<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR119209_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Zwartewaterland 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwartewaterland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwartewaterland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.zwartewaterland.nl/index.php?simaction=content&amp;mediumid=1&amp;pagid=379&amp;stukid=17575">De 3 Watersteden, 11okt2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reglement van Orde voor de Gemeenteraad</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=16&amp;g=2011-10-19">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-09-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-10-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Vervanging van ingetrokken reglement</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad
                van de gemeente Zwartewaterland 2011 vastgesteld 15 september 2011.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al>De raad van de gemeente Zwartewaterland;</al><al>Gelezen het voorstel van het Presidium, van september 2011;</al><al>Gelet op </al><lijst><li nr="-"><al>a. artikel 16 van de Gemeentewet;</al></li><li nr="-"><al>b. artikel 15 (lid 3), artikel 41 c (lid2) en artikel 69 van de
                                Gemeentewet;</al></li><li nr="-"><al>c. hoofdstuk VI van de Gemeentewet;</al></li><li nr="-"><al>d. artikel 33 van de Gemeentewet;</al></li><li nr="-"><al>e. de besluiten van de gemeenteraad van Zwartewaterland op 22 april
                                2010 en</al><al> 16 juni 2011 aangaande werkwijze van de gemeenteraad in
                                Zwartewaterland</al></li></lijst><al>Besluit:</al><al>a.het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van
                        de raad van de gemeente Zwartewaterland 2007 in te trekken en het Reglement
                        van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de
                        gemeente Zwartewaterland 2011 vast te stellen;</al><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Zwartewaterland van 29 september 2011.</al><al>de griffier, de voorzitter,</al><al>A.J. Kastelein - Renkema ing. E.J. Bilder</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger;</al></li><li nr="b."><al>plaatsvervangend voorzitter: het raadslid dat door de raad is
                                    aangewezen als waarnemer van de voorzitter van de raad als
                                    bedoeld in artikel 77, eerste lid van de gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>griffier: de griffier van de raad of diens plaatsvervanger;</al></li><li nr="d."><al>amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of
                                    ontwerpbeslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te
                                    worden opgenomen;</al></li><li nr="e."><al>subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig
                                    amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen
                                    in het amendement, waarop het betrekking heeft;</al></li><li nr="f."><al>motie: korte en gemotiveerde verklaring of uitspraak over een
                                    onderwerp waardoor een oordeel, wens of verzoek kenbaar wordt
                                    gemaakt;</al></li><li nr="g."><al>voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de
                                    vergadering;</al></li><li nr="h."><al>initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een
                                    ander voorstel;</al></li><li nr="i."><al>A-onderwerp: een raadsvoorstel op de raadsagenda waarbij
                                    meningsvorming en beeldvorming en eventueel besluitvorming door
                                    de gemeenteraad plaatsvindt;</al></li><li nr="j."><al>B-onderwerp: een onderwerp op de raadsagenda waarbij het de
                                    bedoeling is dat tijdens de vergadering een besluit aangaande
                                    dat onderwerp wordt genomen;</al></li><li nr="k."><al>ronde tafelbijeenkomst: een informatieve bijeenkomst waar
                                    onderwerpen centraal staan die op één van de komende
                                    raadsvergaderingen aan de orde komen en de raad zich kan laten
                                    informeren door verschillende betrokkenen bij dit
                                    onderwerp;</al></li><li nr="l."><al>informatiebijeenkomst: een informatieve bijeenkomst waar de raad
                                    wordt geïnformeerd over voor haar van belang zijnde
                                    onderwerpen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- De voorzitter</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde van de vergadering;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van het reglement van orde;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder
                                        opdraagt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de voorzitter dit nodig oordeelt, kan hij de vergadering voor
                                een door hem te bepalen tijd schorsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt het
                                voorzitterschap waargenomen door de plaatsvervangend
                                voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de voorzitter als portefeuillehouder aan de beraadslagingen
                                moet deelnemen over grote onderwerpen uit zijn portefeuille of bij
                                de begrotingsbehandeling van zijn portefeuille wordt de vergadering
                                tijdens deze beraadslagingen geleid door de plaatsvervangend
                                voorzitter.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- De griffier</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen
                                door een door de raad daartoe aangewezen plaatsvervangend
                                griffier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De griffier kan, indien hij daartoe door de voorzitter wordt
                                uitgenodigd, aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement
                                deelnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- De secretaris</titel></kop><al>De raad kan het college verzoeken de secretaris in de vergadering
                            aanwezig te laten zijn. De secretaris kan in de vergadering gevraagd
                            worden vragen te beantwoorden en/of een toelichting te geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Het presidium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad heeft een presidium.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het presidium bestaat uit de voorzitter, de plaatsvervangend
                                voorzitter en de fractievoorzitters.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter van de raad is voorzitter van het presidium. Bij
                                afwezigheid van de voorzitter wordt hij in een vergadering van het
                                presidium vervangen door de plaatsvervangend voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Elke fractievoorzitter wijst een lid van de raad aan, dat hem bij
                                afwezigheid in het presidium vervangt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Elke fractievoorzitter heeft één stem in het presidium.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het presidium heeft, naast de taken opgenomen in de artikelen 9, 11,
                                12, 16, 21, 37, 41, 43 en 44 van dit reglement, tot taak:</al><lijst><li nr="a."><al>Het bepalen van de werkzaamheden van de raad;</al></li><li nr="b."><al>Het aansturen van de werkzaamheden van de raad;</al></li><li nr="c."><al>Het opstellen van een raadsplanning voor de raad;</al></li><li nr="d."><al>Het voorbereiden van de agenda’s van de informatieavonden en
                                        ronde tafelbijeenkomsten;</al></li><li nr="e."><al>Het evalueren van het functioneren van raad;</al></li><li nr="f."><al>De begroting van de raad voorbereiden;</al></li><li nr="g."><al>Voorstellen te doen over de toepassing en wijziging van het
                                        reglement van orde van de raad;</al></li><li nr="h."><al>Zorg te dragen voor de communicatie over de raad;</al></li><li nr="i."><al>Voortgangsbewaking van de door de raad aangenomen moties en
                                        de door het college van burgemeester en wethouders gedane
                                        toezeggingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het presidium kan de wethouder(s) of de secretaris uitnodigen deel
                                te nemen aan een vergadering van het presidium.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het presidium bepaalt zijn eigen werkwijze en wordt bijgestaan door
                                de griffier.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- De agendacommissie</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Toelating van nieuwe leden; fracties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7A</nr><titel>- Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging raadsleden ;</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een
                                commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie
                                onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken
                                van nieuw benoemde leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag
                                uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In
                                het verslag wordt ook melding gemaakt van een
                                minderheidsstandpunt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau
                                gebeurt in de laatste samenkomst van de raad in de oude
                                samenstelling na de verkiezing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van
                                de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe
                                samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de
                                voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter
                                een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad
                                waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed
                                of verklaring en belofte af te leggen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij de benoeming van een wethouder wordt overeenkomstig het eerste
                                lid een commissie ingesteld welke onderzoekt of de kandidaat voldoet
                                aan de eisen van de Gemeentewet. De werkwijze van deze commissie is
                                overeenkomstig het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7B</nr><titel>- Onderzoek benoembaarheid wethouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter stelt een commissie ‘benoembaarheid wethouders' in,
                                die onderzoek verricht naar de benoembaarheid van één of meer
                                wethouders en de gemeenteraad hierover schriftelijk adviseert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie bestaat uit de fractievoorzitters en de voorzitter van
                                de gemeenteraad. Indien de fractievoorzitter kandidaat-wethouder is,
                                treedt de (beoogd) vice-fractievoorzitter in diens plaats. De
                                commissie wordt ondersteund door de griffier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij tussentijdse benoemingen van (een) wethouder(s) zal in deze
                                commissie geen fractievoorzitter zitting hebben, behorende tot de
                                fractie van waaruit de kandidaat wordt voorgedragen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij een compleet nieuwe collegebenoeming is het derde lid niet van
                                toepassing. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De commissie kiest uit zijn midden een voorzitter die tevens als
                                woordvoerder in de gemeenteraad optreedt. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De kandidaat-wethouder legt de documenten en informatie over die
                                nodig zijn voor de in het hiernavolgende lid door de commissie te
                                verrichten toetsing. De kandidaat-wethouder maakt bovendien alle
                                overige door hem/haar in dat verband relevant geachte informatie aan
                                de commissie kenbaar.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De commissie toetst de van de kandidaat-wethouder ontvangen
                                documenten en informatie aan de hand van in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de verklaring van goed gedrag (VOG);</al></li><li nr="b."><al>de artikelen 35, 36a, 10 en 41a Gemeentewet
                                        (benoembaarheidsvereisten);</al></li><li nr="c."><al>de artikelen 41b en 12 Gemeentewet (nevenfuncties);</al></li><li nr="d."><al>artikel 36b Gemeentewet (onverenigbare functies);</al></li><li nr="e."><al>de artikelen 41c, 15 en 46 Gemeentewet (onverenigbare of
                                        verboden handelingen);</al></li><li nr="f."><al>de gedragscode voor burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Zwartewaterland en de Handreiking integriteit van
                                        politieke ambtsdragers bij gemeenten, provincies en
                                        waterschappen 2010;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Daarnaast toetst de commissie aangeleverde kopieën van onder andere
                                getuigschriften, diploma's en certificaten van de opgegeven
                                opleiding(en) en scholing.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De commissie verricht zijn werkzaamheden in een niet-openbare
                                vergadering waarvan geen verslag wordt gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De kandidaat-wethouder wordt in de gelegenheid gesteld de documenten
                                en aangedragen informatie mondeling toe te lichten.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Op basis van de beoordeelde informatie formuleert de commissie een
                                schriftelijk beargumenteerd advies aan de gemeenteraad ten aanzien
                                van de benoembaarheid van de voorgedragen kandidaat wethouder.
                                Indien de commissie niet unaniem is in zijn oordeel wordt hiervan
                                melding gemaakt in het advies.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>De commissie wordt ingesteld zo snel mogelijk na het bekend worden
                                van de kandidaat-wethouder. De commissie rapporteert zo spoedig
                                mogelijk in één van de eerstvolgende
                                gemeenteraadsvergaderingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>– Fractie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De leden van de raad, die door het centraal stembureau op
                                    dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de
                                    aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een
                                    lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een
                                    afzonderlijke fractie beschouwd.</al></li><li nr="2."><al>Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst,
                                    voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien
                                    geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de
                                    fractie in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter
                                    mee welke naam deze fractie in de raad wil voeren.</al></li><li nr="3."><al>De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als
                                    diens plaatsvervanger optreden worden zo spoedig mogelijk
                                    doorgegeven aan de voorzitter.</al></li><li nr="4."><al>Indien:</al><lijst><li nr="a."><al>één of meer leden van een fractie als zelfstandige
                                            fractie gaan optreden of,</al></li><li nr="b."><al>twee of meer fracties als één fractie gaan
                                            optreden,</al></li><li nr="c."><al>één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij
                                            een andere fractie, wordt hiervan zo spoedig mogelijk
                                            schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het lid of de leden van de fractie, die zich afsplitsen worden
                                    in beginsel aangeduid met: “fractie, gevolgd door de naam van de
                                    leider van de afsplitsing”.</al></li><li nr="6."><al>De afgesplitste fractie of samengevoegde fractie kan alleen een
                                    andere fractienaam gebruiken als die fractie al zitting heeft in
                                    de raad en zij zich bij die fractie aansluit.</al></li><li nr="7."><al>Met de onder lid 4a beschreven veranderde situatie wordt
                                    rekening gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering
                                    van de raad na de mededeling aan de voorzitter daarvan.</al></li><li nr="8."><al>Voor het splitsen dan wel vormen van nieuwe fracties is geen
                                    toestemming van de gemeenteraad vereist.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Vergaderfrequentie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergaderingen van de raad vinden in de regel twee keer per
                                    maand plaats op een donderdag, vangen aan om 19.30 uur en worden
                                    gehouden in het gemeentehuis van Zwartewaterland te Hasselt. De
                                    raad stelt, op voorstel van het presidium, jaarlijks een
                                    vergaderschema vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en
                                    aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij
                                    voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende
                                    situatie, overleg in het presidium.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de agenda om 22.30 uur nog niet is afgewerkt, neemt de
                                    raad bij voorkeur na de afhandeling van het aan de orde zijnde
                                    agendapunt, op voorstel van de voorzitter een beslissing over de
                                    wijze waarop en het tijdstip van behandeling van de nog
                                    resterende agendapunten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Oproep</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter zendt ten minste 7 dagen voor een vergadering de
                                    leden van de raad een schriftelijke oproep onder vermelding van
                                    dag, tijdstip en plaats van de vergadering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De schriftelijke oproepingsbrief vermeldt de voorlopige agenda
                                    en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in
                                    artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet genoemde
                                    stukken. In de voorlopige agenda wordt aangegeven in welke
                                    volgorde de onderwerpen zullen worden behandeld en of het A- of
                                    een B-onderwerp betreft. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>- Agenda</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat de schriftelijke oproep wordt verzonden, stelt het
                                    presidium de voorlopige agenda van de vergadering vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van
                                    de schriftelijke oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van
                                    een vergadering een aanvullende agenda opstellen. Deze wordt met
                                    de daarbij behorende stukken aan de leden van de raad verzonden
                                    en openbaar gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op
                                    voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad
                                    bij de vaststelling van de agenda:</al><lijst><li nr="a."><al>onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de agenda
                                            afvoeren.</al></li><li nr="b."><al>de volgorde van de behandeling van de agendapunten
                                            wijzigen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare
                                    beraadslaging voorbereid acht, kan hij aan het college nadere
                                    inlichtingen of advies vragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- De wethouder</titel></kop><al>Het presidium kan één of meer wethouders uitnodigen om in de
                                vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslagingen deel te
                                nemen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>- Ter inzage leggen van stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen
                                    op de agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van
                                    de schriftelijke oproep voor een ieder op het gemeentehuis ter
                                    inzage gelegd. Indien ná dit tijdstip stukken ter inzage worden
                                    gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad
                                    en zo mogelijk in een openbare kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in in het eerste lid kunnen stukken
                                    ook op elektronische wijze aan de raadsleden ter kennis worden
                                    gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten
                                    het gemeentehuis gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede
                                    lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze
                                    stukken in afwijking van het eerste lid, onder berusting van de
                                    griffier en verleent de griffier de leden van de raad
                                    inzage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>- Openbare kennisgeving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergadering wordt bij de gemeentelijke informatiepagina in
                                    een algemeen verspreid huis-aan-huisblad en op de website van de
                                    gemeente ter openbare kennis gebracht..</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De openbare kennisgeving vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige
                                            agenda van de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop en de plaats waar een ieder de
                                            voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken kan
                                            inzien;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheid tot het uitoefenen van het spreekrecht
                                            als bedoeld in artikel 18.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden,
                                    indien digitaal beschikbaar, op de website van de gemeente
                                    geplaatst.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Orde der vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>- Presentielijst</titel></kop><al>In de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad de presentielijst.
                                Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst door de
                                voorzitter en de griffier door ondertekening vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>- zitplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een
                                    vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg in het presidium
                                    bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de raad
                                    aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling
                                    herzien na overleg in het presidium.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders,
                                    secretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn
                                    uitgenodigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>- Opening vergadering; quorum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur,
                                    indien het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de
                                    raad blijkens de presentielijst aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het
                                    vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na
                                    voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de
                                    volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de
                                    Gemeentewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17a</nr><titel>- Ambtsgebed</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Direct na de opening van de vergadering spreekt de voorzitter
                                    of, indien hij zulks niet in overeenstemming acht met zijn
                                    innerlijke overtuiging, een door de leden aangewezen lid van de
                                    raad, dat zich hiertoe beschikbaar stelt, het ambtsgebed
                                    uit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het sluiten van de vergadering wordt door de voorzitter of
                                    door het aangewezen raadslid, als bedoelt in het eerste lid, een
                                    sluitgebed uitgesproken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>- Spreekrecht burgers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na de opening van de raadsvergadering en het uitspreken van het
                                    ambtsgebed kunnen andere aanwezige burgers gezamenlijk gedurende
                                    maximaal dertig minuten het woord voeren over op de agenda
                                    vermelde A-onderwerpen of over niet geagendeerde
                                    onderwerpen..</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het woord kan niet gevoerd worden over:</al><lijst><li nr="a."><al>een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of
                                            beroep op de rechter openstaat of heeft
                                            opengestaan;</al></li><li nr="b."><al>benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van
                                            personen;</al></li><li nr="c."><al>besluiten waartegen op grond van artikel 9:1 van de
                                            Algemene wet bestuursrecht een klacht kan of kon worden
                                            ingediend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit
                                    voor de aanvang van de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt
                                    daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer of emailadres en het
                                    onderwerp waarover hij het woord wil voeren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De
                                    voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het
                                    belang is van de orde van de vergadering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De
                                    voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als
                                    er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in
                                    bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de
                                    spreektijd. De fracties kunnen de spreker vragen stellen. De
                                    spreker krijgt gelegenheid in tweede instantie maximaal 2
                                    minuten het woord te voeren.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft
                                    verleend. De voorzitter of een lid van de raad doet een voorstel
                                    voor de behandeling van de inbreng van de burger.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het spreekrecht geldt niet voor personen die het woord willen
                                    voeren namens een politieke partij die in de raad
                                    vertegenwoordigd is.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het spreekrecht geldt niet voor die personen die eerder over
                                    hetzelfde onderwerp in een vergadering gebruik hebben gemaakt
                                    van het spreekrecht, tenzij het een afwijkend of aangepast
                                    raadsvoorstel betreft. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>- Vragenhalfuur raadsleden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het begin van de raadsvergadering, na het spreekrecht als
                                    bedoeld in artikel 18, is de gelegenheid voor raadsleden aan het
                                    college, een wethouder of de burgemeester vragen te
                                    stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het stellen van de vragen en de beantwoording daarvan geschiedt
                                    overeenkomstig artikel 41.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tijdens dit vragenhalfuur kunnen geen moties worden ingediend en
                                    worden geen interrupties toegelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>- Verslag en besluitenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het conceptverslag van de voorgaande vergadering wordt, zo
                                    mogelijk, aan de leden van de raad toegezonden gelijktijdig met
                                    de schriftelijke oproep. Het conceptverslag wordt gelijktijdig
                                    aan de overige personen die het woord gevoerd hebben,
                                    toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de
                                    secretaris hebben het recht, een voorstel tot verandering aan de
                                    raad te doen, indien het concept-verslag onjuistheden bevat of
                                    niet duidelijk weergeeft hetgeen gezegd of besloten is. Een
                                    voorstel tot verandering dient voor de aanvang van de
                                    vergadering bij de griffier te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verslag bevat ten minste:</al><lijst><li nr="a."><al>de namen van de voorzitter, de griffier, de secretaris,
                                            de wethouders en de ter vergadering aanwezige leden,
                                            alsmede van de leden die afwezig waren en overige
                                            personen die het woord gevoerd hebben;</al></li><li nr="b."><al>een vermelding van de zaken die aan de orde zijn
                                            geweest;</al></li><li nr="c."><al>een zakelijke samenvatting van het gesprokene met
                                            vermelding van de namen van de aanwezigen die het woord
                                            voerden;</al></li><li nr="d."><al>een overzicht van het verloop van elke stemming, met
                                            vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de
                                            leden die voor of tegen stemden, onder aantekening van
                                            de namen van de leden die zich overeenkomstig de
                                            Gemeentewet van stemming hebben onthouden;</al></li><li nr="e."><al>de tekst van de ter vergadering ingediende
                                            initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties,
                                            amendementen en subamendementen;</al></li><li nr="f."><al>bij het desbetreffende agendapunt de naam en de
                                            hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van
                                            het bepaalde in artikel 26 door de raad is toegestaan
                                            deel te nemen aan de beraadslagingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag wordt in de eerstvolgende vergadering vastgesteld,
                                    waarna dit door de voorzitter en de griffier wordt
                                    ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aan de hand van het verslag wordt een besluitenlijst opgesteld.
                                    Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich
                                    daartegen niet verzet, wordt de besluitenlijst zo spoedig
                                    mogelijk na de vergadering openbaar gemaakt op de voor
                                    afkondigingen in de gemeente gebruikelijke wijze en door
                                    plaatsing op de gemeentelijke website.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verslag en de besluitenlijst wordt opgesteld onder zorg van
                                    de griffier.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Van de vergadering wordt een audio-opname gemaakt. Deze opname
                                    wordt bewaard tot dat het verslag van die vergadering is
                                    vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>- Ingekomen stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke
                                    mededelingen van het college of burgemeester aan de raad, worden
                                    op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt aan de leden van de
                                    raad toegezonden en ter inzage gelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na de vaststelling van het verslag stelt de raad, op voorstel
                                    van het presidium, de wijze van afdoening van de ingekomen
                                    stukken vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>- Aantal spreektermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een lid voert slechts het woord na het aan de voorzitter
                                    gevraagd en van hem verkregen te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten
                                    hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord
                                    voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Per onderwerp voert slechts één woordvoerder namens een fractie
                                    het woord. De voorzitter van een fractie kan een nadere
                                    toelichting geven op hetgeen door de woordvoerder namens zijn
                                    fractie naar voren is gebracht.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het derde lid is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>de rapporteur van een commissie;</al></li><li nr="b."><al>het lid dat een (sub)amendement, een motie of een
                                            initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat
                                            amendement, die motie of dat voorstel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp
                                    of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het
                                    spreken over een voorstel van orde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>- Spreektijd</titel></kop><al>Een lid van de raad of de voorzitter kan een voorstel doen over de
                                spreektijd van de leden en de overige aanwezigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>- Handhaving orde; schorsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij</al><lijst><li nr="a."><al>de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen
                                            van dit reglement te herinneren;</al></li><li nr="b."><al>een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat
                                            de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal
                                            afronden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een spreker, zich beledigende of onbetamelijke
                                    uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde
                                    onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan
                                    wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter
                                    tot de orde geroepen en zo nodig in de gelegenheid gesteld de
                                    woorden, die het tot de orde roepen aanleiding hebben gegeven,
                                    terug te nemen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de betreffende spreker, hieraan geen gevolg geeft, dan
                                    wel doorgaat met de in lid 2 genoemde gedragingen kan de
                                    voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaats
                                    heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor
                                    een door hem te bepalen tijd schorsen en - indien na de
                                    heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering
                                    sluiten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De raad kan op voorstel van de voorzitter, het presidium
                                    gehoord, beslissen dat in de notulen van de vergadering niet
                                    datgene wordt opgenomen dat tot het nemen van maatregelen heeft
                                    geleid als bedoeld in artikel 26 lid 3 Gemeentewet en lid 2 en 3
                                    van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>- Beraadslaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad
                                    beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of
                                    voorstel afzonderlijk te beraadslagen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de
                                    voorzitter kan de raad besluiten de beraadslaging voor een door
                                    hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de leden
                                    de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De
                                    beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode
                                    verstreken is. Degene die de schorsing heeft gevraagd heeft het
                                    woord na de schorsing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>- Deelname aan de beraadslaging door anderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering
                                    aanwezige leden van de raad, de wethouder, de secretaris, de
                                    griffier en de voorzitter deelnemen aan de beraadslaging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of
                                    één der leden van de raad genomen alvorens met de beraadslaging
                                    ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang
                                    wordt genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>- Stemverklaring</titel></kop><al>Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming
                                overgaat, heeft ieder lid het recht zijn uit te brengen stem kort te
                                motiveren. Een stemverklaring mag ten hoogste één minuut duren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>- Beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de voorzitter vaststelt, dat een onderwerp of voorstel
                                    voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de
                                    raad anders beslist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Nadat de beraadslagingen zijn gesloten vindt de stemming plaats
                                    over het voorstel tenzij geen stemming wordt gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat de stemming over het voorstel plaatsvindt, formuleert de
                                    voorzitter het voorstel over de te nemen beslissing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Procedures bij stemmingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>- Algemene bepalingen over stemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien geen
                                    stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt,
                                    stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke
                                    stemming is aangenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het
                                    verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben
                                    tegengestemd of zich op grond van artikel 28 Gemeentewet van
                                    stemming te hebben onthouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, wordt
                                    hiertoe overgegaan. De stemming vindt plaats door middel van
                                    handopsteken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien door één of meer leden hoofdelijke stemming wordt
                                    gevraagd, doet de voorzitter daarvan mededeling.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voordat tot de hoofdelijke stemming wordt overgegaan, deelt de
                                    voorzitter mee bij welk raadslid de hoofdelijke stemming zal
                                    beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van de
                                    presentielijst aangewezen. Bij het daar genoemde lid begint de
                                    hoofdelijke stemming.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij hoofdelijke stemming roept de voorzitter of de griffier de
                                    leden bij naam op hun stem uit te brengen, beginnende bij het
                                    lid dat daarvoor overeenkomstig lid 5 van dit artikel is
                                    aangewezen. Vervolgens geschiedt de oproeping naar volgorde van
                                    de presentielijst.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid
                                    dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden op
                                    grond van artikel 28 Gemeentewet verplicht zijn stem uit te
                                    brengen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De leden brengen bij een hoofdelijke stemming hun stem uit door
                                    het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enige
                                    toevoeging.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan
                                    kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid
                                    gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan
                                    kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend
                                    heeft gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist;
                                    in de uitslag van de stemming brengt dit echter geen
                                    verandering.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede,
                                    met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte
                                    stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen
                                    besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>- Stemming over amendementen en moties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend,
                                    wordt eerst over dat amendement gestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt
                                    eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het
                                    amendement.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een
                                    aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de
                                    volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de
                                    regel, dat het meest verstrekkende amendement of subamendement
                                    het eerst in stemming wordt gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nadat over alle amendementen is gestemd, vindt de eindstemming
                                    over het voorstel plaats.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een motie op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt
                                    eerst over de motie gestemd en vervolgens over het
                                    voorstel.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien over een aanhangig voorstel zowel één of meerdere moties
                                    als één of meerdere (sub)amendementen zijn ingediend, dan wordt
                                    eerst over de moties gestemd en daarna over de amendementen
                                    overeenkomstig de eerste vier leden van dit artikel. Vervolgens
                                    wordt over het voorstel gestemd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>- Stemming over personen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer een stemming over personen voor het doen van een
                                        voordracht of het opstellen van een voordracht of
                                        aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter drie
                                        leden tot stembureau.</al></li><li nr="2."><al>Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond
                                        van de Gemeentewet van stemming moet onthouden. is verplicht
                                        een stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen
                                        identiek te zijn.</al></li><li nr="3."><al>Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te
                                        benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op
                                        voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen
                                        worden samengevat op één briefje.</al></li><li nr="4."><al>Het stembureau onderzoekt of:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan
                                                het aantal leden dat ingevolge het tweede lid
                                                verplicht is een stembriefje in te leveren en </al></li><li nr="-"><al>de ingeleverde stembriefjes behoorlijk zijn
                                                ingevuld.</al></li></lijst></li></lijst><al>Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes
                                vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming
                                gehouden.</al><lijst><li nr="5."><al>Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld
                                        in artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te
                                        hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje
                                        hebben ingeleverd.</al></li><li nr="6."><al>In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje
                                        beslist de raad, op voorstel van de voorzitter.</al></li><li nr="7."><al>Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes
                                        onmiddellijk na vaststelling van het verslag van de
                                        vergadering vernietigd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>- Herstemming over personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid
                                    heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte
                                    meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen
                                    twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op
                                    zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste
                                    stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een
                                    tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde
                                    stemming zal plaatshebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen
                                    staken, beslist terstond het lot.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>- Beslissing door het lot</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen
                                    wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op
                                    afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn
                                    gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal
                                    gedeponeerd en omgeschud.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de
                                    stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is
                                    gekozen en wordt benoemd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Rechten van leden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>- Amendementen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen
                                amendementen indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om
                                een geagendeerd voorstel in één of meer onderdelen te splitsen,
                                waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Er kan
                                alleen beraadslaagd worden over amendementen die ingediend zijn door
                                leden van de raad die de presentielijst getekend hebben en in de
                                vergadering aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het
                                amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te
                                stellen door middel van een subamendement.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen
                                te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend,
                                tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van
                                het voorgestelde -oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan
                                worden volstaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is
                                mogelijk, totdat de besluitvorming door de raad heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>- Moties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden
                                schriftelijk en ondertekend bij de voorzitter worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of
                                voorstel vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of
                                voorstel plaats.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen
                                onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende
                                onderwerpen zijn behandeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Intrekking, door de indiener(s) van de motie is mogelijk totdat
                                besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>- Voorstellen van orde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering
                                mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden
                                toegelicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering
                                betreffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>- Pre-advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een motie is ingediend, kan de raad op voorstel van de
                                voorzitter of één van de leden besluiten de stemming over de motie
                                aan te houden en het college van burgemeester en wethouders in de
                                gelegenheid te stellen aan de raad ter zake een preadvies voor te
                                leggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na de beraadslagingen over het preadvies besluit de raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>- Initiatiefvoorstel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen
                                worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter plaatst het voorstel op de agenda van het presidium.
                                Het presidium doet een voorstel voor de wijze van behandeling. Dit
                                behandelingsvoorstel van het presidium wordt op de agenda van de
                                eerstvolgende vergadering van de raad geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling van
                                een voorstel, niet zijnde een voorstel voor een verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>- Terugzenden voorstel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorstel van het college aan de raad, dat vermeld staat op de
                                agenda van de raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder
                                toestemming van de raad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het
                                eerste lid voor advies terug aan het college moet worden gezonden,
                                kan de raad bepalen in welke vergadering het voorstel opnieuw
                                geagendeerd wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>- Interpellatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in
                                naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, ten minste
                                48 uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk bij de
                                voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving
                                van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de
                                te stellen vragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk
                                ter kennis van de overige leden van de raad en de wethouders. Bij de
                                vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na
                                indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. De
                                raad bepaalt op welk tijdstip tijdens de vergadering de
                                interpellatie zal worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige
                                leden van de raad, de burgemeester en de wethouders niet meer dan
                                eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39A</nr><titel>- Spoeddebat</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verzoek tot het houden van een spoeddebat wordt, behoudens in,
                                naar het oordeel van de voorzitter, spoedeisende gevallen, tenminste
                                op de dinsdag voor de raadsvergadering schriftelijk bij de
                                voorzitter ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek moet, om in behandeling te worden genomen, een
                                duidelijke omschrijving bevatten van het onderwerp waarover een
                                spoeddebat wordt aangevraagd. Het kan uitsluitend door of namens een
                                gehele fractie worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk
                                ter kennis van de overige leden van de raad en van het college. Aan
                                het begin van de raadsvergadering beslist de raad op het verzoek aan
                                de hand van de criteria zoals genoemd onder lid 4.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij een spoeddebat gaat het om het direct plaatsen van een onderwerp
                                op de agenda van de raad, hetzij in een reguliere vergadering,
                                hetzij in een extra vergadering. Het onderwerp heeft een zodanige
                                urgentie dat</al><lijst><li nr="a."><al>uitstel kan leiden tot onomkeerbare beslissingen van het
                                        college of anderszins tot maatregelen dan wel handelingen
                                        die onomkeerbaar zijn, of</al></li><li nr="b."><al>uitstel dwingt tot het nemen van besluiten dan wel het
                                        treffen van maatregelen om een politiek of maatschappelijke
                                        onaanvaardbare situatie te voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de raad het verzoek inwilligt, bepaalt het terstond op welk
                                tijdstip het debat wordt gehouden. Indien sprake is van een extra
                                raadsvergadering, wordt deze vergadering binnen 10 dagen
                                gehouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>- Schriftelijke vragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ieder lid kan aan de burgemeester of aan het college schriftelijke
                                vragen stellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De
                                vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. Bij de vragen
                                wordt aangegeven, of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt
                                verlangd. Vragen die niet voldoen aan het hiervoor gestelde worden
                                per omgaande aan de indiener teruggestuurd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vragen worden bij de griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor
                                dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden
                                van de raad en het college of de burgemeester worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in
                                ieder geval binnen dertig dagen, nadat de vragen zijn binnengekomen.
                                Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende
                                raadsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen
                                kan plaatsvinden, stelt het verantwoordelijke lid van het college of
                                de burgemeester de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis,
                                waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal
                                plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De antwoorden van het college of de burgemeester worden door
                                tussenkomst van de griffier aan de leden van de raad meegedeeld en
                                tezamen met de vragen met de vragen gelijktijdig met de stukken als
                                bedoeld in artikel 10 aan de leden van de raad toegezonden en
                                geplaatst in de lijst van ingekomen stukken zoals bedoeld in artikel
                                21 van dit reglement.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vragensteller kan bij schriftelijke beantwoording in de
                                raadsvergadering waarbij de beantwoording van het college op de
                                lijst van ingekomen stukken is geplaatst nadere inlichtingen vragen
                                omtrent het door de burgemeester of door het college gegeven
                                antwoord. Bij mondelinge beantwoording kan de vragensteller in
                                dezelfde raadsvergadering, tijdens het in artikel 41 genoemd
                                vragenhalfuur nadere inlichtingen vragen omtrent het door de
                                burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad
                                anders beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>- Mondelinge vragen en beantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het begin van de raadsvergadering, na het spreekrecht als
                                bedoeld in artikel 18, is de gelegenheid voor raadsleden aan het
                                college, een wethouder of de burgemeester vragen te stellen, tenzij
                                er bij de voorzitter geen vragen zijn ingediend. In bijzondere
                                gevallen kan het presidium bepalen dat het vragenhalfuur op een
                                ander tijdstip wordt gehouden. De voorzitter bepaalt op welk
                                tijdstip het vragenhalfuur eindigt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het lid van de raad dat tijdens het vragenhalfuur vragen wil
                                stellen, meldt dit onder aanduiding van het onderwerp ten minste
                                vóór 10.00 uur ’s ochtends op de dag van de raadsvergadering met het
                                vragenhalfuur bij de voorzitter. De voorzitter kan na overleg met
                                het presidium weigeren een onderwerp tijdens het vragenhalfuur aan
                                de orde te stellen indien hij het onderwerp niet voldoende
                                nauwkeurig acht aangegeven of indien het onderwerp in de
                                raadsvergadering op diezelfde dag aan de orde komt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin aangemelde onderwerpen
                                tijdens het vragenhalfuur aan de orde worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één
                                of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een
                                toelichting daarop te geven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vragensteller wordt door de voorzitter voor ten hoogste drie
                                minuten het woord verleend om zijn vraag te stellen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college, de burgemeester of de wethouder krijgt drie minuten om
                                de vraag te beantwoorden.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de
                                vragensteller desgewenst twee minuten de tijd om een korte
                                vervolgvraag te stellen, waarop vervolgens nog een kort antwoord in
                                twee minuten kan volgen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad het woord
                                verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of
                                de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.
                                Beantwoording van deze vragen dient in ten hoogste drie minuten
                                plaats te vinden.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Indien het niet mogelijk is inhoudelijk de vraag te antwoorden,
                                wordt de vraag binnen 1 week door het college of burgemeester
                                schriftelijk beantwoord.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Tijdens het vragenhalffuur kunnen geen moties worden ingediend en
                                worden geen interrupties toegelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>- Inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als
                                bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de
                                Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek daartoe door tussenkomst van
                                de griffier schriftelijk ingediend bij het college of de
                                burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De griffier draagt er zorg voor dat de overige leden van de raad een
                                afschrift van dit verzoek krijgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlangde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk en als regel
                                binnen vier weken na de datum van ontvangst van het ontvangst,
                                schriftelijk gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college of de burgemeester kunnen de inlichtingen ook mondeling
                                geven in de eerstvolgende raadsvergadering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In het geval de inlichtingen schriftelijk worden gegeven, worden de
                                vragen met de daarop gegeven antwoorden aan alle leden toegezonden,
                                ter openbare kennis gebracht en voor de eerstvolgende
                                raadsvergadering ter inzage gelegd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op verzoek van het lid dat de inlichtingen heeft gevraagd, worden de
                                vragen met de daarop gegeven antwoorden, op de agenda van een
                                volgende vergadering geplaatst.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Begroting en rekening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>- Procedure begroting</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding,
                            het onderzoek, de behandeling en de vaststelling van de begroting
                            volgens een procedure die de raad,op voorstel van het presidium,
                            vaststelt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel>- Procedure jaarrekening</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding
                            en het onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de
                            vaststelling van de jaarrekening en van een eventueel
                            indemniteitsbesluit volgens een procedure die de raad, op voorstel van
                            het presidium, vaststelt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Lidmaatschap van andere organisaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel>- Verslag; verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de
                                secretaris, die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het
                                algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander
                                gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet
                                gemeenschappelijke regelingen of in andere organisatie of
                                institutie, heeft het recht verslag te doen over zaken die in het
                                algemeen bestuur als bedoeld aan de orde zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid, de wethouder of de secretaris delen het voornemen
                                verslag te doen vóór de aanvang van de vergadering aan de voorzitter
                                mee.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter bepaalt of het verslag wordt gedaan direct na
                                vaststelling van de lijst van ingekomen stukken of vóór het sluiten
                                van de vergadering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste
                                lid, schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van
                                schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 40, zijn van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste
                                lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van
                                functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan.
                                De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel
                                42, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Besloten vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>- Algemeen</titel></kop><al>1.Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van
                            overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn
                            met het besloten karakter van de vergadering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>- Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verslag van een besloten vergadering wordt niet rondgedeeld,
                                maar liggen uitsluitend voor de leden ter inzage.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verslag wordt zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering
                                ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad
                                een besluit over het al dan niet openbaar maken van dit verslag.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het vastgestelde verslag worden door de voorzitter en de griffier
                                ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>- Geheimhouding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad
                                overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent
                                de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal
                                gelden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De geheimhouding dient in acht te worden gehouden door een ieder die
                                bij de raadsvergadering aanwezig is en door een ieder die op een
                                andere wijze kennis heeft van de stukken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>- Opheffing geheimhouding</titel></kop><al>Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55,
                            tweede en derde lid, of artikel 86, tweede en derde lid, van de
                            Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt, indien
                            daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd,
                            in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg
                            gevoerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>- Toehoorders en pers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend
                                op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen
                                bijwonen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                                verstoren van de orde is verboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51</nr><titel>- Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die in de vergaderzaal tijdens de raadsvergadering geluid- dan
                            wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de
                            voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Deze aanwijzingen
                            kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers aantasten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52</nr><titel>- Verbod gebruik mobiele telefoons</titel></kop><al>In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de
                            vergadering het gebruik, van mobiele telefoons of andere
                            communicatiemiddelen, die inbreuk kunnen maken op de orde van de
                            vergadering, zonder toestemming van de voorzitter, niet toegestaan.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53</nr><titel>- Uitleg reglement</titel></kop><al>In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent
                            de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de
                            voorzitter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit reglement treedt in werking op de achtste dag na de dag van
                                bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op dat tijdstip vervalt het Reglement van orde voor de vergaderingen
                                en andere werkzaamheden van de gemeenteraad 2007, vastgesteld bij
                                raadsbesluit van 28 juni 2007.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Reglement van orde voor de vergaderingen en andere
                        werkzaamheden van de raad 2011</titel></kop><al/><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 - Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>De gemeentewet spreekt over het aanwijzen van een raadslid dat het
                    voorzitterschap bij afwezigheid van de voorzitter waarneemt. In de praktijk
                    wordt gesproken over de plaatsvervangend voorzitter. Vandaar dat gekozen is voor
                    opnemen van het begrip plaatsvervangend voorzitter, zodat geen verwarring kan
                    ontstaan over het feit dat daarmee bedoeld wordt de waarnemend voorzitter, als
                    bedoeld in artikel 77, lid 1, van de gemeentewet.</al><al>De omschrijving van de termen amendement en initiatiefvoorstel luiden hetzelfde
                    als in de artikelen 147a en 147b Gemeentewet. </al><al>In de omschrijving wordt gesproken van A- en B-onderwerpen in de
                    raadsvergaderingen. Op 16 juni 2011 is door de gemeenteraad besloten dat
                    raadsvergaderingen normaliter in week 2 en 4 van de maand plaatsvinden. Op de
                    raadsagenda zullen eerst de beeldvormende/oordeelsvormende onderwerpen geplaatst
                    worden (zogenaamde A-onderwerpen) en vervolgens de besluitvormende onderwerpen
                    (B-onderwerpen).</al><al>Bij de A-onderwerpen is het de bedoeling dat door gemeenteraadsleden
                    beeldvorming dan wel oordeelsvorming plaatsvindt. Besluitvorming over een
                    A-onderwerp vindt in de eerst daaropvolgende raadsvergadering plaats. Indien
                    echter blijkt dat doorschuiven van het raadsvoorstel niet zinvol of niet
                    noodzakelijk door de gemeenteraad wordt geacht dan kan eventueel besluitvorming
                    tijdens dezelfde vergadering plaats te vinden. Het kan bij A-onderwerpen
                    overigens ook gaan om zogenaamde hamerstukken, waarbij enige discussie in de
                    gemeenteraad geen meerwaarde zal opleveren.</al><al>Een B-onderwerp is een raadsvoorstel waarbij reeds een
                    beeldvormende/oordeelsvormende ronde (als A-onderwerp) in de gemeenteraad heeft
                    plaatsgevonden en waarbij het onderwerp is “doorgeschoven” naar de volgende
                    vergadering. Het is de bedoeling dat de gemeenteraad over een B-onderwerp, na de
                    beraadslagingen, tijdens de vergadering een besluit neemt. Ingeschat wordt dat
                    het bij B-onderwerpen veelal zal gaan om raadsvoorstel over beleidsmatige
                    belangrijke onderwerpen, meestal met meerdere keuzemogelijkheden en
                    “politiek”gevoelig en twee behandelingen in de gemeenteraad noodzakelijk worden
                    geacht. </al><al>Ook wordt in de begripomschrijving ingegaan op de ronde tafelbijeenkomsten en op
                    de informatiebijeenkomsten van de gemeenteraad. Voor een ronde tafelbijeenkomst,
                    normaliter georganiseerd op de 1<sup>e</sup> donderdag van de maand, kunnen
                    gericht organisaties, personen, ambtenaren en collegeleden worden uitgenodigd,
                    waarbij raadsleden zich laten informeren over een komend raadsvoorstel. Ronde
                    tafelbijeenkomsten worden voornamelijk georganiseerd naar aanleiding van
                    onderwerpen op de actuele Lange Termijn Agenda en hoeven niet gerelateerd te
                    zijn de eerstkomende raadsagenda. Het presidium (zie verder) bepaalt op grond
                    van de Lange Termijn Agenda welke onderwerpen zich lenen voor een voorbereiding
                    in een ronde tafelbijeenkomst en bepaalt vervolgens welke partijen hiervoor
                    zullen worden uitgenodigd. De griffie draagt daarna zorg voor het uitnodigen van
                    deze partijen. Het college kan aan het presidium suggesties doen voor wat
                    betreft de onderwerpen voor een ronde tafelbijeenkomst, alsmede voor het
                    uitnodigen van de betrokken partijen/partners.</al><al>Zogenaamde informatiebijeenkomsten, veelal georganiseerd op de 3<sup>e</sup>
                    donderdag van de maand, kunnen door de raad gebruikt worden voor het afleggen
                    van werkbezoeken of voor voorlichting of opleiding (inhoudelijk of vaardigheden)
                    van raadsleden.</al><tussenkop>Artikel 2 - De voorzitter</tussenkop><al>De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de
                    Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In artikel
                    77, eerste lid, is bepaald dat het langst zittende raadslid het
                    raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de
                    burgemeester. De raad heeft ook de mogelijkheid een ander lid van de raad met de
                    waarneming te belasten. Het is in de gemeente Zwartewaterland gebruikelijk dat
                    niet het langstzittend raadslid automatisch als waarnemer benoemd wordt, maar
                    dat een (ander) lid van de gemeenteraad als waarnemer benoemd wordt.</al><al>De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de
                    vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder
                    andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.</al><al>Om de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen en in het belang van de
                    bevordering van de orde van de vergaderingen is bepaald dat als de voorzitter
                    als portefeuillehouder deelneemt aan de beraadslagingen over grote onderwerpen
                    òf bij de begrotingsbehandeling, de vergadering dan tijdelijk door de
                    plaatsvervangend voorzitter worden geleid. Om geen jojo-effect te krijgen, is
                    het verstandig deze onderwerpen op de raadsagenda te clusteren.</al><al>De bevoegdheid van de voorzitter de toehoorders, die de orde verstoren of alle
                    toehoorders te gelasten te vertrekken, is geregeld in artikel 26 van de
                    Gemeentewet.</al><al>Raadsvergaderingen kunnen worden onderbroken door een korte pauze en de
                    voorzitter kan daarvoor een geschikt moment kiezen. Hij kan hiervoor de
                    vergadering schorsen.</al><tussenkop>Artikel 3 - De griffier</tussenkop><al>De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 Gemeentewet). De
                    griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad.
                    Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De Gemeentewet eist
                    dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In
                    het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22
                    Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met
                    betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. In de
                    instructie voor de griffier zijn de taken van de griffier uitgewerkt (zie
                    bijlage 1 bij het reglement van orde).</al><tussenkop>Artikel 4 - De secretaris</tussenkop><al>De secretaris houdt zich voornamelijk bezig met de ondersteuning van het college
                    en het leiden van de ambtelijke organisatie. In het kader van die twee taken kan
                    het, sporadisch tevens wenselijk zijn dat de secretaris deelneemt aan de
                    beraadslagingen van de raad. De secretaris wordt echter benoemd en ontslagen
                    door het college. Dit houdt in dat de raad de secretaris niet kan dwingen om in
                    de raad aanwezig te zijn. De raad zal het college moeten verzoeken of het
                    college de secretaris opdraagt in de vergadering aanwezig te zijn om aan de
                    beraadslagingen deel te nemen. Op deze wijze kan de raad onder meer een beroep
                    doen op kennis en informatie, die de secretaris bezit of kan de secretaris
                    bijvoorbeeld deelnemen aan een discussie over het functioneren van de
                    gemeentelijke organisatie. Artikel 100 lid 2 geeft aan dat een secretaris niet
                    tevens griffier kan zijn.</al><tussenkop>Artikel 5 - Het presidium</tussenkop><al>Het presidium heeft in het reglement voornamelijk een procedurele rol
                    (vaststellen voorlopige agenda, uitnodigen externen, wijzigen vergadermomenten
                    e.d.). Diverse gemeenten hebben dit takenpakket uitgebreid met meer inhoudelijke
                    taken. De VNG is van mening dat het presidium voor wat betreft de inhoudelijke
                    aspecten van het raadswerk een ondergeschikte rol dient te vervullen omdat
                    anders het gevaar bestaat dat er binnen de raad een nieuw bestuursorgaan wordt
                    gecreëerd, hetgeen in strijd is met de Grondwet, die het primaat immers
                    expliciet bij de raad legt (artikel 125 lid 1 Grondwet). </al><al>Uit praktisch oogpunt is er wel voor gekozen de regie van enkele
                    intern/organisatorische kwesties bij het presidium neer te leggen. In artikel 5
                    is als aanvullende taak opgenomen dat de raad aanbevelingen doet aan de raad
                    inzake de organisatie van de werkzaamheden van de raad. Hieronder vallen taken
                    als: het initiëren van een aanpassing van het reglement van orde, het instrueren
                    van de griffier en aanbevelingen doen aan de raad ter bevordering van het
                    dualiseringsproces.</al><al>Op 22 april 2010 heeft de gemeenteraad besloten de agendacommissie op te heffen
                    en de “oude” taken van de agendacommissie onder te brengen bij het presidium.
                    Het gaat hierbij om o.a. het voorbreiden van agenda’s, het opstellen van het
                    vergaderrooster, de voortgangsbewaking van de door de raad aangenomen moties en
                    door het college gedane toezeggingen etc.</al><al>Het is van belang dat in het presidium elke partij een stem heeft die even zwaar
                    weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch
                    stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de
                    raadsvergaderingen vergroten.</al><al>De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig, omdat de
                    griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij/zij moet weten hoe de
                    agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De aanwezigheid
                    van wethouder(s) en/of de secretaris kan gewenst zijn, omdat de secretaris
                    aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die
                    worden voorbereid door de ambtelijke organisatie (lid 7)</al><al>Gelet op de procedurele taken zijn de vergaderingen van het presidium niet
                    openbaar.</al><tussenkop>Artikel 6 - de Agendacommissie: vervallen</tussenkop><al>De raad heeft in april 2010 besloten geen agendacommissie te willen instellen en
                    de aan de agendacommissie toebedeelde taken (in de oude verordening en in het
                    VNG-model), veelal van coördinerende aard, onder te brengen bij het presidium. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; fracties</tussenkop><tussenkop>Artikel 7A - Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; </tussenkop><al>Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de
                    benoemde kennis van zijn benoeming. (artikel V1 Kieswet). Voor dit
                    benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De
                    benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2
                    Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan
                    de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om
                    als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een
                    ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een
                    uittrekstel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en –datum, en (indien
                    niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van
                    artikel 10, lid 2 Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het onderzoek van de
                    geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal
                    ook de gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet) betrokken worden. In deze
                    code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane
                    nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoek brengt verslag
                    uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. </al><al>De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter
                    een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat
                    de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Het
                    onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing
                    of de vaststelling van de uitslag) gebeurt alleen in de eerste samenkomst van de
                    nieuwe raad na verkiezingen. Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet
                    uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen.</al><al>Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn
                    leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een
                    nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een
                    raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in
                    nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal
                    hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of
                    verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de
                    toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of
                    verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het
                    raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet
                    vastgelegd.</al><al>De mogelijkheid van beroep bij de Raad van State tegen de beslissing tot
                    toelating als lid van de raad is vervallen door inwerkingtreding van de Wet
                    dualisering gemeentebestuur in 2002.</al><al>Het vijfde lid geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet
                    vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder
                    geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet
                    geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan
                    een wethouder, maar niet op welk moment deze getoetst worden. </al><al>Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de
                    geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, lid 2
                    Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid heeft van één
                    stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen en een nieuw
                    raadslid te benoemen. De beoogde wethouder mag immers niet meestemmen over zijn
                    eigen benoeming. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is wel een risico. Het
                    kan immers gebeuren dat deze persoon of niet tot wethouder wordt benoemd of dat
                    de geloofsbrieven niet worden goedgekeurd.</al><al>Toelichting bij artikel 7b: benoeming wethouders</al><al>Artikel 7b geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet
                    vloeit het geloofsbrieven onderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder
                    geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet
                    geregeld. Bij de procedure rondom de benoeming van met name een
                    kandidaat-wethouder van buiten de gemeente hebben enkele gemeenten inmiddels
                    ervaren en gesignaleerd dat een lacune bestaat in wet- en regelgeving ten
                    aanzien van de screening van kandidaat-wethouders. In tegenstelling tot
                    bijvoorbeeld de benoemingsprocedure van burgemeesters, waarbij de toetsing zeer
                    vergaand plaatsvindt, is niets geregeld ten aanzien van de benoembaarheid van
                    wethouders van buiten de raad. </al><al>Wethouders nemen immers als dagelijks bestuurder in collegeverband deel aan
                    besluitvorming binnen dit bestuursorgaan. Uit dien hoofde hebben wethouders
                    vrije en ongeclausuleerde toegang tot gemeentelijke en aanverwante informatie.
                    Ook de functie van (1e, 2e )loco-burgemeester brengt specifieke bevoegdheden met
                    zich mee waaronder toegang tot specifieke informatie. Voorts is succesvol
                    openbaar bestuur in belangrijke mate op vertrouwen en een goede omgang met
                    vertrouwelijkheid en de diverse belangen gestoeld. Kortom een wethouder verkeert
                    in een markant andere situatie dan raadsleden. Een situatie die een andere, meer
                    omvangrijke, screening verlangt.</al><al>Aan deze behoefte kan worden tegemoetgekomen door een regeling op te nemen in
                    het RvO. In zijn brief van 16 maart 2006 aan alle gemeenteraden brengt de
                    toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de heer J.W.
                    Remkes, een en ander onder de aandacht van alle gemeenteraden. Bovendien beveelt
                    hij deze regeling aan in zijn brief aan de Tweede Kamer d.d. 5 september 2006
                    waar hij ingaat op aanpassingen in de rechtspositie van met name wethouders en
                    gedeputeerden. Vooral het opnemen van de verklaring omtrent het gedrag in het
                    antecedenten - en integriteitonderzoek van politieke ambtsdragers acht hij van
                    belang.</al><al>Dit artikel 7B maakt het mogelijk om vanuit de gemeenteraad een commissie te
                    benoemen die de benoembaarheid van wethouders onderzoekt. De kandidaat-wethouder
                    overlegt alle documenten en informatie die nodig zijn voor de toetsing aan de
                    commissie. Verder kan de commissie besluiten de kandidaat-wethouder te horen. Op
                    basis van de beoordeelde informatie formuleert de commissie vervolgens een
                    schriftelijk beargumenteerd advies aan de raad ten aanzien van de benoembaarheid
                    van de voorgedragen wethouders. Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag
                    raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd
                    (artikel 36b, lid 2 Gemeentewet).</al><al>In lid 1, staat <cursief>wethouders</cursief>; dit impliceert aldus dat voor
                    zowel wethouders van binnen als van buiten de raad dezelfde procedure zal worden
                    gevolgd. Dit geldt ook voor wethouders die reeds eerder de functie van wethouder
                    hebben vervuld.</al><al>In lid 1, noch in lid 12 wordt gesproken over termijnen waarbinnen de commissie
                    wordt ingesteld of de commissie de raad dient te adviseren; er wordt vanuit
                    gegaan dat de raadsvoorzitter de ad hoc commissie “<cursief>Benoembaarheid
                        wethouders” </cursief>zo snel mogelijk na het bekend worden van de kandidaat
                    wethouders instelt. De commissie wordt gevraagd zo spoedig mogelijk in (één van)
                    de volgende raadsvergaderingen te rapporteren en adviseren, zodat de wethouders
                    benoemd kunnen worden.</al><al>In lid 2 wordt bepaald dat de commissie bestaat uit de fractievoorzitters en de
                    raadsvoorzitter en dat de griffier het secretariaat van de ad hoc commissie
                    verzorgt.</al><al>In lid 3 staat aangegeven dat bij tussentijdse benoemingen in <cursief>de
                        commissie geen raadslid zitting hebben, behorende tot de fractie waaruit de
                        kandidaat wordt voorgedragen</cursief>; In de situatie van een geheel nieuw
                    college wordt deze voorwaarde uiteraard losgelaten, omdat anders alleen
                    raadsleden uit de oppositie in de ad hoc commissie kunnen plaatsnemen en dat is
                    niet gewenst.</al><al>Lid 5, er wordt verwacht dat de commissie uit zijn eigen midden een voorzitter
                    kiest die als woordvoerder (in de raad) optreedt. </al><al>Lid 6, de kandidaat wethouder dient de vereiste informatie aan de ad hoc
                    commissie over te leggen die nodig is om de in artikel 7 bedoelde toetsing te
                    kunnen uitvoeren. Deze informatie komt in elk geval voort uit de
                    toetsingscriteria (zie lid 7), in concreto moet hierbij onder meer gedacht
                    worden aan een verklaring van goed gedrag, een lijst met nevenfuncties en al het
                    overige dat de kandidaat wethouder noodzakelijk acht. De kandidaat wethouder
                    wordt geacht alle door hem/haar in dit verband relevante overige informatie
                    eigener beweging eveneens aan de commissie te verstrekken. De kandidaat is zelf
                    verantwoordelijk voor de juistheid en volledigheid van de verstrekte informatie.
                    De commissie kan ook nog mondeling informatie aan de kandidaat vragen en die
                    betrekken bij de toetsing.</al><al>Lid 12, in het verlengde van dit lid wordt hier nog opgemerkt dat de commissie
                        “<cursief>Benoembaarheid wethouders” </cursief>wordt opgeheven nadat de
                    commissie zijn voorstel aan de raad heeft uitgebracht en/of de wethouders zijn
                    benoemd. </al><al>Lid 11, betreft het advies dat de commissie aan de raad uit brengt. Eis aan dat
                    advies is dat het de overwegingen en de daarop gebaseerde conclusies navolgbaar,
                    transparant weergeeft, als basis voor de openbare beoordeling en besluitvorming
                    door de raad. Waarbij ook wordt ingegaan op eventuele niet-unanimiteit in de
                    commissie. Het is dan ook overbodig om, zoals in artikel 9 wordt gesteld,
                    daarnaast nog een verslag te vervaardigen van de vergadering(en) van de
                    commissie.</al><tussenkop>Artikel 8 - Fracties</tussenkop><al>In een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een regeling van wat onder
                    een fractie moet worden verstaan. De Gemeentewet kent een dergelijk begrip niet
                    maar gaat onder andere in artikel 33, tweede lid, wel uit van het bestaan van in
                    de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractie-ondersteuning). In veel
                    gemeenten bestaan regelingen ten aanzien van vergoedingen aan fracties,
                    faciliteiten voor fracties, fractie-assistentie, etc. In deze nadere regelingen
                    kan nu worden aangesloten bij het in dit reglement opgenomen fractiebegrip. De
                    fracties geven aan de voorzitter door wie de fractievoorzitter en de
                    plaatsvervangend fractievoorzitter is. Indien een fractie slechts bestaat uit 1
                    lid, dan betreft dit automatisch de fractievoorzitter. </al><al>Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen
                    worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd.
                    De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de
                    kandidatenlijst hadden staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in
                    de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan
                    echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft
                    staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de
                    aanduiding mee.</al><al>In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten.
                    Het beëindigen van de zitting in de raad kan verschillende oorzaken hebben.
                    Raadsleden kunnen ongeneeslijk ziek zijn, een conflict met hun fractie hebben,
                    te weinig tijd hebben voor het raadswerk en zo zijn er nog vele redenen
                    denkbaar. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling
                    van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de
                    voorzitter mede.</al><al>Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een
                    fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten
                    bij een bestaande fractie. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat
                    volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen (een kandidaat
                    wordt door de voorzitter van het stembureau benoemd). De Kieswet gaat niet uit
                    van politieke partijen, een zetel ‘hoort’ dan ook niet bij een partij maar is
                    verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft
                    om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. </al><al>De raad heeft geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en
                    splitsing van fracties en de naamvoering. Een fractie kan in principe besluiten
                    om haar naam te veranderen, dit staat een fractie vrij om te doen en dit geldt
                    ook voor de naamvoering van een “afgesplitste”fractie. Toch wordt hier ten
                    aanzien van de naamgeving van een fractie bepleit om een gedragslijn in de
                    gemeente Zwartewaterland af te spreken, waarbij aangesloten wordt bij de
                    gedragslijn van de Staten-Generaal en de provincie Overijssel. Deze gedragslijn
                    is in artikel 8 van dit reglement van orde opgenomen. </al><al>Ter nadere toelichting wordt het volgende opgemerkt.</al><al>Het formele kader voor het lidmaatschap van de gemeenteraad is neergelegd in de
                    Gemeentewet en de Kieswet. Daarin is sluitend geregeld welke formele vereisten
                    respectievelijk beletselen gelden om lid van de gemeenteraad te kunnen zijn.
                    Indien sprake is van een onherroepelijke toelating van een raadslid, kan
                    uitsluitend in door de wetgever bepaalde omstandigheden het raadslidmaatschap
                    worden beëindigd. Bij een fractiesplitsing is daarvan geen sprake. De Kieswet
                    bepaalt de naam van de groepering waaraan het raadslid wordt gekoppeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de in de zin van de Kieswet geregistreerde partijnaam.</al></li><li nr="b."><al>bij het niet hanteren van een partijnaam:</al><lijst><li nr="-"><al>de persoonsnaam of</al></li><li nr="-"><al>een groep personen op naam van de eerste kandidaat van de lijst,
                                    bijvoorbeeld: "Lijst Jan Rap".</al></li></lijst></li></lijst><al>Bij een splitsing of een samenvoeging van een raadsfractie is het redelijk en
                    naar de kiezers toe te verantwoorden, dat bij het hanteren van een nieuwe naam
                    met het vorenstaande rekening wordt gehouden. Anders dan bij aanvang van een
                    raadsperiode, waar de fractiebenaming logischerwijze de geregistreerde
                    partijnaam volgt, is een toets van een tussentijdse wijziging van de benaming
                    van belang in verband met:</al><lijst><li nr="-"><al>mogelijke schending van geregistreerde (partij)namen of
                            handelsverkeernamen</al></li><li nr="-"><al>politieke consequenties, bijvoorbeeld ingeval afgesplitste fracties
                            alvast gaan opereren onder een naam van een partij die niet is
                            geregistreerd en al dan niet aan de eerstvolgende verkiezing zal
                            deelnemen.</al></li></lijst><al>Dit laatste zou door de andere politieke partijen en hun fracties kunnen worden
                    opgevat als het vooruitlopen op de verkiezingen. Bovendien kan gesteld worden
                    dat deze (groep) raadsleden daarvoor geen mandaat hebben van hun kiezers; de
                    desbetreffende raadsleden zijn niet als vertegenwoordigers van de nieuwe partij
                    gekozen. Gesteld zou kunnen worden dat er oneigenlijk gebruik gemaakt wordt van
                    een naam van een nieuwe politieke partij, die nog niet is geregistreerd in de
                    zin van de Kieswet.</al><al>Indien de nieuwe fractie tot een nieuwe naam (bijvoorbeeld van een nieuwe
                    partij) besluit die niet in overeenstemming is met dit artikel, wordt de nieuwe
                    naam bij de formele raadswerkzaamheden, zoals de raadsstukken en de
                    correspondentie, niet geaccepteerd. De raad erkent ook geen binding van de
                    fractie met de eventuele nieuwe partij gedurende de lopende raadsperiode. Het
                    staat de fractieleden uiteraard vrij buiten de gemeenteraad de naam van de
                    nieuwe partij te gebruiken. Het is de leden van de afgesplitste of samengevoegde
                    fractie wel toegestaan in hun bijdragen aan het gemeenteraadswerk naar een
                    dergelijke partij te verwijzen, mits dit met de nodige terughoudendheid
                    gebeurt.</al><al>De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan
                    mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie. </al><al>Gevolg van fractieafsplitsing en ontstaan nieuwe fractie is ook dat de nieuwe
                    fractieleden dient voor te dragen voor commissies, lid wordt, als
                    fractievoorzitter van het presidium, fractieondersteuning etc.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Vergaderingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 - Tijd en plaats van vergaderen</tussenkop><al>Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe
                    heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten
                    minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van
                    redenen daarom vraagt. Bij het opstellen van de roosters wordt zoveel mogelijk
                    rekening gehouden met de zomer- en kerstvakantieperiode.</al><al>Het tweede lid brengt tot uitdrukking dat de voorzitter in het bepalen van een
                    andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg pleegt in het presidium.
                    Op deze wijze houdt het presidium ook bij vergaderingen, die niet op het
                    gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de
                    plaats van de vergadering. Het wijzigen van het aanvangsuur is van
                    gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de raadsleden het
                    raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde functie. Het derde lid
                    geeft aan dat de gemeenteraad zelf bepaalt tot welk tijdstip ze wil vergaderen
                    en een besluit neemt over de wijze waarop en wanneer de “rest” van de agenda
                    wordt behandeld. Het artikel is o.a. opgenomen om vergaderen op
                    “burger-onvriendelijke” tijden te voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 10 - Oproep</tussenkop><al>In artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de
                    leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.</al><al>Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter ten minste zeven dagen vóór een
                    vergadering de leden een brief (de schriftelijke oproep) stuurt, waarin de
                    vergadering wordt aangekondigd. De brief vermeldt de dag, tijdstip en plaats van
                    de vergadering. Het tweede lid stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de
                    daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en
                    tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep
                    aan de leden worden verzonden. De in artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde
                    stukken zijn stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd. Hier wordt
                    melding van gemaakt op de stukken. Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit
                    wenst de stukken en oproep niet per post maar per e-mail te versturen.</al><tussenkop>Artikel 11 - Agenda</tussenkop><al>Het presidium bepaalt hoe de agenda van de raadsvergadering eruit komt te zien.
                    Dit is echter een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente
                    zal het niet altijd mogelijk zijn om een week voor de vergadering een agenda op
                    te stellen, die ook zicht heeft op de ‘waan’ van de dag. In een dergelijke
                    situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig
                    een aanvullende agenda en stukken rondsturen. Dit kan echter niet tot op het
                    laatste moment, maar tot uiterlijk twee dagen voor de aanvang van de
                    vergadering. Het derde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven
                    in de opstelling van de raadsagenda. Individuele raadsleden kunnen via hun
                    fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor de agenda voordragen. Zij
                    kunnen echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om
                    onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee
                    kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen
                    op de vaststelling van de agenda.</al><al>.</al><al>Het vierde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad van
                    voldoende informatie te voorzien. Als de raad niet voldoende op de hoogte is van
                    de inhoud en strekking van een onderwerp dan is het niet verantwoord dat de raad
                    zich op hoofdlijnen over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft
                    de raad de mogelijkheid, dat de raad het onderwerp aan het college nadere
                    inlichtingen of advies vraagt.</al><al>Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de eerste
                    plaats zijn dit het college en de burgemeester. Daarnaast kunnen raadsleden
                    initiatiefvoorstellen indienen. Het presidium kan voorstellen doen die te maken
                    hebben met de organisatie en de werkzaamheden van de raad (zie artikel 5, lid
                    6).</al><tussenkop>Artikel 12 - De wethouder</tussenkop><al>Deze bepaling is gewijzigd door een verandering en aanvulling van artikel 21
                    Gemeentewet op 16 april 2009. In de oude situatie bestond voor de raad de
                    mogelijkheid om een wethouder uit te nodigen voor de raadsvergaderingen. De raad
                    had ook de mogelijkheid om de wethouder buiten de beraadslagingen te houden,
                    bijvoorbeeld indien hij van gedachten wilde wisselen over het eigen functioneren
                    of bij de voorbereiding van een besluit tot een onderzoek naar het door het
                    college gevoerde bestuur. Aanwezigheid geschiedde op uitnodiging,
                    niet-uitgenodigde wethouders konden slechts op de publieke tribune plaatsnemen
                    en hadden niet het recht aan de beraadslagingen deel te nemen. De bepaling in
                    het Reglement van orde regelde dat op verzoek van de wethouder of op wens van
                    het presidium een wethouder werd uitgenodigd om aan de beraadslagingen deel te
                    nemen.</al><al>Door de wijziging en aanvulling van artikel 21 van de Gemeentewet heeft de
                    wethouder toegang tot de raadsvergadering en kan hij aan de beraadslaging
                    deelnemen. Bij de wijziging van de Gemeentewet is een derde lid aan artikel 21
                    toegevoegd: Een wethouder kan door de raad worden uitgenodigd om ter vergadering
                    aanwezig te zijn. De gewijzigde bepaling in het Reglement van orde geeft een
                    nadere uitwerking van deze bepaling. Het derde lid bij het artikel is toegevoegd
                    omdat het niet noodzakelijk is dat een wethouder elke raadsvergadering bijwoont.
                    Het gebruik van het werkwoord ‘uitnodigen’ geeft aan dat een wethouder kan
                    weigeren te verschijnen in de raad. In de praktijk zal dat echter niet
                    waarschijnlijk zijn, omdat een dergelijke weigering door de raad kan worden
                    uitgelegd als een weigering inlichtingen te verschaffen of verantwoording af te
                    leggen; met alle mogelijke onaangename politieke gevolgen van dien voor de
                    betrokken wethouder. De staatssecretaris van BZK vindt het echter onwenselijk
                    dat in een duaal bestel raad en college elkaar uitsluiten. De burgemeester
                    draagt als voorzitter van de raad èn van het college een bijzondere
                    verantwoordelijkheid hierop toe te zien.</al><al>Het is overigens nog steeds de raad zelf die de eigen agenda vaststelt. Met
                    andere woorden: het recht van de wethouder om de raadsvergadering bij te wonen
                    en aan de beraadslagingen deel te nemen houdt uitdrukkelijk niet het recht in om
                    de agenda mede te bepalen. De wethouder kan wel inspelen op onderwerpen die
                    worden behandeld, maar hij speelt geen rol bij de onderwerpen die op de agenda
                    worden geplaatst. De aanpassing in de Gemeentewet heeft vooral betrekking op het
                    samenspel tussen raad en college; de geforceerde scheiding tussen raad en
                    college, die onder andere tot uitdrukking kwam in de spelregels omtrent de
                    aanwezigheid van de wethouder in de raadsvergadering vindt de staatssecretaris
                    ongewenst.</al><tussenkop>Artikel 13 - Ter inzage leggen van stukken</tussenkop><al>In dit artikel gaat het, naast om de geheime stukken, om de zogenaamde
                    ‘achterliggende’ stukken waarvan vaak in de raadsvoorstellen melding wordt
                    gemaakt (toelichtende nota's, etc.).</al><al>Een agendapunt kan betrekking hebben op een grote hoeveelheid verschillende
                    stukken, die bijvoorbeeld het voorstel tot het bouwen van een nieuwe bibliotheek
                    onderbouwen. Omdat raadsleden zich bezighouden met een groot aantal
                    verschillende onderwerpen en voorstellen, is het in de meeste gevallen niet
                    wenselijk dat raadsleden alle onderliggende stukken krijgen toegezonden.
                    Uiteraard dienen alle raadsleden en andere geïnteresseerden de mogelijkheid te
                    hebben om alle stukken desgewenst in te zien. Hiervoor hebben ze wel voldoende
                    tijd nodig. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de
                    schriftelijke oproep ter inzage gelegd.</al><al>Naast de fysieke terinzagelegging op het gemeentehuis, worden alle relevante
                    stukken behorende bij de agenda ook op de gemeentelijke website gezet (met
                    uitzondering van de “geheime”stukken) en daarmee ook voor elk raadslid
                    elektronisch ter inzage aangeboden. In sommige gevallen zullen de stukken ook
                    per email kunnen worden verzonden aan de raadsleden, bijvoorbeeld bij het
                    nazenden van stukken.</al><al>Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB).
                    Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of
                    ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door
                    de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten
                    komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s,
                    notulen, (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in
                    de zin van de WOB.</al><al>Het kan niet de bedoeling zijn, dat een lid van de raad of een ander het
                    originele stuk mee naar huis neemt. Dit zou betekenen dat andere raadsleden en
                    geïnteresseerden niet meer de mogelijkheid hebben om het document in te zien.
                    Een raadslid of een andere geïnteresseerde mag echter wel een kopie van een ter
                    inzage gelegd stuk maken.</al><al>De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Het ligt
                    dan ook in de rede dat stukken, die betrekking hebben op de agenda en de
                    voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter
                    inzage worden gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de griffier inzage
                    aan hen verlenen. Het is wel aan te bevelen om over de inzage in geheime stukken
                    tussen raadsleden en de griffier praktische werkafspraken te maken, omdat de
                    griffie(r) niet gedurende 3 dagdelen de hele week aanwezig is in het
                    gemeentehuis. Gedacht kan worden aan het ‘op afspraak” inzien van de geheime
                    stukken.</al><tussenkop>Artikel 14 - Openbare kennisgeving</tussenkop><al>Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19,
                    tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is
                    aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. </al><al> Tevens is tevens de verplichting opgenomen de agenda en stukken ook op het
                    internet te plaatsen. Vanuit het oogpunt van service aan de burger is dit
                    gewenst. Dit is echter niet verplicht op grond van de Gemeentewet.</al><tussenkop>PARAGRAAF 2 ORDE DER VERGADERING</tussenkop><tussenkop>Artikel 15 - Presentielijst</tussenkop><al>De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel
                    20 Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen
                    op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen, dat het
                    vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te
                    stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet.</al><al>De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom
                    stelt hij samen met de voorzitter de presentielijst vast en ondertekent deze.
                    Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum
                    aanwezig was.</al><tussenkop>Artikel 16 - Zitplaatsen</tussenkop><al>De griffier is overeenkomstig artikel 3 in elke vergadering aanwezig en heeft
                    daarom een eigen zitplaats. De voorzitter kan na overleg in het presidium de
                    indeling herzien, indien daartoe aanleiding bestaat. Op grond van artikel 12
                    kunnen wethouders worden uitgenodigd om in de vergadering aanwezig te zijn. Ook
                    andere personen kunnen uitgenodigd worden om ter vergadering aanwezig te zijn.
                    De voorzitter is de aangewezen persoon om voor een zitplaats voor hen te
                    zorgen.</al><tussenkop>Artikel 17 - Opening vergadering</tussenkop><al>De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aantal zitting
                    hebbende raadsleden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend. Artikel 20
                    van de Gemeentewet voorziet in een procedure voor een tweede vergadering indien
                    het vereiste aantal leden niet op komt dagen. Het minimum aantal leden dat bij
                    een raadsvergadering aanwezig moet zijn om in een vergadering besluiten te
                    kunnen nemen ligt in de gemeente Zwartewaterland op 10: de helft van het aantal
                    raadsleden (19:2) + 1.</al><tussenkop>Artikel 17a - Ambtsgebed</tussenkop><al>Bij het begin van de raadsvergadering wordt een ambtsgebed uitgesproken door de
                    voorzitter van de raad. Dit ambtsgebed zou bij het begin van de vergadering als
                    volgt kunnen luiden:</al><tussenkop>“Almachtige God, Bij het begin van onze vergadering vragen wij u om alle
                    wijsheid en inzicht die wij voor ons gezamenlijk werk nodig hebben.Wij zijn in
                    het werk dat U ons als gemeentelijke overheid opdraagt, geheel van U
                    afhankelijk.Wilt u geven dat wij de gaven en krachten die U ons ieder
                    persoonlijk verleent, samen in dienst stellen van onze gemeente.Geef dat wij in
                    onze beraadslagingen en besluiten bedacht zijn op Uw wil en op het welzijn van
                    alle burgers. Schenk Uw zegen over de gemeente Zwartewaterland.
                    Amen”.</tussenkop><al>En bij de sluiting van de vergadering:</al><tussenkop>“Heere, onze God, Wij danken U voor de hulp die U ons verleend hebt.Wees
                    verder met ons en onze gemeente.Schenk ons in de vergeving van onze zonden, wat
                    wij nodig hebben op de plaats waar U ons gesteld hebt. Zegen ons naar Uw genade,
                    uit de rijkdom van Christus en geef Uw zegen ook over ons land en volk, onze
                    regering en ons Koninklijk Huis. Amen”.</tussenkop><tussenkop>Artikel 18 - Spreekrecht burgers</tussenkop><al>Burgers krijgen hier het recht om tijdens de raadsvergadering in te spreken over
                    geagendeerde A-onderwerpen en over-niet geagendeerde onderwerpen. Dit recht
                    geldt niet voor personen die spreken namens een politieke partij, die in de raad
                    vertegenwoordigd is. Ook wordt in dit artikel geregeld dat personen die eerder
                    in een raadsvergadering over hetzelfde onderwerp al hebben ingesproken
                    uitgezonderd. Dit is ook de reden om alleen over een A-onderwerp het
                    inspreekrecht toe te laten. Een B-onderwerp is immers al als A-onderwerp in de
                    raad aan de orde geweest. Dit om herhaling van dezelfde inbreng te voorkomen.
                    Deze uitzondering geldt alleen als het voorstel niet afwijkt van het voorstel
                    dat in een vorige raadsvergadering is behandeld.</al><tussenkop>Artikel 19 - Vragenhalfuur raadsleden</tussenkop><al>Het is de bedoeling dat hier vragen worden gesteld die aansluiten bij de
                    actualiteit en dat de vragen en antwoorden kort en bondig zijn. Het
                    vragenhalfuur moet een levendig karakter krijgen en aantrekkijk zijn voor
                    publiek en pers. De wijze waarop het vragenstellen en de beantwoording plaats
                    vindt is geregeld in artikel 41. In dit artikel 41 zijn strikte spreektermijnen
                    opgenomen om de levendigheid van het vragenhalfuur te vergroten.</al><al>Het is niet de bedoeling dat er een dialoog ontstaat, dan wel dat terzake van de
                    vraag wordt beraadslaagd of dat tijdens dit vragenhalfuur moties worden
                    ingediend.</al><al>Vragen die meer tijd nodig hebben of minder aan de actualiteit zijn gebonden
                    kunnen via</al><al>schriftelijke vragen of agendering in een raadsvergadering aan de orde worden
                    gesteld.</al><tussenkop>Artikel 20 - Verslag en besluitenlijst (notulen)</tussenkop><al>Dit artikel regelt de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van
                    een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de
                    verplichting op een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid
                    Gemeentewet). Bij de herziening van het reglement in 2006 is dit artikel
                    gewijzigd. Dit betreft de bepaling over de besluitenlijst en het gebruik van de
                    term verslag. Wat dit laatste betreft, voorheen werd gesproken over notulen.
                    Gekozen is om aan te sluiten bij de terminologie van de Gemeentewet (artikel 23,
                    vijfde lid) en de bepalingen in het modelreglement van orde voor het college. </al><al>Het conceptverslag wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep verstuurd
                    aan de leden en overige personen die het woord gevoerd hebben. Omdat wethouders
                    (artikel 12), de burgemeester, de griffier en de secretaris ook het woord kunnen
                    voeren in de vergadering, kunnen zij tevens een voorstel tot verandering van het
                    verslag aan de raad doen. Een voorstel tot verandering dient voorafgaand aan de
                    vergadering schriftelijk te worden ingediend. Het is ook mogelijk om te bepalen
                    dat dit kan plaatsvinden tot het moment dat het verslag wordt vastgesteld. Er is
                    hier gekozen om het voor de griffier zo praktisch mogelijk te regelen.</al><al>De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de
                    griffier aangewezen om voorstellen tot wijzigingen van het verslag in ontvangst
                    te nemen, het verslag op te stellen en deze, tezamen met de voorzitter, te
                    ondertekenen. Het is aan de raad om te beslissen of een voorgestelde wijziging
                    of aanvulling geaccepteerd wordt. Een afwijzing van een dergelijk voorstel is
                    niet vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State).
                    Als de secretaris aanwezig is, dient zijn naam, omdat het een belangrijke
                    functionaris blijft, vermeld te worden in het verslag. Hetzelfde geldt voor
                    wethouders.</al><al>Verder dient het verslag niet alleen een zakelijke samenvatting van hetgeen de
                    leden hebben gezegd te bevatten. Ook hetgeen de overige aanwezigen zoals
                    bijvoorbeeld de aanwezige wethouders of de gemeentesecretaris of burgers zeggen
                    moet zakelijk samengevat worden. Dit betekent dat die sprekers ook in het
                    verslag genoemd moeten worden.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Aanpassingswet dualisering gemeentebestuur is de
                    openbaarmaking van een besluitenlijst van de raadsvergadering verplicht gesteld
                    vanaf 19 februari 2003. Al eerder was in de Gemeentewet de verplichting voor het
                    college opgenomen (artikel 60), door middel van een amendement is dit nu ook
                    voor de raad geregeld in artikel 23, vijfde lid van de Gemeentewet. Tijdens de
                    behandeling van dit amendement in de Tweede Kamer is aangegeven dat de
                    besluitenlijst op zo kort mogelijke termijn moet worden gepubliceerd. Dit kan
                    voordat het verslag is vastgesteld aangezien de besluitenlijst ‘slechts’ een
                    overzicht geeft van (alle) door de raad genomen beslissingen (dus niet alleen
                    besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht maar ook bijvoorbeeld een
                    afspraak om een werkbezoek af te leggen).</al><al>Andere vormen van verslaglegging zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een
                    geluidsopname van de raadsvergadering op CD, met een overzicht van de sprekers,
                    de onderwerpen -voorzien van tijdscodes- en een besluitenlijst.</al><tussenkop>Artikel 21 - Ingekomen stukken; mededelingen</tussenkop><al>Omtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken worden alleen voorstellen
                    gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming,
                    steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar doorsturen naar het
                    college etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de
                    orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en
                    besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid.</al><al>De schriftelijke mededelingen van het college of burgemeester aan de raad
                    (raadsbrieven) komen in principe ook bij de raad binnen. Deze mededelingen in
                    raadsbrieven zijn dan ook een ingekomen stuk. Verder bewaakt de voorzitter de
                    orde van de vergadering. De raad stelt op voorstel van het presidium de wijze
                    van afdoening van de ingekomen stukken vast. In eerdere versies van het
                    reglement was deze taak bij de voorzitter gelegd. Het is logischer, nu er een
                    presidium is, deze taak hier neer te leggen.</al><tussenkop>Artikel 22 - Aantal spreektermijnen</tussenkop><al>Indien de raad van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging
                    tijdens dezelfde vergadering nog nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk
                    besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn
                    afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een
                    portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en
                    tweede termijn. Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd
                    te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog
                    een korte reactie te geven, hoeft door de voorzitter niet gehonoreerd te
                    worden..</al><al>De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen,
                    maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde
                    onderwerp.</al><al>In dit artikel is ook bepaald dat per onderwerp, agendapunt slechts één
                    woordvoerder namens een fractie het woord voert. De fractievoorzitter kan in
                    uitzonderlijke gevallen (bijvoorbeeld als hij merkt dat een fractielid zich
                    vergist of vergeet) een nadere toelichting geven op hetgeen door de woordvoerder
                    namens zijn fractie naar voren is gebracht. </al><al>Interrupties worden in principe ook niet bij de spreektijd gerekend, maar de
                    voorzitter kan het plaatsen en beantwoorden van interrupties wel limiteren ten
                    behoeve van de orde van de vergadering.( zie ook art 24).</al><tussenkop>Artikel 23 - Spreektijd</tussenkop><al>Het artikel strekt ertoe te benadrukken dat de raad ook uit eigen initiatief
                    regels kan stellen over de spreektijd van de leden. De voorzitter hoeft dit niet
                    voor te stellen. De voorzitter kan in het kader van zijn taak tot het handhaven
                    van de orde tijdens de vergadering wijzigingen voorstellen in de omvang van de
                    spreektijd.</al><tussenkop>Artikel 24 - Handhaving orde; schorsing</tussenkop><al>Het eerste lid verzekert dat raadsleden vrijelijk kunnen spreken. Wel zijn
                    interrupties toegestaan voor zover de voorzitter, bij een overvloed aan
                    interrupties of in het belang van de voortgang van de beraadslagingen, niet
                    bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te
                    bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te
                    uiten, is in artikel 22 Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte te vervolgd
                    kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn getuigenis af te leggen
                    over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. </al><al>Het tweede lid heeft naast de leden die het woord voeren, ook betrekking op de
                    wethouders, de secretaris, de griffier of andere personen, die het woord voeren.
                    De voorzitter kan hen tot de orde roepen. Indien zij hieraan geen gehoor geven,
                    kan hen het woord worden ontzegd. De bevoegdheid die in het derde lid aan de
                    voorzitter wordt gegeven om een spreker over een aanhangig onderwerp het woord
                    te ontzeggen, gaat minder ver dan de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van
                    de Gemeentewet biedt om aan dat lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang
                    van zaken belemmert, de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De
                    laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter blijft echter onverlet. Artikel 24
                    is slechts een aanvulling op de Gemeentewet. Een besluit van de voorzitter om
                    iemand het woord te ontnemen is een op feitelijk handelen gerichte beslissing
                    met een intern karakter. Dit is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. (JB
                    9 (2002) 138).</al><al>Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed-
                    of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor
                    wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar
                    de artikel 50 van dit reglement.</al><tussenkop>Artikel 25 - Beraadslaging</tussenkop><al>Teneinde de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel dat
                    in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd.
                    In het eerste lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen. Door de toevoeging
                    ‘of een lid van de raad’ wordt ook raadsleden het recht toegekend om voor te
                    stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Dit brengt tot uitdrukking dat de
                    raad zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht is aan ieder individueel raadslid
                    toegekend. Dit past in het streven naar dualisering, aangezien dualisering
                    versterking van de vertegenwoordigende en daarmee agenderende rol van de raad
                    veronderstelt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties
                    over adequate instrumenten te beschikken.</al><al>Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van de tweede
                    termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens twee mogelijkheden: er wordt direct tot
                    stemming overgegaan of aan de beraadslagingen wordt een derde termijn toegevoegd
                    (zie artikel 22).</al><al>In het tweede lid wordt onder meer gesproken over het college dat de
                    mogelijkheid krijgt tot nader beraad. Dit is uiteraard alleen het geval indien
                    het college bij de bespreking van het betreffende onderwerp vertegenwoordigd
                    is.</al><tussenkop>Artikel 26 - Deelname aan de beraadslaging door anderen </tussenkop><al>Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet
                    geregelde verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt
                    dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging
                    mag deelnemen. De raad kan op grond van artikel 3, 4 respectievelijk 12 bepalen
                    dat de griffier, de secretaris en de wethouder(s) deelnemen aan de
                    beraadslagingen. De burgemeester heeft het recht (het woord te voeren en) deel
                    te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste lid van de
                    Gemeentewet. De strekking van artikel 26 blijft alleen onveranderd wanneer aan
                    het eerste lid de griffier, de wethouder en de secretaris worden toegevoegd.
                    Daarmee blijft het artikel uitdrukken dat de raad kan beslissen dat anderen
                    kunnen deelnemen aan de beraadslagingen.</al><al>In het tweede lid wordt het begrip ‘beslissing’ gebruikt. Het gaat hier namelijk
                    niet om het besluitbegrip in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 27 - Stemverklaring</tussenkop><al>Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van
                    een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker, vandaar dat een
                    maximum duur van 1 minuut is opgenomen. De stemverklaringen worden alle gegeven
                    vóór (de hoofdelijke oproep van de leden tot) de stemming begint.</al><tussenkop>Artikel 28 - Beslissing</tussenkop><al>De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp
                    voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. Indien een voorstel is
                    geamendeerd, worden eerst de ingediende amendementen in stemming gebracht. De
                    voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing, zoals het dan luidt. </al><al>Indien in zijn geheel geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen
                    op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet.</al><tussenkop>PARAGRAAF 3 PROCEDURES BIJ STEMMINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 29 - Algemene bepalingen over stemming</tussenkop><al>Als een lid een stemming wenst dan dient dit verzoek gehonoreerd te worden.
                    Stemming geschiedt door middel van handopsteken. Indien een lid te kennen geeft
                    een hoofdelijke stemming te wensen, moet deze hoofdelijke stemming plaatsvinden.
                    De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de
                    Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht
                    te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog verwezen naar
                    artikel 209, tweede lid Gemeentewet, welke een hoofdelijke stemming
                    verplicht.</al><al>De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien
                    de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden
                    tegenstemmen. </al><al>Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28
                    Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te
                    nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een
                    volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de
                    openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze
                    vertegenwoordigd worden. </al><al>Bij wie de stemming begint, is ook in dit artikel geregeld.</al><al>In de Winsumuitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002) is het hoger beroep op
                    artikel 28 Gemeentewet afgewezen, maar heeft de Afdeling wel geconcludeerd dat
                    het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Algemene wet
                    bestuursrecht omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was
                    vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de
                    mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in
                    gemeenteraden. </al><al>In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4
                    Awb voorrang boven hetgeen in artikel 28 Gemeentewet is bepaald. Over de
                    mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseert Minister Remkes in zijn
                    beschouwing van 19 mei 2003:</al><al>“de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het
                    individuele raadslid;</al><al>bij stemming heeft de raad geen andere optie dan te waarschuwen dat het te nemen
                    besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of
                    bij de bestuursrechter of in het kader van een spontane vernietiging door de
                    Kroon (artikel 268 Gemeentewet); de raad kan in dergelijke gevallen een
                    belangrijke rol spelen door in algemene zin te bespreken, individuele raadsleden
                    door hun handelen de schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat
                    voorkomen kan worden (en dit bijv. opnemen in de gedragscode);uiteraard is de
                    gedragscode in juridische zin niet bindend, dit is tevens niet wenselijk.”</al><al>Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van
                    toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te
                    zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het
                    besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken,
                    wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.</al><tussenkop>Artikel 30 - Stemming over amendementen en moties</tussenkop><al>Voor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening
                    e.d.) wordt verwezen naar de artikelen 1, 34 en 35 van dit reglement. Voor alle
                    duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie
                    en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming
                    over het voorstel van het college. Een motie strekt weliswaar niet tot wijziging
                    van een voorgesteld besluit, maar kan wel van invloed hierop zijn (bijvoorbeeld
                    om het college op te dragen iets goed te monitoren) en kan sommige partijen bij
                    aanneming van een motie over de streep trekken om in te stemmen met een
                    voorstel. Over een motie wordt een apart besluit genomen, voordat de
                    besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een
                    afzonderlijk onderwerp (motie vreemd aan de orde van dag) geldt dit uiteraard
                    niet.</al><tussenkop>Artikel 31 - Stemming over personen</tussenkop><al>Op de stemming over personen zijn de artikelen 30 en 31 van de Gemeentewet van
                    toepassing.</al><al>Ook is artikel 28 lid 3 van de Gemeentewet van belang.</al><al>Artikel 28 bepaalt onder meer dat een raadslid niet deelneemt aan de stemming
                    bij een aangelegenheid die hem rechtstreeks of indirect persoonlijk aangaat of
                    waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken. In lid 3 is geregeld dat een
                    benoeming iemand persoonlijk aangaat wanneer hij behoort tot de personen tot wie
                    de keuze door een voordracht of bij een</al><al>herstemming is beperkt.</al><al>Artikel 30 bepaalt dat voor het tot stand komen van een besluit bij stemming de
                    volstrekte meerderheid is vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.</al><al>Eind 2005 is de Gemeentewet gewijzigd wat betreft het stemmen over personen.
                    Voorheen was in artikel 31, eerste lid bepaald dat, indien er wordt gestemd over
                    de benoeming, voordracht of aanbeveling van personen, dit schriftelijk dient te
                    geschieden door middel van gesloten en ongetekende stembriefjes. Op deze wijze
                    zou de geheimhouding zijn gewaarborgd. De verplichting om dit bij stembriefjes
                    te doen is nu vervallen. Gemeenten kunnen dus ook middels een elektronisch
                    stemsysteem stemmen over personen, mits de geheimhouding gewaarborgd is.</al><al>Het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van een
                    behoorlijk ingevuld stembriefje. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt
                    als een behoorlijk ingevuld stembriefje (MvT, 19 403, nr. 3 p. 86). In geval van
                    een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco
                    stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de
                    bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is
                    ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden
                    verstaan, is in de wet niet geregeld ( zie hieronder onder Geldig uitgebrachte
                    stem, maar hierbij kan aan het volgende worden gedacht): </al><al>De raad heeft altijd het laatste woord in het geval van twijfel over een
                    behoorlijk stembriefje. </al><al>In het reglement is nu alleen nog opgenomen het begrip benoemingen, omdat het
                    altijd gaat om het benoemen van personen voor bepaalde bestuursfuncties.</al><tussenkop>Begrippen</tussenkop><al>De Gemeentewet geeft geen omschrijving van de begrippen voordracht, aanbeveling
                    en benoeming maar de begrippen voordracht en aanbeveling worden in de
                    bestuurspraktijk als volgt gebruikt:</al><al><cursief>Voordracht:</cursief> het als kandidaat voorstellen van één of meer
                    personen voor een bepaald ambt. bindend voorstel tot het benoemen van één of
                    meer personen voor een bepaald ambt. Een voordracht is voor de raad bindend, op
                    de stembiljetten dienen de namen van de voorgedragen perso(o)n(en) te worden
                    vermeld met daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’</al><al><cursief>Aanbeveling:</cursief> bij een aanbeveling wordt voorgesteld om
                    bepaalde personen voor een bepaald ambt voor te dragen, waarbij de raad de
                    mogelijkheid heeft andere kandidaten te benoemen. Er mag dus door de raad van de
                    aanbeveling worden (zie ook toelichting bij artikel 29). Op de stembiljetten
                    kunnen de namen van de aanbevolen personen worden vermeld met daarachter de
                    opties ‘voor’ en ‘tegen’ én een vrije ruimte waar een kandidaat van eigen keuze
                    kan worden ingevuld. </al><al>Een <cursief>benoeming </cursief>is dan het besluit van de raad tot het benoemen
                    van een persoon op voordracht of op aanbeveling. Bij een benoeming stelt de raad
                    een specifiek persoon aan in een bepaald ambt (bijv. wethouder). Het gaat hier
                    overigens niet over de benoeming <cursief>tot</cursief> raadslid, dit is een
                    heel ander soort benoeming dat in artikel 4 van dit reglement wordt
                    toegelicht.</al><tussenkop>Vóór de stemming</tussenkop><al>Van belang is de periode voordat tot de stemming wordt overgegaan. Er moet aan
                    of door de raad eerst duidelijkheid worden gegeven over de status van het
                    voorstel. Is er sprake van een voordracht of een aanbeveling? Soms wordt de
                    status bepaald door regelgeving in bijvoorbeeld de wet of statuten. Is dat niet
                    het geval dan kan de raad zelf een keuze maken.</al><al>Afhankelijk van de status van het voorstel gelden de regels over wie zich
                    eventueel moet</al><al>onthouden van stemmingen (art. 28 lid 3 Gemeentewet) en wanneer er sprake is van
                    een niet behoorlijk ingevuld stembriefje.</al><al>Als duidelijk is waarover wordt gestemd, moet het stembriefje daarmee
                    overeenstemmen. Bij een voordracht of een herstemming is er immers geen andere
                    keuze dan voor of tegen. Bij een aanbeveling is er ruimte om een andere persoon
                    in te vullen.</al><al>Het uitgangspunt dat benoemingen van personen uit en door de raad plaatsvinden
                    op aanbeveling vanuit de raad is neergelegd in artikel 31. Gemeentewet.</al><tussenkop>Geldig uitgebracht</tussenkop><al>Een benoemingsbesluit is dus op grond van artikel 30 Gemeentewet tot stand
                    gekomen wanneer de benoemde de volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte
                    stemmen heeft. Daarvoor is het van belang eerst te bepalen wat het aantal geldig
                    uitgebrachte stemmen is. Volgens de toelichting op dit artikel staat de vraag of
                    een stembriefje behoorlijk is ingevuld ter beoordeling aan de raad. De
                    toelichting verwijst hiervoor naar de mogelijkheid dit nader te regelen in het
                    reglement van orde.</al><al>In artikel 31 lid 7 van het reglement is niet meer geregeld wat precies wordt
                    verstaan onder een niet behoorlijk ingevulde stembriefje. Dit was in een eerder
                    model-reglement wel geregeld, maar wordt nu als onnodig detaillistisch gezien en
                    zorgde in veel gemeenten ook voor verwarring. Daarnaast heeft de raad altijd het
                    laatste woord in het geval van twijfel over een behoorlijk stembriefje. In
                    Zwartewaterland kan gelden dat onder een behoorlijk ingevuld stembriefje niet
                    vallen: </al><lijst><li nr="a."><al>een blanco stembriefje;</al></li><li nr="b."><al>een ondertekend stembriefje;</al></li><li nr="c."><al>een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de stemming
                            verschillende vacatures betreft;</al></li><li nr="d."><al>een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op voordracht betreft,
                            op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen;</al></li><li nr="e."><al>een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die
                            waartoe de stemming is beperkt.</al></li></lijst><al>Benoemingsprocedure wethouders: </al><al>Af en toe blijkt er in gemeenten verwarring te bestaan over het meestemmen in de
                    raad van kandidaat-wethouders over hun eigen benoeming (<cursief>artikel 28
                        Gemeentewet</cursief>).</al><al>In de eerste plaats is er, indien raadsleden genomineerd worden voor de functie
                    van wethouder, sprake van een vrije stemming. Wel kan een fractie een
                    aanbeveling doen, maar er is geen sprake van een voordracht. De beoogd wethouder
                    mag dus meestemmen over zijn eigen benoeming. Een voorstel tot benoeming gaat
                    hem persoonlijk aan "wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door
                    een voordracht of bij een herstemming is beperkt" (artikel 28, lid 1, onder a,
                    lid 3, Gemeentewet). Dat is echter in casu niet aan de orde, omdat er ook op een
                    ander persoon kan worden gestemd. De aard van de stemming is derhalve van
                    belang. </al><al>Dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het stembriefje de
                    naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen (die van de
                    voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander). Er is in dit geval geen
                    sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan de stemming
                    mag derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter benoeming zijn
                    voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere naam dan hun eigen
                    naam invullen.</al><al>De stemming in de raad over een wethoudersbenoeming is dus een vrije stemming
                    waar de beoogde wethouder gewoon over zijn eigen benoeming kan meestemmen. De
                    wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te
                    beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de
                    kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende
                    argumenten nog voor bovenstaande zienswijze:</al><al> een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op
                    stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en meneer Pieterse
                    aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee
                    mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder
                    heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen;</al><al> een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over
                    voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een
                    voordracht;</al><al>Tenslotte is het denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt
                    aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van
                    belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het
                    meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend
                    moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen
                    volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen
                    afweging te maken. De verwarring komt mede door de veelheid aan opvattingen die
                    de afgelopen periode ten aanzien van de interpretatie van artikel 28 Gemeentewet
                    is verschenen.</al><al>In de gemeenteraad van Zwartewaterland is de volgende procedure voor de
                    benoeming van wethouders gebruikelijk: </al><lijst><li nr="1."><al>De benoeming van de wethouders vindt plaats op aanbeveling van de
                            raad.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter vraagt de onderhandelaars van het collegeprogramma hoeveel
                            wethouders in volledige en/of deeltijdbetrekking zullen worden
                            benoemd.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter inventariseert welke fracties personen willen
                            aanbevelen.</al></li></lijst><al>Overigens wordt opgemerkt dat in dit reglement bij art 7b (nieuw) een commissie
                    benoembaarheid wethouders is opgenomen. Vóórdat de wethouders daadwerkelijk
                    benoemd kunnen worden, dient deze procedure te zijn afgerond.</al><tussenkop>Stembureau</tussenkop><al>In het artikel is het stembureau en haar taak opgenomen. Het stembureau heeft
                    naast het</al><al>onderzoek of het aantal ingeleverde stembriefjes klopt, tot taak de ingeleverde
                    stembriefjes te beoordelen aan de hand van de hierboven omschreven criteria. Bij
                    twijfel over de geldigheid van een stembriefje beslist de raad.</al><tussenkop>Vernietigen stembriefjes</tussenkop><al>Het vernietigen van de stembriefjes is niet verplicht. De vernietiging is uit
                    het oogpunt van</al><al>zorgvuldigheid, anonimiteit van het stemmen e.d. wel aan te bevelen.</al><al>Een benoemingsbesluit is echter ook een raadsbesluit dat kan worden vernietigd,
                    c.q. voor</al><al>vernietiging kan worden voorgedragen. In een dergelijk geval is er geen bewijs
                    meer voor handen. Gelet op het bovenstaande, is in lid 9 bepaald dat de
                    stembriefjes worden vernietigd nadat de notulen van de vergadering waarin de
                    stemming heeft plaatsgevonden, zijn vastgesteld. In de notulen is dan verslag
                    gedaan van de stemming en door de vaststelling van de notulen, stemt ieder
                    raadslid met de verslaggeving van de stemming in.</al><tussenkop>Artikel 32 - Herstemming over personen</tussenkop><al>Artikel 32 gaat over de herstemming bij personen.</al><al>De tweede stemming is dan nog vrij, de derde stemming gaat over twee personen en
                    dan mogen deze twee personen niet meer meestemmen op grond van artikel 28 lid 3
                    van de Gemeentewet. Dan is ook het artikel van toepassing met betrekking tot het
                    niet behoorlijk ingevuld zijn van een stembriefje.</al><al>De wijziging van het tweede lid strekt ertoe verwarring over de term
                    ‘herstemming’ in artikel 31, tweede lid, van de Gemeentewet te voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 33 - Beslissing door het lot</tussenkop><al>In dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van hetgeen in artikel 31,
                    derde lid van de Gemeentewet is voorgeschreven.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Rechten van leden</tussenkop><tussenkop>Artikel 34 - Amendementen</tussenkop><al>Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit
                    artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in
                    het tweede tot en met het vierde lid. Op basis van artikel 147b van de
                    Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen.</al><al>Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en
                    controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele
                    raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een
                    effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele
                    raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft (geen
                    drempelsteun). Door het recht van amendement kan de regelgevende taak van de
                    raad reëel inhoud krijgen en mede ten dienste staan van de inkadering en de
                    controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo
                    in staat gesteld actief deel te nemen aan de effectuering van de controlerende,
                    vertegenwoordigende en budgettaire functie van de raad.</al><al>Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college
                    voorstellen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend,
                    kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een
                    wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend
                    worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het
                    (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in
                    uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging
                    noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel
                    22).</al><al>Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel 30. </al><al>In artikel 34 ( zie oud art 36B RvO) wordt nu in het 1<sup>e</sup> lid ook
                    geregeld dat ieder lid de mogelijkheid heeft tijdens de beraadslagingen een
                    voorstel te doen om een besluit in onderdelen te splitsen en daarover
                    afzonderlijk te stemmen. Het is wellicht enigszins wat omslachtig om dit via een
                    schriftelijk amendement te doen, dus biedt de lid 3 hier dan uitkomst (mondeling
                    indienen van een amendement vanwege de eenvoud van het voorstel).</al><tussenkop>Artikel 35 - Moties</tussenkop><al>In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie
                    gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan
                    om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard)
                    of het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen.
                    Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht;
                    een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn
                    burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering
                    ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het
                    college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan
                    het college dan zijn consequentie trekken.</al><al>Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt,
                    dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over
                    een motie over een aanhangig onderwerp geldt, dat deze niet plaatsvindt in
                    afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het
                    onderwerp, waarop de motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een
                    niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering
                    plaats. </al><al>In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie
                    van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te
                    hebben verloren. Bij de wijziging van de Gemeentewet van april 2009 is dit
                    artikel 49 gewijzigd. Voortaan is het een wethouder niet toegestaan om na een
                    aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij dit zelf niet doet,
                    dient de raad actie te ondernemen.</al><al>In het verleden werd het verlies van vertrouwen van de raad in een wethouder
                    niet altijd opgevat als een aansporing om onmiddellijk ontslag te nemen. De
                    meeste wethouders hielden na een motie van wantrouwen de eer aan zichzelf en
                    namen ontslag. De wet verzette zich echter niet tegen vrijwillig een periode van
                    bezinning in te lassen ingeval een wethouder, tegen wie een motie van wantrouwen
                    is ingediend, weigert zijn ontslag te nemen. De Eerste en Tweede kamer vonden
                    dit een onwenselijke situatie: politiek ontslag dient terstond in te treden: er
                    is immers geen vertrouwen meer. Politiek ontslag, dus zowel op eigen initiatief
                    (naar aanleiding van vertrouwensverlies) als ontslag door de raad , treedt
                    terstond in. De werking van artikel 49 is anders dan van artikel 43 van de
                    Gemeentewet. Dit laatste artikel regelt ontslag op eigen initiatief,
                    bijvoorbeeld wegens ziekte of het aanvaarden van een andere functie. Ontslag op
                    basis van artikel 43 Gemeentewet geschiedt op basis van vrijwilligheid en heeft
                    niet te maken met het verlies of het gebrek aan vertrouwen. </al><tussenkop>Artikel 36 - Voorstellen van orde</tussenkop><al>De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van
                    een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder
                    beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel
                    niet aangenomen, (artikel 32, lid 4 Gemeentewet is hierop niet van toepassing).
                    Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor
                    een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure
                    van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 37).</al><tussenkop>Artikel 36 - Pre-advies </tussenkop><al>In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen om de stemming over een ingediende
                    motie aan te houden om het college de gelegenheid te geven terzake met een nader
                    advies, pre-advies</al><al>genoemd, te komen. Na de behandeling over het pre-advies beslist de raad. De
                    indiener van de motie kan de motie dan eventueel intrekken.</al><tussenkop>Artikel 36B - vervallen: overgebracht naar artikel 34.</tussenkop><tussenkop>Artikel 37 - Initiatiefvoorstellen</tussenkop><al>Het is de taak van burgemeester en wethouders aan de raad de nodige voorstellen
                    te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een
                    ontwerp-verordening of ontwerp-beslissing doen. Hiervoor is het recht van
                    initiatief toegekend. </al><al> Art 147 van de Gemeentewet wordt hier nader uitgewerkt. Art 147 bepaalt in het
                    1<sup>e</sup> lid dat ieder lid van de raad een voorstel voor een verordening of
                    een ander voorstel ter behandeling in de raad kan indienen. Dit betekent o.a.
                    dat het initiatiefrecht geldt voor : </al><lijst><li nr="-"><al>het indienen van een voorstel voor een verordening</al></li><li nr="-"><al>het indienen van een ander voorstel</al></li></lijst><al>en dat het initiatiefrecht geldt voor elk individueel raadslid. En dat het eisen
                    van een minimum aantal handtekeningen is dus niet toegestaan.</al><al>Het 2<sup>e</sup> lid geeft aan dat de raad regelt op welke wijze een voorstel
                    voor een verordening wordt ingediend en behandeld. Dit betekent dat een
                    initiatiefvoorstel voor een verordening in de raad moet worden behandeld. De
                    raad kan hiervoor in het Reglement van orde geen beperkingen opleggen. De raad
                    mag alleen regels stellen over de manier waarop een initiatiefvoorstel moet
                    worden ingediend (bijvoorbeeld alleen schriftelijk, een x-aantal dagen voor de
                    raadsvergadering indienen, etc.).</al><al>Het derde lid geeft aan dat de raad regelt op welke wijze en onder welke
                    voorwaarden een ander voorstel wordt ingediend en behandeld. Dat betekent dat
                    ingevolge artikel 147 gemeentewet bij een ander initiatiefvoorstel de
                    Gemeentewet geen verplichte behandeling voorschrijft. De raad kan hierbij dus
                    wel voorwaarden aan de behandeling stellen. </al><tussenkop>De Commissie Leemhuis (de stuurgroep evaluatie dualisering
                    gemeentebestuur) heeft in 2004 in haar tussenrapport over de stand van zaken
                    rond de dualisering onder meer geadviseerd: </tussenkop><tussenkop>Versterk de rol van het college bij initiatiefvoorstellen van de
                    raad</tussenkop><al>Het is, aldus de Commissie Leemhuis, onwenselijk dat de raad zonder
                    betrokkenheid van het college tot besluitvorming overgaat.</al><al>Daarom moet volgens deze commissie worden voorzien in een expliciete wettelijke
                    positie van het college bij de vaststelling van initiatiefvoorstellen van de
                    raad. Een vergelijkbare bepaling is bij amendement Te Veldhuis in de
                    Provinciewet opgenomen. Een dergelijke bepaling houdt in dat de gemeenteraad
                    geen verordeningen met algemeen verbindende voorschriften kan vaststellen dan
                    nadat hij burgemeester en wethouders in de gelegenheid heeft gesteld hun wensen
                    en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Het van toepassing verklaren
                    van deze bepaling op alle raadsinitiatieven is, aldus deze commissie, nodig en
                    dient wettelijk te worden vastgelegd.</al><al>Het presidium heeft tot taak gekregen een voorstel te doen tot de wijze van
                    behandeling van het voorstel (verordening én ander voorstel) Het kan zijn dat
                    het rechtstreeks op de raadsagenda geplaatst wordt, maar ook kan voorgesteld
                    worden dat:</al><lijst><li nr="-"><al>het voorstel met het oog op de orde van de vergaderingen tezamen met een
                            ander voorstel of onderwerp dient te worden behandeld;</al></li><li nr="-"><al>het voorstel voor advies naar het college dient te worden gezonden. In
                            dat geval bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw
                            geagendeerd wordt. Het behandelingsvoorstel van het presidium wordt op
                            de eerstvolgende agenda van de raadsvergadering geplaatst en er volgt
                            dan een besluit van de raad aangaande de procedure over de behandeling
                            van het initiatiefvoorstel. </al></li></lijst><al>Artikel 147a, derde lid, bepaalt in tegenstelling tot artikel 147a, tweede lid,
                    dat voor andere initiatiefvoorstellen (anders dan voorstellen voor
                    verordeningen) geen verplichte behandeling voorgeschreven is. </al><al>Een initiatiefvoorstel hoeft formeel niet langs het college, maar in geval het
                    voorstel personele (en financiële) consequenties heeft kan het raadzaam zijn het
                    initiatiefvoorstel ook aan het college voor te leggen voor advies. De stuurgroep
                    Leemhuis heeft in het evaluatierapport dualisering de aanbeveling gedaan om het
                    college de beleidsvoorbereiding te laten doen en om de rol van het college bij
                    initiatiefvoorstellen te versterken. De VNG vindt het niet nodig om op dit punt
                    de Gemeentewet te wijzigen en het college bij initiatiefvoorstellen een rol te
                    geven. De positie van de raad, in haar kaderstellende rol is het uitgangspunt.
                    De tendens, dat het college meer betrokken moet worden bij de
                    beleidsvoorbereiding is evident. Toch dienen gemeenten ervoor te waken dat het
                    college de kaderstellende rol van de raad niet gaat overnemen. De VNG heeft
                    duidelijk aangegeven dat samenspel tussen beide organen een oplossing is voor
                    eventuele fricties. </al><al>Als de raad, volgens de VNG, andere voorwaarden voor het indienen van een
                    initiatiefvoorstel, niet zijnde een verordening, wenselijk acht, kunnen deze op
                    basis van het derde lid worden vastgesteld. Hierbij kan gedacht worden aan
                    strijd met het algemeen belang, het belang van de gemeente of het gemeentelijk
                    beleid. De raad bepaalt of een voorstel in strijd is met de wet (bijvoorbeeld de
                    Wet op de ruimtelijke ordening), het algemeen belang (bijvoorbeeld de
                    volksgezondheid), het belang van de gemeente (bijvoorbeeld het terugtrekken uit
                    een publiek-private samenwerking die gericht is op het renoveren van
                    achtergestelde woonwijken) of het gemeentelijk beleid (het bouwen van een
                    parkeergarage in het centrum als enkele maanden geleden de binnenstad autoluw is
                    gemaakt).</al><al>Het kamerlid Kalsbeek heeft de minister van BZK vragen gesteld over het
                    initiatiefrecht. De minister heeft aangegeven: “Het recht op initiatief houdt
                    niet in dat individuele raadsleden en raadsminderheden het recht moeten hebben
                    om onderwerpen op de agenda van de raad te plaatsen maar het houdt in dat zij in
                    beginsel invloed moeten kunnen hebben op de agenda. Het is immers aan de raad
                    om, aan het begin van de raadsvergadering, met meerderheid van stemmen, de
                    agenda vast te stellen. Het is dan ook de raad die beslist welke onderwerpen
                    worden behandeld. Zou elk individueel raadslid het recht toekomen om
                    agendapunten voor de vergadering aan te dragen dan zou het effectief
                    functioneren van de raad in gevaar kunnen komen. Een raadsminderheid die bij
                    herhaling onderwerpen op de agenda plaatst, waarover de raadmeerderheid niet
                    wenst te beraadslagen, kan de besluitvorming van de raad ernstig belemmeren”. </al><al>Bij de wijziging van het model reglement in 2010 is het vierde lid geschrapt.
                    Dit lid gaf de mogelijkheid een wethouder na een motie van wantrouwen direct te
                    ontslaan (artikel 49 Gemeentewet). Zonder de bepaling in het vijfde lid was deze
                    ontslagmogelijkheid niet mogelijk door de procedureregels van het reglement van
                    orde. Bij de wijziging van de Gemeentewet van april 2009 is artikel 49
                    gewijzigd, hierdoor is deze bepaling overbodig geworden en geschrapt.</al><tussenkop>Artikel 38 -Terugzenden collegevoorstel</tussenkop><al>Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de
                    enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel kan agenderen,
                    dat het college heeft voorbereid. Als het college het voorstel heeft voorbereid,
                    betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan
                    intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het
                    voorstel niet wenselijk is. De raad moet hier toestemming voor geven.</al><al>Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander
                    voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een
                    verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor
                    advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken
                    het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De
                    raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel,
                    dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan
                    dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het
                    presidium overlaten.</al><tussenkop>Artikel 39 - Interpellatie</tussenkop><al>Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het
                    interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht en het
                    vragen van inlichtingen, doch is een veel zwaarder politiek middel. Door middel
                    van dit artikel kan het vragen van inlichtingen op de agenda van de raad
                    geplaatst worden zodat de raad hierover kan debatteren. Het gaat om een recht
                    van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een
                    niet-geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te
                    vragen. Daarvoor is verlof van de raad voor nodig. Het is niet gebruikelijk een
                    interpellatie toe te staan, indien er al schriftelijke vragen of inlichtingen
                    over hetzelfde onderwerp zijn ingediend en deze vragen nog niet zijn beantwoord.
                    Het karakter van het vragenhalfuur (zie artikel 41) verschilt van het recht van
                    interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder
                    politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen
                    over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde
                    onderwerpen aan de orde komt. Raadsleden vragen daarmee leden van het college
                    zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur.</al><al>Het is niet ongewoon dat een interpellatiedebat wordt afgesloten met het in
                    stemming brengen van een motie.</al><al>In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch is
                    het van belang dat zij bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte
                    worden gesteld van de inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in het tweede
                    lid wordt hiervoor gezorgd. De toelichting bij artikel 37 over de stuurgroep
                    Leemhuis en de (verplichte) aanwezigheid van collegeleden is ook op dit artikel
                    van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 39A - Spoeddebat</tussenkop><al>Dit artikel is toegevoegd bij de behandeling van dit reglement in de
                    raadsvergadering van 28 juni 2007, omdat in het concept reglement van orde niet
                    expliciet een regeling voor een spoeddebat was opgenomen.</al><al>De raad achtte het wenselijk dat – hoewel er in de Gemeentewet en in het
                    reglement indirect mogelijkheden zijn – voor een dergelijk debat een en ander in
                    het reglement geregeld is.</al><al>Bij de instrumenten die de raad ter beschikking heeft moet in dit verband goed
                    worden afgewogen of het gaat om het vragen van inlichtingen aan het college, het
                    verzoek tot het houden van een interpellatie, of daadwerkelijk om een
                    spoeddebat.</al><al>Evenals bij het verzoek om een interpellatie moet ook bij het aanvragen van een
                    spoeddebat een zorgvuldige afweging plaatsvinden. Het gaat immers in beide
                    gevallen om een zwaar politiek middel.</al><tussenkop>Artikel 40 - Schriftelijke vragen</tussenkop><al>Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen
                    over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester
                    behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve
                    strekking.</al><al>Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het
                    college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. De
                    verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in
                    kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan
                    plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de
                    burgemeester geeft daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het
                    bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester direct kan
                    antwoorden op een vraag. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad
                    anders kan beslissen. In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in
                    de gelegenheid gesteld - bij de behandeling van de lijst van ingekomen stukken
                    waarop het antwoord geplaatst is- nadere inlichtingen over het antwoord te
                    vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van
                    mening is, dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet
                    leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om
                    het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen.</al><tussenkop>Artikel 41 - Mondelinge vragen en beantwoording.</tussenkop><al>Deze bepaling vormt een aanvulling op het artikel 155, eerste lid, van de
                    Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht. Het is een facultatieve
                    bepaling. Het is aan de raad om te bepalen of de instelling van een
                    vragenhalfuur en daarmee het opnemen van een dergelijke bepaling in het
                    reglement van orde wenselijk is. Wel kan het vragenhalfuur bijdragen aan een
                    vergroting van de betrokkenheid van burgers bij het bestuur door in te gaan op
                    actuele zaken.</al><al>Veelal fungeerde de rondvraag vroeger in de raadsvergadering als een
                    mogelijkheid tot het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het
                    echter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is.
                    Om die reden en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de
                    raad ten goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden.</al><al>De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de
                    lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenhalfuur krijgt de raad de
                    mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de
                    tand te voelen.</al><al>Het karakter van het vragenuur verschilt dan ook van het recht van
                    interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder
                    politiek karakter en leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen
                    vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde
                    onderwerpen aan de orde komt. Raadsleden vragen daarmee leden van het college
                    zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur. </al><al>Voor de herkenbaarheid voor de burgers is het raadzaam om het vragenhalfuur op
                    een vast tijdstip te houden.</al><al>In het tweede lid is een aanmeldingstermijn opgenomen (vóór 10.00 uur ’s
                    ochtends op de dag van de vergadering) vanwege het feit dat wethouders moeten
                    worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van raadsleden.
                    Vanwege het minder zware karakter van het vragenuur vergeleken met de
                    interpellatie is gekozen voor deze aanmeldingstermijn (terwijl voor de
                    interpellatie 48 uur van vóór de vergadering geldt).</al><al>In het artikel zijn strikte spreektijden van een ieder vermeld om de
                    levendigheid te vergroten en om een debat te voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 42 - Inlichtingen</tussenkop><al>Dit artikel is een uitwerking van de verantwoordingsplicht van het college (art.
                    169 Gemeentewet) en de burgemeester (art. 180). Deze artikelen bepalen dat de
                    leden van het college tezamen en ieder afzonderlijk en de burgemeester de door
                    een of meer leden van de raad mondeling of schriftelijk de door een of meer
                    leden gevraagde inlichtingen geven, waarvan het verstrekken niet in strijd is
                    met het openbaar belang.</al><al>De Memorie van Toelichting stelt dat het recht op inlichtingen alle vormen omvat
                    waarin</al><al>inlichtingen kunnen worden gevraagd. Het kan variëren van het stellen van
                    mondelinge of</al><al>schriftelijke vragen tot het houden van een interpellatie. In het reglement van
                    orde moet de raad nadere regels geven omtrent de wijze waarop dit recht kan
                    worden uitgeoefend. De keuze voor het mondeling of schriftelijk verstrekken van
                    de inlichtingen wordt gelegd bij de verstrekker. Dat mag dus in het Reglement
                    van Orde niet worden beperkt. Het verschil met de vragen van artikel 40
                    (schriftelijke vragen) is dat met die vragen informatieverstrekking wordt
                    beoogd, terwijl de vragen van artikel 42 worden gesteld in het kader van de
                    verantwoordingsplicht van het college, het collegelid, dan wel de
                    burgemeester.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Begroting en rekening</tussenkop><tussenkop>Artikel 43 en artikel 44 - Procedure begroting en Procedure
                    jaarrekening</tussenkop><al>In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en jaarrekening
                    vastgelegd. De desbetreffende procedure kan jaarlijks of in zijn algemeenheid
                    voor een langere periode worden bepaald. In de Handreiking voor de financiële
                    verordeningen en controleverordeningen (artikel 212, 213, 213a Gemeentewet))
                    wordt de inhoudelijke kant uitgewerkt.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Lidmaatschap van andere organisaties</tussenkop><tussenkop>Artikel 45 - Verslag; verantwoording</tussenkop><al>Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder of
                    de gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een
                    gemeenschappelijke regeling, verrichten aldaar hun taak zowel als leden van dat
                    bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze,
                    waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn
                    zij verantwoording verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ook de
                    gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de
                    informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten.</al><al>In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge
                    verslaglegging. In het tweede en derde lid wordt aangegeven dat vóór het begin
                    van de vergadering gemeld moet worden dan men verslag wil doen en dat de
                    voorzitter dan het tijdstip in de vergadering bepaalt van deze verslaglegging.
                    In het vierde lid wordt aangegeven dat behandeling van het verslag door de raad
                    door de voorzitter kan worden doorverwezen naar de raadscommissie.</al><al>In het vijfde lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen
                    aangegeven, overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel 37.</al><al>Het zesde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die
                    aansluit bij de regels voor inlichtingen (zie artikel 42).</al><tussenkop>Hoofdstuk 7 Besloten vergadering</tussenkop><tussenkop>Artikel 46 - Algemeen</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige
                    toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan
                    onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van
                    stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het
                    verslag. </al><al>De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het
                    toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de
                    vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor
                    openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. </al><al>Artikel 24 Gemeentewet somt het aantal zaken op die niet in een besloten
                    vergadering mogen worden beraadslaagd of besloten:</al><lijst><li nr="-"><al>toelaten nieuwe leden;</al></li><li nr="-"><al>de vaststelling en wijziging van de begroting en de jaarrekening;</al></li><li nr="-"><al>de invoering, wijziging en afschaffen van gemeentelijke
                            belastingen;</al></li><li nr="-"><al>benoeming en ontslag van wethouders.</al></li></lijst><al>Deze opsomming is in dit artikel niet nog eens overgenomen.</al><al>Daarnaast speelt de geheimhouding van hetgeen in een besloten vergadering is
                    besproken. Dat moet uitdrukkelijk in die vergadering worden opgelegd. De
                    belangen genoemd in artikel 10 van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) zijn
                    hierbij de leidraad. Dit is geregeld in de Gemeentewet en nader uitgewerkt in de
                    artikelen 47 tot en met 49 van het reglement.</al><al>Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en
                    het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de
                    artikelen 25, 55 en 86 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven.</al><al>In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor ‘het
                    sluiten van de deuren’, de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering
                    wordt.</al><tussenkop>Artikel 47 - Verslag</tussenkop><al>In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de
                    Gemeentewet. In overeenstemming met artikel 20 is de griffier verantwoordelijk
                    voor het verslag van de raadsvergadering. Dit geldt ook voor het verslag van een
                    besloten vergadering. Dit verslag ligt ter inzage bij de griffier.</al><tussenkop>Artikel 48 - Geheimhouding</tussenkop><al>Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van rechtswege
                    onder de geheimhoudingsplicht. Daarvoor is toepassing van de procedure volgens
                    artikel 25 jo artikel 55 van de Gemeentewet noodzakelijk.</al><tussenkop>Artikel 49 - Opheffing geheimhouding</tussenkop><al>In de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de
                    geheimhouding van stukken op te heffen; ook stukken die niet persé aan hem
                    behoeven te zijn overgelegd. In het onderhavige artikel is nu ter zake een
                    overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van
                    hoor en wederhoor.</al><al>Op grond van artikel 25 van de gemeentewet, derde en vierde lid, kan
                    geheimhouding worden opgelegd door het college, de burgemeester en een
                    commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de
                    raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad
                    overgelegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn
                    eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst door meer dan de helft
                    van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.</al><al>Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het
                    orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad
                    overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de
                    raad de geheimhouding wil opheffen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 8 Toehoorders en pers</tussenkop><tussenkop>Artikel 50 - Toehoorders en pers</tussenkop><al>De hier aangeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26, eerste
                    en tweede lid, van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid aan de voorzitter van de
                    raad om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding
                    in hun gedrag de toezegging te ontzeggen.</al><tussenkop>Artikel 51 - Geluid- en beeldregistraties</tussenkop><al>Aangezien de vergaderingen van de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio-
                    en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het
                    geval als het een besloten vergadering betreft.</al><tussenkop>Artikel 52 - Verbod gebruik mobiele telefoons</tussenkop><al>Dit artikel 51 heeft betrekking op het mobiele telefoonverkeer. Het mobiele
                    telefoonverkeer werkt verstorend tijdens de vergadering. Dit laat echter
                    onverlet, dat indien zwaarwegende redenen dit noodzakelijk maken, de voorzitter
                    aanwezigen toestemming kan geven zijn mobiele telefoon wel standby te laten
                    staan.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 53 - Uitleg reglement</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 54 - In werkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>