<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR11771_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Planschadeverordening gemeente Wassenaar</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wassenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2008-12-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wassenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Wassenaarder,
                10-12-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Planschadeverordening gemeente Wassenaar</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet ruimtelijke verordening, art. 6.7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit ruimtelijke ordening, art. 6.1.3.3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-12-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-12-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2008-12-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>no. 080103</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Planschadeverordening gemeente Wassenaar</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad der gemeente Wassenaar;</al><al>het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 oktober 2008,</al><al>gezien raadsvoorstel no. 080103;</al><al><onderstreept>b e s l u i t</onderstreept>:</al><al>gelet op artikel 6.7 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.1.3.3 van
                        het Besluit ruimtelijke ordening; </al><al>vast te stellen de “Planschadeverordening gemeente Wassenaar”</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade
                                als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening
                                indient;</al></li><li nr="b."><al>adviseur: de door het college aan te wijzen persoon of commissie als
                                bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c, van het Besluit ruimtelijke
                                ordening;</al></li><li nr="c."><al>adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel
                                3, vijfde lid, van deze verordening;</al></li><li nr="d."><al>besluit: Besluit ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="e."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="f."><al>planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede
                                lid, Wet ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="g."><al>planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de
                                Wet ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="h."><al>wet: Wet ruimtelijke ordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdrachtverstrekking</titel></kop><al>Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in
                        artikel 6.1.3.1 van het besluit verstrekt het college aan één of meerdere
                        adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te
                        brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het besluit
                        of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Adviseur of adviescommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt
                            door het college een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende
                            deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste
                            lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft
                            op planschade vanwege inkomensderving en er, gezien de complexiteit,
                            aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid
                            wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is
                            op het gebied van accountancy of van financieel economische
                            bedrijfsvoering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste
                            lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft
                            op planschade vanwege waardevermindering van een onroerende zaak en er,
                            gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat
                            aan extra deskundigheid wordt door het college een tweede adviseur
                            aangewezen die deskundig is ter zake van de waardering van onroerende
                            zaken en van waardevermindering daarvan als gevolg van een planologische
                            verslechtering. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college het tweede en het derde lid van
                            toepassing zijn, worden zowel de in het tweede als het derde lid
                            bedoelde adviseurs aangewezen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een adviescommissie,
                            waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Deskundigheid en onafhankelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een persoon of commissie als adviseur wordt aangewezen, kan het
                            college verlangen dat deze aantoont deskundig te zijn met betrekking tot
                            de in artikel 3, eerste, tweede of derde lid, bedoelde aspecten waarop
                            deze persoon of commissie de aanvraag moet beoordelen. Daarbij wordt
                            onder meer gelet op opleiding, ervaring en prestaties van de persoon,
                            van de commissie, of van de bij de commissie werkzame personen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 6.1.1.1 van het besluit mag een
                            adviseur niet werkzaam zijn onder verantwoordelijk van de raad. Eveneens
                            mag een adviseur niet betrokken zijn bij de planologische maatregel
                            waarop de aanvraag betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing
                            adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in
                                artikel 2 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele
                                andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als
                                bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet
                                schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van:</al><lijst><li nr="a."><al>een adviseur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of</al></li><li nr="b."><al>meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, vijfde
                                        lid.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede
                                debelanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid,
                                van de wet kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in
                                het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot
                                wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen.
                            </al></li><li nr="3."><al>Het college beslist binnen vier weken na het verstrijken van de in
                                het tweede lidbedoelde termijn over een ingediend verzoek tot
                                wraking van één of meerdere adviseurs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Werkwijze adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de
                                aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de
                                beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de
                                adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking.</al></li><li nr="2."><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één
                                of meerderehoorzittingen, waar de aanvrager en het college in de
                                gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten,
                                onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante
                                informatie te verschaffen dan wel een standpunt van het college over
                                de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken.
                                Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de
                                belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid,
                                van de wet worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt
                                kenbaar te maken. </al></li><li nr="3."><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het
                                tijdstip waarop deadviseur of de adviescommissie de situatie ter
                                plaatse zal bezichtigen en nodigt in ieder geval de aanvrager voor
                                de plaatsopneming uit. </al></li><li nr="4."><al>Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken
                                onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de
                                adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt.</al></li><li nr="5."><al>Van de in het tweede lid bedoelde hoorzitting en van de in het
                                vierde lid bedoeldebezichtiging wordt door, dan wel onder
                                verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de
                                adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit
                                te brengen advies. </al></li><li nr="6."><al>Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de
                                adviescommissie binnenzestien weken na de dagtekening van de
                                opdracht tot advisering een concept daarvan aan het college, aan de
                                aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de
                                belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid,
                                van de wet. </al><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn
                                onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met
                                ten hoogste vier weken verlengen. </al></li><li nr="7."><al>De aanvrager, het college, eventuele andere betrokken
                                bestuursorganen alsmede debelanghebbenden als bedoeld in artikel
                                6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden in de gelegenheid
                                gesteld om binnen vier weken na de toezending van het conceptadvies
                                schriftelijk hierop te reageren. </al></li><li nr="8."><al>In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of
                                de adviescommissiebinnen vier weken na het verstrijken van de in het
                                zevende lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij
                                de betreffende reacties zijn betrokken. </al></li><li nr="9."><al>In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de
                                adviseur of deadviescommissie binnen twee weken na het verstrijken
                                van de in het zevende lid bedoelde termijn een advies uit aan het
                                college. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking 2 dagen na bekendmaking en werkt
                                terug tot en met 1 juli 2008;</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Planschadeverordening
                                gemeente Wassenaar”.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 1 december 2008. </al><al>Wassenaar,</al><al>De Raad voornoemd,</al></slotformulering><ondertekening>de Griffier, de Voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/><titel/></kop><tussenkop>Algemene toelichting </tussenkop><al>Krachtens artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan degene die in de
                    vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak
                    schade lijdt of zal lijden als gevolg van een planologische maatregel, op
                    aanvraag een tegemoetkoming in planschade worden toegekend, voor zover de schade
                    redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor
                    zover de tegemoetkoming in planschade niet voldoende anderszins verzekerd is. </al><al>Afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) van de Wro bevat bepalingen over het
                    tijdstip </al><al>waarbinnen aanvragen moeten worden ingediend (artikel 6.1, vierde en vijfde lid,
                    Wro), is uitgewerkt welke schade in ieder geval voor rekening van de aanvrager
                    dient te blijven (artikel 6.2 Wro) en wordt ingegaan op zaken die het
                    bestuursorgaan bij het nemen van een beslissing op het aanvragen om een
                    tegemoetkoming in planschade dient te betrekken (artikel 6.3 Wro). </al><al>Artikel 6.1, derde lid, Wro stelt eisen aan de aanvraag om een tegemoetkoming,
                    die op grond van artikel 6.7 Wro in het Bro zijn uitgewerkt. De regels in het
                    Bro leiden tot een uniformering en standaardisering van regels omtrent de
                    inrichting en behandeling en de wijze van beoordeling van een aanvraag om
                    tegemoetkoming in schade. Onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en het
                    Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) bestond de noodzaak dat
                    iedere gemeente een regeling voor de behandeling van de planschadeverzoeken
                    moest opstellen. De regeling met betrekking tot de behandeling van de aanvragen
                    is nu terug te vinden in het Bro. </al><al>In het Bro zijn in afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) de vereisten voor het
                    indienen van een aanvraag, alsmede een aantal procedurevoorschriften en de
                    regels voor het aanwijzen van een adviseur opgenomen. Artikel 6.1.3.2 Bro
                    verplicht het college een adviseur aan te wijzen die advies uitbrengt over de op
                    de aanvraag te nemen beslissing. In artikel 6.1.3.3, eerste lid, Bro wordt
                    voorgeschreven dat de gemeente een verordening moet vaststellen over de wijze
                    waarop een adviseur wordt aangewezen en de wijze waarop deze tot een advies
                    komt. In artikel 6.1.3.3, tweede lid, Bro wordt bepaald dat de verordening in
                    ieder geval betrekking moet hebben op: </al><lijst><li nr="a."><al>de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur;</al></li><li nr="b."><al>de gevallen waarin een adviescommissie wordt ingeschakeld;</al></li><li nr="c."><al>het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen
                            en debelanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid,
                            van de Wro vooraf in de aanwijzing van de adviseur worden gekend, dan
                            wel na deze aanwijzing kunnen wraken;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen
                            en debelanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid,
                            van de Wro onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van
                            het advies worden betrokken, en de hierbij geldende termijnen.</al></li></lijst><al/><tussenkop>De “Planschadeverordening gemeente Wassenaar 2008” in verhouding tot de
                    “Procedureregeling planschadevergoeding 2005” </tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de “Planschadeverordening gemeente Wassenaar 2008”
                    kan de oude planschaderegeling nog niet worden ingetrokken. </al><al>De procedureregeling planschadevergoeding 2005 is nog van toepassing op de
                    volgende situaties: </al><lijst><li nr="-"><al>op een aanvraag ingediend vóór 1 september 2005 in het geval dat de
                            planologischemaatregel onherroepelijk is geworden vóór 1 september 2005
                            is de WRO van vóór 1 september 2005 van toepassing; </al></li><li nr="-"><al>op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli
                            2008 in het gevalde planologische maatregel onherroepelijk is geworden
                            vóór 1 september 2005 is de WRO nog van toepassing (maar is geen
                            verjaringstermijn van toepassing); </al></li><li nr="-"><al>op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli
                            2008 in het gevalde planologische maatregel onherroepelijk is geworden
                            op of na 1 september 2005 en vóór 1 juli 2008 van kracht is geworden, is
                            de WRO van toepassing (met inbegrip van de verjaringstermijn); </al></li><li nr="-"><al>op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september
                            2010 in het gevalde planologische maatregel onherroepelijk is geworden
                            vóór 1 september 2005 is de WRO nog van toepassing (maar is geen
                            verjaringstermijn van toepassing).</al></li></lijst><al/><al>De “Planschadeverordening gemeente Wassenaar” is van toepassing in de volgende
                    situaties: </al><lijst><li nr="-"><al>op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september
                            2010 in het gevalde planologische maatregel onherroepelijk is geworden
                            op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli 2008 van kracht is geworden,
                            is de Wro van toepassing (met inbegrip van de verjaringstermijn, maar er
                            is geen sprake van het forfait normaal maatschappelijk risico); </al></li><li nr="-"><al>op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september
                            2010 in het geval de planologische maatregel van kracht is geworden op
                            of na 1 juli 2008, is de Wro onverkort van toepassing;</al></li><li nr="-"><al>op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2010 is de Wro in alle
                            gevallen onverkort van toepassing.</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen </tussenkop><al>Bij de definiëring van de begrippen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij
                    de Wro en het Bro en voor zover dit noodzakelijk werd geacht is een aanvulling
                    gegeven. Voor een juiste interpretatie van de verordening is naast raadpleging
                    van artikel 1 kennisneming van de algemene bepalingen in artikel 6.1.1.1 Bro van
                    belang. </al><tussenkop>Artikel 2. Opdrachtverstrekking </tussenkop><al>Het college dient binnen twaalf weken een opdracht te verstrekken aan één of
                    meerdere adviseurs gezamenlijk, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel
                    6.1.3.1 Bro of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel
                    6.1.3.1, eerste lid, Bro geeft het college de bevoegdheid een aanvraag binnen
                    vier, dan wel acht weken indien de aanvrager eerst nog een termijn krijgt de
                    aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen. Artikel 6.1.3.1,
                    tweede lid, Bro heeft betrekking op de bevoegdheid van artikel 4:5 Algemene wet
                    bestuursrecht waarbij een onvolledige aanvraag verder buiten behandeling moet
                    worden gelaten. Volgens artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro moet het besluit tot
                    het niet in behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag aan
                    de aanvrager worden medegedeeld. Voor zover de aanvrager in de gelegenheid is
                    gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgt het college acht weken de tijd na
                    het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te vullen is verstreken, om
                    het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend te maken. De
                    laatstgenoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd.
                    Indien de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten behandeling
                    wordt gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de termijnen bedoeld
                    in artikel 6.1.3.1 Bro worden overschreden. In het laatste geval dienen
                    niettemin één of meerdere adviseurs te worden aangewezen en dient een opdracht
                    te worden verstrekt. </al><al>De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan nadat de termijn om te wraken is
                    verstreken en er geen verzoeken tot wraking zijn ingediend, dan wel door het
                    college afwijzend is beslist over een ingediend verzoek tot wraking. </al><tussenkop>Artikel 3. Adviseur of adviescommissie </tussenkop><al>Het college schakelt één of meerdere adviseurs gezamenlijk in voor de advisering
                    over de op de aanvraag te nemen beschikking. In dit artikel is bepaald in welke
                    gevallen een adviseur of een adviescommissie dient te worden ingeschakeld en
                    over welke deskundigheid een adviseur dient te beschikken. </al><al>Een adviseur kan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze
                    tussen een </al><al>natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt aan de gemeente overgelaten (zie
                    de Nota van Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 63). Een adviesbureau
                    gespecialiseerd in planschade kan derhalve worden aangewezen als adviseur
                    bedoeld in het eerste lid, of als één van de adviseurs (tweede of derde lid) in
                    een adviescommissie. </al><al>Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van één of meerdere adviseurs
                    noodzakelijk is, staat de verordening er niet aan in de weg om telkens dezelfde
                    adviseur(s) aan te wijzen (vaste adviseur/vaste adviescommissie). </al><al>In het eerste lid is bepaald dat een eerste adviseur wordt aangewezen die over
                    voldoende deskundigheid op het gebied van planschadeadvisering dient te
                    beschikken. Afhankelijk van de kennelijke oorzaak van de planschade kan een
                    tweede en/of derde adviseur worden aangewezen, die over specifieke deskundigheid
                    op het gebied van planschade wegens inkomensderving onderscheidenlijk wegens
                    waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een planologische
                    verslechtering beschikt. </al><al>Het is aan het college om, na advies te hebben ingewonnen bij de (eerste)
                    adviseur, te beoordelen of deze (eerste) adviseur zelfstandig kan adviseren, of
                    dat er gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag behoefte is een
                    tweede en/of derde adviseur bij de opdracht te betrekken die beschikt over
                    specifieke deskundigheid. Het college zal de tweede of derde adviseur dan
                    vervolgens moeten aanwijzen; bij de aanwijzing van twee of meer adviseurs is er
                    sprake van een adviescommissie (artikel 3, vijfde lid). De adviseurs dienen de
                    in artikel 6.1.3.4 Bro genoemde zaken te betrekken. </al><al>Artikel 6.1.3.5, eerste lid, Bro bepaalt dat de adviseur of de adviescommissie
                    zich door derden kan laten adviseren en bijstaan. Indien hiermee kosten zijn
                    gemoeid is instemming van het college vereist. </al><tussenkop>Artikel 4. Deskundigheid en onafhankelijkheid </tussenkop><al>Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder a, Bro schrijft voor dat de verordening regels
                    moet bevatten over de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur. Om
                    de deskundigheid van de adviseurs te waarborgen is in het eerste lid bepaald dat
                    het college alvorens zij tot aanwijzing van een persoon of commissie als
                    adviseur overgaat, kan verlangen dat deze persoon aantoont deskundig te zijn met
                    betrekking tot de in artikel 3, tweede of derde lid, genoemde aspecten waarop
                    hij of zij de aanvraag dient te beoordelen. Die deskundigheid kan bijvoorbeeld
                    blijken uit opleiding, ervaring en prestaties van de persoon, van de commissie,
                    of van de bij de commissie werkzame personen.</al><al>In aansluiting op artikel 3:5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht juncto
                    artikel 6.1.1.1 onder c, Bro waaruit voortvloeit dat een adviseur niet werkzaam
                    mag zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt
                    geadviseerd ( in dit geval het college), wordt in artikel 4, tweede lid, bepaald
                    dat die adviseur eveneens niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van
                    de raad. Voorts bepaalt artikel 4, tweede lid, dat een adviseur niet betrokken
                    mag zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit
                    betreft deskundigen die op enigerlei wijze betrokken zijn bij de in het geding
                    zijnde planologische maatregel. In het bijzonder kan worden gedacht aan personen
                    behorende tot de risicoanalysecommissie die optreedt in het kader van
                    planologische maatregelen. </al><tussenkop>Artikel 5. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij
                    aanwijzing adviseur of adviescommissie. </tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen
                    en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van
                    de Wro schriftelijk op de hoogte moeten worden gebracht van de aanwijzing van
                    een adviseur of adviescommissie. De aanwijzing van een adviseur dient
                    schriftelijk bekend te worden gemaakt. In het geval meerdere adviseurs worden
                    aangewezen, worden deze aanwijzingen gezamenlijk schriftelijk bekend gemaakt.
                    Indien de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere
                    belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro
                    zich niet kunnen verenigen met de aanwijzing van één of meerdere adviseurs is er
                    de mogelijkheid om één of meerdere adviseurs te wraken. Op verzoek van de
                    aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden
                    als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro kunnen één of
                    meerdere adviseurs worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden
                    waardoor de vereiste deskundigheid en onafhankelijkheid schade zou kunnen
                    lijden. Genoemde partijen worden gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld
                    een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college kenbaar te
                    maken. Het college moet binnen vier weken na het verstrijken van de termijn tot
                    het indienen van een verzoek tot wraking beslissen. </al><tussenkop>Artikel 6. Werkwijze adviseur of adviescommissie </tussenkop><al>Dit artikel geeft de wijze weer waarop de aanvrager, het college en eventuele
                    andere betrokken bestuursorganen alsmede andere belanghebbenden als bedoeld in
                    artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro onder verslaglegging worden
                    gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken. Tevens worden de
                    hiervoor geldende termijnen vastgelegd. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat vanuit de gemeente bijstand wordt verleend aan
                    de adviseur of adviescommissie, door alle voorhanden zijnde informatie met
                    betrekking tot de aanvraag om tegemoetkoming in planschade ter beschikking te
                    stellen. Daarnaast worden alle bescheiden die naar het oordeel van de adviseur
                    of van de adviescommissie nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag aan hen
                    ter beschikking gesteld. </al><al>Het derde, vierde en vijfde lid bevatten regels over achtereenvolgens de
                    hoorzitting, de bezichtiging en de taxatie. Deze onderdelen behoeven niet
                    afzonderlijk te worden georganiseerd. Het is mogelijk om de hoorzitting te
                    combineren met de bezichtiging en/of taxatie. Volgens artikel 6.1.3.5, tweede
                    lid, Bro mag van de bezichtiging worden afgezien, indien uit de inhoud van de
                    aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort te worden afgewezen. </al><al>Het concept advies dient binnen zestien weken na dagtekening van de opdracht aan
                    het college, aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere
                    belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro te
                    worden toegezonden. Deze termijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd
                    (zesde lid). </al><al>Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder e, Bro bepaalt dat de verordening aandacht
                    moet schenken aan de wijze waarop de aanvrager, eventueel andere betrokken
                    bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en
                    derde lid, van de Wro bij de opstelling van het advies moeten worden betrokken.
                    De Nota van Toelichting bij het Bro noemt als voorbeeld dat de aanvrager in de
                    gelegenheid wordt gesteld om binnen een bepaalde periode op het concept advies
                    te reageren (zie de Nota van Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 66). In
                    dit kader bepaalt het zevende lid dat het college, de aanvrager, eventuele
                    andere bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a,
                    tweede en derde lid, van de Wro in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier
                    weken schriftelijk op het concept advies te reageren. </al><al>Het achtste en negende lid bepalen de termijnen voor het uitbrengen van het
                    advies aan het college. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>