<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR119725_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Onderwijshuisvesting</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Noorderkrant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Onderwijshuisvesting</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 102 Wet op het primair onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-11-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-12-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Aanpassing</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      VERORDENING VOORZIENINGEN HUISVESTING ONDERWIJS GEMEENTE TEN BOER
            2010
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>minister : de minister van Onderwijs, Cultuur en
                                    Wetenschappen</al></li>
              <li nr="b."><al>bevoegd gezag : bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school,
                                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li>
              <li nr="c."><al>school : school voor basisonderwijs</al></li>
              <li nr="d."><al>- school voor basisonderwijs : een basisschool of een speciale
                                    school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                                    op het primair onderwijs;</al></li>
              <li nr="e."><al>nevenvestiging : deel van een school dat door de minister
                                    ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs voor
                                    bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li>
              <li nr="f."><al>voorziening : een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                    bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li>
              <li nr="g."><al>programma : het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening;</al></li>
              <li nr="h."><al>overzicht : het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li>
              <li nr="i."><al>aanvrager : het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding
                                    van een voorziening of voor vergoeding van de kosten van
                                    bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel 25
                                    van deze verordening heeft ingediend;</al></li>
              <li nr="j."><al>aanvraag : verzoek om vergoeding van een voorziening of om
                                    vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding;</al></li>
              <li nr="k."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening : voorziening in de huisvesting die, volgens de
                                    uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze
                                    verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk is;</al></li>
              <li nr="l."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening : voorziening in de huisvesting die, volgens de
                                    uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze
                                    verordening, niet langer dan 15 jaren noodzakelijk is;</al></li>
              <li nr="m."><al>permanent gebouw : schoolgebouw dat door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    60 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li>
              <li nr="n."><al>noodlokaal : verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li>
              <li nr="o."><al>gymnastiekruimte : ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening;</al></li>
              <li nr="p."><al>advies Onderwijsraad : een advies van de Onderwijsraad over de
                                    vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                    richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel
                                    95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op
                                    de expertisecentra, artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                    onderwijs;</al></li>
              <li nr="q."><al>verhuur : het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li>
              <li nr="r."><al>gezamenlijke akte : de akte als bedoeld in artikel 110 van de
                                    Wet op het primair onderwijs;</al></li>
              <li nr="s."><al>beslissing gedeputeerde staten : de beslissing van gedeputeerde
                                    staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van
                                    de Wet op het primair onderwijs;</al></li>
              <li nr="t."><al>eigendomsoverdracht : de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de</al><al> Wet op het primair onderwijs.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel>
            </kop>
            <al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><lijst>
                  <li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke
                                            vervanging van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie;</al></li>
                  <li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest;</al></li>
                  <li nr="3."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                            gebouw ten behoeve van de</al><al> huisvesting van een school;</al></li>
                  <li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                            behoeve van de huisvesting van een school;</al></li>
                  <li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor de realisering van een
                                            onder a sub 1º tot en met 4º</al><al> omschreven voorziening;</al></li>
                  <li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                            hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor
                                            bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                            gebracht en inrichting met onderwijsleerpakket of met
                                            leer- en hulpmiddelen indien de aanschaf door
                                            samenvoeging van twee of meer scholen noodzakelijk
                                            is;</al></li>
                  <li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                            aanmerking is gebracht;</al></li>
                  <li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
                                            medegebruik van een gymnastiekruimte;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
                                    zoals onderscheiden in</al><al> bijlage I;</al></li>
              <li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs
                                    bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in
                                    bijlage I;</al></li>
              <li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li>
              <li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    terrein en verdere opstallen, onderwijsleerpakket leer- en
                                    hulpmiddelen en meubilair ingeval van bijzondere
                                    omstandigheden;</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel>
            </kop>
            <al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a sub 1 en
                            2, kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen of bij
                                    toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                    artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van
                                    de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                    bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten
                                    per geval.</al></li>
              <li nr="2."><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                    inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De
                                    vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                    worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage
                                    IV, deel B.</al></li>
              <li nr="3."><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                    bedoeld in artikel 2, onder a</al><al> sub 1, 2, 6 en 7 en artikel 3.</al><al> Deel B van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                    bedoeld in artikel 2, onder a sub 3, 4, 5 en onder b, c, d, en
                                    f.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Informatieverstrekking</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                    verordening. </al></li>
              <li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                    gegevensverstrekking.</al></li>
              <li nr="3."><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door
                                    het college vastgesteld formulier.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Programma en overzicht</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.1</nr>
              <titel>Aanvragen programma</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6</nr>
                <titel>Indiening aanvraag</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het
                                        programma wordt voor 1 februari van het jaar van
                                        vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd
                                        gezag ingediend bij het college.</al></li>
                <li nr="2."><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste
                                        lid, neemt het college niet in behandeling. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>7</nr>
                <titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                behandelen onvolledige aanvraag</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li>
                    <li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing,
                                                het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                                bestemd;</al></li>
                    <li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li>
                    <li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening;</al></li>
                    <li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat
                                        de aanvraag vergezeld van:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen
                                                6. tot en met 8. en artikel 2, onder d, e en f;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een
                                                voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder
                                                a, onderdelen 1. tot en met 4.;</al></li>
                    <li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak
                                                blijkt, indien het een voorziening betreft bestaande
                                                uit:</al><al>1° nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                gebouw; </al><al>2° onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs
                                of;</al><al>3° herstel van een constructiefout.</al><al>Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
                                vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname'.</al></li>
                    <li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
                                        voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                        voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin van toepassing is;</al></li>
                    <li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                        indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                        vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld
                                        in artikel 27.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager voor <cursief>15
                                                  februari</cursief> schriftelijk op de hoogte van
                                                het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het
                                                eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot
                                                  <cursief>15 maart</cursief> in de gelegenheid
                                                gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.
                                                Indien de vereiste gegevens niet voor <cursief>15
                                                  maart</cursief> zijn verstrekt, neemt het college
                                                de aanvraag niet in behandeling.</al></li>
                <li nr="4."><al>Indien een door het college in behandeling genomen
                                                aanvraag betrekking heeft op een voorziening voor
                                                een school, waarvan de beoordeling van de noodzaak
                                                mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de
                                                betrokken school op de wettelijke teldatum van 1
                                                oktober van het jaar waarin de datum genoemd in
                                                artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager het college
                                                onverwijld een afschrift van de jaarlijkse opgave
                                                aan de minister van het aantal leerlingen dat op de
                                                wettelijke teldatum staat ingeschreven op de
                                                betrokken school. Indien het college het afschrift
                                                niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft
                                                ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee
                                                aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de
                                                gelegenheid gesteld het afschrift binnen drie dagen
                                                na de datum van ontvangst van de mededeling in te
                                                dienen bij het college. Indien het afschrift niet
                                                binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is
                                                verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                                behandeling.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>8</nr>
                <titel>Opgave ingediende aanvragen</titel>
              </kop>
              <al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft daarbij aan welke aanvraag
                                of aanvragen niet in behandeling worden genomen.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.2</nr>
              <titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>9</nr>
                <titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader
                                        toe te lichten.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                        aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in
                                        artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en
                                        het college van oordeel is dat de door de aanvrager
                                        overgelegde kostenbegroting dient te worden aangepast. Het
                                        college geeft in het voorstel tot vaststelling van het
                                        bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in
                                        paragraaf 2.3, onder vermelding van de redenen, aan wanneer
                                        er in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de
                                        hoogte van het geraamde bedrag. Het college geeft in dit
                                        voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan,
                                        waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij
                                        de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>10</nr>
                <titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht
                                        vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg
                                        in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen
                                        inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor
                                        15 september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste
                                        twee weken voor de door het college vastgestelde datum
                                        schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het
                                        overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel. Zij
                                        worden hierbij tevens in kennis gesteld van de voorgenomen
                                        inhoud van het voorstel.</al></li>
                <li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede
                                        lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken
                                        aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het
                                        overleg hiervan in kennis.</al></li>
                <li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                        bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van
                                        de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte
                                        zienswijzen en van de reactie van het college op deze
                                        zienswijzen. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde
                                        gezagsorganen.</al></li>
                <li nr="5."><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                        Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, maakt
                                        dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eerste
                                        lid.</al><al> Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde
                                        omschrijving van de onderwerpen waarover het advies van de
                                        Onderwijsraad wordt verwacht.</al><al> Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen deze
                                        onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                        inrichting.</al></li>
                <li nr="6."><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                        overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren
                                        te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad.
                                        Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar
                                        voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag
                                        van het overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></li>
                <li nr="7."><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                        Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                        beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk
                                        verslag van het overleg.</al></li>
                <li nr="8."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel
                                        of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad
                                        zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college bij de toezending van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader
                                        overleg.</al><al> In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                        bestuurlijk overleg over het advies van </al><al> de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan
                                        bij de toezending van het afschrift </al><al> van het advies van de Onderwijsraad. </al></li>
                <li nr="9."><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                        twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                        Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college
                                        maakt van dit overleg een verslag en voegde toe aan het
                                        verslag als bedoeld in het vierde lid.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.3</nr>
              <titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>11</nr>
                <titel>Tijdstip vaststelling</titel>
              </kop>
              <al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding
                                van de aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan
                                worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per
                                voorziening. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>12</nr>
                <titel>Inhoud programma</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op
                                        het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan
                                        worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft
                                        vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                        voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                        toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het
                                        programma. Daarbij past het college de regels toe met
                                        betrekking tot: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage
                                                I;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;
                                            </al></li>
                    <li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                                bedoeld in bijlage III. Van de voor plaatsing op het
                                                programma in aanmerking komende voorzieningen neemt
                                                het college, aan de hand van de urgentiecriteria als
                                                bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op
                                                in het programma voor zover het bedrag of de
                                                deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
                                                toereikend zijn. </al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan
                                        het college de raad verzoeken bij de vaststelling van het
                                        programma af te mogen wijken van de urgentiecriteria als
                                        bedoeld in bijlage V. </al></li>
                <li nr="3."><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                        wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                        aangegeven: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV,
                                                deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar
                                                wordt gesteld;</al></li>
                    <li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                                laatste volzin;</al></li>
                    <li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                                buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>13</nr>
                <titel>Inhoud overzicht</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet
                                        op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></li>
                <li nr="2."><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                        voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>14</nr>
                <titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond, programma
                                en overzicht</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                        bekostigingsplafond, het programma en het overzicht
                                        geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling
                                        door toezending door het college van de besluiten aan de
                                        aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het
                                        college schriftelijk mededeling over de besluiten aan de
                                        overige bevoegde gezagsorganen.</al></li>
                <li nr="2."><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden
                                        tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2.4</nr>
              <titel>Uitvoering programma</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>15</nr>
                <titel>Overleg wijze van uitvoering</titel>
              </kop>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt
                                        het college in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                        uitvoering van de op het programma geplaatste
                                        voorziening.</al><al> In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is
                                        voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor
                                        zover van toepassing, afspraken gemaakt over:</al></li>
                <li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                            onderwijs<cursief>, </cursief>de Wet op de
                                        Expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li>
                <li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting
                                        door de aanvrager;</al></li>
                <li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                        inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li>
                <li nr="d."><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing
                                        van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in
                                        verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                        omstandigheden als bedoeld in artikel 16;</al></li>
                <li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over de
                                        besteding van de beschikbaar te stellen middelen.</al></li>
                <li nr="2."><al> Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van
                                        een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin, dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de
                                        aanbesteding van de uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij
                                        worden, voor zover van toepassing, gezien de aard van de
                                        voorziening, de gestelde richtlijnen als bedoeld in bijlage
                                        IV, deel B in acht genomen. </al></li>
                <li nr="3."><al> De inhoud van de afspraken of de constatering dat het
                                        overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het
                                        college schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen
                                            <cursief>vier weken</cursief> na afloop van het overleg
                                        ter kennis van de aanvrager brengt. Indien de aanvrager
                                        schriftelijk instemt met het verslag of binnen <cursief>twee
                                            weken</cursief> na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                        gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                        vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                        overeenstemming te zijn bereikt.</al></li>
                <li nr="4."><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                        16, vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                        overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                        beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                        aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het
                                verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager.
                                Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de
                                voorziening geen aanvang zal nemen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>16</nr>
                <titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging;
                                toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                omstandigheden; overlegging offertes.</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><al>1.Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde
                                        lid is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een
                                        bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de
                                        desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip
                                        waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                                        instemming in bij het college.</al></li>
                <li nr="2."><al>Binnen <cursief>zes weken</cursief> na ontvangst van de
                                        stukken beslist het college over de instemming met</al><al> de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip
                                        waarop de bekostiging een </al><al> aanvang neemt.</al><al> Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager,
                                        deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet binnen
                                        deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn
                                        verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de
                                        bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven
                                        tijdstip.</al></li>
              </lijst>
              <al>Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende
                                begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt,
                                binnen <cursief>twee weken</cursief> na de datum van de beslissing
                                schriftelijk mee aan de aanvrager.</al>
              <lijst>
                <li nr="3."><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                        college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin
                                        de school verkeert ten opzichte van de feiten en
                                        omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
                                        programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een
                                        naar oordeel van het college ingrijpende wijziging van de
                                        feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet
                                        voor bekostiging in aanmerking.</al></li>
                <li nr="4."><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                        begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of
                                        krachtens de wet gestelde voorschriften en de toetsing of er
                                        sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen
                                        achterwege blijven, als dat naar het oordeel van het college
                                        niet noodzakelijk is, gezien de inhoud van de in het
                                        programma opgenomen voorziening.</al><al> Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                        overleg als bedoeld in artikel 15.</al></li>
                <li nr="5."><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                        begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft
                                        van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin.</al><al> De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid
                                        betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan.
                                        Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li>
                <li nr="6."><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                        bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin heeft
                                        ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15,
                                        tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte
                                        offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college
                                        beslist binnen vier weken na ontvangst van de offertes over
                                        het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de
                                        uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
                                        bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen
                                            <cursief>twee weken</cursief> na de datum van deze
                                        beslissing hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Voor de
                                        vaststelling van het definitieve bedrag is de offerte met de
                                        laagste prijsstelling bepalend.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>17</nr>
                <titel>Aanvang bekostiging</titel>
              </kop>
              <al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. </al>
              <al>De beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een
                                zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het
                                programma geplaatste voorziening. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>18</nr>
                <titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt,
                                        indien de aanvrager niet vóór <cursief>1 oktober</cursief>
                                        van het jaar volgend op de vaststelling van het programma
                                        een bouwopdracht heeft verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                        erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een afschrift hiervan
                                        niet voor <cursief>15 oktober</cursief> daaropvolgend aan
                                        het college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde
                                        bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum
                                        van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal
                                        werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in
                                        de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn
                                        onherroepelijk. Een huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt
                                        de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de
                                        overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum van
                                        aankoop.</al></li>
                <li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                        veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet
                                        aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1
                                        september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot
                                        verlenging van de termijn, als bedoeld in het eerste lid,
                                        bij het college heeft ingediend.</al></li>
                <li nr="3."><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                        verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt
                                        ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum
                                        de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt
                                        verlengd.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.1</nr>
              <titel>Aanvraag</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>19</nr>
                <titel>Indiening aanvraag</titel>
              </kop>
              <al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>20</nr>
                <titel>Inhoud aanvraag</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld
                                        in artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de
                                        aanvrager de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                        voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon
                                        worden aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen
                                        programma;</al></li>
                    <li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school, die voldoet aan de in</al><al> bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                        betreft als bedoeld in artikel 2 </al><al> onder a, onderdelen 6º tot en met 8º en artikel 2 onder d,
                                        e en f;</al></li>
                    <li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien
                                        het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde
                                        lid, laatste volzin.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens
                                        als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen
                                        twee weken na datum van indiening van de aanvraag
                                        schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager
                                        wordt in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens
                                        binnen twee weken na ontvangst van de mededeling in te
                                        dienen bij het college.</al><al> Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet
                                        binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn heeft
                                        verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te
                                        behandelen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3.2</nr>
              <titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>21</nr>
                <titel>Tijdstip beslissing</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het college beslist binnen <cursief>vier weken</cursief> na
                                        ontvangst van de aanvraag of binnen <cursief>vier
                                            weken</cursief> nadat de aanvullende gegevens zijn
                                        verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen
                                            <cursief>twee weken</cursief> na de datum van de
                                        beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis
                                        gesteld doorhet college.</al></li>
                <li nr="2."><al>Indien een beschikking niet binnen <cursief>vier
                                            weken</cursief> kan worden gegeven, stelt het college de
                                        aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke
                                        termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
                                        gezien.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>22</nr>
                <titel>Inhoud beslissing</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het
                                        college heeft vastgesteld dat het treffen van de
                                        voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen
                                        uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                        voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                        toepassing is. </al><al> Bij deze vaststelling past het college de regels toe met
                                        betrekking tot:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li>
                    <li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                        bijlage III.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de
                                        gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde
                                        voorziening omvatten.</al></li>
                <li nr="3."><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                        bepaalde in bijlage IV, deel A voor de toegewezen
                                        voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het
                                        geraamde bedrag is indien het een voorziening betreft als
                                        bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. Bij de
                                        beschikking stelt het college vast voor welke datum een
                                        bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                        erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum
                                        een afschrift daarvan aan de raad moet zijn
                                        toegezonden.</al><al> Binnen <cursief>vier</cursief> maanden na de datum van de
                                        beschikking door het college moet een bouwopdracht zijn
                                        verleend, dan wel een koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst
                                        zijn gesloten.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>23</nr>
                <titel>Uitvoering beslissing</titel>
              </kop>
              <al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering.</al>
              <al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
                                termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een
                                termijn van <cursief>drie weken</cursief> geldt.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>24</nr>
                <titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                        tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                        huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                        daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                        bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht,
                                        dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde
                                        in artikel 18, eerste lid van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li>
                <li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door
                                        bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn
                                        toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor
                                        het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd
                                        verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van
                                        de termijn.</al></li>
                <li nr="3."><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op
                                        bekostiging op totdat het college op het verzoek beslist.
                                        Indien het college het verzoek inwilligt, noemt de raad een
                                        nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt.
                                        Indien het college het verzoek afwijst, geldt de datum van
                                        beslissing op het verzoek als vervaldatum, met dien
                                        verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke
                                        vervaldatum kan vallen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>25</nr>
              <titel>Aanvraag</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen
                                    voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik
                                    bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan
                                    voorafgaand <cursief>een aanvraag voor
                                        bekost</cursief><cursief>i</cursief><cursief>ging van de
                                        bouwvoorbereiding indienen bij het college</cursief>.</al><al> Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                                    aanbesteding van die voorziening. </al></li>
              <li nr="2."><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar
                                    voorafgaand aan het jaar waarin de vergoeding wordt
                                    gewenst.</al></li>
              <li nr="3."><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt
                                    gewenst;</al></li>
                  <li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste
                                    locatie van de voorziening;</al></li>
                  <li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening;</al></li>
                  <li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                    school die voldoet aan de in </al><al> bijlage II omschreven vereisten;</al></li>
                  <li nr="g."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging
                                    blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een
                                    bestaand gebouw. Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het
                                    door het college vastgestelde formulier 'Bouwkundige
                                    opname';</al></li>
                  <li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                    indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als een
                                    voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="4."><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het
                                    derde lid, deelt het college dit voor</al><al> 15 februari schriftelijk mee aan de aanvrager en stelt hem in
                                    de gelegenheid om voor 15 maart de gegevens aan te vullen. Het
                                    gestelde in artikel 7, derde lid is daarbij van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>26</nr>
              <titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of
                                    het overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige lid, is
                                    het bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al></li>
              <li nr="2."><al>Voordat het college een besluit neemt voor bekostiging van
                                    bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met de
                                    aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als
                                    bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en
                                    vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>27</nr>
              <titel>Beschikking op aanvraag</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college De raad neemt voor het tijdstip als bedoeld in
                                    artikel 11, tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></li>
              <li nr="2."><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                    bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                    vaststaat;</al></li>
                  <li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste
                                    jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden
                                    gebracht.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                    welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                    bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden
                                    gesteld, echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager
                                    aan zijn financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft
                                    ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager
                                    en het college maken afspraken over de daadwerkelijke
                                    beschikbaarstelling van het bedrag.</al></li>
              <li nr="4."><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                    aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de
                                    plaatsing van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>28</nr>
              <titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel>
            </kop>
            <al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin de beschikking is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Medegebruik en verhuur</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5.1</nr>
              <titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>29</nr>
                <titel>Aanduiding omstandigheden</titel>
              </kop>
              <al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li>
                <li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li>
                <li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li>
                <li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li>
                <li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>30</nr>
                <titel>Omschrijving leegstand</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                        basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                                        indien uit de vergelijking van het aantal vierkante meters
                                        bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op basis van bijlage
                                        III, deel B en de capaciteit van het gebouw in vierkante
                                        meters bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis van
                                        bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste een aantal
                                        vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de
                                        in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is
                                        voor de daar gevestigde school of scholen;</al></li>
                    <li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                        voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de
                                        ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III, deel
                                        B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis
                                        van bijlage III, deel A blijkt dat er een overschot is aan
                                        vierkante meters bruto-vloeroppervlakte tenzij het bevoegd
                                        gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                        lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat er binnen
                                        het overschot aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                        geen sprake is van onderbenutting van de
                                        onderwijsruimten.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een
                                        of meer scholen voor basisonderwijs, indien de som van het
                                        aantal klokuren gebruik dat door het college wordt vergoed
                                        minder is dan 40 klokuren;</al></li>
                    <li nr="b."><al>wanneer het een gebouw betreft van een school voor
                                        voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis van
                                        bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het gebouw
                                        lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis
                                        van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of
                                        eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval
                                        is;</al></li>
                    <li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een
                                        of meer scholen voor basisonderwijs, voor (voortgezet)
                                        speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, indien de som
                                        van de berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal
                                        klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>31</nr>
                <titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                        medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het
                                        gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden
                                        in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen
                                        ten behoeve van het onderwijs aan die school of scholen.
                                    </al></li>
                <li nr="2."><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                        het gebruik van die andere school of scholen kan
                                        plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking
                                        staande huisvestingscapaciteit.</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                        wordt:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                        gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                        tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                        leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                        biedt;</al></li>
                    <li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een
                                        school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></li>
                    <li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                        dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                        behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="4."><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken
                                        bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel
                                        geval van de in het derde lid opgenomen volgorde
                                        afwijken.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>32</nr>
                <titel>Overleg en mededeling</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering van leegstand in een lesgebouw of
                                        gymnastiekruimte, voert zij daarover overleg met het bevoegd
                                        gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met het
                                        bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. </al><al> Dit overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
                                        artikel 10.</al></li>
                <li nr="2."><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                        bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk
                                        mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan
                                        gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als
                                        dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen
                                        bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in
                                        artikel 19, voert zij daarover zo spoedig mogelijk overleg
                                        met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met het
                                        bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. </al></li>
                <li nr="4."><al>Binnen <cursief>een week</cursief> na het overleg als
                                        bedoeld in het vorige lid, doet het college schriftelijk
                                        mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan
                                        gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als
                                        dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen
                                        bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></li>
                <li nr="5."><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in
                                        de tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                        waarvan wordt gevorderd;</al></li>
                    <li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan
                                        gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in
                                        lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat gevorderd
                                        wordt;</al></li>
                    <li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking
                                        heeft;</al></li>
                    <li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                        gevorderd wordt;</al></li>
                    <li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van
                                        het medegebruik.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>33</nr>
                <titel>Vergoeding</titel>
              </kop>
              <al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel
                                C.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5.2</nr>
              <titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>34</nr>
                <titel>Aanduiding omstandigheden</titel>
              </kop>
              <al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al>
              <al>a.er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>35</nr>
                <titel>Overleg en mededeling</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college
                                        overleg met het bevoegd gezag.</al></li>
                <li nr="2."><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></li>
                    <li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                        onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li>
                    <li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                        voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                        school hinder van het medegebruik ondervindt;</al></li>
                    <li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een
                                        redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li>
                    <li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang
                                        kan nemen.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Binnen <cursief>vier weken</cursief> na afloop van het
                                        overleg, als bedoeld in het eerste lid, doet het college
                                        schriftelijk mededeling van de vordering tot medegebruik aan
                                        het bevoegd gezag. Indien het overlegheeft geleid tot
                                        afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die afspraken.
                                        Voorzover het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid,
                                        bevat de mededeling de beslissing van het college over deze
                                        punten. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen
                                        geeft geen bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de
                                        schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden
                                        afgezien.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5.3</nr>
              <titel>Verhuur</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>36</nr>
                <titel>Toestemming het college</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt
                                        het toestemming voor de verhuur aan het college.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en
                                        bevat een aanduiding van de huurder, en van de bestemming
                                        van de te verhuren ruimte.</al></li>
                <li nr="3."><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                        bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs,
                                        Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs
                                        of;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                        school.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>37</nr>
              <titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig
                                    heeft voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik
                                    ervan zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum
                                    genoemd in de door het college en het bevoegd gezag ondertekende
                                    gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door
                                    gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil over de
                                    totstandkoming van een gezamenlijke akte. </al></li>
              <li nr="2."><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is
                                    van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in
                                    het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                                    gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats
                                    vindt, een staat van onderhoud opgemaakt.</al></li>
              <li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het
                                    college na overleg met het bevoegd gezag. </al></li>
              <li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing,
                                    vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd
                                    gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het
                                    college betaald wordt. Indien het overleg niet tot
                                    overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwijze
                                    gevolgd wordt.</al></li>
              <li nr="5."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien
                                    dit naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Gebruik en vergoeding gymnastiekruimte voor basisonderwijs</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>38</nr>
              <titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroostering
                            gebruik</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs verstrekt
                                    jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar
                                    een opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste
                                    onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de
                                    volgende gegevens: de gewenste omvang van het onderwijsgebruik
                                    uitgedrukt in een aantal klokuren;</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                    gebruik wordt gewenst;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek
                                    wordt gewenst.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                    gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd
                                    als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande
                                    dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde
                                    in dit artikel van toepassing is.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                    daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                    voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door
                                    scholen voor basisonderwijs van de op het grondgebied van de
                                    gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste
                                    onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de
                                    gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit
                                    van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></li>
              <li nr="4."><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                    inroostering het volgende in acht:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik
                                    van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen in bijlage I, deel
                                    B;</al></li>
                  <li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                    gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte wordt
                                    voor de betreffende school het eerste ingeroosterd voor die
                                    gymnastiekruimte;</al></li>
                  <li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                    ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="5."><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                    basisonderwijs de volgende gegevens:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een
                                    gymnastiekruimte;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                    gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></li>
                  <li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                    gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                    gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li>
                  <li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal
                                    klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
                                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs voor bekostiging door de
                                    gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor
                                    rekening komen van het bevoegd gezag van de school. Het college
                                    neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d slechts
                                    op in het voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog
                                    capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het
                                    totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in
                                    aanmerking komt.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="6."><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                    weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen
                                    voor basisonderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden daarbij
                                    uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg
                                    vindt plaats binnen <cursief>twee weken</cursief> na toezending
                                    van het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers
                                    van de bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te
                                    reageren op het voorstel tot inroostering.</al></li>
              <li nr="7."><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen
                                    stelt het college voor</al><al> 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde lid, de
                                    definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                    gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het
                                    college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als
                                    bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan
                                    wordt dit gemotiveerd. </al></li>
              <li nr="8."><al>Binnen <cursief>twee weken</cursief> na vaststelling van de
                                    inroostering ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een
                                    schriftelijke mededeling van het college over de inroostering in
                                    de beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                                    staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze
                                    mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van
                                    artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin
                                    van artikel 32, vierde lid.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>39</nr>
              <titel>Beslissing het college in gevallen waarin de verordening niet voorziet</titel>
            </kop>
            <al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>40</nr>
              <titel>Indexering</titel>
            </kop>
            <al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>41</nr>
              <titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Ten Boer.</al></li>
              <li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2011.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Vastgesteld bij raadsbesluit van 24 november 2010, nr. 9. </ondertekening>
        <ondertekening>Gedaan te Ten Boer in de openbare raadsvergadering van 24 november
                        2010.</ondertekening>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter, </ondertekening>
        <ondertekening>…………… …………….</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        
        <tussenkop>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen</tussenkop>
        <al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>deel A: lesgebouwen;</al></li>
          <li nr="-"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>DEEL A Lesgebouwen</tussenkop>
        <tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop>
        <al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2 en 1.9c worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al>
        <tussenkop>1.0 Voorziening als gevolg van de groepsgrootteverkleining</tussenkop>
        <al>Vervallen</al>
        <tussenkop>1.1 Nieuwbouw</tussenkop>
        <al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li>
          <li nr="b."><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li>
          <li nr="b."><al>2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht
                            en</al></li>
          <li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen het
                            door burgemeester en wethouders vast te stellen gebied een passende
                            huisvesting voor de school te realiseren.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1.2 Vervangende bouw</tussenkop>
        <al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen
                            geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li>
          <li nr="b."><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                            zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                            verwacht of</al></li>
          <li nr="b."><al>2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li>
          <li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen het
                            door burgemeester en wethouders vast te stellen gebied een passende
                            huisvesting voor de school te realiseren.</al></li>
        </lijst>
        <al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het college;</al></li>
          <li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li>
          <li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li>
        </lijst>
        <al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al>
        <tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop>
        <tussenkop>1.3.1 Uitbreiding algemeen</tussenkop>
        <al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en</al></li>
          <li nr="b1."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien aaneengesloten
                                jaren</cursief> voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding
                            deze leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of</al></li>
          <li nr="b2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vier aaneengesloten
                                jaren</cursief> voor een voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding
                            deze leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of</al></li>
          <li nr="b3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal
                                <cursief>vier aaneengesloten jaren</cursief> binnen het gebouw of de
                            gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al></li>
          <li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                                <cursief>2000 meter </cursief> hemelsbreed een passende extra
                            huisvesting voor de school te realiseren.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een
                    speellokaal</tussenkop>
        <al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li>
          <li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en</al></li>
          <li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl</al></li>
          <li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                            over de weg niet mogelijk is en</al></li>
          <li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde
                            bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                            A, inpandig een speellokaal te maken.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</tussenkop>
        <al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of</al></li>
          <li nr="a."><al>2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl</al></li>
          <li nr="b."><al>1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                            vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li>
          <li nr="b."><al>2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                            een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li>
          <li nr="c."><al>er binnen het door burgemeester en wethouders vast te stellen gebied
                            geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting
                            voor de school te realiseren;</al></li>
          <li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li>
          <li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</tussenkop>
        <al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen buiten het door
                            burgemeester en wethouders vast te stellen gebied kunnen voorzien,
                            terwijl</al></li>
          <li nr="b."><al>er binnen het door burgemeester en wethouders vast te stellen gebied
                            geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting
                            voor de school te realiseren en</al></li>
          <li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1.6 Terrein</tussenkop>
        <al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al>
        <tussenkop>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en inrichting
                    onderwijsleerpakket bij fusie</tussenkop>
        <al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. De noodzaak voor eerste
                    inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal blijkt uit
                    het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs uitgebreid wordt met een
                    speellokaal.</al>
        <tussenkop>1.8 Medegebruik</tussenkop>
        <al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al>
        <tussenkop>1.9 Aanpassing</tussenkop>
        <al>De voorziening aanpassing bestaat uit: </al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li>
          <li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                            afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                            basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al></li>
          <li nr="c."><al>creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor speciaal
                            basisonderwijs;</al></li>
          <li nr="d."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving;</al></li>
          <li nr="e."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li>
          <li nr="f."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen;</al></li>
          <li nr="g."><al>aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>Ad a </vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                    ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de
                    beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw
                    niet voldoet aan de huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs,
                    terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                    te verwezenlijken zijn. </al>
        <al>
          <vet>Ad b </vet>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een
                    schoolgebouw te kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het
                    aantal leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat
                    binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte
                    aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en
                    vijfjarigen of zes- tot twaalfjarigen. De noodzaak voor een integratieverbouwing
                    in een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs blijkt uit het feit
                    dat 12 kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten tot de school, terwijl het
                    gebouw niet geschikt is voor het onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.
                            <vet><cursief>Ad c </cursief></vet>De noodzaak voor
                    deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale school voor basisonderwijs
                    niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan 56 m2 aanwezig
                    is en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een school binnen
                    300 meter mogelijk is. Daarnaast is de noodzaak afhankelijk van het feit dat tot
                    de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten. Indien het
                    inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een uitbreiding, zulks ter
                    beoordeling van het college, op grond van bijlage IV, deel A, wordt beslist
                    alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is. <vet>Ad d </vet>De noodzaak
                    voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de
                    geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet worden
                    opgeheven. <vet>Ad e </vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het
                    feit dat de oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie
                    verkeert dat vervanging noodzakelijk is. <vet>Ad f </vet>De noodzaak voor
                    deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een gehandicapte leerling of
                    leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende voorziening noodzakelijk is.
                    Voorzover het betreft het aanbrengen van een traplift, dient het tevens niet
                    mogelijk te zijn om zodanige organisatorische maatregelen te treffen dat het
                    volledige onderwijsproces op de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk
                    kan worden gegeven. </al>
        <al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste <cursief>vijftien jaren</cursief> voldoende leerlingen om
                    de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de
                    betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het
                    onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht,
                    wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere, goedkopere,
                    voorziening mogelijk is. <vet>Ad g </vet>De noodzaak van deze aanpassing
                    blijkt uit het feit dat: </al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>de aanpassing nog niet eerder is toegekend, en</al></li>
          <li nr="b."><al>bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met
                            onderwijskundige vernieuwingen, en</al></li>
          <li nr="c."><al>het een permanent gebouw betreft, en</al></li>
          <li nr="d."><al>het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat. </al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1.10 Onderhoud</tussenkop>
        <al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                            overzicht “onderhoud primair onderwijs”;</al></li>
          <li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk);</al></li>
          <li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor
                            centrale verwarming.</al></li>
        </lijst>
        <al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeerd volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al>
        <al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al>
        <al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaren voor de school nodig
                    is.</al>
        <al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                    indien:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>het noodlokaal/de noodlokalen op basis van een prognose, die voldoet aan
                            de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaren
                            voor de school nodig zijn; en</al></li>
          <li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik binnen het door burgemeester en wethouders vast te stellen
                            gebied.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1.11 Herstel van constructiefouten </tussenkop>
        <al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. </al>
        <tussenkop>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</tussenkop>
        <al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd. </al>
        <tussenkop>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</tussenkop>
        <tussenkop>1 School voor basisonderwijs</tussenkop>
        <tussenkop>1.1 Nieuwbouw</tussenkop>
        <al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en</al></li>
          <li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van tenminste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van tenminste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van tenminste 5 klokuren gebruik te maken van één
                            of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li>
          <li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1.2 Vervangende bouw</tussenkop>
        <al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>het in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en</al></li>
          <li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van tenminste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van tenminste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van tenminste 5 klokuren gebruik te maken van één
                            of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li>
          <li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1.3 Uitbreiding</tussenkop>
        <al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en</al></li>
          <li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van tenminste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van tenminste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van tenminste 5 klokuren gebruik te maken van één
                            of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li>
          <li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</tussenkop>
        <al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of</al></li>
          <li nr="a."><al>2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en</al></li>
          <li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van tenminste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van tenminste 15 klok-uren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van tenminste 5 klokuren gebruik te maken van
                            één of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li>
          <li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li>
          <li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1.5 Terrein</tussenkop>
        <al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al>
        <tussenkop>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</tussenkop>
        <al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li>
          <li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1.7 Eerste inrichting meubilair</tussenkop>
        <al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en</al></li>
          <li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li>
        </lijst>
        <al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en</al></li>
          <li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1.8 Medegebruik</tussenkop>
        <al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al>
        <tussenkop>1.9 Aanpassing</tussenkop>
        <al>De aanpassingen bestaan uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;</al></li>
          <li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte;</al></li>
          <li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li>
          <li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet en regelgeving;</al></li>
          <li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Ad 1 </tussenkop>
        <al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al>
        <tussenkop>Ad 2</tussenkop>
        <al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al>
        <tussenkop>Ad 3</tussenkop>
        <al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al>
        <tussenkop>Ad 4 </tussenkop>
        <al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op
                    korte termijn moet worden opgeheven.</al>
        <tussenkop>Ad 5</tussenkop>
        <al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al>
        <al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al>
        <tussenkop>1.10 Onderhoud</tussenkop>
        <al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het
                            overzicht “onderhoud primair onderwijs”;</al></li>
          <li nr="b."><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                            hang- en sluitwerk);</al></li>
          <li nr="c."><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor
                            centrale verwarming.</al></li>
        </lijst>
        <al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeerd volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al>
        <al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al>
        <al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier <cursief>jaren</cursief>
                    voor de school nodig is.</al>
        <tussenkop>1.11 Herstel constructiefouten </tussenkop>
        <al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al>
        <tussenkop>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, terrein en verdere
                    opstallen, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden</tussenkop>
        <al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al>
        <tussenkop>I 1 Overzicht ‘Onderhoud PO’</tussenkop>
        <al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud:</al>
        <al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al>
        <al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al>
        <al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al>
        <al>Vervangen brandtrap.</al>
        <al>Vervangen erfscheiding.</al>
        <al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al>
        <al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                    activiteit).</al>
        <al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                    activiteit).</al>
        <al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie activiteit).</al>
        <al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al>
        <al>Vervangen boeiboorden.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        
        <tussenkop>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van leerling
                    prognoses</tussenkop>
        <al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging. </al>
        <al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose.</al>
        <al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li>
          <li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li>
          <li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li>
          <li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li>
          <li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li>
          <li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li>
          <li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al><al> De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</al></li>
        </lijst>
        <al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al>
        <al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs,
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend.</al>
        <al>Bij de aanlevering van een prognose dienen relevante gegevens en berekeningen
                    over de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt. Bij deze
                    levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de
                    aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop
                    de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al>
        <al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente Ten
                    Boer.'</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        
        <tussenkop>Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling</tussenkop>
        <al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>deel A: de bepaling van de capaciteit;</al></li>
          <li nr="-"><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li>
          <li nr="-"><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li>
          <li nr="-"><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>DEEL A De bepaling van de capaciteit</tussenkop>
        <al>
          <vet>1 </vet>
          <vet> School voor basisonderwijs en speciale school voor
                        basisonderwijs</vet>De capaciteit van de gebouwen voor het
                    basisonderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan
                    in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot
                    vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien
                    de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) en
                    recreatieve doeleinden. <vet>1.1 </vet><vet> Gebouwen van hoofd- en
                        nevenvestigingen (inclusief de T en B-dislocaties met een </vet><vet>
                        permanente of tijdelijke bouwaard </vet>De brutovloeroppervlakte
                    (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo zoals bepaald aan de
                    hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs'.
                        <cursief>Basisschool </cursief>De capaciteit van een gebouw voor
                    een basisschool wordt vastgelegd in het bruto vloeroppervlak van het gebouw. De
                    capaciteit van het gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de
                    tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk vastgesteld.</al>
        <al> Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. </al>
        <al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al>
        <al> Speciale school voor basisonderwijs</al>
        <al>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter, een
                    eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling wordt
                    meegenomen. Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de
                    voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 1.3.2, wordt op het
                    bruto vloeroppervlak 90 m<sup>2</sup> in mindering gebracht.</al>
        <al>
          <vet>1.2 </vet>
          <vet> Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                        bouwaard </vet>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor
                    basisscholen geldt het gestelde onder 1.1. </al>
        <al>
          <vet>1.3 </vet>
          <vet> Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties </vet>De
                    vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als
                    eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. </al>
        <al> Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld,
                    doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit. Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van
                    de overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij
                    de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de
                    gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij
                    als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De
                    vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist. <vet>1.4 </vet><vet> Terrein </vet>Onder terrein dient te
                    worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het
                    schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de
                    grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale
                    perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt
                    het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
                        <vet>1.5</vet><vet>Inventaris </vet>Voor de inventaris is het
                    uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor (speciaal) basisonderwijs
                    in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De
                    bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor de vaststelling van de
                    omvang van de aanwezige inventaris.</al>
        <al>
          <vet>1.6 </vet>
          <vet> Gymnastiekruimten </vet>
          <vet>1.6.1 Gymnastiekruimte
                    </vet>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs
                    bedraagt 40 klokuren. <vet> 1.6.2 Terrein </vet>De terreinoppervlakte is
                    de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte
                    van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het
                    terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd. <vet>1.6.3 Inventaris
                    </vet>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                    zijn. </al>
        <tussenkop>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</tussenkop>
        <tussenkop>1. School voor basisonderwijs</tussenkop>
        <al>1.1<vet>Lesgebouwen</vet></al>
        <tussenkop>Basisschool</tussenkop>
        <al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor
                    de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al>
        <al>De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al>
        <al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al>
        <al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij</al>
        <al>B = basisruimtebehoefte in m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig
                    afgerond op hele vierkante meters.</al>
        <al> , en</al>
        <al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al>
        <al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al>
        <al>T = 1,40 * G, waarbij</al>
        <al>T=toeslag in m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters en</al>
        <al>G=gecorrigeerde gewichtensom.</al>
        <al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al>
        <lijst>
          <li nr="§"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li>
          <li nr="§"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van
                            6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom
                            niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op
                            een geheel getal;</al></li>
          <li nr="§"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het
                            aantal ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80
                            % van het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs </tussenkop>
        <al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen bepalend
                    voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</al>
        <al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met
                    de formule:</al>
        <al>R= 250+7,35*L, waarbij</al>
        <al>R= ruimtebehoefte in m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte,rekenkundig afgerond
                    op hele vierkante meters, en</al>
        <al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al>
        <al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90
                    m<sup>2</sup>.</al>
        <al>
          <vet>1.2 Gymnastiekruimten </vet>
          <vet>Basisschool </vet>Voor een
                    basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                    formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregelvoor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs . </al>
        <al>Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                    gymnastiek.</al>
        <al> Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven. </al>
        <al>
          <vet>Speciale school voor basisonderwijs</vet> Voor een speciale school voor
                    basisonderwijs is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van
                    maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet de beschikking heeft over
                    een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt uitgegaan
                    van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. Het aantal gymgroepen wordt bepaald door
                    het aantal leerlingen te delen door de 'N-factor'. </al>
        <al>De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale
                    school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven
                    afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval
                    wordt het getal naar beneden afgerond.</al>
        <al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe gymaccommodatie
                    voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal gymgroepen
                    bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II. </al>
        <tussenkop>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</tussenkop>
        <al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al>
        <al>1.School voor basisonderwijs</al>
        <al>
          <vet>1.1</vet>
          <vet> Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                    </vet>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening: </al>
        <lijst>
          <li nr="§"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li>
          <li nr="§"><al>vervangende nieuwbouw</al></li>
        </lijst>
        <al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al>
        <al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan. </al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al>
        <lijst>
          <li nr="§"><al>uitbreiding, dan wel </al></li>
          <li nr="§"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel </al></li>
          <li nr="§"><al>ingebruikneming dan wel </al></li>
          <li nr="§"><al>medegebruik </al></li>
        </lijst>
        <al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage. </al>
        <al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al>
        <lijst>
          <li nr="§"><al>55 m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik
                            bestemde voorziening basisonderwijs;</al></li>
          <li nr="§"><al>40 m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening basisonderwijs;</al></li>
          <li nr="§"><al>50 m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend of
                            tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een speciale school voor
                            basisonderwijs.</al></li>
        </lijst>
        <al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde
                    verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven bestaan. </al>
        <al>Voor een speciale school voor basisonderwijs bedraagt de bruto-vloeroppervlakte
                    van een speellokaal 90 m<sup>2</sup> bvo. </al>
        <al>
          <vet>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen </vet>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D. </al>
        <al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de
                    eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, en meubilair wordt bepaald door de
                    omvang in m<sup>2</sup> bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening
                    (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding. </al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. <vet>1.3
                        Gymnastiekruimten </vet>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan
                    wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij de
                    realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage. </al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I). </al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs. </al>
        <al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte. </al>
        <al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. </al>
        <al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs. </al>
        <al>De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van
                    schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk
                    zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al>
        <tussenkop>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>School voor basisonderwijs</al></li>
          <li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan
                            worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li>
          <li nr="-"><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al></li>
          <li nr="-"><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van
                            84m2 voor een speellokaal.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>III-1 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                    vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs’</tussenkop>
        <al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                    voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN 2580, met de
                    volgende aantekeningen:</al>
        <lijst>
          <li nr="§"><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                            gerekend;</al></li>
          <li nr="§"><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li>
          <li nr="§"><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                            gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Uitzonderingen:</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="-"><al> De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                            luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en
                            dergelijke.</al></li>
          <li nr="-"><al> Open brand- of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden
                            bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.</al></li>
          <li nr="-"><al> Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></li>
        </lijst>
      </bijlage>
      <bijlage>
        
        <tussenkop>Bijlage IV Financiële normering </tussenkop>
        <al>De financiële normering valt uiteen in drie delen: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</al></li>
          <li nr="-"><al>deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al></li>
          <li nr="-"><al>deel C: bepaling medegebruikstarief.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen </vet> In onderstaande
                    normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is tevens een
                    vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8% (bij
                    projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5% (bij
                    grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke
                    genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor
                    (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde
                    vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. Alle
                    in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW. </al>
        <al>
          <cursief>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragenvoor het jaar 2010 zijn
                        aangepast conform de systematiek van prijsbijstelling en indexering die is
                        opgenomen in hoofdstuk , Indexering.</cursief>
          <vet>1 School voor
                        basisonderwijs </vet>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen
                    opgenomen voor: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li>
          <li nr="-"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li>
          <li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li>
          <li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                            1.4);</al></li>
          <li nr="-"><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en</al></li>
          <li nr="-"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6).</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard) </vet>De financiële normering
                    voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal kostencomponenten, te weten: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li>
          <li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li>
          <li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw;</al></li>
          <li nr="-"><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag voor een
                            speellokaal.</al></li>
        </lijst>
        <al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).
                        <cursief>Kosten voor terreinen </cursief>Er is geen genormeerd
                    bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het bouwrijpe
                    terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch
                    eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden
                    aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van het
                    programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan het,
                    ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal benodigde
                    oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D. In geval
                    van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw) behoren de
                    kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen. </al>
        <al>
          <cursief>Bouwkosten </cursief>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van
                    het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding
                    bestaat uit een startbedrag, waarin inbegrepen een aantel m<sup>2 </sup> en een
                    bedrag per m<sup>2 </sup>voor de overige m<sup>2</sup>.bvo. Met deze
                    vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al>
        <al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="65*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 789.640,53 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Elke volgende m<sup>2 </sup> bvo</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.351,30 </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen: </al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                        speellokaal</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.279.455,29</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Elke volgende m<sup>2 </sup> bvo, waarin niet begrepen een
                                        eventueel speellokaal</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.414,99 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo) </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 121.397,26</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                        bouw op dezelfde plaats </cursief>Indien vervangende nieuwbouw
                    plaatsvindt op dezelfde plaats moet het desbetreffende terrein daarna worden
                    hersteld en dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende
                    locatie. De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen,
                    is gebaseerd op een vast bedrag per m<sup>2 </sup> bvo, afhankelijk van het type
                    huisvesting dat gesloopt dient te worden. </al>
        <al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Permanente bouw per m<sup>2 </sup> bvo</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 54,78 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup> bvo</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 37,59 </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <vet>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard) </vet>Voor uitbreiding van de
                    huisvesting in permanente bouwaard tot 1.035 m2 brutovloeroppervlakte is
                    onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient
                    te worden uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente
                    bouwaard) (paragraaf 1.1). <cursief>Kosten voor terrein </cursief>Er
                    is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding van
                    het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).
                        <cursief>Bouwkosten </cursief>De bouwkosten omvatten de bouwkosten
                    van het gebouw, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel van het
                    schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per
                    m<sup>2 </sup>. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III
                    aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. </al>
        <al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen: </al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m<sup>2</sup><sup/>
                                        bvo of groter</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 115.634,99 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 77.089,99 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.540,38 </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de </al>
        <al>volgende bedragen: </al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m<sup>2</sup><sup/>
                                        bvo of groter</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 118.914,88 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 79.276,59 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo, waarin
                                        niet begrepen een eventueel speellokaal</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.571,08 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo) in combinatie met uitbreiding van
                                        de school</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 138.634,40 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding
                                        van de school</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 254.887,70 </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                        bouw op dezelfde plaats</cursief>Hiervoor gelden dezelfde bedragen
                    als bij nieuwbouw (permanente bouwaard). <vet>1.3 Tijdelijke voorziening
                    </vet>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten
                    ten behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is
                    onderscheid gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding
                    van een permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande
                    tijdelijke voorziening.. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een
                    tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik
                    bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke
                    voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit
                    niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                    procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1). <cursief>Nieuwbouw als
                        hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie </cursief>De
                    vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. In deze
                    bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag
                    voor herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                    nutsvoorzieningen. </al>
        <al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="76*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2</sup><sup/> bvo of
                                        groter</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 44.968,74 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m<sup>2</sup><sup/>
                                        bvo</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 29.979,16 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.105,09 </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen
                    </cursief>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per
                    m<sup>2</sup>. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor
                    paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.</al>
        <al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt </al>
        <al>bepaald op basis van de volgende bedragen: </al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2</sup><sup/> bvo
                                        of groter</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 25.277,29 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80
                                        m<sup>2</sup><sup/> bvo</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 16.851,52 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Naast het startbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.157,95 </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen
                    </cursief>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw
                    ook worden gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een
                    noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op
                    basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke
                    kosten) <vet>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
                        </vet><cursief>Basisschool </cursief>Het bedrag voor eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen bestaat uit een basisbedrag
                    en een bedrag per m<sup>2</sup>. De hierna opgenomen bedragen zijn
                    investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m<sup>2</sup> Bij
                    uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil
                    tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding..</al>
        <al> De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen (in euro): </al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Basisbedrag </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 35.221,62 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Naast het basisbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 123,21 </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>Speciale school voor basisonderwijs </cursief>De vergoeding
                    voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de
                    volgende bedragen in euro):. </al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Basisbedrag</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 74.727,64 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Naast het basisbedrag voor elke m<sup>2 </sup> bvo</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 127,47 </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al> De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt € 6.819,23 .
                        <vet>1.5 Aanpassing </vet>Alle aanpassingen worden vergoed op basis
                    van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).
                        <vet>1.6 Gymnastiek </vet></al>
        <tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding </tussenkop>
        <tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop>
        <al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt </al>
        <al>€ 830.111,76 (op het schoolterrein) respectievelijk € 846.901,26 (op
                    afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op
                    staal, alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet
                    begrepen. </al>
        <al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte. </al>
        <al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="65*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Paallengte 1&lt;15 meter</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 16.696,78 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Paallengte 15&lt;20 meter</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 23.017,38 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Paallengte &gt;20 meter</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 32.326,90 </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>Uitbreiding </cursief>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte
                    wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een
                    gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine
                    gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of
                    minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2.
                    Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit: </al>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="69*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="31*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 192.865,99 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 234.455,09 </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al> Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is,
                    wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. </al>
        <al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al>
        <table>
          <tgroup cols="3">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/>
            <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al/>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>112-120m2</al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>121-150m2</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Paallengte 1&lt;15m</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 7.747,86 </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>€ 9.346,61 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Paallengte 15&lt;20m</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 12.946,88 </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>€ 16.179,43 </al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Paallengte &gt;=20m</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 21.166,73 </al>
                </entry>
                <entry colname="col3">
                  <al>€ 26.458,41 </al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>
          <cursief>OLP/meubilair </cursief>De vergoeding voor de eerste
                    inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs € 47.186,03. </al>
        <tussenkop>4 Indexering </tussenkop>
        <al>
          <vet>Werkelijke prijsontwikkeling </vet>Jaarlijks worden de normbedragen
                    aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar.
                    Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt
                    jaarlijks na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. </al>
        <al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen;
                    outputindex 2005=100 (inclusief BTW)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek
                    bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het
                    tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar. </al>
        <al> Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle
                    huishoudens’ (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van
                    het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan
                    voorafgaande jaar. </al>
        <al>Indien de CBS-indexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2005 = 100” over het
                    tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de
                    CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal van
                    het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al>
        <al>
          <vet>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma </vet>Naast
                    de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma wordt
                    vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het werkelijk
                    prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is noodzakelijk om
                    de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma en het moment van
                    vergoeding vast te stellen. </al>
        <al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen door bedrijven
                    in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. </al>
        <al>Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals
                    bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. </al>
        <al>
          <vet> DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten </vet> In artikel 4 van
                    deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden vergoed op basis van
                    normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis van feitelijke
                    kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge artikel 4, 3e
                    lid laatste volzin, worden vergoed op basis van feitelijke kosten, dient aan de
                    in dit deel van de bijlage opgenomen aanbestedingsregels te worden voldaan.
                        <vet>Europese aanbesteding </vet>Indien de omvang van een opdracht of
                    contract boven een bepaald bedrag uitkomt, worden ingevolge het Besluit
                    overheidsaanbestedingen de richtlijnen van de Europese Unie (2004/18/EG)
                    toegepast. Deze richtlijnen gelden vanaf de volgende bedragen: </al>
        <lijst>
          <li nr="·"><al>206.000 euro (exclusief BTW) voor leveringen en diensten; </al></li>
          <li nr="·"><al>5.150.000 euro (exclusief BTW) voor werken. </al></li>
        </lijst>
        <al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder de
                    definitie 'werken'. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of onderwijsleerpakket
                    valt onder 'leveringen'. Bij aankoop van gebouwen en terreinen is de richtlijn
                    uiteraard niet van toepassing. <vet>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag
                    </vet>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen,
                    zoals vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing.
                    Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken gemaakt
                    over de wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat op basis van
                    het vastgestelde gemeentelijk beleid bepaald wordt op welke wijze een opdracht
                    wordt aanbesteed, tenzij het college na overleg anders beslist. <vet>DEEL C
                        Bepaling medegebruikstarieven </vet>Een bevoegd gezag van een school
                    voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal onderwijs, voor voortgezet
                    onderwijs alsmede een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
                    beroepsonderwijs betaalt voor het onderwijsgebruik van een lokaal, niet zijnde
                    een gymnastiekruimte, een vergoeding. Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag
                    dat voor elke groep bij meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld
                    binnen de groepsafhankelijke programma's van eisen voor het basisonderwijs,
                    zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                    en Wetenschappen. </al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        
        <tussenkop>Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde
                    voorzieningen</tussenkop>
        <tussenkop>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</tussenkop>
        <al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit.</al>
        <al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen;</al></li>
          <li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;</al></li>
          <li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden;</al></li>
          <li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Ad 1</tussenkop>
        <al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al>
        <tussenkop>Ad 2</tussenkop>
        <al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander
                    gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                    onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in
                    bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit.</al>
        <tussenkop>Ad 3</tussenkop>
        <al>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                    (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                    verwarming vallen onder </al>
        <al>hoofdprioriteit 3. </al>
        <tussenkop>Ad 4</tussenkop>
        <al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al>
        <al>Onder hoofdprioriteit 4 vallen ook de onderwijsleerpakketten en leer- en
                    hulpmiddelen, waarvan de aanschaf noodzakelijk is door fusie van scholen.</al>
        <tussenkop>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                    subprioriteiten</tussenkop>
        <al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
                    hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie
                    die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                    opnieuw toegepast.</al>
        <al>Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en
                    gymnastiekruimten. </al>
        <al>Onder niet lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige
                    nevenruimten binnen het gebouw.</al>
        <al>Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en
                    voorzieningen aan het terrein.</al>
        <tussenkop>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als
                    bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking:</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li>
          <li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en</al></li>
          <li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                    onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking:</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li>
          <li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend</al></li>
          <li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een
                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                            kwaliteit wordt toegekend</al></li>
          <li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend</al></li>
          <li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>2.3 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen noodzakelijk om te voldoen
                    aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor
                    zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen’ komt voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking:</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                            bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li>
          <li nr="b."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                            voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                            volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                            is;</al></li>
          <li nr="c."><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                            dat niet voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                            conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                            de minste is;</al></li>
          <li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan een niet lesruimte die niet voldoet aan de
                            wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al></li>
          <li nr="e."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                            wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al><al>3.4<vet>Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als
                                gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste
                                bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de
                                eigentijdse eisen van het onderwijs' komt voor plaat</vet><vet>sing
                                op het programma in aanmerking:</vet></al></li>
          <li nr="a."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                            vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                            groepen leerlingen het hoogst is;</al></li>
          <li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is;</al></li>
          <li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                            beleid geldt het hoogst is;</al></li>
          <li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al></li>
          <li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en</al></li>
          <li nr="f."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                            aard, waarbij de ouderdom van het niet aangepaste gebouw het hoogste
                            is.</al></li>
        </lijst>
        <al> Toelichting bij de verordening tot wijziging van de verordening voorzieningen
                    huisvesting onderwijs</al>
        <tussenkop>Aanhef</tussenkop>
        <al>In de aanhef is de tekst van de WEC gevolgd voor wat betreft het op
                    overeenstemming gericht overleg met de schoolbesturen. Door de gemeente hoeft
                    formeel geen OOGO te worden gevoerd met door de gemeente in stand gehouden
                    scholen. Desondanks adviseren wij u om dit wel te doen en zo de rollen van
                    schoolbestuur en lokale overheid in het lokale overleg duidelijk te
                    onderscheiden. </al>
        <tussenkop>Artikel I</tussenkop>
        <tussenkop>Ad. A. en B.</tussenkop>
        <al>Door de vereenvoudiging van het ruimtebehoefte model wordt niet meer gerekend in
                    aantal ‘groepen’ maar in aantal ‘leerlingen’. </al>
        <tussenkop>Ad. C.</tussenkop>
        <al>In het geval van een uitbreidingsvraag gaat het om het verschil tussen de
                    aanwezige capaciteit en de ruimtebehoefte. De berekening van de ruimtebehoefte
                    leidt afhankelijk van de geprognosticeerde leerlingenaantallen tot permanente of
                    tijdelijke ruimtebehoefte. Toekenning van uitbreiding vindt plaats als aanwezige
                    capaciteit en ruimtebehoefte voldoende van elkaar verschillen. De capaciteit
                    wordt voor de tijdelijke en permanente bouwaard afzonderlijk bekeken.</al>
        <al>Bij het (V)SO (permanente en tijdelijke bouwaard) ontstaat een recht op
                    uitbreiding voor een verschil in capaciteit en ruimtebehoefte van tenminste 50m2
                    bvo. Dit komt overeen met een verschil van 3 tot 5 kinderen waarvoor
                    ruimtebehoefte bestaat maar waarvoor geen capaciteit aanwezig is. </al>
        <al>Deze drempelwaarden zijn opgenomen in bijlage III, deel C. Zie verder ook de
                    toelichting bij ad. P..</al>
        <tussenkop>Ad D.</tussenkop>
        <al>Door de vereenvoudiging van het ruimtebehoefte model wordt niet meer gerekend in
                    aantal ‘groepen’ maar in aantal ‘leerlingen’. </al>
        <tussenkop>Ad. E.</tussenkop>
        <al>Bij uitbreiding en niet-vervangende nieuwbouw moet worden voorzien in het
                    onderwijsleerpakket en meubilair. In de oude situatie vond toekenning plaats per
                    groepslokaal. In de nieuwe systematiek vindt toekenning plaats per vierkante
                    meter bruto vloeroppervlakte, wanneer de school wordt uitgebreid. Verder worden
                    de oude voorzieningen eerste inrichting onderwijsleerpakket en eerste inrichting
                    meubilair samengevoegd tot één voorziening.</al>
        <tussenkop>Ad F.</tussenkop>
        <al>Door de vereenvoudiging van het ruimtebehoefte model wordt niet meer gerekend in
                    aantal ‘groepen’ maar in aantal ‘leerlingen’ (en een daaraan gekoppeld aantal
                    vierkante meters bruto vloeroppervlakte). Dat heeft gevolgen voor de voorziening
                    medegebruik. Het in (mede-)gebruik geven gaat niet meer per leegstaand lokaal. </al>
        <al>Medegebruik wordt mogelijk bij leegstand van tenminste de oppervlakte zoals
                    vermeld in de drempel die geldt voor de toekenning van de voorziening
                    uitbreiding. Zie ook ad. C.</al>
        <tussenkop>Ad. G.</tussenkop>
        <al>De voorziening ‘aanpassing creëren (extra) leslokaal binnen het gebouw’ is komen
                    te vervallen. Deze voorziening is overbodig geworden nu in de verordening niet
                    meer gewerkt wordt met groepen en bijbehorende lokalen, maar met vierkante
                    meters bruto vloeroppervlak. Hiervoor is ondermeer bijlage III, deel A (Zie ad.
                        <vet>U</vet>.) aangepast. De bedoeling is dat de aanwezige capaciteit van de
                    scholen in de gemeente wordt vastgelegd in m2 bvo, ongeacht het aantal
                    groepsruimten.</al>
        <al>Tot slot is aan aantal maal het woord ‘groepen’ vervangen door leerlingen als
                    gevolg van de systeemwijziging.</al>
        <tussenkop>Ad H.</tussenkop>
        <al>Door de vereenvoudiging van het ruimtebehoefte model wordt niet meer gerekend in
                    aantal ‘groepen’ maar in aantal ‘leerlingen’. </al>
        <tussenkop>Ad. I. tot en met M..</tussenkop>
        <al>Dit betreffen verduidelijkingen. Het wordt ‘gemeente’ wordt vervangen door het
                    college omdat het college (op basis van de modelbeleidsregel ‘bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs <cursief>en speciaal onderwijs</cursief>)
                    het aantal groepen leerlingen vastgesteld. Zie ook de toelichting bij ad.
                    O.</al>
        <tussenkop>Ad. N.</tussenkop>
        <al>De capaciteitsbepaling geschiedt op basis van het aantal aanwezige vierkante
                    meter bruto vloeroppervlak en niet meer op basis van het aantal groepen /
                    lokalen. Permanente en tijdelijke huisvesting wordt daarbij afzonderlijk
                    bekeken.</al>
        <al>Omdat dit bij oude schoolgebouwen met sterk afwijkende bvo-fno verhouding (fno
                    is functioneel-nuttig oppervlak) de school in een nadelige positie zou kunnen
                    brengen, is de mogelijkheid geopend dat een schoolbestuur in een dergelijke
                    situatie een éénmalige correctie kan aanvragen. </al>
        <al>Zie ook de algemene toelichting.</al>
        <al>De toekenning van uitbreiding eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair
                    (inventaris) is gekoppeld aan de uitbreiding van een school. Er wordt uitgegaan
                    van de situatie dat de school bij de invoering van deze wijziging (op 1 januari
                    2009) volgens het oude systeem voldoende is ingericht. Groei van het aantal
                    leerlingen na die tijd, die leidt tot uitbreiding van het gebouw, leidt ook tot
                    uitbreiding van de eerste inrichting. </al>
        <tussenkop>Ad. O.</tussenkop>
        <al>Dit betreft de aanpassing van de berekening van de ruimtebehoefte. In plaats van
                    de oude tabellen waarin gewerkt werd met een n-factor en een daaraan gekoppeld
                    aantal vierkante meter bruto vloeroppervlakte, wordt nu uitgegaan van een
                    berekening waarbij het aantal leerlingen direct bepalend is voor het aantal
                    vierkante meter bruto vloeroppervlak.</al>
        <al>Voor het speciaal onderwijs komen de diverse N-factoren te vervallen en wordt
                    het aantal typen speciaal onderwijs ondergebracht in een zestal ruimtegroepen. </al>
        <al>Zie de algemene toelichting voor een uitgebreide uitleg over dit onderwerp.</al>
        <al>Verder is hier een wijziging doorgevoerd met betrekking tot het
                    gymnastiekonderwijs. Dit is feitelijk een vervolgstap op de dualiseringsoperatie
                    die in maart 2006 is voltooid. </al>
        <al>Het college is wettelijk verantwoordelijk voor het berekenen en toekennen van de
                    klokuurvergoeding gymnastiek. Basis daarvoor is het aantal groepen, ouder dan 6
                    jaar. Dit vloeit direct voort uit artikel 115, 128 en 130 van de Wet op de
                    expertisecentra en het daarop gebaseerde artikel 14 van het Bekostigingsbesluit
                    WEC. </al>
        <al>Een groot deel van de bepalingen die hierop betrekking hadden zijn al eerder
                    overgeheveld naar de modelbeleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte voor
                    basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. Er is uit oogpunt van
                    consistentie en vereenvoudiging, voor gekozen om ook de bepalingen die
                    betrekking hebben op de ruimte behoeftebepaling voor gymnastiekonderwijs naar
                    die modelbeleidsregel over te hevelen. </al>
        <al>In bijlage III van de modelverordening wordt volstaan met vermelding van het
                    maximumaantal klokuur per groep en een verwijzing naar de modelbeleidsregel. </al>
        <tussenkop>Ad. P.</tussenkop>
        <al>Met behulp van de bepalingen in bijlage III, deel C wordt de omvang van de
                    toekenning van voorzieningen geregeld. Aan de ene kant betreft deze wijziging
                    een redigeerslag. De voorzieningen staan nu ‘gebundeld’ in plaats van verspreid
                    over deel C. </al>
        <al>Daarnaast worden de diverse drempelwaarden genoemd die overschreden moeten
                    worden, voordat een school voor uitbreiding, ingebruikneming of medegebruik in
                    aanmerking komt.</al>
        <al>Zie hiervoor ook de toelichting bij Ad. C. en de algemene toelichting.</al>
        <al>Daarnaast is de tekst gewijzigd voor wat betreft de eerste inrichting met
                    meubilair en/of olp. Beide voorzieningen zijn geïntegreerd tot één voorziening.
                    Recht op toekenning ontstaat wanneer er uitbreiding van het gebouw noodzakelijk
                    is.</al>
        <tussenkop>Ad. Q.</tussenkop>
        <al>Deze wijziging betreft de aanpassing van de normbedragen voor de diverse
                    onderwijs huisvestingsvoorzieningen die op basis van normbedragen worden
                    toegekend. </al>
        <al>In principe geldt een bedrag per toegekende vierkante meter bruto
                    vloeroppervlakte. </al>
        <al>Bij de omrekening van de bedragen is uitgegaan van de oude normbedragen. </al>
        <al>De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli 2007 en voorzien van het
                    MEV-indexcijfer voor 2008.</al>
        <al>Zie de algemene toelichting voor een uitgebreide toelichting op deze
                    materie.</al>
        <al>Als deze verordening tijdig wordt vastgesteld, dat wil zeggen voor 1 januari
                    2009, zijn geen overgangsbepalingen nodig. </al>
        <al>Bij de overgang van oud naar nieuw is een tweetal zaken van belang:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>het vaststellen van de beschikbare capaciteit in vierkante meters bruto
                            vloeroppervlakte (in plaats van het aantal groepen) zoals bepaald in
                            bijlage III, deel A. Zie hiervoor de algemene toelichting.</al></li>
          <li nr="b."><al>Het vastleggen van het niveau van inrichting onderwijsleerpakket en
                            meubilair. In verband met de gewijzigde berekeningsmethode is het zaak
                            vast te stellen dat de school voldoende is ingericht. Eventueel kan,
                            wanneer dat niet het geval is, het tekort nog eenmaal volgens de oude
                            methode worden vastgesteld en toegekend.</al></li>
        </lijst>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>