<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR118845_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening Wet Werk en Bijstand 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad voor Ouder-Amstel 20 juli 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening Wet Werk en Bijstand 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand, artikel 8, eerste lid, onderdeel b en artikel 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-07-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011/34</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening Wet Werk en Bijstand 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ouder-Amstel,</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 12 mei 2011,
                        nummer 2011/34,</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en artikel 18 van de Wet
                        Werk en Bijstand: </al><al><vet>BESLUIT :</vet></al><al>Vast te stellen de volgende gewijzigde verordening:</al><al><vet>Maatregelverordening Wet Werk en Bijstand 2011</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet Werk en
                                Bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004</al></li><li nr="c."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel b, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel d, van de wet; </al><al> en artikel 35, onderdeel 1 van de wet;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel c, van de </al><al> wet;</al></li><li nr="f."><al>langdurigheidstoeslag: de langdurigheidstoeslag bedoeld in
                                        artikel 5, onderdeel e, </al><al> van de wet;</al></li><li nr="g."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                        langdurigheidstoeslag </al><al> op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="h."><al>waarschuwing: schriftelijk vastgelegde omschrijving van een
                                        gedraging </al><al> van belanghebbende en van een mogelijke sanctie door </al><al> het college;</al></li><li nr="i."><al>belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een
                                        besluit is </al><al> betrokken;</al></li><li nr="j."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de </al><al> gemeente Ouder-Amstel </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of artikel 30c,
                                tweede en derde lid, van de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie
                                Werk en Inkomen (SUWI) voortvloeiende verplichtingen niet of
                                onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college
                                zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een
                                maatregel opgelegd;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin belanghebbende verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm (inclusief vakantie
                                toeslag).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                indien de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                zijn recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag,
                                daartoe aanleiding geeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand voor woonkosten en premie
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand
                                voor het levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangen of hebben
                                ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, of (indien van toepassing
                            benadelingsbedrag) en, indien van toepassing, de reden om af te wijken
                            van een standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                            de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege gelaten worden
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich
                                            sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                            het college of van een derde aan wie het college met
                                            toepassing van artikel 7 van de wet, werkzaamheden in
                                            het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een
                                            gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld
                                            in artikel 17 van de wet;</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of van de mate
                                            van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>afzien van het opleggen van een
                                                maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een
                                                  maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan éénjaar vóór
                                                  constatering door het college van die ge draging
                                                  heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een
                                                  schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als
                                                  gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is
                                                  verleend;</al></li><li nr="c."><al>een maatregel wegens schending van de
                                                  inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop
                                                  van vijf jaren nadat de betreffende gedraging
                                                  heeft plaatsgevonden;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van een maatregel, en
                                                  volstaan met een waarschuwing indien het
                                                  verstrekken van onjuiste, onvolledige of niet
                                                  tijdige inlichtingen geen gevolgen heeft voor de
                                                  bijstand.</al></li><li nr="3."><al>Geen waarschuwing wordt gegeven wanneer het niet
                                                  of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting plaatsvindt binnen een
                                            periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum waarop
                                            een eerdere waarschuwing of maatregel is gegeven of
                                            opgelegd.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een
                                                  maatregel indien het daarvoor dringende redenen
                                                  aanwezig acht. Omstandigheden die het rechtstreeks
                                                  gevolg van een als verwijtbaar aan te merken
                                                  gedraging zijn geen dringende redenen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het college afziet van het opleggen van
                                                  een maatregel op grond van dringende redenen,
                                                  wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk
                                                  mededeling gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van lopende – , of van de
                                eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit
                                tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekend
                                gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                bijstandsnorm;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde periode opgelegd. Een maatregel
                                die voor een periode van meer dan driemaanden-, dan wel
                                voor een onbepaalde periode wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie
                                maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen
                                betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in de vorm van
                                een geldlening op grond van de Bbz hebben ontvangen, kan de
                                maatregel met terugwerkende kracht worden betrokken bij de
                                definitieve vaststelling van de bijstand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond
                                van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                                onderscheiden in de zes volgende categorieën. </al><al><onderstreept>1. Eerste categorie: </onderstreept></al><al>het <cursief>niet</cursief><cursief>tijdig</cursief> verstrekken van
                                informatie die van belang is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan;</al></li><li nr="b."><al> het tot stand brengen van een zorgtraject/sociaal
                                        activeringstraject/reintegratietraject of de voortzetting
                                        van dit traject.</al></li></lijst><al><onderstreept>2. Tweede categorie:</onderstreept></al><al> het zich niet inschrijven als werkzoekende op het Werkplein of het
                                niet tijdig </al><al> verlengen van deze inschrijving.</al><al><onderstreept>3. Derde categorie:</onderstreept></al><al> het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met
                                arbeid en/ of </al><al> inkomen op een afgesproken tijdstip en/ of plaats te
                                verschijnen.</al><al><onderstreept>4. Vierde categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen proberen om algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te </al><al> verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de
                                    </al></li></lijst><al>mogelijkheden (zowel fysiek als mentaal) van de belanghebbende om te
                                reïntegreren.</al><al><onderstreept>5. Vijfde categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen waardoor het zorgtraject/sociaal
                                        activeringstraject/reintegratietraject wordt vertraagd of
                                        wordt gestagneerd;</al></li><li nr="b."><al>gedragingen waardoor de bemiddeling naar arbeid wordt
                                        belemmerd.</al></li></lijst><al><onderstreept>6. Zesde categorie:</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al> het <cursief>niet</cursief> of onvolledig verstrekken van
                                        informatie die van belang is voor het tot stand brengen van
                                        een zorgtraject/ sociaal activeringstraject/
                                        reïntegratietraject of de voortzetting van dit traject;
                                    </al></li><li nr="d."><al>het zich ernstig misdragen tegenover een medewerker die is
                                        belast met de uitvoering van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>1.Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld
                                op:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="11*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="17*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="39*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Categ</vet><vet>o</vet><vet>rie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Verlaging</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Duur verlaging</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>Bijzonderheden</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>10%</al></entry><entry colname="col4"><al>1 kalendermaand</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>10%</al></entry><entry colname="col4"><al>De verlaging duurt minimaal 1 kalendermaand of
                                                  duurt voort tot de maand waarin belanghebbende
                                                  aantoont dat de verplichting is nagekomen.</al></entry><entry colname="col5"><al>Heroverweging van de verlaging vindt plaats
                                                  binnen 3 maanden na het besluit tot verlaging van
                                                  de bijstand.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>20%</al></entry><entry colname="col4"><al>1 kalendermaand</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>20%</al></entry><entry colname="col4"><al>De verlaging duurt minimaal 1 kalendermaand of
                                                  duurt voort tot de maand waarin belanghebbende
                                                  aantoont dat de verplichting is nagekomen.</al></entry><entry colname="col5"><al>Heroverweging van de verlaging vindt plaats
                                                  binnen 3 maanden na het besluit tot verlaging van
                                                  de bijstand.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry><entry colname="col4"><al>De verlaging duurt minimaal 1 kalendermaand of
                                                  duurt voort tot de maand waarin belanghebbende
                                                  aantoont dat de verplichting is nagekomen.</al></entry><entry colname="col5"><al>Heroverweging van de verlaging vindt plaats
                                                  binnen 3 maanden na het besluit tot verlaging van
                                                  de bijstand.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>100%</al></entry><entry colname="col4"><al>1 kalendermaand</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>1.Het college neemt bij toepassing van het eerste lid de bepalingen
                                van artikel</al><al>18 WWB in acht;</al><lijst><li nr="2."><al>Indien artikel 9 van de wet niet op belanghebbende van
                                        toepassing is, maar belanghebbende wel gedragingen vertoont
                                        conform artikel 8 categorie 6 lid d, wordt de maatregel
                                        opgelegd als bedoeld in artikel 18 tweede lid van de
                                        wet.</al></li><li nr="3."><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van
                                        artikel 38, tweede lid</al></li></lijst><al>van de Bbz, niet is nagekomen door informatie die van belang is voor
                                de </al><al>verlening van de bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de
                                door het </al><al>college daartoe gestelde termijn te verstrekken, kan met toepassing
                                van artikel </al><al>18 lid 2 van de wet een maatregel worden opgelegd van 10 procent van
                                de </al><al>bijstandsnorm, onverminderd artikel 2, tweede lid</al><al>4.Indien de maatregel niet kan worden toegepast omdat de uitkering
                                als gevolg</al><al>van de gedraging is beëindigd wordt de verlaging toegepast op het
                                moment dat</al><al> binnen 12 maanden na beëindiging van de uitkering opnieuw een
                                beroep op de </al><al>bijstand wordt gedaan;</al><al>5.Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet, of artikel 38,
                                tweede lid van de Bbz, of het verlenen van onvoldoende medewerking
                                en het verstrekken van onjuiste gegevens bedoeld in</al><al>artikel 54 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een
                                te hoog bedrag </al><al>verlenen van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van
                                het </al><al> benadelingsbedrag. </al><al>6.Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel, bedoeld in
                                het vorige</al><al>lid, op de volgende wijze vastgesteld:</al><al>1<sup>e</sup> bij een benadelingsbedrag tot € 1000,- netto: 20% van
                                de bijstandsnorm gedurende een maand;</al><al>2<sup>e</sup> bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-
                                netto: 30% van de bijstandsnorm gedurende een maand;</al><al>3<sup>e</sup> bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-:
                                netto: 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand;</al><al>4<sup>e</sup> bij een benadelingsbedrag van € 4000,- netto of meer:
                                100% van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al><lijst><li nr="7."><al>Indien geen benadelingsbedrag kan worden vastgesteld,
                                        bedraagt de maatregel 30% van de bijstandsnorm.</al></li><li nr="8."><al>Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                        gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                        dringende redenen, bedoeld in artikel 6,vierde
                                            lid<vet>.</vet></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende een tekortschietend besef van
                                                verantwoordelijkheid voor de aanvraag in het bestaan
                                                heeft getoond, tijdens – dan wel in de periode
                                                voorafgaand aan de bijstandsaanvraag, wordt de
                                                bijstand tijdelijk, gedeeltelijk of geheel
                                                geweigerd;</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van de weigering van de bijstand en de
                                                lengte van de periode van weigering wordt afgestemd
                                                op de ernst van de gedraging, de mate van
                                                verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de
                                                belanghebbende verkeert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>recidive</titel></kop><al>Indien de belanghebbende zich binnen 12 maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging uit dezelfde of uit een zwaardere categorie,
                                verdubbelt het college de periode waarin de verlaging wordt
                                toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>heroverweging</titel></kop><al>Met in achtneming van de in artikel 7, lid 3 en in artikel 9, eerste
                                lid sub b, d en e van deze Maatregelenverordening bedoelde
                                heroverweging, beoordelen burgemeester en wethouders of – en in
                                hoeverre het gedrag van belanghebbende, en de omstandigheden waarin
                                belanghebbende verkeert, aanleiding geven om te besluiten tot
                                ongewijzigde voorzetting – of tot beëindiging van de maatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:</nr><titel>cumulatie van gedragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt
                                        aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een
                                        verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden,
                                        wordt voor het bepalen van de hoogte en de duur van de
                                        maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste
                                        maatregel is gesteld;</al></li><li nr="2."><al>De bijstand kan niet met meer dan 100% per maand worden
                                        verlaagd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:</nr><titel>hardheidsclausule.</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, indien toepassing van de verordening leidt tot
                                onbillijkheden van overwegende aard. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:</nr><titel>uitvoering</titel></kop><al>Het college kan de uitvoering van deze verordening mandateren aan
                                ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:</nr><titel>inwerkingtreding</titel></kop><al>De <cursief>‘Maatregelen verordening Wet werk en bijstand gemeente
                                Ouder-Amstel’</cursief>, wordt ingetrokken met ingang van de dag van
                            inwerkingtreding van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:</nr><titel>citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Maatregelverordening Wet werk en
                            bijstand 2011”. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van Ouder-Amstel op 7
                        juli 2011</ondertekening><ondertekening>de raadsgriffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>W.van Zanen M.T.J. Blankers-Kasbergen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>W.Algemene toelichting</label><titel>De regeling in de Wet Werk en Bijstand</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van de WWB komt het systeem van boeten en
                            maatregelen van de Algemene bijstandswet (de artikelen 14 tot en met
                            14f, nader uitgewerkt in het Maatregelenbesluit en Boetebesluit) te
                            vervallen. In plaats daarvan zullen gemeenten zelf hun sanctiebeleid
                            moeten gaan vormgeven. De WWB kent slechts één soort sanctie: het
                            verlagen van de uitkering. </al><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid
                            in een verordening vast te leggen. Dit artikel luidt: </al><lijst><li nr="1."><al><cursief>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden
                                        verplichtingen af op de
                                        omsta</cursief><cursief>n</cursief><cursief>digheden,
                                        mogelijkheden en middelen van de
                                    belanghebbende.</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het
                                        college tekortschietend
                                        b</cursief><cursief>e</cursief><cursief>sef van
                                        verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het
                                        bestaan dan wel de uit deze wet</cursief><cursief> dan wel
                                        de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet
                                        structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                        inkomen</cursief><cursief> voortvloeiende
                                        ve</cursief><cursief>r</cursief><cursief>plichtingen niet of
                                        onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                        college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college
                                        ove</cursief><cursief>r</cursief><cursief>eenkomstig de
                                        verordening, bedoeld in </cursief><cursief>artikel
                                        8</cursief><cursief>, eerste lid, onderdeel b, de bijstand
                                        of de langdurigheidstoeslag. Van een verlaging wordt
                                        afgezien indien elke vorm van
                                        verwijtbaa</cursief><cursief>r</cursief><cursief>heid
                                        ontbreekt.</cursief></al></li><li nr="3."><al><cursief>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het
                                        tweede lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten
                                        hoogste drie maanden bedraagt.</cursief></al></li><li nr="4."><al><cursief>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder
                                        belanghebbende mede
                                        ve</cursief><cursief>r</cursief><cursief>staan het
                                        gezin.</cursief></al></li></lijst><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het
                                <cursief>afstemmen</cursief> van de bijstand en de daaraan verbonden
                            verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                            belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van
                            de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                            de uitkeringsgerechtigden <cursief>maatwerk</cursief> is, waarbij recht
                            wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                            omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. </al><al>In tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en
                            verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is
                            altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk
                            van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de
                            hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                            uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar
                            ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. </al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde
                            zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de
                            uitkering verlaagd. </al><al>Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                                <cursief>verplichting</cursief>. </al><al>Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het
                            college af van zo’n verlaging.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                            gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de
                            maatregelenverordening. </al><al><vet><cursief>De term ‘maatregel’</cursief></vet></al><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende
                            zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in
                            de terminologie van de WWB aangeduid als het
                                <cursief>afstemmen</cursief> van de uitkering op de mate waarin de
                            belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met de begrip
                            ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt dat rechten en
                            plichten één kant van dezelfde medaille vormen. </al><al>Het opleggen van een maatregel is géén <cursief>punitieve
                            </cursief>sanctie is, waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat,
                            maar een <cursief>reparatoire</cursief> sanctie (ook wel herstelsanctie
                            genoemd), gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte
                            van de bijstand met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de
                            uitkering verbonden verplichtingen nakomt. </al><al><vet><cursief>Het verlagen van de bijstand</cursief></vet></al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan zowel de bijstand (dat wil
                            zeggen: algemene bijstand en bijzondere bijstand) als de
                            langdurigheidstoeslag worden verlaagd. </al><al>In deze verordening is er voor gekozen dat maatregelen in beginsel
                            worden opgelegd over de bijstandsnorm (de op belanghebbende van
                            toepassing zijnde norm plus eventuele toeslagen). </al><al>In deze verordening wordt het mogelijk gemaakt om in incidentele
                            gevallen een maatregel toe te passen op de <vet>langdurigheidstoeslag.
                            </vet></al><al>De sanctie die hierop rust is <vet>niet</vet> het verlagen van de
                            langdurigheidstoeslag, maar het weigeren van deze toeslag. </al><al><vet><cursief>De relatie van de maatregelenverordening met de
                                    reïntegratievero</cursief></vet><vet><cursief>r</cursief></vet><vet><cursief>dening</cursief></vet></al><al>De gemeente Ouder-Amstel heeft ook een reïntegratieverordening
                            vastgesteld. In de reintegratieverordening heeft de gemeente vastgelegd
                            hoe zij de cliënten gaan ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en hoe
                            zij omgaat met het aanbieden van voorzieningen gericht op
                            arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing,
                            werkervaringsplaatsen, leerwerkplekken, sociale activering, premies, en
                            kinderopvang. In beginsel wordt aan iedere cliënt de arbeidsverplichting
                            opgelegd. De algemene verplichting staat in de wet genoemd. Gemeenten
                            kunnen deze verplichting echter ook nader specificeren (invullen met
                            specifieke voorzieningen) en de specificaties in de
                                <vet>beschi</vet><vet>k</vet><vet>king</vet> vastleggen. Indien een
                            cliënt de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in beginsel tot een
                            maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de
                            Maatregelenverordening.</al><divisie><kop><titel>De relatie met de Bbz</titel></kop><al>Per 7 juli 2011 is deze verordening ook van toepassing op de verlening
                            van de bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening
                            zelfstandigen (Bbz). Het gaat hierbij primair om de verlening van
                            algemene bijstand voor het levensonderhoud, en de in de jaarnorm
                            opgenomen bijzondere bijstand voor hoge woonkosten en premie
                            arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het begrip jaarnorm staat in artikel
                            1, onderdeel g, Bbz.</al><al>Deze verordening behoeft hiervoor slechts een geringe aanpassing. Het
                            gaat om de betekenis voor het begrip bijstandsnorm. Hieronder wordt ook
                            verstaan de op grond van artikel 78f, tweede lid, Wwb vast te stellen
                            WIJ-normen voor zelfstandigen (en hun partner) in de leeftijd van 18 tot
                            27 jaar.</al><al>Het gaat om de uitbreiding van het begrip inlichtingen- en
                            medewerkingsplicht, zie de toevoeging aan artikel 9 lid 3 van deze
                            verordening. Het gaat hierbij om de verplichting, opgenomen in artikel
                            38, tweede lid van de Bbz:</al><al>·De zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend is verplicht naar
                            behoren een administratie te voeren en deze op eigen initiatief binnen 6
                            maanden na afloop van het boekjaar waarin bijstand is verleend, aan het
                            college te overleggen. Die plicht geldt ook als de gemeente om de
                            administratie vraagt, bijvoorbeeld om de bedrijfsontwikkeling te
                            beoordelen in het geval verlenging van de uitkeringstermijn aan de orde
                            is.</al><al>Een verdere aanpassing is niet nodig. Immers, voor zelfstandigen die een
                            uitkering krachtens de Bbz ontvangen of hebben ontvangen, gelden ook de
                            algemene inlichtingenplicht en de medewerkingsplicht.</al><al>Ten aanzien van het niet leveren van de administratie (jaarcijfers) voor
                            de definitieve vaststelling van de verleende uitkering over het
                            betreffende boekjaar, geldt op grond van artikel 45, eerste lid Bbz dat
                            het college de bijstand van de zelfstandige terugvordert voor zover de
                            bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg
                            van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 38, tweede
                            lid. In artikel 47 Bbz is opgenomen dat het college kosten van bijstand
                            in de vorm van een geldlening terugvordert, indien de zelfstandige de
                            uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk
                            nakomt. Het college is onder toepassing van beide artikelen gehouden de
                            geldlening over het betreffende boekjaar geheel van de zelfstandige
                            terug te vorderen, in het geval de hier bedoelde verplichting niet wordt
                            nagekomen. Er is in dat geval in principe geen aanleiding om tevens een
                            maatregel op grond van deze verordening op te leggen: de gehele
                            jaaruitkering wordt immers al teruggevorderd.</al><al>Het leveren van de jaarcijfers is ook nodig voor vaststelling van het
                            bedrag om niet of de rentereductie, bedoeld in artikel 21 Bbz
                            (bedrijfskapitaal aan gevestigde zelfstandigen). Als de zelfstandige
                            hiervoor geen jaarcijfers overlegt, kent de gemeente geen bedrag om niet
                            of rentereductie toe. Er is dan ook geen aanleiding voor een maatregel,
                            nog daargelaten dat een maatregel niet op een reeds verstrekte
                            geldlening kan worden geëffectueerd.</al><al>Ten aanzien van de gedragingen en maatregelen met betrekking tot de
                            verplichtingen gericht op het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                            arbeid, geldt voor zelfstandigen en hun partners het volgende:</al><lijst><li nr="·"><al>De in artikel 9 en 10 van de wet opgenomen verplichtingen gelden
                                    alleen voor de zelfstandige die geschikt is voor het verrichten
                                    van arbeid, maar die ten minste zes maanden zijn bedrijf of
                                    zelfstandig beroep niet kan uitoefenen (artikel 38, derde lid
                                    Bbz).</al></li><li nr="·"><al>De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de wet kunnen
                                    aan de partner van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover
                                    die partner tevens rechthebbende is voor de Wwb en niet zelf een
                                    zelfstandige in de zin van de Bbz is, of fulltime meewerkt in
                                    het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige. Uiteraard
                                    kan ook bij minder uren rekening worden gehouden met de
                                    meewerkuren in het bedrijf of zelfstandig beroep van de
                                    zelfstandige.</al></li></lijst><al>De in artikel 8 lid 6 onder d en artikel 10 opgenomen gedragingen die
                            leiden tot een maatregel (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            en zeer ernstige misdragingen) zijn ook voor de Bbz gedragingen die
                            leiden tot een maatregel. Artikel 18, tweede lid, van de wet is
                            onverkort van toepassing op de Bbz.</al><al>Uit artikel 38, eerste lid Bbz, vloeit voort dat de zelfstandige de door
                            het college opgelegde verplichtingen, gericht op een doelmatige
                            bedrijfs- of beroepsuitoefening, moet nakomen. Doet hij dat niet of in
                            onvoldoende mate, dan is het college bevoegd om een maatregel op te
                            leggen, omdat de zelfstandige voor deze verplichting niet of niet
                            voldoende na te komen, blijk heeft gegeven van tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening.</al><al>De gemeente kan bijvoorbeeld een verplichting opleggen, gericht op
                            beperking van de bedrijfskosten (zoals uitzien naar een goedkopere
                            bedrijfsruimte, inruil dure leaseauto voor een goedkopere, stopzetten
                            niet-noodzakelijke abonnementen etc.), op verbetering van de omzet
                            (effectievere acquisitie, verandering brutowinstmarge, verandering
                            openstelling, ontwikkeling internetverkoop etc.), of op vermindering van
                            de privé-uitgaven. Als later blijkt dat de zelfstandige niet (volledig)
                            aan de gestelde verplichtingen heeft voldaan, kan dat leiden tot
                            beëindiging van de bijstand, of voortzetting van de bijstand met een
                            maatregel. Uiteraard is het opleggen van een maatregel alleen aan de
                            orde, indien er nog sprake is van een lopende Bbz-uitkering. Als geen
                            benadelingsbedrag of –periode kan worden vastgesteld –en dat is bij
                            bijstandsverlening aan zelfstandigen en de daarbij geldende specifieke
                            verplichtingen vaak het geval- dan geldt de maatregel, bedoeld in
                            artikel 9 lid 7 (30% van de bijstandsnorm voor een maand).</al><al>Als wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid een beroep op Bbz wordt
                            gedaan. Dan kan eveneens een maatregel aan de orde zijn wegens
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            bestaansvoorziening. De Bbz 2004 gaat primair uit van de eigen
                            verantwoordelijkheid van de zelfstandige. In dit kader betekent dit dat
                            de zelfstandige zelf verantwoordelijk is voor het afsluiten van een
                            toereikende particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze
                            verzekering wordt beschouwd als een voorliggende voorziening op
                            bijstand. Een zelfstandige die verwijtbaar geen
                            arbeidsongeschiktheidsverzekering of een
                            arbeidsongeschiktheidsverzekering met een te lage dekking of te lange
                            wachttijd heeft afgesloten en die bij ziekte/arbeidsongeschiktheid een
                            beroep doet op de bijstand (Bbz), heeft een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening betoond. Een afwijzing
                            van de bijstandsaanvraag op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wwb
                            is echter niet aan de orde, aangezien na het ingaan van de
                            arbeidsongeschiktheid sprake zal zijn van feitelijke onverzekerbaarheid.
                            Er kan dan geen sprake meer zijn van een beroep kunnen doen op een
                            voorliggende voorziening. Wel kan, als een uitkering wordt verleend
                            omdat aan de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht op
                            uitkering is voldaan, een maatregel aan de orde zijn.</al><al>Bij beëindigende ondernemers die een beroep doen op de Bbz, moet worden
                            beoordeeld of de noodzakelijke beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid
                            van het bedrijf is veroorzaakt door verwijtbaar gedrag van de
                            zelfstandige (bijvoorbeeld door slechte betalingsmoraliteit of een
                            onverantwoord hoog uitgavenpatroon). Als daarvan sprake is, is een
                            maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            bestaansvoorziening aan de orde.</al></divisie><divisie><kop><titel>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</titel></kop><al>Onder het huidige WWB regime bestaat de verplichting voor gemeenten om
                            proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar
                            Ministerie indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger
                            is dan € 10.000,- (de aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is de
                            bedoeling dat deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft
                            bestaan, ook al kent de WWB de bestuurlijke boete niet en zullen
                            gemeenten bij fraude (in casu het niet nakomen van de
                            inlichtingenplicht) een maatregel moeten opleggen. Het doen van aangifte
                            wegens fraude sluit overigens het opleggen van een maatregel niet uit.
                            Beide sancties kunnen samen gaan.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de WWB. In de
                            verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt.Dit begrip
                            wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als
                            ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                            verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). </al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht
                                    bestaat uit twee soorten verplichtingen: </al></li><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                    Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in
                                    specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en
                                    mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De
                                    reïntegratieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt
                                    de juridische basis voor het opleggen van deze specifieke
                                    verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot
                                    het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd.</al></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                                    uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op
                                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van
                                    alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                                    arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. </al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht
                                    van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de
                                    medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                                    uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei
                                    concrete verplichtingen bestaan, zoals: </al></li><li nr="-"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="-"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al></li></lijst><al>Artikel 18 WWB, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een
                            schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘<cursief>het zich jegens
                                het college zeer ernstig
                                mi</cursief><cursief>s</cursief><cursief>dragen’. </cursief></al><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het
                            betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan
                            de Centrale organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn
                            voor de beslissing door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en
                            de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle
                            feiten en omstandigheden mee te delen aan de Centrale organisatie werk
                            en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                            invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het
                            recht bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand. </al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>In de Maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                            schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen
                            vastgesteld in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de
                            bijstandsnorm. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op
                            te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van
                            de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. </al><al>Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen
                            maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden
                            van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de
                            duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van
                            de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging
                            betekenen. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet
                            worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                            doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="-"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="-"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                    uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het percentage waarmee
                            de bijstand wordt verlaagd. Matiging van de opgelegde maatregel wegens
                            persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan
                            de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende,
                                    zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of
                                    uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële
                                    tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het
                                    geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de
                                    gedraging en de mate van verwijtbaarheid. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>de berekeningsgrondslag</titel></kop><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                            opgelegd over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                            wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                            inclusief vakantietoeslag. </al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al> Deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele
                            gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand of de
                            langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de
                            gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of
                            de langdurigheidstoeslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt
                            plaats door middel van een besluit. Wordt een maatregel met
                            terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot herziening van
                            de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid). Tegen een dergelijk
                            besluit kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend. </al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                            worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene
                            wet bestuursrecht (Awb) en dan met het motiveringsbeginsel. Het
                            motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en
                            van een deugdelijke motivering wordt voorzien. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het
                            horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                            beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding
                            van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak
                            (artikel 4:12). </al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                            maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid
                            bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en
                            b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                            bestuursrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept></al><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                            gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van
                            de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel
                                <vet>spoedig</vet> nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt
                            opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen
                            maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden
                            hebben plaatsgevonden. </al><al>Onder c: Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht
                            inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een
                            te hoog bedrag aan bijstand is verleend, geldt in de verordening een
                            verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij
                            de termijn die staat in artikel 14e van de Algemene bijstandswet in
                            verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de
                            informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op
                            de ernst van de gedraging, en gelet op het feit dat de gemeente vaak
                            tijd nodig zal hebben om de omvang van de het benadelingsbedrag vast te
                            stellen.</al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>Het geven van een waarschuwing in plaats van het opleggen van een
                            maatregel is onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Voorbeelden van het
                            niet (of niet tijdig of onjuist of onvolledig) verstrekken van
                            inlichtingen <vet>zonder</vet> gevolgen voor de bijstand zijn: het niet
                            opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet
                            aanmelden van vrijwilligerswerk.</al><al><onderstreept>Lid 3</onderstreept></al><al>In geval van niet geven van een waarschuwing is artikel 11 recidive van
                            toepassing, in artikel 11 wordt de <vet>duur </vet>van de opgelegde
                            maatregel verdubbeld.</al><al><onderstreept>Lid 4</onderstreept></al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van
                            een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat
                            dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan
                            dus niet op voorhand worden vastgelegd. </al><al>Uitzondering op dringende redenen zijn in elk geval omstandigheden die
                            rechtstreeks het gevolg zijn van verwijtbaar handelen. Hiermee wordt
                            voorkomen dat de belanghebbende een beroep doet op bijvoorbeeld zijn
                            penibele financiële situatie om onder een maatregel uit te komen,
                            terwijl die situatie rechtstreeks door zijn eigen verwijtbare gedraging
                            veroorzaakt is.</al><al><onderstreept>Lid 5</onderstreept></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                            opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in
                            verband met eventuele recidive. </al><al>Overigens is in het individuele gevallen altijd mogelijk af te zien van
                            het opleggen van een maatregel en in plaats daarvan een waarschuwing te
                            geven. In dat geval wordt gebruik gemaakt van het eerste lid, onderdeel
                            a (afzien van een maatregel omdat elke vorm van verwijtbaarheid
                            ontbreekt) of het tweede lid (afzien van een maatregel omdat daarvoor
                            dringende redenen aanwezig zijn).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                            uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                    uitkering; of </al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                                    eerstvolgende maand(en). </al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt,
                            is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te
                            gaan tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan
                            bijstand terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat
                            een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                            kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                            bijstandsnorm. Als het tijdtip van oplegging voor de 15<sup>e</sup> van
                            de lopende kalendermaand ligt, wordt de maatregel opgelegd in de lopende
                            kalendermaand.</al><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag (volledig aan de bijstandsgerechtigde is
                            uitbetaald, kan een herzienings- en terugvorderingsbesluit te worden
                            genomen. Hiermee kan met terugwerkende kracht een maatregel worden
                            opgelegd. </al><al><onderstreept>Lid 3</onderstreept></al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door
                            een maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                            uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar
                            hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de
                            maatregel is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan
                            wel weer een apart besluit nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan
                            zal het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen.
                            Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>De gemeente mag zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als
                            dat maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij
                            zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, en
                            alle relevante feiten en omstandigheden hoeven niet opnieuw tegen het
                            licht te worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het
                            college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel
                            wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden
                            waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende
                            persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al><al>Artikel 8+9: indeling in categorieën en hoogte en duur van een
                            maatregel</al><al>Deze artikelen moeten in samenhang worden bezien. Er is gekozen voor en
                            indeling in zes categorieën die over de volle breedte (van
                            inkomensverwerving tot reïntegratie) strekken. Iedere categorie bestaat
                            uit inkomens- en reïntegratie-gedragingen (art 8) die bij niet nakoming
                            een bepaalde maatregel in de vorm van een percentuele korting op de
                            uitkering tot gevolg hebben(art 9)</al><al>Het schema in artikel 9 geeft op eenvoudige wijze in een oogopslag de
                            gedragingen en de bijbehorende maatregelen. De maatregelen zijn
                            verschillend van % en duur van oplegging. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>de hoogte en duur van een maatregel</titel></kop><al><onderstreept>Lid 4 en 5</onderstreept></al><al>Alleen bij het schenden van de inlichtingenplicht is gekozen voor een
                            kortingspercentage in relatie met een benadelingsbedrag. Deze
                            systematiek is bedoeld om onderscheid te kunnen maken tussen zware en
                            minder zware maatregelen als gevolg van het niet of niet behoorlijk
                            nakomen van de informatieplicht: hoe hoger het benadelingsbedrag hoe
                            hoger het percentage korting op de uitkering.</al><al>Bij het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen aan de
                            gemeente, waardoor er ten onrechte een uitkering is verstrekt of een te
                            hoog bedrag aan bijstand is verstrekt: Het opzettelijk verzwijgen van
                            relevante informatie tegenover de gemeente, met het oogmerk een (hogere)
                            uitkering te krijgen vormt een schending van de informatieplicht van
                            artikel 17 WWB. </al><al>Artikel 54 van de WWB regelt de mogelijke maatregelen bij het
                            verstrekken van onjuiste gegevens en onvoldoende medewerking</al><al>Het college zal zich echter bij elke maatregel de vraag moeten stellen:
                            voldoet de maatregel aan de eisen van proportionaliteit en evenredigheid
                            en in hoeverre is de maatregel effectief, dat wil zeggen leidt de
                            maatregel tot gedragsverandering? </al><al>Door in artikel 9 lid 1 en lid 4 te verwijzen naar artikel 2, lid 2
                            (ernst gedraging, mate van verwijtbaarheid en omstandigheden
                            belanghebbende), blijft afstemming in individuele gevallen altijd
                            mogelijk.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>indeling in categorieën</titel></kop><al><onderstreept>Lid 6, d</onderstreept></al><al>Onder de term ‘<cursief>zeer ernstige misdragingen’</cursief> kunnen
                            diverse vormen van agressie worden verstaan. Er moet dan wel sprake moet
                            zijn van verwijtbaarheid gedrag en van gedrag dat in het normale
                            menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                            beschouwd. </al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband
                            bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                            de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar
                            dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                            moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van WWB. </al><al>In artikel 18, tweede lid, WWB wordt gesproken over ‘het zich jegens het
                            college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer)
                            agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren
                            aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. </al><al>Er kan dus <vet>geen</vet> maatregel worden opgelegd als een klant zich
                            agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere
                            organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een
                            reïntegratiebedrijf). Het is dat geval wellicht wel mogelijk om een
                            maatregel op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van
                            een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (artikel 8, 4<sup>e</sup>
                            5<sup>e</sup> of 6<sup>e</sup> categorie gedragingen van deze
                            Maatregelenverordening en bijbehorende maatregelen in artikel 9, ). </al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                            uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                            worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                            volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                            ernstiger) worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                                <cursief>instrumenteel</cursief> geweld en
                                <cursief>frustrati</cursief><cursief>e</cursief><cursief>geweld</cursief>.
                            Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld
                            bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                            verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                            ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                            frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                            verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                            frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat los van het doen van aangifte bij
                            de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris
                            tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen
                            voor de voorziening in het bestaan, geldt al voordat een
                            bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in
                            de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef
                            van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer
                            beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en
                            als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de
                            toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen
                            van een maatregel. </al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                            gedragingen blijken, zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                                    voorziening;</al></li></lijst><al>In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de
                            maatregel en het kortingspercentage. Het kortingspercentage wordt
                            toegepast op de omvang van het vermogen of de voorziening waarmee de
                            betrokkene gedurende kortere of langere tijd buiten de bijstand zou zijn
                            gebleven. In dit artikel wordt tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid apart genoemd om het belang van een dergelijke
                            gedraging te benadrukken (lid 1). In lid 2 wordt benadrukt dat juist bij
                            zo’n breed begrip een individuele benadering (maatwerk) op zijn plaats
                            is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>recidive</titel></kop><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                            een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van <vet>de
                                duur</vet> van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt
                            de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een
                            maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                            geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12
                            maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit bekend is gemaakt waarmee
                            de maatregel is opgelegd. </al><al>De termijn blijft ook gelden indien men de uitkering (tijdelijk) heeft
                            verlaten.</al><al>Op basis van de in dit artikel opgenomen bepaling kan een
                            recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. Indien
                            belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde
                            verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                            individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden
                            naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            individuele omstandigheden van de betrokkene. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>