<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR118343_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Uden 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Infopagina Udens Weekblad 03-08-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Uden 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">WPO, art. 102, WEC, art. 100 MWVO, art. 76</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-07-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-08-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011/2594</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Uden 2006</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Uden 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Uden;</al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van
                        17 mei 2011; </al><al>gezien het advies van de commissie Publiekszaken;</al><al> gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al> gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100
                        van de Wet op de expertisecentra, artikel 76m van de Wet op het
                        voortgezet onderwijs; </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in
                        de huisvesting voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal
                        onderwijs en het voortgezet onderwijs bij verordening te regelen;</al><al> b e s l u i t vast te stellen de </al><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Uden
                        2011</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>minister : de minister van Onderwijs, Cultuur en
                                    Wetenschap;</al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag : bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school,
                                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al>school : school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al><lijst><li nr="*"><al>school voor basisonderwijs: een basisschool of een
                                            speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in van
                                            de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="*"><al>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school
                                            voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en
                                            voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1
                                            van de Wet op de expertisecentra , een instelling voor
                                            speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school
                                            voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="*"><al> school voor voortgezet onderwijs: school of
                                            scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                            onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                            onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                            praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van
                                            de Wet op het voortgezet onderwijs .</al><lijst><li nr="d."><al>nevenvestiging : deel van een school dat door de
                                                  minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het
                                                  primair onderwijs, artikel 76a of artikel 76b van
                                                  de Wet op de expertisecentra of artikel 75 van de
                                                  Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging
                                                  in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="e."><al>voorziening : een van de voorzieningen in de
                                                  huisvesting als bedoeld in artikel 2 van deze
                                                  verordening;</al></li><li nr="f."><al>programma : het programma als bedoeld in artikel
                                                  12 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>overzicht : het overzicht van de niet in het
                                                  kader van de vaststelling van het programma
                                                  ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13
                                                  van deze verordening;</al></li><li nr="h."><al>aanvrager : het bevoegd gezag dat een aanvraag
                                                  voor vergoeding van een voorziening of voor
                                                  bekostiging van bouwvoorbereiding van een
                                                  voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze
                                                  verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="i."><al>aanvraag : verzoek om bekostiging van een
                                                  voorziening of om bekostiging van
                                                  bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="j."><al>voor blijvend gebruik : voorziening in de
                                                  huisvesting die, volgens de uitkomst van de
                                                  prognose als bedoeld in van deze verordening, 10
                                                  jaren of langer noodzakelijk is;</al></li><li nr="k."><al>voor tijdelijk gebruik : voorziening in de
                                                  huisvesting die, volgens de uitkomst van de
                                                  prognose als bedoeld in bijlage II van deze
                                                  verordening, niet langer dan 10 jaren noodzakelijk
                                                  is;</al></li><li nr="l."><al>permanent gebouw : schoolgebouw dat door de
                                                  keuze van het ontwerp en de aard van de
                                                  constructie en materialen ten minste 40 jaren als
                                                  volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                                  functioneren;</al></li><li nr="m."><al>noodlokaal : verplaatsbare ruimte die door de
                                                  keuze van het ontwerp en de aard van de
                                                  constructie en materialen ten minste 10 jaren als
                                                  volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                                  functioneren;</al></li><li nr="n."><al>gymnastiekruimte : ruimte die geschikt is voor
                                                  het onderwijs in lichamelijke oefening;</al></li><li nr="o."><al>advies Onderwijsraad : een advies van de
                                                  Onderwijsraad over de vaststelling van het
                                                  programma in relatie tot de vrijheid van richting
                                                  en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in
                                                  artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs,
                                                  artikel 93 van de Wet op de expertisecentra,
                                                  artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                                  onderwijs;</al></li><li nr="p."><al>verhuur : het gebruik van een onderwijsgebouw
                                                  door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of
                                                  gebruik ten behoeve van culturele,
                                                  maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="q."><al>gezamenlijke akte : de akte als bedoeld in
                                                  artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs,
                                                  artikel 108 van de Wet op de expertisecentra,
                                                  artikel 76u van de Wet op het voortgezet
                                                  onderwijs;</al></li><li nr="r."><al>beslissing</al><al> Gedeputeerde staten : de beslissing van
                                                  gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in
                                                  artikel 110, tweede lid van de Wet op het primair
                                                  onderwijs, artikel 108, tweede lid van de Wet op
                                                  de expertisecentra, artikel 76u, tweede lid van de
                                                  Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="s."><al>eigendomsoverdracht : de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van
                                    de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                    voorzieningen bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                            rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                            nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                            gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                            dezelfde locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                            gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                            gebouw ten behoeve van de huisvesting van een
                                            school;</al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                            behoeve van de huisvesting;</al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor de realisering van een
                                            onder a. sub 1 tot en met 4 omschreven voorziening;</al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket,of leer- en
                                            hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor
                                            bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                            gebracht;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                            aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                            gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
                                            medegebruik van een gymnastiekruimte.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>aanpassingen aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en
                                    een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit
                                    een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder
                                    1.9 en 2.9;</al></li><li nr="c."><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of
                                    meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.10 en
                                    2.10;</al></li><li nr="d."><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="e."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                    onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair
                                    ingeval van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="f."><al>huur van een sportterrein voor een school voor voortgezet
                                    onderwijs dat geen sportveld in eigendom heeft voor het geven
                                    van bewegingsonderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al><cursief>Is vervallen.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vaststelling bekostiging voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                                toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                                bekostiging een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in Bijlage IV, deel A. De
                                bekostigingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV,
                                deel B.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a, sub 1, 2, 6, 7 en artikel 3;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deel B van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a, sub 3, 4, 5, 8 en artikel 2 b tot en
                                met f.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het College gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                College vastgesteld formulier.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1.</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                    wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                    betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                    College. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het College
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid,
                                    neemt het College niet in behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing,
                                                het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is
                                                bestemd;</al></li><li nr="d."><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                                gewenste voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                                voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat
                                        de aanvraag vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen
                                                van de school, die voldoet aan de in bijlage II
                                                omschreven vereisten, tenzij het een voorziening
                                                betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen
                                                6° tot en met 8° en artikel 2, onder d, e en f;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de
                                                voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een
                                                voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder
                                                a, onderdelen 1° tot en met 4°; </al></li><li nr="c."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak
                                                blijkt, indien het een voorziening betreft bestaande
                                                uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke
                                                  vervanging van een gebouw;</al></li><li nr="2."><al>onderhoud aan een gebouw van een school voor
                                                  basisonderwijs of van een school voor (voortgezet)
                                                  speciaal onderwijs, of;</al></li><li nr="3."><al>herstel van een constructiefout;</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al><cursief>Bij de rapportage als bedoeld onder c wordt gebruik gemaakt
                                    van het door het College
                                    vas</cursief><cursief>t</cursief><cursief>gestelde formulier
                                    'Bouwkundige opname'.</cursief></al><lijst><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
                                        voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                        voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin van toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                        indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                        vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld
                                        in artikel 27.</al></li><li nr="3."><al>Het College stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk
                                        op de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in
                                        het eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in
                                        de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te
                                        vullen. Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn
                                        verstrekt, neemt het College de aanvraag niet in
                                        behandeling.</al></li><li nr="4."><al> Indien een door het College in behandeling genomen aanvraag
                                        betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan
                                        de beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het
                                        aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke
                                        teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd
                                        in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager het College
                                        onverwijld een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de
                                        minister van het aantal leerlingen dat op de wettelijke
                                        teldatum staat ingeschreven op de betrokken school. Indien
                                        het College het afschrift niet binnen een week na de
                                        wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het College dit
                                        schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de
                                        aanvrager in de gelegenheid gesteld het afschrift binnen
                                        drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling in te
                                        dienen bij het College. Indien het afschrift niet binnen de
                                        termijn als bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, neemt
                                        het College de aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het College verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en</al><al>artikel 25 ingediende aanvragen en geeft daarbij aan welke aanvraag
                                of aanvragen niet in behandeling worden genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2.</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe
                                    te lichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                    aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel
                                    4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het College
                                    van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde
                                    kostenbegroting dient te worden aangepast. Het College geeft in
                                    het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en
                                    het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van
                                    de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming
                                    is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het College
                                    geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag
                                    aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan
                                    bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het College het programma en het overzicht vaststelt,
                                    worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de
                                    gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud
                                    van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                    september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee
                                    weken voor de door het College vastgestelde datum schriftelijk
                                    in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de
                                    voorgenomen inhoud van het voorstel. Zij worden hierbij tevens
                                    in kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het
                                    voorstel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                    bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid
                                    bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het
                                    College. Het College stelt de deelnemers aan het overleg hiervan
                                    in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het College maakt een verslag van de in het overleg door de
                                    bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                    tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en
                                    van de reactie van het College op deze zienswijzen. Het verslag
                                    wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een bevoegd gezag of College dat advies wenst van de
                                    Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                    voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid
                                    van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar
                                    tijdens het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt
                                    aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van
                                    de onderwerpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt
                                    verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen
                                    deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van
                                    inrichting.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> De bevoegde gezagsorganen en het College worden tijdens het
                                    overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te
                                    brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                    schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                                    gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het
                                    overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het College is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                    bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                    Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                    beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag
                                    van het overleg.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                    wordt zo spoedig mogelijk door het College toegezonden aan de
                                    bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk
                                    opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een
                                    of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van
                                    het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                    College bij de toezending van het afschrift van het advies
                                    uitgenodigd voor een nader overleg.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In alle andere gevallen beoordeelt het College of nader
                                    bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                    noodzakelijk is. Het College geeft dit aan bij de toezending van
                                    het afschrift van het advies van de Onderwijsraad.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                    twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                    Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het College maakt
                                    van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                                    bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                    vergoeding van de aangevraagde voorzieningen vóór 1 februari van
                                    het betreffende jaar waarop de aanvraag kan worden ingediend.
                                    Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                    bedragen per onderwijssoort of per voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk
                                    31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                    valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                    jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                    gemaakt, komen, voor zover het College heeft vastgesteld dat
                                    geen van de in de Wet op het primair onderwijs , Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor
                                    plaatsing op het programma. Daarbij past het College de regels
                                    toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                            bedoeld in bijlage III.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende
                                    voorzieningen neemt het College, aan de hand van de
                                    urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend
                                    voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of de
                                    deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend
                                    zijn;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                    College de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma
                                    af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                    bijlage V;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                    wordt, voor zover van toepassing, door het College
                                    aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A
                                            voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                            gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                            voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                            volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                            buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                    het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                    voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                    zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                    bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt
                                    binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending
                                    door het College van de besluiten aan de aanvragers.
                                    Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het College schriftelijk
                                    mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde
                                    gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                    met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4.</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                    College in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering
                                    van de op het programma geplaatste voorziening. In dit over leg
                                    wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering
                                    van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing,
                                    afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                            onderwijs , de Wet op de Expertisecentra en de Wet op
                                            het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de
                                            begroting door de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                            inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het College toepassing geeft aan de
                                            toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan
                                            de toetsing in verband met wettelijke voorschriften en
                                            nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel
                                            16;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over
                                            de besteding van de beschikbaar te stellen
                                            middelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                    voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin,
                                    dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
                                    uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
                                    toepassing, gezien de aard van de voorziening, de gestelde
                                    richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht
                                    genomen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het College
                                    schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na
                                    afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt.
                                    Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of
                                    binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                    gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het
                                    vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                    overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                    vierde lid, neemt het College binnen vier weken nadat de
                                    overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                    beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                    derde lid is bereikt, deelt het College binnen vier weken nadat
                                    het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de
                                    aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
                                    uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met als uitgangspunt
                                    dat op opdrachten onder het Europese drempelbedrag de
                                    richtlijnen zoals vastgelegd in het Besluit
                                    overheidsaanbestedingen van toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid,
                                    is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht,
                                    dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                    afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een
                                    aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                                    dient te nemen, ter instemming in bij het College.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen <cursief>zes weken </cursief>na ontvangst van de stukken
                                    beslist het College over de instemming met de bouwplannen, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    een aanvang neemt. Het College kan, onder mededeling daarvan aan
                                    de aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet
                                    binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn
                                    verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de
                                    bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven tijdstip.
                                    Het College deelt de beslissing over het bouwplan, de
                                    desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging
                                    een aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de
                                    beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                    College eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de
                                    school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten
                                    tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet
                                    ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het
                                    College ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden
                                    komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in
                                    aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                    begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens
                                    de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is
                                    van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven
                                    als dat naar het oordeel van het College niet noodzakelijk is
                                    gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening.
                                    Het College doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het
                                    overleg als bedoeld in artikel 15.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                    begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van
                                    een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                    volzin. De beslissing van het College als bedoeld in het tweede
                                    lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan.
                                    Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Nadat het College met het bouwplan van een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                    ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                    hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede
                                    lid, aan het College de aan de aanvrager uitgebrachte offertes
                                    voor de uitvoering van de voorziening. Het College beslist
                                    binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag
                                    dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van
                                    de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                    aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de
                                    datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                    offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het College kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><al>1.De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de
                                aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend, dan
                                wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een
                                afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het College
                                is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is
                                onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de
                                termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het
                                werk wordt opgeleverd. </al><al> De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk.
                                Een huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van
                                inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst. Een
                                koopovereenkomst vermeldt de datum van aankoop.</al><lijst><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                        veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet
                                        aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1
                                        september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot
                                        verlenging van de termijn, als bedoeld in het eerste lid,
                                        bij het College heeft ingediend.</al></li><li nr="3."><al>Het College beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                        verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt
                                        ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum
                                        de termijn als be doeld in het eerste lid wordt
                                        verlengd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het College. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het College vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                    artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager
                                    de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                            voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet
                                            kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te
                                            stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van
                                            de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                            vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                                            bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6o tot en met
                                            8o en artikel 2 onder d, e en f;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering
                                            indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                            artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het College een of meer gegevens als
                                    bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken
                                    na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld
                                    aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld
                                    de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                    mededeling in te dienen bij het College. Indien de aanvrager de
                                    vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                    bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het College de
                                    aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2.</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                    aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                    verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na
                                    de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                                    schriftelijk in kennis gesteld door het College.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                    gegeven, stelt het College de aanvrager daarvan in kennis en
                                    noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking
                                    wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het College
                                    heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen
                                    van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de
                                    expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen
                                    weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past
                                    het College de regels toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                            bijlage III.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beslissing van het College kan een gedeelte van de gewenste
                                    voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                    omvatten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het College vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                    bepaalde in bijlage IV, deel A voor de toegewezen voorziening
                                    beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is
                                    indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4,
                                    derde lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het College
                                    vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan
                                    wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten,
                                    en voor welke datum een afschrift daarvan aan de raad moet zijn
                                    toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de beschikking
                                    door het College moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel
                                    een koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het College zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
                                termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een
                                termijn van drie weken geldt. Hiervoor moet worden gelezen drie
                                weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                    tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                    huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                    daarvan is gezonden aan het College, vervalt de aanspraak op
                                    bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan
                                    wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in
                                    artikel 18, eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                    overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                    omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen,
                                    en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van
                                    deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                    bij het College tot verlenging van de termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                    op totdat het College op het verzoek beslist. Indien het College
                                    het verzoek inwilligt, noemt het College een nieuwe datum waarop
                                    de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het College het
                                    verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek
                                    als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                    oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><al><cursief>Is vervallen.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><al><cursief>Is vervallen.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><al><cursief>Is vervallen.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al><cursief>Is vervallen.</cursief></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1.</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het College kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs , vastgesteld aan de hand van
                                        de voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs,
                                            indien uit de vergelijking van het aantal vierkante
                                            meters bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op basis
                                            van deel B en de capaciteit van het gebouw in vierkante
                                            meters bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis
                                            van bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste een
                                            aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter
                                            grootte van de in bijlage III, deel C genoemde
                                            drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde
                                            school of scholen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de
                                            ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III,
                                            deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld
                                            op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een
                                            overschot is aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                            tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of
                                            de lesroosters voor het lopende of eerstkomende
                                            schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan
                                            vierkante meters bruto-vloeroppervlakte geen sprake is
                                            van onderbenutting van de onderwijsruimten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs of voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het
                                            aantal klokuren gebruik dat door het College wordt
                                            vergoed minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het een gebouw betreft van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis
                                            van bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het
                                            gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag
                                            op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het
                                            lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet
                                            het geval is;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door
                                            een of meer scholen voor basisonderwijs, voor
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs,
                                            indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a
                                            en b een aantal klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                    medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                    waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                    heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van
                                    het onderwijs aan die school of scholen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                    gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de
                                    aan die scholen reeds ter beschikking staande
                                    huisvestingscapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                    wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                            gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                            tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                            leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                            biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin
                                            een school van dezelfde richting is gehuisvest;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                            dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                            behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het College kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                    gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de
                                    in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het College voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                    College daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de
                                    leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                    huisvesting is bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                    bedoeld in artikel 11, doet het College schriftelijk mededeling
                                    van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt.
                                    Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                    het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het College voornemens is om over te gaan tot vordering
                                    in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert
                                    het College daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd
                                    gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                                    de huisvesting is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid,
                                    doet het College schriftelijk mede deling van de vordering aan
                                    het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling
                                    kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te
                                    kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het College als bedoeld in het
                                    tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                            waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve
                                            waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                            onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren
                                            dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                            gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum
                                            van het medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot
                                overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV, deel C.
                                Deze vergoeding wordt dan gebaseerd op het bedrag wat voor elke
                                groep bij meer dan zes groepen door het Ministerie van OCW
                                beschikbaar wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma’s
                                van eisen, zoals jaarlijks gepubliceerd door het Ministerie van OCW.
                            </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2.</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het College kan overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het College overleg
                                    met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd
                                            wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                            onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                            voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw
                                            gevestigde school hinder van het medegebruik
                                            ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het College en het bevoegd gezag
                                            een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een
                                            aanvang kan nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen <cursief>vier weken </cursief>na afloop van het overleg,
                                    als bedoeld in het eerste lid, doet het College schriftelijk
                                    mededeling van de vordering tot medegebruik aan het bevoegd
                                    gezag. Indien het overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de
                                    mededeling in ieder geval die afspraken. Voor zover het overleg
                                    niet tot overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de
                                    beslissing van het College over deze punten. Indien het bevoegd
                                    gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben
                                    tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier
                                    bedoeld worden afgezien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3.</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36.</nr><titel>Toestemming College</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                    toestemming voor de verhuur aan het College.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat
                                    een aanduiding van de huurder, en de bestemming van de te
                                    verhuren ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het College verleent geen toestemming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                            bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair
                                            onderwijs , Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                            voortgezet onderwijs of;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                            school.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo
                                spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de
                                door het College en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
                                beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                                gezamenlijke akte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het College, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een
                                staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het College
                                na overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het College betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het College niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het College stelt jaarlijks voor 1 december voorlopig vast het
                                    aantal klokuren bewegingsonderwijs dat voor het daaropvolgende
                                    schooljaar noodzakelijk is voor een school voor basisonderwijs,
                                    een speciale school voor basisonderwijs of een school voor
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs. Grondslag voor het berekenen
                                    van het aantal (voorlopige) klokuren is het aantal leerlingen
                                    dat op de teldatum 1 oktober van het lopende schooljaar op de
                                    school staat ingeschreven.</al></li><li nr="2."><al>Het College stelt jaarlijks voor 1 december voorafgaande aan het
                                    daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                    voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door
                                    scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                                    van de op het grondgebied van de gemeente gelegen
                                    gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik
                                    afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de
                                    gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit
                                    van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het College neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                    inroostering het volgende in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de redelijke afstanden in relatie tot de omvang van het
                                            onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals
                                            opgenomen in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                            gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte
                                            wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                            voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel
                                            mogelijk ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                    basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende
                                    gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                            ingeroosterd in een gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de
                                            tijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                            gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                            gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                            aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel
                                            bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs voor bekostiging door de
                                            gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel
                                            klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van
                                            de school.</al></li></lijst></li></lijst><al><cursief>Het College neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid
                                onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover
                                daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is
                                geho</cursief><cursief>u</cursief><cursief>den met het totale
                                klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking
                                komt.</cursief></al><lijst><li nr="5."><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het College binnen twee
                                    weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen
                                    voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De
                                    bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een
                                    overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee
                                    weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de
                                    vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de
                                    gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel tot
                                    inroostering.</al></li><li nr="6."><al> Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen
                                    stelt het College voor 15 juni volgend op de genoemde datum in
                                    het derde lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik
                                    van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het
                                    College daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als
                                    bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan
                                    wordt dit gemotiveerd.</al></li><li nr="7."><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen
                                    de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke
                                    mededeling van het College over de inroostering in de
                                    beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                                    staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze
                                    mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van
                                    artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin
                                    van artikel 32, vierde lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8.</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39.</nr><titel>Beslissing College in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het College.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De capaciteit van de schoolgebouwen in de gemeente Uden wordt geacht
                                ten tijde van het vaststellen van deze verordening voldoende te
                                zijn. Bij aanvragen voor een voorziening wordt rekening gehouden met
                                de bruto vierkante meters van de nulmeting die is uitgevoerd bij de
                                invoering van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het College stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41.</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Uden 2011.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2011
                                    onder gelijktijdige intrekking van de ‘Verordening voorzieningen
                                    huisvesting onderwijs gemeente Uden 2006’.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 juli 2011.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>BIJLAGEN</tussenkop><tussenkop>Verordening voorzieningen</tussenkop><tussenkop>huisvesting onderwijs</tussenkop><tussenkop>gemeente Uden 2011</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage I. Criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen</tussenkop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder -behoudens de financiële toets- de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><lijst><li nr="-"><al>Deel A: lesgebouwen;</al></li><li nr="-"><al>Deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al></li></lijst><tussenkop>DEEL A. Lesgebouwen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>School voor basisonderwijs</onderstreept>De
                            voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, en 1.9c worden niet
                            noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard.
                            Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na
                            overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het College.</al></li><li nr="1.1."><al><onderstreept>Nieuwbouw</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en;</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li><li nr="1.2."><al><onderstreept>Vervangende bouw</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen
                            geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li><li nr="b."><al>1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                            zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                            verwacht of;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en;</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren;</al></li></lijst><al> Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het College;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al>1.3.<onderstreept>Uitbreiding</onderstreept></al><tussenkop>1.3.1. Uitbreiding algemeen</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en;</al></li><li nr="b."><al>1. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                            II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan
                            (kunnen) worden verwacht of;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen)
                            worden verwacht of;</al></li><li nr="3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                            aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest en;</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>1.3.2. Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een
                    speellokaal</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl;</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                            hemelsbreed niet mogelijk is en;</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het College,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de genormeerde
                            bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel
                            A, inpandig een speellokaal te maken.</al><al>1.4.<onderstreept>Ingebruikneming van een bestaand
                            gebouw</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>1. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl;</al></li><li nr="b."><al>1. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                            vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of;</al></li></lijst><al> 2. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht en;</al><lijst><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en;</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het College, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><al>1.5.<onderstreept>Verplaatsing bestaande noodlokalen</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl;</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en;</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten van
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het College.</al><al>1.6.<onderstreept>Terrein</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><al>1.7.<onderstreept>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                        meubilair</onderstreept></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                    speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs
                    uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><al>1.8.<onderstreept>Medegebruik</onderstreept></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><al>1.9.<onderstreept>Aanpassing</onderstreept></al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b."><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om,
                            afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor
                            basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes jaar;</al></li><li nr="c."><al> creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor speciaal
                            basisonderwijs;</al></li><li nr="d."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving;</al></li><li nr="e."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="f."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen;</al></li></lijst><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks
                    ter beoordeling van het College, te verwezenlijken zijn.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te kunnen
                    afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal leerlingen het
                    gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen een of meer
                    andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig is, terwijl
                    deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes tot
                    twaalfjarigen. De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een
                    speciale school voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger
                    dan zes jaar worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt
                    is voor het onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale school voor
                    basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan
                    56 m² aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal van een
                    school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast is de noodzaak afhankelijk van
                    het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten. Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een
                    uitbreiding, zulks ter beoordeling van het College, op grond van bijlage IV,
                    deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</al><tussenkop>Ad d</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven.</al><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><tussenkop>Ad f</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><tussenkop>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk
                    zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de
                    school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende
                    aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl
                    volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing
                    slechts goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk
                    is.</tussenkop><al>1.10. <onderstreept>Onderhoud</onderstreept></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten;</al></li><li nr="-"><al>vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging;</al></li><li nr="-"><al>vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders;</al></li><li nr="-"><al>vervangen brandtrap;</al></li><li nr="-"><al>vervangen erfscheiding;</al></li><li nr="-"><al>vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein;</al></li><li nr="-"><al>vervangen van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en
                            sluitwerk);</al></li><li nr="-"><al>vervangen van buitenkozijnen en buitendeuren ( inclusief hang-en
                            sluitwerk);</al></li><li nr="-"><al>vervangen van radiatoren, convectoren en leidingen voor centrale
                            verwarming;</al></li><li nr="-"><al>vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten;</al></li><li nr="-"><al>vervangen boeiboorden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage II
                    gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste <cursief>vier jaar</cursief> voor
                    de school nodig is. Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging
                    in aanmerking indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                            II gestelde vereisten, nog tenminste<cursief> vier jaar</cursief> voor
                            de school nodig is; en</al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik binnen redelijke afstand met als richtgetal een straal van
                            2000 meter hemelsbreed.</al><al>1.11.<onderstreept>Herstel van constructiefouten</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al>1.12.<onderstreept>Vervanging of herstel van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al>2.<onderstreept>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</onderstreept></al><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                    geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                    onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het College.</al><al>2.1.<onderstreept>Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en;</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al><al>2.2.<onderstreept>Vervangende bouw</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de verlenging
                            van de levensduur);</al></li><li nr="b."><al>1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                            zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                            prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                            gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                            verwacht of;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en;</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het College;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al>2.3.<onderstreept>Uitbreiding</onderstreept></al><tussenkop>2.3.1. Uitbreiding algemeen</tussenkop><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: </al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                            zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage III,
                            deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                            bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                            drempelwaarde overschrijdt, en;</al></li><li nr="b."><al>1. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                            II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien aaneengesloten jaren voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen
                            worden verwacht of;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vier aaneengesloten jaren voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen
                            worden verwacht of;</al></li><li nr="3."><al>het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                            aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal vier
                            aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                            gehuisvest en;</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al></li></lijst><tussenkop>2.3.2. Uitbreiding met een speellokaal</tussenkop><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar
                            worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                            blijven bestaan en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is, terwijl;</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                            motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is
                            en;</al></li><li nr="e."><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het College,
                            de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil
                            tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto
                            oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III, deel A,
                            geheel of gedeeltelijk inpandig een speellokaal te maken.</al></li><li nr="2.4."><al><onderstreept>Ingebruikneming van een bestaand
                            gebouw</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>1. het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging
                            voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl;</al></li><li nr="b."><al>1. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                            vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of;</al></li><li nr="2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                            voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                            de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                            jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en;</al></li><li nr="c."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="d."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en;</al></li><li nr="e."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het College, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><al>2.5.<onderstreept>Verplaatsing bestaande noodlokalen</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is,
                            waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van
                            meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl;</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en;</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het College.</al><al>2.6.<onderstreept>Terrein</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><al>2.7. <onderstreept>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                        meubilair</onderstreept></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. De noodzaak voor eerste
                    inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal blijkt uit
                    het feit dat de school uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><al>2.8.<onderstreept>Medegebruik</onderstreept></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><al>2.9.<onderstreept>Aanpassing</onderstreept></al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs gelet op de
                            eisen als gesteld in bijlage III, deel A en deel D;</al></li><li nr="b."><al>verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten;</al></li><li nr="c."><al>verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw;</al></li><li nr="d."><al>functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze voor een ander
                            vak (alleen voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr="e."><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                            regelgeving;</al></li><li nr="f."><al>vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; en</al></li><li nr="g."><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                            aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al></li></lijst><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de huisvestingseisen voor
                    het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten,
                    zulks ter beoordeling van het College, te verwezenlijken zijn. </al><al>De noodzaak voor deze activiteit kan ook aanwezig zijn indien een gebouw in
                    gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort. De voorzieningen die dan
                    noodzakelijk zijn, zijn de specifieke voorzieningen voor die onderwijssoort, die
                    nog niet in het gebouw aanwezig zijn.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal leerlingen
                    zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden beëindigd omdat
                    binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte aanwezig is, terwijl dit gebouw niet
                    is ingericht voor het desbetreffende onderwijs.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer dan 60
                    leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens de prognose als
                    vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste vijftien jaren aanwezig
                    zullen zijn en de dislocatie voor vijftien jaren of meer - gelet op de
                    bouwkundige staat - als hoofdgebouw kan dienen.</al><tussenkop>Ad d</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor een ander
                    vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is goedgekeurd.</al><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet
                    worden opgeheven.</al><tussenkop>Ad f</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><tussenkop>Ad g</tussenkop><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk gegeven.</al><tussenkop>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk
                    zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de
                    school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende
                    aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl
                    volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing
                    slechts goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk
                    is.</tussenkop><al>2.10.Onderhoud</al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten;</al></li><li nr="-"><al>vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging;</al></li><li nr="-"><al>vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders;</al></li><li nr="-"><al>vervangen brandtrap;</al></li><li nr="-"><al>vervangen erfscheiding;</al></li><li nr="-"><al>vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein;</al></li><li nr="-"><al>vervangen van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en
                            sluitwerk);</al></li><li nr="-"><al>vervangen van buitenkozijnen en buitendeuren ( inclusief hang-en
                            sluitwerk);</al></li><li nr="-"><al>vervangen van radiatoren, convectoren en leidingen voor centrale
                            verwarming;</al></li><li nr="-"><al>vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten;</al></li><li nr="-"><al>vervangen boeiboorden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al><cursief>Gehuurde</cursief> gebouwen komen niet in aanmerking voor
                    onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste <cursief>vier jaar</cursief>
                    voor de school nodig is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodlokalen op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                            gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste <cursief>vier
                                jaar</cursief> voor de school nodig zijn; en</al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik op redelijke afstand met als richtgetal 2000m² elders.</al><al>2.11.<onderstreept> Herstel van constructiefouten</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al>2.12.<onderstreept>Vervanging of herstel van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>3 School voor voortgezet onderwijs</tussenkop><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het College.</al><al>3.1.<onderstreept>Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                            en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of</al></li><li nr="2."><al>het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                            die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en;</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000
                            meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                            realiseren.</al><al>3.2.<onderstreept>V</onderstreept><onderstreept>ervangende
                                bouw</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de
                            bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in
                            zo'n slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de
                            levensduurverlenging);</al></li><li nr="b."><al>1. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                            een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                            aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                            vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of;</al></li><li nr="2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                            gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                            uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal
                            leerlingen kan worden verwacht en;</al></li><li nr="c."><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                            maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen een
                            redelijke afstand met als richtgetal 2000 meter hemelsbreed een passende
                            huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a."><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                            beoordeling van het College;</al></li><li nr="b."><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                            herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                            noodzakelijk is.</al></li></lijst><tussenkop>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is
                    dat het oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van de werkelijke
                    sloopkosten plaats.</tussenkop><al>3.3.<onderstreept>U</onderstreept><onderstreept>itbreiding</onderstreept></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><al>a.het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met tien
                    procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen, vastgesteld volgens
                    de regels in:</al><lijst><li nr="-"><al>bijlage III, deel A (voor de aanwezige capaciteit) en </al></li><li nr="-"><al>bijlage III, deel B (voor de ruimtebehoefte)</al></li></lijst><al>aangeeft en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde
                    uitbreiding of gedurende ten minste vier jaren voor uitbreiding met een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze aantallen leerlingen kunnen worden
                    verwacht en;</al><al>b.het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>3.4.<onderstreept>Ingebruikneming van een bestaand gebouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>1. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt of;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding in
                            aanmerking komt, terwijl;</al></li><li nr="b."><al>1. de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                            dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht of
                            ;</al></li><li nr="2."><al>de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                            voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                            voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                            minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht en er
                            binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;</al></li><li nr="c."><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig
                            is of op korte termijn beschikbaar komt en;</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het College, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><al>3.5.<onderstreept>Verplaatsing bestaande noodlokalen</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                            tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                            beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan
                            2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijl;</al></li><li nr="b."><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                            medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                            en;</al></li><li nr="c."><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten voor
                            een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                            dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het College.</al><al>3.6.<onderstreept>Terrein</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en ver erving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><al>3.7. <onderstreept>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair</onderstreept></al><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                    school. Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting-
                    en hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een
                    andere ruimtesoort wordt gecreëerd. Bij fusie van scholen kan er alleen sprake
                    zijn van extra inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal
                    leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de
                    afzonderlijke aan de fusie deelnemende scholen.</al><al>3.8.<onderstreept>Medegebruik</onderstreept></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a.</al><al>3.9.<onderstreept>Herstel van constructiefouten</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al>3.10.<onderstreept>Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en
                        hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><tussenkop>DEEL B. Voorzieningen voor lichamelijke oefening</tussenkop><al>1.<onderstreept>School voor basisonderwijs</onderstreept></al><al>1.1.<onderstreept>Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het College vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al><al>1.2.<onderstreept>Vervangende bouw</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het College vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al><al>1.3.<onderstreept>Uitbreiding</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m² en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd
                            wordt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het College vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al><al>1.4.<onderstreept>Ingebruikneming van een
                                gymnastiekruimte</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>1. het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 1.2 onder a, in aanmerking komt en;</al></li><li nr="b."><al> het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van tenminste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed
                            bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van
                            een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                            beschikbaar komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende tenminste vijftien jaren het door het College
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en;</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het College, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al><al>1.5.<onderstreept>Terrein</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>1.6.<onderstreept>Eerste inrichting onderwijsleerpakket</onderstreept></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is
                            verstrekt.</al><al>1.7.<onderstreept>Eerste inrichting meubilair</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al><al>1.8.<onderstreept>Medegebruik</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het College
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte( n) geen plaats is.</al><al>1.9.<onderstreept>Aanpassing</onderstreept></al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte; <cursief>Ad
                                1</cursief>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen
                            twee wasgelegenheden zijn.</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte; <cursief>Ad 2</cursief>De noodzaak blijkt
                            uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al></li><li nr="3."><al> wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D;<cursief>Ad 3</cursief> De noodzaak
                            blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op
                            basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk
                            is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                            gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen
                            redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het College, te
                            verwezenlijken zijn.</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;
                                <cursief>Ad 4</cursief>De noodzaak voor deze activiteit
                            blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en
                            regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn
                            moet worden opgeheven.</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; <cursief>Ad
                                5</cursief> De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                            de oliegestookte verwarmings-installatie in een zo slechte conditie
                            verkeert dat vervanging noodzakelijk is.</al></li></lijst><al><cursief>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk
                        zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                        aantoont dat gedurende ten minste
                        vij</cursief><cursief>f</cursief><cursief>tien jaren voldoende leerlingen om
                        de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de
                        betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het
                        onde</cursief><cursief>r</cursief><cursief>wijs, terwijl volgens de prognose
                        onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de
                        aanpa</cursief><cursief>s</cursief><cursief>sing slechts goedgekeurd, als er
                        geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is</cursief>.</al><al>1.10.<onderstreept>Onderhoud</onderstreept></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten;</al></li><li nr="-"><al>vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging;</al></li><li nr="-"><al>vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders;</al></li><li nr="-"><al>vervangen brandtrap;</al></li><li nr="-"><al>vervangen erfscheiding;</al></li><li nr="-"><al>vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein;</al></li><li nr="-"><al>vervangen van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en
                            sluitwerk);</al></li><li nr="-"><al>vervangen van buitenkozijnen en buitendeuren ( inclusief hang- en
                            sluitwerk);</al></li><li nr="-"><al>vervangen van radiatoren, convectoren en leidingen voor centrale
                            verwarming;</al></li><li nr="-"><al>vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten;</al></li><li nr="-"><al>vervangen boeiboorden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien:</al><lijst><li nr="a."><al>op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in
                            bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                            is.</al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik binnen redelijke afstand met als richtgetal een straal van
                            2000 meter hemelsbreed.</al><al>1.11.<onderstreept> Herstel constructiefouten</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al>1.12<onderstreept>Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al>2.<onderstreept>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</onderstreept></al><al>2.1.<onderstreept>Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                            het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het College vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al><al>2.2.<onderstreept>Vervangende bouw</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder d, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het College vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al><al>2.3.<onderstreept>Uitbreiding</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140
                            m² en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd
                            wordt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en;</al></li><li nr="c."><al> het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen
                            waarvoor het door het College vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk
                            is aanwezig (zullen) zijn.</al><al>2.4.<onderstreept>Ingebruikneming van een
                                gymnastiekruimte</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>1. het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het eerst
                            voor bekostiging in aanmerking brengt of;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde in
                            2.2 onder a, in aanmerking komt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                            noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                            voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                            gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                            hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                            onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                            binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                            en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het College
                            vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en;</al></li><li nr="d."><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                            verhouding, zulks ter beoordeling van het College, staan ten opzichte
                            van de kosten van vervangende bouw.</al><al>2.5.<onderstreept>Terrein</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>2.6.<onderstreept>Eerste inrichting onderwijsleerpakket</onderstreept></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste onderwijsleerpakket is verstrekt.</al><al>2.7.<onderstreept>Eerste inrichting meubilair</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            eerste inrichting meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                            voor de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd
                            en;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder
                            het specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al><al>2.8.<onderstreept>Medegebruik</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het College
                    getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><al>2.9. <onderstreept>Aanpassing</onderstreept></al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                            ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                            mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte; <cursief>Ad
                                1</cursief> De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee
                            wasgelegenheden zijn.</al></li><li nr="2."><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                            gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                            gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                            gymnastiekruimte; <cursief>Ad 2</cursief>De noodzaak blijkt
                            uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al></li><li nr="3."><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders
                            niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in
                            bijlage III, delen A en D; <cursief>Ad 3</cursief>De noodzaak
                            voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                            desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                            genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                            inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het (voortgezet) speciaal
                            onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter
                            beoordeling van het College, te verwezenlijken zijn.</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;
                                <cursief>Ad 4</cursief>De noodzaak voor deze activiteit
                            blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw met de geldende wet- en
                            regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil op korte termijn
                            moet worden opgeheven.</al></li><li nr="5."><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties. <cursief>Ad
                                5</cursief>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het
                            feit dat de oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte
                            conditie verkeert dat vervanging noodzakelijk is.</al></li></lijst><tussenkop>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk
                    zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de
                    school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende
                    aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl
                    volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing
                    slechts goedgekeurd, als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk
                    is.</tussenkop><al>2.10.<onderstreept>Onderhoud</onderstreept></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="-"><al>vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten;</al></li><li nr="-"><al>vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging;</al></li><li nr="-"><al>vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders;</al></li><li nr="-"><al>vervangen brandtrap;</al></li><li nr="-"><al>vervangen erfscheiding;</al></li><li nr="-"><al>vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein;</al></li><li nr="-"><al>vervangen van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief hang- en
                            sluitwerk);</al></li><li nr="-"><al>vervangen van buitenkozijnen en buitendeuren ( inclusief hang-en
                            sluitwerk);</al></li><li nr="-"><al>vervangen van radiatoren, convectoren en leidingen voor centrale
                            verwarming;</al></li><li nr="-"><al>vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten;</al></li><li nr="-"><al>vervangen boeiboorden.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al><cursief>Gehuurde </cursief>gebouwen komen niet in aanmerking voor
                    onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien:</al><lijst><li nr="a."><al>op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten gesteld in
                            bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school nodig
                            is.</al></li><li nr="b."><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                            medegebruik binnen redelijke afstand met als richtgetal een straal van
                            2000 meter hemelsbreed.</al><al>2.11.<onderstreept>Herstel constructiefouten</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al>2.12.<onderstreept>Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                        bi</onderstreept><onderstreept>j</onderstreept><onderstreept>zondere
                        omstandigheden</onderstreept></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al>3.<onderstreept>School voor voortgezet onderwijs</onderstreept></al><al>3.1.<onderstreept>Nieuwbouw</onderstreept></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                            bekostiging in aanmerking brengt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen een redelijke afstand met
                            als richtgetal 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.</al><al>3.2.<onderstreept>Vervangende bouw</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                            zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld
                            in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen
                            redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de
                            levensduurverlenging) en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen een redelijke afstand met
                            als richtgetal 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een of meer
                            gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar
                            komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><al>3.3.<onderstreept>Uitbreiding</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan
                            140m² en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte
                            belemmerd wordt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><al>3.4. <onderstreept>Ingebruikneming van een
                                gymnastiekruimte</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>1. het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                            aanmerking brengt of;</al></li><li nr="2."><al>het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde
                            bij 3.2 onder a, in aanmerking komt en;</al></li><li nr="b."><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                            gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                            redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en;</al></li><li nr="c."><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                            aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor
                            het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn en;</al></li><li nr="d."><al>het feit dat de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                            redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het College, staan ten
                            opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al><al>3.5.<onderstreept>Terrein</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>3.6.<onderstreept>Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</onderstreept></al><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende
                            school is of wordt goedgekeurd en;</al></li><li nr="b."><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder eerste
                            inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li><li nr="3.7."><al><onderstreept>Medegebruik</onderstreept></al></li><li nr="1."><al>Medegebruik gymnastiekruimte De noodzaak van medegebruik van een
                            gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat klokuren gymnastiek
                            noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik zijnde
                            gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al></li><li nr="2."><al>Huur van een sportterrein De noodzaak van huur van een sportveld blijkt
                            uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het
                                    bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en;</al></li><li nr="b."><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een
                                    ander bevoegd gezag.</al></li></lijst></li><li nr="3.8."><al><onderstreept>Herstel constructiefouten</onderstreept></al></li></lijst><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al>3.9.<onderstreept>Herstel of vervanging van schade aan gebouw,
                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                        omstandigheden</onderstreept>De noodzaak van herstel of
                    vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere omstandigheid
                    het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage II. Criteria voor opstelling en toetsing van
                    leerlingprognoses</tussenkop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging.</al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een korte-
                    termijnprognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                            uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking
                            als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e."><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                            woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de
                            school en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen</al><al>afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een basisschool wordt bij
                    de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van het voedingsgebied op
                    wijkniveau.</al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal
                    onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het voedingsgebied zich over
                    de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten
                    die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij aanlevering van een prognose
                    dienen de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode
                    op papier te zijn afgedrukt. Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte
                    programmatuur en de aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d
                    tot en met g, waarop de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><al>Het College is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het College vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente
                    Uden.</al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage III. Criteria voor oppervlakte en indeling</tussenkop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="-"><al>deel A: de bepaling van de capaciteit;</al></li><li nr="-"><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li><li nr="-"><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li><li nr="-"><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al></li></lijst><tussenkop>DEEL A De bepaling van de capaciteit</tussenkop><al>1.<onderstreept>School voor basisonderwijs en speciale school voor
                        basisonderwijs</onderstreept></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld. Het College kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
                    van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder
                    kinderopvang) en recreatieve doeleinden.</al><al>1.1.<onderstreept>Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                        B-dislocaties met een
                        permane</onderstreept><onderstreept>n</onderstreept><onderstreept>te of
                        tijdelijke bouwaard</onderstreept></al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de
                    bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs'.</al><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het bruto
                    vloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een permanente
                    bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk
                    vastgesteld. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                    overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit
                    deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend.</al><al>Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                    oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                    schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van
                    een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter, een
                    eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling wordt
                    meegenomen. Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de
                    voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 1.3.2, wordt op het
                    bruto vloeroppervlak 90m² in mindering gebracht.</al><al>1.2.<onderstreept>Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                        bouwaard</onderstreept></al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1.</al><al>1.3.<onderstreept>Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</onderstreept></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</al><al> Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een
                    school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties,
                    wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                    deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het Ministerie van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschap.</al><al>Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen
                    moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het
                    hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het
                    meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de
                    regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                    doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen
                    met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met
                    een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste
                    capaciteit.</al><al>Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende
                    school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken
                    scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet
                    op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats
                    in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De vaststelling van de rangorde vindt
                    plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van
                    de school en het College, het College anders beslist.</al><al>1.4.<onderstreept>Terrein</onderstreept></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster.</al><al>Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                    schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                    terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>1.5.<onderstreept>Inventaris</onderstreept></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor
                    (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                    onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de
                    basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><lijst><li nr="1.6."><al><onderstreept>Gymnastiekruimten</onderstreept></al></li><li nr="1."><al><cursief>Gymnastiekruimte</cursief>De capaciteit van een
                            gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 26 klokuren.</al></li><li nr="2."><al><cursief>Terrein</cursief>De terreinoppervlakte is de
                            oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de
                            terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen
                            terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                            geregistreerd.</al></li><li nr="3."><al><cursief>Inventaris</cursief>De inventaris aanwezig op 1
                            januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al></li><li nr="2."><al><onderstreept>School voor (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</onderstreept></al></li></lijst><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het College kan in
                    overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering
                    van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor
                    beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige,
                    culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) of recreatieve doeleinden. </al><al> 2.1. <onderstreept>Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke
                        bouwaard</onderstreept>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan
                    te duiden als BVO) van een gebouw is de BVO zoals bepaald aan de hand van het
                    gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                    bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs'. De
                    capaciteit van een gebouw voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt vastgelegd
                    in de bruto-vloeroppervlakte van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met
                    een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden
                    afzonderlijk vastgesteld. Indien een speellokaal aanwezig is èn de school
                    voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 2.3.2
                    sub a. en sub b, wordt op de bruto-vloeroppervlakte 90 m² in mindering gebracht.
                    Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen
                    en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                    capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd. Indien
                    sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het oppervlak
                    die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het
                    schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van een fictief
                    bruto/vloeroppervlakte als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al><lijst><li nr="2.2."><al><onderstreept>Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een
                                permanente of een tijdelijke
                                bou</onderstreept><onderstreept>w</onderstreept><onderstreept>aard</onderstreept>Voor
                            het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor scholen voor
                            (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde onder 2.1. </al></li><li nr="2.3."><al><onderstreept>Rangorde hoofdgebouwen en
                            dislocaties</onderstreept>De vaststelling van de rangorde
                            geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik
                            beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal
                            leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                            voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of
                            meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen
                            vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de
                            gegevensadministratie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                            Wetenschap. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, omdat
                            nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd,wordt de rangorde als volgt
                            vastgesteld. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                            doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te
                            beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de
                            dislocaties met een tijdelijk bouwaard te beginnen met de dislocatie met
                            de grootste capaciteit. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua
                            oppervlakte, indeling en bouwkundige staat, het meest geschikt is om als
                            het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het
                            grootste gebouw. De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform
                            het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de
                            school en het College, het College anders beslist.</al></li><li nr="2.4."><al><onderstreept>Terrein</onderstreept>Onder terrein dient
                            te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen
                            waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                            terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie
                            van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen
                            met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met
                            overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte
                            vastgelegd.</al></li><li nr="2.5."><al><onderstreept>Inventaris</onderstreept>Voor de inventaris
                            is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor (voortgezet)
                            speciaal onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                            onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto-vloeroppervlakte van de
                            school is de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige
                            inventaris. </al></li></lijst><al> 2.6. <onderstreept>Gymnastiekruimten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al><cursief>Gymnastiekruimte</cursief>De capaciteit van een
                            gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal onderwijs bedraagt 40
                            klokuren.</al></li><li nr="2."><al><cursief>Terrein</cursief>De terreinoppervlakte is de
                            oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de
                            terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen
                            terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                            geregistreerd.</al></li><li nr="3."><al><cursief>Inventaris</cursief>De inventaris aanwezig op 1
                            januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al></li><li nr="3."><al><onderstreept>School voor voortgezet onderwijs</onderstreept></al></li></lijst><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over:</al><lijst><li nr="-"><al>de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal specifieke ruimten;</al></li><li nr="-"><al>het aantal werkplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal gymnastieklokalen.</al></li></lijst><al>Het College kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten
                    tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                    indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><lijst><li nr="3.1."><al><onderstreept>Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een
                                permanente of een
                                tijdelijkebou</onderstreept><onderstreept>w</onderstreept><onderstreept>aard</onderstreept>De
                            bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is
                            de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de
                            'Meetinstructie voor het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in
                            het voortgezet onderwijs'. Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het
                            gegeven 'aantal gymnastieklokalen' moeten worden vastgelegd, evenals het
                            gegeven 'aantal specifieke ruimten en werkplaatsen' indien en voor zover
                            deze noodzakelijk zijn in het kader van aanvragen betreffende
                            uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven 'aantal specifieke
                            ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden
                            zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een
                            deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen,
                            wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel
                            wordt wel geregistreerd.</al></li><li nr="3.2."><al><onderstreept>Rangorde hoofdgebouwen en
                            dislocaties</onderstreept>De vaststelling van de rangorde
                            geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik
                            beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal
                            leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                            voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of
                            nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen
                            deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals vastgelegd in de
                            Basisregistratie Huisvesting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur
                            en Wetenschap. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld,
                            doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als
                            volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                            doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te
                            beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de
                            dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie
                            met de grootste capaciteit. De vaststelling van de rangorde vindt plaats
                            conform het bovenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van
                            de school en het College, het College anders beslist.</al></li></lijst><al> 3.3. <onderstreept>Terrein</onderstreept>Onder terrein dient te
                    worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het
                    schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de
                    grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale
                    perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt
                    het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte
                    vastgelegd.</al><lijst><li nr=""><al>3.4.<onderstreept>Inventaris</onderstreept>Voor de
                            inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen
                            voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De bruto
                            vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                            werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de
                            omvang van de aanwezige inventaris.</al></li><li nr="3.5."><al><onderstreept>Gymnastiekruimten</onderstreept></al></li><li nr="1."><al><cursief>Gymnastiekruimte</cursief>De capaciteit van een
                            gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40 uur.</al></li><li nr="2."><al><cursief>Terrein</cursief>De terreinoppervlakte is de
                            oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de
                            terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen
                            terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                            geregistreerd.</al></li><li nr="3."><al><cursief>Inventaris</cursief>De inventaris aanwezig op 1
                            januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al></li></lijst><tussenkop>DEEL B. Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</tussenkop><al>1.<onderstreept>School voor basisonderwijs</onderstreept></al><al>1.1.<onderstreept>Lesgebouwen</onderstreept></al><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor
                    de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt
                    uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                    nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de
                    ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school. De
                    ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                    verband met de gewichtensom.</al><al>De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</al><tussenkop>B = 200 + 5,03 * L</tussenkop><al>B = basisruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op
                    hele vierkante meters.</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><tussenkop>T = 1,40 * G</tussenkop><al>T = toeslag in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante
                    meters en</al><al>G = gecorrigeerde gewichtensom.</al><al>De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="-"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                            gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="-"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van
                            6,0% van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom
                            niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op
                            een geheel getal; </al></li><li nr="-"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80% van het aantal
                            ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80% van
                            het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen bepalend
                    voor de ruimtebehoefte.</al><al>De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met
                    een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen
                    vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening
                    beschouwd als een afzonderlijke school.</al><al>De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met
                    de formule:</al><tussenkop>R = 250+7,35*L</tussenkop><al>R = ruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte,rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters.</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van
                    90m².</al><al> 1.2.
                        <onderstreept>Gymnastiekruimten</onderstreept><cursief>Basisschool</cursief>Voor
                    een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                    formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. Per
                    gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur gymnastiek. Voor
                    de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie voor een
                    basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal leerlingen dat
                    op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als bedoeld in bijlage
                    II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven. <cursief>Speciale
                        school voor basisonderwijs</cursief>Voor een speciale school voor
                    basisonderwijs is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van
                    maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet de beschikking heeft over
                    een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt uitgegaan
                    van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. Het aantal gymgroepen wordt bepaald door
                    het aantal leerlingen te delen door de 'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend
                    voor de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs
                    is 15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer
                    achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar
                    beneden afgerond. Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een
                    nieuwe gymaccommodatie voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het
                    aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage
                    II.</al><al>2.<onderstreept>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</onderstreept></al><al>2.1.<onderstreept>Lesgebouwen</onderstreept></al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs is de
                    onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type
                    vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de huisvestingsbehoefte.</al><al>De ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                    berekend met de formule:</al><tussenkop>R=V+f*L</tussenkop><al>R = ruimtebehoefte in m² bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele
                    vierkante meters</al><al>V = vaste voet in m² bruto-vloeroppervlakte. Voor hoofdvestigingen voor alle
                    onderwijssoorten 370m² behalve voor VSO-ZMLK. Voor VSO-ZMLK is de vaste voet 250
                    m². Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van toepassing</al><al>f = factor (m² bruto-vloeroppervlakte per leerling) volgens onderstaande tabel,
                    en</al><al>L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                    prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>De tabel geeft een overzicht van f (m² bruto-vloeroppervlakte per leerling), per
                    onderwijssoort.</al><al>m² bruto-vloeroppervlakte per leerling</al><al> 2.2. <onderstreept>Onderwijssoort</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al>Slechthorende kinderen (SH)/ Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden
                            die niet tevens behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES).</al></li><li nr="-"><al>Visueel gehandicapten (VISG).</al></li><li nr="-"><al>Langdurig zieke kinderen (LZ).</al></li><li nr="-"><al>Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK).</al></li><li nr="-"><al>Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten (PI) 8,8
                            12,2.</al></li><li nr="-"><al>Dove kinderen (DO).</al></li><li nr="-"><al>Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG).</al></li><li nr="-"><al>Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)* 13,8 15,5.</al></li><li nr="-"><al>Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK) 8,8 9,2. </al></li><li nr="*"><al><cursief>tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur
                                en Wetenschap de N-factor anders dan 7 is vastgesteld. Voor SO-MG
                                met N = 2 geldt 56,75, voor VSO-MG met N = 2 geldt 57,5, voor SO-MG
                                met N = 3 geldt 56,75 en voor VSO-MG met N = 3 geldt 57,5. Voor een
                                school met zowel SO als VSO binnen een onderwijssoort, is de vaste
                                voet slechts eenmaal van toepassing. Voor een school met meer
                                onderwijssoorten is voor elk van de schoolsoorten de vaste voet van
                                toepassing.</cursief></al></li></lijst><al>De bepaling van de ruimtebehoefte van een SOVSO-school of een SO-school waaraan
                    een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende
                    onderwijssoorten afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde
                    ruimtebehoeften worden gesommeerd.</al><al>Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een additionele ruimtebehoefte
                    van 90m².</al><al>2.2.<onderstreept>Gymnastiekruimten</onderstreept></al><al>Het aantal gymgroepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het
                    aantal gymgroepen wordt bepaald op basis van de modelbeleidsregel voor
                    bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                    onderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van
                            maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school of nevenvestiging niet
                            de beschikking heeft over een speellokaal. </al></li><li nr="-"><al>Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt uitgegaan van
                            maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. Voor de vaststelling van de
                            structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie wordt het aantal
                            gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage
                            II. De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO-school of een
                            SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de
                            verschillende schooltypen afzonderlijk plaats.</al></li><li nr="3."><al><onderstreept>School voor voortgezet onderwijs</onderstreept></al><al>3.1.<onderstreept>Lesgebouwen</onderstreept></al></li></lijst><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>een leerlinggebonden component <cursief>ad 1 Een leerlinggebonden
                                component</cursief>Deze wordt bepaald door aan de hand van
                            in tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte
                            voortgezet onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per leerling te
                            vermenigvuldigen met het aantal leerlingen. De leerlinggebonden
                            component is afhankelijk van de soort onderwijs, leerweg of sector die
                            de leerling volgt.</al></li><li nr="2."><al> een vaste voet <cursief>ad 2 Een vaste voet</cursief>De vaste
                            voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de
                            vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                            onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector.
                            De vaste voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het
                            onderwijsaanbod binnen de beroepsgerichte leerweg. Vermenigvuldiging van
                            het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende
                            normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en,
                            indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in
                            bruto vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling. Het
                            RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM voorziet
                            niet in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch
                            centrum (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van
                            leerlingen op de scholen die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De
                            leerlingen die gebruikmaken van de diensten van het OPDC zijn derhalve
                            in alle gevallen ingeschreven bij reguliere scholen voor voortgezet
                            onderwijs. Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b
                            opgenomen bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van
                            deze bijlage. Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de
                            toekenning, kan op basis van deze onderbouwing de leegstand in
                            onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden
                            bepaald. Tabel 7.1.a. <cursief>Berekening van de leerlingafhankelijke
                                ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</cursief></al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="45*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Leerweg</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>BVO/leerling</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Legenda</tussenkop><al>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>Tabel 7.1.b. <cursief>Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve
                        van de ruimte</cursief><cursief>behoefte voortgezet
                        onde</cursief><cursief>r</cursief><cursief>wijs</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="62*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="18*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Ruimtetype</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Vaste voet</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Legenda</tussenkop><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al> De vaste voet per instelling is 980m² bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt
                    toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die
                    op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet
                    van 550m² BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die
                    sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de
                    vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een
                    vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig
                    is.</al><al>3.2.<onderstreept>Gymnastiekruimten</onderstreept></al><al>De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
                    gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto vloeroppervlakten
                    vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de
                    huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.</al><al>Tabel 7.2. <cursief>Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie
                        voortgezet onde</cursief><cursief>r</cursief><cursief>wijs</cursief></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="48*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="27*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Leerweg</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>BVO/leerling</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>-1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>-0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>-1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Legenda</tussenkop><al>TLW = theoretische leerweg</al><al>LWOO = leerwegondersteunend onderwijs</al><al>GLW = gemengde leerweg</al><al>BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><tussenkop>DEEL C. De bepaling van de omvang van de toekenning</tussenkop><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al><al>1.<onderstreept>School voor (speciaal) basisonderwijs</onderstreept></al><al>1.1.<onderstreept>Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw;</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter bruto-vloeroppervlak
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>uitbreiding, dan wel</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="-"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage.</al><al>Het verschil moet tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>55m² bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>40m² bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>50m² bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend of tijdelijk gebruik
                            bestemde voorziening voor een school voor speciaal basisonderwijs.</al></li></lijst><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste<cursief> vijftien </cursief>jaar zal
                    blijven bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het
                    hierboven genoemde verschil tenminste <cursief>vier jaar</cursief> en korter dan
                        <cursief>vijftien</cursief> jaar zal blijven bestaan.</al><al>Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de bruto-vloeroppervlakte
                    van een speellokaal 90m² bvo.</al><al>1.2.<onderstreept>Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorzieningen</onderstreept>De omvang van de
                    goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt
                    bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te
                    realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten
                    aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D. </al><al> Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, en meubilair wordt bepaald door de omvang in m²
                    bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw
                    of uitbreiding.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><lijst><li nr="1.3."><al><onderstreept>Gymnastiekruimten</onderstreept>De omvang
                            van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                            bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in
                            onderdeel D van deze bijlage. De omvang van de goedgekeurde uitbreiding
                            van een gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen
                            zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening
                            in lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I). De
                            omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten
                            die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het
                            onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs. De omvang van
                            het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt
                            bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                            gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te
                            realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde
                            eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte. De omvang van de
                            goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in
                            geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt
                            bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                            andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                            bedoeld. De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de
                            gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                            noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. De omvang van het
                            goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan
                            gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                            omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                            noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al></li><li nr="2."><al><onderstreept>School voor (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</onderstreept></al><al>2.1.<onderstreept>Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                                voorzieningen</onderstreept></al></li></lijst><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is. </al><al> Het bijbehorend aantal vierkante meter bruto-vloeroppervlak wordt bepaald zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte’.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde
                    ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is
                    sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven
                    ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven
                    bestaan.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening:</al><lijst><li nr="-"><al>uitbreiding, dan wel</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li><li nr="-"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="-"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                    beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste 50m² bruto-vloeroppervlakte
                    bedragen.</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                    genoemde verschil gedurende tenminste<cursief> vijftien</cursief> jaar zal
                    blijven bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het
                    hierboven genoemde verschil tenminste <cursief>vier</cursief> jaar en korter dan
                        <cursief>vijftien</cursief> jaar zal blijven bestaan.</al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs bedraagt de omvang van een speellokaal
                    90m² bvo.</al><al>2.2.<onderstreept>Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorzieningen</onderstreept>De omvang van de
                    goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening, terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het
                    schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de terreinoppervlakte en het
                    gestelde in bijlage III, deel D. De omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening, eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel
                    uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair,
                    wordt bepaald door de omvang in m² bruto- vloeroppervlakte van de goedgekeurde
                    voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding. De omvang van de
                    goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. De omvang van de
                    goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening, onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. De omvang van de
                    goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                    herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw,
                    onderwijsleerpakket/ leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn
                    voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>2.3.
                    <onderstreept>Gymnastiekruimten</onderstreept>De omvang van de
                    goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de
                    minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage.
                    De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I). De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te
                    maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs. De omvang
                    van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald
                    door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan
                    wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de
                    bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.
                    De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. De
                    omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald door
                    de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs. De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het
                    herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><lijst><li nr="3."><al><onderstreept>School voor voortgezet onderwijs</onderstreept></al></li><li nr="3.1."><al><onderstreept>Voor blijvend gebruik bestemde
                                voorzieningen</onderstreept>De omvang van de
                            goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan
                            wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal
                            leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                            is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van
                            het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze
                            bijlage. De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een
                            bestaand gebouw of uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt
                            bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het
                            aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar
                            noodzakelijk is en de huisvesting die aanwezig is. De omvang van de
                            goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening ingebruikneming
                            wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat
                            noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten
                            minste vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald
                            met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze
                            bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al></li></lijst><al> De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</al><al>3.2.<onderstreept>Voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</onderstreept>De omvang van de goedgekeurde voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw,
                    wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste
                        <cursief>vier</cursief> jaar doch korter dan <cursief>vijftien</cursief>
                    jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'. De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van
                    een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste
                        <cursief>vier</cursief> jaar doch korter dan<cursief> vijftien</cursief>
                    jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100m² bruto- vloeroppervlakte.
                    De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'. De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                    gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en
                    de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. De omvang
                    van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de
                    huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de
                    beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het
                    overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt
                    gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. De omvang van de voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening in de huisvesting verplaatsing van noodlokalen
                    wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier
                    jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent
                    verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van
                    deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.</al><al>3.3.<onderstreept>Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorzieningen</onderstreept></al><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald
                    door de minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte. </al><al> De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer-
                    en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                    voorziening in de huisvesting.</al><al>De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                    meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of
                    specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt
                    het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                    en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>3.4.<onderstreept>Gymnastiekruimten</onderstreept>De omvang van
                    de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de
                    hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting bij deze
                    bijlage. De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte
                    wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het
                    aantal leerlingen, waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar
                    noodzakelijk is (te bepalen met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de
                    gymnastiekruimte die aanwezig is. De omvang van het goedgekeurde terrein, dan
                    wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke
                    terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de
                    gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte. De omvang van de
                    goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van
                    ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de
                    noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan
                    waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. De omvang van het
                    goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw,
                    onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt
                    bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang
                    van het onderwijs. De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik
                    gymnastiekruimte wordt uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek
                    wordt bepaald met behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing
                    van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x
                    32 x m² bvo gym) : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste
                    formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym): 322. Hierop wordt het
                    aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel
                    A, paragraaf 3.5.1). De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein
                    bedraagt ten hoogste acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor
                    vergoeding wordt gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als
                    maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende
                    aantal: (aantal leerlingen x 32 x m² bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en
                    Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x
                    32 x m² bvo gym) / 322.</al><tussenkop>DEEL D. Minimumnormen bij realisering van nieuwe
                    voorzieningen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al><onderstreept>School voor basisonderwijs</onderstreept></al></li><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3m²/ll met een minimum van 300m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden
                            volstaan met 600m² netto;</al></li><li nr="-"><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8m² netto;</al></li><li nr="-"><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte van
                            84m² voor een speellokaal.</al></li><li nr="2."><al><onderstreept>School voor (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</onderstreept></al></li><li nr="-"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte:
                            3m²/ll met een minimum van 300m² netto, vanaf 200 leerlingen kan worden
                            volstaan met 600m² netto;</al></li><li nr="-"><al>een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84m²;</al></li><li nr="-"><al>minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8m² netto.</al></li><li nr="3."><al><onderstreept>School voor voortgezet
                            onderwijs</onderstreept>Minimum afmetingen, uitgedrukt in
                            netto m²: theorielokaal 42 m² theorievaklokaal 50 m² vaklokaal
                            natuurkunde 50 m² vaklokaal biologie 50 m² vaklokaal scheikunde 60 m²
                            vaklokaal handvaardigheid 60 m² vaklokaal overig 80 m² specifiek
                            vaklokaal lassen 50 m² specifiek vaklokaal meten 50 m² werkplaats 115 m²
                            restaurant 80 m²</al></li><li nr="4."><al><onderstreept>Gymnastiekruimten</onderstreept></al></li><li nr="-"><al>De oefenruimte is minimaal 252 m² netto.</al></li><li nr="-"><al>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al></li></lijst><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid.</al><tussenkop>III-1</tussenkop><al>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van
                    de schoolgebouwen in het primair onderwijs'.</al><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt
                    voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN 2580, met de
                    volgende aantekeningen:</al><lijst><li nr="-"><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van
                            buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte
                            gerekend;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige
                            gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="-"><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in- of aanpandig gelegen
                            gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                            van de scheidingsconstructie;</al></li><li nr="-"><al>bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte
                            of andere ruimte, wordt het bruto vloeroppervlak bepaald door de
                            netto-vloeroppervlakte van het deel van de ruimte met een vrije hoogte
                            van ten minste 2,6m te vermenigvuldigen met een factor 1.1;</al></li><li nr="-"><al>voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als
                            berging, keuken, reproruimte of werkkast telt deze niet mee voor de
                            berekening van de bruto-vloeroppervlakte.</al></li></lijst><tussenkop>III-2</tussenkop><al>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van
                    de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'.</al><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    Ministerie van OCenW.</al><al>De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte van
                    alle tot het gebouw behorende 'beloopbare' binnenruimten. De
                    bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de
                    opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</al><al>Tot de bruto-oppervlakte behoort eveneens:</al><lijst><li nr="-"><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                            vloerniveau;</al></li><li nr="-"><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter
                            dan 0,5 m².</al></li></lijst><tussenkop>Uitzonderingen:</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                            omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend,
                            ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                            luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                            verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en
                            dergelijke.</al></li><li nr="-"><al>Open brand- of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden
                            bij de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="-"><al>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst><al><vet> Bijlage IV.</vet><vet> Financiële normering 2011
                        </vet><cursief>(Alle in deze bijlage
                        g</cursief><cursief>e</cursief><cursief>noemde bedragen zijn
                            </cursief><vet><cursief>incl.
                    BTW</cursief></vet><cursief>)</cursief></al><al>De criteria voor financiële normering vallen uiteen in drie delen:</al><lijst><li nr="-"><al>Deel A: Algemeen;</al></li><li nr="-"><al>Deel B: Vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al></li><li nr="-"><al>Deel C: Bepaling medegebruikstarieven;</al></li></lijst><tussenkop>DEEL A. Algemeen</tussenkop><al>1.<onderstreept>School voor basisonderwijs</onderstreept></al><al>In onderstaande normbedragen voor ( vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is
                    tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8%
                    ( bij projecten tot een bruto-oppervlakte van 2500m²) respectievelijk 5%( bij
                    grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. </al><al>Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding voor de kosten van bouwvoorbereiding
                    van een op het programma geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en
                    uitbreiding wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de
                    bouwvoorbereiding in mindering gebracht. </al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen inclusief btw opgenomen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (1.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (1.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (1.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (1.4);</al></li><li nr="-"><al>aanpassing (1.5);</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (1.6).</al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de
                    vergoedingen voor 2011. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli
                    2009 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2010 (3% voor de
                    huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding, en 3.75% voor onderhoud,
                    eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                    prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4.</al><al>1.1.<onderstreept>Nieuwbouw (permanente bouwaard)</onderstreept></al><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal
                    kostencomponenten, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw;</al></li><li nr="-"><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag voor een
                            speellokaal.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen
                    in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt
                    en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                    dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten
                    behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                    terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                    gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar
                    te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij
                    de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de
                    minimaal benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III,
                    deel D.</al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen.</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De bekostiging bestaat uit een startbedrag,
                    waarin inbegrepen een aantal m² en een bedrag per m² voor de overige m².bvo. Met
                    deze bekostigingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De bekostiging voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><al>Bekostiging basisschool</al><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350m² bvo € 789.640,53</al><al>Elke volgende m² bvo € 1.351,30</al><al>De bekostiging voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen:</al><al>Bekostiging speciale basisschool</al><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670 m² bvo, waarin niet begrepen
                    een eventueel speellokaal € 1.279.455,29</al><al>Elke volgende m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal € 1.414,
                    99</al><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m² bvo) € 120.961,80</al><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</al><al>De genormeerde bekostiging, zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast
                    bedrag per m² bvo, afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te
                    worden.</al><al>De bekostiging voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Bekostiging (speciale) basisschool</al><al>Permanente bouw per m² bvo € 54,78</al><al>Tijdelijke bouw per m² bvo € 37,59</al><al>1.2. <onderstreept>Uitbreiding (permanente bouwaard)</onderstreept></al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035m²
                    bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</al><tussenkop>Kosten voor terrein</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De bekostiging bestaat uit een
                    startbedrag en een bedrag per m². Met deze bekostiging kan en moet de in bijlage
                    III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De bekostiging voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><al>Bedragen bekostiging basisschool</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m² bvo of groter € 115.634,99</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m² bvo € 77.089,99</al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.540,38</al><al>De bekostiging voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen:</al><al>Bekostiging speciale basisschool</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m² bvo of groter € 118,914,88</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m² bvo € 79.276,59</al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                    speellokaal € 1.571,08</al><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90m² bvo) in combinatie met
                    uitbreiding van de school € 138.634,40</al><al>Bekostiging voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90m² bvo), zonder
                    gelijktijdige uitbreiding van de school € 254.887,70</al><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</al><al>1.3.<onderstreept>Tijdelijke voorziening</onderstreept></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke
                    voorziening.. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke
                    voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.
                    Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in
                    principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval
                    dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij
                    nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><tussenkop>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                    hoofdlocatie</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                    nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Vergoeding (speciale) basisschool</al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter € 44,968,74</al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m² bvo € 29.979,16</al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.105,09</al><tussenkop>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor
                    herstel en inrichting van terreinen. De vergoeding voor zowel een basisschool
                    als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de
                    volgende bedragen:</al><al>Vergoeding (speciale) basisschool</al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m² bvo of groter € 25.277,29</al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m² bvo € 16.851,52</al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.157,95</al><tussenkop>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                    gehuurd.</al><al>In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al>1.4.<onderstreept>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                        meubilair</onderstreept></al><tussenkop>Basisschool</tussenkop><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m². Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen (in euro):</al><al>Vergoeding basisschool</al><al>Basisbedrag € 35.221,62</al><al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo € 123,21</al><tussenkop>Speciale school voor basisonderwijs</tussenkop><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                    basis van de volgende bedragen (in euro):</al><al>Vergoeding speciale basisschool</al><al>Basisbedrag € 74.727,64</al><al>Naast het basisbedrag voor elke m² bvo € 127,47</al><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt € 6.819,23</al><al> 1.5. <onderstreept>Aanpassing</onderstreept>Alle aanpassingen
                    worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis
                    van feitelijke kosten).</al><al>1.6.<onderstreept>Gymnastiek</onderstreept></al><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel
                    een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m² bedraagt (op het schoolterrein) €
                    830.111,76</al><al>(respectievelijk op afzonderlijk terrein) € 846.901,26</al><al>Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de
                    inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Indien
                    paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de
                    benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><al>Vergoeding op basis van paallengte</al><al>Paallengte 1&lt;15 meter € 16.696,78</al><al>Paallengte 15&lt;20 meter € 23.017,38</al><al>Paallengte &gt;20 meter € 32.326,90</al><tussenkop>Uitbreiding</tussenkop><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455m².</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van
                    140m² of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van
                    252m². Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een
                    basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit:</al><al>Uitbreiding</al><al>Uitbreiding met 112 t/m 120m² € 192.865,99</al><al>Uitbreiding met 120 t/m 150m² € 234.455,09</al><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Vergoeding op basis van paallengte</al><al> 112-120m² 121-150m²</al><al>Paallengte 1&lt;15 m € 7.474,86 € 9.346,61</al><al>Paallengte 15&lt;20 m € 12.946,88 € 16.179,43</al><al>Paallengte &gt;=20 m € 21.166,73 € 26.458,41</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                    gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                    basisonderwijs € 47.186,03</al><al>2.<onderstreept> School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</onderstreept></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw (2.1);</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding (2.2);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorziening (2.3);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (2.4);</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (2.5).</al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de
                    vergoedingen voor 2010. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli
                    2009 en voorzien van het MEVindexcijfer voor 2010 (3% voor de
                    huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 3,75% voor onderhoud,
                    eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                    prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4.</al><al>2.1.<onderstreept>Nieuwbouw (permanente bouwaard)</onderstreept></al><al>De financiële normering valt uiteen in een vijftal kostencomponenten, te
                    weten:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie;</al></li><li nr="-"><al>toeslag voor het herstel van terreinen en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw.</al></li></lijst><al>In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een
                    gebouw ter vervanging van een ander gebouw en in het geval van nieuwbouw van een
                    nevenvestiging, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering
                    voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de bepaling van de
                    minimale omvang van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D.</al><al>In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw)
                    behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                    terreinen.</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van het schoolterrein. De bekostiging bestaat uit een startbedrag
                    waarin inbegrepen een aantel m² en een bedrag per m² voor de overige m² bvo. Met
                    deze bekostigingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                    bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De bekostiging wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><al>Bekostiging bouwkosten</al><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 m² bvo, </al><al>waarin niet begrepen een eventueel speellokaal € 1.231.268,82</al><al>Elke volgende m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal €
                    1.406,60</al><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m² bvo) € 121.397,26</al><tussenkop>Toeslag voor liftinstallatie</tussenkop><al>Indien bij nieuwbouw van een school een liftinstallatie wordt aangebracht geldt
                    het volgende vergoedingsbedrag:</al><al>Vergoeding nieuwbouw lift</al><al>Lift, incl. aanbrengen schacht € 119.320,88</al><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                    desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde vergoeding
                    voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per
                    m² bvo, afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te worden.</al><al>Vergoeding vervangende nieuwbouw</al><al>Permanente bouw per m² bvo € 62,83</al><al>Tijdelijke bouw per m² bvo € 31,43</al><al>2.2.<onderstreept>Uitbreiding (permanente bouwaard)</onderstreept></al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in een permanente bouwaard tot 1000 m²
                    bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij
                    grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). Dit geldt ook voor de nieuwbouw
                    van een nevenvestiging.</al><tussenkop>Kosten voor terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding
                    van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het
                    terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                    inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                    startbedrag, een bedrag per m². Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in
                    bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><al>Vergoeding bouwkosten</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m² bvo of groter € 107.701,61</al><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m² bvo € 71.801,07</al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                    speellokaal € 1.574,19</al><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90m² bvo) in combinatie met
                    uitbreiding van de school € 121.397,26</al><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90m² bvo), zonder
                    gelijktijdige uitbreiding van de school € 254.887,70</al><tussenkop>Toeslag liftinstallatie</tussenkop><al>Indien bij uitbreiding van het gebouw tevens een liftinstallatie wordt
                    aangebracht kan aanspraak worden gemaakt op de volgende vergoeding:</al><al>Toeslag liftinstallatie</al><al>Lift, incl. aanbrengen schacht € 143.421,52</al><tussenkop>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                    bouw op dezelfde plaats</tussenkop><al>Voor deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw
                    (permanente bouwaard).</al><al>2.3.<onderstreept>Tijdelijke voorziening</onderstreept></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve
                    van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                    gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een
                    permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke
                    voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke
                    voorziening door middel van huur van een voor tijdelijke gebruik bestemde
                    voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke
                    voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit
                    niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde
                    procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                    hoofdlocatie</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al>De vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt bepaald
                    op basis van de volgende bedragen:</al><al>Vergoeding nieuwbouw</al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m² bvo of groter € 47.132,03</al><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m² bvo € 31.849,93</al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.082,74</al><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</tussenkop><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m². In deze bedragen
                    zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor herstel en inrichting van
                    terreinen.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><al>Vergoeding uitbreiding</al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m² bvo of groter € 25.630,15</al><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m² bvo € 17.086,76</al><al>Naast het startbedrag voor elke m² bvo € 1.144,76</al><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                    alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                    worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij nieuwbouw
                    (paragraaf 2.1).</al><tussenkop>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten)</al><al>2.4. <onderstreept>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                        meubilair</onderstreept></al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                    bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m². De hierna opgenomen bedragen
                    zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m². Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket</al><tussenkop> Basisbedrag Voor elke m² bvo</tussenkop><al>SO/VSO-doven € 125.908,93 € 219,78</al><al>SO/VSO-sh € 114.378,23 € 284,84</al><al>SO/VSO-esm € 106.580,93 € 141,63</al><al>SO/VSO-visg € 151.259,56 € 270,33</al><al>SO/VSO-lz € 96.456,45 € 133,20</al><al>SO/VSO-lg € 113.556,39 € 259,67</al><al>SO/VSO-zmlk € 94.958,34 € 112,99</al><al>SO/VSO-zmok € 92.688,47 € 129,90</al><al>SO/VSO-pi € 93.507,82 € 141,06</al><al>SO/VSO-mg € 114.975,89 € 115,22</al><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een
                    speellokaal bedraagt € 6.819,23.</al><al>2.5.<onderstreept>Gymnastiek</onderstreept></al><tussenkop>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</tussenkop><tussenkop>Nieuwbouw</tussenkop><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455m² bedraagt € 830.111,76 (op het schoolterrein) en
                    € 846.901,26 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten
                    van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten
                    zijn hierin niet begrepen.</al><al>Voor LG-scholen en MG-scholen met een LG- of MLK/ZMLK-component is er een
                    toeslag van 50m² (grotere entree en kleed- en doucheruimte). Met deze toeslag is
                    een bedrag gemoeid van € 83.272,21. Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven. Indien extra ruimte voor LG en MG-scholen van 50m²
                    beschikbaar is gesteld, geldt een hogere toeslag (tussen haakjes vermeld). De
                    vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Vergoeding op basis van paallengte</al><al>Paallengte 1&lt;15m € 16.696,78 (€ 21.052,26)</al><al>Paallengte 15&lt;20m € 23.017,38 (€ 29.155,73)</al><al>Paallengte &gt;=20m € 32.326,90 (€ 41.960,00)</al><tussenkop>Uitbreiding</tussenkop><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij
                    de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455m² .</al><al>Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van
                    140m² of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van
                    252m² . Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt
                    uit:</al><al>Uitbreiding</al><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m² € 192.865,99</al><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m² € 234.455,09</al><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</al><al> De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al>Vergoeding</al><al> 112-120 m² 121-150 m²</al><al>Paallengte 1&lt;15 m € 7.474,86 € 9.346,61</al><al>Paallengte 15&lt;20 m € 12.946,88 € 16.179,43</al><al>Paallengte &gt;=20 m € 21.166,73 € 26.458,41</al><tussenkop>OLP/meubilair</tussenkop><al>OLP/Meubilair</al><tussenkop>Schoolsoort Bedrag in euro</tussenkop><al>SO-doven € 37.628,01</al><al>SO-sh/esm € 37.407,27</al><al>SO-visg € 45.287,13</al><al>SO-lg/mg € 49.607,70</al><al>SO-lz/pi € 35.581,59</al><al>SO-zmlk € 35.581,59</al><al>OLP/Meubilair</al><tussenkop>Schoolsoort Bedrag in euro</tussenkop><al>SO-zmok € 35.508,37</al><al>VSO-doven € 44,114,52</al><al>VSO-sh/esm € 45.265,59</al><al>VSO-visg € 53.851,29</al><al>VSO-lg/mg € 55.246,25</al><al>VSO-lz/pi € 43.477,06</al><al>VSO-zmlk € 43.477,06</al><al>VSO-zmok € 38.811,39</al><al>SOVSO-doven € 45.683,93</al><al>SOVSO-sh/esm € 48.972,40</al><al>SOVSO-visg € 55.883,70</al><al>SOVSO-lg/mg € 56.749,97</al><al>SOVSO-lz/pi € 47.182,79</al><al>SOVSO-zmlk € 47.182,79</al><al>SOVSO-zmok € 39.251,79</al><al>3.<onderstreept>School voor voortgezet onderwijs</onderstreept></al><al>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw/uitbreiding (3.1);</al></li><li nr="-"><al>tijdelijke voorzieningen (3.2);</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (3.3);</al></li><li nr="-"><al>gymnastiek (3.4).</al></li></lijst><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de
                    vergoedingen voor 2009. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli
                    2008 en voorzien van het MEVindexcijfer voor 2009 (3% voor de
                    huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 3,75% voor onderhoud,
                    eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                    prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4.</al><al>3.1. <onderstreept>Nieuwbouw en uitbreiding</onderstreept></al><al>Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding.
                    Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie
                    voor de vaststelling van het bedrag voor de component 'aanpassing' deel B).</al><al>De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal
                    kostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten van terreinen;</al></li><li nr="-"><al>bouwkosten.</al></li></lijst><tussenkop>Kosten van terreinen</tussenkop><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                    gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                    juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te
                    worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve
                    van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan
                    het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten,
                    wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de
                    bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente
                    gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen.</al><tussenkop>Bouwkosten</tussenkop><al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal,
                    alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de
                    vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een
                    vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de
                    sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen
                    per m² bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een
                    schoolgebouw.</al><al>De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de hoofdindeling van de
                    ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in Bijlage III, deel
                    B.</al><al>De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m²
                    bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede
                    een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen
                    sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk
                    opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m²
                    bruto-vloeroppervlakte.</al><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel op de volgende bladzijde met vaste
                    bedragen per m² bruto- vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor
                    de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de
                    benodigde aantallen m² per type ruimte van de goedgekeurde
                    huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C,
                    vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de
                    vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de
                    algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de
                    werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis
                    van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor
                    de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke
                    kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten.</al><al>Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m² (in euro)</al><al>Ruimte-afhankelijke kosten per bruto m²</al><tussenkop> &lt;460m² 460&lt;2500m² &gt;=2500m²</tussenkop><al>Algemene en specifieke ruimte 2.114,11 1.254,66 1.224,60</al><al>Werkplaatsen 2.064,88 1.670.32 1.670,32</al><al>Werkplaatsen consumptief 2.507,39 2.112,84 2.112,84</al><al> Specifieke ruimte:</al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren.</al></li></lijst><al>Werkplaatsen:</al><lijst><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek;</al></li><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk.</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al><al>Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening (in euro)</al><al>Ruimteafhankelijke kosten per bruto m²</al><tussenkop> &lt; 460m² &gt; 460 en &lt; 2500m² &gt;= 2500m²</tussenkop><al>Vaste voet algemeen 133.395,79 133.395,79</al><al>Vaste voet algemene sectie 261.845,85 365.596,72</al><al>Vaste voet werkplaatssectie 48.416,17 48.416,17</al><al>Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek,
                    machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek,
                    grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                    motorvoertuigentechniek. </al><al>De specifieke en algemene ruimten behoren tot de algemene sectie. </al><al>De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en tevens de
                    directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen.</al><tussenkop>Aanvullende normkosten</tussenkop><al>Bij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een
                    standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen
                    extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een
                    aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal
                    aspecten, te weten fundering en bemaling.</al><al>In de hiervoor genoemde bekostigingsbedragen is uitgegaan van fundering op
                    staal. In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het
                    criterium voor toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te
                    stellen sonderingrapport.</al><al>De bekostiging is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de
                    bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de
                    hand van de volgende formules:</al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &gt; 1000m²</al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 3.88,667 € 20,40</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 4.139,98 € 34,51</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 4.622,15 € 61,76</al><al> Uitbreiding &gt;= 1000m²</al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 4.748,76 € 7,15</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 6.193,99 € 18,55</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 9.406,08 € 37,49</al><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                    grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder
                    het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m²
                    goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 13,25 per m²
                    terrein.</al><al>3.2.<onderstreept>Tijdelijke voorziening</onderstreept></al><al>Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet
                    onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type
                    voorziening. De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</al></li><li nr="-"><al>huur van tijdelijke lokalen.</al></li></lijst><tussenkop>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen</tussenkop><al>Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met
                    tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule:</al><tussenkop>€ 672,73 * A + € 46.251,54</tussenkop><al>A = het toegekende aantal m² bruto-vloeroppervlakte aan tijdelijke
                    huisvesting.</al><al>Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe
                    en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden
                    bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder
                    meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op
                    nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief
                    fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening.</al><tussenkop>Huur van tijdelijke lokalen</tussenkop><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.
                    In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur
                    van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van
                    werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al>3.3.<onderstreept>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair</onderstreept></al><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen
                    nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij
                    uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts
                    van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte
                    ontbreekt dan wel niet geschikt is. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk
                    van het type ruimte dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen
                    de aanwezige bruto vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto
                    vloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de
                    hand van de in onderstaande tabel genoemde bedragen.</al><al> Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro)</al><al>Algemene ruimte 145,36</al><al>Specifieke Ruimte </al><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie 339,72</al><al>Handel/verkoop/administratie 207,82</al><al>Praktijkonderwijs 279,03</al><al>Werkplaatsen: </al><al>Techniek algemeen 356,42</al><al>Consumptief 690,22</al><al>Grafische techniek 1.319,59</al><al>Landbouw 0,00</al><al>Specifieke ruimte:</al><lijst><li nr="-"><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                            gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="-"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                            etaleren;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken Werkplaatsen:</al></li><li nr="-"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                            elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                            voertuigentechniek;</al></li><li nr="-"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="-"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="-"><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li><li nr="-"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al><al>3.4.<onderstreept>Gymnastiek voortgezet onderwijs</onderstreept></al><al>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455m² bedraagt € 830.111,76 (op het schoolterrein)
                    respectievelijk € 846.901,26 (op afzonderlijk terrein).</al><al>De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en
                    ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De
                    kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van
                    de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><al>Vergoeding bouwkosten</al><al>nieuwbouw/uitbreiding</al><al>Paallengte 1&lt;15 meter € 16.696,78</al><al>Paallengte 15&lt;20 meter € 23.017,38</al><al>Paallengte &gt;=20 meter € 32.326,90</al><tussenkop>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal</tussenkop><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                    mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van
                    een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële
                    exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor
                    voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet
                            onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het
                            klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs. Indien de
                            gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt gebruikt,
                            wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed
                            voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de
                            gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26
                            klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de
                            26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te
                            vergoeden.</al></li><li nr="b."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de
                            school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan
                            exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de
                            hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele
                            deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</al></li><li nr="c."><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt
                            gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs
                            (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan
                            de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De
                            hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen
                            huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het
                            aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt
                            aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in
                            het primair onderwijs.</al></li></lijst><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt
                    het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                    gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                    onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het
                    op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale
                    vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs
                    moet vergoeden.</al><tussenkop>Huur sportvelden</tussenkop><al>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een
                    vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten
                    bedraagt € 19,26 per klokuur.</al><tussenkop>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair</tussenkop><al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming
                    (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de
                    eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat
                    aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                    medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                    hulpmiddelen/meubilair. </al><al> De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende gymnastiekaccommodatie wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><al>Eerste inrichting L.h.m./meubilair</al><tussenkop> Meubilair L.h.m. Totaal</tussenkop><al>Eerste lokaal 1.014.21 59.426,84 60.423,40</al><al>Tweede lokaal 1.014.21 46.357,45 47.354,00</al><al>Derde lokaal 1.014.21 20.154,05 21.150,61</al><al>Oefenplaats 1 13.124,31 13.124,31</al><al>Oefenplaats 2 1.515,02 1.515,02</al><al>4.<onderstreept>Indexering</onderstreept>De in deze bijlage
                    genoemde normbedragen zijn afgeleid van het prijspeil van 1 juli 1996. Jaarlijks
                    worden door het College de werkelijke prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en
                    de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van
                    de vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma bekendgemaakt.
                        <cursief>Werkelijke prijsontwikkeling</cursief>Jaarlijks worden de
                    normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling tot 1 juli van het
                    lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten
                    worden, wordt jaarlijks na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.
                    Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen;
                    outputindex 2000=100 (inclusief btw)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek
                    bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het
                    tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar. Voor de voorzieningen
                    onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de
                    klokuurvergoedingen gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het
                    CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle huishoudens' (NR-reeks), gepubliceerd
                    in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van het CBS over de maand juli van het
                    lopende jaar en de maand juli van het daaraan voorafgaande jaar. Indien de
                    CBS-indexcijfers 'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100' over het tweede
                    kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de
                    CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal van
                    het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd. <cursief>Verwachte prijsontwikkeling
                        ten behoeve van het programma</cursief>Naast de bijstelling van de
                    prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld is het
                    noodzakelijk om een inschatting te maken van het werkelijk prijsniveau in het
                    jaar van uitvoering van het programma. Dit is noodzakelijk om de hoogte van de
                    vergoeding bij vaststelling van het programma en het moment van vergoeding vast
                    te stellen. Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als
                    prijsindexcijfer het MEV-cijfer (Macro-economische verkenning) 'bruto
                    investeringen door bedrijven in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde
                    dinsdag in september. Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer-
                    en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als
                    prijsindexcijfer het MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto materiële
                    overheidsconsumptie', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</al><tussenkop>DEEL B. Vergoeding op basis van feitelijke kosten</tussenkop><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                    vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis
                    van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge
                    artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van feitelijke kosten,
                    dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen aanbestedingsregels te worden
                    voldaan.</al><al><cursief>Europese aanbesteding </cursief> Voor opdrachten die vallen onder de
                    Europese aanbesteding geldt de richtlijn van de Europese Unie (2004/18/EG) met
                    daarin de volgende bedragen:</al><lijst><li nr="-"><al>€ 193.000,00 (exclusief BTW) voor leveringen en diensten;</al></li><li nr="-"><al>€ 4.845.000,00 (exclusief BTW) voor werken.</al></li></lijst><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder de
                    definitie 'werken'.</al><al>Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of onderwijsleerpakket valt onder
                    'leveringen'. Bij aankoop van gebouwen en terreinen is de richtlijn uiteraard
                    niet van toepassing.</al><tussenkop>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag</tussenkop><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen, zoals
                    vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing. Ingevolge
                    artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken gemaakt over de
                    wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat op basis van het
                    vastgestelde gemeentelijk beleid bepaald wordt op welke wijze een opdracht wordt
                    aanbesteed, tenzij het College na overleg anders beslist.</al><tussenkop>DEEL C. Bepaling medegebruiktarieven</tussenkop><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs, voor voortgezet onderwijs alsmede een instelling als bedoeld in de
                    Wet educatie en beroepsonderwijs betaalt voor het onderwijsgebruik van een
                    lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een vergoeding.</al><al>Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes
                    groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma's
                    van eisen voor het basisonderwijs, zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het
                    Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.</al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage V. Criteria voor de urgentie van de aangevraagde
                    voorzieningen</tussenkop><al>1.<onderstreept>Volgorde van hoofdprioriteiten</onderstreept></al><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit.</al><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><lijst><li nr="1."><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage
                            III op te heffen; <cursief>Ad 1</cursief>Hieronder vallen
                            nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere voorzieningen
                            aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het inpandig of
                            deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                            toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook
                            vergroting van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening
                            bijvoorbeeld door nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze
                            hoofdprioriteit. Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw
                            inclusief de noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze
                            hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan capaciteit op te
                            heffen.</al></li><li nr="2."><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven
                            i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs; <cursief>Ad
                                2</cursief>Vervangende bouw, ingebruikneming van een
                            gebouw ter vervanging van een ander gebouw inclusief de noodzakelijke
                            aanpassingen, onderhoud in het primair onderwijs, herstel van
                            constructiefouten, herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een oliegestookte
                            verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de tweede
                            hoofdprioriteit.</al></li><li nr="3."><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                            gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen
                            capaciteitsuitbreiding inhouden; <cursief>Ad
                            3</cursief>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs
                            met uitzondering van het (deels) inpandig creëren van lesruimten en
                            vervanging van een oliegestookte verwarming vallen onder hoofdprioriteit
                            3.</al></li><li nr="4."><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                            inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te
                            passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs; <cursief>Ad
                                4</cursief>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen
                            van de gevolgen van nieuwe onderwijskundige inzichten voor gebouwen.
                            Daarnaast vallen hieronder de activiteiten van aanpassingen van meer
                            algemene aard en herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al></li><li nr="2."><al><onderstreept>Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                                subprioriteiten</onderstreept></al></li></lijst><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald.</al><al>Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3
                    en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte heeft.
                    Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking
                    komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast.</al><al> Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en
                    gymnastiekruimten.</al><al>Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige
                    nevenruimten binnen het gebouw.</al><al>Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en
                    voorzieningen aan het terrein.</al><lijst><li nr="2.1."><al><onderstreept>Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om
                                capaciteitstekorten als bepaald op basis van
                                bijl</onderstreept><onderstreept>a</onderstreept><onderstreept>ge
                                III op te heffen' komt voor plaatsing op het programma in
                                aanmerking</onderstreept></al></li><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                            schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort opheft ineen situatie zonder herschikking van
                            schoolgebouwen en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                            kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li><li nr="2.2."><al><onderstreept>Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om
                                een adequaat onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op
                                het programma in aanmerking</onderstreept></al></li><li nr="a."><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                            volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                            c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening aan een
                            vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het bouwkundige
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                            kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                            bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                            laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></li><li nr="2.3."><al><onderstreept>Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om
                                te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen
                                waaronder aanpassingen voor zover deze geen
                                capaciteitsuitbre</onderstreept><onderstreept>i</onderstreept><onderstreept>ding
                                b</onderstreept><onderstreept>e</onderstreept><onderstreept>treffen'
                                komt voor plaatsing op het programma in
                            aanmerking</onderstreept></al></li><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                            regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals
                            bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                            voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                            volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                            is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                            dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                            conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                            de minste is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en</al></li><li nr="e."><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de
                            wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                            rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al></li></lijst><al> 2.4. <onderstreept>Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn
                        als gevolg van nieuwe
                        onderwij</onderstreept><onderstreept>s</onderstreept><onderstreept>kundige
                        inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen
                        aan de eigentijdse eisen van het onderwijs' komt voor plaatsing op het
                        programma in
                        aanme</onderstreept><onderstreept>r</onderstreept><onderstreept>king</onderstreept></al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                            vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                            groepen leerlingen het hoogst is;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                            percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt
                            het hoogst is;</al></li><li nr="c."><al>vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten
                            waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige
                            beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="d."><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in
                            gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw
                            onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="e."><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                            omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en </al></li><li nr="f."><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene
                            aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst
                            is.</al></li></lijst><tussenkop>Duurzaamheid</tussenkop><al>De normbedragen zoals opgenomen in bijlage IV stellen het schoolbestuur in staat
                    een sober en doelmatig schoolgebouw te realiseren conform het Bouwbesluit. </al><al>Duurzaam bouwen volgens het door de gemeente Uden afgesloten convenant is niet
                    in de normbedragen vertaald. Dat geldt ook voor duurzaamheid in het
                    algemeen.</al><al>De richtlijnen uit het vastgestelde integrale duurzaamheid-beleidsplan en
                    duurzaam inkopen worden nagevolgd.</al><al>Bij toetsen en goedkeuren door het College van de ingediende bouwplannen wordt
                    het besluit genomen welk ambitieniveau voor duurzaamheid wordt nagestreefd. In
                    principe heeft Uden gekozen voor een duurzaamheidniveau van GPR 8 en voor
                    energie en binnenmilieu, de zgn ‘Frisse Scholen” voor het niveau B zoals
                    opgenomen in het Programma van eisen van de Rijksbouwmeester opgesteld door
                    Senter Novem(zie bijlage).</al><al>De hiermee gemoeide berekende investeringen worden bij de toets van het bouwplan
                    gevoegd waarna het College besluit de bekostiging aan te laten sluiten bij het
                    gewenste niveau.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief><onderstreept>Nieuwbouw:</onderstreept></cursief></al><al><vet>Actief </vet></al><al>Gemeentelijke gebouwen</al><al>met een 20 % verscherpte</al><al>EPC worden gerealiseerd</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Vooruitlopend </vet></al><al>Gemeentelijke gebouwen</al><al>met een 50 % verscherpte</al><al>EPC worden gerealiseerd</al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Innovatief</vet></al><al>Energievraag wordt</al><al>geminimaliseerd en in</al><al>resterende energievraag</al><al>wordt voorzien door</al><al>duurzaam opgewekte energie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief><onderstreept>Bestaande
                                                gemeentelijke</onderstreept></cursief></al><al><cursief><onderstreept>gebouwen +
                                                gemeentelijke</onderstreept></cursief></al><al><cursief><onderstreept>infrastructurele
                                                voorzieningen</onderstreept></cursief></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Actief </vet></al><al>Gemeente bespaart 1,5 %</al><al>energie per jaar</al><al>40 % opwekking en/of</al><al>inkoop duurzame energie.</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Vooruitlopend </vet></al><al>Gemeente bespaart 2%</al><al>energie per jaar</al><al>70 % opwekking en/of</al><al>inkoop duurzame energie</al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Innovatief</vet></al><al>Gemeente bespaart 4 %</al><al>energie per jaar</al><al>100 % opwekking en/of</al><al>inkoop duurzame energie</al><al>(energieneutraal).</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>