<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR117560_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente Lansingerland 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Internet / Heraut 19-7-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening 2011 gemeente Lansingerland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 38</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-07-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-11-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BR1100154 / Voorstelnr. 2011/65</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening gemeente Lansingerland 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="1."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="b."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="3."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
                                </al></li><li nr="4."><al>commissie cultureel erfgoed: de op basis van art.15
                                    Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college
                                    op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing
                                    van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht, de verordening en het erfgoedbeleid;</al></li><li nr="5."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="6."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Lansingerland;</al></li><li nr="7."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="8."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="9."><al>bouwhistorisch onderzoek: een schriftelijke rapportage van het
                                    onderzoek naar de bouw- en bewoningsgeschiedenis van een
                                    monument, waarin zijn opgenomen:</al><lijst><li nr="§"><al>een beschrijving en analyse van de bouwhistorische
                                            aspecten;</al></li><li nr="§"><al>een waardering met conclusies;</al></li><li nr="§"><al>een visie met aanbevelingen;</al></li><li nr="§"><al>tekeningen en foto’s van de besproken aspecten</al></li><li nr="§"><al>de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                            eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de commissie cultureel erfgoed.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt aangewezen, zijn de artikelen 10 tot en met 12 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie cultureel erfgoed adviseert schriftelijk binnen twaalf
                                weken na ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het advies
                                van de commissie cultureel erfgoed, maar in ieder geval binnen
                                twintig weken na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoelt in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan bij wijziging of afbraak van een beschermd
                                gemeentelijk monument bepalen dat bouwhistorisch en/of archeologisch
                                onderzoek wordt verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Advies en termijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de commissie cultureel erfgoed voor advies. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de commissie cultureel erfgoed schriftelijk advies uit aan
                                het college. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften verbonden aan de
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>RIJKSMONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd
                                rijksmonument aan de commissie cultureel erfgoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie cultureel erfgoed adviseert schriftelijk over de
                                aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het
                                afschrift.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt
                                de commissie cultureel erfgoed geacht geadviseerd te hebben.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SUBSIDIE INSTANDHOUDING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Toepassing Algemene subsidieverordening gemeente
                                Lansingerland</titel></kop><al>De Algemene subsidieverordening gemeente Lansingerland 2009 is van
                            toepassing op het verstrekken van subsidies in gevolge deze verordening,
                            behalve voor zover bij of krachtens deze verordening op enig punt van
                            het gestelde bij of krachtens de Algemene subsidieverordening gemeente
                            Lansingerland 2009 wordt afgeweken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>Onderhavig hoofdstuk van deze verordening is van toepassing op
                            subsidieaanvragen voor werkzaamheden aan gemeentelijke monumenten, die
                            beogen de monumentale waarden in stand te houden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks het subsidieplafond vast. Het college
                                kan dit subsidieplafond slechts vaststellen, binnen de door de
                                gemeenteraad vastgestelde begroting;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt het subsidieplafond voor aanvang van het tijdvak
                                waarvoor ze zijn vastgesteld, bekend;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeenteraad kan richtlijnen vaststellen op basis waarvan het
                                vaststellen van het subsidieplafond door het college dient plaats te
                                vinden;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verdeelt het beschikbare subsidiebudget op grond van het
                                subsidiebeleidskader, de nadere regels en de voor het specifieke
                                terrein vastgestelde beleid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Bevoegdheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is - binnen het kader van het jaarlijks vast te stellen
                                subsidieplafond als bedoeld in artikel 17 - bevoegd tot het
                                verlenen, vaststellen en uitbetalen van subsidies als bedoeld in
                                deze verordening;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd tot het intrekken of wijzigen van
                                subsidieverlening- of subsidievaststelling, en tot het geheel of
                                gedeeltelijk terugvorderen van uitbetaalde subsidiegelden; ten
                                aanzien van deze bevoegdheden is afdeling 4.2.6 van de Algemene wet
                                bestuursrecht onverkort van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Subsidietoekenning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de eigenaar van een beschermd gemeentelijk monument kan een
                                subsidie in de kosten van instandhouding van monumentale waarden
                                worden verstrekt;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Beschermde gemeentelijke monumenten in eigendom van de gemeente of
                                andere overheden worden uitgesloten van subsidiëring.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Hoogte subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidie ten behoeve van de instandhouding van een beschermd
                                gemeentelijk monument bedraagt 50% van de door het college
                                vastgestelde subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,-;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De totale subsidie bedraagt 50% van de door het college vastgestelde
                                subsidiabele kosten met een maximum van € 7.500,- per aanvraag bij
                                een ensemble van twee of meer beschermde gemeentelijke monumenten
                                dat eigendom is van dezelfde eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de werkzaamheden, zoals bedoeld in lid één en twee van dit
                                artikel, geheel in zelfwerkzaamheid worden uitgevoerd, wordt alleen
                                subsidie verleend in de materiaalkosten tot 50% van deze kosten met
                                een maximum van € 2.500,-;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komende
                                bijzondere gevallen kan de subsidie op een hoger bedrag worden
                                vastgesteld dan voortvloeit uit het eerste en tweede lid van dit
                                artikel;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid genoemde maximale bedragen kunnen
                                slechts eenmaal per vijf kalenderjaren per object of ensemble worden
                                verstrekt;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Om voor subsidie in aanmerking te komen dienen de goedgekeurde
                                subsidiabele kosten minstens € 500,- te bedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om subsidie moet schriftelijk door de eigenaar bij het
                                college worden ingediend op een daartoe beschikbaar te stellen
                                formulier;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag moet ten minste de volgende gegevens bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>een recent bouwkundig inspectierapport, opgesteld door een,
                                        door het college aanvaardbaar geachte, onafhankelijke
                                        deskundige of instantie;</al></li><li nr="b."><al>een werkomschrijving c.q. bestek;</al></li><li nr="c."><al>een begroting die is gespecificeerd naar activiteit, uren en
                                        materialen;</al></li><li nr="d."><al>foto’s van de huidige toestand en van de directe omgeving
                                        van het monument.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat naast de in het tweede lid genoemde
                                bescheiden nog andere stukken worden overlegd, waaronder:</al></lid><lid><lidnr>§</lidnr><al>tekeningen van zowel de bestaande als de nieuwe toestand;</al></lid><lid><lidnr>§</lidnr><al>een situatietekening (schaal 1:1000) gebaseerd op door of namens het
                                college aangegeven kaartmateriaal, die inzicht geeft in de situering
                                van het monument.</al></lid><lid><lidnr>§</lidnr><al>de plattegrond van iedere verdieping van het monument (schaal
                                1:100);</al></lid><lid><lidnr>§</lidnr><al>lengte- en dwarsdoorsneden (schaal 1:100);</al></lid><lid><lidnr>§</lidnr><al>alle gevelaanzichten (schaal 1:100);</al></lid><lid><lidnr>§</lidnr><al>relevante details die verband houden met het uiterlijk van het
                                monument (schaal 1:10).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Aanvullende gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag niet volledig is, of niet is voorzien van alle in
                                artikel 21 genoemde bescheiden, dan wel wanneer de aangeleverde
                                gegevens onvoldoende duidelijk zijn om de aanvaag in behandeling te
                                kunnen nemen, doet het college daarvan binnen vier weken na
                                ontvangst schriftelijk mededeling aan de aanvrager;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvrager dient binnen de in de mededeling aangegeven termijn
                                zijn aanvraag aan te vullen met de nog ontbrekende gegevens of deze
                                gegevens desgevraagd te verduidelijken. Indien de gevraagde gegevens
                                en/of duidelijkheid niet binnen deze termijn zijn verstrekt, wordt
                                de aanvraag niet in behandeling genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Advies Commissie cultureel erfgoed</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens het college een beslissing neemt op een subsidieaanvraag
                                kan het college advies inwinnen van de Commissie cultureel
                                erfgoed;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Commissie cultureel erfgoed adviseert binnen acht weken na
                                ontvangst van de adviesaanvraag aan het college;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de adviestermijn in bijzondere gevallen verlengen
                                met maximaal acht weken. Van deze beslissing wordt de aanvrager in
                                kennis gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Beschikking subsidieverlening</titel></kop><al>Voorafgaande aan de subsidievaststelling wordt op de aanvraag een
                            beschikking tot subsidieverlening gegeven. Het college geeft deze
                            beschikking binnen acht weken, nadat de Commissie cultureel erfgoed
                            advies heeft uitgebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Subsidie wordt in ieder geval geweigerd:</al><lijst><li nr="1."><al>indien de vergunning, bedoeld in artikel 11 e.v. van de
                                    Monumentenwet 1988 dan wel artikel 2.2 van de Wabo, niet is
                                    verleend;</al></li><li nr="2."><al>indien met de werkzaamheden is begonnen, voordat de eigenaar van
                                    het college een beschikking tot subsidieverlening heeft
                                    ontvangen, dan wel bericht heeft gekregen welke kosten als
                                    subsidiabele kosten zijn aangemerkt;</al></li><li nr="3."><al>als de kosten op grond van een verzekeringsovereenkomst zijn
                                    gedekt;</al></li><li nr="4."><al>indien het beschermde gemeentelijke monument waarop de aanvraag
                                    betrekking heeft niet is verzekerd onder een zogenaamde
                                    uitgebreide opstalverzekering, gebaseerd op de (herbouw)waarde
                                    van het monument;</al></li><li nr="5."><al>als dezelfde werkzaamheden binnen een periode van vijf jaar
                                    voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend al
                                    voor subsidie in aanmerking zijn gekomen;</al></li><li nr="6."><al>als door het verlenen van subsidie het in artikel 17 bedoelde
                                    subsidieplafond wordt overschreden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Kettingbeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in dit hoofdstuk opgenomen subsidieverplichtingen gelden zowel
                                voor de eigenaar aan wie de subsidie wordt verleend als voor iedere
                                opvolgende eigenaar van het beschermde gemeentelijke monument,
                                tenzij hierna in dit artikel anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij iedere overdracht of overgang van de eigendom, het recht van
                                erfpacht of opstal ten aanzien van een beschermd gemeentelijk
                                monument of deel daarvan, rust zowel op de vervreemdende als de
                                verkrijgende partij(en) de plicht om het college hiervan
                                schriftelijk in kennis te stellen, met dien verstande dat wanneer
                                een van de partijen aan deze verplichting heeft voldaan de andere
                                daarvan is ontheven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij elke overdracht van de eigendom, het recht van erfpacht of
                                opstal, is de overdragende partij gehouden van de wederpartij te
                                bedingen dat deze op zich neemt de verplichtingen jegens de
                                gemeente, zoals beschreven in dit hoofdstuk, met dien verstande dat
                                ingeval de overdracht plaatsvindt na de voltooiing van de
                                werkzaamheden, de oplegging van de verplichtingen, achterwege kan
                                blijven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De overdragende partij is verplicht om het college tijdig in kennis
                                te stellen van uur en plaats van overdracht, zodat de gemeente bij
                                de overdracht vertegenwoordigd kan zijn, teneinde het ten haren
                                behoeve gemaakte beding, als bedoeld in het vorige lid, bij de akte
                                te doen aanvaarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Termijn aanvang en beëindiging werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar is verplicht om zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk
                                binnen zes maanden na verlening van de subsidie, te beginnen met de
                                uitvoering van de werkzaamheden. Als niet aan deze verplichting
                                wordt voldaan, komt de subsidieverlening te vervallen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eigenaar moet, met gebruikmaking van een daartoe door het college
                                beschikbaar gesteld formulier, twee weken voor aanvang van de
                                werkzaamheden hiervan melding maken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De werkzaamheden moeten uiterlijk binnen twaalf maanden na
                                verzending van het besluit tot subsidieverlening zijn voltooid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij onvoorziene omstandigheden, die buiten de directe invloedsfeer
                                van de aanvrager liggen, kan het college de in het eerste en tweede
                                lid genoemde termijnen op verzoek van de aanvrager schriftelijk
                                verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Toezicht</titel></kop><al>De eigenaar is verplicht om aan door het college aangewezen personen van
                            de gemeente toegang tot de werkplaats(en) en het werk te verlenen,
                            alsook inzage te geven in alle op het werk betrekking hebbende
                            stukken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Verzekering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar is verplicht het gemeentelijke monument verzekerd te
                                houden onder een zogenaamde uitgebreide opstalverzekering, zodanig
                                dat de kosten van herstel of herbouw steeds door de verzekering
                                voldoende gedekt zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van schade, ook wanneer daarvoor geen verzekeringsdekking
                                zou bestaan, is de eigenaar gehouden tot volledig herstel dan wel
                                herbouw van het beschermde gemeentelijke monument in de staat waarin
                                het zich bevond op het moment van het ontstaan van de schade.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Onderhoud</titel></kop><al>Na voltooiing van de werkzaamheden is de eigenaar verplicht het
                            beschermde gemeentelijke monument te onderhouden in de staat waarin het
                            door de werkzaamheden is gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Ontheffing</titel></kop><al>Het college kan uit overwegingen van redelijkheid en billijkheid van de
                            verplichtingen, zoals omschreven in dit hoofdstuk, gehele of
                            gedeeltelijke ontheffing verlenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Gereedmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen dertien weken na het gereedkomen van de werkzaamheden dient
                                de aanvrager, met gebruikmaking van een daartoe door het college
                                beschikbaar gestelde formulier, een verklaring in dat de
                                werkzaamheden zijn afgerond.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling van de
                                definitieve subsidie en om uitbetaling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gereedmelding c.q. aanvraag tot vaststelling van de definitieve
                                subsidie gaat vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al>in tweevoud en gerelateerd aan de ingediende begroting een
                                        verantwoording van de gemaakte kosten, onder overlegging van
                                        (kopieën van) de betreffende facturen en
                                        betalingsbewijzen;</al></li><li nr="b."><al>een verklaring van de verzekeringsmaatschappij waaruit
                                        blijkt dat het gemeentelijk monument voldoende verzekerd
                                        is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de gereedmelding naar het oordeel van het college niet
                                voldoet aan het bepaalde in het derde lid, doen zij daarvan binnen
                                vier weken na ontvangst schriftelijk mededeling aan de aanvrager,
                                onder vermelding van de nog te verstrekken gegevens.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanvrager moet binnen de in de mededeling aangegeven termijn de
                                ontbrekende gegevens alsnog aanleveren of deze gegevens desgevraagd
                                verduidelijken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het recht op vaststelling en uitbetaling vervalt, indien niet is
                                voldaan aan het bepaalde in het derde of vijfde lid. De aanvrager
                                ontvangt hiervan een schriftelijk besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De definitieve vaststelling van de hoogte van de subsidieverlening
                                vindt plaats nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>de in de aanvraag opgenomen werkzaamheden conform artikel
                                        32, eerste lid schriftelijk zijn gereed gemeld, onder
                                        overlegging van de daarop betrekking hebbende gegevens,
                                        bedoeld in artikel 32, derde lid;</al></li><li nr="b."><al>de onder a. bedoelde werkzaamheden namens het college zijn
                                        gecontroleerd en akkoord bevonden;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De definitieve subsidie is in principe gelijk aan de verleende
                                subsidie, tenzij de werkelijke subsidiabele kosten hoger of lager
                                zijn dan aanvankelijk geraamd, dan wel er sprake is van meer- of
                                minderwerk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval er sprake is van meerwerk dient de aanvrager vóór aanvang
                                van de betreffende werkzaamheden, hiervoor goedkeuring te vragen aan
                                het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het besluit tot subsidievaststelling wordt binnen acht weken na
                                indiening van de gereedmelding als bedoeld in artikel 32
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Uitbetaling geschiedt binnen acht weken na bekendmaking van het
                                besluit tot subsidievaststelling op een bij de gereedmelding door
                                aanvrager op te geven (post)bankrekeningnummer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In bijzondere gevallen kan het college in het belang van de
                            instandhouding van een beschermd gemeentelijk monument afwijken van de
                            bepalingen van deze verordening. De commissie cultureel erfgoed
                            adviseert over de afwijking.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of
                                zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste
                                behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een
                                naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de schade
                                in relatie staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld in
                                        artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                        vergunning als bedoeld in artikel 10.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de
                                verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van
                                afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening juncto afdeling 6.1 van
                                het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met artikel 10 van deze verordening, wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van
                            ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 1 het college;</al></li><li nr="b."><al>Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 2 het college;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Erfgoedverordening Gemeente Lansingerland 2009 wordt ingetrokken bij
                            inwerkingtreding van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 38 ingetrokken Erfgoedverordening
                                Gemeente Lansingerland 2009 aangewezen en geregistreerde
                                gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd
                                te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 38 ingetrokken verordening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                            van de bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Erfgoedverordening 2011 Gemeente
                            Lansingerland”.</al><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30 juni 2011</al><al/><al>De voorzitter, De griffier,</al><al/><al><vet>A. ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>Bij het opstellen van deze verordening is rekening gehouden met de
                            'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. De bepalingen van de
                            Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek zijn als
                            uitgangspunt genomen. In de verordening zijn geen bepalingen opgenomen
                            met betrekking tot de gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten,
                            ondanks dat hiervan in de gemeentelijke praktijk wel gebruik wordt
                            gemaakt. Al in een voorgaand dereguleringstraject zijn deze artikelen
                            reeds gesneuveld, aangezien het instrument hoge administratieve lasten
                            bij burgers genereert. In het kader van deregulering is ervoor gekozen
                            om deze bepalingen daarom niet opnieuw in de modelverordening op te
                            nemen.</al><al>De huidige wijziging van de verordening houdt onder meer verband met de
                            inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna
                            te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht
                            (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht
                            (hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen:
                            Mor).</al><al/><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een
                            reeks vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren
                            van een fysiek project. De meest bekende daarvan zijn:</al><lijst><li nr="§"><al>de bouwvergunning; </al></li><li nr="§"><al>de aanlegvergunning; </al></li><li nr="§"><al>de sloopvergunning; </al></li><li nr="§"><al>de monumentenvergunning; </al></li><li nr="§"><al>de milieuvergunning; </al></li><li nr="§"><al>de kapvergunning. </al></li></lijst><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle
                            dienstverlening. Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt
                            hiervan een onderdeel. De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de
                            Wabo is de “één loket gedachte”. Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een
                            nader te bepalen moment in 2010 één omgevingsvergunning hoeft aan te
                            vragen voor zijn project. De aanvrager geeft aan op welke activiteiten
                            (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking heeft. Voor de
                            erfgoedverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de omgevingsvergunning
                            voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in één verzoek
                            worden aangevraagd. De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één
                            bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de
                            aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming.</al><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester
                            en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden
                            verricht. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te
                            nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.
                            In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt.
                            Een minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze
                            gevallen als het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn
                            aangewezen in artikel 3.3 van de Wabo. Gedeputeerde staten van de
                            provincie is bevoegd gezag indien het gaat om de meer complexere
                            categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I van het Bor
                            omschreven.</al><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning
                            en ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De
                            toestemmingstelsels die altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn
                            volledig in de Wabo geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de
                            betreffende wetten of verordeningen vervallen. Het gaat om een
                            procedurele integratie van de verschillende toestemmings-stelsels. De
                            inhoudelijke beoordeling vindt gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de
                            verschillende toetsingskaders niet zijn geïntegreerd. Het toetsingskader
                            van de Wabo bestaat derhalve uit een optelling van de afzonderlijke
                            toetsingskaders. Deze verschillende toetsingskaders wegen allen even
                            zwaar.</al><al/><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere
                            voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure.
                            Slechts op een enkel punt is voor deze beide procedures afgeweken van de
                            reguliere- en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van de
                            Awb. Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig
                            zijn wordt door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning
                            ingediend. De aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te
                            delen in deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een
                            afzonderlijke omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een
                            onderdeel van het project dat fysiek te scheiden is van de andere
                            onderdelen van het totale project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke
                            verbondenheid”. Het criterium van de onlosmakelijkheid is neergelegd in
                            artikel 2.7 Wabo. Van onlosmakelijke samenhang is sprake als de
                            activiteiten zien op dezelfde handeling. Het gaat dan om een activiteit
                            die tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden als een andere activiteit
                            als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van de Wabo.</al><al/><al>Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij vormen
                            een en dezelfde handeling die binnen twee of meer
                            activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
                            activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de
                            handeling op te knippen in deelvergunningen. Een omgevingsvergunning
                            voor een deelproject geeft de bevoegdheid het deelproject ook
                            daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld behoefte
                            bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp
                            gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden
                            wat door verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning
                            voor het bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd
                            worden en de werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van
                            de omgevingsvergunning ook starten. Vervolgens kan een
                            omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen worden aangevraagd. Het
                            gaat om verschillende besluiten waartegen een afzonderlijke
                            rechtsbeschermingsprocedure open staat. Daarnaast heeft de aanvrager de
                            mogelijkheid om een gefaseerde omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij
                            bepaalt zelf welke activiteit wordt gefaseerd. De beoordeling in de
                            eerste fase is erop gericht te onderzoeken of één van de door de
                            aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het oprichten en
                            inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een
                            gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                            volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                            mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en
                            een volledige vergunning is verkregen. De tweede fase
                            omgevingsbeschikking bevat de noodzakelijke toestemmingen die niet in
                            een eerste fase zijn vergund. Door aanvraag van een omgevingsbeschikking
                            eerste fase kan een financieel risico voor de aanvrager worden beperkt.
                            Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle indieningsvereisten te voldoen.
                            Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking is dat bij de
                            beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige activiteiten
                            (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria van
                            de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag
                            worden ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking
                            is genomen een aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend.
                            Beide beschikkingen treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen
                            staat rechtsbescherming op grond van de Awb open.</al><al>De monumentenvergunning uit de model-erfgoedverordening integreert
                            volledig in de omgevings-vergunning, omdat het om plaatsgebonden
                            activiteiten gaat. Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het
                            verboden is zonder een omgevingsvergunning een krachtens een verordening
                            aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig
                            opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                            op een wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een
                            extra overweging voor het volledig integreren van de
                            monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van
                            de monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening
                            van de bouwvergunning of de aanlegvergunning.</al><al>De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels.
                            Het college blijft hiervoor het bevoegd gezag. Het inhoudelijke
                            toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de gemeentelijke
                            monumenten is in de verordening bepaald.</al><al/><al><vet>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Sub a:</al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                            uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de
                            omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De
                            cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan
                            een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat
                            is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                            van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime
                            omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met
                            een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde. Het begrip
                            ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                            uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische
                            waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld
                            ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is
                            niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt
                            teneinde over een gemeentelijk monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is
                            immers een veel ruimer begrip. Omdat de 50-jaargrens voor
                            rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is overgenomen, biedt
                            de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog) niet op de
                            rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, reeds op de
                            gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. Uitgangspunt in deze
                            verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen onroerende zaken
                            worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming vormt een
                            probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen worden
                            verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                            de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard
                            onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status
                            krijgen, op basis van de redengevende omschrijving.</al><al/><al>Sub b:</al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                            aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst
                            heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve
                            handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing
                            tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker
                            om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie
                            ook de toelichting op artikel 3, eerste lid en artikel 7.</al><al/><al>Sub c:</al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten
                            bij de begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar
                            de Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als
                            een onroerend monument dat is ingeschreven in een ingevolge de
                            Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op de vergunningverlening voor
                            rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van toepassing.</al><al/><al>Sub d:</al><al>Sinds de komst van de Wet dualisering in 2002 kan elk bevoegd orgaan in
                            de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                            instellen. De commissie cultureel erfgoed is een commissie die het
                            college adviseert. In de Erfgoedverordening wordt door de raad bepaald
                            dat commissie cultureel erfgoed advies moet uitbrengen aan het bevoegd
                            gezag. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van
                            deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling
                            van een commissie moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag over
                            aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in
                            artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De wetgever geeft hier dus
                            aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien
                            van het instellen van een commissie. Het instellen van de commissie
                            cultureel erfgoed door het college moet door middel van een apart
                            college-besluit. De taken van de commissie cultureel erfgoed strekken
                            zich uit over de Erfgoedverordening, de Monumentenwet 1988 en de Wabo.
                            Door de commissie cultureel erfgoed in deze begripsomschrijving bevoegd
                            te verklaren over de toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd
                            gezag, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15 van de
                            Monumentenwet 1988. Overigens kan de monumenten-commissie worden
                            gecombineerd met een welstandscommissie.</al><al/><al>Sub e:</al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                            burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in
                            hoofdzaak afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting
                            wordt verwezen naar de algemene toelichting behorend bij deze
                            verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><structuurtekst><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                            toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het
                            college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de
                            aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van een monument</titel></kop><al>Het betreft hier met name de gebruiksmogelijkheden die de
                            eigenaar/gebruiker zelf aan het object toekent. Deze
                            gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de ligging van het
                            object, maar ook het feitelijke gebruik van het object zelf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><al>Lid 1:</al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                            monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De
                            aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de
                            gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve handeling.
                            Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                            college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing
                            worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten
                            opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk
                            gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). De
                            aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert
                            immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik van het
                            monument. Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden
                            wat betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers,
                            de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning
                            (zie art. 10, tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie
                            art. 10, derde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale
                            onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning
                            voor het bouwen is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de
                            burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende
                            omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het
                            object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en
                            voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke
                            afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare
                            bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld
                            voor wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                            omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen
                            een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al/><al>Lid 2:</al><al>Het college moet het advies inwinnen van de commissie cultureel erfgoed
                            als bedoeld onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet
                            aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak
                            en werkwijze van de commissie cultureel erfgoed bepaalt, is daarvoor de
                            aangewezen plaats. In de verordening is geen bepaling opgenomen dat
                            voordat het college over een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager
                            en andere belanghebbenden worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in
                            (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al/><al>Lid 3:</al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie
                            reeds op een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing
                            als gemeentelijk monument in aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                            monumenten zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in
                            de periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een
                            monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het
                            daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de
                            artikelen 10 tot en met 12 van deze verordening van toepassing zijn. Dat
                            betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure
                            tot beschermd gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken,
                            gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een gemeentelijke
                            monumentenvergunning of anders dan de bij nadere regels opgestelde
                            wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan
                            motiveringsplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker
                            financiële consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de
                            voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden opgeschort. Het
                            inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                            beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a,
                            sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid
                            publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder
                            andere artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de
                            aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade. Daarom moet een
                            gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de
                            voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6 van deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de commissie
                            cultureel erfgoed moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing
                            moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden,
                            weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn. Het bepaalde in het
                            tweede lid heeft tot gevolg dat, wanneer de commissie cultureel erfgoed
                            niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder
                            advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht
                            advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te
                            betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb
                            sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 Awb staat voor
                            de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep
                            open die ook tegen een reëel besluit open zou staan. Het artikel bevat
                            geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de Awb dat
                            afdoende regelt (afdeling 3.6 Awb).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een
                            afschrift van de inschrijving)van het college is voor alle aan het
                            monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel
                            belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook
                            te herleiden tot artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b,
                            sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende
                            zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van toepassing op
                            een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze verordening.
                            Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                            bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al
                            bepaalt (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van
                            geadresseerde en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op
                            grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te
                            ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en
                            geen besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om
                            een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument
                            zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste
                            aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid
                            (aanwijzing).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van
                            gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                            voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de
                            wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de
                            aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid
                            4).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                            monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is
                            het advies van de commissie cultureel erfgoed nodig, tenzij sprake is
                            van spoedeisende gevallen (lid 2). Monumenten op de gemeentelijke
                            monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn
                            gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college
                            van de monumentenlijst gehaald. Naast de registratie regelt lid 3 dat
                            monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn in het
                            geval dat het object ook als rijks- of provinciaal monument is
                            aangewezen en geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke
                            aanwijzing en registratie als monument. Ook is het mogelijk dat de
                            provinciale monumentenverordening dit zelf regelt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis
                            met artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de
                            beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het
                            alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de aanvraag om
                            omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is van belang dat het
                            verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens is geregeld in de Awb
                            (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In het kader van de Wabo
                            dient de gemeente een aanvraag langs elektronische weg mogelijk te
                            maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend met behulp van een
                            door de Minister van VROM vastgesteld formulier. De Regeling
                            omgevingsrecht (Mor) voorziet in nadere regels met betrekking tot de
                            indieningsvereisten voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In
                            paragraaf 5.2 van de Mor zijn specifieke indienings-vereisten opgenomen
                            voor activiteiten met betrekking tot monumenten. De aard, de omvang en
                            de locatie van de werkzaamheden bepalen welke indieningsvereisten
                            gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van deze
                            indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                            administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de
                            indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk
                            gehouden te worden. In het derde lid van artikel 10 wordt de
                            mogelijkheid geschapen voor het college om nadere regels te stellen die
                            in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod uit het eerste lid en
                            de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet alleen op
                            vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van nadere
                            regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het
                            bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen
                            aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn.
                            Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden
                            opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen
                            (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van
                            identieke materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure.
                            In deze nadere regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd
                            waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter
                            duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere)
                            wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in algemene
                            regels worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve
                            lasten worden geconfronteerd. In de nadere regels
                            (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                            uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                            monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en
                            monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts
                            staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat
                            maatwerk kan worden geleverd. Praktisch gezien gaat een medewerker
                            monumentenzorg van de gemeente, op locatie en gezamenlijk met de
                            initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk zijn aan de
                            hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het object
                            niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Advies en termijnen</titel></kop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                            omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                            voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging
                            ten opzichte van de oude Erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de
                            voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                            voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond
                            van de Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning
                            betreffende de gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere
                            activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van
                            de andere activiteiten de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure
                            op grond van de Wabo gevolg moet worden dan wordt voor het hele project
                            de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt
                            van de Wabo is dat altijd maar één procedure geldt. Indien er sprake is
                            van een samenloop van procedure geldt de zwaarste procedure (de
                            uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure). Aangezien veelal de
                            reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om deze
                            hieronder nader toe te lichten.</al><al/><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen
                            van de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. De
                            reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij
                            titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte
                            ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd
                            gezag zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een
                            bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure
                            zal worden doorlopen, de beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen
                            en indien de reguliere procedure wordt gevolgd vermeldt het bevoegd
                            gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven, indien niet
                            tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en
                            bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt
                            het bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de
                            door hem gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de
                            aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag,
                            nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het
                            bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een
                            beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het bevoegd orgaan
                            eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in te
                            brengen (artikel 4:8 Awb). Het bestuursorgaan kan bij verordening op
                            grond van artikel 2.26, derde lid, Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen
                            die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen. In artikel
                            11 is bepaald dat het bevoegd gezag onmiddellijk een afschrift van de
                            ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan
                            de commissie cultureel erfgoed voor advies zendt. Het uitbrengen van een
                            advies staat het nemen van een besluit niet in de weg. Wordt het advies
                            niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het bevoegd gezag de
                            procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van 8
                            weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes
                            weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde
                            manier mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage
                            gelegd waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het
                            besluit treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking en wordt
                            opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is
                            verstreken. In het derde lid van artikel 3.9 van de Wabo is een
                            positieve fatale beslistermijn opgenomen. Deze positieve fatale
                            beslistermijn houdt in dat de overschrijding van de beslistermijn leidt
                            tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De omgevingsvergunning wordt
                            conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van de fictieve
                            vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn
                            van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid
                            en 4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met
                            ingang van de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de
                            termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien
                            bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van
                            de toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                            toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het
                            kader van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van
                            monumenten in het geding is. Inhoudelijk kan worden aangegeven dat het
                            belang van de monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen
                            (bijvoorbeeld het economisch belang). De tekst van het artikel geeft
                            namelijk aan dat het belang van de monumentenzorg zich niet tegen de
                            vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg
                            centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit artikel worden
                            verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang van de
                            monumentenzorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te
                            trekken. De bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de
                            omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument
                            wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe
                            belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument
                            behoren voor te gaan. In dat geval moet het college mogelijkheden hebben
                            om de vergunning in te trekken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>RIJKSMONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><al>Lid 1:</al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning
                            voor beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en
                            afdeling 3.4 van de Awb. De uitgebreide openbare
                            voorbereidings-procedure is van toepassing. Hierin verschilt de
                            omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                            omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning
                            als bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd
                            te worden. Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging
                            in de voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor
                            beschermde Rijks-monumenten plaats. Door dit onderscheid in procedures
                            is de beslistermijn voor beide omgevings-vergunningen niet gelijk. Dit
                            heeft tot gevolg dat de adviestermijn voor beschermde Rijksmonumenten
                            ook langer zal zijn. Door de komst van de Wabo wordt de kring van
                            belanghebbenden vergroot. Gedurende de termijn van terinzageligging kan
                            een ieder een zienswijze indienen. Voorheen konden alleen
                            belanghebbenden zienswijzen indienen.</al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                            Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                            verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet
                            binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen.</al><al>Op het definitieve besluit kan nog slechts door een beperkte groep van
                            belanghebbende beroep worden ingesteld (zie de toelichting bij artikel
                            11). Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op
                            verschillende wijzen invulling te geven. De voorgenomen beperking
                            adviesplicht van de rijksdienst zal ingaande 2009 zal op bovenstaande
                            van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte advisering in het
                            wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband met onder
                            meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                            monumentenvergunning’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is van
                            reconstructie, sloop en herbestemming van een rijksmonument zal de
                            adviesplicht van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen
                            van het advies van de rijksdienst zullen alle gemeenten ingaande 2009
                            een commissie cultureel erfgoed moeten hebben aangesteld, die
                            onafhankelijk en deskundig is. Het overgangsartikel 64 in de
                            monumentenwet, waarin de rijksdienst bij afwezigheid van een commissie
                            cultureel erfgoed in diens advisering trad, is ingetrokken. Indien het
                            monument buiten de bebouwde kom ligt, is het college verplicht om een
                            afschrift van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de
                            adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan niet
                            tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is
                            gewenst dat GS reeds op voorhand kenbaar maakt in welke gevallen zij
                            niet adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden
                            gehaald.</al><al/><al>Leden 2 en 3:</al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                            aanvragen om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt
                            ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit wettelijke vereiste door het
                            ontbreken van het advies van de commissie cultureel erfgoed tot
                            moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is in het derde
                            lid bepaald dat de commissie cultureel erfgoed geacht wordt te hebben
                            geadviseerd na het verstrijken van de in het tweede lid gestelde
                            adviestermijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>SUBSIDIE INSTANDHOUDING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks het subsidieplafond vast. Dit is een
                            wijziging met de voorgaande Erfgoedverordening gemeente Lansingerland
                            2009. De raad hoeft dus op basis van de Algemene subsidieverordening
                            gemeente Lansingerland 2009 niet specifiek een subsidieplafond voor
                            gemeentelijke monumenten vast te stellen, dit is aan het college. Het
                            college kan dit subsidieplafond echter slechts vaststellen, binnen de
                            door de gemeenteraad vastgestelde begroting. Via het budgetrecht kan de
                            raad erop toezien dat de begroting in evenwicht is (artikel 189
                            Gemeentewet).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Subsidietoekenning</titel></kop><al>Subsidie wordt verleend voor de instandhouding van beschermde
                            gemeentelijke monumenten, niet zijnde bezit van de gemeentelijke of een
                            andere overheid. Beoogd wordt het plegen van preventief en structureel
                            onderhoud van beschermde gemeentelijke monumenten te stimuleren. De
                            levensduur van de oorspronkelijk toegepaste materialen wordt door het
                            plegen van preventief en structureel onderhoud verlengd en
                            cultuurhistorische waarden daarmee geborgd. Het gehanteerde uitgangspunt
                            hierbij is dat behoud gaat voor herstel en herstel voor vervanging.
                            Beoogd neveneffect is dat restauratiewerkzaam-heden hierdoor minder
                            frequent noodzakelijk zullen zijn. Naast onderhoudswerkzaamheden worden
                            - in beperkte mate - herstelkosten subsidiabel gesteld. De subsidie is
                            echter niet van toepassing als er sprake is van restauratieplan. In
                            geval een eigenaar tot restauratie van zijn of haar object overgaat,
                            bestaat de mogelijkheid een beroep te doen op het Cultuurfonds voor
                            Monumenten Zuid-Holland.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Hoogte subsidie</titel></kop><al>De gemeente stelt op basis van de door de aanvrager aangeleverde
                            bescheiden de subsidiabele kosten vast. Voor de berekening van de
                            subsidiabele kosten wordt de Leidraad BRIM Subsidiabele
                            Instandhoudingkosten 2011 gehanteerd. Deze Leidraad is ontwikkeld voor
                            het vaststellen van subsidiabele instandhoudingkosten bij het verlenen
                            van subsidie voor rijksmonumenten. De Leidraad geeft inzicht in de
                            werkzaamheden die in aanmerking komen voor subsidieverlening. In deze
                            Leidraad is het te vergoeden percentage en de maximaal verkrijgbare
                            subsidie bepaald. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen beschermde
                            gemeentelijke monumenten die geen en die wel deel uitmaken van een
                            ensemble. In geval twee of meer gemeentelijke monumenten deel uitmaken
                            van een ensemble en één eigenaar hebben, wordt een lager subsidiebedrag
                            beschikbaar gesteld dan voor twee of meer afzonderlijke gemeentelijke
                            monumenten aangezien er van uit wordt gegaan dat de kosten van
                            instandhoudingwerkzaamheden bij het gelijktijdige uitvoeren lager zullen
                            zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Subsidieaanvraag</titel></kop><al>In artikel 21 zijn onder het tweede lid de indieningvereisten
                            aangegeven. Op basis van de geleverde bescheiden moet de gemeente in
                            staat zijn de subsidiabele kosten te kunnen bepalen. Een bouwkundig
                            inspectierapport geeft een overzicht van de staat van onderhoud en een
                            indicatie op welke termijn onderhoudswerkzaamheden dienen te worden
                            uitgevoerd. De werkomschrijving (of bestek) en de daarbij behorende
                            begroting moeten – in samenhang met het inspectierapport - dusdanig zijn
                            ingericht dat de gemeente de subsidiabele kosten kan bepalen. Dit houdt
                            in dat de werkzaamheden naar soort en naar onderdeel moet zijn
                            gespecificeerd (activiteit, manuren en materialen). Als bijvoorbeeld
                            schilderwerkzaamheden worden beschreven en het beschermde gemeentelijke
                            monument een moderne aanbouw heeft die niet onder de bescherming valt,
                            zijn de schilderwerkzaamheden van deze moderne uitbouw niet subsidiabel.
                            Uit het inspectierapport, het bestek en de begroting moet kunnen worden
                            afgeleid over welke opgevoerde posten geen subsidie beschikbaar wordt
                            gesteld. Indien naar het oordeel van de gemeente de bescheiden
                            onvoldoende inzicht geven in de werkzaamheden, kunnen aanvullende
                            bescheiden worden gevraagd (derde lid). Het zal in deze gevallen vooral
                            gaan om werkzaamheden die verder reiken dan onderhoud alleen, derhalve
                            werkzaamheden waarbij sprake is van kleine restauratieve ingrepen. </al><al>Om de administratieve lasten voor de aanvrager te beperken wordt bij de
                            aan te leveren bescheiden zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de
                            bescheiden die reeds zijn aangeleverd in het kader van bij de aanvraag
                            om omgevingsvergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Advies Commissie cultureel erfgoed</titel></kop><al>Het college kan de Commissie cultureel erfgoed verzoeken een advies te
                            geven over een subsidieaanvraag, maar is dit niet verplicht. Als sprake
                            is van reguliere onderhoudswerkzaamheden waarbij geen sprake is van
                            partieel herstel of een deelrestauratie kan het college besluiten af te
                            zien van een advies van de Commissie cultureel erfgoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Beschikking subsidieverlening</titel></kop><al>In geval een advies van de Commissie cultureel erfgoed conform het
                            gestelde bij de toelichting van artikel 23 niet noodzakelijk is, wordt
                            de beschikking binnen acht weken na het indienen van een ontvankelijke
                            aanvraag gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>In artikel 25 worden de weigeringgronden genoemd. In lid f wordt bepaald
                            dat er geen beschikking kan worden gegeven op het moment dat het
                            subsidieplafond wordt overschreden (zie ook de toelichting op artikel
                            17). Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst. In
                            geval een subsidie-aanvraag niet kan worden gehonoreerd omdat het
                            subsidieplafond daarmee wordt overschreden, schuift de aanvraag door
                            naar het daarop volgende jaar. Het is daarom raadzaam dat eigenaren
                            geruime tijd voorafgaande aan de aanvraag hun voornemen tot
                            onderhoudswerkzaamheden kenbaar maken bij de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Kettingbeding</titel></kop><al>Het kettingbeding is opgenomen om er voor zorg te dragen dat
                            verplichtingen jegens de gemeente ten gevolge van een toegekende
                            subsidie worden overgedragen op de opvolgende eigenaar, bijvoorbeeld
                            wanneer een subsidiebeschikking is afgegeven en de werkzaamheden zijn
                            uitgevoerd, maar de definitieve vaststelling van de subsidie nog niet
                            heeft plaatsgevonden op het moment dat de overdracht van een beschermd
                            gemeentelijk monument plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Termijn aanvang en beëindiging werkzaamheden</titel></kop><al>Met de bepalingen van dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat
                            toegekende subsidie onnodig lang dient te worden gereserveerd. Plannen
                            dienen met voortvarendheid te worden uitgevoerd. In voorkomende gevallen
                            kan het college gebruik maken van de in het vierde lid geformuleerde
                            afwijkingbevoegdheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Toezicht</titel></kop><al>Dit artikel is opgenomen om te waarborgen dat de gemeente erop kan
                            toezien dat de werkzaamheden waarvoor subsidie is aangevraagd worden
                            verricht op een wijze die overeenkomen met de instandhoudingplannen
                            zoals deze bij de gemeente zijn ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Verzekering</titel></kop><al>De tekst uit de oude verordening kon discussie oproepen over wat herstel
                            in de oude staat is. Om te voorkomen dat de eigenaar het gemeentelijke
                            monument moet herstellen in de staat waarin het ooit gebouwd werd, is nu
                            opgenomen dat het gaat om het herstel in de staat waarin het zich bevond
                            op het moment van het ontstaan van de schade. Dit voorkomt extra hoge
                            kosten voor de eigenaar gelet op onder andere het historisch onderzoek
                            (hoe heeft het object er bij de oprichting uitgezien?) en gebruik van
                            oude materialen. Wel dient in ogenschouw te worden genomen dat de staat
                            waarin het object zich bevond op het moment van het ontstaan van de
                            schade moet overeenstemmen met de staat op het moment van aanwijzing als
                            gemeentelijk monument en eventueel daarna met vergunning of toestemming
                            van het college aangebrachte wijzigingen. Hiermee wordt voorkomen dat de
                            verplichting geldt voor herstel of herbouw van het gemeentelijke
                            monument inclusief illegaal uitgevoerde werkzaamheden aan het object.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><al>Het kan voorkomen dat men tijdens het verrichten van de
                            instandhoudingwerkzaamheden op zaken stuit die noodzakelijkerwijs moeten
                            worden verholpen. In het werk kan bijvoorbeeld blijken dat een venster
                            houtrot heeft. Het heeft geen zin het venster te schilderen als men het
                            hout niet repareert. De kosten van dergelijk en ander meerwerk dient aan
                            de gemeente te worden gemeld om eventueel subsidiabel gesteld te kunnen
                            worden. Als de meerkosten in aanmerking komen voor subsidie, wordt dit
                            schriftelijk door de gemeente aan de aanvrager bevestigd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt
                            dat de monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling
                            rechtsgeldig is (BR 86,604). In deze modelverordening is gekozen voor
                            een gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke
                            gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het college mogelijk een
                            schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing
                            op de nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van
                            artikel 10, derde lid. De strafbaarstelling van de omgevings-vergunning
                            voor gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten
                            (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of in strijd met
                            de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch delict.</al><al>Artikel 154, eerste lid, van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid
                            aan de raad om op overtreding van verordeningen straf stellen, maar geen
                            andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of
                            geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de
                            rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht
                            zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                            strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 380,- (januari
                            2010); in de tweede categorie maximaal € 3800,- (januari 2010). Het is
                            de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in
                            genoemde categorieën.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                            modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving.
                            Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij het eerste lid,
                            onder a en b, worden de ambtenaren aangewezen die zijn belast met de
                            opsporing. Het aanwijzen van toezichthouders ingevolge het tweede lid
                            kan door het college geschieden. Deze aanwijzingsbevoegdheid staat los
                            van de vergunningverlening en valt derhalve buiten het bereik van de
                            Wabo. De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in
                            hoofdstuk 5, waarin algemene regels worden gegeven voor de
                            bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en
                            individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in artikel
                            5:11 Awb omschreven als zijnde personen die bij of krachtens wettelijk
                            voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van
                            het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de
                            aanwijzing van toezichthouders derhalve in de Erfgoedverordening kan
                            plaatsvinden. In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel
                            neergelegd, wat inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts
                            mag uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn
                            taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet te allen
                            tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                            toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten
                            worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
                            noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de
                            naleving waarvan een toezichthouder moet toezien. Op basis van artikel
                            5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met
                            uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. 'Plaatsen'
                            is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                            terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier
                            vermeld dat het college op grond van dit artikel niet zelf
                            opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering.
                            Dat kan en hoeft het college ook niet te doen aangezien artikel 142,
                            eerste lid sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij verordening
                            aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                            buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een
                            opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude Erfgoedverordening, zodat
                            niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen.
                            Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege
                            worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling
                            ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                            bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd
                            duidelijk welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling
                            gebaseerde beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging
                            van bestaande rechten is daarom in deze verordening een
                            overgangsbepaling opgenomen. De bestaande rechten betreffen in dit geval
                            de aanwijzing tot monument (artikel 3) en de vergunningverlening
                            (artikel 10). In het eerste lid worden de op grond van de oude
                            verordening op de gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten
                            geacht te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe
                            verordening. In het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een
                            omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend
                            vóór het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op
                            grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode zullen
                            er dus twee procedures gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de
                            Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is getreden zet de
                            Wabo de bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat namelijk
                            voor op lagere regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van
                            rechtswege onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning
                            gelden dan de bepalingen uit de Wabo.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                            Gemeentewet plaatsvinden ten minste acht dagen voor
                            inwerkingtreding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>