<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR119080_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen gemeente Landsmeer 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landsmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landsmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Kompas, 04-10-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen gemeente Landsmeer 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-09-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-10-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011 - 85</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Overwegende dat het wenselijk is in aanvulling op de wet kinderopvang en de beleidsregels kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen nadere eisen te stellen aan de inrichting van peuterspeelzalen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening ruimte- en inrichtingseisen peuterspeelzalen gemeente Landsmeer 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder peuterspeelzaal hetgeen daaronder
                        wordt verstaan in de Wet kinderopvang en de Beleidsregels kwaliteit
                        kinderopvang en peuterspeelzalen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Groepsspeelruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In een peuterspeelzaal is voor ieder kind minimaal 3,5 m2
                            bruto-oppervlakte aan groepsspeelruimte beschikbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Elke ruimte is ingericht in overeenstemming met het aantal en de
                            leeftijd van de op te vangen kinderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Buitenspeelruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De peuterspeelzaal beschikt over aangrenzende buitenspeelruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De buitenspeelruimte voldoet aan de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor kinderen toegankelijk en veilig bereikbaar;</al></li><li nr="b."><al>een oppervlakte van minimaal 3 m2 bruto-oppervlakte speelruimte
                                    per aanwezig kind;</al></li><li nr="c."><al>ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen
                                    kinderen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanwijzing toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zien toe op de naleving van de bij deze
                            verordening gestelde regels.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders wijzen de directeur van de GGD aan als
                            toezichthouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2
                            eerste lid van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
                            of de instandhouding redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming
                            met de voorschriften uit deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de
                            exploitatie van een peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met
                            de voorschriften uit deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de
                            toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving van de
                            bij deze verordening gestelde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vastleggen onderzoeksresultaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek
                            bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens
                            artikel 2 en 3 gegeven voorschriften niet zijn of zullen worden
                            nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder
                            in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover
                            zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de
                            zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de houder,
                            die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een
                            voor ouders en personeel toegankelijke plaats.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de
                            vaststelling daarvan openbaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De toezichthouder stelt burgemeester en wethouders in kennis van de
                            vaststelling van het rapport.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen artikel 2 en 3 van deze verordening buiten
                        toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het
                        belang van kwalitatief verantwoorden opvang voor kinderen in een
                        peuterspeelzaal leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Evaluatiebepaling</titel></kop><al>Deze verordening wordt in ieder geval drie jaar na het inwerking treden
                        geëvalueerd</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding; bekendmaking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking twee dagen na bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bekendmaking geschiedt via de gemeentepagina in het plaatselijke
                            weekblad ‘Kompas’.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verordening wordt gepubliceerd via de gemeentelijke website.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening ruimte- en
                        inrichtingseisen peuterspeelzalen gemeente Landsmeer 2011’</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Landsmeer op 27 oktober 2011</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Op 1 augustus 2010 is de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen (hierna: de
                        Wet) in werking getreden. Het doel van deze wet is om jonge kinderen in
                        peterspeelzalen en kindercentra een veilige en stimulerende omgeving te
                        bieden. </al><al>Eén van de onderliggende doelstellingen van de Wet is de regelgeving met
                        betrekking tot peuterspeelzalen te harmoniseren met de kinderdagopvang.
                        Hierdoor ontstaat een landelijk kwaliteitskader voor zowel de
                        peuterspeelzalen als de kinderdagopvang met minimum kwaliteitseisen. In de
                        Wet zijn dan ook een aantal minimale eisen voor peuterspeelzalen vastgelegd
                        en is tevens aan de minister de bevoegdheid gegeven aanvullende regelgeving
                        voor de kwaliteit in een Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) vast te
                        leggen. Van deze bevoegdheid is tot op heden geen gebruik gemaakt omdat de
                        partijen een convenant hebben afgesloten waarin de kwaliteitseisen voor de
                        houders van peuterspeelzalen nader zijn uitgewerkt.</al><al>De eisen in het convenant hebben als uitgangspunt gediend voor de
                        Beleidsregels kwaliteit peuterspeelzalen (hierna: Beleidsregels) van de
                        minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Echter, in deze
                        Beleidsregels zijn geen eisen opgenomen ten aanzien van ruimte en inrichting
                        van de peuterspeelzalen. Bij het opstellen van de modelverordening ruimte-
                        en inrichtingseisen peuterspeelzalen door de VNG, is aangesloten bij het
                        convenant en de Beleidsregels kwaliteitseisen kinderopvang. Het model dat
                        ten behoeve van voorliggende verordening is gebruikt, is tot stand gekomen
                        in overleg met diverse deskundigen op het gebied van peuterspeelzaalwerk en
                        kinderopvang en met de brancheorganisaties.</al><al><cursief>Ruimte en inrichting</cursief></al><al>Kwalitatief verantwoorde opvang voor kinderen kan niet zonder het stellen
                        van kwaliteitseisen. Eisen met betrekking tot ruimte en inrichting vormen
                        hier een essentieel onderdeel van. De eerste levensjaren van een kind zijn
                        belangrijk voor de ontwikkeling van de cognitieve, de sociaal-emotionele en
                        de motorische vaardigheden. De opvoeding door de ouders legt daarvoor de
                        basis, maar ook de rest van de omgeving waarin het kind opgroeit is van
                        belang. Veel kinderen brengen enkele uren per dag door in peuterspeelzalen
                        en andere kindercentra. Ze moeten daar veilig kunnen spelen en voldoende
                        ruimte hebben. </al><al>Bestaande eisen over veiligheid en gezondheid die algemeen geldend zijn
                        volgen uit andere wet- en regelgeving zoals bouwvoorschriften,
                        brandveiligheidsvoorschriften, eisen aan speeltoestellen, keukenhygiëne en
                        dergelijke.</al><al><cursief>Toezicht</cursief></al><al>In dit hoofdstuk is het kader voor het toezicht beschreven. Op de handhaving
                        zijn de algemene handhavingsbevoegdheden uit de Awb van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Groepspeelruimte</titel></kop><al>In dit artikel wordt bepaald dat voor elk kind 3,5m² bruto oppervlak
                        speelruimte aanwezig moet zijn. Speelruimtes dienen passend te zijn
                        ingericht voor spelen en rusten. Bij de inrichting van de binnenruimte dient
                        rekening te worden gehouden met zowel het aantal kinderen dat van een ruimte
                        gebruik maakt als de leeftijd van de kinderen. Het gaat om het totale aantal
                        vierkante meters die beschikbaar zijn in de groepsruimten. Dus de lengte
                        vermenigvuldigd met de breedte van de ruimtes waar de kinderen spelen. </al><al>Daarnaast is de houder van een peuterspeelzaal gehouden aan de eisen die
                        zijn vastgelegd in het Bouwbesluit 2003. Het Bouwbesluit bevat
                        bouwtechnische voorschriften waaraan alle bouwwerken minimaal moeten
                        voldoen. Peuterspeelzalen vallen onder de categorie ’bijeenkomstfunctie voor
                        kinderopvang’. De eisen uit het Bouwbesluit hebben betrekking op veiligheid,
                        gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Buitenspeelruimte</titel></kop><al>Dit artikel geeft aan dat de buitenspeelruimte voor kinderen die gebruik
                        maken van de peuterspeelzaal aangrenzend aan de peuterspeelzaal dient te
                        zijn gesitueerd. Evenals de binnenruimte dient de buitenruimte voor spel
                        geschikt te zijn en ingericht in overeenstemming met de behoeften en
                        mogelijkheden van de kinderen. Ook voor de buitenspeelruimte geldt dat bij
                        de inrichting rekening dient te worden gehouden met het aantal kinderen en
                        de leeftijd van de kinderen die gebruik maken van de ruimte. De speelruimte
                        bestaat per aanwezig kind uit minimaal 3m² bruto oppervlakte. Met aanwezig
                        kind wordt gedoeld op in de peuterspeelzaal aanwezige kinderen, niet
                        noodzakelijkerwijs buitenspelend. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanwijzing toezichthouders</titel></kop><al>Dit artikel maakt burgemeester en wethouders (hierna B&amp;W)
                        verantwoordelijk voor de naleving van deze verordening. B&amp;W wijzen de
                        directeur van de GGD aan als toezichthouder. Dit is in overeenstemming met
                        het systeem van de wet. De directeur van de GGD oefent aldus het toezicht
                        uit onder het gezag van de burgemeester en wethouders. Afdeling 5.2. van de
                        Algemene wet bestuursrecht bevat een algemene regeling van de bevoegdheden
                        van toezichthouders, zoals het recht op het betreden van plaatsen, op het
                        vorderen van inlichtingen en het inzien van schriftelijke stukken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel></kop><al>In dit artikel worden drie soorten van onderzoek onderscheiden. In de eerste
                        plaats onderzoekt de toezichthouder naar aanleiding van een aanvraag voor de
                        exploitatie van een peuterspeelzaal of aan de voorschriften uit deze
                        verordening zal worden voldaan. Daarnaast voert de toezichthouder jaarlijks
                        regulier onderzoek uit bij bestaande peuterspeelzalen. Voorts beschikt de
                        toezichthouder op grond van lid 3 over de mogelijkheid om incidenteel
                        onderzoek te verrichten naar de naleving van de voorschriften uit deze
                        verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vastleggen onderzoeksresultaten</titel></kop><al>De resultaten van het onderzoek uit artikel 5 worden door de toezichthouder
                        schriftelijk vastgelegd in een inspectierapport. De toezichthouder zendt het
                        ontwerpinspectierapport aan de hou-der van de peuterspeelzaal. De houder
                        wordt hiermee in de mogelijkheid gesteld om een reactie te geven op de
                        inhoud van het rapport. De toezichthouder dient de reactie van de houder als
                        bijlage bij het rapport te voegen. De houder zorgt er voor dat zowel ouders
                        van kinderen in de peuterspeelzaal als het personeel inzage hebben in het
                        inspectierapport van de toezichthouder. Uiterlijk 3 weken na ontvangst maakt
                        de toezichthouder het inspectierapport openbaar. Het ligt voor de hand dat
                        de toezichthouder voor de openbaarmaking een breed toegankelijk medium
                        kiest. Gedacht kan worden aan de mogelijkheden die het internet biedt. Van
                        deze vaststelling worden burgemeester en wethouders door de toezichthouder
                        op de hoogte gebracht. In de praktijk zal het veelal betekenen dat de
                        toezichthouder het inspectierapport naar burgemeester en wethouders
                        toezendt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7 </label></kop><al>Het opnemen van een hardheidsclausule in deze verordening opent de
                        mogelijkheid voor burgemeester en wethouders om, in gevallen waarin
                        toepassing van een artikel van de verordening een onbillijkheid van
                        overwegende aard zou opleveren, artikel 2 en 3 buiten toepassing te laten of
                        daarvan af te wijken. Het afwijkende besluit van burgemeester en wethouders
                        moet al-tijd binnen de doelstellingen van de verordening passen. De
                        toepassing van de hardheidsclausule moet beperkt blijven tot individuele
                        gevallen. Het gebruik van dit artikel is slechts in uitzonderlijke gevallen
                        mogelijk. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>De overgangsbepaling is opgenomen om houders van bestaande peuterspeelzalen
                        de tijd en gelegenheid te bieden om aan de voorschriften zoals gesteld in de
                        verordening te voldoen. Indien er binnen een gemeente al een verordening
                        bestaat met eisen aan ruimte- en inrichting van peuterspeelzalen, dan is het
                        niet nodig om deze overgangsbepaling op te nemen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>en 10</titel></kop><al>Deze bepalingen spreken voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>