<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR118787_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening onderzoeken doelmatigheid endoeltreffendheid van de gemeente Montferland 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:creator><dcterms:modified>2005-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onderzoeken doelmatigheid endoeltreffendheid van de gemeente Montferland 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 213a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-04-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>geen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening onderzoeken doelmatigheid endoeltreffendheid van de gemeente Montferland 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Montferland, </al><al>Gelezen het voorstel van het college van Montferland d.d. 4 februari 2005,
                        nr. </al><al>gelet op artikel 213a van de Gemeentewet, </al><al>BESLUIT </al><al>vast te stellen de <vet>verordening voor periodiek onderzoek door het
                            college naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het
                            college gevoerde bestuur van de gemeente Montferland. </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Doelmatigheid: het realiseren van bepaalde prestaties met een zo
                                beperkt mogelijke inzet van middelen;</al></li><li nr="b."><al>Doeltreffendheid: de mate waarin de gewenste prestaties en de
                                beoogde maatschappelijke effecten van het beleid ook daadwerkelijk
                                worden behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Onderzoeksfrequentie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college onderzoekt jaarlijks de doelmatigheid van (onderdelen van)
                            organisatie-eenheden van de gemeente en de uitvoering van taken door de
                            gemeente. Iedere gemeentelijke organisatie-eenheid en gemeentelijke taak
                            wordt minimaal eens in de 8 jaar in zijn geheel aan een dergelijke toets
                            onderworpen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college toetst jaarlijks de doeltreffendheid van minimaal 2
                            programma’s en/of paragrafen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Onderzoeksplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college zendt ieder jaar uiterlijk voor 31 december. een
                            onderzoeksplan naar de raad van de in het erop volgende jaar te
                            verrichten interne onderzoeken naar de doelmatigheid en de
                            doeltreffendheid. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het onderzoeksplan wordt per intern onderzoek globaal aangegeven: a)
                            het object van onderzoek; b) de reikwijdte van het onderzoek; c) de
                            onderzoeksmethode; d) doorlooptijd van het onderzoek; e) de wijze van
                            uitvoering. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In het onderzoeksplan wordt aangegeven welke budgetten in de
                            productenraming zijn opgenomen voor de uitvoering van de onderzoeken.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voortgang onderzoeken</titel></kop><al>Het college rapporteert in de bedrijfsvoeringparagraaf van de begroting en
                        jaarstukken over de voortgang van de onderzoeken naar de doelmatigheid en
                        doeltreffendheid en de uitputting van de bijbehorende budgetten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Rapportage en gevolgtrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De uitkomsten van een onderzoek worden vastgelegd in een rapportage.
                            Elke rapportage bevat tenminste een analyse van de onderzoeksresultaten
                            en indien nodig aanbevelingen voor verbeteringen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op basis van de resultaten van ieder onderzoek stelt het college indien
                            nodig een plan van verbetering op. De rapportage en het plan van
                            verbetering worden ter kennisgeving aan de raad aangeboden. Het college
                            neemt op basis van het plan van verbetering organisatorische
                            maatregelen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verordening onderzoeken
                        doelmatigheid en doeltreffendheid van de gemeente Montferland 2005”. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad d.d. 28 april 2005 </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, W.Vrieze </ondertekening><ondertekening>De voorzitter, P.J.J.M. Peters</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting op de verordening </titel></kop><al/><al>Artikel 213a Gemeentewet </al><al>Artikel 213a Gemeentewet (zie box 13) verplicht tot periodiek onderzoek naar de
                    doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het college gevoerde bestuur.
                    Anders dan het onderzoek door de rekenkamer gaat het hierbij om een
                    zelfonderzoek. Toetsing op doelmatigheid en doeltreffendheid van het
                    gemeentelijk beleid is van groot belang voor de algemene oordeelsvorming over
                    het gevoerde beleid. Met de instelling van de onderzoeken wordt beoogd de
                    transparantie van gemeentelijk handelen te vergroten, en daardoor doelmatiger en
                    doeltreffender te werken en de publieke verantwoording daarover te versterken.
                    Alle zaken die voor een doelmatig en doeltreffend bestuur van belang zijn kunnen
                    daarbij aan de orde komen. </al><al/><al>Box 13 Het nieuwe artikel 213a Gemeentewet: </al><al>Artikel 213a Gemeentewet:</al><lijst><li nr="1"><al>Het college verricht periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en de
                            doeltreffendheid van het door hem gevoerde bestuur. De raad stelt bij
                            verordening regels hierover. </al></li><li nr="2"><al>Het college brengt schriftelijk verslag uit aan de raad van de
                            resultaten van de onderzoeken. </al></li><li nr="3"><al>Het college stelt de rekenkamer of, indien geen rekenkamer is ingesteld,
                            personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, tijdig op de hoogte van de
                            onderzoeken die hij doet instellen en zendt (hem) haar,
                            onderscheidenlijk hen, een afschrift van een verslag als bedoeld in het
                            tweede lid. </al><al/></li></lijst><al>Periodiek onderzoek </al><al>Het college moet periodiek toetsen of bij de uitvoering van het gemeentelijk
                    beleid - bijvoorbeeld op het gebied van milieu, leefbaarheid, openbaar vervoer
                    en huisvesting - wordt voldaan aan de eisen van doelmatig en doeltreffend
                    bestuur. Ook dient het college periodiek te onderzoeken of de inrichting van de
                    gemeentelijke organisatie (in brede zin, de personeelsformatie, de
                    informatievoorziening, de administratieve organisatie) en het gemeentelijk
                    middelenbeheer aan de gestelde eisen voldoet. Het interne functioneren van
                    derden die betrokken zijn bij de uitvoering van het gemeentelijk beleid
                    (bijvoorbeeld een gemeenschappelijke regeling of een privaatrechtelijke
                    rechtspersoon waarin de gemeente deelneemt, of een gesubsidieerde instelling of
                    opdrachtnemer die taken uitoefent) valt niet onder de reikwijdte van artikel
                    213a Gemeentewet; wél kan vanuit het oogpunt van de gemeente in het kader van
                    artikel 213a de vraag aan de orde zijn of de gekozen wijze van taakuitoefening
                    doeltreffend en doelmatig is. Het is in de nieuwe Gemeentewet de
                    verantwoordelijkheid van de raad om regels te stellen die waarborgen dat deze
                    onderzoeksverplichting op een zinvolle wijze wordt ingevuld. </al><al/><al>Relatie met lokale rekenkamer(functie) </al><al>Het verkrijgen van inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid vereist
                    voortdurend informatie en aandacht. Om onderzoek naar een doelmatig en
                    doeltreffend beheer mogelijk te maken, dient het college een aantal
                    (organisatorische) maatregelen te treffen. De controle op en de evaluatie van de
                    doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid en het beheer geschieden dus
                    primair door de raad en het college zelf. Daarnaast doen de lokale rekenkamers
                    (of degenen die de rekenkamerfunctie vervullen) onderzoek naar de doelmatigheid
                    en doeltreffendheid van het beleid en het beheer. De rekenkamer kan op grond van
                    het gestelde in artikel 213a Gemeentewet gebruik maken van de resultaten van de
                    onderzoeken van het college. Ook kan de rekenkamer zonodig een tweede oordeel
                    geven, als ze van mening is dat over een bepaald onderwerp een onafhankelijk
                    oordeel moet worden gegeven.</al><al/><al>Onderwerp van onderzoek </al><al>Systematisch wordt onderzocht of de gemeente bereikt wat zij wilde bereiken
                    (doeltreffendheid) en of dit tegen zo laag mogelijke kosten is gebeurd
                    (doelmatigheid). Zoals uit het artikel blijkt, moet speciale aandacht worden
                    besteed aan doelmatigheid en doeltreffendheid. </al><al>Onderwerp van de onderzoeken is het door het college gevoerde bestuur. De kaders
                    en doelen die de raad gesteld heeft kunnen niet los gezien worden van het
                    bestuur dat het college voert. Deze kaders hebben immers invloed op de mate
                    waarin een doelmatig en doeltreffend bestuur mogelijk is. Het door de raad
                    geformuleerde beleid zal dus, als dat relevant is, kunnen worden betrokken in
                    het onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid. </al><al>De onderzoeken als bedoeld in artikel 213a Gemeentewet kunnen verschillende
                    onderwerpen en vormen hebben. Te denken valt aan het meten van de effecten van
                    begrotingsprogramma’s, aan de hand van tevoren bepaalde indicatoren. Dat kunnen
                    meetbare en telbare prestaties zijn. Ook kan worden gedacht aan meningspeilingen
                    in enigerlei vorm en andere ‘zachtere’ meetmethoden. Naast de vraag óf de
                    doelstellingen zijn gehaald kan worden onderzocht of dat gebeurd is met een zo
                    efficiënt mogelijk gebruik van middelen. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te
                    maken van benchmarking. </al><al>Een andere activiteit die in het kader van dit artikel zou moeten plaatsvinden,
                    is het doorlichten van de beheersprocessen, zoals de doelmatigheid van de
                    interne controle. </al><al/><al>Regels voor periodiek onderzoek </al><al>Het college is verplicht de onderzoeken te verrichten en hiervan verslag uit te
                    brengen. De rol van de raad bij deze onderzoeken is een kaderstellende. De
                    verordening die de raad vaststelt, conform artikel 213a Gemeentewet, bevat deze
                    kaders. De raad bepaalt de regels in deze verordening, waaraan het college op
                    hoofdlijnen moet voldoen. De raad stelt ook vast hoe hij bij de onderzoeken
                    betrokken wordt en daarover geïnformeerd wordt. De verordening is op deze
                    uitgangspunten gebaseerd. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting op de artikelen </tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Onderzoeksfrequentie </tussenkop><al>In artikel 2 wordt het college opgedragen onderzoek te doen naar de
                    doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur. De raad eist een
                    minimaal aantal uit te voeren interne onderzoeken per jaar van het college.
                    Hierbij wordt een scheiding aangebracht tussen onderzoeken naar de doelmatigheid
                    en onderzoeken naar de doeltreffendheid. De in de verordening opgenomen
                    frequenties zijn 1 x per 8 jaar voor de doelmatigheid per organisatiedeel, en
                    voor de doeltreffendheid 2 programma of paragrafen (of 1 programma en 1
                    paragraaf) per jaar. </al><al/><al>De onderzoeken naar de doelmatigheid betreffen onderzoeken naar de uitvoering
                    van het beleid en het beheer van middelen. De uitvoering wordt gedaan door ten
                    eerste de gemeentelijke organisatie, zodat deze onderzoeken zich ten eerste
                    richten op de organisatie-eenheden van de gemeente. Een tweede ingang voor de
                    doelmatigheidsonderzoeken is de procesgang. Hiervoor kan men kijken naar de
                    gemeentelijke taken. Het voordeel hiervan is dat ook de doelmatigheid van de
                    uitvoering van gemeentelijk beleid en het beheer van middelen door derden wordt
                    onderzocht. </al><al/><al>Om te verzekeren dat alle onderdelen van de gemeente op doelmatigheid worden
                    onderzocht, verplicht het artikel dat ieder onderdeel van de gemeente en elke
                    gemeentelijke taak minimaal eens in de 8 jaar worden onderzocht ( eenmaal in de
                    twee raadsperioden). </al><al/><al>De onderzoeken naar de doeltreffendheid vinden plaats op basis van het in de
                    programma’s of paragrafen van de begroting geformuleerde beleid. Dit beleid kan
                    gehele begrotingsprogramma’s omvatten of delen daarvan. Ook kan het paragrafen
                    van de begroting en jaarstukken of delen daarvan omvatten. </al><al/><tussenkop>Artikel 3. Onderzoeksplan </tussenkop><al>De beslissing wat te onderzoeken is aan het college. Vanzelfsprekend zal de raad
                    willen weten wat de plannen zijn, en ook gelegenheid willen hebben om deze te
                    bespreken en als hij dat nodig acht invloed uit te oefenen. Hierin voorziet het
                    onderzoeksplan. </al><al/><al>Het onderzoeksplan moet een volledig beeld geven van de voorgenomen onderzoeken,
                    zij het uiteraard nog globaal. De onderzoeken in het onderzoeksplan worden per
                    onderzoek uitgewerkt. Het onderzoeksplan wordt aangeboden aan de raad, en de
                    raad kan het ter bespreking agenderen, maar het wordt door het college
                    vastgesteld. In de verordening kan worden aangegeven wat in een onderzoeksplan
                    in ieder geval moet worden opgenomen. De onderwerpen genoemd in het tweede lid
                    kunnen als volgt worden toegelicht: </al><al/><al>a) Het object van een onderzoek wordt dusdanig omschreven dat duidelijk
                    aangegeven is wat de afbakening van het onderzoek is. Daarbij worden bij de
                    doelmatigheidsonderzoeken duidelijk de scheidslijnen aangegeven ten aanzien van
                    de te onderzoeken procedures en instrumenten. Bij de doeltreffendheidonderzoeken
                    worden duidelijk de scheidslijnen met andere beleidsvelden aangegeven; </al><al>b) De reikwijdte van ieder onderzoek strekt zich in beginsel uit over alle
                    organen (raad, college), organisatie-eenheden en instellingen waarvoor de
                    gemeente bestuurlijk verantwoordelijk is of waarvan de activiteiten geheel of in
                    belangrijke mate door de gemeente worden bekostigd. De reikwijdte kan in het
                    onderzoeksplan worden ingeperkt door het aangeven van het te onderzoeken
                    tijdsvak en de te onderzoeken organen, organisatie-eenheden en instellingen. De
                    reikwijdte van onderzoeken moet van te voren duidelijk worden aangegeven.
                    Aangegeven moet worden welk tijdvak wordt onderzocht en welke
                    organisatie-eenheden en niet gemeentelijke instellingen bij het onderzoek worden
                    betrokken; </al><al>c) Hier wordt aangegeven welke methoden gebruikt zullen worden (benchmarking,
                    enquête, </al><al>enzovoorts). </al><al>d) een inschatting van de duur van het onderzoek, eventueel onderverdeeld in
                    fasen. </al><al>e) Onderzoeken kunnen in opdracht van het college worden uitgevoerd door het
                    ambtelijke </al><al>apparaat (al of niet met inbreng van deskundigheid van derden) of door derden.
                    Indien de ambtelijke organisatie de onderzoeken uitvoert zullen in de
                    onderzoeksopzet waarborgen dienen te worden ingebouwd, waarmee de
                    onafhankelijkheid van de analyse en/of adviezen ter verbeteringen worden
                    gegarandeerd. Dat betekent dat het onderzoek wel mag worden uitgevoerd door
                    functionarissen die in hun dagelijks werk betrokken zijn bij het
                    onderzoeksobject. De analyse en de aanbevelingen tot verbetering echter moeten
                    zoveel als mogelijk onafhankelijk tot stand komen en uitgevoerd worden door
                    functionarissen die niet in hun dagelijks werk betrokken zijn bij het
                    onderzoeksobject. </al><al/><tussenkop>Artikel 4. Voortgang onderzoek </tussenkop><al>De bedrijfsvoeringparagraaf van de begroting en jaarstukken dient inzicht te
                    geven in de stand van zaken en de beleidsvoornemens omtrent de bedrijfsvoering.
                    Daarbij dient een relatie te worden gelegd met de inhoud van de programma’s van
                    de begroting en jaarstukken. Het ligt voor de hand om in deze paragaaf eveneens
                    te rapporteren over de stand van zaken bij de interne onderzoeken naar de
                    doelmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde bestuur. </al><al/><tussenkop>Artikel 5. Rapportage en gevolgtrekking </tussenkop><al>Met de instelling van de onderzoeken beoogt de gemeente de transparantie van
                    gemeentelijk handelen te vergroten en de publieke verantwoording daarover te
                    versterken. De bevindingen van de onderzoeken worden dan ook neergelegd in
                    rapporten voor de raad, zoals voorgeschreven in artikel 213a, tweede lid, van de
                    Gemeentewet. De rapporten dienen volgens artikel 197 tweede lid van de
                    Gemeentewet te worden gevoegd bij de jaarrekening en het jaarverslag. Dat
                    betreft uiteraard de verslagen die lopende het verslagjaar zijn afgerond. Dat
                    sluit echter geenszins uit dat de raad, als hij dat wenst, de rapporten ontvangt
                    zodra ze zijn vastgesteld. Systematische aandacht voor doelmatigheid en
                    doeltreffendheid impliceert ook het doel om te leren, om te denken over en te
                    streven naar verbetering, daarom is in deze verordening opgenomen dat evaluatie
                    en aanbevelingen voor verbetering onderdeel zijn van de rapportage, en dat zo
                    nodig door middel van een plan van verbetering het vervolgtraject moet worden
                    ingezet. De bedrijfsvoering is een zaak van het college. Het is dan ook het
                    college dat maatregelen moet nemen tot verbetering. Het college moet een plan
                    van verbetering opstellen en uitvoeren. Het plan van verbetering wordt uiteraard
                    ook ter kennisgeving aan de raad gestuurd. </al><al/><tussenkop>Artikel 6. Inwerkingtreding </tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2005. </al><al/><tussenkop>Artikel 7. Citeertitel </tussenkop><al>In dit artikel wordt de naam gegeven waarmee in gemeentelijke stukken naar deze
                    verordening kan worden verwezen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>