
                    circusmedewerkers dan wel een ligplaatsschool voor varende kinderen
                    bezoeken.</al><al>Ad d Gehandicapte leerlingEen leerling die door een lichamelijke, verstandelijke
                    of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan
                    maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van de
                    verordening.</al><al>Ad e WoningOnder ‘woning’ wordt in de modelverordening verstaan: de plaats waar
                    de leerling structureel en feitelijk verblijft. Met andere woorden, de plaats
                    van waaruit het kind de school bezoekt. In dezen is het niet relevant in welke
                    gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.Niet ter zake doet of de
                    ouders, voogden of verzorgers in de gemeente hun officiële verblijf hebben in de
                    zin van de artikelen 10 en verder van Boek I van het Burgerlijk wetboek. Dit
                    betekent dat indien een leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft in
                    deze andere gemeente (in het algemeen) bekostiging van de vervoerkosten van deze
                    leerling aangevraagd moet worden (dit geldt overigens niet indien het
                    bijvoorbeeld een leerling betreft die vanwege een vakantie van de ouders
                    tijdelijk elders verblijft).</al><al>Tijdelijk verblijf Met name bij zeer kort tijdelijk verblijf van de leerling in
                    een andere gemeente kan de vraag rijzen of het redelijk is dat deze gemeente de
                    vervoerskosten moet dragen. Door het incidentele karakter van dit vervoer laat
                    het zich doorgaans moeilijk organiseren binnen de bestaande gemeentelijke
                    kaders, zodat dit vervoer zeer veel extra kosten met zich mee kan brengen. Ook
                    voor ouders is dit omslachtig: bij gemeente A moeten zij deelname aan het
                    vervoer opzeggen, bij gemeente B vervoer aanvragen en een aantal weken later
                    dienen zij het omgekeerde te doen. Bovendien bevat de definitie van het begrip
                    woning een structureel element.</al><al>In een voorkomend geval kan als volgt worden gehandeld. Als vooraf vaststaat dat
                    een leerling gedurende een korte periode (niet meer dan bijvoorbeeld zes weken)
                    in een andere gemeente (B) verblijft en zijn oude school blijft bezoeken, dan
                    wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente
                    (A).</al><al>Deze gemeente (A) zal dan ook het vervoer gedurende deze weken blijven
                    verzorgen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat het kind naar zijn eigen school
                    blijft gaan. Is de afstand van het tijdelijk verblijf van de leerling naar
                    school kleiner dan de kilometergrens die gemeente A hanteert, dan zal uiteraard
                    (tijdelijk) geen aanspraak op bekostiging van vervoerkosten bestaan.</al><al>In alle andere situaties waarin een leerling tijdelijk in een andere gemeente
                    verblijft verdient het aanbeveling de hoofdregel toe te passen, namelijk dat in
                    de gemeente waarin de leerling feitelijk verblijft het leerlingenvervoer wordt
                    aangevraagd. Deze gemeente beoordeelt dan dit verzoek op basis van de eigen
                    verordening leerlingenvervoer. Deze verordening kan uiteraard andere criteria
                    bevatten dan de verordening leerlingenvervoer van de oorspronkelijke
                    gemeente.</al><al>Dagcentrum: twee woningenHet uitgangspunt van de verordening leerlingenvervoer
                    is, dat slechts het vervoer van de woning naar de onderwijsinstelling en vice
                    versa wordt bekostigd. In het geval een leerling vanuit een ouderlijke woning
                    een school bezoekt en vanuit die school, omwille van een medische of sociale
                    indicatie, naar een dagcentrum (bijvoorbeeld een Boddaertcentrum) reist, is de
                    gemeente derhalve niet verplicht het vervoer van school naar het dagcentrum te
                    bekostigen.</al><al>Als het dagcentrum als structureel feitelijk (eventueel tweede) verblijf
                    aangemerkt kan worden, kan een gemeente ervan uitgaan dat het kind twee woningen
                    in de zin van de verordening heeft, te weten de ouderlijke woning en het
                    dagcentrum en daarom toch besluiten tot bekostiging. Dit is een keuze van de
                    gemeente. Als de gemeente wel bekostigt, dan kan er vervoer van huis naar school
                    en van school naar het dagcentrum worden aangeboden. Het dagcentrum wordt dan
                    aangemerkt als tweede woning. Het vervoer van het dagcentrum naar huis valt dan
                    niet onder het leerlingenvervoer.</al><al>Gescheiden ouders: twee woningenEen kind van gescheiden ouders kan twee woningen
                    hebben in de zin van de verordening. Waneer er bijvoorbeeld sprake is van
                    co-ouderschap, waarbij het kind evenveel bij de ene als de andere ouder
                    verblijft, kan gezegd worden dat er sprake is van twee hoofdverblijven. Om
                    aanspraak te maken op bekostiging van leerlingenvervoer moeten beide ouders
                    afzonderlijk, voor de dagen dat het kind doordeweeks bij hen verblijft, een
                    aanvraag indienen bij de gemeente waar hij of zij woonachtig is. Waar de
                    leerling staat ingeschreven doet niet terzake; doorslaggevend is de feitelijke
                    verblijfplaats van de leerling. De betreffende gemeenten toetsen de aanvraag elk
                    aan de eigen verordening leerlingenvervoer, waarbij onder meer wordt bekeken of
                    er sprake is van een woning in de zin van de verordening, of de school wel de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke is en of voldaan is aan de afstandsgrens. Het
                    komt voor dat slechts in één van beide gemeenten aanspraak op leerlingenvervoer
                    bestaat, doordat de school niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school
                    is.</al><al>Ad f AfstandDe afstand dient consequent te worden gemeten. Het verdient
                    aanbeveling om altijd dezelfde en de meest actuele routeplanner te hanteren en
                    de ouders bij de aanvraag te informeren over de wijze waarop de afstand wordt
                    gemeten.</al><al>Met betrekking tot het begrip ‘afstand’ heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State bepaald dat de veiligheid van de weg op zich zelf
                    beoordeeld voldoende dient te zijn (uitspraak van 31 maart 1989, R03.87.2599;
                    zie Jur. 1.5). Het college mag niet volstaan met verwijzing naar een minder
                    veilige alternatieve route.</al><al>Indien de afstand van de woning naar school niet voldoet aan het
                    afstandscriterium, dan dienen de ouders in voorkomend geval zelf voor
                    begeleiding zorg te dragen indien de af te leggen route onveilig is, aldus de
                    afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 12 juni 1995,
                    nr. R03.93.5575; zie jur.1.6 ).De afdeling bestuursrechtspraak is voorts van
                    mening dat de route niet in alle gevallen volledig toegankelijk moet zijn voor
                    gemotoriseerd verkeer (uitspraak van 12 juni 1995, nr. R03.93.5639; zie jur.
                    1.7).</al><al>Ad g VervoerIndien de gemeente opstapplaatsen hanteert, dient dit in de
                    verordening te worden opgenomen (Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij
                    artikel 1, onderdeel l). Voorts is ter verduidelijking opgenomen dat het vervoer
                    alleen plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals
                    aangegeven in de schoolgids. Hiermee wordt voorkomen dat ouders op basis van
                    bijvoorbeeld sociale of tijdelijke medische overwegingen aanvragen indienen voor
                    het vervoer tijdens de schooltijd (bijvoorbeeld omdat de leerling te jong is om
                    het hele onderwijsprogramma te volgen). Uitsluitend indien de structurele
                    handicap van een leerplichtige leerling noodzaakt tot het volgen van slechts een
                    deel van het onderwijsprogramma, dient in voorkomend geval wel tijdens de
                    schooltijd vervoerd te worden.</al><al>Ad h Openbaar vervoerBij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is
                    aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van
                    de Wet personenvervoer (wet van 12 maart 1987, Stb. 175). In deze Wet wordt
                    onder ‘openbaar vervoer’ verstaan: voor een ieder openstaand personenvervoer per
                    trein, metro, tram, bus, of auto volgens een dienstregeling. De Wet
                    personenvervoer definieert ‘dienstregeling’ als voor een ieder kenbaar schema
                    van reismogelijkheden. In de verordening is de begripsomschrijving ‘openbaar
                    vervoer’ uitgebreid met ‘veerdienst’.</al><al>Ad i ReistijdOnder ‘reistijd’ wordt in de modelverordening verstaan, de
                    tijdspanne die ligt tussen het verlaten van het huis en de aanvang van de
                    schooldag, dan wel de tijdspanne die ligt tussen het einde van de schooldag en
                    de aankomst bij het huis. De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht of zij
                    gebruikmaken van het leerlingenvervoer, zich vaak zo’n tien minuten voor de
                    aanvang van de lessen op het schoolplein bevinden. Het ligt voor de hand deze
                    tijd uit te sluiten van de reistijd. Dit betreft enkel de wachttijd aan het
                    begin van de schooldag. De eventuele wachttijd aan het einde van de schooldag
                    wordt wel meegerekend bij de totale reistijd.</al><al>Schooltijden Vanaf I augustus 2006 hebben scholen in het primair en het speciaal
                    onderwijs meer vrijheid om, in samenspraak met ouders, de schooltijden zelf in
                    te vullen. Voor scholen die vallen onder de WPO of de WEC geldt dat de
                    leerlingen in de eerste twee schooljaren ten minste 3520 uren onderwijs en in de
                    laatste zes schooljaren tenminste 3760 uren onderwijs ontvangen. Als voorwaarde
                    is wel gesteld dat de onderwijsactiviteiten evenwichtig over de dag verdeeld
                    moeten worden. Voor scholen vallend onder de WEC geldt daarnaast nog dat het
                    onderwijs aan leerlingen jonger dan 4 jaar ten minste 880 uren per schooljaar
                    omvat en aan leerlingen ouder dan 12 jaar ten minste 1000 uren per schooljaar.
                    Het is mogelijk om voor alle groepen naast de woensdagmiddag een tweede vrije
                    middag in te voeren, of de verplichte lesuren in vier dagen per week te
                    verzorgen. Een school kan ook kiezen voor een zesdaagse lesweek.Voor de bepaling
                    van het recht op leerlingenvervoer wordt aangesloten op de schoolgidsdie een
                    school heeft uitgegeven. Indien een school dus van de nieuwe regelgeving
                    gebruik-maakt en dat vastlegt in de schoolgids dan moet de gemeente dit
                    honoreren.</al><al>Ad j Toegankelijke schoolDe WPO kent het orgaan de permanente commissie
                    leerlingenzorg (pcl, artikel 23 WPO). Deze commissie beslist op aanvraag van de
                    ouders of een leerling op het onderwijs van een speciale school voor
                    basisonderwijs is aangewezen. Alleen als dit besluit positief is, kan een
                    leerling op een speciale school voor basisonderwijs worden opgenomen. Het
                    college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit
                    besluit uitgaan. Dit besluit is overigens een besluit in de zin van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb). In het kader van de operatie Weer samen naar school is
                    afgesproken dat, indien vaststaat dat een leerling is aangewezen op een hulpklas
                    bij een basisschool, deze basisschool moet worden aangemerkt als de
                    toegankelijke school, ook wanneer dit niet de dichtstbijzijnde basisschool is,
                    en dat derhalve vervoer naar deze basisschool met hulpklas dient te worden
                    bekostigd. De Regionale Verwijzingscommissie bepaalt de toelaatbaarheid tot het
                    praktijkonderwijs. (artikel 10g van de WVO).</al><al>Ad k InkomenOm te bepalen of op grond van artikel 23 een drempelbedrag kan
                    worden geheven, is het inkomen van ouders in het peiljaar nodig. Ouders kunnen
                    een IB 60-formulier opvragen bij de Belastingdienst, waarop dit gecorrigeerde
                    verzamelinkomen staat vermeld.</al><al>Ad l OpstapplaatsEen van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor
                    goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar
                    de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem
                    worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al
                    dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente
                    aangewezen opstapplaats.</al><al>Reistijd naar opstapplaatsIn de uitspraak van 26 februari 1992 (nr.
                    R03.89.0419/83-107) acht de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    het kennelijk redelijk dat de gemeente opstapplaatsen opstelt vanaf waar de
                    leerling van het vervoer gebruik kan maken. De afdeling vindt de reistijd, die
                    in dit geval niet meer dan dertig minuten bedraagt, alleszins redelijk. Hiermee
                    is echter nog niet aangegeven wanneer de afdeling de reistijd niet meer redelijk
                    acht.</al><al>Veiligheid en begeleidingWanneer gekozen wordt voor het aanwijzen van
                    opstapplaatsen, dan is het van belang dat de gemeente daarbij let op de af te
                    leggen afstand van huis naar de opstapplaats. Hierbij kan in ieder geval gedacht
                    worden aan bestaande halteplaatsen binnen een loopafstand van dertig minuten,
                    waar een beschutte halteplaats aanwezig is (mede in verband met de
                    weersomstandigheden). Het feit alleen dat de halte aan een drukke verkeersweg
                    ligt en dus niet veilig genoeg zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om
                    af te zien van het aanwijzen van opstapplaatsen. Van ouders mag in dergelijke
                    gevallen verwacht worden dat zij hun kinderen begeleiden tot ten minste het
                    moment dat hun kinderen in het voertuig zijn gestapt. (Zie ABRS 24 augustus
                    1992, nr. R03.90.1504/83-105).</al><al>AfstandWanneer een verzoek om een tegemoetkoming van de vervoerkosten wordt
                    ingediend, blijft de afstand tussen de woning en de school relevant; het
                    instellen van opstapplaatsen verandert daar niets aan. Dit betekent dat ouders
                    die op bijvoorbeeld negen kilometer van de school wonen terwijl de gemeente op
                    zes kilometer afstand een opstapplaats heeft ingesteld, recht hebben op
                    bekostiging van het vervoer (en eventueel begeleiding) over de resterende drie
                    kilometer. Ook blijft het berekenen van de reistijd zoals dat nu geldt onverkort
                    intact; met andere woorden de tijdsduur die gemoeid is met het bereiken van de
                    opstapplaats telt mee als reistijd als bedoeld in artikel 13, onder a, en
                    artikel 18, eerste lid onder b, van de modelverordening.</al><al>Ad m Commissie voor de begeleidingDe commissie voor de begeleiding is in de
                    plaats gekomen voor de commissie van onderzoek. De indicerende taken van de CvO
                    zijn overgegaan naar de regionale commissies van indicatiestelling (Cvi). De
                    taken omtrent toewijzing van (ambulante) begeleiding liggen bij de commissie
                    voor de begeleiding, verbonden aan een school.</al><al>Ad n VervoersvoorzieningDe wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen
                    verzorgen, dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’
                    is dit nader uitgewerkt. Er dient een keuze te worden gemaakt tussen één van de
                    drie weergegeven mogelijkheden: 1. een gehele of gedeeltelijke bekostiging van
                    de door het college noodzakelijk geachte vervoerskosten van de leerling en
                    zonodig diens begeleider, 2. de verstrekking van een abonnement of strippenkaart
                    voor de leerling en zo nodig diens begeleider, of 3. aanbieding van aangepast
                    vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen.</al><al>Ad o Permanente commissie leerlingenzorgDe WPO kent de permanente commissie
                    leerlingenzorg (pcl). Besluiten van de pcl over de toelating van een leerling
                    tot een speciale school voor basisonderwijs dienen door het college bij de
                    beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer betrokken te worden, ingeval
                    het college een negatieve beschikking geeft op de gevraagde voorziening. Zie
                    tevens de toelichting bij onderdeel j.</al><al>Ad p SamenwerkingsverbandOp basis van de WPO moeten basisscholen en speciale
                    scholen voor basisonderwijs die samenwerken, een zodanige zorgstructuur
                    inrichten, dat voor elke leerling de benodigde zorg kan worden geboden. Artikel
                    18 van de WPO geeft een regeling voor de samenwerkingsverbanden.</al><al>Ad q Regionale verwijzigingscommissie De regionale verwijzingscommissie heeft op
                    grond van artikel 10g van de WVO tot taak te beoordelen of een leerling tot het
                    praktijkonderwijs toelaatbaar is.</al><al>Ad r OpdcOpdc: orthopedagogisch en didactisch centrum. Bovenschoolse voorziening
                    bedoeld om leerlingen extra zorg te geven. Op een opdc kan ook onderwijs gegeven
                    worden, maar de leerlingen blijven ingeschreven op een school voor voortgezet
                    onderwijs.Leerlingen die volledig onderwijs volgen aan een opdc en aanspraak
                    maken op vervoer op basis van titel 6, kunnen in aanmerking komen voor
                    leerlingenvervoer naar het opdc. Leerlingen die gedeeltelijk onderwijs volgen
                    aan een opdc en gedeeltelijk aan een school voor voortgezet onderwijs, kunnen
                    alleen in aanmerking komen voor leerlingenvervoer naar de school voor voortgezet
                    onderwijs.</al><al>Ad s Ambulante begeleidingEen ambulante begeleider is verbonden aan een school
                    voor speciaal onderwijs en geeft ondersteuning aan gehandicapte leerlingen in
                    het reguliere primair en voortgezet onderwijs. De gemeente kan aan de ambulante
                    begeleider van gehandicapte leerlingen in het reguliere onderwijs, voor wie een
                    aanvraag leerlingenvervoer wordt ingediend, advies vragen over de
                    vervoersbehoefte van die leerlingen.</al><al>Ad t Commissie voor de indicatiestellingElk kind dat wordt aangemeld voor het
                    speciaal onderwijs moet worden geïndiceerd. De commissie voor de
                    indicatiestelling beoordeelt aan de hand van onafhankelijke landelijke criteria
                    of een leerling in aanmerking komt voor leerlinggebonden financiering en in welk
                    cluster de leerling wordt geplaatst.</al><al>Artikel 2 Bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten
                    vervoerskostenIn de modelverordening worden de aanspraken van de ouders op
                    gehele of gedeeltelijke bekostiging voor het dagelijks vervoer van leerlingen
                    naar scholen voor basisonderwijs, speciale scholen voor basisonderwijs en
                    (voortgezet) speciaal onderwijs vastgelegd. Indien het college het vervoer zelf
                    laat verzorgen, kan het van ouders, die voor bekostiging van de vervoerskosten
                    in aanmerking komen, verlangen dat hun kinderen van dit vervoer gebruik maken
                    Tevens kan zij van ouders, aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de
                    vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen aan het vervoer
                    van hun leerlingen (artikel 2, tweede lid, van de modelverordening). De hoogte
                    van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van leerlingen
                    die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs
                    bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de afstand tussen de
                    woning en de te bezoeken school. Indien de ouders weigeren of nalatig zijn met
                    betrekking tot de ingevolge de verordening te betalen bijdrage, leidt dit tot
                    het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik wordt
                    gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het vervoer. Het
                    behoeft geen betoog dat juist bij het aangepast vervoer afspraken kunnen worden
                    gemaakt met regiogemeenten om een zo efficiënt en goedkoop mogelijke wijze van
                    aangepast vervoer te organiseren. Tevens komt in artikel 2, tweede lid, tot
                    uitdrukking dat het eventuele drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het
                    inkomen nooit hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer. De
                    verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in
                    alle gevallen bij de ouders liggen. In artikel 2, derde lid, van de
                    modelverordening is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd.
                    Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan
                    de gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt
                    deze verantwoordelijkheid van de ouders.In het vierde lid staat dat een leerling
                    die meerderjarig en handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor
                    leerlingenvervoer kan doen in plaats van de ouders/verzorgers.</al><al>Artikel 3 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke schoolEen van de
                    uitgangspunten van de artikelen 4 van de WPO, WVO en de WEC is dat de
                    gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening en het college bij de
                    uitvoering daarvan de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende
                    keuze voor een school dient te eerbiedigen. Tevens is in genoemde artikelen
                    bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en
                    bijzonder onderwijs. In de verordening is dit verankerd in artikel 3.
                    Bekostiging van de vervoerskosten wordt verstrekt over de afstand tussen de
                    woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school. Als
                    dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt: de school die naar afstand het
                    dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende
                    (meest) begaanbare, veilige weg. Als toegankelijke school is aan te merken wat
                    betreft het primair onderwijs: de school van de verlangde godsdienstige of
                    levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Wat betreft
                    (voortgezet) speciaal onderwijs wordt hier nog een tweede criterium aan
                    toegevoegd: de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van
                    zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De hier bedoelde soorten zijn
                    schooltypen zoals vermeld in artikel 2 van de WEC en artikel 5 van de WVO. Op
                    grond van de WPO dient voor de speciale scholen voor basisonderwijs het vervoer
                    naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school in het samenwerkingsverband te
                    worden bekostigd. Zie daarvoor artikel 9 van de modelverordening.</al><al>Scholen met wachtlijstenHet spreekt voor zich dat op een toegankelijke school
                    wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden
                    toegelaten. Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een
                    leerling omdat er een wachtlijst bestaat, dient bekostiging plaats te vinden
                    naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op
                    vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een
                    wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school. Indien de wachtlijst is opgelost
                    - de gemeente dient naar de duur van de wachtlijst te informeren - kan de
                    bekostiging beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze
                    weer toegankelijk is geworden. Dit is ongeacht of de leerling vanaf dat moment
                    ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken: ouders zijn vrij om
                    hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, echter in het kader van
                    het leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoerskostenvergoeding voor de
                    dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt.</al><al>Van belang hierbij is dat wanneer het college een aanvraag om bekostiging
                    afwijst in verband met de aanwezigheid van een dichterbij gelegen school van (de
                    aangewezen soort en van) dezelfde richting, het dient aan te tonen dat de
                    leerling daadwerkelijk kan worden toegelaten tot die school. Hierbij kan nog
                    worden aangetekend dat bijvoorbeeld een nieuwe school met slechts een
                    leerkracht, namelijk voor de groepen 1 en 2, voor leerlingen uit groep 3 en
                    verder niet toegankelijk is.</al><al>De leerling zal, indien hij niet toegelaten wordt op de desbetreffende
                    dichtstbijzijnde school, moeten uitzien naar een andere school. Deze school is
                    dan aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school. In een dergelijk
                    geval dient bekostiging van vervoer te worden verstrekt, naar deze andere
                    (dichtstbijzijnde) school.</al><al>StagevervoerIs de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma en krijgt de
                    leerling dagelijks leerlingenvervoer naar de school, dan bestaat in beginsel
                    aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres. Dit is dan immers aan te
                    merken als de ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’. De gemeente kan scholen
                    er op attenderen dat stageplaatsing financiële gevolgen kan hebben voor
                    gemeenten. Scholen kunnen dit aspect mee laten wegen in de plaatsing van
                    leerlingen door bijvoorbeeld een stageplek te zoeken op de route van het
                    leerlingenvervoer.Hoogbegaafde kinderen en ‘toegankelijke school’Ten aanzien van
                    hoogbegaafde kinderen worden gemeenten regelmatig geconfronteerd met aanvragen
                    tot bekostiging van het vervoer naar scholen die zich richten op dit type
                    kinderen. In 2001 heeft de rechter een uitspraak hieromtrent gedaan over een
                    zaak die speelde in Emmen. De gemeente Emmen wees een soortelijk verzoek af,
                    omdat er voldoende onderwijsvoorzieningen zijn die dichterbij gelegen zijn. Men
                    vond geen reden de hardheidsclausule toe te passen. Met de gemeente was de
                    rechtbank van mening dat de aanvrager niet heeft aangetoond dat dichter
                    bijgelegen scholen niet geschikt zouden zijn. De rechter merkte op dat zelfs als
                    bewezen zou zijn dat deze school ongeschikt is, dit nog niet meebrengt dat er
                    aanspraak op een vervoersvoorziening zou kunnen zijn naar de verder weg gelegen
                    school. Het staat immers niet objectief vast dat deze school voor de leerling
                    wèl geschikt is en of dit dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school is. De
                    rechter vindt het dan wel mede op de weg van de gemeente liggen om aan te geven
                    welke dichterbij gelegen school geschikt is. OnderwijsrichtingIn de
                    parlementaire behandeling van de Wet gemeentelijke regelingen leerlingenvervoer
                    is uitgebreid aandacht besteed aan de richting van het onderwijs. Om alle
                    twijfels weg te nemen dat de afstand die voor bekostiging in aanmerking komt
                    maximaal betrekking heeft op de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en
                    veilige weg naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de verlangde
                    godsdienstige of levensbeschouwelijke richting is, door middel van een Vierde
                    nota van wijziging (Kamerstuk 18841, nr. 21) in de relevante artikelen expliciet
                    opgenomen dat vervoer plaatsvindt naar de dichtstbijzijnde voor de leerling
                    toegankelijke school, tenzij het vervoer met betrekking tot een verder weg
                    gelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen, en de
                    ouders met het vervoer naar die school instemmen.Bovengenoemd uitgangspunt houdt
                    in dat indien een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een
                    school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is
                    verwijderd, de aanspraak in principe beperkt blijft tot de kosten verbonden aan
                    het vervoer naar en van de dichtstbijzijnde bij de woning gelegen school. Dit is
                    echter geen verplichting. Het college kan besluiten om in het geheel geen
                    bekostiging te verstrekken indien vervoer aanwezig is waarvan de kosten gelijk
                    blijven ongeacht het aantal leerlingen dat van dat vervoer gebruik maakt.Indien
                    de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de
                    leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou
                    zijn (of niet meer kosten met zich meebrengt), kan het college aan de ouders
                    vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor
                    een openbare school geldt hetzelfde.Het zogenoemde ‘richtingenvraagstuk’ heeft
                    geleid tot veel jurisprudentie. Aanvankelijk beperkte de jurisprudentie zich bij
                    de vraag over het al dan niet doen toekennen van een vervoerskostenbekostiging
                    tot het zogenoemde ‘klassieke richtingenbestand’. Kenmerkend hierbij is dat het
                    gaat om stromingen van levensbeschouwelijke en godsdienstige aard. Ook bijzonder
                    onderwijs op algemene grondslag is hierbij als richting aan te merken.In het
                    algemeen kan gesteld worden dat naast scholen voor openbaar onderwijs, tot het
                    klassieke richtingenbestand binnen het bijzonder onderwijs gerekend worden:
                    scholen voor (rooms)katholiek onderwijs, scholen voor protestants-christelijk
                    onderwijs, scholen voor gereformeerd (vrijgemaakt) onderwijs (KB 28 december
                    1960, nr. 95; zie Jur 5.1), scholen voor reformatorisch onderwijs, scholen voor
                    algemeen bijzonder onderwijs (KB 15 december 1948, nr. 37; zie Jur. 5.2).
                    Daarnaast kunnen in het christelijk onderwijs, wat betreft het
                    leerlingenvervoer, de volgende richtingen worden onderscheiden: gereformeerde
                    schoolvereniging, scholen met den bijbel, christelijk-nationaal, hervormd. In
                    jurisprudentie worden ook de zogenoemde evangelische scholen als een
                    afzonderlijke richting aangemerkt (RvS 11-2-97, AB 1998, 28).Daarnaast zijn ook
                    de Joodse scholen als afzonderlijke richting aan te merken. Gezien de statuten
                    van Islamitische scholen wordt er van uitgegaan dat ook zij een eigen richting
                    vertegenwoordigen. Hetzelfde geldt voor Hindoeïstische scholen.</al><al>Interconfessioneel onderwijsHieronder wordt verstaan onderwijs dat is gebaseerd
                    op verschillende geloofsovertuigingen. Interconfessionele scholen zijn meestal
                    ontstaan uit de fusie van een protestante eneen katholieke school. Gezien de
                    statuten van deze scholen wordt dit type onderwijs nietals aparte richting ten
                    opzichte van andere confessionele scholen aangemerkt.</al><al>‘Vrije scholen’Deze scholen, die hun onderwijs stoelen op de antroposofische
                    wijsbegeerte en met name de filosofie van Rudolf Steiner, kunnen geacht worden
                    een bepaalde richting in het onderwijs te vertegenwoordigen, aangezien het
                    onderwijs wordt gegeven vanuit een eigen mens- en wereldbeschouwing (KB 18 juni
                    1980, nr. 32; zie Jur. 5.3). De vrije school is in Nederland bekend onder namen
                    als Rudolf Steinerschool, Parcivalschool en de Zonneschool.</al><al>Overige scholenNiet tot het begrip ‘richting’ wordt gerekend een bepaalde
                    onderwijskundige methode van een school. Hiermee worden onder andere bedoeld:
                    Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen en Freinetscholen. Deze
                    scholen baseren hun identiteit op de onderwijskundige inrichting van de school
                    en niet op de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting. Montessorischolen
                    c.a. kunnen onder meer van katholieke, protestante signatuur zijn. Dit betekent
                    dat er in dezen geen verschil bestaat tussen een ‘reguliere’ katholieke
                    basisschool en een katholieke Montessorischool, etc. Relatief nieuw zijn de
                    zogenaamde ‘Iederwijsscholen’. Dit zijn particuliere scholen die sinds 2000 op
                    verschillende plaatsen in Nederland gestart zijn. In het algemeen worden deze
                    scholen erkend als ’scholen’ in de zin van de onderwijswetten. De identiteit van
                    de school lijkt meer geënt op de onderwijskundige inrichting, dan een godsdienst
                    of levensovertuiging. Er is geen jurisprudentie bekend waaruit blijkt dat er
                    sprake is van een afzonderlijke richting.</al><al>Verklaring van bezwaarOp grond van artikel 3, tweede lid, van de
                    modelverordening dienen ouders, indien een leerling een school voor
                    basisonderwijs bezoekt op grotere afstand dan bepaald in de modelverordening,
                    terwijl zich dichterbij andere (openbare en bijzondere) basisscholen bevinden,
                    schriftelijk te verklaren, dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het
                    openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van de dichterbij gelegen
                    bijzondere basisscholen. Een verklaring van bezwaar dient zich te richten tegen
                    de richting van het bijzonder onderwijs dan wel tegen het openbaar onderwijs en
                    niet tegen de onderwijskundige methode die op de school gehanteerd wordt. Sinds
                    de totstandkoming van onderwijswetgeving met betrekking tot de vrijheid van
                    onderwijs, is het oordeel over de bezwaren, die aan de richting van het
                    onderwijs verbonden zijn, aan de overheid onttrokken. Met andere woorden: het
                    college is niet gerechtigd de bezwaren van ouders tegen een bepaalde richting
                    inhoudelijk te verifiëren. Ook onder de huidige regeling wordt deze gedragslijn
                    in de jurisprudentie gevolgd. Slechts in een enkel uitzonderlijk geval neemt de
                    Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan dat niet de richting van
                    het onderwijs, maar de kwaliteit daarvan, de keuze van de ouders heeft bepaald,
                    in tegenstelling tot de door de ouders afgelegde verklaring inzake hun bezwaar
                    tegen de overige richtingen en het openbaar onderwijs (ABRS, 10 april 1989,
                    R03.87.2455/98-86; zie Jur. 21.1. ABRS, 2 januari 1992, R03.89.0685/72-107; zie
                    Jur. 5.7). Op het college rust in deze gevallen een zware bewijslast. Aangetoond
                    dient te worden dat de bezwaren van de ouders in weerwil van de letter van hun
                    verklaring kennelijk niet de richting van het onderwijs betreffen. Zelfs indien
                    ouders hun kinderen aanvankelijk naar een openbare basisschool sturen,
                    vervolgens naar een katholieke basisschool en uiteindelijk wederom naar een
                    openbare basisschool, geeft de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak de
                    ouders het voordeel van de twijfel (ABRS, 24 maart 1988,
                    R03.88.0917/S526098.00). Ook indien ouders hun kind pas op twaalfjarige leeftijd
                    naar de school met de door hen gewenste richting sturen, dient het college de
                    verklaring van de ouders, dat zij tegen de overige richtingen en tegen het
                    openbaar onderwijs bezwaar hebben te respecteren, zeker nu de ouders aangaven
                    dat zij hun kind aanvankelijk te jong achtten om de afstand naar de gewenste
                    school te overbruggen (ABRS, 17 februari 1989, R03.89.0286/S5137-58; zie Jur.
                    5.6). Ook het feit dat kinderen uit hetzelfde gezin scholen van diverse
                    richtingen bezoeken levert onvoldoende grond op voor het oordeel dat de ouders
                    hun keuze kennelijk niet met het oog op de richting van het onderwijs hebben
                    bepaald (ABRS, 9 december 1989, R03.87.2975/72-86; zie Jur. 5.5).</al><al>Speciaal onderwijsUiteraard geldt voor het (voortgezet) speciaal onderwijs dat
                    het bovenstaande slechts van toepassing is op dichterbij gesitueerde scholen van
                    de soort waarop de leerling is aangewezen.</al><al>In dit kader is van belang dat de Afdeling Bestuursrechtspraakheeft bevestigd
                    dat voor het antwoord op de vraag op welke soort speciaal onderwijs een leerling
                    is aangewezen slechts een keuze kan worden gemaakt uit de in artikel 2 van de
                    WEC) onderscheiden soorten (ABRS, 2 januari 1992, R03.88.4075 en
                    R03.89.160/62-129; zie Jur. 21.2). ‘Binnen die soorten is geen nadere
                    onderverdeling aangebracht op basis waarvan onderscheid tussen (...) scholen
                    (...) kan worden gemaakt’. Slechts indien door de ouders wordt aangetoond - met
                    name via deskundigenrapporten - dat niet de dichtstbij gelegen school van de
                    gewenste richting en de aangewezen soort geschikt is maar een verder gelegen
                    school, neemt de Afdeling aan dat de leerling op deze verder gelegen school
                    feitelijk is aangewezen, en is er voor het college aanleiding te bezien of met
                    toepassing van de hardheidsclausule het vervoer naar de verder gelegen school
                    dient te worden bekostigd.Op grond van de Wet leerlinggebonden financiering
                    kunnen leerlingen die geïndiceerd zijn voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                    tevens kiezen voor het regulier onderwijs. Leerlingen die naar het (voortgezet)
                    speciaal onderwijs gaan, titel 3 van de modelverordening, maken onverminderd
                    aanspraak op leerlingenvervoer. Voor leerlingen van cluster 4 scholen (zeer
                    moeilijk opvoedbare kinderen, leerlingen van scholen verbonden aan pedologische
                    instituten, langdurig zieke kinderen (psychiatrische problematiek)) geldt dat
                    zij recht hebben op vervoer naar de cluster 4-school waarvoor de commissie voor
                    de indicatiestelling (cvi) een advies heeft afgegeven. Artikel 4, vijfde lid WEC
                    bepaalt namelijk dat de cluster 4-school waarvoor de cvi een advies heeft
                    afgegeven, wordt aangemerkt als de dichtstbijzijnde, toegankelijke school. Dit
                    geldt zolang de leerling woont in het gebied van het regionaal expertisecentrum
                    waar voornoemde commissie aan is verbonden.</al><al>Voorbeeld 1School A is een rooms-katholieke basisschool en ligt op zes kilometer
                    afstand van de woning van de leerling.School B is een protestants-christelijke
                    basisschool en ligt op drie kilometer afstand van de woning van de leerling.
                    Indien de ouders nu schriftelijk verklaren overwegende bezwaren te hebben tegen
                    de richting van de school die dichterbij gelegen is (i.c. school B), verstrekt
                    het college bekostiging voor het vervoer van de leerling naar school A.</al><al>Voorbeeld 2Een leerling bezoekt een school voor algemeen-bijzonder
                    basisonderwijs op drie kilometer afstand van de woning. De ouders besluiten dat
                    de leerling naar een andere basisschool van dezelfde richting gaat, gelegen op
                    zes kilometer afstand van de woning. In dit geval verstrekt het college geen
                    bekostiging voor het vervoer naar deze basisschool op zes kilometer afstand
                    (immers, het is niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school). Of bekostiging
                    plaatsvindt naar de basisschool op drie kilometer afstand, is afhankelijk van de
                    door de gemeenteraad bepaalde kilometergrens.</al><al>Voorbeeld 3Een leerling bezoekt een gereformeerde (vrijgemaakt) school op zeven
                    kilometer afstand van de woning. Op drie kilometer afstand wordt een nieuwe
                    gereformeerde (vrijgemaakt) basisschool gesticht. In principe vervalt de
                    bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zeven kilometer afstand. Het
                    is immers niet meer de dichtstbijzijnde toegankelijke school.Hierbij is echter
                    een redelijke overgangsregeling gewenst. Aansluitend bij de gangbare opvattingen
                    hierover lijkt een overgangsperiode van circa twee jaren reëel indien daarmee
                    het belang van de leerling wordt gediend. Na een dergelijke overgangsperiode
                    vervalt dan de bekostiging van de vervoerskosten naar de school op zeven
                    kilometer afstand van de woning.Indien de ouders beslissen om de leerling eerder
                    naar de dichterbij gelegen school te sturen, vervalt de bekostiging op het
                    moment dat de leerling de nieuwe school bezoekt. Of er dan bekostiging
                    plaatsvindt naar de nieuwe basisschool, is afhankelijk van de door de
                    gemeenteraad bepaalde afstandsgrens.</al><al>Voorbeeld 4Een leerling bezoekt een openbare school op drie kilometer afstand
                    van de woning. Halverwege het jaar verhuist het gezin naar een andere wijk in
                    dezelfde gemeente, waardoor de bezochte school niet meer de dichtstbijzijnde
                    school voor openbaar onderwijs is. De bezochte school ligt nu op een afstand van
                    acht kilometer. In principe bestaat geen aanspraak meer op bekostiging naar deze
                    school. Echter, indien de ouders voornemens zijn de leerling toch op de verder
                    weg gelegen school te laten, lijkt een redelijke overgangsperiode voor de hand
                    te liggen. Het college kan dan overwegen - indien daarmee het belang van de
                    leerling wordt gediend - bekostiging te verlenen voor het resterende schooljaar.
                    Of er dan bekostiging plaatsvindt naar de dichterbij gelegen school is
                    afhankelijk van de door de gemeenteraad bepaalde afstandsgrens.</al><al>Voorbeeld 5Een leerling bezoekt een protestants-christelijke speciale school
                    voor basisonderwijs op zes kilometer afstand van de woning terwijl een
                    rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs en een
                    protestants-christelijke ZMOK-school dichterbij zijn gesitueerd (respectievelijk
                    op twee kilometer en drie kilometer). De ouders komen voor bekostiging van de
                    vervoerskosten in aanmerking indien zij schriftelijk verklaren overwegende
                    bezwaren te hebben tegen de richting van de dichterbij gelegen toegankelijke
                    school (i.c. de rooms-katholieke speciale school voor basisonderwijs).De
                    protestants-christelijke ZMOK-school is geen school van de soort waarop de
                    leerling is aangewezen en is dus niet aan te merken als een dichterbij gelegen
                    toegankelijke school.</al><al>Voorbeeld 6Een leerling bezoekt een openbare basisschool op negen kilometer
                    afstand van de woning. Op zes kilometer afstand is ook een openbare basisschool
                    gehuisvest, terwijl er dichterbij gelegen scholen voor bijzonder basisonderwijs
                    aanwezig zijn. Het college verstrekt bekostiging van de vervoerskosten naar de
                    school op zes kilometer afstand van de woning, indien de ouders schriftelijk
                    hebben verklaard overwegende bezwaren te hebben tegen de richting van deze
                    dichterbij gelegen bijzondere basisscholen. Deze school op zes kilometer afstand
                    is immers aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school.</al><al>Voorbeeld 7Op drie kilometer afstand van de woning van de leerling is een
                    reformatorische basisschool gesitueerd. De leerling bezoekt een reformatorische
                    basisschool op acht kilometer afstand van de woning omdat op deze school
                    godsdienstonderwijs wordt gegeven volgens een bepaalde modaliteit, die niet tot
                    uitdrukking komt in de dichterbij gelegen reformatorische school. In dit geval
                    bekostigt het college niet de kosten van het vervoer naar de school, gelegen op
                    een afstand van acht kilometer.Of bekostiging plaatsvindt naar de
                    reformatorische basisschool op drie kilometer afstand is afhankelijk van de door
                    de gemeenteraad bepaalde kilometergrens.</al><al>Voorbeeld 8Een leerling bezoekt een vrijgemaakt-gereformeerde speciale school
                    voor basisonderwijs op twaalf kilometer afstand van de woning van de leerling,
                    omdat de onderwijskundige methode van die school geschikter blijkt voor de
                    leerling dan de onderwijskundige methode die gehanteerd wordt op de
                    vrijgemaakt-gereformeerde speciale school voor basisonderwijs, gelegen op een
                    afstand van vijf kilometer van de woning van de leerling. Het college verstrekt
                    een eventuele bekostiging voor het vervoer van en naar de school gelegen op vijf
                    kilometer afstand.</al><al>Voorbeeld 9Een leerling bezoekt een openbare speciale school voor basisonderwijs
                    binnen het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig
                    is, terwijl er buiten het samenwerkingsverband een dichterbij de woning van de
                    leerling gelegen toegankelijke openbare speciale school voor basisonderwijs is.
                    Het college verstrekt bekostiging naar de school binnen het samenwerkingsverband
                    (zie artikel 9 van de modelverordening).</al><al>Voor alle hiervoor weergegeven voorbeelden geldt dat het college de ouders met
                    toepassing van de hardheidsclausule toch een - volledige - bekostiging kan
                    verstrekken indien daartoe naar de mening van het college aanleiding is.</al><al>Artikel 4 Uitbetaling van de bekostigingVanuit het oogpunt van lastenverlichting
                    voor de burger is het wenselijk dat het aantal aanvragen zo veel mogelijk wordt
                    beperkt. In dat kader verdient het de aanbeveling om als gemeente te bezien of
                    het passend en mogelijk is om voor de gehele schoolperiode de bekostiging toe te
                    wijzen. Wanneer te verwachten valt dat er geen verandering optreedt in de
                    situatie van de leerling en deze dus aan de geldende criteria blijft voldoen, is
                    het wenselijk te kiezen voor een verstrekking voor de gehele schoolperiode.
                    Aanvragers dienen wijzigingen die van invloed zijn op de bekostiging direct door
                    te geven aan het college. Het is raadzaam aanvragers nadrukkelijk te wijzen op
                    het feit dat ten onrechte genoten bekostiging kan worden teruggevorderd, dan wel
                    kan worden verrekend (zie ook artikel 6).</al><al>Indien er in de situatie van de leerling echter verbetering of verandering valt
                    te verwachten, dient te worden gekozen voor een verstrekking over een termijn
                    van één schooljaar (of een beperkt aantal schooljaren). Hierbij kan worden
                    gedacht aan de noodzaak van het passend vervoer: deze kan per jaar sterk
                    veranderen en dient dus jaarlijks opnieuw te worden bekeken.</al><al>Nota bene: De eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor dient
                    de aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen, ook al wordt de
                    bekostiging voor een langere periode verstrekt. Dit zou kunnen vervallen als de
                    gemeente op termijn bij de belastingdienst de inkomensgegevens kan
                    opvragen.</al><al>Vanwege het creëren van beleidsruimte is in artikel 4 van de modelverordening
                    bepaald, dat het college bij de verstrekking van de bekostiging tevens de
                    termijn van de bekostiging bepaalt. In de beschikking dient deze termijn wel
                    aangegeven te worden. De gekozen formulering van artikel 4 van de
                    modelverordening laat zoals gezegd de ruimte om per geval de termijn van de
                    bekostiging te bepalen. Stelt de gemeenteraad zich echter op het standpunt dat
                    de bekostiging te allen tijde tot het einde van het aangevraagde schooljaar
                    dient te lopen, verdient het aanbeveling om de verordening in die zin aan te
                    passen.Tevens dient het college bij verstrekking van bekostiging de wijze en het
                    tijdstip van uitbetaling te bepalen. Bepaald zal onder andere dienen te worden
                    of:- de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt;- de bekostiging
                    in de vorm van een voorfinanciering of op declaratiebasis, dan wel via een vast
                    termijnbedrag achteraf geschiedt;- de bekostiging, in het geval er sprake is van
                    aangepast vervoer, rechtstreeks aan de vervoersonderneming geschiedt.Aangezien
                    de praktijk ten aanzien van de wijze van betaling en het tijdstip van betalen
                    veel verschillende varianten laat zien, is in de modelverordening geen
                    expliciete keuze gemaakt. Afhankelijk van de lokale gewoonte of de lokale wensen
                    kan hieraan invulling worden gegeven. Wel kan in dit verband opgemerkt worden
                    dat bekostiging op declaratiebasis, bijvoorbeeld door het overleggen van
                    strippenkaarten of maandabonnementen, de betrouwbaarste indicator is.</al><al>Artikel 5 AanvraagprocedureIndien ouders menen voor bekostiging in aanmerking te
                    komen, dienen zij hiertoe een aanvraag in bij het college. Van gemeentezijde
                    wordt hiervoor een (digitaal) aanvraagformulier beschikbaar gesteld. Het is
                    wenselijk om de aanvraag zo eenvoudig mogelijk te maken. In dit kader kan worden
                    gedacht aan een voorgedrukt, dan wel deels ingevuld aanvraagformulier. Hierbij
                    kan gebruik worden gemaakt van gegevens van voorgaande jaren, die reeds bekend
                    zijn bij de gemeente. De aanvrager kan dan volstaan met het controleren van
                    vermelde gegevens, het doorgeven van de noodzakelijke wijzigingen en het zetten
                    van zijn handtekening. Hierdoor blijven de administratieve lasten voor de burger
                    beperkt.In artikel 5 van de modelverordening zijn nadere bepalingen opgenomen
                    omtrent de aanvraag van bekostiging van de vervoerskosten.De aanvraag kan in
                    principe op twee tijdstippen plaatsvinden:1. indien het betreft een aanvraag
                    voor het nieuwe schooljaar, dient de aanvraag voor 1 juni voorafgaand aan dat
                    nieuwe schooljaar ingediend te worden;2. indien het betreft een aanvraag
                    gedurende het schooljaar, kan de aanvraag gedurende het schooljaar worden
                    ingediend.</al><al>Ad 1 Aanvraag voor 1 juni; beschikking geven voor het nieuwe schooljaar Veelal
                    zal ruimschoots voor de aanvang van het nieuwe schooljaar bekend zijn dat een
                    leerling in het nieuwe schooljaar een bepaalde school gaat bezoeken. Ook
                    continuering van het schoolbezoek is in veel gevallen ruim voor de aanvang van
                    het nieuwe schooljaar bij de ouders bekend. In dergelijke gevallen bepaalt
                    artikel 5, tweede lid, van de modelverordening dat de ouders, die in aanmerking
                    wensen te komen voor bekostiging van de vervoerskosten, voor 1 juni voorafgaande
                    aan het nieuwe schooljaar een aanvraag bij de gemeente moeten indienen.Deze
                    datum is gekozen omdat het van belang is om de afwikkeling van de
                    aanvraagprocedures zoveel mogelijk voor de werkelijke aanvang van het schooljaar
                    gerealiseerd te hebben respectievelijk voor de zomervakantie in verband met de -
                    in voorkomend geval - vereiste werkzaamheden van de commissie van
                    onderzoek.Indien de aanvraag voor 1 juni is ingediend bij de gemeente, heeft het
                    college op grond van artikel 5, vierde lid, tot uiterlijk het begin van het
                    nieuwe schooljaar de tijd een besluit te nemen en aan de aanvragers af te geven.
                    De aanvraag dient dan wel juist en volledig te zijn ingevuld en voorzien te zijn
                    van de noodzakelijke bijlagen.Voor de termijn van 1 juni plus acht weken is
                    gekozen om de eventueel te verwachten stormloop van aanvragen in de
                    zomervakantie te kunnen verwerken.</al><al>Ondanks de gestelde termijnen in artikel 5 van de modelverordening kan het
                    voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijnen niet haalbaar zijn voor de
                    gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval van een
                    vakantiepiek, indien het gevraagde oordeel van de commissie van onderzoek of
                    andere deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere
                    situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste
                    vier weken verdagen (artikel 5, vijfde lid, van de modelverordening). Uiterlijk
                    een dag voor het verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de
                    ingediende aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de
                    verdagingstermijn onvoldoende soelaas biedt, bijvoorbeeld als gevolg van het
                    uitblijven van het advies van de commissie van onderzoek, is het van belang dat
                    er toch een beschikking wordt afgegeven. In een dergelijk geval ligt het voor de
                    hand een beschikking te geven, zonder bijvoorbeeld het advies van de commissie
                    van onderzoek af te wachten.Een beschikking treedt niet in werking voordat deze
                    bekend is gemaakt (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 5 van
                    de modelverordening zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig
                    heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Artikel 4:13
                    van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te
                    worden gegeven in ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken
                    geen beschikking heeft gegeven.Indien bovenstaande termijnen (acht weken en een
                    eventuele verdaging van vier weken) overschreden worden, dan kunnen de
                    aanvragers op basis van artikel 6:2 van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep
                    instellen. In het onderhavige geval is het bezwaar en beroep niet aan een
                    termijn gebonden (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of
                    beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is
                    ingediend (artikel 6:12, derde lid).</al><al>Ad 2 Aanvragen gedurende het schooljaar; beschikking binnen acht weken In
                    gevallen waarin de ouders een aanvraag ten behoeve van het nieuwe schooljaar om
                    welke reden dan ook niet tijdig voor 1 juni indienen, is het in de meeste
                    gevallen niet haalbaar de beschikking voor het begin van het nieuwe schooljaar
                    af te geven. Hetzelfde geldt in het geval de aanvraag - weliswaar ingediend voor
                    1 juni - onvolledig is of onjuist is ingevuld (tenzij de gecorrigeerde aanvraag
                    ook voor 1 juni bij de gemeente binnen is).Wanneer de aanvraag onjuist of
                    onvolledig is ingevuld, zullen de ouders de aanvraag moeten aanvullen of
                    corrigeren. In artikel 4:15 van de Awb is bepaald dat de beslistermijn wordt
                    opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is
                    aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Is er sprake
                    van een bovengenoemde situatie dan is artikel 5, vierde lid, van de
                    modelverordening van toepassing. Hierin wordt bepaald dat het college binnen
                    acht weken na ontvangst van het formulier een beslissing neemt, nadat ouders in
                    voorkomend geval in de gelegenheid zijn gesteld de aanvraag met ontbrekende
                    gegevens aan te vullen.Deze termijn is ook van toepassing indien gedurende het
                    schooljaar een aanvraag plaatsvindt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien
                    in de loop van het schooljaar een leerling van schoolsoort wisselt (bijvoorbeeld
                    van basisonderwijs naar speciaal onderwijs), of wel dat het kind in de loop van
                    het jaar verhuist en daardoor een andere gelijksoortige school gaat bezoeken.In
                    de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6
                    maart 1992 (R03.88.7294/83-129; zie Jur. 21.3) staan de gevolgen van een
                    verhuizing centraal. Ervan uitgaande dat de voormalige woongemeente de ouders
                    wijst op de noodzaak een aanvraag bij de nieuwe woongemeente in te dienen mag
                    van de ouders worden verwacht dat zij onverwijld - maar uiterlijk binnen een
                    week na de berichtgeving van de voormalige woongemeente - een aanvraag bij de
                    nieuwe woongemeente indienen. Bij latere indiening is de nieuwe woongemeente
                    niet gehouden om de kosten van vervoer in de periode vanaf een week na de
                    mededeling van de oude woongemeente tot aan de uiteindelijke indiening van de
                    aanvraag bij de nieuwe woongemeente te bekostigen.Ook ten aanzien van de
                    aanvraagprocedures geldt echter dat de afwikkelingstermijnen niet haalbaar
                    kunnen zijn voor de gemeente. Hiervoor geldt dan ook de verdaging van de termijn
                    met vier weken. Dezelfde criteria en sancties gelden als onder ad 1 zijn
                    gesteld.Indien op een aanvraag positief is beslist of indien via bezwaar of
                    beroep een positieve beschikking is afgedwongen, luidt de vraag met ingang van
                    welke datum de bekostiging wordt verleend. In zijn algemeenheid kan gesteld
                    worden dat het college de ingangsdatum van de bekostiging bepaalt. In het geval
                    een aanvraag voor het nieuwe schooljaar wordt gedaan, zal de ingangsdatum van de
                    bekostiging in principe samenvallen met de eerste schooldag van het nieuwe
                    schooljaar (artikel 5, zesde lid, onder a). Hieronder dient dan de werkelijke
                    start van het schooljaar verstaan te worden en niet de wettelijke aanvangsdatum.
                    De bekostiging gaat uiteraard pas in op de dag dat het vervoer daadwerkelijk
                    plaatsvindt.</al><al>Geen bekostiging met terugwerkende krachtIndien de aanvraag gedurende het
                    schooljaar aan het college wordt gericht zal de ingangsdatum van de bekostiging
                    in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier verzochte datum van
                    ingang, echter niet voor de datum waarop de aanvraag wordt gedaan (artikel 5,
                    zesde lid, onder b) (de datum van ontvangst). Het spreekt voor zich dat de
                    gemeente haar burgers in algemene zin dient te informeren omtrent eventuele
                    rechten op bekostiging van leerlingenvervoer.</al><al>Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraagZoals reeds eerder is opgemerkt
                    geeft artikel 4:4 van de Awb de gemeente in het algemeen de bevoegdheid om het
                    gebruik van aanvraagformulieren voor te schrijven. Artikel 4:15 van de Awb
                    bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met
                    de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt
                    is verstreken.Onder gegevens dient ook te worden verstaan eventuele toevoeging
                    van verklaringen (bewijsstukken). Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een
                    medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der
                    belasting, verklaring van overwegende bezwaren en eventuele andere
                    bewijsstukken.Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Awb verplicht deze
                    gegevens te overleggen, indien deze gegevens van belang zijn voor een juiste
                    beoordeling van de aanvraag. Of gegevens daadwerkelijk van belang zijn voor een
                    juiste beoordeling wordt door het college bepaald. Uiteraard dient het begrip
                    ‘juist’ redelijk geïnterpreteerd te worden. Criterium is: gegevens die van
                    invloed zijn op de aanvraag dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het
                    college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. Indien het aanvraagformulier
                    aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het
                    aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de
                    verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn (bijvoorbeeld
                    vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt,
                    dan dient het college de afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt
                    genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde
                    lid van de Awb, dient in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden
                    gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.Uit een beschikking
                    van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (9
                    november 1989, nr. R03.89.5831/S6535; zie Jur. 8.1) wordt duidelijk dat
                    gemeenten bij een afwijzende beschikking zich niet louter kunnen beroepen op een
                    onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun
                    beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager
                    is. De voorzitter overweegt het volgende: ‘Wij stellen voorop dat, hoewel is
                    gebleken dat het aanvraagformulier voor de in geding zijnde
                    reiskostenbekostiging onjuist dan wel onvolledig is ingevuld, de kennelijk
                    bedoeling van verzoeker, gezien de aanvragen van de voorafgaande jaren,
                    duidelijk is. Derhalve beschouwen wij de aanvraag als zijnde correct gedaan.’
                    Bij het in behandeling nemen van aanvragen zal de gemeente dus moeten letten op
                    de kennelijke bedoeling van de aanvrager zoals die uit aanvragen van de
                    voorafgaande jaren gebleken is.</al><al>VerdagenHet vijfde lid van artikel 5 geeft het college de mogelijkheid om de
                    beslissing op de aanvraag met vier weken te verdagen. Een beslissing van een
                    bestuursorgaan om een beslissing te verdagen is een beschikking in de zin van de
                    Awb. Dit betekent onder andere dat het bestuursorgaan een dergelijke beslissing
                    dient te motiveren (artikel 4:16 van de Awb) en dat de beslissing aan de
                    belanghebbende bekend gemaakt dient te worden (artikel 3:41 van de Awb).</al><al>Artikel 6 Doorgeven van wijzigingen</al><al>Lid 1Artikel 6, eerste lid, van de modelverordening regelt dat ouders verplicht
                    zijn wijzigingen door te geven aan het college, die van directe invloed zijn op
                    de verstrekte bekostiging van de vervoerskosten. Ouders dienen dergelijke
                    wijzigingen onverwijld mede te delen aan het college.Gegevens die van invloed
                    kunnen zijn op de bekostiging zijn onder andere:- wijziging van de reistijd, in
                    verband met verandering in bijvoorbeeld het openbaar vervoer;- wijziging in het
                    woonadres van de leerling, door bijvoorbeeld verhuizing;- wijziging van de
                    gezinssamenstelling;- wijziging in de gezinssituatie, die invloed heeft op het
                    al dan niet begeleiden van leerlingen;- wijziging van het adres van de school;-
                    wijziging van de schooltijden van de school;- wijziging van school (bijvoorbeeld
                    van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs);- toekenning van
                    bekostiging op grond van de Wet WIA , of op grond van andere wet en
                    regelgeving.</al><al>Lid 2Indien de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de
                    verstrekte bekostiging in en verstrekt het college al dan niet opnieuw
                    bekostiging van de vervoerskosten (artikel 6, tweede lid, van de
                    modelverordening). Indien de wijziging geen invloed op de bekostiging heeft
                    gebeurt dit uiteraard niet. Wijziging in het inkomen van ouders van leerlingen
                    die een school voor basisonderwijs of speciale school voor basisonderwijs volgen
                    heeft in principe geen invloed op de bekostiging van de vervoerskosten voor het
                    desbetreffende jaar. Indien echter sprake is van een structurele wijziging in
                    het inkomen van de ouders die voor hen ernstig nadelig is, kan het college
                    vooruitlopend op het volgende schooljaar de bekostiging aanpassen. Indien het
                    college, zonder hiervan door de ouders onverwijld op de hoogte te zijn gesteld,
                    zelf wijzigingen vaststelt die van invloed kunnen zijn op de bekostiging, kan
                    het zijn dat ouders ten onrechte bekostiging (hebben) ontvangen.</al><al>Lid 4Artikel 6, vierde lid, van de modelverordening biedt in dergelijke
                    situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen
                    of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostiging. Ook
                    in onderhavige gevallen geldt immers dat nadat de wijziging is vastgesteld de
                    bekostiging kan vervallen en eventueel opnieuw wordt verstrekt. De beslissing
                    dient aan de aanvrager bekend te worden gemaakt (artikel 3:41 Awb).</al><al>Artikel 7 Peildatum leeftijd leerlingAangezien in de modelverordening het
                    leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een van de volumebeperkende
                    middelen is opgenomen (artikel 12) om al dan niet in aanmerking te komen voor
                    vervoer onder begeleiding, verdient het aanbeveling een peildatum van de
                    leeftijd van de leerling te kiezen. Indien de leerling in aanmerking komt voor
                    openbaar vervoer onder begeleiding en in de verordening is geen peildatum
                    gekozen, zal in dat schooljaar waarin de leerling de leeftijd van negen jaar
                    bereikt, tweemaal een beschikking dienen te worden afgegeven, namelijk voor de
                    periode dat de leerling nog acht jaar is en voor de periode dat de leerling de
                    leeftijd van negen jaar heeft bereikt. Een dergelijke handelwijze houdt nogal
                    wat extra administratieve werkzaamheden in.In de modelverordening (artikel 7) is
                    dan ook gekozen voor een peildatum die geldt voor het gehele schooljaar. Gekozen
                    is voor de peildatum van 1 augustus van het betreffende schooljaar, omdat deze
                    datum samenvalt met de wettelijke start van het schooljaar. Deze bepaling houdt
                    in dat indien de leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar acht jaar is,
                    hij in het kader van de modelverordening het gehele schooljaar als acht jaar
                    wordt aangemerkt (ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar negen
                    jaar). Er hoeft dan ook maar 1 beschikking voor het gehele schooljaar te worden
                    afgegeven.Ten behoeve van het (voortgezet) speciaal onderwijs is een dergelijke
                    leeftijdsgrens niet opgenomen. Het recht op leerlingenvervoer staat verder in
                    geen relatie tot een bepaalde leeftijdgrens. Inschrijving bij een WPO, WEC of
                    WVO school volstaat.</al><al>Artikel 8 Andere vergoedingenIndien kan worden aangetoond dat een aanvrager van
                    leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding
                    ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school, mag de gemeente die
                    vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op
                    basis van de verordening leerlingenvervoer. Dat geldt echter niet voor
                    vergoedingen die worden verstrekt door de IB-groep op basis van de Wet
                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, die ouders van schoolgaande
                    kinderen in het voortgezet onderwijs kunnen aanvragen. Deze vergoeding is
                    opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, boekengeld enzovoort en
                    is niet puur bestemd voor reiskosten. Deze vergoeding mag daarom niet worden
                    afgetrokken van de bekostiging leerlingenvervoer.</al><al>Artikel 9 Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school
                    voor basisonderwijs in het samenwerkingsverbandDit artikel is een aanvulling op
                    artikel 3 van de modelverordening. Voor alle onderwijssoorten geldt de
                    hoofdregel van artikel 3, eerste lid. Artikel 4 van de WPO bepaalt voor speciale
                    scholen voor basisonderwijs echter dat het vervoer naar de dichtstbijzijnde
                    school in het samenwerkingsverband dient te worden bekostigd. Dat zal veelal
                    wel, maar hoeft niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school van zijn soort te
                    zijn omdat buiten het samenwerkingsverband een dichterbij gelegen speciale
                    school kan zijn. Deze regeling is door de wetgever getroffen om zo veel mogelijk
                    opvang binnen het eigen samenwerkingsverband te realiseren. Evenals bij de
                    regeling voor basisscholen wordt bij het toekennen van een voorziening voor
                    leerlingenvervoer rekening gehouden met de toegankelijkheid voor de leerling en
                    de op godsdienst of levensbeschouwing berustende keuze van de ouders. In artikel
                    9 wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op
                    grond van artikel 3 van de verordening de dichtstbijzijnde toegankelijke
                    basisschool. Is dit het geval, dan is artikel 9 van toepassing. Daarnaast geldt
                    als gevolg van de verwijzing naar artikel 3 van de modelverordening bij
                    toepassing van onderdeel b ook hier het vereiste van schriftelijke instemming
                    van de ouders.</al><al>Artikel 10 Permanente commissie leerlingenzorgIn de WPO wordt aan de permanente
                    commissie leerlingenzorg (pcl) de taak opgedragen om een besluit te nemen over
                    de toelating van een leerling tot een speciale school voor basisonderwijs. Het
                    college moet bij de beoordeling van een aanvraag voor leerlingenvervoer van dit
                    besluit uitgaan. Daarnaast kunnen door het samenwerkingsverband aan de pcl
                    adviestaken worden opgedragen. Wanneer dat is gebeurd dient het college het
                    advies van de commissie bij de beoordeling te betrekken. Omdat het een advies
                    betreft, is het college daaraan echter niet gebonden. Om de bestuurslast beperkt
                    te houden is bepaald, dat het advies van de pcl alleen moet worden betrokken,
                    als het college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening
                    geeft.</al><al>Artikel 11 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                    fietsArtikel 11 van de modelverordening bepaalt dat de ouders van leerlingen die
                    een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs
                    bezoeken, in aanmerking kunnen komen voor bekostiging op basis van de kosten van
                    het openbaar vervoer dan wel vervoer per fiets, indien de afstand van de woning
                    naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school meer dan zes
                    kilometer bedraagt.Het tweede lid van artikel 11 voorziet er in dat een
                    fietsvergoeding wordt verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat
                    de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer
                    per fiets. Hierbij dienen in overweging te worden genomen de leeftijd van de
                    leerling, de eventuele handicap van de leerling, de veiligheid van de af te
                    wijken route en de afstand. Ook is het mogelijk een fietsbekostiging voor
                    bijvoorbeeld de maanden maart tot november te verstrekken en voor de overige
                    maanden bekostiging voor ander passend vervoer.In artikel 11 van de
                    modelverordening zijn de minimumvoorwaarden vastgelegd om ouders aanspraak te
                    kunnen laten maken op bekostiging van de vervoerkosten. Hierbij geldt als
                    uitgangspunt: ‘bekostiging van de kosten van openbaar vervoer dan wel de kosten
                    van het vervoer per fiets’.</al><al>AfstandscriteriumDe artikelen 4 van de WPO en de WEC bepalen dat de
                    gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op
                    grond van de afstand. In de modelverordening is deze afstand nader ingevuld door
                    het stellen van een kilometergrens. Als afstandscriterium wordt in de
                    modelverordening zes kilometer gehanteerd. In artikel 4, zevende lid, van de WPO
                    is deze afstand als bovengrens vastgelegd.In de uitspraak van 27 december 1989
                    (R03.88.7309; zie Jur. 1.4) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad
                    van State duidelijkheid verschaft over de wijze waarop de afstand tussen school
                    en woning bepaald moet worden. Als er een klein verschil (minder dan enkele
                    honderden meters) bestaat tussen de meting van de afstand door de ouders en de
                    gemeente, dan kan niet volstaan worden met het meten van de afstand door een
                    auto-dagteller. In dit geval dient een methode gebruikt te worden waardoor de
                    exacte afstand kan worden bepaald, bijvoorbeeld door middel van het gebruik van
                    een geijkte teller, of een recente versie van een routeplanner of
                    navigatiesysteem. Van belang is tevens dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van
                    de Raad van State in dezelfde uitspraak heeft bepaald dat bij het meten van de
                    afstand niet mag worden uitgegaan van de gemiddelde afstand van de heenweg (’s
                    morgens) en de terugweg (’s middags). Indien de reisafstand op de heenweg onder
                    de in de verordening gestelde grens ligt doch de reisafstand op de terugweg
                    daarboven - of omgekeerd - dan ligt het naar het oordeel van de afdeling veeleer
                    in de rede dat een gedeeltelijke bekostiging - voor alleen de heen- dan wel de
                    terugreis - wordt verstrekt.Een combinatie van afstandscriterium en
                    leeftijdscriterium is op grond van de wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en
                    negende lid, van de WPO en artikel 4, zevende en achtste lid, van de WEC). Met
                    andere woorden: een voor de hand liggend onderscheid in afstand voor jongere en
                    oudere kinderen is niet mogelijk.</al><al>Het drempelbedrag en het draagkrachtbeginselVoor het vervoer van leerlingen naar
                    scholen voor basisonderwijs heeft de gemeente naast de vaststelling van een
                    afstandsgrens en leeftijdsgrens nog twee andere volumebeperkende maatregelen ter
                    beschikking ter regulering van de vervoerskosten, namelijk een drempelbedrag en
                    het toepassen van het draagkrachtbeginsel. In het kader van het vervoer van
                    leerlingen naar speciale scholen voor basisonderwijs kan eveneens een
                    drempelbedrag geheven worden, maar is het toepassen van het draagkrachtbeginsel
                    niet mogelijk. Zie verder de toelichting bij artikel 23 en 24.</al><al>Leerlingenvervoer naar dislocaties/nevenvestigingenArtikel 11 e.v. en artikel 15
                    e.v. van de modelverordening bepalen dat het college bekostiging verstrekt in de
                    kosten van leerlingenvervoer, indien de afstand van de woning van de leerling
                    naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school voor
                    basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor
                    speciaal voortgezet onderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs meer bedraagt
                    dan zes kilometer.Indien de school die de leerling bezoekt meer dan een locatie
                    heeft, rijst de vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle
                    onderwijslocaties als school in de zin van de modelverordening leerlingenvervoer
                    dienen te worden beschouwd. Deze vraag zal zich in de praktijk vaker voordoen
                    door met name de schaalvergrotingsoperatie (T en B) in het basisonderwijs. Door
                    deze operatie is het aantal dislocaties toegenomen en zijn zelfstandige scholen
                    omgevormd tot nevenvestigingen.Voor de beantwoording van de gestelde vraag kan
                    aansluiting worden gezocht bij de regelgeving inzake de huisvesting en materiele
                    instandhouding in het primair onderwijs, alsmede bij artikel 2, eerste lid,
                    artikel 11 en artikel 15, eerste lid van de modelverordening leerlingenvervoer.
                    Als uitgangspunt geldt dan dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt
                    bezocht als school kan worden beschouwd in de zin van de verordening.</al><al>Concreet gaat het om de volgende situaties:1 Nevenvestiging in het
                    basisonderwijs. Een nevenvestiging wordt in termen van de WPO (artikel 1)
                    beschouwd als een deel van de school op de plaats waar voor de vorming van de
                    nevenvestiging een zelfstandige school functioneerde. De eigen wettelijke
                    positie van een nevenvestiging komt onder andere tot uiting in een afzonderlijke
                    normstelling voor de instandhouding, in een afzonderlijke regeling voor de
                    rijksbekostiging van de huisvesting (los van de plaatsingscapaciteit van de
                    hoofdvestiging) en in de verplichting om voor de nevenvestiging een
                    afzonderlijke leerlingadministratie bij te houden.Gelet op het voorgaande
                    uitgangspunt en tegen deze achtergrond bezien, ligt het voor de hand een
                    nevenvestiging als een school in de zin van de verordening te beschouwen.</al><al>2 Dislocaties in het primair onderwijs.Een dislocatie kan, gelet op het hiervoor
                    genoemde uitgangspunt, eveneens als een school in de zin van de verordening
                    worden beschouwd.</al><al>3 Bekostiging. Het college verstrekt bekostiging indien de leerling de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke onderwijslocatie bezoekt, indien uiteraard aan de
                    criteria van de verordening op het gebied van richting en kilometergrens wordt
                    voldaan. Met een onderwijslocatie wordt zowel de hoofdvestiging als een
                    nevenvestiging of dislocatie bedoeld.Hieruit vloeit bijvoorbeeld voort dat
                    indien een leerling een dislocatie bezoekt die minder ver van de woning is
                    gelegen dan de kilometergrens van artikel 11 respectievelijk artikel 15 van de
                    modelverordening, het college niet gehouden is bekostiging te verstrekken voor
                    de kosten van het leerlingenvervoer. Dit gaat ook niet op indien de
                    hoofdvestiging van de school zich wel verder weg van de woning bevindt dan de
                    kilometergrens.Anderzijds is het college gehouden bekostiging van de kosten van
                    leerlingenvervoer te verstrekken indien de dichtstbijgelegen onderwijslocatie
                    van de gewenste soort en richting een nevenvestiging is die verder weg van de
                    woning is gelegen dan de kilometergrens van artikel 11 respectievelijk artikel
                    15, terwijl de hoofdvestiging binnen deze kilometergrens is gelegen.</al><al>4 Toegankelijkheid. De bekostigingsplicht van het college tot de
                    dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school kan van specifiek belang
                    zijn indien de leerling een school bezoekt met een nevenvestiging of een
                    dislocatie.Indien een school een nevenvestiging of dislocatie heeft, kan het
                    bevoegd gezag bij de inrichting van het onderwijs bepalen dat de hoofdvestiging
                    en de nevenvestiging/dislocatie niet elk een volledig onderwijscurriculum
                    verzorgen. Indien bijvoorbeeld de dichtstbij gelegen d, is deze locatie voor een
                    leerling uit de bovenbouw niet toegankelijk en wordt de verder gelegen
                    dislocatie of hoofdvestiging met onderwijs voor de bovenbouw als
                    dichtstbijzijnde onderwijslocatie aangemerkt. Indien aan de overige voorwaarden
                    wordt voldaan bekostigt het college het vervoer daarheen.Verbouwing van de
                    schoolIndien een school verbouwd wordt en leerlingen op een andere locatie
                    opgevangen worden, dan is het niet automatisch zo dat de gemeente alle
                    leerlingen naar die locatie vervoert. Per leerling moet de verordening
                    leerlingenvervoer van de gemeente waar het kind woont worden toegepast. Voor
                    leerlingen die al in het leerlingenvervoer zitten, geldt artikel 6 van de
                    verordening (doorgeven van wijzigingen). Het college gaat dan opnieuw kijken of
                    er aanspraak bestaat op leerlingenvervoer. Voor leerlingen die niet in het
                    leerlingenvervoer zitten, moet een aanvraag worden ingediend. De gemeente gaat
                    deze aanvraag toetsen. Hierbij wordt (onder meer) gekeken of wordt voldaan aan
                    de afstandsgrens en of het om de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de
                    soort en de richting gaat. Maken ouders geen aanspraak op leerlingenvervoer, dan
                    moeten zij samen met de school bekijken hoe de eventuele extra vervoerskosten
                    worden opgevangen. Vaak regelen scholen vervoer tussen de oude en nieuwe
                    locatie.</al><al>Artikel 12 Bekostiging van de kosten van vervoer ten behoeve van een
                    begeleiderIn een aantal gevallen zal blijken dat het voor de leerling niet
                    mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. Indien er dan geen
                    andere ‘oudere’ leerlingen zijn die de leerling kunnen begeleiden, is deze
                    begeleiding een verantwoordelijkheid van de ouders. In artikel 12 van de
                    modelverordening is daaromtrent een regeling getroffen.Uit artikel 12 blijkt:-
                    dat de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer moet zijn om
                    voor bekostiging van de vervoerkosten ten behoeve van een begeleider in
                    aanmerking te komen;- dat begeleiding slechts wordt bekostigd aan de ouders,
                    indien de leerling jonger dan negen jaar is. Met andere woorden: de regeling
                    gaat ervan uit dat een leerling van negen jaar en ouder in principe zelfstandig
                    van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Is dat in een incidenteel geval niet
                    zo, dan kan op grond van artikel 29 van de modelverordening een uitzondering
                    hierop gemaakt worden.- In dit verband is artikel 7 van de modelverordening van
                    belang. Indien de leerling op 1 augustus van het schooljaar acht jaar is, geldt
                    voor het hele schooljaar dat de leerling als acht jaar wordt aangemerkt ook al
                    wordt de leerling in de loop van het schooljaar negen jaar;- dat door de ouders
                    genoegzaam aangetoond moet worden dat de leerling niet in staat is zelfstandig
                    van het openbaar vervoer gebruik te maken.- Hiervan kan onder andere sprake zijn
                    indien:o de leerling te jong is om zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik
                    te maken;o de leerling gedurende de rit met het openbaar vervoer een of meerdere
                    malen moet overstappen op gevaarlijke overstappunten en hij, gezien zijn
                    leeftijd, te jong hiervoor is;o de route van het uitstappunt van de bus naar de
                    school gevaarlijke punten kent (en oplossing daarvan door bijvoorbeeld
                    verkeersbrigadiers niet mogelijk is).Dit ‘genoegzaam aantonen’ dient zoveel als
                    mogelijk ondersteund te worden door eventuele bewijsstukken, zoals gegevens over
                    de routes van het openbaar vervoer, psychologische verklaringen en medische
                    verklaringen. In een aantal gevallen kan het voorkomen dat het bewijs moeilijk
                    te geven is. In die gevallen dient de situatie zorgvuldig beoordeeld te worden
                    door het college. Het college bepaalt immers of inderdaad aangetoond wordt of
                    zelfstandig vervoer van de leerling niet mogelijk is.Wie uiteindelijk als
                    begeleider zal fungeren is in principe niet van belang. Ongeacht wie de leerling
                    begeleidt, vindt de bekostiging van de kosten plaats aan de ouders van de
                    leerling. Indien een begeleider (al dan niet een ouder) meer dan een leerling
                    tegelijk begeleidt, geldt slechts bekostiging als ware er sprake van de
                    begeleiding van een leerling. Met andere woorden, indien bijvoorbeeld een ouder
                    drie leerlingen begeleidt met het openbaar vervoer, kan het niet zo zijn dat de
                    bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van de begeleider
                    drie maal plaatsvindt. Artikel 12, tweede lid, van de modelverordening bepaalt
                    dan ook dat de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een begeleider voor
                    bekostiging in aanmerking komen.In de uitspraak van 19 maart 1992 (nr.
                    R03.89.6924/106) van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat
                    het om de vraag in hoeverre leerlingen zelf kunnen voorzien in de begeleiding
                    van andere (jongere) leerlingen. In aanscherping op de algemene lijn die de
                    afdeling hierin volgt, geeft de afdeling aan dat weliswaar leerlingen van elf
                    jaar en ouder enige begeleiding voor hun rekening kunnen nemen, maar dat van een
                    elfjarig kind niet kan worden verwacht dat het zelfstandig twee of meer jongere
                    kinderen door moeilijke verkeerssituaties kan loodsen.</al><al>Artikel 13 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoerBekostiging
                    op basis van de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van de leerling die een
                    school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt,
                    dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden verleend. Deze
                    uitzonderingen zijn in artikel 13 van de modelverordening vastgelegd.In veel
                    gevallen zal het voorkomen dat het college het aangepast vervoer zelf
                    organiseert. Het drempelbedrag en de bijdrage op grond van de draagkracht zullen
                    dan door de ouders aan het college betaald moeten worden, in feite in ruil voor
                    het aangeboden vervoer. Overigens geldt met name voor aangepast vervoer dat
                    regionale samenwerking met andere gemeenten tot belangrijke besparingen kan
                    leiden.</al><al>Onderdeel a. Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uurIndien de
                    leerling met gebruikmaking van het openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur
                    onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de
                    reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, wordt bekostiging op
                    basis van de kosten van aangepast vervoer verstrekt.Overigens is het niet zo dat
                    de ouders, indien zij op basis van het criterium reistijd aanspraak op
                    bekostiging van aangepast vervoer maken, van het college kunnen eisen dat de
                    totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt teruggebracht (in het
                    geval dat het college het vervoer zelf organiseert).Indien een schoolbusje meer
                    leerlingen vervoert, kan dit tijdscriterium overschreden worden. Slechts van
                    belang is dat via individuele meting de conclusie wordt getrokken, dat de totale
                    reisduur van die leerling met het openbaar vervoer meer dan anderhalf uur
                    bedraagt en deze met het aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per
                    openbaar vervoer kan worden teruggebracht. Is hiervan sprake dan kunnen ouders
                    aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer.De
                    Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 17
                    februari 1990 (nr. R03.89.5769/SP274; zie Jur. 4.2) uitgesproken dat bij de
                    reistijd vijf minuten wachttijd bij de bushalte per rit opgeteld moet worden. Op
                    grond van de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State van 5 oktober 1990 (R03.90.6236/86538) alsmede van 10 december 1992
                    (S03.92.3655.67; zie Jur. 4.4) kan voor de berekening van de reistijd per taxi
                    tweemaal vijf minuten worden bijgeteld. Discussie over de exacte reistijd per
                    openbaar vervoer kan volgens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State van 6 oktober 1992 (S03.92.3174; zie Jur. 4.1) worden
                    vermeden door uit te gaan van de desbetreffende dienstregelingen.In de
                    modelverordening is een reistijdcriterium opgenomen van anderhalf uur. Over een
                    maximale reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer stelt de Afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken R03.88.5039, R03.88.6089
                    en R03.88.6566) geen grond te zien voor het oordeel dat dit op zichzelf in
                    strijd is met artikel 4 van de WBO (nu WPO). Niet aannemelijk is, dat bij het
                    ontbreken van de mogelijkheid om bekostiging te krijgen op basis van de kosten
                    van aangepast vervoer, bij een reisduur tot anderhalf uur de vrijheid van ouders
                    om voor hun kinderen een openbare dan wel een bijzondere school van de door hen
                    gewenste richting te kiezen, in onaanvaardbare mate onder druk kan komen te
                    staan van financiële hindernissen.Dit neemt echter niet weg, dat van vervoerders
                    mag worden verwacht dat indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zij
                    onderzoeken of onverkort aan de in artikel 13, onder a, van de modelverordening
                    weergegeven reistijd dient te worden vastgehouden. De hardheidsclausule in de
                    gemeentelijke verordening biedt daartoe uitdrukkelijk de mogelijkheid.In een
                    aantal gevallen kan het voorkomen dat bijvoorbeeld ten aanzien van de heenreis
                    (woning-school) wel voldaan wordt aan het criterium van de reistijd, terwijl dit
                    voor de terugreis niet het geval is. Dit kan het geval zijn indien bijvoorbeeld
                    op de heenreis een stopbus en op de terugreis een snelbus is ingezet, of indien
                    de heenreis qua tijd niet aansluit bij de aanvang van de school, maar dat dit
                    bij de terugreis wel het geval is. In dergelijke gevallen dient het college te
                    besluiten, dat er bekostiging wordt verstrekt wat betreft de heenreis, op basis
                    van aangepast vervoer, en voor wat betreft de terugreis op basis van openbaar
                    vervoer.Ook kan het met name bij lange afstanden zinvol zijn om combinatie van
                    vervoer te overwegen. De leerling zou in zo’n geval gebruik kunnen maken van
                    aangepast vervoer (dat ook wordt ingezet voor andere leerlingen) tot een
                    centraal eindpunt, en vervolgens gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer
                    om op de plaats van bestemming te komen. Een vorm van combinatievervoer kan zijn
                    dat de leerling eerst met de bus naar het station gaat en vervolgens de trein
                    neemt.Een ander voorbeeld kan zijn dat de schoolbus enkele centrale
                    opstapplaatsen (zie artikel 1, onder l) kent.In de uitspraak van 26 februari
                    1992 (R03.89.0419/83-107; zie Jur. 3.5) geeft de Afdeling Bestuursrechtspraak
                    van de Raad van State enige richtlijnen met betrekking tot centrale
                    opstapplaatsen (buurtbussen). Hierbij dienen de leerlingen van huis naar een
                    opstapplaats te lopen/fietsen/worden gebracht. Indien hiermee een reistijd is
                    gemoeid van ten hoogste dertig minuten, en indien de vertrektijden van de bus
                    zodanig zijn afgestemd op de aanvangs- en eindtijden van de lessen dat er niet
                    of nauwelijks sprake is van wachttijden, is deze constructie in beginsel
                    alleszins redelijk te noemen, volgens de afdeling. Wanneer de leerling gelet op
                    zijn leeftijd begeleiding behoeft bij het vervoer van huis naar de opstapplaats,
                    acht de afdeling het reëel dat de ouders zelf voor de begeleiding zorg dragen.
                    Hierbij dient te worden aangetekend dat in de onderhavige casus de leerlingen
                    die dichterbij de school woonden dan de kilometergrens van vier kilometer gewend
                    waren om in zijn algemeenheid vergelijkbare afstanden af te leggen naar
                    reguliere bushalten, aldus de afdeling.</al><al>Onderdeel b. Openbaar vervoer ontbreektIn een aantal gemeenten komt het voor dat
                    openbaar vervoer geheel ontbreekt of zo weinig frequent rijdt dat leerlingen
                    daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van woning naar school of
                    vice versa. In principe kunnen de ouders dan aanspraak maken op bekostiging op
                    basis van aangepast vervoer. Hierbij kan het college de volgende mogelijkheden
                    overwegen:- is een combinatie van vervoer haalbaar;- de vervoersonderneming kan
                    verzocht worden om wijzigingen aan te brengen in de dienstregeling of de mate
                    van het openbaar vervoer, waardoor deze vervoervorm dienstbaar wordt voor het
                    reizen van en naar de school;- het bevoegd gezag van de school kan verzocht
                    worden de schooltijden af te stemmen op de vervoertijden;- contact kan worden
                    opgenomen met de rijksverkeersinspectie in het betreffende gebied; deze kan
                    eventueel een adviserende en bemiddelende rol spelen;- tevens kan nog bezien
                    worden of het mogelijk is andersoortig vervoer te organiseren tegen de kosten
                    van openbaar vervoer.Als echter blijkt dat voorgaande en eventuele andere
                    mogelijkheden niet uitvoerbaar zijn, dan kan het college bekostiging verstrekken
                    op basis van de kosten van aangepast vervoer (of de leerling gebruik laten maken
                    van het door de gemeente verzorgde vervoer).Overigens biedt artikel 13, onder b,
                    van de modelverordening het college de mogelijkheid om te beoordelen of de
                    leerling in staat mag worden geacht met de fiets naar school te gaan. Hierbij
                    spelen de volgende overwegingen een belangrijke rol:- is de leerling zelfstandig
                    genoeg om met de fiets naar school te gaan;- is de route die de leerling af moet
                    leggen, veilig met de fiets af te leggen. Is dat het geval, dan vindt een
                    fietsbekostiging plaats (zie ook de toelichting op artikel 12).In de uitspraak
                    van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van
                    4 februari 1988 (R03.87.7225/S6761) staat dat een bepaling in de gemeentelijke
                    verordening, die inhoudt dat alleen dan bekostiging wordt verleend op basis van
                    de kosten van aangepast vervoer indien openbaar vervoer ontbreekt, in strijd is
                    met de wet. Ook op andere gronden dan het ontbreken van openbaar vervoer kan
                    voor ouders aanspraak bestaan op bekostiging op basis van de kosten van
                    aangepast vervoer. Een zodanig geval kan zich voordoen indien de reistijd die
                    met het gebruik van het openbaar vervoer is gemoeid excessief lang is en het
                    alternatief van aangepast vervoer niet.</al><al>Begeleiding door oudersBegeleiding is primair een taak van de ouders. Als dat
                    niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Die kan gevonden
                    worden door bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of anderen in te schakelen.
                    In noodsituaties kunnen ouders een beroep doen op de hardheidsclausule (artikel
                    29 van de modelverordening). Daarbij dient rekening te worden gehouden met de
                    uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over dit
                    onderwerp.In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State van 5 februari 1992 (R03.90.1688/62-120) staat centraal dat de aanvragende
                    ouders aangepast vervoer eisen, aangezien zij zichzelf niet in staat achten in
                    de begeleiding van hun kinderen in het openbaar vervoer te voorzien. Zij
                    motiveren deze onmogelijkheid naar het oordeel van de Afdeling
                    Bestuursrechtspraak niet voldoende. De afdeling spreekt hierover uit dat het aan
                    de ouders is voldoende aannemelijk te maken dat het hun onmogelijk is hun kind
                    te begeleiden. In dit concrete geval eist de afdeling, gezien de cursus die de
                    moeder volgt, lesroosters of andersoortige verklaringen waaruit de
                    onmogelijkheid tot begeleiden blijkt. Voorts dienen de ouders volgens de
                    afdeling aan te tonen dat hun kind niet (gedeeltelijk) door anderen kan worden
                    begeleid. De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    van 2 december 1988 (R03.88.5983/S649265-29; zie Jur. 3.4) inzake het beroep van
                    ouders tegen de afwijzende beschikking van een gemeente om aangepast vervoer toe
                    te staan gaat verder op deze zaak in. De ouders stellen dat het begeleiden van
                    hun zoon tot gevolg heeft dat zijn negenjarig zusje tweeëneenhalf tot vier uur
                    per dag, mede door haar afwijkende schooltijden, zonder opvang moet doorbrengen.
                    Opvang elders is volgens de ouders niet mogelijk. De afdeling concludeert dat
                    verzoeker voorshands niet overtuigend heeft aangetoond dat de begeleiding van
                    zijn zoon - bijvoorbeeld door in onderling overleg met de ouders van
                    medeleerlingen beurtelings de kinderen naar en van school brengen - niet op een
                    andere minder bezwaarlijke wijze zou kunnen plaatsvinden.Een soortgelijke
                    uitspraak heeft de afdeling gedaan in een geschil waarin ouders stellen dat
                    begeleiding door de ouders de gezinnen voor grote problemen stelt, onder meer
                    omdat een aantal van hen thuis nog niet-schoolgaande kinderen heeft, die
                    eveneens aandacht en verzorging behoeven. De afdeling stelt in haar uitspraak
                    d.d. 25 april 1989 (R0.3.87.3373) dat niet aannemelijk is gemaakt dat het voor
                    appellanten onmogelijk is een zodanige regeling te treffen dat gedurende de
                    afwezigheid van degenen die zorg dragen voor de begeleiding van de
                    schoolkinderen door anderen op de jongere kinderen wordt gepast. Uit de
                    uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State van 14 mei 1992 (R03.89.7315/P01) inzake de begeleiding door ouders blijkt
                    het volgende. Appellant is van mening, dat aanspraak bestaat op aangepast
                    vervoer in plaats van openbaar vervoer, omdat onder meer de begeleiding van haar
                    kind in het openbaar vervoer tot een onaanvaardbare belasting van het gezin
                    leidt, aangezien enerzijds haar tweede kind telkens mee moet reizen bij gebrek
                    aan een oppas en anderzijds de reistijd voor de begeleider onaanvaardbaar lang
                    is. De Voorzitter bepaalt dat, hoewel niet kan worden ontkend dat bij gebruik
                    van het openbaar vervoer de begeleiding van het kind veel tijd vergt, niet
                    aangetoond is dat begeleiding van haar kind tot ernstige benadeling van het
                    gezin zou leiden. Daarbij is in aanmerking genomen dat de ouder van de gemeente
                    bekostiging ten behoeve van begeleiding is verstrekt, zodat zij haar kind niet
                    zelf hoeft te begeleiden, maar hem kan laten begeleiden. Bovendien zou de ouder
                    gedurende de tijd dat zij haar zoon naar en van school begeleidt haar tweede
                    kind onder de hoede van een oppas kunnen stellen.Uit deze uitspraken blijkt
                    onder meer dat de verklaring van de ouders, dat er thuis kinderen zijn die
                    verzorging behoeven, en er daarom geen sprake kan zijn van begeleiding door de
                    ouders op zich niet voldoende is. Van ouders wordt in dit soort gevallen
                    verwacht, dat zij zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun
                    kinderen en in voorkomend geval aantonen dat die mogelijkheid niet aanwezig is.
                    In feite zal de gemeente moeten afwegen wat van ouders, die in aanmerking komen
                    voor bekostiging van het leerlingenvervoer, meer gevraagd wordt ten aanzien van
                    de begeleiding van hun kinderen dan van ouders die niet voor die bekostiging in
                    aanmerking komen. Een voorbeeld: ouder A woont op vijf kilometer van de school
                    en ouder B op zeven kilometer, de gemeente hanteert een afstandscriterium van
                    zes kilometer. Beide ouders hebben thuis een kind dat verzorging behoeft.
                    Wanneer ouder B, die in aanmerking komt voor leerlingenvervoer, zou mededelen
                    zijn kind niet te kunnen begeleiden in verband met de gezinssituatie dan doet
                    zich de vraag voor of, op grond van het feit dat er sprake is van een verschil
                    in afstand van twee kilometer, van ouder A wel en van ouder B niet verwacht kan
                    worden dat hij zijn kind zelf begeleidt, dan wel een andere oplossing
                    zoekt.</al><al>Artikel 14 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer</al><al>Artikel 14 van de modelverordening geeft nadere regels omtrent de bekostiging
                    van het eigen vervoer. Hieronder kan worden verstaan: ouders die de leerlingen
                    zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto,
                    bromfiets etc.), of een leerling die gebruikmaakt van fietsvervoer.Of van
                    bekostiging van eigen vervoer sprake kan zijn is ter beoordeling van het
                    college. Een belangrijke maatstaf hierbij kan zijn dat dit vervoer voor de
                    gemeente een goedkopere wijze van vervoer is. Hiervan is bijvoorbeeld geen
                    sprake indien voor de desbetreffende leerling nog plaats is in een aangepast
                    vervoermiddel (busje, taxi) waarmee de leerling anders zou kunnen reizen. Ook
                    kunnen aspecten als zelfredzaamheid van de leerling meespelen bij de beoordeling
                    van het college of de leerling zelf gebruik kan maken van het vervoer per
                    fiets.De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de bekostiging
                    waar de ouders in principe op basis van de bepalingen in de modelverordening
                    voor in aanmerking komen:a. voor openbaar vervoer;b. voor aangepast
                    vervoer.</al><al>Ad a Openbaar vervoerIndien ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van
                    de kosten van openbaar vervoer en zij vervoeren de leerling met toestemming van
                    het college zelf, dan keert het college bekostiging uit op basis van het
                    openbaar vervoer.</al><al>Voorbeeld:Afstand woning-school is acht kilometer. Ouders komen in aanmerking
                    voor bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer maar vervoeren de
                    leerling zelf, met toestemming van het college. Het college dient nu na te gaan
                    wat voor deze afstand betaald zou moeten worden, indien de leerling gebruik zou
                    maken van het openbaar vervoer. Ook hiervoor geldt dat het college het meest
                    goedkope tarief als uitgangspunt mag nemen. Vervolgens past het college het
                    eigen bijdrage principe toe. De vraag, wat het openbaar vervoer per kilometer
                    kost, is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden en is mede afhankelijk van
                    het Vervoersplan en de bepalingen omtrent de zone-indeling die gelden voor die
                    specifieke gemeente. Nadere informatie hierover bij de plaatselijke of regionale
                    vervoersondernemingen is daarom noodzakelijk.</al><al>Ad b Aangepast vervoerIndien ouders in aanmerking komen voor bekostiging op
                    basis van de kosten van aangepast vervoer en zij met toestemming van het college
                    de leerling zelf vervoeren, geldt een vergoeding per kilometer. De
                    kilometervergoeding is gebaseerd op Reisbesluit binnenland (Stb. 1993, 144) en
                    de Reisregeling binnenland (Stcrt. van 22 maart 1993). In artikel 14, tweede tot
                    en met vijfde lid en artikel 19, tweede tot en met vijfde lid van de
                    modelverordening leerlingenvervoer is bepaald dat onder omstandigheden
                    bekostiging aan ouders wordt verstrekt die bestaat uit een bedrag op basis van
                    een kilometervergoeding afgeleid van de Reisregeling binnenland. De
                    kilometervergoeding betreft enkelvoudige reizen. Dit betekent dat indien het
                    kind per auto vervoerd wordt, in principe aanspraak bestaat op vier maal de
                    afstand woning-school. Indien de gemeente echter de volledige
                    kilometervergoeding op basis van de Reisregeling binnenland hanteert, maken
                    ouders aanspraak op twee maal de afstand woning-school (de reis van de
                    leerling).Geen bekostiging wordt verstrekt voor de kosten die ontstaan indien de
                    leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.Indien ouders twee of meer
                    leerlingen vervoeren die aangepast vervoer behoeven, mag uitgegaan worden van de
                    rijafstand uitgaande van de woning van de te vervoeren leerling die het verst
                    van de school verwijderd woont.In artikel 14, derde lid, van de modelverordening
                    is bepaald, dat ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van een
                    kilometervergoeding, indien zij meer dan 1 leerling tegelijk vervoeren en
                    daarvoor van het college toestemming hebben gekregen. Dit is ook het geval
                    indien ouders in principe slechts aanspraak maken op bekostiging op basis van de
                    kosten van openbaar vervoer. Indien ouders bijvoorbeeld zes kinderen met een
                    eigen busje vervoeren, kunnen het college bij wijze van uitzondering op grond
                    van de hardheidsclausule een andere bekostiging vaststellen. Dit vervoer kan
                    goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling.Ook in een dergelijk geval is
                    toestemming van het college noodzakelijk. Hierbij zal uiteraard rekening
                    gehouden moeten worden met de kosten die daarmee gepaard gaan.Ten slotte bepaalt
                    artikel 14, vijfde lid, van de modelverordening dat het college bekostiging
                    verstrekt op basis van het aantal kilometers fietsvervoer, indien de leerling
                    gebruik maakt van het vervoer per fiets. Hiervan kan sprake zijn:a. indien het
                    college van oordeel is dat de leerling hiertoe in staat mag worden geacht als
                    openbaar vervoer ontbreekt;b. indien de ouders van de leerling dit wensen,
                    bijvoorbeeld in het kader van de bevordering van de zelfredzaamheid, en het
                    college hiervoor toestemming geeft.</al><al>Artikel 15 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per
                    fietsVoor het vervoer van leerlingen naar scholen voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs geldt evenals voor het vervoer van leerlingen naar scholen voor
                    basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs als uitgangspunt:
                    bekostiging van de kosten van openbaar vervoer. Indien het college van oordeel
                    is, eventueel na de commissie voor de begeleiding en andere deskundigen gehoord
                    te hebben, dat een andere wijze van vervoer noodzakelijk is, kan een andere
                    wijze van vervoer voor bekostiging in aanmerking gebracht worden, namelijk:-
                    openbaar vervoer onder begeleiding;- aangepast vervoer al dan niet verzorgd door
                    het college;- eigen vervoer;- een combinatie van bovenstaande
                    vervoersmogelijkheden.In de verordening is voor het (speciaal) onderwijs één
                    afstandsgrens opgenomen, namelijk zes kilometer. Hierbij dient echter rekening
                    te worden gehouden met het bepaalde in artikel 20 van de modelverordening. Dit
                    artikel bepaalt dat als de afstand naar de school minder bedraagt dan zes
                    kilometer, toch aangepast vervoer moet worden verstrekt indien de handicap van
                    de leerling dat vereist.Analoog aan de regeling voor de bekostiging van het
                    vervoer naar scholen voor basisonderwijs en speciale scholen voor basisonderwijs
                    geldt ook ten aanzien van de bekostiging van het vervoer naar scholen voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs dat het college de voor de gemeente goedkoopst
                    mogelijke wijze van vervoer bekostigt (dit kan bijvoorbeeld zijn een
                    strippenkaart, een jaarabonnement of een maandabonnement of een
                    kilometervergoeding voor de (brom)fiets).Het college kan op grond van het tweede
                    lid bepalen dat bekostiging voor de fiets wordt verstrekt. Het college moet dan
                    van oordeel zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan
                    maken van het vervoer per fiets. Hierbij dient in overweging worden genomen: de
                    leeftijd van de leerling, de eventuele handicap van de leerling, de veiligheid
                    van de af te leggen route en de afstand. Ook is het mogelijk een fietsvergoeding
                    voor bijvoorbeeld de maanden maart tot november te verstrekken en voor de
                    overige maanden bekostiging voor ander passend vervoer.</al><al>Artikel 15a Bekostiging naar de dichtstbijzijnde toegankelijke WEC school
                    cluster 4Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Artikel 16 Commissie voor de begeleidingHet college kan advies inwinnen bij de
                    commissie voor de begeleiding en/of de ambulante begeleider van een leerling.
                    Als zij niet op de hoogte zijn van de gesteldheid van de leerling waarvoor een
                    aanvraag is binnengekomen, kan advies worden ingewonnen bij de schooldirecteur.
                    Deze moet een gemotiveerd advies geven. Als nadeel van een keuze voor de
                    directeur/commissie voor de begeleiding als adviserend orgaan geldt de veel
                    gehoorde klacht, dat hun adviezen nogal eens subjectief van aard kunnen zijn.
                    Zij zijn immers verbonden aan de ontvangende school en er kunnen dan bepaalde
                    belangen zijn bij het aannemen van het kind op de desbetreffende school. Het is
                    in dat kader van belang dat het college een gemotiveerd advies vraagt van de
                    directeur/commissie voor de begeleiding. Voorts is in de modelverordening
                    gekozen voor de mogelijkheid om ook andere deskundigen te raadplegen. Van de
                    mogelijkheid dat het college het advies van andere deskundigen in kan winnen,
                    kan gebruik worden gemaakt indien bijvoorbeeld het oordeel van het college
                    afwijkt van het advies van genoemde commissies, of in geval de bijzondere
                    handicap van de leerling dit vraagt. Andere deskundigen zijn bijvoorbeeld
                    medische specialisten, een orthopedagoog, de huisarts van de leerling, een
                    kinderpsycholoog, en dergelijke.In een dergelijk geval kan de gemeenteraad als
                    alternatief een onafhankelijke commissie van advies instellen, al dan niet in
                    samenwerking met andere gemeenten. Op deze wijze kan een onafhankelijk advies
                    verkregen worden; de commissie van advies is immers niet gekoppeld aan een
                    bepaalde school. De eventuele kosten verbonden aan een onafhankelijke commissie
                    van advies zullen dan wel door de (samenwerkende) gemeenten gedragen moeten
                    worden.Er kan ook worden gekozen voor advisering door een schoolartsendienst of
                    geneeskundige dienst. De kosten verbonden aan de adviezen van een
                    schoolartsendienst of geneeskundige dienst, zullen veelal lager zijn dan de
                    kosten verbonden aan een apart ingestelde onafhankelijke commissie. Deze kosten
                    zullen echter ook voor rekening van de gemeente komen.Wanneer advies nodig is
                    over deelaspecten van het vervoer - bijvoorbeeld ‘veilige route’ -, dan kan dit
                    worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein van het desbetreffende
                    deelaspect, bijvoorbeeld in dit geval de (verkeers)politie. Ook voor deze
                    deskundigen geldt dat zij een onafhankelijke positie innemen.</al><al>Advisering bij negatieve beschikkingOm de bestuurslast beperkt te houden, is
                    bepaald dat alleen in het geval het college een negatieve beschikking op de
                    gevraagde voorziening geeft, het advies van genoemde commissies daarbij moet
                    worden betrokken. Indien het voor een gemeente duidelijk is dat het aangevraagde
                    vervoer voor de leerling passend is (bijvoorbeeld omdat het een
                    herhalingsaanvraag betreft of omdat de handicap dat vervoer noodzakelijk maakt),
                    behoeft het advies niet te worden gevraagd. Uiteraard laat deze bepaling
                    onverlet dat het advies van genoemde commissies ook gevraagd kan worden indien
                    de gemeente dit wenselijk vindt.Volgens de modelverordening vindt advisering
                    plaats indien het college een negatieve beschikking op de gevraagde voorziening
                    geeft. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om:- advisering aan het college over de
                    vraag of een leerling die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs
                    bezoekt, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per
                    fiets (artikel 15, tweede lid);- advisering aan het college over de vraag of een
                    leerling, die een school voor speciaal onderwijs bezoekt, al dan niet
                    zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer in verband met zijn
                    verstandelijke of lichamelijke handicap of leeftijd, waardoor vervoer onder
                    begeleiding noodzakelijk is (artikel 17, eerste lid, van de modelverordening);-
                    advisering aan het college over de vraag of een leerling die een school voor
                    (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gelet op zijn verstandelijke of
                    lichamelijke handicap al dan niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van
                    het openbaar vervoer gebruik te maken, waardoor aangepast vervoer noodzakelijk
                    is (artikel 18, eerste lid, onder a, van de modelverordening);- advisering aan
                    het college over de vraag of een leerling, die een school voor (voortgezet)
                    speciaal onderwijs bezoekt, waarvan de afstand van de woning van de leerling
                    naar de te bezoeken school minder bedraagt dan de in de verordening aangegeven
                    minimum km-grenzen, niet in staat is, gezien zijn lichamelijke handicap, die
                    school zonder aangepast vervoer te bereiken (artikel 20 van de
                    modelverordening);- advisering aan het college over de vraag of een leerling,
                    die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoekt, gebruik kan maken
                    van de (brom)fiets, indien openbaar vervoer ontbreekt (artikel 18, eerste lid,
                    onder c, van de modelverordening);- advisering aan het college indien het
                    college wil afwijken van de bepalingen zoals die omschreven zijn in titel 3 van
                    de modelverordening.In de modelverordening hebben de commissies slechts
                    adviserende taken als het gestel van de leerling betreft (verstandelijk of
                    lichamelijk). De commissies hebben geen adviserende taak indien het betreft:a.
                    de vraag of de reistijd van anderhalf uur of meer met openbaar vervoer door
                    middel van aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% of minder (artikel
                    18, onder b, van de modelverordening);b. de vraag of openbaar vervoer ontbreekt
                    (artikel 18, onder c, van de modelverordening).Het spreekt voor zichzelf dat de
                    commissies het gemotiveerde advies aan het college uitbrengen binnen een door
                    het college te stellen termijn. Deze commissies zijn een externe adviseur in de
                    zin van artikel 3:5 van de Awb. Dit houdt in dat de algemene regels die in
                    afdeling 3:3 van de Awb zijn gegeven van toepassing zijn. Dit betekent onder
                    andere dat het bestuursorgaan de adviseur een termijn kan stellen waarbinnen het
                    advies wordt verwacht, en dat in of bij het besluit vermeld dient te worden wie
                    de adviseur is die het advies heeft uitgebracht.</al><al>Artikel 17 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van een
                    begeleiderIndien ouders van een leerling op grond van artikel 15 van de
                    modelverordening in aanmerking komen voor bekostiging op basis van de kosten van
                    openbaar vervoer, en het college van oordeel is dat de leerling niet zelfstandig
                    van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, komen de ouders tevens
                    in aanmerking voor bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer ten
                    behoeve van een begeleider (artikel 17 van de modelverordening). Uit artikel 17
                    blijkt dat:a. de leerling een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs moet
                    bezoeken die is aan te merken als de dichtstbijzijnde toegankelijke school, en
                    de afstand van de woning naar de school voor speciaal onderwijs moet meer dan
                    zes kilometer bedragen;b. de begeleiding slechts wordt bekostigd indien door de
                    ouders genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling door zijn lichamelijke,
                    verstandelijke of zintuiglijke handicap dan wel door zijn leeftijd niet in staat
                    is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.Hiervan kan
                    onder andere sprake zijn:- indien de handicap dan wel de leeftijd van de
                    leerling begeleiding noodzakelijk maakt;- indien de leerling gedurende de rit
                    met het openbaar vervoer een of meerdere malen over moet stappen op te
                    gevaarlijke overstappunten en dit gezien de leeftijd van de leerling
                    onverantwoord is;- indien de route van het uitstappunt van de bus naar de school
                    te gevaarlijke punten kent, en een adequate oplossing van deze gevaarlijke
                    punten niet mogelijk is (bijvoorbeeld verkeersbrigadiers etc.).Voor dit
                    ‘genoegzaam aantonen’ geldt - analoog aan de desbetreffende bepaling voor het
                    openbaar vervoer onder begeleiding naar scholen voor basisonderwijs of speciale
                    scholen voor basisonderwijs - dat de bewijslast bij de ouders ligt. Ouders
                    dienen hiertoe verklaring(en) van deskundige(n) te overleggen. Indien het
                    college de aanvraag voor begeleiding afwijst, dient daarbij het advies van de
                    commissie voor de begeleiding of andere deskundigen (bijvoorbeeld specialist,
                    pedagoog en psycholoog) te worden betrokken. Het advies betreft dan de vraag of
                    de leerling, gezien zijn handicap dan wel leeftijd, niet zelfstandig van het
                    openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.In principe is het niet van
                    belang wie de leerling uiteindelijk begeleidt. In de regel zullen dit de ouders
                    zijn. Het is echter ook denkbaar dat een ander familielid, een oppas, buren,
                    ouders van andere leerlingen, een kennis of een klassenassistent de leerling
                    begeleidt.Bij begeleiding door een klassenassistent dienen wel afspraken gemaakt
                    te worden met het bevoegd gezag van de betrokken school. Ook kan begeleiding in
                    groepsverband georganiseerd worden of via een rooster van verschillende
                    begeleiders. Is hiervan sprake, dan is artikel 17, derde lid, van de
                    modelverordening van toepassing; indien een begeleider meerdere leerlingen
                    tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van openbaar vervoer ten behoeve van
                    een begeleider voor bekostiging in aanmerking (zie tevens de toelichting op
                    artikel 12).Door de Nederlandse Spoorwegen en de stads- en
                    streekvervoerbedrijven is een regeling getroffen betreffende kosteloos vervoer
                    van de begeleider van een gehandicapte. Indien een gehandicapte hiervoor in
                    aanmerking komt, verstrekt de NS hem een legitimatiebewijs. Het
                    legitimatiebewijs is bestemd voor die mensen die vanwege een lichamelijke,
                    geestelijke of zintuiglijke handicap niet of niet onder alle omstandigheden
                    zelfstandig kunnen reizen. Het legitimatiebewijs is wat het binnenland betreft
                    geldig op onder meer:a. alle lijnen van de Nederlandse Spoorwegen;b. alle
                    buslijnen in Nederland, zowel in het stads- als in het streekvervoer;c. alle
                    metro- en tramlijnen.Voorts blijkt het in de praktijk tot de mogelijkheden te
                    horen dat afspraken met de NS worden gemaakt over bijvoorbeeld het uitstappen
                    van de leerling onder begeleiding van de conducteur.</al><al>Artikel 18 Bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoerOok voor het
                    vervoer naar scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt dat bekostiging
                    op basis van de kosten van aangepast vervoer in principe uitzondering is. Wel
                    moet de toegankelijkheid van het (voortgezet) speciaal onderwijs gewaarborgd
                    blijven. Daar waar vervoer, openbaar of aangepast, noodzakelijk is, moet dit op
                    passende wijze kunnen plaatsvinden. In artikel 18 van de modelverordening zijn
                    deze waarborgen verankerd.</al><al>Onderdeel a De handicap van de leerling vereist aangepast vervoerIndien de
                    gehandicapte leerling niet in staat is, ook niet onder begeleiding, van het
                    openbaar vervoer gebruik te maken, bekostigt het college de kosten van het
                    aangepast vervoer. Welke wijze van aangepast vervoer bekostigd wordt, bepaalt
                    het college. Een belangrijk criterium hierbij is: op welke wijze kan het
                    aangepast vervoer zo goedkoop en efficiënt mogelijk georganiseerd worden zonder
                    de bereikbaarheid van de school in gevaar te brengen? In veel gevallen zal het
                    door het college georganiseerde vervoer het meest efficiënt zijn.Het college kan
                    ook, uit financiële en doelmatigheidsoverwegingen, in samenwerking met
                    buurgemeenten een vervoerregeling treffen, zodat leerlingen uit verschillende
                    gemeenten gebruik kunnen maken van het door het college georganiseerde
                    vervoer.Ook kan het betekenen dat de taxi, schoolbus en dergelijke in de route
                    verschillende opstappunten kent, waar de leerlingen kunnen opstappen. Bij een
                    ernstige lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap van de leerling
                    kan het college besluiten dat de leerling thuis opgehaald wordt.</al><al>Onderdeel b Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uurHet college
                    verstrekt ook bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer, indien
                    de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan
                    ten minste anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot
                    50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht. Ook
                    hierbij geldt dat het advies van de commissie voor de begeleiding niet gevraagd
                    hoeft te worden. Zie verder de toelichting op artikel 13 onder ad 1.Onderdeel c
                    Openbaar vervoer ontbreektArtikel 18, eerste lid, onder c, van de
                    modelverordening geeft een derde mogelijkheid om aanspraak te maken op
                    bekostiging op basis van de kosten van aangepast vervoer. Dit lid bepaalt dat
                    het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt, indien openbaar
                    vervoer ontbreekt. Tevens kan het voorkomen dat het openbaar vervoer zo weinig
                    frequent rijdt dat de leerling daarvan geen gebruik kan maken. Echter, voordat
                    het college beslist dat bekostiging van het aangepast vervoer verleend wordt,
                    kan het de mogelijkheden onderzoeken zoals in de toelichting op artikel 13 is
                    uitgewerkt. Ook kan het college bepalen dat de leerling gebruik kan maken van
                    het vervoer per (brom)fiets. Het college kan het advies van de commissie voor de
                    begeleiding en eventueel het advies van andere deskundigen daarover vragen.Als
                    de leerling gebruik dient te maken van een aangepaste fiets of driewieler of met
                    behulp van een tandem naar school gaat (als er een zogenaamde voorrijder
                    aanwezig is), kunnen de ouders op grond van de Wet WIA bij het UWV een
                    tegemoetkoming in de aanschafkosten vragen.De hoogte van de bekostiging van
                    aangepast vervoer is uiteraard afhankelijk van een eventueel drempelbedrag en
                    een bijdrage afhankelijk van het inkomen van de ouders (wat betreft het vervoer
                    naar een school voor speciaal voortgezet onderwijs).Medische
                    begeleidingGemeenten zijn niet verantwoordelijk voor de medische begeleiding in
                    het leerlingenvervoer. Dit blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Zwolle
                    (Rechtbank Zwolle, 21 november 2007 Awb 06/1788, LJN: BB8810). De gemeente
                    stelde in het verweer dat vervoer iets anders is dan (medische) zorgverlening.
                    De rechter vindt dit geen beperkte uitleg van de wettelijke bepalingen. De
                    medische begeleiding hoort volgens de rechtbank thuis in het zogenaamde 2e
                    compartiment (tot 1 januari 2006 de Ziekenfondswet en sinds die datum de
                    Zorgverzekeringswet -de AWBZ). In het verleden is de gemeente wel
                    verantwoordelijk gesteld voor medische begeleiding (Uitspraak Raad van State van
                    8 oktober 1990; R03.90.3061/Sp. 179). In deze uitspraak was het college gehouden
                    de (salaris)kosten van een begeleider in aangepast vervoer te bekostigen, met
                    betrekking tot een leerling die constant op de ondersteuning van een deskundige
                    op het gebied van speciale medische apparatuur was aangewezen. Dit betrof echter
                    een zeer uitzonderlijk geval. AdviseringOp grond van artikel 18, tweede lid, van
                    de modelverordening dient het college indien het de gevraagde voorziening niet
                    of slechts gedeeltelijk toekent het advies te vragen aan de commissie voor de
                    begeleiding. Deze zal dan moeten beoordelen of de leerling, gezien zijn
                    lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicap, niet in staat is - ook
                    niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken. Tevens kan
                    het college het advies van andere deskundigen inwinnen.</al><al>Artikel 19 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoerMet name bij het
                    bezoeken van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan het voorkomen dat
                    de ouders de leerlingen zelf wensen te vervoeren of te laten vervoeren per auto.
                    In artikel 19 van de modelverordening zijn hiervoor nadere voorschriften
                    gegeven.</al><al>a Openbaar vervoerIndien ouders de leerling zelf wensen te vervoeren of te laten
                    vervoeren tegen een (kilometer)vergoeding, is toestemming van het college
                    noodzakelijk. Deze toestemming is opgenomen in de modelverordening, omdat het
                    college dient te bekijken of deze wijze van vervoer daadwerkelijk de goedkoopste
                    is. Is dat het geval, dan kan het college desgewenst toestaan dat de ouders de
                    leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De bekostiging die hier dan
                    tegenover staat is afhankelijk van de bekostiging waarop de ouders in principe
                    recht hebben.Maken ouders aanspraak op bekostiging van de kosten van openbaar
                    vervoer en wensen zij de leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren, dan
                    bekostigt het college de kosten van het openbaar vervoer.</al><al>Voorbeeld:Ouders maken aanspraak op bekostiging van de kosten van het openbaar
                    vervoer naar een school voor dove leerlingen. De kosten van een jaarabonnement
                    zijn euro 500,-. Zij vervoeren de leerling echter, na toestemming van het
                    college, zelf. De bekostiging is dan euro 500,- als ware er sprake van
                    bekostiging van de kosten van het openbaar vervoer.</al><al>b Aangepast vervoerMaken ouders aanspraak op bekostiging op basis van de kosten
                    van aangepast vervoer en vervoeren zij de leerling, na toestemming van het
                    college, zelf of laten zij de leerling zelf vervoeren, dan bekostigt het college
                    een bedrag per kilometer.Deze bekostiging is analoog aan de betreffende bepaling
                    in Titel 2 van de modelverordening, namelijk een bedrag per kilometer, afgeleid
                    van de Reisregeling binnenland. Voor een verdere uitwerking hiervan wordt
                    verwezen naar de toelichting op artikel 14.In artikel 19, derde lid, van de
                    modelverordening is tevens bepaald dat, indien het college de ouders desgewenst
                    heeft toegestaan meer dan een leerling zelf te vervoeren of te laten vervoeren,
                    bekostiging op basis van een kilometervergoeding bestaat. Dit geldt ook indien
                    de ouders aanspraak maken op bekostiging gebaseerd op openbaar vervoer.Indien de
                    ouders of het college van oordeel zijn dat de leerling met de fiets of de
                    bromfiets naar school en terug kan, wordt bekostiging verstrekt op basis van een
                    fietsvergoeding dan wel op basis van een bromfietsvergoeding.Indien het college
                    van oordeel is dat de leerling gebruik kan maken van het (brom)fietsvervoer kan
                    het advies van de commissie voor de begeleiding of andere deskundigen worden
                    ingewonnen.Zeker voor leerlingen die een school voor voortgezet speciaal
                    onderwijs bezoeken, kan deze vorm van vervoer nuttig zijn in het kader van de
                    bevordering van de zelfredzaamheid. Het college verleent dan een vergoeding per
                    km fietsvervoer (zie de toelichting op artikel 14) of een vergoeding per
                    kilometer bromfietsvervoer afgeleid van de bedragen als genoemd in de
                    Reisregeling binnenland.</al><al>Artikel 20 Bekostiging vervoerskostenUitgangspunt van de modelverordening is dat
                    in principe voldaan dient te worden aan het gestelde criterium in artikel 15 van
                    de modelverordening (afstandsgrens), dat is gebaseerd op artikel 4, zevende lid,
                    van de WEC. Hierin is bepaald dat de gemeenteraad kan bepalen dat geen aanspraak
                    op bekostiging bestaat op grond van de afstand tussen de woning en de school.
                    Echter, artikel 4, zevende lid, van de WEC bepaalt tevens dat gehandicapte
                    leerlingen, die op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, op een
                    passende wijze dienen te worden vervoerd. In een aantal gevallen zal het
                    voorkomen dat een leerling, gezien zijn handicap, ook over een afstand van
                    minder dan zes kilometer aangepast vervoer behoeft. Artikel 20 van de
                    modelverordening voorziet in een dergelijke voorziening.Maakt de handicap van de
                    leerling aangepast vervoer noodzakelijk naar de school die dichterbij is gelegen
                    dan zes kilometer, dan kunnen ouders toch in aanmerking komen voor bekostiging
                    van de vervoerkosten. (Deze leerlingen vallen dus niet onder titel 6 van de
                    verordening.) Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien door de aard van de
                    handicap aangepast vervoer technisch de enige mogelijkheid is (bijvoorbeeld
                    rolstoel).Indien het college de gevraagde voorziening niet toekent, dient het
                    bij de beschikking het advies van de commissie voor de begeleiding of het advies
                    van andere deskundigen te betrekken. In het geval een WEC leerling gehandicapt
                    is en recht heeft op aangepast vervoer, kunnen de ouders ook kiezen voor de
                    bekostiging van eigen vervoer. Deze mogelijkheid is opgenomen in het derde lid.
                    Artikel 19 is in dat geval van overeenkomstige toepassing. Dit houdt ondermeer
                    in dat het college toestemming moet geven voor het eigen vervoer.</al><al>Artikel 21 Bekostiging van de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer aan
                    de in de gemeente wonende oudersArtikel 21 van de modelverordening bepaalt dat
                    het college desgewenst de kosten van het weekeinde- en vakantievervoer bekostigt
                    aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het
                    volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of
                    pleeggezin verblijft. Dit artikel valt in twee belangrijke onderdelen uiteen:1.
                    Het college van de gemeente waar de ouders wonen, bekostigt de kosten van het
                    weekeinde- en vakantievervoer.2. Het college bekostigt de kosten van het
                    weekeinde- en vakantievervoer, indien het verblijf van de leerling in een
                    internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van
                    passend (voortgezet) speciaal onderwijs.</al><al>Ad 1Indien de ouders ten behoeve van hun kind aanspraak maken op bekostiging van
                    het weekeinde- en vakantievervoer, dan wordt deze bekostiging verstrekt door het
                    college van de gemeente waar de ouders woonachtig zijn, en dus niet door het
                    college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin
                    verblijft. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat het college van
                    de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft, het
                    dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug dient
                    te bekostigen, indien de leerling daarvoor in aanmerking komt.Het komt wel eens
                    voor dat ouders van een leerling die een internaat bezoekt gescheiden zijn en
                    dat de leerling het ene weekeinde naar zijn moeder en het andere weekeinde naar
                    zijn vader dient te worden vervoerd. Als de vader in een andere gemeente woont
                    dan de moeder dan dient iedere ouder zelfstandig een aanvraag in te dienen bij
                    de gemeente waar men woonachtig is. Het komt nogal eens voor dat ouders het
                    college vragen hun kind af en toe ook door de week naar huis te vervoeren.
                    Dergelijke verzoeken kunnen worden afgewezen. Het gaat hier immers om weekeinde-
                    en vakantievervoer. Indien daartoe aanleiding is, kan in voorkomend geval bezien
                    worden of toepassing gegeven dient te worden aan artikel 29 van de
                    modelverordening.</al><al>Ad 2Essentieel voor de regeling is dat pas bekostiging van het weekeinde- en
                    vakantievervoer wordt verleend als het verblijf in het internaat of pleeggezin
                    noodzakelijk is voor het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs.
                    Woont de leerling niet meer bij zijn ouders om sociale of medische redenen (denk
                    aan uithuisplaatsing, crisisopvang), dan wordt dit vervoer niet door de gemeente
                    vergoed in het kader van het leerlingenvervoer. Doorslaggevend is de directe
                    relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van
                    passend onderwijs. Dit betekent dat het college geen bekostiging voor het
                    weekeinde- en vakantievervoer verstrekt, als de leerling passend onderwijs kan
                    volgen dat met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden.
                    Tevens betekent dit dat het vervoer niet wordt bekostigd van gemeentewege indien
                    de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin
                    verblijft. Voorbeeld: Een leerling is aangewezen op onderwijs voor dove
                    kinderen. Vanuit de ouderlijke woning is dit onderwijs niet bereikbaar met
                    dagelijks vervoer. Verblijf in een internaat of een pleeggezin in de buurt van
                    een geschikte school is daarom noodzakelijk. De ouders kunnen in de gemeente
                    waar zij wonen een aanvraag voor weekendvervoer indienen. Of plaatsing op het
                    internaat om buiten het onderwijs gelegen redenen heeft plaatsgevonden dient
                    door de gemeente voldoende gemotiveerd te worden. De gemeente dient na te gaan
                    op welke gronden een leerling op een internaat is geplaatst (afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 1995, nr. R03.92.5415; zie
                    Jur. 8.5).</al><al>Slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijsWeekeinde- en vakantievervoer geldt
                    dus slechts voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Met andere woorden: voor het
                    volgen van primair onderwijs wordt geen weekeinde- of vakantievervoer bekostigd
                    van en naar het internaat of pleeggezin. Een belangrijke consequentie hiervan is
                    dat leerlingen die in een internaat of een pleeggezin verblijven - omdat hun
                    ouders een trekkend bestaan leiden - niet voor bekostiging van het weekeinde en
                    vakantievervoer in aanmerking komen. Het betreft hier een vijftal categorieën:1.
                    rijdende scholen voor kinderen van kermisexploitanten of van
                    circusmedewerkers;2. ligplaatsscholen voor varende kinderen;3. scholen voor
                    kinderen van woonwagenbewoners;4. afdelingen voor zeer jeugdige kinderen van
                    woonwagenbewoners;5. scholen voor kinderen van schippers, kermisexploitanten en
                    circusmedewerkers.</al><al>Deze scholen worden aangemerkt als basisscholen. Ouders van leerlingen die in
                    internaten of pleeggezinnen verblijven met het oog op het volgen van
                    bovengenoemde basisscholen, vallen dan ook niet onder het regime van het
                    weekeinde- en vakantievervoer, zoals in Titel 4 van de modelverordening nader is
                    geregeld.</al><al>Artikel 22 Bekostiging kosten weekeinde- en vakantievervoerWelke wijze van
                    vervoer conform artikel 21 wordt bekostigd wordt weergegeven in artikel 22. Dit
                    artikel van de modelverordening bepaalt welke bekostiging maximaal wordt
                    verleend, namelijk ten behoeve van:1. de reis van het internaat of pleeggezin
                    naar de woning van de ouders en terug in elk weekeinde, voor zover de weekeinden
                    niet vallen binnen de schoolvakanties;2. de reis van het internaat of het
                    pleeggezin naar de woning van de ouders en terug in elke vakantie van twee of
                    meer schooldagen, voor zover deze vakantie is opgenomen in de schoolgids van de
                    school die de leerling bezoekt.</al><al>Welke wijze van vervoer wordt bekostigd, bepaalt het college van de gemeente
                    waar de ouders wonen. Artikel 22, derde lid, van de modelverordening geeft aan
                    dat de bepalingen van Titel 3 van de modelverordening van overeenkomstige
                    toepassing zijn op de toekenning van bekostiging voor weekeinde- en
                    vakantievervoer, met uitzondering van artikel 16, artikel 17 tweede lid, artikel
                    18, eerste lid, onder b, artikel 18, tweede lid en artikel 20 van de
                    modelverordening. Zie verder de toelichting bij deze artikelen.</al><al>Analoge toepassing van Titel 3 van de modelverordening betekent dat:1.
                    bekostiging van openbaar vervoer regel is indien aan de afstandscriteria van
                    artikel 15 wordt voldaan.2. het college tevens de kosten van het openbaar
                    vervoer ten behoeve van een begeleider kan bekostigen, in het geval door de
                    ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling,
                    gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke handicap of leeftijd,
                    niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken (artikel
                    17, eerste lid).3. het college de kosten van het aangepast vervoer bekostigt,
                    indien:a. de leerling gelet op zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke
                    handicap niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het openbaar
                    vervoer gebruik te maken (artikel 18, eerste lid, onder a);b. openbaar vervoer
                    ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college van het
                    (brom)fietsvervoer gebruik kan maken.(Van het (brom)fietsvervoer zal, gezien de
                    afstanden die overbrugd moeten worden, in principe geen gebruikgemaakt worden)
                    (artikel 18, eerste lid, onder c).Overigens geldt met name voor het weekeinde-
                    en vakantievervoer dat een combinatie van vervoer in veel gevallen mogelijk is.
                    Bijvoorbeeld een combinatie trein-taxi, etc.4. het college kan toestaan dat de
                    ouders de leerling zelf vervoeren. De bekostiging is dan afhankelijk van de
                    bekostiging van het vervoer waarop de ouders aanspraak zouden maken (artikel
                    19).</al><al>De algemene bepalingen van Titel 1 van de modelverordening zijn uiteraard ook
                    van toepassing, alsmede het bepaalde in Titel 7.</al><al>Artikel 23 DrempelbedragDe WPO biedt gemeenten de keuze een drempelbedrag bij
                    ouders in rekening te brengen. Het is dus niet verplicht. In de modelverordening
                    is wel gebruik gemaakt van deze optie. De wetgever heeft bedoeld de ouders
                    verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte)
                    kosten van het vervoer; de zogenaamde drempel. Het bedrag wordt per leerling in
                    rekening gebracht. Indien een leerling slechts een deel van het schooljaar
                    gebruik maakt van het leerlingenvervoer, wordt het drempelbedrag naar
                    evenredigheid in rekening gebracht. .Bij het drempelbedrag is de ouderlijke
                    bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil
                    zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op
                    leerlingenvervoer. Invoering van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van
                    het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders
                    komen. In de modelverordening is de kilometergrens voor alle onderwijssoorten op
                    zes kilometer gesteld (artikel 11, eerste lid, en artikel 15, eerste lid).
                    Gemeenten zijn vrij een andere kilometergrens vast te stellen, mits deze niet
                    boven de 6 kilometer uitkomt. In de wet is deze afstand als bovengrens
                    vastgelegd.Indien een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de
                    berekening van de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt
                    met een fictief bedrag; de kosten van het openbaar vervoer dienen te worden
                    bepaald op basis van de zone-indeling. Dit betekent dat bij een aanvraag voor
                    leerlingenvervoer moet worden nagegaan hoeveel zones gereisd moet worden om de
                    afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen.
                    Het drempelbedrag bedraagt dan de kosten van een jeugdjaarkaart voor dit aantal
                    te reizen zones. Voor het kalenderjaar 2009 gaat het bij één zone om een bedrag
                    van €250,50 (de kosten van een jeugdjaarkaart met één ster) en bij twee of drie
                    zones om een bedrag van €417,50 (de kosten van een jeugdjaarkaart met 2
                    sterren). Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet
                    van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer.
                    Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer of wanneer er geen
                    openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar
                    vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf
                    te dragen. In dat geval dient te worden uitgegaan van de meest gangbare, voor de
                    leerling toegankelijke route.De doelgroep voor het drempelbedrag bestaat uit
                    leerlingen die een school voor basisonderwijs, een speciale school voor
                    basisonderwijs of een school voor speciaal voortgezet onderwijs bezoeken en
                    waarvan de ouders een gezamenlijk inkomen van meer dan € 22.050,- (geïndexeerd)
                    hebben.Voor leerlingen die onder titel 6 vallen (gehandicapte leerlingen in het
                    reguliere primair en voortgezet onderwijs) geldt, dat aan de ouders geen
                    drempelbedrag gevraagd mag worden. Ook wanneer de leerling zelf de aanvraag doet
                    mag geen drempelbedrag gevraagd worden. Het blijft mogelijk om voor elk van de
                    genoemde onderwijssoorten een verschillende kilometergrens te hanteren.
                    Bovendien staat het de gemeente vrij het drempelbedrag wel voor de ene maar niet
                    voor de andere schoolsoorten in te voeren.</al><al>Toepassen hardheidsclausule of drempelbedrag maximaliserenMet name wanneer veel
                    kinderen gebruikmaken van het leerlingenvervoer en het inkomen van de ouders
                    relatief laag is, kan voor ouders een onevenredig grote financiële belasting
                    ontstaan. In de modelverordening is er voor gekozen om dergelijke
                    uitzonderingssituaties op te lossen door het verschuldigde drempelbedrag op
                    grond van de hardheidsclausule van artikel 29 niet geheel in rekening te
                    brengen. De gemeente kan er echter ook voor kiezen om in de verordening te
                    bepalen dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer, bijvoorbeeld maximaal
                    twee keer, per gezin geheven wordt. Bovendien is het mogelijk om de
                    inkomensgrens in de verordening hoger te leggen dan de in de wet genoemde
                    ondergrens van € 22.050,-.</al><al>De mogelijkheid om de hardheidsclausule hier te hanteren, vloeit voort uit
                    jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de
                    verplichte eigen bijdrage. De afdeling heeft op 2 april 1990 (nr. R03.87.7147;
                    zie Jur. 9.4) een uitspraak gedaan over de bevoegdheid van gemeenten om de
                    ‘hardheidsclausule’ toe te passen op de verplichte eigen bijdrage van destijds f
                    200,-. De belangrijkste overweging in de uitspraak van de afdeling luidt als
                    volgt: ‘Naar het oordeel van de afdeling biedt noch artikel 24 van de
                    verordening noch artikel 4, dertiende lid, van de Interimwet enig
                    aanknopingspunt voor de opvatting van verweerders. Artikel 24 en artikel 4,
                    dertiende lid, geven een algemene afwijkingsbevoegdheid, welke niet is beperkt
                    tot nader aangegeven gevallen, zodat van alle bepalingen van de regeling
                    (verordening) kan worden afgeweken. Verweerders hebben derhalve ten onrechte
                    gemeend dat hun niet de bevoegdheid toekwam om ook van het bepaalde in artikel
                    21, eerste lid, van de verordening af te wijken.’ Deze uitspraak betekent dat de
                    hardheidsclausule van (nu) artikel 29 van de modelverordening ook toegepast kan
                    worden om in bijzondere omstandigheden de ouders geen of slechts een deel van
                    het drempelbedrag te laten betalen.</al><al>FietsvergoedingTen aanzien van het heffen van een drempelbedrag voor leerlingen
                    die in aanmerking komen voor een fietsvergoeding het volgende. De
                    fietsvergoeding is in een aantal gevallen lager dan het door de ouders
                    verschuldigde drempelbedrag. Om te voorkomen dat leerlingen die zouden kunnen
                    fietsen daarvan om deze reden afzien, is het raadzaam in dergelijke gevallen op
                    grond van de hardheidsclausule geen of slechts een deel van het drempelbedrag in
                    rekening te brengen. Ook kan worden overwogen de fietsvergoeding te verhogen. In
                    dat geval geldt de hogere fietsvergoeding uiteraard niet alleen voor leerlingen
                    waarvoor een drempelbedrag verschuldigd is, maar voor alle leerlingen die
                    aanspraak maken op een fietsvergoeding.</al><al>Het begrip ‘inkomen’Onder inkomen moet worden verstaan: het gecorrigeerd
                    verzamelinkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 in het
                    peiljaar. Als peiljaar moet op grond van de wet worden aangemerkt het tweede
                    kalenderjaar voorafgaande aan het schooljaar waarvoor bekostiging van de
                    vervoerkosten wordt gevraagd. Ouders kunnen op verschillende manieren hun
                    gecorrigeerd verzamelinkomen aantonen. Vanuit het oogpunt van lastenvermindering
                    voor de burger is het wenselijk de wijze te kiezen die de minste lasten voor de
                    aanvrager oplevert. Wanneer de benodigde gegevens reeds bekend zijn bij de
                    sociale dienst omdat er tevens een uitkering wordt ontvangen, dient gebruik te
                    worden gemaakt van deze informatie. Daarnaast kan een gemeente gegevens
                    verkrijgen van het Inlichtingenburo. Indien de gemeente zelf geen inzage kan
                    verkrijgen in de inkomensgegevens kan de aanvrager een kopie van zijn
                    belastingaanslag sturen om zijn inkomen aan te tonen. Tenslotte kunnen ouders
                    een IB 60-formulier opvragen bij de belastingdienst, waarop het gecorrigeerde
                    verzamelinkomen staat vermeld. In de meeste gevallen zal ten behoeve van het
                    peiljaar het gecorrigeerd verzamelinkomen voorhanden zijn. Indien het
                    gecorrigeerd verzamelinkomen van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het
                    schooljaar waarvoor bekostiging wordt gevraagd nog niet bekend is, kan het derde
                    jaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt
                    worden gehanteerd. In een later stadium, als het gecorrigeerd verzamelinkomen in
                    het peiljaar bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt.Wanneer
                    ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt
                    op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag
                    waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor
                    gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Vervolgens kan het college besluiten
                    de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan
                    schriftelijk op de hoogte gesteld.De hoogte van het gecorrigeerd verzamelinkomen
                    is voor het peiljaar 2006 (dus ten behoeve van het schooljaar 2008-2009)
                    vastgesteld op € 22.050,-, wat betreft het innen van het drempelbedrag. Dit
                    bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de
                    regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1
                    januari van het voorafgaande jaar en afgerond op een veelvoud van € 450,-.</al><al>Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het
                    peiljaar waarin het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de aanvraag wordt
                    ingediend, op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het
                    voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de
                    afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van de modelverordening. Door het kiezen
                    van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders in dat latere peiljaar niet
                    voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoeven te betalen.</al><al>Om te bepalen wanneer het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan de
                    regeling, zoals die opgenomen is in artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering
                    2000 (WSF), als leidraad gehanteerd worden. Dit artikel is niet in de
                    modelverordening opgenomen. Het gaat bij de toepassing van artikel 29 van de
                    modelverordening om een beleidsbevoegdheid van het college. Voorgaand artikel
                    vormt slechts een gedeeltelijke invulling van die beleidsruimte. Het betreffende
                    artikel van de WSF kan als richtsnoer gehanteerd worden. Het college houdt dan
                    zijn eigen bevoegdheid om in zeer bijzondere situaties een andere oplossing te
                    kiezen.</al><al>PleegoudersPleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden
                    aangemerkt (zie de toelichting bij artikel 1, onderdeel b). Zij kunnen dus (als
                    zij voldoen aan de voorwaarden) een tegemoetkoming in de vervoerskosten krijgen.
                    De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (31 augustus 1993, nrs.
                    R03.93. 1702 en R03.93.1773; zie Jur. 2.3) acht het redelijk dat als de
                    verzorgers pleegouders zijn, zij ook de financiële verplichtingen op zich nemen
                    die uit de eventuele honorering van een aanvraag tot bekostiging van
                    vervoerkosten naar school voortvloeien. De gemeente kan pleegouders dus een
                    eigen bijdrage in rekening brengen. (Uiteraard hebben gemeenten de vrijheid om
                    op dit punt gebruik te maken van de hardheidsclausule in artikel 29.)</al><al>In tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij een
                    justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten, tenzij de
                    natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben ingediend.</al><al>In de bekostiging op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg zit in het
                    algemeen geen component voor de kosten van het schoolbezoek, die door de
                    gemeente in mindering gebracht kan worden op de gemeentelijke bekostiging voor
                    het leerlingenvervoer. Pleegouders die bekostiging ontvangen op basis van de
                    Regeling vrijwillige pleegzorg, dienen bij een honorering van hun aanvraag tot
                    bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer door de gemeente ook het
                    drempelbedrag per schooljaar aan de gemeente te betalen, als hun inkomen boven
                    de inkomensgrens ligt. Tevens zullen de pleegouders de eventuele bijdrage naar
                    financiële draagkracht aan de gemeente moeten voldoen. Eventueel kunnen zij deze
                    kosten wel verhalen op de natuurlijke ouders of voogden van de leerling.</al><al>Voogdij-instellingen kunnen ook als ‘ouder worden aangemerkt. Zij kunnen tevens
                    een aanvraag indienen. Bij hen kan echter geen drempelbedrag worden vastgesteld,
                    omdat zij geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben.
                    (Deze wet ziet op natuurlijke personen.)</al><al>Invordering drempelbedragTen aanzien van de invordering van het drempelbedrag is
                    het navolgende van belang:- In artikel 2, tweede lid, van de modelverordening is
                    onder meer bepaald: ‘Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de
                    vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op bekostiging
                    vervallen.’Indien het college zelf het vervoer verzorgt of laat verzorgen dienen
                    de ouders die daarvoor in aanmerking komen het drempelbedrag aan de gemeente
                    over te maken. Doen zij dit niet of niet geheel dan vervalt de aanspraak.-
                    Indien het college dit wenst kan het weigerachtige ouders in gebreke stellen en
                    de (kanton)rechter verzoeken uit te spreken dat de ouders het drempelbedrag
                    dienen te betalen. Vervolgens kan met inschakeling van een deurwaarder de
                    bijdrage worden geïnd. Aangezien deze procedure nogal omslachtig en duur is kan
                    het, als er sprake is van aangepast vervoer, raadzaam zijn het vervoer te
                    stoppen. De ouders blijven echter op grond van de Leerplichtwet verantwoordelijk
                    voor het schoolbezoek van hun kind. De praktijk leert dat een dergelijke
                    maatregel zeer effectief is.</al><al>OvergangsrechtInmiddels zijn er geen scholen voor speciaal voortgezet onderwijs
                    meer. Wel komt het voor dat leerlingen van voortgezet onderwijs die eerst naar
                    dit type onderwijs gingen op grond van de overgangsregeling genoemd in artikel
                    31, tweede lid, aanspraak maken op leerlingenvervoer. Op hen is artikel 23
                    onverkort van toepassing.Het drempelbedrag kan niet in rekening worden gebracht
                    aan ouders van sbo-leerlingen voor wie de gemeente in het schooljaar 2001-2002
                    bekostiging van het Gak (tegenwoordig: UWV) op basis van de Wet Rea ontving. Dit
                    blijft gelden gedurende de periode dat de leerling dezelfde school bezoekt.</al><al>Artikel 24 Financiële draagkrachtDe artikel 4 van de WPO biedt gemeenten de
                    mogelijkheid om van ouders wier kinderen een school voor basisonderwijs bezoeken
                    en van wie de school ten minste twintig kilometer van de woning is verwijderd,
                    een van de draagkracht afhankelijke bijdrage te vragen in de kosten van het
                    vervoer. Deze inkomensafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven (in
                    tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht)
                    en kan dus alleen bij het reguliere basisonderwijs worden gevraagd.In artikel 24
                    is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken wordt gewerkt,
                    waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is
                    gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als van de verschuldigde
                    bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die aansluit bij artikel 4
                    van de WPO.Indien het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt
                    tussen het peiljaar waar-in het inkomen wordt bepaald en het jaar waarin de
                    aanvraag wordt ingediend, op eenstructurele wijze is gedaald, is het redelijk om
                    in het voordeel van de ouders een later peil-jaar te kiezen door gebruik te
                    maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 29 van demodelverordening. Door
                    het kiezen van een later peiljaar kan het voorkomen dat ouders indat latere
                    peiljaar niet voldoen aan de inkomensgrens en dus geen drempelbedrag hoevente
                    betalen.</al><al>Artikel 25 Bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met
                    begeleidingIn titel 6 wordt geregeld dat alleen gehandicapte leerlingen in het
                    regulier primair en voortgezet onderwijs, die niet of niet zelfstandig van het
                    openbaar vervoer gebruik kunnen maken, in aanmerking kunnen komen voor
                    leerlingenvervoer. Voor deze gehandicapte leerlingen geldt geen
                    afstandscriterium. Gemeenten kunnen aan de ambulante begeleider die verbonden is
                    aan de reguliere school voor primair of voortgezet onderwijs, advies vragen over
                    passend vervoer voor deze leerlingen (zie toelichting artikel 1). Mocht een
                    leerling geen ambulante begeleiding krijgen, dan kan de gemeente het advies van
                    de schooldirecteur of andere deskundigen vragen (bijvoorbeeld een GGD arts).Voor
                    leerlingen van speciale scholen voor basisonderwijs die onder titel 6 vallen
                    geldt, dat ze -overeenkomstig artikel 9- recht hebben op vervoer naar de
                    dichtstbijzijnde toegankelijke school in het samenwerkingsverband. Dit is
                    geregeld in lid 1 van artikel 25.</al><al>Structurele handicapIndien in de verordening gesproken wordt van een handicap,
                    wordt een structurele handicap bedoeld. In het leerlingenvervoer kennen we geen
                    tijdelijke handicap. Dit betekent dat de gemeente geen vervoer hoeft te
                    verzorgen om tijdelijke medische redenen, bijvoorbeeld als een leerling een
                    gebroken been heeft. Ouders hebben hier zelf een verantwoordelijkheid in. In
                    sommige gevallen vergoedt de ziektekostenverzekeraar een gedeelte. Echter, het
                    kan voorkomen dat een leerling een zware operatie moet ondergaan of een
                    meervoudige ledematenbreuk heeft opgelopen, met als gevolg dat hij of zij een
                    groot gedeelte van het schooljaar afhankelijk is van rolstoel en/of krukken
                    vanwege herstel of revalidatie. In dat geval kan een leerling eventueel wel een
                    beroep doen op het leerlingenvervoer op basis van titel 6. De gemeente geeft dan
                    een beschikking af voor de duur van het herstel en/of de revalidatie. Als de
                    noodzaak voor het vervoer verdwijnt, heeft de leerling geen recht meer op
                    vervoer. Het UWV/gak hield altijd een termijn van drie maanden aan, voordat er
                    eventueel sprake was van een vervoersvergoeding op basis van de destijds
                    geldende Wet Rea. Dit zou een richtlijn kunnen zijn voor de gemeente:-
                    tijdelijke handicap tot drie maanden: sowieso geen aanspraak op
                    leerlingenvervoer- tijdelijke handicap die langer duurt dan drie maanden: de
                    gemeente bekijkt of de leerling in aanmerking kan komen voor vervoer op basis
                    van titel 6.</al><al>Overgangsrecht Leerlingen die in het schooljaar 2001-2002 een
                    vervoersvoorziening kregen naar een school voor speciaal voortgezet onderwijs,
                    praktijkonderwijs, leerwegondersteunend onderwijs of een opdc, kunnen op basis
                    van de overgangsregeling (zie artikel 31) aanspraak blijven maken op die
                    voorziening gedurende de periode dat zij diezelfde school bezoeken.</al><al>Artikel 26 Bekostiging op basis van kosten van aangepast vervoerTen aanzien van
                    gehandicapte leerlingen die zelfstandig met het openbaar vervoer kunnenreizen,
                    maar die daartoe niet in staat zijn omdat het openbaar vervoer in de regio
                    ontbreekt, verwijzen wij naar de toelichting op artikel 13 ad 2. Leerlingen die
                    een handicap hebben waardoor ze niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen
                    reizen, maken aanspraak op aangepast vervoer indien het openbaar vervoer in de
                    regio ontbreekt. Zij zijn dan immers niet in staat om onder begeleiding met het
                    openbaar vervoer te reizen, omdat het niet aanwezig is. De gemeente heeft echter
                    wel de plicht om passend vervoer te verzorgen in zo’n geval, dus aangepast
                    vervoer. Daarom is in artikel 26 opgenomen dat indien de leerling op grond van
                    artikel 25 recht heeft op openbaar vervoer met begeleiding, terwijl openbaar
                    vervoer ontbreekt of te lang duurt, de leerling aanspraak op aangepast vervoer
                    kan maken. Zie verder de toelichting op artikel 25.</al><al>Artikel 27 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoerZie de
                    toelichting op artikel 25. Over eigen vervoer is een uitgebreide toelichting te
                    vinden bij de artikelen 14 en 19. In artikel 27 wordt de bekostiging gerelateerd
                    aan de bekostiging waar ouders in principe op basis van de modelverordening voor
                    in aanmerking komen. Voor de leerlingen in titel 6 betekent dit ofwel
                    bekostiging op basis van openbaar vervoer met begeleiding (artikel 25) ofwel
                    aangepast vervoer (artikel 26).</al><al>Artikel 28 Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorzietDit
                    artikel bepaalt dat het college beslist in gevallen, de uitvoering van het
                    leerlingenvervoer betreffende, waarin de verordening niet voorziet.In de
                    modelverordening zijn de hoofdlijnen van de bekostiging van het
                    leerlingenvervoer vastgelegd. Uiteraard zal zich een aantal concrete gevallen
                    voordoen, waarin de modelverordening niet voorziet. Te denken valt onder andere
                    aan:- varianten van het combinatievervoer (bijvoorbeeld aangepast plus openbaar
                    vervoer);- begeleiding tijdens groepsvervoer;- gemeenschappelijke afspraken met
                    andere gemeenten;- varianten in het gebruik van eigen vervoer.Voor dergelijke en
                    andere situaties waarin de modelverordening niet voorziet, is in artikel 28 van
                    de modelverordening bepaald dat het college beslist. Hierbij dient in
                    redelijkheid gehandeld te worden. Uitgangspunt bij deze besluitvorming dient te
                    zijn dat in de geest van de wet en de modelverordening gehandeld wordt.Het komt
                    voor dat schoolbesturen of een groep ouders een vervoermiddel in eigen
                    beheergebruiken om de leerlingen naar school te brengen. Van belang daarbij is
                    dat de aansprakelijkheid en het toezicht hierop bij de gemeente blijft.
                    Aansprakelijkheid is immers gekoppeld aan zorgplicht. Voor het vervoer gelden
                    dezelfde eisen als voor vervoersbedrijven.</al><al>Artikel 29 Afwijken van bepalingenDit artikel bepaalt dat het college in
                    bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de
                    ouders kan afwijken van de bepalingen in de verordening. Dit houdt in dat het
                    college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de verordening.
                    Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid van de WPO,
                    artikel 4, zevende lid, van de WVO en artikel 4, tiende lid, van de WEC.Van een
                    dergelijke afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn
                    indien:- een leerling, die niet voor bekostiging van de begeleiding in
                    aanmerking komt, toch - gezien zijn verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke
                    handicap - begeleid moet worden;- leerlingen die naar het oordeel van het
                    college gebruik moeten maken van aangepast vervoer, terwijl zij, gezien de
                    criteria, daarvoor niet in aanmerking komen;- sprake is van groepsvervoer,
                    georganiseerd door de ouders en het college een daarop geënte bekostiging wil
                    betalen;- sprake is van een voor het kind onaanvaardbare onderwijsinhoudelijke
                    dan wel onhoudbare praktische situatie op de dichtstbij gelegen toegankelijke
                    school. Indien daarvan sprake is - de bewijslast daarvan ligt bij de ouders -
                    kan bekostiging volgen van de kosten van vervoer naar een verder gelegen
                    toegankelijke school (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28
                    februari 1992, R03.89.3402/83-107; zie Jur. 9.13; zie ook Afdeling
                    Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 1992, R03.92.3306/P90 en
                    S03.92.2460; zie Jur. 9.1).</al><al>In haar jurisprudentie heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven inzake de toepassing van de
                    hardheidsclausule te weten:a. Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden
                    van overwegende aard, die zich ten aanzien van personen bij een strikte
                    toepassing van de bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen.
                    De toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten en
                    omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld medische,
                    pedagogische en sociale factoren (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State van 12 mei 1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41; zie Jur. 9.3).b. Via
                    toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de verordening
                    worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag van artikel 23
                    (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 april 1990
                    R03.87.7147/58-43; zie Jur. 9.4).Voorts dient erop te worden toegezien dat ter
                    voorkoming van - ongewenste - precedentenwerking de toepassing van de
                    hardheidsclausule wordt onderbouwd met op de specifieke, concrete situatie van
                    ouders van een leerling betrekking hebbende argumenten.Tevens wordt in artikel
                    29 van de modelverordening bepaald dat het college zo nodig het advies van de
                    commissie van onderzoek, het advies van de regionale verwijzingscommissie (RVC)
                    of andere deskundigen vraagt.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
                    State heeft in 2006 een verzoek afgewezen voor bekostiging van vervoer van een
                    leerling die naar een verderaf gelegen school wilde gaan. Reden van dit verzoek
                    was dat de leerling daar de noodzakelijk medische begeleiding kon krijgen,
                    waarop hij anders twee jaar moet wachten. Het betreffende college vond dat
                    bekostiging van vervoer bedoeld is voor schoolbezoek en niet voor medische
                    behandeling (LJN AZ9034). Artikel 1 van de verordening leerlingenvervoer
                    definieert het begrip ‘vervoer’ als ‘vervoer van en naar school’. Uit de
                    hardheidsclausule blijkt echter onvoldoende of een vergoeding alléén voor
                    schoolbezoek ten behoeve van onderwijs is bedoeld. De clausule kan beperkt
                    worden door beleidsregels voor de uitwerking ervan vast te stellen. Hierin kan
                    opgenomen worden dat de bevoegdheid tot toekenning van vervoerskosten beperkt
                    blijft tot schoolbezoek voor het volgen van onderwijs. Deze beperking kan
                    eventueel ook in de hardheidsclausule zelf worden opgenomen.</al><al>Artikel 30 Intrekking oude regelingIn artikel 30 wordt geen tijdstip vermeld
                    waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum
                    waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in
                    werking treedt.</al><al>Artikel 31 OvergangsregelingIn het eerste lid wordt gesproken over een
                    bruikleenauto of leefvervoervoorziening. Deze voorzieningen zijn aan te vragen
                    bij en worden verstrekt door het UWV en niet de gemeente.Met een ‘gelijkwaardige
                    voorziening’ wordt bedoeld, dat leerlingen die in het schooljaar 2001-2002 op
                    basis van de Wet Rea taxivervoer kregen, niet in het schooljaar 2002-2003 van de
                    gemeente bekostiging openbaar vervoer of openbaar vervoer met begeleiding mogen
                    krijgen. Ook zal het vervoer in een busje door de wetgever niet worden opgevat
                    als gelijkwaardig aan taxivervoer. Wel mogen gemeenten in gevallen waar dat
                    praktisch mogelijk is, individuele taxiritten met elkaar combineren. Dit zou
                    bijvoorbeeld mogelijk zijn als twee leerlingen elk een individuele
                    taxivoorziening naar dezelfde school ontvangen en de twee ritten, zonder dat de
                    leerlingen daar aantoonbaar nadeel van ondervinden, kunnen worden
                    gecombineerd.Tevens zal in sommige gevallen vervoer verzorgd moeten worden naar
                    een school die niet de dichtstbijzijnde, toegankelijke school is voor de
                    betreffende leerling. In de Wet Rea werd dit criterium namelijk niet
                    gehanteerd.In het tweede lid wordt gesproken over een vervoersvoorziening naar
                    een opdc. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 1, onderdel r.De aanspraak
                    op leerlingenvervoer op grond van lid 2 komt te vervallen indien de leerling
                    binnen de afstandsgrens komt te wonen.De gemeente kan leerlingen die op basis
                    van de overgangsregeling (artikel 31, lid 2) een vervoersvergoeding krijgen naar
                    een school voor praktijkonderwijs of leerwegondersteunend onderwijs, een
                    drempelbedrag of een draagkrachtafhankelijke bijdrage opleggen. Daarom in dit
                    artikel een verwijzing naar titel 5 ‘Eigen bijdrage en bekostiging naar
                    financiële draagkracht’.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>