<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR119941_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening Bronckhorst 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bronckhorst</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bronckhorst</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GVOP, 31 december 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening Bronckhorst 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel149">Art. 149 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z27389 RD11-00402</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Algemene Plaatselijke Verordening Bronckhorst 2011 is gewijzigd ten aanzien van een aantal artikelen die bij raadsbesluit van 17 december 2015 onder kenmerk Z75100/ Raad-00083/9 zijn ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-27293</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening Bronckhorst 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al/><al>Behorende bij raadsvoorstel met nummer: 111026/13</al><al/><al>De raad van de gemeente Bronckhorst;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van b en w van 30 augustus 2011;</al><al/><al>gelet op de bespreking van de raadscommissie van 13 oktober 2011;</al><al/><al>gelet op Gemeentewet ;</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><lijst><li nr="1."><al>in te trekken de Algemene plaatselijke Verordening Bronckhorst
                                2010;</al></li><li nr="2."><al>vast te stellen de Algemene plaatselijke Verordening Bronckhorst
                                2011:</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al> In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: </al><al/><al>a. <vet>Weg</vet>:</al><lijst><li nr="1."><al>de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig
                                aangeduide parkeerterreinen;</al></li><li nr="2."><al>de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen,
                                speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en
                                aanlegplaatsen voor vaartuigen;</al></li><li nr="3."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken,
                                gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in
                                gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;</al></li><li nr="4."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare
                                stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de
                                afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege
                                degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn
                                afgesloten.</al><al/></li></lijst><al>b. <vet>Openbaar water</vet>: alle wateren die - al dan niet met enige
                        beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk
                        zijn.</al><al> c. <vet>Bebouwde kom</vet>: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde
                        staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid,
                        van de Wegenwet. </al><al>d. <vet>Rechthebbende</vet>: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap
                        heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. </al><al>e. <vet>Voertuigen</vet>: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a
                        en onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met
                        uitzondering van:</al><lijst><li nr=""><al>1. treinen en trams;</al></li><li nr=""><al>2. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al></li></lijst><al/><al>f. <vet>vaartuigen</vet>: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende
                        werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten.</al><al> g. <vet>Woonschepen</vet>: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning
                        gebezigd of tot woning bestemd. </al><al>h. <vet>Bouwwerk</vet>: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of
                        indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                        of op de grond. </al><al>i. <vet>Gebouw</vet>: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke
                        overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al><al> j.<vet> Vee:</vet> dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage
                        II, behorend bij artikel 55 van de Meststoffenwet.</al><al> k. <vet>Handelsreclame</vet>: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                        diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. </al><al>l. <vet>Kleinschalige activiteiten</vet>: activiteiten die:</al><lijst><li nr="1."><al>een beperkte omvang hebben met nauwelijks of geringe impact op de
                                omgeving; </al></li><li nr="2."><al>maximaal 100 deelnemers hebben; </al></li><li nr="3."><al>plaatsvinden op zondagen tussen 13:00 en 0:30 uur, maandagen tot en
                                met donderdagen tussen 09:00 en 0:30 uur of op vrijdagen of
                                zaterdagen tussen 09:00 en 1:30 uur;</al></li><li nr="4."><al>geen risico opleveren voor de openbare orde, veiligheid en
                                gezondheid van deelnemers of bezoekers; </al></li><li nr="5."><al>geen belemmering vormen voor de hulpdiensten, ondanks dat het plaats
                                kan vinden op of aan de weg;</al></li></lijst><al/><al>en indien het evenement plaatsvindt op de openbare weg:</al><lijst><li nr="6."><al>de wegafzetting duidelijk zichtbaar is, ook in het donker;</al></li><li nr="7."><al>de hulpdiensten ten alle tijden doorgang wordt verleend door 4 meter
                                van de rijbaan vrij te houden.</al></li></lijst><al/><al>m. <vet>Bevoegd gezag:</vet> bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1,
                        eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 1.2 Beslistermijn </vet></al><al>Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of
                        ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.</al><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></li><li nr="2."><al>Indien een beschikking niet binnen de in het eerste lid van dit
                                artikel genoemde termijn kan worden gegeven, deelt het
                                bestuursorgaan dit aan de aanvrager mee en noemt daarbij een zo kort
                                mogelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden
                                gezien.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist
                                wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel
                                2.1.5.2, artikel 4.3.2 of artikel 4.4.2.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 1.3 Indiening aanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></li><li nr="2."><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></li><li nr="2."><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</vet></al><al> De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                        deze verordening anders is bepaald. </al><al/><al><vet>Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing </vet></al><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: </al><al>a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn
                        verstrekt; </al><al>b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten
                        opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden
                        aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de
                        belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; </al><al>c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                        beperkingen niet zijn of worden nagekomen; </al><al>d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen
                        een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn,
                        binnen een redelijke termijn; </al><al>e. indien de houder dit verzoekt.</al><al/><al><vet>Artikel 1.7 Positieve fictieve beschikking</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing
                                voor de volgende artikelen in deze verordening:</al><al>a. Artikel 2.1.4.3: Ontheffing van het verbod optreden als
                                straatartiest;</al></li><li nr="2"><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2.2.2. Evenementen;</al></li><li nr="b."><al>artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheid;</al></li><li nr="c."><al>artikel 3.2.1 Seksinrichtingen;</al></li><li nr="d."><al>artikel 4.5.2. Recreatief nachtverblijf buiten
                                        kampeerterreinen.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 2 Openbare orde</vet></al><al/><al><vet>Afdeling 1: Orde en veiligheid op de weg</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1: Bestrijding van ongeregeldheden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing,
                                onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven
                                tot wanordelijkheden. </al></li><li nr="2."><al>Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval waardoor er
                                wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot
                                toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er
                                wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich
                                bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een
                                daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
                            </al></li><li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen
                                of weggedeelten die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in
                                het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                wanordelijkheden zijn afgezet. </al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                gestelde verbod. </al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten
                                als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.1.2 Gevaarlijke voorwerpen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de door de burgemeester aangewezen wegen en
                                daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen
                                messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen
                                kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. </al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens
                                behorende tot de categorieën I, II en IV Wet wapens en munitie en
                                voor zover de openbare orde of veiligheid door het bij zich dragen
                                van deze voorwerpen niet in gevaar komt of kan komen. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.1.3 Orde verstoren</vet></al><al>Het is verboden de orde te verstoren op of aan de openbare weg en daaraan
                        gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen en terreinen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.1.4 Zedelijkheid</vet></al><al>Het is verboden op of aan de weg of op een vanaf de weg af waarneembare
                        plaats zich te bevinden in een houding, toestand of kleding die uit oogpunt
                        van openbare zedelijkheid kennelijk kwetsend is of redelijkerwijze kwetsend
                        kan worden geacht. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.1.5 Toezicht</vet></al><al>a. De burgemeester kan ter voorkoming dan wel ter bestrijding van
                        ongeregeldheden een organisatie, instelling of bedrijf verplichten om
                        toezichthouders respectievelijk portiers in te zetten. </al><al>b. De inzet van toezichthouders respectievelijk portiers dient te geschieden
                        overeenkomstig het bepaalde in de Wet op de particuliere
                        beveiligingsorganisatie en recherchebureaus. </al><al/><al><vet>Paragraaf 2: Betogingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.2.1 Optochten (Vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten
                                minste 72 uur voordat de betoging zal worden gehouden, schriftelijk
                                kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van wat in
                                artikel 2.1.2.4, eerste lid, hierover is bepaald. </al></li><li nr="2."><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving door
                                terugrekening valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een
                                zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt dit tijdstip geacht
                                te vallen op 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag,
                                zondag of algemeen erkende feestdag is. </al></li><li nr="3."><al>Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld in
                                artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare
                                manifestaties. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.2.3 Afwijking termijn</vet></al><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.1.2.2,
                        eerste lid, genoemde termijn van 72 uur verkorten en een mondelinge
                        kennisgeving in behandeling nemen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.2.4 Te verstrekken gegevens</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging
                                houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging
                                wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de
                                plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van
                                beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van
                                samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal
                                treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. </al></li><li nr="2."><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. </al><al/></li></lijst><al><vet>Paragraaf 3: Verspreiden van gedrukte stukken (Vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 4: Vertoningen e.d. op de weg</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.4.1 Feest, muziek en wedstrijd (Vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.4.2 Dienstverlening (Vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.4.3 Straatartiest </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                straatfotograaf, straatmuzikant, tekenaar, filmoperateur of gids op
                                te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of
                                gedeelten daarvan. </al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                dagen en uren. </al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. </al><al/></li></lijst><al><vet>Paragraaf 5: Bruikbaarheid van de weg</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5.1 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een
                                weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke
                                functie daarvan. </al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor:</al><al> a. vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of
                                hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor
                                commerciële doeleinden worden gebruikt; </al><al>b. zonneschermen, voor zover ze zijn aangebracht boven het voor
                                voetgangers bestemde gedeelte van de weg en voor zover: - elk
                                onderdeel zich hoger dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en; -
                                elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat, zich op meer dan
                                0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg
                                bevindt, en; - elk onderdeel, in welke stand het scherm ook staat,
                                minder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; </al><al>c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op
                                de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan. Degene
                                die de werkzaamheden verricht of doet verrichten draagt er zorg
                                voor, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor
                                zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn
                                en de weg daarvan gereinigd is; </al><al>d. voertuigen; </al><al>e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                geopenbaard; </al><al>f. evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1; </al><al>g. terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.2, vijfde lid;</al><al> h. standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3. </al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op, aan, over of boven de weg voorwerpen of stoffen
                                waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                brengen of te hebben, indien: a. deze door zijn omvang of
                                vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt
                                aan de weg, b. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of
                                voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of c. een
                                belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
                            </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in
                                het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit
                                betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k.
                                van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="5."><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg
                                verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                verstaat. </al></li><li nr="6."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a.
                                indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar
                                oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en
                                veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het
                                doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde
                                gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet
                                voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de
                                voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de
                                nabijheid gelegen onroerende zaak. </al></li><li nr="7."><al>a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement. </al><al>b. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor
                                zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                                5 van de Wegenverkeerswet. </al><al>c. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor
                                bouwwerken. </al><al>d. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor
                                zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                milieubeheer. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.5.2 Omgevingsvergunning voor het aanleggen en veranderen
                            van een weg</vet></al><al>Vervallen (ingetrokken bij besluit van 17 december 2015, Z75100/
                        Raad-00083/9)</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5.3 Maken, veranderen van een uitweg</vet></al><al>Vervallen (ingetrokken bij besluit van 17 december 2015, Z75100/
                        Raad-00083/9)</al><al/><al/><al><vet>Paragraaf 6: Veiligheid op de weg</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te
                                werpen, uit te storten of te laten lopen. </al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e, van het Wetboek
                                van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.2 Winkelwagentjes</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking
                                stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg,
                                is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander
                                herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het
                                publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te
                                verwijderen of te doen verwijderen. </al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.3 Hinderlijke beplanting of voorwerp</vet></al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben
                        op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd
                        of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert, waarbij er bij het
                        opzijzicht van uitgegaan wordt dat het benodigde zicht vanaf vijf meter voor
                        het kruisingvlak het volgende is: Op wegen met een maximum snelheid van: </al><al>30 km/h 15 m1 </al><al>50/60 km/h 45 m1 </al><al>80 km/h 90 m1 Artikel </al><al/><al><vet>2.1.6.4 Openen straatkolken e.d. </vet></al><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk,
                        rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een
                        openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te
                        dekken.</al><al/><al><vet>Artikel 2.1.6.5 Kelderingangen e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen
                                betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de
                                veiligheid van de weggebruikers opleveren. </al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder
                                1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden (dan wel
                                in duingebieden) of binnen een afstand van dertig meter daarvan
                                gedurende de door het college aangewezen periode. </al></li><li nr="2."><al>Het is verboden in bossen, op heide of veengronden (dan wel in
                                duingebieden) of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor
                                zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen
                                te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. </al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                                429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. </al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover
                                het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin
                                ingerichte, erven. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen
                                aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,5 meter boven dat
                                gedeelte van de weg. </al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of
                                andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de
                                uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een
                                afscheiding zijn aangebracht. </al></li><li nr="3."><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat
                                artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. </al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                Wegenverkeerswet 1994.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpen</vet></al><al>Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te
                        hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg. </al><al/><al><vet>Artikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en verlichting </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of
                                aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het
                                college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het
                                openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht,
                                onderhouden, gewijzigd of verwijderd. </al></li><li nr="2."><al>Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit
                                bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een
                                voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. </al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.10 Objecten onder hoogspanningslijn </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van
                                voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere
                                objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee
                                meter te plaatsen of te hebben. </al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse
                                hoogspanningslijn dat toelaat. </al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die
                                deel uitmaken van de hoogspanningslijn. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6.11 Veiligheid op het ijs </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden: </al><al>a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere
                                wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; </al><al>b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te
                                nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan
                                te verijdelen of te belemmeren. </al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Gelderse
                                Vaarwegenverordening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 2: Toezicht op evenementen</vet></al><al/><al>A<vet>rtikel 2.2.1 Begripsomschrijving</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek
                                toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: </al><al>a. bioscoopvoorstellingen; </al><al>b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                Gemeentewet; </al><al>c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; </al><al>d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet
                                gelegenheid geven tot dansen; </al><al>e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                openbare manifestaties; </al><al>f. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.4.3 en 2.3.3.1 van deze
                                verordening. </al></li><li nr="2."><al>Onder evenement wordt mede verstaan: </al><al>a. een herdenkingsplechtigheid; </al><al>b. een braderie: </al><al>c. snuffelmarkt; </al><al>d. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                2.1.2.2., op de weg; </al><al>e. een feest, muziek of wedstrijd op of aan de weg. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.2.2 Evenement </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement
                                te organiseren. </al></li><li nr="2."><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: </al><al>a. de openbare orde; </al><al>b. het voorkomen of beperken van overlast; </al><al>c. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;
                                d. de zedelijkheid of gezondheid. </al></li><li nr="3."><al>Voor bepaalde activiteiten zoals bedoeld in artikel 1.1l van deze
                                verordening en voldoen aan de voorwaarden zoals beschreven in het
                                evenementen- en festiviteitenbeleid gemeente Bronckhorst, geldt
                                uitsluitend een meldingsplicht die uiterlijk gedaan moet zijn vier
                                weken voor aanvang van de activiteit. </al></li><li nr="4."><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor de in het tweede lid,
                                onder d, van artikel 2.2.1. voorziene gevallen, voor zover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto
                                artikel 148 Wegenverkeerswet 1994. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.2.3 Ordeverstoring bij evenementen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bij evenementen de orde te verstoren, onnodig op te
                                dringen en/of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot
                                wanordelijkheden. </al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of
                                andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een
                                zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in
                                gevaar komt of kan komen. </al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 3: Toezicht op openbare inrichtingen</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1: Toezicht op horecabedrijven</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de voor het
                                publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in
                                een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of
                                dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe
                                consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf
                                worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension,
                                café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. </al></li><li nr="2."><al>Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere
                                aanhorigheden. </al></li><li nr="3."><al>Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten
                                ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar
                                sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding
                                dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie
                                kunnen worden bereid of verstrekt. </al></li><li nr="4."><al>Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een
                                horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel
                                2.3.1.2 of 2.3.1.3. </al></li><li nr="5."><al>Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: </al><al>a. de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders wonende bloed
                                en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en
                                met de derde graad; </al><al>b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel
                                438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in
                                artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht; </al><al>c. de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende
                                redenen noodzakelijk is. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.3.1.2 Exploitatievergunning horecabedrijf</vet></al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1.3 Opheffing vergunningplicht</vet></al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1.4 Sluitingstijden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers
                                geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten
                                verblijven: op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00
                                uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur. </al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan ontheffing van het bepaalde in het eerste lid
                                verlenen. </al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in
                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet
                                milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere
                                omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer
                                horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.3.1.4
                                geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
                            </al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de
                                Opiumwet.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</vet></al><al>Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit
                        bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een op grond van artikel
                        2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te
                        bevinden. </al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring</vet></al><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. </al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1.8 Het college als bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen
                        inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de
                        burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van
                        artikel 2.3.1.2 tot en met 2.3.1.5.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2: Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                            nachtverblijf</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de
                                uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van
                                nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;</al></li><li nr="2."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de
                                feitelijke leiding heeft.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie</vet></al><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van
                        een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan
                        schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. </al><al/><al><vet>Artikel 2.3.2.3 Nachtregister</vet></al><al>De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in
                        artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is
                        volgens het door de burgemeester vastgestelde model. </al><al/><al><vet>Artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens nachtregister</vet></al><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder
                        is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar
                        waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum,
                        geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te
                        verstrekken.</al><al/><al><vet>Paragraaf 3: Toezicht op speelgelegenheden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek
                                toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te
                                beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen
                                worden gewonnen of verloren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod
                                is niet van toepassing op: </al><al>a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste
                                lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b.
                                speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van
                                Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; </al><al>c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld
                                in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als
                                bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te
                                verrichten.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn oordeel
                                moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving
                                van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                                nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de
                                speelgelegenheid; b. indien de exploitatie van een speelgelegenheid
                                in strijd is met een geldend bestemmingsplan.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.3.3.2 Speelautomaten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><al>a. Wet: de Wet op de kansspelen; </al><al>b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van
                                de Wet; </al><al>c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c,
                                van de Wet; </al><al>d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                onder d, van de Wet; </al><al>e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                onder e, van de Wet.</al></li><li nr="2."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan,
                                waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al></li><li nr="3."><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan,
                                met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn
                                toegestaan.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 4: Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een
                                bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten
                                woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die
                                woning of dat lokaal behorende erf, een voor publiek toegankelijk
                                lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al></li><li nr="3."><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.2 Plakken en kladden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat
                                vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak
                                dat vanaf de weg zichtbaar is: </al><al>a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding
                                aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen
                                of te doen aanbrengen; </al><al>b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding,
                                letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben
                                op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich
                                te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of
                                verfstof of verfgereedschap.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of
                                gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                handelingen als verboden in artikel 2.4.2.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg te vervoeren of
                                bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns
                                of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen
                                zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen,
                                onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door
                                middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                voorkomen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen,
                                voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                de in het eerste lid bedoelde handelingen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te
                                bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken,
                                wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de
                                daarin gelegen wegen of paden.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d. (Vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de weg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden: </al><al>a. op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld,
                                monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en
                                daarvoor niet bestemd straatmeubilair; </al><al>b. zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers
                                of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of
                                hinder wordt veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.4.8. Verboden drankgebruik</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een
                                door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel
                                1 van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a,
                                waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en
                                Horecawet.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden: </al><al>a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; </al><al>b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder
                                redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik
                                bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor p</vet><vet>ubliek toegankelijke ruimten</vet></al><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke
                        wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal,
                        telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage,
                        rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke
                        ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan
                        waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. </al><al/><al><vet>Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of
                        te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een
                        gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: </al><al>a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van
                        dat gebouw of dat portiek; </al><al>b. daardoor die ingang versperd wordt.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op markt en
                            kermisterrein e.d.</vet></al><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                        uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het
                        college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis,
                        uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt,
                        mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.13 Bespieden van personen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze
                                woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip
                                bevindende persoon te bespieden.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.14 Bewakingsapparatuur (Vervallen)</vet></al><al/><al/><al><vet><vet>Artikel 2.4.15 Nodeloos alarmeren (Vervallen)</vet></vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 2.4.16 Alarminstallaties (Vervallen)</vet></vet></al><al/><al><vet>A<vet>rtikel 2.4.17 Loslopende honden</vet></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten
                                verblijven of te laten lopen: </al><al>a. binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd
                                is; </al><al>b. buiten de bebouwde kom zonder dat deze hond onder controle is; c.
                                op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte kinder- speelplaats, zandbak of speelweide of op een
                                andere door het college aangewezen plaats;</al></li><li nr="2."><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het
                                eerste lid onder a niet geldt.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond
                                zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en
                                de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een
                                eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd
                                opleidt tot geleidehond.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De eigenaar of houder van een hond alsmede hij die een hond onder
                                zijn hoede heeft is verplicht bij het uitlaten van de hond
                                opruimmiddelen voor uitwerpselen bij zich te hebben.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De eigenaar of houder van een hond, alsmede hij die een hond onder
                                zijn hoede heeft, is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich
                                niet van uitwerpselen ontdoet: </al><al>a. binnen de bebouwde kom, met uitzondering van particuliere
                                terreinen, mits daarvoor toestemming is verkregen van de
                                eigenaar/gebruiker, en in de goot van de weg; </al><al>b. buiten de bebouwde kom: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>1. op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor
                                het verkeer van voetgangers; </al><al>2. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; </al><al>3. op of in een voor het publiek toegankelijke plein, plantsoen of
                                park; </al><al>c. op een andere door het college aangewezen plaats.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het tweede lid
                                gestelde verbod wordt opgeheven, indien hij die de zorg heeft voor
                                de hond dan wel hij die de hond onder zijn hoede heeft er zorg voor
                                draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten
                                verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van
                                een ander: </al><al>a. anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of
                                de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of
                                hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van
                                die hond noodzakelijk vindt; </al><al>b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het
                                college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die
                                hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod
                                in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.</al></li><li nr="2."><al>In het eerste lid wordt verstaan onder: </al><al>a. muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de
                                Regeling agressieve dieren; </al><al>b. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een
                                lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50
                                meter.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om een of meer dieren te houden op een voor de
                                omgeving hinderlijke of schadelijke wijze.</al></li><li nr="2."><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.21 Wilde dieren (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.22 Loslopend vee</vet></al><al> De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                        weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke
                        veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen
                        worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. </al><al/><al><vet>Artikel 2.4.23 Duiven</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die
                                duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een
                                door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1
                                juni.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Ophokverordening
                                Gelderland.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.24 Bijen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bijen te houden: </al><al>a. binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen
                                waar overdag mensen verblijven; </al><al>b. binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een
                                afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een
                                afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als
                                noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te
                                voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet
                                voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of
                                gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet
                                voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                Gelders wegenreglement.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2.4.25 Slapen op of aan de weg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken en verder op of
                                aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk of ander
                                onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan
                                wel gelegenheid daartoe te bieden;</al></li><li nr="2."><al>het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter
                                voorkoming en beperking van hinder en overlast, ontsiering van het
                                dorp- of stadsbeeld, verontreiniging, volksgezondheid en
                                brandgevaar;</al></li><li nr="3."><al>het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de woonwagenwet
                                van toepassing is, noch op door het college aangewezen
                                plaatsen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.26 Bedelen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan de openbare weg of in een publiek
                                toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een gebied aanwijzen waarop het in het eerste lid
                                gestelde niet van toepassing is.</al></li></lijst><al/><al><vet>Afdeling 5: Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
                            (Vervallen)</vet></al><al/><al><vet><vet>Afdeling 6: Vuurwerk </vet><vet>Artikel </vet></vet></al><al/><al><vet><vet>2.6.1 Begripsomschrijvingen</vet></vet></al><al><vet>Vervallen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.6.2 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens
                            de verkoopdagen</vet></al><al><vet>Vervallen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.6.3 Carbid schieten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een bus / container /
                                opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig
                                van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of
                                gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden in de openlucht met carbid te schieten.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het tweede lid geldt niet indien wordt voldaan aan de
                                volgende voorschriften: het carbidschieten vindt plaats op 31
                                december tussen 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur; </al><al>a. bij het carbidschieten wordt gebruikgemaakt van bussen met een
                                maximale inhoud van 40 liter; </al><al>b. het carbidschieten vindt plaats buiten de bebouwde kom op een
                                afstand van ten minste: 100 meter van woningen en 300 meter van
                                gebouwen of andere voorzieningen waarin dieren verblijven; </al><al>c. het schootsveld bedraagt tenminste 100 meter en binnen dit
                                schootsveld bevindt zich geen publiek of andere personen en zijn
                                geen openbare wegen of paden gelegen; </al><al>d. degene die met carbid schiet neemt alle redelijkerwijs mogelijke
                                maatregelen om elk gevaar voor mens en dier te voorkomen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing van het verbod in het tweede lid
                                verlenen.</al></li><li nr="5."><al>Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet
                                wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.</al></li></lijst><al/><al><vet>Afdeling 7: Drugsoverlast </vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.7.1 Drugshandel op straat</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de
                        weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan
                        wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te
                        rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3
                        van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te
                        leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin
                        te bemiddelen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.7.2 Verzameling van personen in verband met de handel in of
                            het gebruik van drugs op straat.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen deel
                                te nemen aan een verzameling van meer dan vier personen waarvan
                                redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze verzameling verband
                                houdt met het gebruik van of de handel in drugs.</al></li><li nr="2."><al>Degene die deelneemt aan een verzameling van personen als bedoeld in
                                het eerste lid is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een
                                ambtenaar van politie direct zijn weg te vervolgen of zich in de
                                door hem aangewezen richting te verwijderen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 8: Bestuurlijke ophouding</vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding</vet></vet></al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten
                        tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen
                        op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de
                        volgende artikelen van deze verordening groepsgewijs niet naleven: </al><al>- artikel 2.1.1.1. </al><al>- artikel 2.1.1.2. </al><al>- artikel 2.1.5.1. </al><al>- artikel 2.1.5.2. </al><al>- artikel 2.4.7. </al><al>- artikel 2.4.8. </al><al>- artikel 2.4.9. </al><al>- artikel 2.4.10. </al><al/><al><vet>Afdeling 9: Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.9.1 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij
                        verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij
                        ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de
                        daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende
                        erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. </al><al/><al><vet>Afdeling 10: Verblijfsontzegging</vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 2.10.1 Verblijfsontzegging</vet></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan degene van wie mag worden verwacht dat hij,
                                hetzij alleen, hetzij in groepsverband, de openbare orde verstoort
                                danwel dreigt te verstoren door het plegen van strafbare feiten,
                                door baldadigheid of hinderlijk gedrag of anderszins personen lastig
                                valt of schade toebrengt, uit het oogpunt van het handhaven van de
                                openbare orde het bevel geven zich verwijderd te houden van of uit
                                een door de burgemeester bij bevel gegeven plaats of gebied,
                                gedurende de tijd, bij het bevel genoemd.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zich op een plaats of in een gebied te bevinden in
                                strijd met een krachtens het eerste lid gegeven bevel.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bedoelde bevel geldt niet voorzover de persoon
                                tot wie het bevel is gericht op de plaats of in het gebied blijkens
                                opgave in het persoonsregister van de gemeente woonachtig is;
                                aannemelijk maakt dat hij op de plaats of in het gebied werkzaam is;
                                zich in een middel van openbaar vervoer bevindt; anderszins
                                aannemelijk maakt dat hij een zwaarwegend belang heeft zich op die
                                plaats of in het gebied op te houden.</al></li></lijst><al/><al><vet><vet>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie
                                e.d.</vet></vet></al><al/><al><vet><vet> Paragraaf 1: Begripsomschrijvingen </vet></vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: </al><al>a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele
                        handelingen met een ander tegen vergoeding; </al><al>b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van
                        seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; </al><al>c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                        bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele
                        handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard
                        plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een
                        prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al
                        dan niet in combinatie met elkaar; </al><al>d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                        prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt
                        uitgeoefend; </al><al>e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                        hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren
                        plegen te worden verkocht of verhuurd; </al><al>f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                        rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot
                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde
                        natuurlijke persoon of personen; </al><al>g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke
                        feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; </al><al>h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering
                        van: </al><al>1. de exploitant; </al><al>2. de beheerder; </al><al>3. de prostituee; </al><al>4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; </al><al>5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2; </al><al>6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende
                        redenen noodzakelijk is. </al><al/><al><vet>Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college
                        of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                        behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de
                        burgemeester. </al><al/><al><vet>Artikel 3.1.3 Nadere regels</vet></al><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het college
                        over de uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels
                        vaststellen. </al><al/><al><vet>Paragraaf 2: Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                            dergelijke</vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen</vet></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                geval vermeld: </al><al>a. de persoonsgegevens van de exploitant; </al><al>b. de persoonsgegevens van de beheerder; en </al><al>c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; </al><al>d. de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door
                                middel van een situatietekening met een schaal van ten minste 1 :
                                1000; </al><al>e. een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer
                                van Koophandel; </al><al>f. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het
                                gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting of het
                                escortbedrijf.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder: </al><al>a. staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke
                                macht of de voogdij; </al><al>b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en </al><al>c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de
                                beheerder niet: </al><al>a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht
                                in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
                                artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; </al><al>b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door
                                een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; </al><al>c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: </al><al>1. bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; 2. de
                                artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a
                                (oud), 252, 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426,
                                429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; </al><al>3. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; </al><al>4. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                de kansspelen; </al><al>5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; </al><al>6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></li><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                gesteld: </al><al>a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76,
                                derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al><al> b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                straf.</al></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: </al><al>a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                van beslissing op de aanvraag van de vergunning; </al><al>b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                van de intrekking van deze vergunning.</al></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen
                                exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat
                                hem ter zake geen verwijt treft.</al></li><li nr="6."><al>Indien de exploitant een rechtspersoon is, dan geldt het bepaalde in
                                de vorige leden voor de natuurlijke persoon die tot
                                vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegd is.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                            sluiting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen of
                                in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het
                                bevoegd bestuursorgaan: </al><al>a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste of tweede
                                lid, geldende sluitingsuren vaststellen; </al><al>b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste
                                lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42
                                Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                            beheerder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                                zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde
                                exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. </al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien dat
                                in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden,
                                waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV
                                (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke
                                vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van
                                het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in
                                de Wet wapens en munitie; en b. geen prostitutie wordt uitgeoefend
                                door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. </al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 3.2.6 Straatprostitutie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen
                                dan wel aan te lokken: a. op of aan andere dan door het college
                                aangewezen wegen of gebieden; b. gedurende andere dan door het
                                college vastgestelde tijden. </al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. </al></li><li nr="3."><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen
                                kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de
                                wegen en tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven
                                zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. </al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid,
                                genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is
                                gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich
                                gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van
                                vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in
                                het eerste lid. </al></li><li nr="5."><al>De burgemeester beperkt het in het vijfde lid genoemde verbod indien
                                dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene
                                noodzakelijk is. </al></li><li nr="6."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vijfde lid. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3.2.7 Sekswinkels</vet></al><al> Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                        sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare
                        orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de
                        gemeente. </al><al/><al><vet>Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                            erotischpornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                                stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard
                                openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: </al><al>a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in
                                gevaar brengt; </al><al>b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                                regels. </al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het
                                tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften,
                                aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen,
                                die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld
                                in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. </al><al/></li></lijst><al><vet>Paragraaf 3: Beslissingstermijn; weigeringsgronden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn</vet></al><al> 1. Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                        vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de
                        dag waarop de aanvraag ontvangen is. </al><al>2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken
                        verdagen. </al><al/><al><vet>Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt geweigerd
                                indien:</al><al> a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                3.2.2 gestelde eisen; </al><al>b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; </al><al>c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met
                                artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of
                                krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                bepaalde.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel de
                                aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6, eerste lid, kan
                                worden geweigerd: </al><al>a. in het belang van de openbare orde; </al><al>b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; </al><al>c. in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van de
                                woon- en leefklimaat; </al><al>d. in het belang van de veiligheid van personen of goederen; </al><al>e. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; </al><al>f. in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; </al><al>g. in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                prostituee.</al><al/></li></lijst><al><vet>Paragraaf 4: Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting
                                of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 3.4.2 Wijziging beheer</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, onder
                                b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk
                                heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het
                                bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien
                                het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft
                                besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het
                                beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid,
                                aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></li></lijst><al/><al><vet>Paragraaf 5: Overgangsbepaling (Vervallen)</vet></al><al/><al><vet><vet>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg
                                voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</vet></vet></al><al/><al><vet><vet>Afdeling 1: Geluid- en lichthinder</vet></vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><al>a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; </al><al>b. inrichting: een inrichting als bedoeld in het Besluit; </al><al>c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider,
                        beheerder of anderszins een inrichting drijft; </al><al>d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een
                        klein aantal inrichtingen is verbonden; </al><al>e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan
                        één of een klein aantal inrichtingen. </al><al/><al><vet>Artikel 4.1.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De waarden genoemd in artikel 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit
                                gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen
                                collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen
                                of dagdelen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 4.113 van het Besluit geldt niet voor door het college per
                                kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de
                                daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></li><li nr="3."><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan
                                het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer
                                gebiedsdelen van de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs
                                niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve
                                festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4.1.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de voorschriften
                                2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn mits de
                                houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van
                                de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij 4.113 van het
                                Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten
                                minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                daarvan in kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                kennisgeving.</al></li><li nr="4."><al>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het
                                formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd
                                op de plaats op dat formulier vermeld.</al></li><li nr="5."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele
                                festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond
                                toestaat.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.1.4 Verboden incidentele festiviteiten</vet></al><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten,
                        feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het
                        organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn
                        oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of
                        openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.</al><al/><al><vet>Artikel 4.1.5 Overige geluid- en lichthinder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden toestellen, machines, licht- of geluidsapparaten in
                                werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze
                                dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluid- en/ of
                                lichthinder wordt veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt ook voor handelingen
                                en/of verrichtingen in de openlucht.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen waarbij zij
                                terreinen of wateren kunnen aanwijzen waar het verbod als bedoeld in
                                het eerste lid niet van toepassing is of waarin wordt bepaald voor
                                welke categorieën toestellen, machines of apparaten het verbod niet
                                geldt of onder beperkingen van nadere voorschriften niet geldt.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt niet, voor zover de op de Wet milieubeheer
                                gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet
                                1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet,
                                het Reglement verkeerstekens en verkeersregels 1990 of het
                                Vuurwerkbesluit of de Wet milieugevaarlijke stoffen van toepassing
                                zijn.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 2: Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 4.2.1 Straatvegen (Vervallen)</vet></vet></al><al/><al><vet>Artikel 4.2.2 Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al>Vervallen (ingetrokken bij besluit van 17 december 2015, Z75100/
                        Raad-00083/9)</al><al/><al><vet>Artikel 4.2.3 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare
                            riolen en putten buiten gebouwen</vet></al><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
                        mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de
                        veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de
                        gebouwen of voor anderen. </al><al/><al><vet>Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden</vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 4.3.1 Begripsomschrijvingen</vet></vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><al>a. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede
                                van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het
                                maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van
                                de dikste stam. In het kader van een herplant- of
                                instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld en maatregelen
                                genomen worden voor bomen kleiner dan 10 cm dwars- doorsnede op 1,3
                                meter boven maaiveld;</al><al> b. houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een
                                grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken of een beplanting
                                van bosplantsoen; </al><al>c. hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld,
                                opnieuw op de stronk uitlopen; </al><al>d. dunning: een velling, die uitsluitend als een
                                verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de
                                overblijvende houtopstand moet worden beschouwd en waarbij het
                                natuurlijk verloop van het desbetreffende milieu in stand blijft; </al><al>e. knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen
                                van uitge lopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of
                                leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; </al><al>f. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet; </al><al>g. boomwaarde: het getal dat wordt gevonden door het product van de
                                volgende factoren: </al><al>- de oppervlakte in cm2 van de dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het
                                maaiveld; </al><al>- de geïndexeerde eenheidsprijs per cm2; </al><al>- de standplaatswaarde; </al><al>- de conditiewaarde; </al><al>- de waarde van de plantwijze; </al><al>h. tuin: een bij een woning binnen de bebouwde kom of tot het erf
                                van een boerderij behorend omsloten stuk grond met gazon en/of
                                bloemperken gazon en/of bloemperken en/of sierheesters en/of
                                bomen.</al></li><li nr="2."><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien, met
                                inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen,
                                zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging
                                of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4.3.2 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstand</vet></al><al>Vervallen (ingetrokken bij besluit van 17 december 2015, Z75100/
                        Raad-00083/9)</al><al/><al><vet>Artikel 4.3.3 Aanvraag vergunning</vet></al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>Artikel 4.3.4 Weigeringsgronden</vet></al><al>Vervallen (ingetrokken bij besluit van 17 december 2015, Z75100/
                        Raad-00083/9)</al><al/><al><vet>Artikel 4.3.5 Standaardvoorwaarde van niet gebruik</vet></al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>Artikel 4.3.6 Gevaarzetting</vet></al><al>Vervallen </al><al/><al><vet>Artikel 4.3.7 Bijzondere vergunningsvoorschriften</vet></al><al>Vervallen (ingetrokken bij besluit van 17 december 2015, Z75100/
                        Raad-00083/9)</al><al/><al><vet>Artikel 4.3.8 Herplant-/instandhoudingsplicht</vet></al><al>Vervallen (ingetrokken bij besluit van 17 december 2015, Z75100/
                        Raad-00083/9)</al><al/><al/><al><vet>Artikel 4.3.9 Schadevergoeding</vet></al><al>Vervallen</al><al/><al/><al><vet>Artikel 4.3.10 Afstand tot de erfgrenslijn</vet></al><al>De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt
                        vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.
                        </al><al/><al><vet>Artikel 4.3.11 Bestrijding van iepziekte</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel verstaat onder: a. iepziekte: de aantasting van iepen
                                door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis
                                ulmi (Buism.) C. Moreau); b. iepenspintkever: het insekt, in elk
                                ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus
                                (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.</al></li><li nr="2."><al>Indien zich op een terrein één of meer iepen bevinden die naar het
                                oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van
                                de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de
                                rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is
                                aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen
                                termijn: </al><al>a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; </al><al>b. de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen; </al><al>c. de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig
                                te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
                                voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>a. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in
                                voorraad te hebben of te vervoeren; </al><al>b. het verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en
                                op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter; </al><al>c. het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het onder a. van
                                dit lid gestelde verbod.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 4.3.12 Verhouding tussen kap-, bouw- en
                            aanlegvergunningen</vet></al><al>Vervallen </al><al/><al><vet>Artikel 4.3.13 Bijzondere bomen</vet></al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>Afdeling 4: Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 4.4.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                enz.</vet></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen
                                aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel
                                voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of
                                meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen
                                op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met
                                inachtneming van de door hen gestelde regels: </al><al>a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; </al><al>b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; </al><al>c. caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke,
                                gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien
                                het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
                                verhuur of anderszins voor een commercieel doel; </al><al>d. mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen; </al><al>e. afvalstoffen;</al><al> f. autowrakken.</al></li><li nr="2."><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door
                                hem aangeduide voorwerp of stof: </al><al>a. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel </al><al>b. op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met
                                inachtneming van de door hen gestelde regels.</al></li><li nr="4."><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke
                                Ordening, de Verordening bedrijfsafvalstoffen Gelderland, het
                                Besluit Beheer Autowrakken of de Verordening
                                grondwater-beschermingsgebieden Gelderland.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4.4.1a Stankoverlast door gebruik van meststoffen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel verstaat onder: </al><al>a. meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de
                                Meststoffenwet; </al><al>b. emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze die
                                is aangegeven in de bij het Besluit gebruik Meststoffen behorende
                                bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e
                                gelezen moet worden: 'tijdens het uitrijden van de mest deze
                                gelijktijdig wordt ondergewerkt; </al><al>c. grond: bouwland, maïsland en grasland.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is het
                                verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te brengen, te
                                doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, zondag en op de
                                volgende feest- en gedenkdagen: nieuwjaarsdag, de eerste en tweede
                                paasdag, de dag waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd,
                                hemelvaartsdag, de eerste en tweede pinksterdag en de eerste en
                                tweede kerstdag.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voor
                                zover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt
                                aangewend. </al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid
                                gestelde verboden. </al></li><li nr="5."><al>Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in volledig
                                gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat
                                verkeren.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4.4.2 Voeren van handelsreclame</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.
                            </al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte: </al><al><vet>a.</vet> opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het
                                inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk
                                gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg;</al><al><vet>b.</vet> opschriften of aankondigingen op of aan onroerende
                                zaken, daartoe aangewezen door de overheid; </al><al><vet>c.</vet> opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en
                                de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: - een
                                openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of
                                verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij
                                feitelijke betekenis hebben; - het beroep, de dienst of het bedrijf
                                dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die
                                zaak is bestemd; </al><al><vet>d.</vet> opschriften die betrekking hebben op de naam of aard
                                van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die
                                bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn,
                                mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in
                                uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke
                                betekenis hebben; </al><al><vet>e.</vet> opschriften of aankondigingen op of aan onroerende
                                zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn
                                aangebracht ten dienste van dat vervoer. </al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of
                                aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij
                                feitelijke betekenis hebben, mits: </al><al><vet>a.</vet> van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk
                                kennisgeving is gedaan aan het bevoegd gezag; </al><al><vet>b.</vet> het bevoegd gezag niet binnen twee weken na ontvangst
                                van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken; </al><al><vet>c.</vet> deze opschriften of aankondigingen niet langer dan
                                negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. </al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt eveneens niet voor door het
                                college aan te wijzen categorieën handelsreclame op of aan een
                                onroerende zaak. </al></li><li nr="5."><al>Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als
                                bedoeld in het tweede, derde en vierde lid de veiligheid van het
                                verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te
                                veroorzaken. </al></li><li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod. </al></li><li nr="7."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale
                                landschapsverordening.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4.4.3. Besmeuren van de rijbaan</vet></al><al>Degene die werkzaamheden verricht, evenals degene die daartoe opdracht heeft
                        gegeven, waardoor vervuiling op het wegdek ontstaat of kan ontstaan is
                        verplicht:</al><lijst><li nr="1."><al>voor aanvang van de werkzaamheden de weggebruikers te attenderen op
                                mogelijk vervuilde weg door het plaatsen van borden slipgevaar.
                            </al></li><li nr="2."><al>tijdens de werkzaamheden, indien de weg wordt verontreinigd waardoor
                                direct gevaar voor medeweggebruikers ontstaat, de weg direct te
                                reinigen of te doen reinigen;</al></li><li nr="3."><al>direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de weg direct te
                                reinigen of te doen reinigen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen</vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 4.5.1 Begripsomschrijving</vet></vet></al><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen of
                        voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de
                        Woningweg is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of
                        kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf (tent, tentwagen,
                        kampeerwagen en caravan). </al><al/><al><vet>Artikel 4.5.2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of
                                mede bestemd.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het eerste
                                lid.</al></li><li nr="3."><al>De ontheffing kan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare
                                orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. de
                                verkeersveiligheid of de veiligheid van personen en goederen; d. de
                                zedelijkheid of gezondheid; e. de bescherming van natuur en
                                landschap; f. de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4.5.3 Aanwijzing kampeerplaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel
                                4.5.2. eerste lid niet geldt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de
                                gronden, genoemd in artikel 4.5.2. derde lid.</al><al/></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                            gemeente</vet></al><al/><al><vet><vet>Afdeling 1: Parkeerexcessen</vet></vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen</vet></vet>In deze afdeling
                        wordt verstaan onder: </al><al>a. weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de
                        Wegenverkeerswet 1994; </al><al>b. voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>fietsen, bromfietsen;</al></li><li nr="3."><al>invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en
                                verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen,
                                rolstoelen;</al></li></lijst><al>c. parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan gedurende de
                        tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of
                        uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van
                        goederen. </al><al/><al><vet>Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte
                                van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te
                                verhuren of te verhandelen, verboden: </al><al>a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter
                                met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel</al><al> b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li><li nr="2."><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: a.
                                het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het
                                gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen
                                betaling.</al></li><li nr="3."><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: </al><al>a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende
                                de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; </al><al>b. voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste
                                lid genoemde persoon.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.2a Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan de weg een voertuig te parkeren met het
                                kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen</vet></al><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te
                        verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie
                        achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. </al><al/><al><vet>Artikel 5.1.4 Voertuigwrakke</vet><vet>n</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                hebben.</al></li><li nr="2."><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in
                                onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk
                                verwaarloosde toestand verkeert.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.5 Caravans e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper,
                                magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig
                                dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor
                                andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd: </al><al>a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te
                                hebben op een door het college aangewezen weg of openbare grond,
                                waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de
                                verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het
                                uiterlijk aanzien van de gemeente; </al><al>b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit
                                naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente en/of hinderlijk voor anderen en de verkeersveiligheid in
                                gevaar brengt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Gelders
                                Wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van
                                handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om
                                daarmee handelsreclame te maken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar
                                dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
                                de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het
                                college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                parkeerruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van
                                maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden
                                ontheffing verlenen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.8 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het
                                uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke
                                wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt
                                aangedaan.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5.1.9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                            stoffen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te
                                parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of
                                terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5.1.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan
                                wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een
                                van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing: a. op wegen, zoals bedoeld in
                                artikel 5.1.1, onder a; b. op voertuigen die nodig zijn en gebruikt
                                worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid;
                                c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5.1.11 Overlast van fiets of bromfiets</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het
                                belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de
                                openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                verkeren, op de weg te laten staan.</al></li></lijst><al/><al><vet>Afdeling 1A Bescherming monumenten</vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 5.1A.1 Bescherming monumenten</vet></vet></al><lijst><li nr="1."><al>a. Het is verboden motorvoertuigen, vrachtauto’s, autobussen,
                                aanhangwagens en andere voertuigen te parkeren in het stadje
                                Bronkhorst binnen het door het college vast te stellen gebied; </al><al>b. het onder a genoemde verbod geldt niet op zondag en op de
                                volgende feestdagen: nieuwjaarsdag, tweede paasdag, hemelvaartsdag,
                                tweede pinksterdag en de eerste en tweede kerstdag gedurende een
                                kwartier voor tot een kwartier na de kerkdienst in de kapel te
                                Bronkhorst.</al></li><li nr="2."><al>Het in het vorige lid genoemde verbod geldt niet voor houders van
                                een gehandicaptenparkeerkaart.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan op een daartoe strekkend verzoek van het onder 1a
                                gestelde verbod ontheffing verlenen:</al><al> a. aan inwoners van het stadje Bronkhorst; </al><al>b. aan instellingen, bedrijven en personen in de dienstverlenende
                                sector. De instellingen, bedrijven en personen moeten aantonen dat
                                zij voor de uitoefening van hun beroep of bedrijf regelmatig met hun
                                voertuig van de ontheffing gebruik dienen te maken. </al><al>c. Voor 1 dag aan instellingen, bedrijven en personen in de
                                dienstverlenende sector, welke ten behoeve van de uitoefening van
                                hun beroep of bedrijf incidenteel met hun voertuig in het stadje
                                Bronkhorst moeten zijn.</al></li><li nr="4."><al>De houder van de ontheffing dient het bij de ontheffing gevoegde
                                vignet op een duidelijk zichtbare plaats achter de voorruit van het
                                motorvoertuig aan te brengen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Afdeling 2: Collecteren, venten en standplaatsen </vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goederen </vet></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te
                                houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. </al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het
                                bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                diensten aanvaarden van geld of goederen, te kennen geven of de
                                indruk wekken dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig
                                of ideëel doel is bestemd. </al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                gehouden wordt.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt eveneens niet voor: </al><al><vet>a.</vet> een inzameling die geschiedt door een organisatie die
                                beschikt over een CBF-keur, CBF-certificaat, verklaring van geen
                                bezwaar van het CBF of anderszins positief bekend is bij het
                                CBF;</al><al><vet>b. </vet>een inzameling die geschiedt door een plaatselijke
                                vereniging of stichting voor zover deze krachtens statuten en
                                activiteiten een doel nastreeft dat van algemeen (gemeenschappelijk)
                                belang is. </al></li><li nr="5."><al>Het is de in het vierde lid genoemde organisaties slechts toegestaan
                                geld of goederen in te zamelen of daartoe een intekenlijst aan te
                                bieden: </al><al><vet>a. </vet>van maandag tot en met zaterdag tussen 9:00 uur en
                                21:00 uur; <vet>b.</vet> op zondagen tussen 13:00 en 21:00 uur;
                                </al><al><vet>c.</vet> door personen van 16 en ouder die zich ten alle tijden
                                kunnen legitimeren. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5.2.2 Venten e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening
                                van de ambulante handel op of aan de weg of aan een openbaar water,
                                aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking
                                - voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats
                                goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven dan wel
                                diensten aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, openbare
                                veiligheid of de volksgezondheid in gevaar komt. </al></li><li nr="3."><al>Het is verboden te venten: </al><al><vet>a. </vet>van maandag tot en met zaterdag vóór 9:00 uur en na
                                21:00 uur; <vet>b.</vet> op zondagen vóór 13:00 en na 21:00
                                uur;</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt niet: </al><al><vet>a.</vet> ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of
                                afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of
                                gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                van de Grondwet; </al><al><vet>b.</vet> voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren
                                van goederen door - of door huisgenoten of personeel van - hem die
                                dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in artikel 1
                                van de Winkeltijdenwet; </al><al><vet>c.</vet> voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op
                                de plaats die is aangewezen voor het houden van een markt, zulks
                                gedurende de tijden waarop die markt gehouden wordt; </al><al><vet>d.</vet> voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                goederen op een standplaats bedoeld in artikel 5.2.3. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5.2.3 Standplaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste
                                plaats op of aan de weg of op een andere voor publiek toegankelijke
                                en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of
                                afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of
                                diensten al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een
                                kraam, een wagen of een tafel.</al></li><li nr="2."><al>Onder standplaats wordt niet verstaan: </al><al><vet>a. </vet>vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld
                                in artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet; </al><al><vet>b.</vet> vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel
                                2.2.1 van deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in
                                te nemen of te hebben.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan typen standplaatsen aanwijzen waarvoor het verbod
                                uit het derde lid niet geldt.</al></li><li nr="5."><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan, dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als bedoeld in het
                                eerste lid. </al></li><li nr="6."><al>Het in het derde lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van het
                                uitgestald hebben van gedrukte of geschreven stukken waarin
                                gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7,
                                eerste lid, van de Grondwet. </al></li><li nr="7."><al>Een vergunning kan worden geweigerd: </al><al><vet>a.</vet> in het belang van de openbare orde; </al><al><vet>b.</vet> in het belang van het voorkomen of beperken van
                                overlast; </al><al><vet>c.</vet> indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in
                                verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                welstand; </al><al><vet>d.</vet> in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;
                                </al><al><vet>e.</vet> wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is
                                dat door het verlenen van de vergunning een redelijk
                                verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;
                                    <vet>f.</vet> vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan;
                            </al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al><vet>a. </vet>Het verbod in het derde lid geldt niet voor zover in
                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement. </al></li><li nr="2."><al><vet>b. </vet>De weigeringsgrond van het zevende lid, onder b, geldt
                                niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                door de Wet milieubeheer. </al></li><li nr="3."><al><vet>c. </vet>De weigeringsgrond van het zevende lid, onder c, geldt
                                niet voor bouwwerken. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5.2.4 Snuffelmarkten e.d (Vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Afdeling 3: Openbaar water</vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 5.3.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</vet></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden
                                zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een
                                vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen
                                of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen
                                waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop
                                gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving,
                                constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de
                                bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig
                                gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig
                                beheer en onderhoud van het openbaar water.</al></li><li nr="4."><al>De verboden in het eerste en derde lid gelden niet voor zover in de
                                daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
                                de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de
                                daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5.3.2 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                water.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                                een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het
                                eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a. nadere regels
                                stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid,
                                veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b.
                                beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
                                de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale
                                landschapsverordening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.3 Aanwijzingen ligplaats</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2 bepaalde
                                kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen
                                geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een
                                ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid,
                                veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege
                                het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen,
                                veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de
                                daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
                                de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale
                                landschapsverordening.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5.3.4 Verbod innemen ligplaats</vet></al><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te
                        stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.3.2, tweede lid, en 5.3.3
                        bepaalde. </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.5 Beschadigen van waterstaatswerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te
                                brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten,
                                havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen,
                                oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen,
                                gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of
                                de Provinciale vaarwegenverordening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.6 Reddingsmiddelen</vet></al><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij
                        het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor
                        dadelijk gebruik ongeschikt te maken. </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.7 Veiligheid op het water</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar
                                water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het
                                scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.8 Overlast aan vaartuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                daarin te begeven of te bevinden.</al></li><li nr="2."><al> Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 4: Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                            natuurgebieden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.4.1 Crossterreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op enig terrein: </al><al>a. geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1,
                                onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i
                                van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een
                                wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een
                                trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan
                                deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben; </al><al>b. honden en katten af te richten als bedoeld in artikel 2 van de
                                Wet op de Dieren- bescherming.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van
                                toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van
                                deze terreinen: </al><al>a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; </al><al>b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; </al><al>c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan
                                wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                Besluit geluidproductie sportmotoren of de Wet op de
                                Dierenbescherming.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden,
                                parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen
                                te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in
                                artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,
                                een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een
                                paard.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid
                                gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels
                                stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: a. in het
                                belang van het voorkomen van overlast; b. in het belang van de
                                bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. in het belang van de
                                veiligheid van het publiek.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                paarden: </al><al>a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening
                                en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement
                                verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer
                                en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; </al><al>b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen; </al><al>c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk
                                voorschrift moeten worden uitgevoerd; </al><al>d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen
                                gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen; </al><al>e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van
                                de onder d bedoelde personen.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: </al><al>a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                Wegenverkeerswet 1994; </al><al>b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen
                                als 'toestel'.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 5: Verbod vuur te stoken</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.5.1 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                            anderszins vuur te stoken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                                inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur
                                aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover het betreft: </al><al>a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; </al><al>b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                afvastoffen worden verbrand; </al><al>c. vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar,
                                overlast of hinder voor de omgeving oplevert.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>De ontheffing kan worden geweigerd: </al><al>a. in het belang van de openbare orde en veiligheid; </al><al>b. ter bescherming van de woon- en leefomgeving; </al><al>c. ter bescherming van de flora en de fauna; </al><al>d. op grond van artikel 8.63 van de Wet milieubeheer.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt
                                voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek
                                van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 6: Verstrooiing van as</vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 5.6.1 Begripsomschrijving</vet></vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het
                        verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de
                        overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe
                        bestemd terrein. </al><al/><al><vet>Artikel 5.6.2 Verboden plaatsen</vet></al><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><lijst><li nr="1."><al>a. verharde delen van de weg; </al><al>b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn
                                wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid
                                asverstrooiing plaatsvindt.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de
                                asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van
                                het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke
                                begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 5.6.3 Hinder of overlast</vet></al><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                        overlast wordt veroorzaakt voor derden. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 6.1 Strafbepaling</vet></vet>Overtreding van het bij of
                        krachtens de in deze verordening opgenomen artikelen bepaalde en de op grond
                        van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft
                        met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                        categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de
                        rechterlijke uitspraak. </al><al/><al><vet>Artikel 6.2 Toezichthouders</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de politieambtenaren;</al></li><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 6.3 Binnentreden woningen</vet></al><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing
                        van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                        voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                        veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn
                        bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de
                        bewoner.</al><al/><al><vet>Artikel 6.4 Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2012.</al><al/><al><vet>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</vet></al><al>Aanvragen om een vergunning als bedoeld in de artikelen 2.1.5.2, 4.3.2 en
                        4.4.2 die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze
                        wijzigingsverordening worden afgehandeld volgens het recht zoals dat gold
                        vóór het tijdstip waarop artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht in werking is getreden.</al><al/><al><vet>Artikel 6.6 Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Algemene Plaatselijke Verordening
                        Bronckhorst 2011”.</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Bronckhorst in zijn openbare
                        vergadering van 26 oktober 2011,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>G.J. Mugge H.A.J. Aalderink</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Bronckhorst/i68105.pdf">Toelichting Apv 2011</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>