<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR119545_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Montferland Journaal</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet sociale werkvoorziening, art. 7, tiende lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-06-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Persoonsgebonden Budget Begeleid werken Wet sociale
                werkvoorziening </intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Gemeente Montferland Juni 2008 </vet></al><al/><al>Verordening Persoonsgebonden budget begeleid werken WSW </al><al>De raad van de gemeente Montferland; </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders, gelet op artikel 7,
                        tiende lid, van de Wet sociale werkvoorziening; </al><al>overwegende dat de raad bij verordening nadere regels dient vast te stellen
                        met betrekking tot het verstrekken van Persoonsgebonden budgetten.</al><al/><al> besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al>VERORDENING PERSOONSGEBONDEN BUDGET BEGELEID WERKEN WET SOCIALE
                        WERKVOORZIENING </al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen </al><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                        Montferland;</al><al>b. de wet: de Wet sociale werkvoorziening</al><al>c. periodieke subsidie: de loonkostensubsidie en overige aan de werkgever te
                        verstrekken vergoedingen voor stucturele kosten.</al><al/><al>Artikel 2 De hoogte van de rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden </al><al>uitvoeringskosten </al><al>Het college stelt elk jaar vóór 31 december de hoogte vast van de
                        rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten voor elk
                        te verstrekken persoonsgebonden budget voor het daarop volgende
                        kalenderjaar. </al><al/><al>Artikel 3 Invulling voorwaarden adequate werkplek </al><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt op aanvraag aan iedere Wswgeïndiceerde die
                                daar recht op heeft een persoonsgebonden budget begeleid werken Wsw,
                                indien werkgever en begeleidingsorganisatie er zorg voor dragen dat
                                de arbeidsplaats voor de swgeïndiceerde adequaat wordt
                                ingevuld.</al></li><li nr="2."><al>De werkgever voldoet aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>Zijn onderneming staat ingeschreven bij de Kamer van
                                        Koophandel, mits de betreffende organisatie
                                        inschrijvingsplichtig is ;</al></li><li nr="b."><al>De aangeboden arbeidsplaats en de omvang daarvan zijn, gelet
                                        op de indicatiestelling en mogelijkheden van de
                                        swgeïndiceerde, als passend aan te merken;</al></li><li nr="c."><al>De duur van het dienstverband bedraagt tenminste zes
                                        maanden, met een mogelijkheid tot verlenging.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De begeleidingsorganisatie voldoet aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>Zijn onderneming staat ingeschreven bij de Kamer van
                                        Koophandel, mits de betreffende organisatie
                                        inschrijvingsplichtig is;</al></li><li nr="b."><al>De begeleidingsorganisatie en/of haar medewerkers zijn
                                        gekwalificeerd voor het begeleiden van de doelgroep, c.q. de
                                        swgeïndiceerde voor wie het Persoonsgebonden budget is
                                        bestemd;</al></li><li nr="c."><al>De begeleidingsorganisatie heeft aantoonbare kennis en
                                        ervaring in het werkveld;</al></li><li nr="d."><al>Het college beoordeelt of de betreffende
                                        begeleidingsorganisatie voldoet aan gestelde eisen en stelt
                                        hiertoe nadere richtlijnen op.</al><al/></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 4 De wijze van vaststelling van de periodieke subsidie aan de
                        werkgever </al><lijst><li nr="1"><al>Het college stelt op voorstel van de Wswgeïndiceerde de hoogte van
                                de subsidie aan de werkgever vast. </al></li><li nr="2"><al>Alvorens de hoogte van de subsidie vast te stellen vindt altijd een
                                loonwaardeonderzoek plaats. </al></li><li nr="3"><al>De hoogte van de loonkostensubsidie kan niet hoger zijn dan de
                                rijkssubsidie in het kader van de Wsw van betrokkene, verminderd met
                                de uitvoeringskosten van de gemeente en de uitvoerende instelling,
                                kosten voor eventuele aanpassingen van de omstandigheden waaronder
                                de werkzaamheden verricht worden en de begeleidingskosten. </al></li><li nr="4"><al>Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 10 van deze
                                verordening vindt jaarlijks een loonwaardebepaling plaats in geval
                                er sprake is van een dienstverband voor onbepaalde tijd. </al><al/></li></lijst><al>Artikel 5 Herziening van de loonkostensubsidie </al><lijst><li nr="1"><al>Op verzoek van de werkgever kan een loonkostensubsidie worden
                                herzien als hier, gelet op de ontwikkeling van de
                                arbeidsproductiviteit van de werknemer, aanleiding voor is. Wedeo
                                doet hiertoe een voorstel en legt dit ter beoordeling aan de
                                gemeente voor. Het college stelt hiertoe nadere richtlijnen op (zie
                                artikel 3, lid 3.d); </al></li><li nr="2"><al>De loonkostensubsidie kan ambtshalve worden gewijzigd als hier
                                gerede aanleiding toe is.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 6 De vergoeding aan de begeleidingsorganisatie </al><lijst><li nr="1"><al>De hoogte van de vergoeding aan de begeleidingsorganisatie en de
                                omvang van het aantal uren begeleiding wordt door de gemeente,
                                betreffende werkgever, betreffende begeleidingsorganisatie en Wedeo
                                in onderling overleg vastgesteld. Tussentijdse aanpassingen hierin
                                zijn mogelijk indien partijen dit vooraf overeenkomen. Het college
                                stelt hierover nadere richtlijnen op. </al></li><li nr="2"><al>De kosten van een begeleidingsorganisatie in verband met het zoeken
                                van een begeleid werkenplaats komen alleen voor vergoeding in
                                aanmerking als dit leidt tot het totstandkomen van een
                                arbeidsovereenkomst van minimaal zes maanden.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 7 Vergoeding voor eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van
                        de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht </al><al>1. Het college kan een vergoeding verstrekken voor de eenmalige kosten van
                        aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht als uit
                        een deskundigenrapport blijkt dat aanpassingen op de werkplek noodzakelijk
                        zijn, deze persoonsgerelateerd zijn, en het niet redelijk</al><al>is dat deze kosten door de werkgever worden gedragen. De kosten van dit
                        deskundigenrapport kunnen eveneens door het college worden vergoed. </al><al>2. Kosten voor aanschaf van apparatuur, kosten voor de werkplek en kosten
                        voortvloeiend uit arbowetgeving die de werkgever uit hoofde van normaal en
                        goed werkgeverschap voor iedere werknemer zou moeten maken komen niet in
                        aanmerking voor vergoeding door het college.</al><al>3. Een vergoeding wordt alleen verstrekt indien er sprake is van een
                        dienstverband van minimaal zes maanden.</al><al>4. Bij het beoordelen van de kosten van de noodzakelijke aanpassingen wordt
                        rekening gehouden met de aard van de handicap, de omvang van het
                        dienstverband en de duur van het dienstverband. De kosten van de aanpassing
                        zijn nooit hoger dan het verschil tussen het maximaal beschikbare
                        subsidiebedrag minus de loonkostensubsidie, de gemeentelijke
                        uitvoeringskosten, de kosten van de uitvoeringsorganisatie en de kosten van
                        de begeleidingsorganisatie.</al><al>5. Het college regelt de wijze van uitbetaling van de vergoeding. Het
                        college stelt hiertoe nadere regels op.</al><al/><al>Artikel 8 Indienen van de aanvraag </al><al>1. De aanvraag voor een persoonsgebonden budget wordt bij de gemeente
                        ingediend door middel van een volledig ingevulde aanvraag. De aanvraag wordt
                        medeondertekend door werkgever en de begeleidingsorganisatie. </al><al>2. Het college kan ten behoeve van de aanvraag een aanvraagformulier
                        vaststellen. </al><al>3. De gemeente voert de beoordeling van de aanvraag en het maken van de
                        beschikking uit en het college mandateert de overige uitvoerende
                        activiteiten aan een uitvoerend orgaan.</al><al/><al>Artikel 9 Beslistermijn </al><al>1. Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van
                        alle benodigde aanvraag. </al><al>2. Het college kan dit besluit met ten hoogste twee weken verdagen. Het
                        college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. </al><al/><al>Artikel 10 Het besluit tot verlenen van de periodieke subsidie </al><al>Het besluit tot verlening van een periodieke subsidie bevat in ieder geval: </al><al>a. de hoogte van de periodieke subsidie en de wijze waarop deze kan worden
                        aangepast;</al><al>b. wijze van bevoorschotting van de subsidie;</al><al>c. de verplichtingen van de werkgever.</al><al/><al>Artikel 11 Het vaststellen van de periodieke subsidie </al><al>1. De werkgever verstrekt jaarlijks aan de door het college aangewezen
                        uitvoeringsinstantie een schriftelijke opgave van het door hem in het
                        voorgaande jaar betaalde bruto CAOloon van de Wswgeïndiceerde, vermeerderd
                        met alle werkgeverslasten. </al><al>2. Het college stelt de periodieke subsidie jaarlijks vast.</al><al/><al>Artikel 12 Verrekening met de voorschotten </al><al>De subsidie wordt overeenkomstig de vaststelling binnen acht weken betaald,
                        onder verrekening van de betaalde voorschotten. </al><al/><al>Artikel 13 Verplichtingen van de werkgever </al><al>De werkgever doet onmiddellijk schriftelijke mededeling aan het college van
                        alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de
                        verstrekking van de subsidie.</al><al/><al>Artikel 14 Citeertitel en inwerkingtreding </al><al>1. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening persoonsgebonden
                        budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening. </al><al>2. Zij treedt in werking op 1 juli 2008. </al><al/></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>‘sHeerenberg, 5 juni 2008 </ondertekening><ondertekening>De raad van de gemeente Montferland, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, M.van der Leur </ondertekening><ondertekening>De voorzitter, mw. C.C. LeppinkSchuitema</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Op 1 januari 2008 is de herziene Wet sociale werkvoorziening (Wsw) in werking
                    getreden. Deze wet bevordert dat Wswgeïndiceerden meer in een reguliere
                    werkomgeving gaan werken. Om deze doelstelling te verwezenlijken voert de wet
                    enkele belangrijke wijzigingen door. Zo worden regie en sturing op de Wsw
                    nadrukkelijker in handen gelegd van gemeenten. Gemeenten worden hiermee
                    gestimuleerd een visie te ontwikkelen om het doel van de wet, het realiseren van
                    aangepaste arbeid die aansluit bij de capaciteiten en mogelijkheden van de
                    Wswgeïndiceerde, het beste te kunnen verwezenlijken. Een tweede verandering
                    heeft betrekking op het geven van meer rechten en keuzemogelijkheden aan
                    Wswgeïndiceerden, waaronder het recht op een persoonsgebonden budget (PGB) om
                    begeleid werken te realiseren. </al><al>De wet verplicht gemeenteraden om bij verordening nadere regels vast te stellen
                    over de wijze waarop het college vormgeeft aan het PGB (artikel 7, tiende lid,
                    Wsw). Gemeenteraden moeten binnen zes maanden na inwerkingtreding van de wet
                    deze verordening hebben vastgesteld. </al><al/><al><vet>Twee vormen van begeleid werken </vet></al><al>Sinds 1998 kent de Wsw de mogelijkheid van begeleid werken door Wswgeïndiceerden
                    bij een reguliere werkgever. Het begeleid werken was onder de oude wet geregeld
                    in het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken. Bij deze
                    vorm van begeleid werken worden begeleid werkenplekken tot stand gebracht door
                    gemeente of schap. Deze wijze van tot stand brengen van begeleid werken blijft
                    ook onder de nieuwe wet bestaan. </al><al>Naast het begeleid werken dat door gemeente of schap tot stand wordt gebracht,
                    introduceert de nieuwe Wsw het begeleid werken via de figuur van het
                    persoonsgebonden budget (PGB). Dit vanuit de gedachte dat de Wsw als vrijwillige
                    voorziening voor een specifieke groep arbeidsgehandicapten zo goed mogelijk moet
                    aansluiten bij de capaciteiten en mogelijkheden van een Wswgeïndiceerde. Daarbij
                    past ook dat Wswgeïndiceerden de mogelijkheid moeten hebben om zelf te bepalen
                    op welke manier hun arbeidsplaats wordt gerealiseerd. Door de Wswgeïndiceerde
                    een recht op een PGB te geven wordt hierin voorzien. Tussen beide vormen van
                    begeleid werken, totstandkoming via een PGB dan wel met behulp van gemeente of
                    schap, bestaat een aantal verschillen. Zo is begeleid werken met een PGB als een
                    recht voor elke Wswgeïndiceerde geformuleerd. Deze heeft recht op begeleid
                    werken met een PGB als de aanvraag aan de wettelijke eisen en de daarop
                    gebaseerde gemeentelijke voorwaarden voldoet. Bovendien ligt bij begeleid werken
                    met een PGB het initiatief bij de Wswgeïndiceerde zelf. De Wswgeïndiceerde, of
                    iemand namens hem, zal een PGB bij de gemeente moeten aanvragen en om dit te
                    kunnen doen zal hij zelf een werkgever en een begeleidingsorganisatie moeten
                    aandragen en de wijze van werkplekaanpassing moeten regelen, dan wel daar een
                    voorstel voor doen. Als een Wswgeïndiceerde (of een door hem ingeschakelde
                    begeleidingsorganisatie) een werkgever vindt die hem een adequate werkplek
                    aanbiedt, de begeleiding op de werkplek adequaat wordt geregeld én de kosten van
                    begeleid werken binnen het beschikbare budget vallen, dan is de gemeente (na de
                    aanvraag te hebben beoordeeld) verplicht de wens van de Wswgeïndiceerde te
                    honoreren. Iedere Wswgeïndiceerde komt in beginsel in aanmerking voor begeleid
                    werken met een </al><al>PGB. Voor personen op de wachtlijst geldt dat zij pas van het PGB gebruik kunnen
                    maken als zij op grond van hun plek op die wachtlijst aan de beurt zijn voor een
                    wswplek. Voor het beroep op een PGB is geen begeleid werkenindicatie van het CWI
                    vereist. Hij of zij hoeft daarvoor dus niet een </al><al>positief advies begeleid werken te hebben gekregen. Een swindicatie volstaat.
                    Ook een sw werknemer met een bestaand dienstverband kan dus een beroep doen op
                    een PGB. </al><al>Het verschil tussen begeleid werken dat door de gemeente of schap wordt
                    georganiseerd en begeleid werken met een PGB is in beginsel uitsluitend gelegen
                    in de procedurele wijze waarop een begeleid werkenplek tot stand wordt gebracht.
                    Als de begeleid werkenplek eenmaal is gerealiseerd zijn er in principe geen
                    verschillen. Dit betekent dat gemeenten bij het stellen van regels voor begeleid
                    werken met een PGB zoveel mogelijk kunnen aansluiten bij de wijze waarop zij het
                    begeleid werken op dit </al><al>moment organiseren. Dit geldt met name voor de eisen die zij aan werkgevers, de
                    werkplek en aan begeleidingsorganisaties stellen. </al><al/><al><vet>De regeling van begeleid werken met een PGB</vet></al><al>Het begeleid werken met een PGB wordt geregeld in artikel 7. De gemeente kan een
                    verzoek van een Wswgeïndiceerde om voor een PGB in aanmerking niet weigeren,
                    als: </al><lijst><li nr="1"><al>De betrokkene al een Wswdienstbetrekking heeft of recht heeft op
                            plaatsing vanaf de wachtlijst; </al></li><li nr="2"><al>De door de Wswgeïndiceerde of de door hem aangedragen
                            begeleidingsorganisatie voorgestelde werkplek en begeleiding op de
                            werkplek adequaat zijn; </al></li><li nr="3"><al>De door de gemeente aan de werkgever te verstrekken periodieke subsidie
                            en de aan begeleidingsorganisatie te verstrekken vergoeding, na aftrek
                            van de voor de gemeente rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden
                            uitvoeringskosten, niet hoger zijn dan het (gemiddelde) budget dat
                            beschikbaar is voor een Wswplaats. Komt het bedrag van de periodieke
                            subsidie en de periodieke vergoeding van begeleiding boven het budget
                            uit dat beschikbaar is voor een Wswplaats, dan is het college niet
                            verplicht om subsidie te verstrekken, maar mag het dat wel doen (artikel
                            7, eerste lid, Wsw). </al></li></lijst><al>Het uitgangspunt van de wet is dat een Wswgeïndiceerde recht heeft op begeleid
                    werken met een PGB. Het college heeft de bevoegdheid om op grond van de wet en
                    de voorwaarden in deze verordening te toetsen of het aangevraagde bedrag voor
                    het PGB nodig is om de betreffende Wswgeïndiceerde op een adequate wijze
                    begeleid te laten werken, dan wel dat zou kunnen worden volstaan met een lager
                    bedrag. Omgekeerd kan het college, hoewel hij de toekenning van een dergelijke
                    hogere aanvraag mag weigeren, ook besluiten een hoger bedrag toe te kennen dan
                    het beschikbare bedrag. </al><al>Het PGB bestaat uit drie bestanddelen: </al><al>1. Een periodieke subsidie aan de werkgever waar de Wswgeïndiceerde in dienst
                    is. Deze subsidie is primair bedoeld als een tegemoetkoming in de loonkosten in
                    verband met de geringere arbeidsproductiviteit. Ook kan deze subsidie worden
                    gebruikt als een vergoeding voor structurele kosten van de werkgever die verband
                    houden met het in dienst hebben van een Wswgeïndiceerde. Daarbij kan worden
                    gedacht aan reiskosten of kosten voor intermediaire activiteiten ten behoeve van
                    mensen met een visuele of auditieve handicap (zoals een voorleeshulp of een</al><al>doventolk). </al><al>2. Een periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie die de begeleiding
                    van de Wswgeïndiceerde verzorgt. </al><al>3. Een vergoeding voor de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de
                    omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht (artikel 7, derde lid, Wsw).
                    Hieronder worden bijvoorbeeld kosten verstaan die gemaakt worden voor technische
                    aanpassingen in de werkplek. Gemeenten kunnen deze vergoedingen verstrekken, ze
                    zijn daartoe niet verplicht. </al><al/><al>Het PGB is geen rugzakje: de Wswgeïndiceerde krijgt geen budget mee. In feite
                    moet het PGB als hier bedoeld dan ook eerder worden gezien als een
                    persoonsvolgend budget. Het PGB wordt aangevraagd door de Wswgeïndiceerde, maar
                    de subsidie en vergoeding worden door de gemeente verstrekt aan de werkgever
                    respectievelijk de begeleidingsorganisatie. De Wswgeïndiceerde heeft echter geen
                    recht op een bepaald budget. Het uitgangspunt van de wet is dat een
                    Wswgeïndiceerde recht heeft op begeleid werken met een PGB. Enerzijds bestaat er
                    dus een recht op een PGB, anderzijds heeft het college de verantwoordelijkheid
                    voor het zo efficiënt en effectief inzetten van publieke middelen en het
                    realiseren van de jaarlijkse (rijks)taakstelling voor het realiseren van
                    wswplekken. Het bestaan van een PGB ontslaat het college ook niet van de
                    zorgplicht zoals die is geformuleerd in art. 1 lid 3 van de wet. </al><al/><al><vet>De onderwerpen in de verordening</vet></al><al>In artikel 7, tiende lid, Wsw staan de onderwerpen genoemd die de gemeenteraad
                    in ieder geval in zijn verordening zal moeten regelen: </al><lijst><li nr="1"><al>de wijze waarop de hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever
                            dient te worden vastgesteld; </al></li><li nr="2"><al>de hoogte van de voor het college rechtstreeks aan de subsidieverlening
                            verbonden uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis; </al></li><li nr="3"><al>de voorwaarden waaronder het college aan de werkgever een vergoeding
                            verstrekt voor de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de
                            omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht, en </al></li><li nr="4"><al>de voorwaarden waaronder het college een begeleidingsorganisatie
                            inschakelt die door de Wswgeïndiceerde zelf is aangewezen. </al></li></lijst><al>Naast deze vier verplichte onderwerpen kunnen gemeenten nog een aantal andere
                    zaken in hun verordening regelen of daaraan in ieder geval aandacht besteden als
                    ze het PGB gaan regelen. Het gaat dan om voorwaarden die de gemeente kan stellen
                    aan de werkgever en de werkplek van de Wswgeïndiceerde. Het college zal bij elke
                    aanvraag van een PGB moeten beoordelen of de werkgever de voorgestelde inpassing
                    in de arbeid adequaat kan verzorgen. In verband hiermee kan een gemeente eisen
                    stellen aan de werkgever en de door hem aangeboden werkplek. Omdat begeleid
                    werken met een PGB een recht is voor alle Wswgeïndiceerden, zullen eventuele
                    voorwaarden waaronder dit recht kan worden gerealiseerd bij verordening moeten
                    worden geregeld. </al><al>Daarnaast kunnen ook procedurele bepalingen in de verordening worden opgenomen
                    die verband houden met het feit dat een PGB moet worden aangevraagd. Het gaat
                    dan om aangelegenheden als gegevens en documenten die bij de aanvraag voor een
                    PGB moeten worden overgelegd, de beslistermijn en de bevoegdheid van het college
                    om een subsidie te wijzigen. </al><al/><al><vet>Keuzes gemeenten</vet></al><al>Het voorliggende model biedt gemeenten (schappen) handvatten om het PGB te
                    regelen. Uitgangspunt is een sober model met daarin (zo veel mogelijk)
                    keuzemogelijkheden voor gemeenten. Deze mogelijkheden, of onderdelen daarvan,
                    zijn daarom expliciet cursief weergegeven in de tekst. In de toelichting wordt
                    daarnaast nog een aantal suggesties gedaan die gemeenten (schappen) in
                    overweging kunnen nemen bij de definitieve vaststelling van de verordening. De
                    lokale en regionale praktijk en de onderscheiden beleidswensen op dit dossier
                    zijn te gevarieerd om met één sjabloon te komen voor het hele land. Vanuit deze
                    optiek dient deze verordening dan ook gelezen en inhoudelijk beoordeeld te
                    worden. Verder draagt de sobere opzet van het model bij tot het zoveel mogelijk
                    beperken van administratieve lasten voor de uitvoering. Ook verdergaande
                    digitalisering van administratieve processen kan deze lastenbeperking verder
                    versterken. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat online door de gemeente bij de
                    KvK wordt ingezien of de onderneming van de werkgever of de
                    begeleidingsorganisatie is ingeschreven.</al><al/><al><vet>Onderscheid subsidies en vergoedingen</vet></al><al>De wet maakt een onderscheid tussen subsidies en vergoedingen. De periodieke
                    betalingen door de gemeente aan een werkgever worden als een subsidie aangemerkt
                    en de periodieke betalingen aan de begeleidingsorganisatie als een vergoeding.
                    Ook de betalingen in verband met eenmalige kosten van aanpassing van de werkplek
                    worden in de wet als een vergoeding aangemerkt. </al><al>Om vast te stellen of een bepaalde geldverstrekking een subsidie is (die op
                    basis van een beschikking wordt verstrekt) of een commerciële transactie
                    (waarvoor een overeenkomst wordt gesloten) doet de naamgeving van de
                    geldverstrekking niet ter zake. Als tegenover de betaling door de gemeente een
                    reële economische tegenprestatie staat (in de vorm van een concrete dienst of
                    concreet product), is er sprake van een commerciële transactie. Staat tegenover
                    de betaling door de gemeente geen duidelijke economische tegenprestatie, dan is
                    er sprake van een subsidie. Dit betekent dat de periodieke subsidie aan de
                    werkgever en de vergoeding voor de eenmalige kosten van aanpassing van de
                    werkplek moeten worden aangemerkt als een subsidie. Dit, ondanks de andere
                    terminologie (vergoeding) die het rijk hier aan geeft in de wet. Tegenover deze
                    betalingen staan immers geen economische tegenprestaties van werkgevers. De
                    periodieke vergoeding aan een begeleidingsorganisatie moet worden opgevat als
                    een commerciële transactie. De gemeente koopt een dienst in bij de
                    begeleidingsorganisatie en betaalt daarvoor in principe de marktprijs. </al><al>Het verstrekken van subsidies is een publiekrechtelijke rechtshandeling: het
                    vindt plaats op basis van een beschikking. De bepalingen in de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) zijn in beginsel van toepassing op de subsidies die de
                    gemeente in het kader van het PGB verstrekt. In de verordening kunnen nadere
                    regels worden gesteld over de subsidieverstrekking in het kader van het PGB. De
                    verstrekking van periodieke vergoedingen aan een begeleidingsorganisatie is
                    privaatrechtelijk van aard. Hierover hoeven in de verordening in beginsel geen
                    regels te worden gesteld. Niettemin kan het om reden van transparantie en
                    explicitering van beleidsuitgangspunten gewenst zijn dit wél te doen. </al><al/><al><vet>De bevoegdheid om de verordening vast te stellen</vet></al><al>De uitvoering van de Wsw gebeurt in praktijk op verschillende manieren. Een
                    aantal gemeenten (vaak de grotere) voert de Wsw zelf uit. De meeste gemeenten
                    voeren de Wsw uit samen met andere gemeenten. In de meeste gevallen hebben de
                    gemeenten daarbij de uitvoering van de Wsw overgedragen aan een
                    gemeenschappelijke regeling. Voor gemeenten die zelf de Wsw uitvoeren ligt het
                    vaststellen van een verordening eenvoudig; dat is een besluit van de raad. Voor
                    gemeenten die de uitvoering van de Wsw hebben overgedragen aan een
                    gemeenschappelijke regeling is dit complexer. Het antwoord op de vraag wie dan
                    bevoegd is om de (PGB)verordening vast te stellen is afhankelijk van de wijze
                    waarop de bestuursorganen van gemeenten op dit moment bevoegdheden hebben
                    overgedragen aan gemeenschappelijke regelingen. </al><al>In de praktijk blijken veel van de bestaande gemeenschappelijke regelingen op
                    het terrein van de sociale werkvoorziening een of meer bepalingen te bevatten
                    die er op neerkomen dat alle (raadsen college)bevoegdheden als genoemd in de Wsw
                    automatisch worden overgedragen aan de gemeenschappelijke regeling. Als na de
                    inwerkingtreding van de nieuwe Wsw de tekst van zo’n gemeenschappelijke regeling
                    niet wordt aangepast kan dat, afhankelijk van de formulering van die
                    bevoegdheden, tot gevolg hebben dat de bevoegdheid van de raad om de
                    (PGB)verordening vast te stellen overgaat naar het algemeen bestuur van het
                    schap. Gemeenten zullen dus moeten nagaan hoe de huidige gemeenschappelijke
                    regeling luidt en in hoeverre dat een al dan niet gewenste situatie oplevert
                    voor wat betreft de bevoegdheid om de verordening PGB te laten vaststellen door
                    het algemeen bestuur van het schap. </al><al>Overigens gaat de discussie over de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenten en
                    schap over meer aspecten van uitvoering van de Wsw dan alléén de vraag wie
                    bevoegd is om de (PGB) verordening vast te stellen. Daarover zijn door de VNG
                    ook verschillende workshops georganiseerd. Informatie daarover is beschikbaar op
                    www.vng.nl en www.aanhetwerkmetdewsw.nl. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Artikel 1 </al><al>In artikel 1 is een beperkt aantal begrippen opgenomen, omdat de wet voldoende
                    duidelijk is over gehanteerde termen en begrippen. Een uitgebreide(re)
                    begrippenlijst is derhalve overbodig. </al><al/><al>Artikel 2 </al><al>Artikel 7, tiende lid, onderdeel b, Wsw bepaalt dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels stelt over de hoogte van de voor het college rechtstreeks aan
                    de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis.
                    Artikel 2 van deze verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. </al><al>In dit artikel wordt bepaald dat het college elk jaar de hoogte van de
                    gemeentelijke uitvoeringskosten van begeleid werken met een PGB vaststelt. De
                    gemeente zal zelf moeten bepalen welke uitvoeringskosten het toekennen van een
                    PGB aan een Wswgeïndiceerde voor de gemeente met zich meebrengt. De wet geeft
                    niet aan wat precies onder uitvoeringskosten moet worden verstaan. Het moet in
                    ieder geval gaan om kosten die rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden
                    zijn (artikel 7, tweede lid, onderdeel b, Wsw). Daarbij kan worden gedacht aan
                    kosten in verband met de volgende activiteiten: </al><al>- het beoordelen van aanvragen voor een PGB; </al><al>- de administratieve handelingen in verband met het verstrekken van subsidies en
                    vergoedingen in het kader van het PGB; </al><al>- het monitoren van het begeleid werken met een PGB; </al><al>- het tussentijds bepalen van loonwaarde; </al><al> - het voeren van (tussentijdse) gesprekken met begeleidingsorganisatie en
                    werkgever. </al><al>De uitvoeringskosten worden afgetrokken van het bedrag dat de gemeente
                    (gemiddeld) per Wswgeïndiceerde van het rijk ontvangt, waarbij ook rekening
                    wordt gehouden de mate van arbeidshandicap. Het bedrag dat de gemeente
                    (gemiddeld) per Wswgeïndiceerde van het rijk ontvangt minus de (gemiddelde)
                    uitvoeringskosten per Wswgeïndiceerde levert vervolgens het bedrag op dat de
                    gemeente in beginsel beschikbaar heeft voor een PGB. </al><al/><al>Alternatieve bepaling </al><al>Als de raad de hoogte van de uitvoeringskosten zelf wil vaststellen, kan dat
                    bijvoorbeeld op de volgende manier: ‘De uitvoeringskosten bedragen &lt;bedrag in
                    euro’s&gt;. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de hand van het
                    prijsindexcijfer van het CBS’. </al><al>Voor het jaar 2008 is het formeel nog niet mogelijk om het budget voor
                    uitvoeringskosten voor 31 december vast te stellen. De verordening is immers nog
                    niet van kracht. Op grond van de wet moet zij in werking treden binnen zes
                    maanden nadat de wet in werking is getreden. De verordening moet dus uiterlijk
                    voor 1 juli 2008 zijn vastgesteld. Gemeenten moeten voor die tijd het budget aan
                    uitvoeringskosten vaststellen voor de tweede helft van 2008. </al><al/><al>Artikel 3 </al><al>Het college zal bij elke aanvraag van een PGB moeten beoordelen of de inpassing
                    in de arbeid van betrokkene, met inbegrip van begeleiding op zijn werkplek
                    adequaat door de werkgever wordt verzorgd (artikel 7, eerste lid, Wsw). In
                    verband hiermee kan een gemeente eisen stellen aan de werkgever en de door hem
                    aangeboden werkplek. In artikel 7, tiende lid, Wsw dient de gemeenteraad in zijn
                    verordening de voorwaarden te regelen waaronder het college een
                    begeleidingsorganisatie inschakelt die door de Wswgeïndiceerde is aangewezen. </al><al>Het ligt voor de hand dat de gemeente bij het stellen van eisen aan werkgevers
                    en begeleidingsorganisaties in het kader van begeleid werken met een PGB zoveel
                    mogelijk probeert aan te sluiten bij de wijze waarop zij op dit moment begeleid
                    werken organiseert. </al><al>Als het gaat om voorwaarden waaraan werkgevers moeten voldoen, kan worden
                    gedacht aan: </al><al>- inschrijving van zijn onderneming bij de Kamer van Koophandel (een dergelijke
                    bepaling kan overigens niet worden opgenomen voor overheidsorganisaties of
                    daaraan gelieerde instellingen, omdat die niet bij de KvK zijn of kunnen worden
                    ingeschreven); </al><al>- de duur van het dienstverband; </al><al>- de aangeboden arbeidsplaats is passend in het licht van de indicatiestelling
                    door het CWI en de mogelijkheden en beperkingen van de Wswgeïndiceerde; </al><al>- de salariëring is gebaseerd op de voor het bedrijf of de betreffende branche
                    geldende CAO of arbeidsvoorwaarden; </al><al>- situatie met betrekking tot arbeidsomstandigheden, veiligheid en de
                    aanwezigheid van risicoanalyses. </al><al>Een aantal mogelijke opties zijn, ter keuze, in het model opgenomen in lid 2. </al><al>Voor wat betreft de duur van het, minimale, dienstverband is wellicht nog van
                    belang dat het rijk de bonus voor begeleid werken pas uitkeert als er sprake is
                    van een dienstverband van zes maanden. Dat zou een reden kunnen bij de afweging
                    om al dan niet een, minimale, duur van het dienstverband in de verordening op te
                    nemen. </al><al>Wat betreft de voorwaarden waaraan begeleidingsorganisaties moeten voldoen kan
                    worden gedacht aan: </al><al>- inschrijving bij de Kamer van Koophandel (mits de betreffende organisatie
                    inschrijvingsplichtig is); </al><al>- taakvervulling met inachtneming van de stand van de wetenschap en die van de
                    arbeidsen organisatiekunde; </al><al>- beschikking over voldoende opgeleide deskundigen die de arbeidsinpassing met
                    inbegrip van de begeleiding op de werkplek adequaat kunnen verzorgen; </al><al>- (gespecialiseerde) kennis met betrekking tot specifieke kenmerken (van delen)
                    van de doelgroep; </al><al>- transparantie en marktconforme prijsstelling; liquiditeitsen
                    solvabiliteitspositie. </al><al>Ook hier zijn een aantal opties, ter keuze, in het model opgenomen (lid 3). </al><al>Punt van aandacht is hier wél dat bij het stellen van (kwaliteits)eisen aan
                    begeleidingsorganisaties zich de vraag voordoet of, en in hoeverre (stringente)
                    eisen aan de begeleidingsorganisatie zijn te verenigen met het, in beginsel,
                    vrije keuzerecht van een Wswgeïndiceerde voor een dergelijke organisatie. </al><al/><al>Artikel 4 </al><al>De gemeenteraad dient bij verordening nadere regels te stellen met betrekking
                    tot de wijze waarop de hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever dient
                    te worden vastgesteld (artikel 7, tiende lid, onderdeel a, Wsw). De periodieke
                    subsidie bestaat uit een loonkostensubsidie en eventueel ook uit een vergoeding
                    voor structurele kosten van de werkgever die verband houden met het in dienst
                    hebben van een Wswgeïndiceerde (bijvoorbeeld reiskosten of terugkerende kosten
                    voor intermediaire activiteiten). </al><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het verstrekken van een tegemoetkoming in
                    de loonkosten in verband met de geringere arbeidsproductiviteit van de
                    Wswgeïndiceerde. Om te kunnen bepalen wat de hoogte van de loonkostensubsidie
                    moet zijn, is inzicht nodig in de verdiencapaciteit (loonwaarde) van de
                    betrokken Wswgeïndiceerde. In de praktijk kan de hoogte van de
                    loonkostensubsidie worden bepaald in onderhandeling. Daarbij wordt in veel
                    gevallen overigens gebruik gemaakt van bestaande methodieken voor inschatting
                    van de loonwaarde. Ook het functieprofiel van de te vervullen functie en het
                    daarbij behorende (CAO)loon maken vaak deel uit van dit proces. </al><al>In het model is gekozen voor een methode waarbij een percentage van het bruto
                    loon als maximale loonkostensubsidie kan worden verstrekt. De hoogte van het
                    betreffende percentage stellen gemeenten zelf vast. Vanuit een oogpunt van
                    administratieve lastenverlichting is deze methode te verkiezen. Bovendien blijkt
                    uit ervaringsgegevens in de praktijk dat dit een werkbare manier is. De hoogte
                    van het betreffende percentage stellen gemeenten zelf vast. Om te voorkomen dat
                    ook in gevallen waarbij gerede twijfel is of de werkgever het betreffende
                    (generiek vastgestelde percentage loonkosten) wel nodig heeft, dus in het geval
                    de verdiencapaciteit van de Wswgeïndiceerde door het college hoger wordt
                    ingeschat dan het bedrag aan loonkostensubsidie rechtvaardigt, vindt alsnog
                    vooraf een loonwaardebepaling plaats. Ook vindt die plaats als het voorstel voor
                    de loonkostensubsidie hoger is dan het bedrag dat volgt uit lid 2. Dit wordt
                    geregeld in lid 4. </al><al>Voor zover het college in alle gevallen de loonkostensubsidie wil baseren op een
                    loonwaardebepaling vooraf, zou lid 2 als volgt kunnen luiden: ‘De te verstrekken
                    loonkostensubsidie wordt bepaald op basis van de loonwaarde van de
                    Wswgeïndiceerde. Het college kan desgewenst de loonwaarde laten vaststellen aan
                    de hand van een loonwaardeonderzoek. Daarbij kan een externe deskundige worden
                    ingeschakeld’. </al><al>In dat geval zijn de leden 3 en 4 van het voorgestelde artikel overbodig.
                    Ingeval er sprake is van een dienstverband voor onbepaalde tijd kan het
                    wenselijk zijn om periodiek onderzoek te doen naar de loonwaarde, om op die
                    manier een actueel beeld te krijgen en zo mogelijk het subsidie bij te stellen.
                    In lid 5 is daartoe een voorbeeldbepaling opgenomen. </al><al>Het verstrekken van subsidies aan werkgevers kan onder bepaalde omstandigheden
                    vallen onder staatssteun (die op grond van Europese regelgeving verboden is).
                    Voor het verstrekken van loonkostensubsidies aan werkgevers die Wswgeïndiceerden
                    in dienst hebben is de Europese Vrijstellingsverordening werkgelegenheidssteun
                    van belang. Deze Europese verordening staat toe dat maximaal 60% van de
                    loonkosten wordt gesubsidieerd zonder dat daaraan een individuele
                    loonwaardebepaling ten grondslag ligt. </al><al/><al>Artikel 5 </al><al>De productiviteit van een swgeïndiceerde kan wijzigen, als deze persoon langer
                    op een begeleid werkenplek werkzaam is. Als dat het geval is, kan de
                    loonkostensubsidie worden aangepast. De werkgever kan dan, als de
                    productiviteit, c.q. verdiencapaciteit van de werknemer minder wordt, na overleg
                    en met instemming van de werknemer, een verzoek indienen om de
                    loonkostensubsidie te herzien. De werkgever moet zijn verzoek om herziening met
                    redenen omkleden. </al><al>Ook ambtshalve kan het college, als er een gerede aanleiding is voor een
                    (tussentijds) aanpassing van het subsidie, een hernieuwde beoordeling voor de
                    hoogte van het subsidie doen. Dit zal zich overigens alleen in uitzonderlijke
                    gevallen voordoen, bijvoorbeeld als er sprake is van kennelijke onredelijkheid
                    bij handhaving van een bestaande situatie. In de praktijk zal het waarschijnlijk
                    vaker voorkomen dat in de subsidiebeschikking aan de werkgever wordt opgenomen
                    hoe, en op welke wijze, (tussentijdse) herbeoordelingen van loonwaarde zullen
                    plaatsvinden (art. 4 lid 5 cursief en art. 10) . </al><al>De herbeoordeling van de loonwaarde kan plaatsvinden op basis van een
                    loonwaardeonderzoek. In de verordening kan ook worden bepaald dat een eventuele
                    (tussentijdse) herziening van de periodieke subsidie altijd plaatsvindt op basis
                    van een loonwaardeonderzoek. In dat geval moet er een derde lid aan het artikel
                    worden toegevoegd dat kan luiden: ‘De herziening van de loonkostensubsidie vindt
                    plaats op basis van een loonwaardeonderzoek’. Daarbij kan een externe deskundige
                    worden ingeschakeld’. </al><al/><al>Artikel 6 </al><al>Omdat de vergoedingen aan begeleidingsorganisaties op basis van een overeenkomst
                    plaatsvinden, en in feite de uitkomst is van overleg hierover, hoeft dit artikel
                    in principe niet in de verordening te worden opgenomen. Niettemin kan het
                    wenselijk zijn hierover een bepaling in de verordening op te nemen. Het college
                    kan dergelijke voorwaarden ook opnemen in eigen richtlijnen of hierover
                    onderhandelen. Op basis van ervaringsgegevens blijkt dat de omvang van het
                    aantal uren aan begeleiding in de tijd kan variëren, afhankelijk van de behoefte
                    hieraan en de aard van de handicap. Daarom is, ook facultatief, de mogelijkheid
                    in de verordening opgenomen om het aantal uren aan begeleiding, en dus de
                    vergoeding, aan te passen. Partijen (gemeente, swgeïndiceerde en
                    begeleidingsorganisatie) moeten het hier uiteraard wel over eens zijn en van te
                    voren met elkaar afspreken dat periodieke evaluaties over aanpassingen in de
                    omvang van het aantal begeleidingsuren plaats vinden. Op die manier kan maatwerk
                    in de begeleiding worden geleverd. </al><al>In het tweede lid is facultatief de mogelijkheid opgenomen om het zoeken naar
                    een werkplek pas te honoreren als dit ook daadwerkelijk leidt tot een
                    arbeidsovereenkomst (no cure, no pay). Het stelsel van de PGB gaat uit van de
                    veronderstelling dat een swgeïndiceerde zelf met een werkgever aankomt. In de
                    praktijk komt het echter voor dat de begeleidingsorganisatie, c.q. het
                    reïntegratiebedrijf, eerst een werkplek moet gaan zoeken, omdat die op voorhand
                    niet beschikbaar is. Art. 7 lid 4 van de wet geeft dit ook aan. Lukt het zoeken
                    van een werkplek niet, of niet tijdig, en er zou toch voor die dienst moeten
                    worden betaald, dan kan dit vanuit financieel oogpunt ongewenst zijn. Vandaar
                    de, optionele, no cure, no pay bepaling in lid 2. </al><al/><al>Artikel 7 </al><al>De verordening dient regels te bevatten die betrekking hebben op de voorwaarden
                    waaronder het college aan de werkgever een vergoeding (subsidie) verstrekt voor
                    de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder
                    arbeid wordt verricht (artikel 7, tiende lid, Wsw). Dit artikel vormt de
                    uitwerking van deze verplichting. </al><al>Het eerste lid bepaalt dat een eenmalige vergoeding kan worden verstrekt.
                    Optioneel is opgenomen dat daar ook een deskundigenrapport voor nodig is. Het
                    derde lid stelt een minimale duur aan het dienstverband dat de werkgever met de
                    betrokken Wswgeïndiceerde moet aangaan, alvorens tot investeringen wordt
                    overgegaan. In het vierde lid wordt, facultatief, een maximum gesteld aan de
                    hoogte van de vergoeding. De gedachte hierachter is dat als de kosten boven dit
                    bedrag uitgaan de aangeboden arbeidsplaats als niet passend moet worden
                    beschouwd. In de praktijk zullen hierbij van geval tot geval kosten en baten
                    tegen elkaar moeten worden afgewogen. Omdat hier sprake is van maatwerk is niet
                    bij benadering aan te geven op welke bedrag dit moet worden gemaximeerd.
                    Duidelijk is dat hier de criteria van redelijkheid en maatwerk van belang zijn
                    om een verantwoorde en zorgvuldige afweging te maken. De aard van de voorziening
                    kan immers van geval tot geval verschillen en overigens ook gerelateerd zijn aan
                    de aard van de handicap. Bovendien hoeft er niet persé sprake te zijn van
                    aanpassingen van bouwkundige aard. Het kan ook gaan om (aangepaste) apparatuur
                    die een swgeïndiceerde kan gebruiken bij een andere werkgever. </al><al>Het vijfde lid bepaalt dat het college de wijze van uitbetaling van de
                    vergoeding regelt. Daarbij kan worden gedacht aan de termijnen van
                    betaling.</al><al/><al>Artikel 8 </al><al>De Wswgeïndiceerde zal het PGB moeten aanvragen. Omdat begeleid werken met een
                    PGB leidt tot een subsidierelatie met de werkgever (in verband met het
                    verstrekken van een periodieke subsidie) en een contractrelatie met de
                    begeleidingsorganisatie (in verband met het verstrekken van een periodieke
                    vergoeding), zullen ook de werkgever en de begeleidingsorganisatie van de
                    Wswgeïndiceerde de aanvraag moeten ondertekenen. Op basis van de aanvraag
                    beslist het college vervolgens of een periodieke subsidie aan de werkgever en
                    een periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie worden verstrekt en
                    voor welke bedragen. Vervolgens vindt de verstrekking van de periodieke subsidie
                    aan de werkgever plaats op basis van een beschikking en de verstrekking van een
                    periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie op basis van een
                    overeenkomst. </al><al/><al>Artikel 9 </al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><al>Artikel 10 </al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><al>Artikel 11 </al><al>Met het vaststellen van de subsidie wordt de subsidieverstrekking voor het
                    betreffende kalenderjaar afgerond. De hoogte van het subsidiebedrag voor dat
                    jaar wordt definitief vastgesteld. Om de subsidie te kunnen vaststellen, dient
                    de werkgever een schriftelijke opgave te doen van het door hem in het voorgaande
                    jaar betaalde bruto CAOloon van de Wswgeïndiceerde, vermeerderd met alle
                    werkgeverslasten.</al><al/><al>Artikel 12 Verrekening met de voorschotten </al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><al>Artikel 13 Verplichtingen van de werkgever </al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><al>Artikel 14 Citeertitel en inwerkingtreding. </al><al>De verordening moet binnen zes maanden na inwerkingtreding van de wet zijn
                    vastgesteld. </al><al/><al>’s-Heerenberg, 5 juni 2008. </al><al/><al>De raad van de gemeente Montferland, </al><al>De griffier, M.van der Leur </al><al>De voorzitter, C.C. Leppink-Schuitema</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>