<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR11722_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-04-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>DE VERORDENING</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Zandvoort:</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3
                        maart 2009, nr. 2009/02/2996;</al><al>gelet op de overwegingen van de commissie Planning en Control ;</al><al>overwegende dat het gewenst is regels te stellen voor de subsidietoekenning
                        aan instellingen voorzover een andere wettelijke regeling of gemeentelijke
                        verordening hierin niet voorziet;</al><al>gelet op artikel 147 c.q. 149 van de Gemeentewet en titel 4.2 van de
                        Algemene wet bestuursrecht;</al><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te
                        stellen:</al><al><vet>Algemene subsidieverordening 2009</vet>.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><structuurtekst><al>Begripsbepalingen</al><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>het college:</vet> het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Zandvoort;</al></li><li nr="b."><al><vet>de raad:</vet> de gemeenteraad van Zandvoort.</al></li><li nr="c."><al><vet>instelling:</vet> elke organisatie met volledige
                                    rechtsbevoegdheid, niet zijnde een publiekrechtelijke instantie,
                                    die zich de behartiging van door de gemeenteraad erkende
                                    belangen van ideële en/of materiele aard ten doel stelt, of de
                                    natuurlijke of rechtspersoon, daaronder begrepen een zelfstandig
                                    onderdeel van een rechtspersoon;</al></li><li nr="d."><al><vet>product: </vet>een concreet en meetbaar voortbrengsel van
                                    het handelen van een instelling</al></li><li nr="e."><al><vet>subsidie:</vet> de aanspraak op financiële middelen, door
                                    het college verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van
                                    de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het college
                                    geleverde goederen of diensten;</al></li><li nr="f."><al><vet>werkplan:</vet> een overzicht van de door de instelling
                                    voorgenomen activiteiten, waarbij tevens is aangegeven op welke
                                    wijze deze activiteiten zullen worden bekostigd;</al></li><li nr="g."><al><vet>activiteiten:</vet> bezigheden van een instelling ter
                                    verwezenlijking van haar doelstelling.</al></li><li nr="h."><al><vet>commissie:</vet> de bevoegde commissie van advies uit de
                                    gemeenteraad.</al></li><li nr="i."><al><vet>subsidieplafond:</vet> het bedrag dat gedurende een bepaald
                                    tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van
                                    subsidies.</al></li><li nr="j."><al><vet>uitwerkingsovereenkomst: </vet>een schriftelijk vastgelegde
                                    afspraak met betrekking tot de budgetsubsidiëring tussen de
                                    instelling en het college over de besteding door de instelling
                                    van de door het college toegekende subsidie, bepalend hierbij is
                                    het vooraf maken van prestatieafspraken als voorwaarde voor de
                                    subsidietoekenning.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte verordening</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op alle aanvragen om verstrekking van
                            een subsidie voor activiteiten, die het belang van de gemeente Zandvoort
                            dienen. Uitzondering vormen door het college uit te voeren
                            bekostigingsregelingen van het Rijk dan wel de provincie, voor zover
                            daarin de wijze van bekostiging dwingend is voorgeschreven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad is bevoegd tot het vaststellen en wijzigen van deze
                                verordening en nadere regelgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd tot het uitvoeren van deze verordening
                                waaronder begrepen het beslissen op subsidieaanvragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Nadere regelgeving</titel></kop><al>Bij afzonderlijke verordening en besluiten kan de gemeenteraad nadere
                            regels stellen betreffende de eisen waaraan instellingen binnen een
                            bepaalde werkvorm moeten voldoen om voor subsidie in aanmerking te
                            komen, alsmede betreffende de grondslag en de wijze van berekening van
                            de subsidie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Algemene voorwaarden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Er worden in principe alleen activiteiten gesubsidieerd die
                                    georganiseerd worden door rechtspersoonlijkheid bezittende
                                    instellingen die statutair gevestigd zijn in Zandvoort en die
                                    zich zonder winstoogmerk activiteiten ten doel stellen ter
                                    behartiging van belangen van ideële en/of materiele aard ten
                                    behoeve van de Zandvoortse bevolking.</al></li><li nr="2."><al>In bijzondere gevallen kan subsidie worden verleend ten behoeve
                                    van door natuurlijke in Zandvoort woonachtige personen
                                    georganiseerde activiteiten. De in deze verordening opgenomen
                                    bepalingen vinden voor zover mogelijk overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Subsidiëring van niet-Zandvoortse instellingen is mogelijk
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten in Zandvoort plaatsvinden en niet reeds
                                            door een Zandvoortse instelling worden uitgevoerd dan
                                            wel;</al></li><li nr="b."><al>de activiteiten zijn gericht op uitwerking van
                                            gemeentelijke beleidsdoelstellingen en die een regionaal
                                            draagvlak vereisen en niet door een Zandvoortse
                                            organisatie reeds worden uitgevoerd.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Democratisering</al><al>Een instelling betrekt de deelnemers, cliënten, vrijwilligers en
                                    beroepskrachten naar het oordeel van het college in voldoende
                                    mate bij het beleid van de instelling en bij de uitvoering
                                    daarvan.</al></li><li nr="5."><al>De in het vierde lid bedoelde participatie dient te zijn
                                    geregeld in statuten, huishoudelijk reglement en/of een
                                    afzonderlijk bestuursbesluit.</al></li><li nr="6."><al>Overleg en samenwerking</al><al>Instellingen nemen, indien daartoe noodzaak bestaat, deel aan
                                    onderling overleg en samenwerking met het college dan wel met
                                    door het college aan te wijzen organen en instellingen.</al><al>7.Antidiscriminatie</al><al>Een instelling draagt binnen de doelstelling zorg voor het
                                    voorkomen en het tegengaan van enige activiteit, die
                                    discriminatie oplevert wegens godsdienst, levensovertuiging,
                                    politieke gezindheid, ras, geslacht, burgerlijke staat,
                                    leeftijd, seksuele voorkeur, of op welke grond dan ook.</al><al>8.Emancipatie</al><al>Een instelling voert een beleid ten aanzien van de emancipatie
                                    van vrouwen, ouderen en migranten. Dit dient te blijken uit het
                                    personeelsbeleid, de werkwijze en de bestuurssamenstelling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Bijzondere voorwaarden</titel></kop><al>Het college kan gehoord de betrokken raadscommissie, naast de bepalingen
                            van deze verordening, bijzondere voorwaarden doen opnemen in de
                            uitwerkingsovereenkomst bedoeld in artikel 1 sub j.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Toetsingsmomenten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de hand van de verordening wordt getoetst of de aanvraag voldoet
                                aan de gestelde vereisten voor de vorm en informatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidieaanvraag wordt getoetst op inhoudelijke relevantie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In financieel technisch opzicht wordt de aanvraag getoetst aan het
                                door de gemeenteraad bij de begroting jaarlijks vastgestelde
                                subsidieplafond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag tot subsidieverstrekking dient vóór 1 april van de
                                periode voorafgaand aan het jaar ten behoeve waarvan subsidie wordt
                                gevraagd schriftelijk middels een subsidieformulier te worden
                                ingediend bij het college, tenzij het gaat om aanvragen ingevolge
                                artikel 11 of 12. Voor de instellingen vallend onder artikel 9 of 10
                                van deze verordening kan het college in geval van gemotiveerde
                                omstandigheden besluiten uitstel te verlenen voor een door het
                                college te bepalen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de in het tweede lid bedoelde aanvraag wordt de instellingen
                                gevraagd de volgende zaken te overleggen:</al><lijst><li nr="a."><al>een werkplan waarin een duidelijke beschrijving is opgenomen
                                        van de producten waarop de subsidieaanvraag betrekking
                                        heeft, in de bedoelde beschrijving dient in ieder geval tot
                                        uiting te komen de aard, omvang en intensiteit van de
                                        geplande producten, de doelgroepen voor welke de producten
                                        zijn bestemd, het verwachte aantal deelnemers en de
                                        locatie(s) waar het product tot stand komt;</al></li><li nr="b."><al>productbegroting, waarbij alle kosten en opbrengsten aan het
                                        product zijn toegerekend, inclusief de personeelslasten en
                                        de huisvestingslasten;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht van de te heffen contributies en bijdragen
                                        en/of van de te hanteren tarieven en toegangsprijzen;</al></li><li nr="d."><al>een algemene begroting van baten en lasten van de instelling
                                        waarin de producten zijn opgenomen waarvoor subsidie wordt
                                        aangevraagd, evenals de behoefte aan doelgebonden
                                        reserveringen voor groot onderhoud van accommodaties en
                                        investeringen voor duurzame goederen zoals apparatuur en
                                        uniformen, gebaseerd op een meerjarenplan voor groot
                                        onderhoud en investeringen;</al></li><li nr="e."><al>een jaarverslag van de in het voorgaande jaar tot stand
                                        gebrachte producten met een beschrijving van de resultaten,
                                        evenals een balans;</al></li><li nr="f."><al>een jaarrekening en, indien zulks naar oordeel van het
                                        college nodig, een accountantsrapport over het voorafgaande
                                        jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Subsidies worden verstrekt als;</al><lijst><li nr="a."><al><vet> jaarlijkse subsidie</vet>, in de vorm van een
                                        waarderingssubsidie, exploitatiesubsidie of een
                                        budgetsubsidie.</al></li><li nr="b."><al><vet> incidentele subsidie</vet>, in de vorm van een
                                        eenmalige subsidie, garantie subsidie of een
                                        investeringssubsidie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij een eerste subsidieaanvraag overlegt de instelling tevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de oprichtings- of stichtingsakte</al></li><li nr="b."><al>een exemplaar van de statuten van de instelling</al></li><li nr="c."><al>een exemplaar van het huishoudelijk reglement</al></li><li nr="d."><al>een beschrijving van de organisatievorm van de
                                        instelling</al></li><li nr="e."><al>een actuele opgave van de bestuurssamenstelling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan voorts:</al><lijst><li nr="a."><al>Modellen vaststellen voor de aan te leveren bescheiden voor
                                        de subsidie aanvraag.</al></li><li nr="b."><al>Nadere richtlijnen vaststellen waaraan de subsidie aanvraag
                                        en de financiële stukken moeten voldoen;</al></li><li nr="c."><al>Binnen een door hen te bepalen termijn overlegging van
                                        andere stukken of anderszins nadere informatie verlangen
                                        indien zij dat voor de beoordeling van de aanvraag nodig
                                        achten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college verleent ontheffing voor één of meer in het tweede lid
                                gestelde eisen indien de naleving daarvan redelijkerwijs niet kan
                                worden verlangd of daarmee geen aanwijsbaar belang is gediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Jaarlijkse subsidie in de vorm van waarderingssubsidie /
                                exploitatiesubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder een jaarlijkse subsidie wordt verstaan een subsidie, bestemd
                                om gedeeltelijke bekostiging van de activiteiten in een bepaald
                                kalenderjaar te kunnen laten plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidieaanvraag dient minimaal te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>een subsidieformulier en /of een werkplan en een begroting
                                        voor het desbetreffende jaar;</al></li><li nr="b."><al>en / of de gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de
                                        subsidie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een eerste subsidieaanvraag overlegt de instelling tevens de in
                                artikel 8 lid 4 gevraagde informatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Budgetsubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder een budgetsubsidie wordt verstaan een subsidietoekenning, op
                                basis van vooraf gemaakte prestatieafspraken, waarmee activiteiten
                                kunnen worden bekostigd en welke kan worden verleend voor een
                                langere periode dan één jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag voor een budgetsubsidie dient de gegevens te bevatten
                                als genoemd in artikel 9 en daarnaast minimaal de aspecten te
                                bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>een onderbouwde opgave van het bedrag dat de instelling
                                        denkt nodig te hebben voor het uitvoeren van de
                                        activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>aard en omvang van de activiteiten;</al></li><li nr="c."><al>de doelgroep(en) waarop de activiteiten betrekking
                                        hebben;</al></li><li nr="d."><al>de beoogde prestaties;</al></li><li nr="e."><al>een balans van het voorafgaande jaar met toelichting.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Incidentele subsidie in de vorm van een eenmalige
                                subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder een incidentele subsidie wordt verstaan een subsidie die
                                betrekking heeft op een bepaalde activiteit met een eenmalig
                                karakter of een project.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag om verstrekking van een incidentele subsidie moet
                                tenminste 6 weken voor de aanvang van de activiteit of het project,
                                waarvoor de subsidie wordt gevraagd schriftelijk worden ingediend
                                bij het college. Voor een aanvraag, waarover gelet op artikel 15 lid
                                6 de raad beschikkingsbevoegdheid heeft, geldt in afwijking hiervan
                                een termijn van 13 weken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een aanvraag dienen naast het bepaalde in artikel 8 lid 4, de
                                volgende gegevens te worden overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>een begroting;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van het doel en de opzet van de activiteit
                                        waarvoor de subsidie wordt gevraagd;</al></li><li nr="c."><al>de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de
                                        subsidie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Investeringssubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder een investeringssubsidie wordt verstaan een subsidie voor de
                                bekostiging van de bouw, verbouw, aanpassing of aankoop van een
                                accommodatie en terrein, alsmede de aanschaf van duurzame
                                gebruiksgoederen ten behoeve van de uitvoering van
                                activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag om verlening van een investeringssubsidie moeten
                                naast het bepaalde in artikel 8 lid 4, worden overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>een bouwplan, een gespecificeerde begroting daarvan en een
                                        gespecificeerde begroting van de inrichtingskosten, of voor
                                        zover het de aanschaffing van een duurzaam goed betreft,
                                        tenminste twee offertes;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de vermoedelijke omvang en intensiteit van
                                        het gebruik van het gebouw, van de lokaliteit of het
                                        duurzaam goed;</al></li><li nr="c."><al>plan tot financiering van de investering en de
                                        exploitatiebegroting voor de investering.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Subsidieverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overleg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treedt bij een aanvraag om een subsidie in overleg met
                                de instelling teneinde tot overeenstemming te komen omtrent de van
                                de instelling te verlangen activiteiten en prestaties en omtrent de
                                subsidievoorwaarden zoals genoemd in artikel 15. Het overleg kan
                                achterwege blijven indien het college en de instelling hiermee beide
                                instemmen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Leidt dit overleg tot overeenstemming dan stelt het college de
                                gemeenteraad voor te besluiten tot subsidiering overeenkomstig het
                                overeengekomene;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Leidt zulks niet tot overeenstemming, dan maakt het college in het
                                voorstel aan de gemeenteraad, om al dan niet tot toekennen van een
                                subsidie over te gaan, in ieder geval melding van de afwijkende
                                opvatting van de instelling en geven zij gemotiveerd aan waarom zij
                                die opvatting niet delen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het subsidieplafond en de wijze van verdeling over de verschillende
                                beleidsposten wordt via de gemeentebegroting jaarlijks door de
                                gemeenteraad vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het subsidieplafond wordt bekend gemaakt voor de aanvang van het
                                tijdvak waarvoor het is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de bekendmaking van het subsidieplafond wordt de wijze van
                                verdeling vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een subsidieplafond dreigt te worden overschreden, geeft het
                                college bij de verdeling van het beschikbare budget die aanvragen
                                voorrang waarvan de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen
                                naar verwachting:</al><lijst><li nr="a."><al>van meer belang zijn voor het beleid waarvoor de
                                        gemeenteraad en/of het college de verantwoordelijkheid
                                        dragen;</al></li><li nr="b."><al>meer zullen bijdragen aan de verwezenlijking van het doel
                                        van de subsidie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Subsidiebeschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college maakt de beslissing op een jaarlijkse subsidie dan wel
                                een budgetsubsidie, uiterlijk 4 weken na de vaststelling van de
                                gemeentebegroting bekend aan de aanvrager, indien deze een volledige
                                aanvraag heeft ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt de beslissing op een incidentele subsidie dan wel
                                een investeringssubsidie uiterlijk binnen 8 weken na de indiening
                                van de aanvraag bekend aan de aanvrager. Aan een verleende c.q.
                                vastgestelde incidentele subsidie kunnen nimmer rechten op
                                voortzetting van subsidie worden ontleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn bij
                                gemotiveerd besluit met ten hoogste twee maanden verlengen. Zij
                                stelt de instelling hiervan voor de afloop van de termijn in
                                kennis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de in het eerste en tweede lid bedoelde beslissing wordt
                                aangegeven welk bedrag voor welke activiteit en voor welke periode
                                op basis van welke grondslag wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de beschikking tot verlening van een budgetsubsidie wordt
                                aangegeven welk bedrag de instelling voor ieder jaar wordt verleend,
                                op basis van welke grondslag alsmede op welke wijze het verleende
                                bedrag jaarlijks kan worden geïndexeerd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Beslissingen over aanvragen boven de € 5.000,00 zijn voorbehouden
                                aan de gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan aan een beschikking tot verlening van een subsidie
                                voorwaarden verbinden. Bij het verlenen van een budgetsubsidie wordt
                                in ieder geval bij de voorwaarden zo concreet mogelijk aangegeven
                                welke prestaties door de instelling met het ter beschikking gestelde
                                budget verricht moeten worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De subsidieverlening kan naast de in artikel 4:25 en 4:35
                                    Algemene wet bestuursrecht genoemde gevallen geweigerd worden,
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten van de aanvrager niet in het algemeen
                                            belang van de gemeente Zandvoort zullen zijn;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager ook zonder subsidieverlening over voldoende
                                            gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen
                                            van derden, kan beschikken om de kosten van de
                                            activiteiten te dekken.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De subsidieverlening wordt in ieder geval geweigerd, indien zij
                                    niet past binnen het beleid van de gemeenteraad en/of het
                                    college.</al></li><li nr="3."><al>De subsidieverlening wordt in ieder geval geweigerd, indien de
                                    instelling niet en/of niet tijdig, alle benodigde informatie
                                    verstrekt voor de beoordeling van het subsidieverzoek.</al><al>4 De subsidieverlening kan geweigerd worden indien de
                                    activiteiten van de aanvrager reeds door een Zandvoortse of
                                    gesubsidieerde niet-Zandvoortse instelling werden
                                    uitgevoerd.</al><al>5 De subsidieverlening wordt geweigerd wanneer door verstrekking
                                    van de subsidie het subsidieplafond wordt overschreden.</al></li><li nr="6."><al>Indien aan een instelling voor drie of meer achtereenvolgende
                                    jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak
                                    dezelfde voortdurende activiteiten, kan de subsidie voor een
                                    daarop aansluitend tijdvak slechts met inachtneming van een
                                    redelijke termijn geheel of gedeeltelijk geweigerd worden op de
                                    grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten
                                    zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting
                                    verzetten.</al></li><li nr="7."><al>Het college kan weigeren een aangevraagde beschikking te geven
                                    dan wel kan het college een gegeven beschikking intrekken,
                                    indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden
                                    gebruikt om:</al><lijst><li nr="a."><al>uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te
                                            verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten,
                                            of</al></li><li nr="b."><al>strafbare feiten te plegen.</al></li></lijst></li><li nr="8."><al>Voordat een beslissing als bedoeld in het zevende lid wordt
                                    genomen, kan het college het Bureau BIBOB om een advies vragen.
                                    Een adviesaanvraag bij Bureau BIBOB schort de
                                    behandelingstermijn met maximaal 8 weken op.</al></li><li nr="9."><al>Het college geeft in een beleidsregel aan bij welk type
                                    subsidieaanvragen gebruik zal worden gemaakt van het BIBOB
                                    instrument.</al></li><li nr="10."><al>Alvorens een subsidieverlening op grond van lid 7 van dit
                                    artikel of op grond van artikel 4:25 en 4:35 Algemene wet
                                    bestuursrecht wordt geweigerd, stelt het college de instelling
                                    in de gelegenheid door of namens het college te worden
                                    gehoord.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Beschikking tot bevoorschotting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een subsidie in de regel bij wijze van voorschot
                                betaalbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zij bepaalt de hoogte van het voorschot en het aantal termijnen
                                waarin dit betaalbaar wordt gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zijn aan een subsidiebeschikking voorwaarden verbonden dan zal niet
                                tot bevoorschotting worden overgegaan dan nadat de instelling
                                schriftelijk heeft verklaard in te stemmen met de gestelde
                                voorwaarden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Verplichtingen van de instelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Rapportage bij een jaarlijkse subsidie of een
                                investeringssubsidie</titel></kop><al>Een instelling waaraan een jaarlijkse subsidie of een
                            investeringssubsidie is verleend, legt ter definitieve vaststelling
                            daarvan aan het college voor 1 april van het jaar volgend op het
                            kalenderjaar waarvoor het subsidie is verleend over:</al><lijst><li nr="a."><al>een door het bestuur gewaarmerkt verslag van de verrichtte
                                    activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>een door het bestuur gewaarmerkte rekening van baten en lasten
                                    en in verband met de vermogensomvang een bijhorende balans,
                                    alsmede een toelichting daarop, voorzien van een verslag van een
                                    kascontrolecommissie.</al></li><li nr="c."><al>de rekening moet op dezelfde wijze zijn ingericht als de bij het
                                    verzoek om subsidie overgelegde begroting; indien zulks naar het
                                    oordeel van het college nodig is vergezeld van een verklaring
                                    ten aanzien van de doelmatigheid en de rechtmatigheid van de
                                    besteding van de subsidie door bij voorkeur een
                                    registeraccountant.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Rapportage budgetsubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uiterlijk 1 april van het jaar volgend op het subsidiejaar brengt de
                                instelling verslag uit van de in het afgelopen jaar geleverde
                                prestaties, vergezeld van een financiële en inhoudelijke
                                rapportage.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het afleggen van verantwoording is standaard een verklaring ten
                                aanzien van de doelmatigheid en de rechtmatigheid van de besteding
                                van de subsidie door bij voorkeur een registeraccountant
                                noodzakelijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Rapportage incidentele subsidie</titel></kop><al>De instelling waaraan een incidentele subsidie is verleend, is verplicht
                            binnen drie maanden na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is
                            verleend, aan het college te overleggen een cijfermatig en inhoudelijk
                            en financieel onderbouwd verslag van de door de instelling uitgevoerde
                            activiteit(en) en de wijze van besteding van de subsidie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>subsidievaststelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><al>1.Het college stelt de op basis van artikel 9 en 12 verleende subsidie
                            definitief vast binnen zes maanden na de ontvangst van de in artikel 18
                            bedoelde gegevens en bescheiden.</al><al>2 Het college stelt de op basis van artikel 10 verleende subsidie
                            definitief vast binnen zes maanden na afloop van de periode waarvoor de
                            subsidie is verleend na ontvangst van de in artikel 19 bedoelde
                            bescheiden.</al><al>3 Het college stelt de op basis van artikel 11 verleende subsidie
                            definitief vast binnen drie maanden na de ontvangst van de in artikel 20
                            bedoelde bescheiden.</al><al>4 Het college kan de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn bij
                            gemotiveerd besluit met ten hoogste drie maanden verlengen. Zij stellen
                            de instelling hiervan voor de afloop van de in het eerste en tweede lid
                            bedoelde termijn in kennis.</al><al>5 Indien uit de overgelegde bescheiden blijkt dat de verleende subsidie
                            overeenkomstig haar bestemming is gebruikt, vindt definitieve
                            vaststelling dienovereenkomstig plaats.</al><lijst><li nr="6."><al>Het college kan besluiten tot definitieve vaststelling op een
                                    lager dan het aanvankelijk verleende bedrag indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de instelling het werkplan niet of in onvoldoende mate
                                            heeft gerealiseerd;</al></li><li nr="b."><al>de instelling de voorschriften verbonden aan de
                                            beschikking tot subsidieverlening niet of niet volledig
                                            is nagekomen;</al></li><li nr="c."><al>de instelling onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                            verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                            gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                                            subsidieverlening zou hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening onjuist was en de instelling dit
                                            wist of behoorde te weten.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Het college kan in het geval van een waarderingssubsidie, een
                                    exploitatiesubsidie, een eenmalige subsidie, een
                                    garantiesubsidie of een investeringssubsidie, de
                                    subsidieverlening overslaan en direct een beschikking tot
                                    subsidievaststelling geven. Artikel 15 lid 1,2,3,4 en lid 6 en 7
                                    en artikel 16 zijn in dat geval van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li><li nr="8."><al>Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling
                                    binnen vier weken na de subsidievaststelling betaald, onder
                                    verrekening van betaalde voorschotten.</al></li><li nr="9."><al>Het college kan, volgens daartoe in de uitwerkingsovereenkomst
                                    bij de beschikking vastgelegde afspraken, eventuele
                                    huurbedragen, welke verschuldigd zijn voor huur van
                                    gemeentelijke accommodaties, en overige vorderingen op de
                                    instelling, verrekenen bij de uitbetaling van de subsidie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bij de verlening en/of vaststelling van een subsidie
                                de door de instelling gevormde financiële reserves en/of
                                voorzieningen op het subsidiebedrag in mindering brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt afhankelijk van de aard en omvang van de
                                activiteiten van de instelling welk percentage van de jaarlijkse
                                exploitatie-uitgaven mag worden aangehouden als grondslag voor de
                                vorming van een algemene reserve. Als norm wordt hierbij uitgegaan
                                van een percentage van maximaal 15 procent.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan overschrijding van het in het tweede lid bedoelde
                                maximum toestaan. Zij kan deze overschrijding binden aan een termijn
                                en aan hun beslissing voorschriften verbinden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het hanteren van overige dan de in lid 2 bedoelde reserves en
                                voorzieningen is slechts mogelijk indien hiervoor nadrukkelijk
                                toestemming is verleend door het college. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onttrekkingen aan bestemmingsreserves mogen alleen aan de daarvoor
                                met toestemming verleende doelen worden besteed. De instelling dient
                                onttrekkingen aan deze reserves te verantwoorden in de jaarrekening.
                            </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De omvang van een voorziening dient te zijn gebaseerd op een
                                meerjarenraming van de ten laste van de voorziening te brengen
                                kosten.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een instelling brengt het voornemen tot het bezwaren van onroerend
                                goed met zakelijke rechten of tot vervreemding of wijziging van de
                                bestemming van onroerend goed dat mede met financiële inspanning van
                                het gemeentebestuur tot stand is gekomen of in stand is gehouden,
                                onverwijld ter kennis van het college.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De instelling is bij bezwaring, vervreemding of wijziging van de
                                bestemming van het onroerend goed, bedoeld in het zevende lid, een
                                vergoeding verschuldigd welke door het college wordt
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Een voorgenomen bezwaring, vervreemding of wijziging van de
                                bestemming van het onroerend goed, bedoeld in lid 7, mag niet
                                plaatsvinden voordat het college de in het achtste lid bedoelde
                                vergoeding hebben vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Meerjarigheid subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidies worden toegekend voor de in artikel 15, vierde lid,
                                bedoelde periode, tenzij de aard van het product, de relatie met de
                                uitvoerende instelling of andere dringende redenen naar het oordeel
                                van het college een kortere of langere periode verlangt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de uitwerkingsovereenkomst bij de in artikel 21, tweede lid
                                bedoelde beschikking tot vaststelling van de subsidie, kan in geval
                                van aanpassing van het jaarlijkse subsidiebedrag en de door de
                                instelling te heffen contributies, bijdragen, tarieven en
                                toegangsprijzen jaarlijks uitgegaan worden van nader te bepalen
                                indexcijfers.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij meerjarige subsidietoekenning dient de instelling jaarlijks de
                                in artikel 10, tweede lid, gevraagde gegevens te leveren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien uit de in lid 3 bedoelde gegevens blijkt dat de instelling de
                                overeengekomen producten volgens plan blijft leveren, zendt het
                                college aan de instelling een opgaaf van het budget, zoals dat is
                                aangepast volgens lid 2 van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien uit de in lid 3 bedoelde gegevens blijkt dat de
                                overeengekomen producten in mindere omvang en/of kwaliteit door de
                                instelling worden geleverd, past het college de subsidie daarop aan
                                en geeft vervolgens uitvoering aan het bepaalde in lid 2 van dit
                                artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Ontsnappingsbepaling meerjarigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een meerjarige subsidie tussentijds met inachtneming
                                van een redelijke termijn beëindigen of wijzigen indien veranderde
                                omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate
                                tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie
                                verzetten. Alvorens daartoe te besluiten hoort het college de
                                betrokken raadscommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij tussentijdse wijziging van de subsidie worden de verlangde
                                producten in overleg met de instelling aangepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij tussentijdse beëindiging of wijziging van de subsidie, als
                                bedoeld in het eerste lid, vergoedt het college de instelling de
                                kosten, welke hiervan het directe gevolg zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Intrekking en wijziging subsidieverlening met terugwerkende
                                kracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, zolang de subsidie niet is vastgesteld, besluiten
                                de subsidieverlening met terugwerkende kracht in te trekken of ten
                                nadele van de instelling te wijzigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet
                                        geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de instelling heeft gehandeld in strijd met de aan de
                                        subsidie verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de instelling onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                        verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                        gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                                        subsidieverlening zou hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening onjuist was en de instelling dit wist
                                        of behoorde te weten.</al></li><li nr="e."><al>er ernstige vermoedens of duidelijke aanwijzingen zijn van
                                        wanbeheer of fraude.</al></li><li nr="f."><al>de doelstelling van de instelling is gewijzigd, dan wel de
                                        instelling niet of onvoldoende overeenkomstig haar
                                        doelstelling werkzaam is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De intrekking werkt terug tot het tijdstip waarop de subsidie is
                                verleend, tenzij bij de intrekking of de wijziging anders is
                                bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan het besluit tot intrekking en wijziging van de subsidie
                                verlening wordt geen toepassing gegeven dan nadat de betrekken
                                instelling door of namens het college is gehoord.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Intrekking en wijziging van de subsidievaststelling met
                                terugwerkende kracht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de subsidievaststelling met terugwerkende kracht
                                    intrekken of ten nadele van de instelling wijzigen:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van feiten of omstandigheden waarvan zij bij de
                                            subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte
                                            konden zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan
                                            overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn
                                            vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>indien de subsidievaststelling onjuist was en de
                                            instelling dit wist of behoorde te weten;</al></li><li nr="c."><al>indien de instelling na de subsidievaststelling niet
                                            heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden
                                            verplichtingen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De subsidievaststelling kan niet worden ingetrokken of ten
                                    nadele van de instelling worden gewijzigd indien vijf jaren zijn
                                    verstreken sedert de dag waarop zij is bekend gemaakt, dan wel,
                                    in het geval bedoeld in lid 1 sub c, sedert de dag waarop de
                                    handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag
                                    waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan.</al></li><li nr="3."><al>Artikel 25 lid 2 en 3 zijn bij de intrekking of wijziging van de
                                    subsidievaststelling van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>1.Indien een subsidie krachtens het bepaalde in artikel 25 en artikel 26
                            is ingetrokken of gewijzigd, is de instelling waaraan krachtens deze
                            verordening een subsidie, dan wel een of meer voorschotten daarop, is
                            uitbetaald, een door het college te bepalen vergoeding
                            verschuldigd.</al><al> 2. Bij het bepalen van de hoogte van deze vergoeding wordt rekening
                            gehouden met het totaalbedrag van het aan de instelling verleende
                            subsidie, het aantal jaren gedurende welke subsidie is verleend, de
                            verhouding tussen het gemeentelijke subsidie en de overige inkomsten van
                            de instelling en de eventuele wijziging in de waarde van
                            vermogensbestanddelen sinds zij zijn verworven.</al><lijst><li nr="3."><al>Alvorens de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt
                                    vastgesteld, wint het college het advies in van de betrokken
                                    raadscommissie.</al></li><li nr="4."><al>De vergoeding moet worden voldaan binnen de door het college
                                    aangegeven termijn en op de door hen aangegeven wijze.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Intrekking en wijziging lopende subsidieverlening voor de
                                toekomst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het college de
                                subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn voor de
                                toekomst intrekken of ten nadele van de instelling wijzigen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de subsidieverlening onjuist is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten
                                        zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde
                                        voortzetting van de subsidie verzetten;</al></li><li nr="c."><al>de instelling niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze
                                        verordening of de in de desbetreffende deelverordening
                                        gestelde voorwaarden om voor subsidiëring in aanmerking te
                                        komen, behoudens voor zover daarvan vrijstelling is
                                        verleend;</al></li><li nr="d."><al>het financieel beheer of de administratie van de instelling
                                        niet aan redelijk te stellen eisen voldoet en de instelling
                                        nalaat de door of namens het college ter zake gegeven
                                        aanwijzingen stipt na te komen;</al><lijst><li nr="e."><al>de instelling wordt opgeheven of haar doelstelling
                                                wordt gewijzigd dan wel de uit de doelstelling
                                                voortvloeiende activiteiten werden ingekrompen,
                                                tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming
                                                hebben verleend;</al></li><li nr="f."><al>zodra ten aanzien van de instelling de staat van
                                                faillissement wordt uitgesproken.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid sub a en b
                                vergoedt het college de onevenredige schade die de instelling lijdt,
                                doordat zij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan
                                zij zonder subsidie zou hebben gedaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid is artikel
                                25 lid 3 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een instelling is verplicht aan het college dan wel de door dit
                                college aangewezen ambtenaren op eerste verzoek onverwijld alle
                                inlichtingen te verstrekken die nodig kunnen zijn voor een
                                verantwoorde beoordeling van de aanvraag om verstrekking van een
                                gemeentelijk subsidie dan wel van de door de instelling uitgevoerde
                                activiteit en de aan de subsidie gegeven bestemming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zo nodig geeft de instelling daartoe inzage in haar boeken en
                                administratie op de plaats en wijze als verzocht en verschaft zij
                                het college dan wel de door dit college aangewezen ambtenaren, te
                                allen tijde toegang tot alle ruimten welke onder haar beheer staan,
                                voor wat woningen betreft evenwel slechts voor zover de instelling
                                daartoe gerechtigd is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De instelling brengt het voornemen tot het geheel of gedeeltelijk
                                staken van de productie onverwijld ter kennis van het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Beheer en administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De (financiële) administratie van een instelling, wordt gevoerd
                                volgens een algemeen gebruikelijke structuur en dient zodanig te
                                zijn ingericht en te worden bijgehouden, dat zij te allen tijde een
                                getrouw en inzichtelijk beeld geeft van de ondernomen activiteiten
                                    <vet>/ </vet>producten, de bezittingen, de schulden, het eigen
                                vermogen en de financiële resultaten van de instelling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle inkomsten en uitgaven van de instelling moeten aannemelijk zijn
                                en uit de kasstukken moet de aard van de geleverde goederen en
                                diensten blijken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het boekjaar van de instelling dient gelijk te zijn aan het
                                kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De instelling dient zorg te dragen voor een overzichtelijke
                                administratie van de gegevens die nodig zijn om vast te stellen of
                                de instelling voldoet aan de voor haar geldende eisen en om het
                                subsidie te kunnen berekenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De instelling houdt de administratieve gegevens ten minste vijf
                                jaren na afloop van het boekjaar beschikbaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Door het college aangewezen ambtenaren en/of derdedeskundigen hebben
                                desgevraagd inzage in de boeken en bescheiden, daaronder begrepen
                                adviezen van externe deskundigen, en ontvangen alle inlichtingen,
                                welke voor een juiste uitoefening van hun functie in het algemeen en
                                voor de beoordeling van de levering van de producten in het
                                bijzonder, nodig zijn.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een door het college aangewezen accountant heeft de bevoegdheid tot
                                controle op de verrichte werkzaamheden van de controlerend
                                accountant van de instelling. De instelling draagt er zorg voor dat
                                haar accountant hiermee instemt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Meldingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een instelling stelt het college van elke omstandigheid die kan
                                leiden tot het intrekken of wijzigen van de subsidie onverwijld
                                schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een instelling brengt wijzigingen in statuten en/of het
                                huishoudelijk reglement en in de samenstelling van het bestuur
                                binnen een maand na vaststelling ter kennis van het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Beëindiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beëindigt een subsidie onmiddellijk wanneer:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de instelling bij rechterlijk vonnis geacht wordt geen rechtspersoon
                                te zijn;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de instelling bij rechterlijk vonnis wordt ontbonden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bij de instelling conservatoir beslag is gelegd op het vermogen of
                                een deel daarvan;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>aan de instelling surseance van betaling is verleend;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>het faillissement van de instelling is uitgesproken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Liquidatie instelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De instelling brengt het voornemen tot ontbinding van die instelling
                                onverwijld ter kennis van het college. Hetzelfde geldt voor een
                                voorgenomen vervreemding of bestemmingswijziging van onroerende
                                zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij liquidatie zijn de voorschriften omtrent rekening en
                                verantwoording, alsmede die betreffende vaststelling van subsidie,
                                van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover een batig liquidatiesaldo mede door het toekennen van
                                gemeentelijke subsidie is gevormd, kan het college terugstorting van
                                dit saldo in de gemeentekas verlangen tot het bedrag dat in
                                totaliteit over de jaren heen aan subsidie is ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Vrijstelling /nadere eisen/ontheffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een instelling vrijstelling verlenen van in deze
                                verordening of een deelverordening gestelde eisen. Geen vrijstelling
                                wordt verleend van eisen welke voortvloeien uit de
                                subsidiegrondslag, dan wel betrekking hebben op de bij de
                                subsidieverstrekking gestelde doeleinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan een instelling andere eisen stellen dan de in
                                deze verordening of in een deelverordening gestelde eisen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan gemotiveerd ontheffing verlenen aan de eisen gesteld
                                in deze verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HARDHEIDSCLAUSULE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            de bepalingen in deze verordening buiten toepassing laten of daarvan
                            afwijken, voorzover toepassing gelet op het belang van het doel van de
                            subsidieverordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: “Algemene
                                    subsidieverordening 2009".</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening is van toepassing op de subsidieaanvragen die
                                    betrekking hebben op het begrotingsjaar 2009 en volgende
                                    jaren.</al></li><li nr="3."><al>Zij treedt in werking met ingang van 1 juli 2009.</al></li><li nr="4."><al>De Algemene subsidieverordening 2006 voor de gemeente Zandvoort,
                                    vastgesteld bij raadsbesluit van 30 mei 2006, wordt ingetrokken
                                    op de in het derde lid bedoelde datum.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente
                        Zandvoort</ondertekening><ondertekening>d.d. 21 april 2009</ondertekening><ondertekening>Zandvoort, </ondertekening><ondertekening>de raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE VERORDENING</titel></kop><tussenkop>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><al>Artikel 1</al><al>De meeste begrippen spreken voor zich. Enkele nieuwe begrippen zoals
                    “subsidieplafond” en “uitwerkingsovereenkomst” (behorende bij budgetsubsidie
                    art. 10), werden geïntroduceerd bij de 3<sup>e</sup> tranche van de Algemene Wet
                    Bestuursrecht (hierna te noemen de Awb), waarin nieuwe subsidiespelregels zijn
                    geformuleerd. </al><al>Artikel 2</al><al>Primair gaat het om instellingen die binnen de Gemeente Zandvoort zijn
                    gevestigd, doch ook instellingen die buiten Zandvoort zijn gevestigd maar wel
                    activiteiten uitvoeren die voor de inwoners van Zandvoort van belang kunnen
                    zijn, kunnen in beginsel voor subsidie in aanmerking komen.</al><al>Bij de genoemde bekostigingsregeling als uitzondering, moet met name gedacht
                    worden aan regelingen waarvan de uitvoering dwingend is voorgeschreven, zoals
                    bepaalde onderwijsregelingen, volwasseneneducatie e.d.</al><al>Artikel 3</al><al>Ten gevolge van het dualisme is het wenselijk om expliciet de bevoegdheden van
                    raad c.q. college te onderscheiden.</al><al>Artikel 4</al><al>De verordening schetst de algemeen geldende bepalingen en biedt in dit artikel
                    voldoende ruimte om waar nodig nadere ‘uitvoeringsregels’ vast te stellen. Dit
                    kan gebeuren in de vorm van een verordening, uitwerkingsreglement, criteriumnota
                    dan wel een andere besluitvorm. In beginsel gaat het hier om een
                    raadsbevoegdheid, doch waar het om de feitelijke uitvoering gaat kan de raad
                    besluiten deze bevoegdheid aan het college als dagelijks uitvoerend
                    bestuursorgaan toe te kennen. In de verordening is daar waar nodig rekening mee
                    gehouden.</al><al>Artikel 5</al><al>Uitgangspunt is dat een gesubsidieerde instelling rechtspersoonlijkheid
                    beschikt, blijkend uit een statutaire inschrijving. In uitzonderingsgevallen kan
                    dit ook gebeuren aan niet-rechtspersoonlijkheid bezittende instellingen te weten
                    natuurlijke personen. Bij instellingen als rechtspersoon is de vereniging
                    gezamenlijk verantwoordelijk en dus ook aansprakelijk terwijl bij natuurlijke
                    personen hoofdelijke aansprakelijkheid bestaat.</al><al>Artikel 6</al><al>Dit artikel is bedoeld om specifieke voorwaarden die voor een bepaald instelling
                    gelden en waar budgetsubsidiëring als subsidievorm wordt gehanteerd, in een
                    extra document (de uitwerkingsovereenkomst) vast te leggen. Dit is in
                    overeenstemming met het karakter van de verordening (zie art. 3). De
                    uitwerkingsovereenkomst moet gezien worden als een bijlage van de beschikking
                    waarin de nadere voorwaarden worden vastgelegd. </al><al>Artikel 7</al><al>Met het subsidietoetsingskader zoals hier aangegeven wordt gedoeld op
                    achtereenvolgens de voorschriften die zijn opgenomen in de Awb, dan de
                    onderhavige Algemene subsidieverordening 2009 en tot slot eventueel aanvullende
                    uitvoeringsregels.</al><al>Lid 3 is in de Awb opgenomen teneinde een gemeente de mogelijkheid te bieden een
                    subsidieplafond in de begroting op te nemen, waarmee voorkomen wordt dat
                    subsidiering in bepaalde situaties een niet gewenst ‘open einde’ karakter kan
                    hebben. Deze bepaling is daarmee van belang voor een budgettaire beheersing van
                    de begrotingsgelden.</al><al>Artikel 8</al><al>De voorschriften waaraan een subsidieaanvrage moet voldoen worden hier expliciet
                    aangegeven. Op enkele voorwaarden c.q. bepalingen wordt extra aandacht gevestigd
                    zoals </al><al>het tijdstip van 1 april (voorgeschreven in de Awb)</al><al>In de verordening is in artikel 8 lid 1 de datum van 1 april opgenomen als
                    uiterste datum van indiening van de jaarlijkse aanvragen om structurele
                    subsidie. Deze datum is zodanig gekozen om de relevante vakafdelingen de tijd te
                    geven alle aanvragen op hun merites te beoordelen. Daarna kunnen de aanvragen
                    hun weg op de budgetcyclus vervolgen tot aan de begrotingsbehandeling door de
                    gemeenteraad in november. Ervaring leert dat deze tijd nodig is. De meeste
                    instellingen hebben in het algemeen geen problemen met het tijdig inleveren van
                    de vereiste bescheiden. Ervaring opgedaan in meerdere jaren leert dat voor het
                    merendeel van de budgetgesubsidieerde instellingen de grenswaarde niet haalbaar
                    is. Dit komt onder meer door het gebonden zijn aan andere boekhoudcycli. Uitstel
                    van indiening kan door het college worden verleend op basis van een verzoek met
                    valide argumentatie. </al><al>Lid 2 spreekt van ‘normaliter’ over te leggen stukken en biedt derhalve
                    voldoende ruimte voor uitzonderingen, waar dit niet strikt noodzakelijk is
                    (eenvoudigere bepalingen gelden bijv. voor de waarderingssubsidies)</al><lijst><li nr="-"><al>statutaire documenten en dergelijke bij een eerste subsidieaanvraag</al></li><li nr="-"><al>desgewenst nadere modellen c.q. richtlijnen wanneer het college dat
                            noodzakelijk acht</al></li><li nr="-"><al>eveneens een ontheffingsmogelijkheid (zie tevens lid 6)</al></li></lijst><al>Artikelen 9 t/m 12</al><al>Hier worden de subsidievormen aangehaald zoals voorgesteld in deze verordening,
                    te weten </al><al>a.jaarlijks voorkomende subsidievormen onderverdeeld in:</al><lijst><li nr="i"><al>een waarderingssubsidie voor bedragen tot maximaal € 2.500,- per
                            jaar</al></li><li nr="ii"><al>een exploitatiesubsidie voor bedragen tussen € 2.500,- en € 25.000,- per
                            jaar</al></li><li nr="iii"><al>budgetsubsidie voor bedragen van € 25.000,- en hoger per jaar.</al></li></lijst><al>In grensgevallen bestaat de mogelijkheid van deze indeling af te wijken, waar
                    zulks wenselijk is gelet op aard en omvang van te subsidiëren activiteiten. Het
                    onderscheid zoals hier aangegeven is met name in de verordening opgenomen om
                    onnodige administratieve rompslomp bij subsidieaanvragen van beperkte omvang
                    zoveel mogelijk te voorkomen. De driedeling zoals aangegeven brengt een
                    wenselijke onderverdeling aan, rekening houdend met de zwaarte van de
                    onderscheidene subsidieaanvragen.</al><al>b.incidentele subsidies zoals</al><lijst><li nr="i"><al>een eenmalige subsidieaanvraag</al></li><li nr="ii"><al>een garantiesubsidie</al></li><li nr="iii"><al>een investeringssubsidie</al></li></lijst><al>Artikel 13 t/m 17</al><al>De Awb maakt onderscheid tussen de subsidieverlening als in dit hoofdstuk
                    bedoeld en de subsidievaststelling in hoofdstuk 1.4. De subsidieverlening is te
                    beschouwen als een besluit waarbij een subsidiebedrag in het vooruitzicht wordt
                    gesteld mits aan nader te stellen voorwaarden wordt voldaan, terwijl de
                    vaststelling gaat om de definitieve toekenning al dan niet op basis van
                    geleverde prestaties.</al><al>In dit verband is het nuttig te wijzen op het onderscheid dat hierbij in de
                    praktijk gehanteerd zal worden namelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>bij waarderingssubsidies waarbij het relatief om lage bedragen gaat
                            wordt de beschikking tot toekenning en vaststelling gecombineerd, zij
                            het onder de conditie dat de gebruikelijke verenigingsactiviteiten
                            blijvend worden uitgeoefend en zich geen andere bijzondere
                            omstandigheden voordoen;</al></li><li nr="b."><al>bij exploitatiesubsidies in beginsel afzonderlijke besluiten tot
                            toekenning en vaststelling op basis van kwalitatief goed inzichtelijke
                            exploitatiebegrotingen/-rekeningen met bijbehorende balans e.d.;</al><al> in een aantal “grens”gevallen kan ook hier met een gecombineerde
                            beschikking worden volstaan;</al></li><li nr="c."><al>bij toepassingen van budgetsubsidiëring worden steeds twee afzonderlijke
                            beschikkingen als hier bedoeld genomen aangezien de subsidiehoogte
                            hierbij afhankelijk is van de feitelijk geleverde prestatie die eerst
                            achteraf is vast te stellen.</al></li></lijst><al>Overleg als in artikel 13 aangegeven is bedoeld om over en weer duidelijke
                    afspraken te maken over te leveren activiteiten c.q. prestaties.</al><al>Artikel 14 gaat over het subsidieplafond (zie artikel 7 lid 3), waartoe
                    jaarlijks bij de begrotingsvoorstellen dient te worden besloten.</al><al>Voor de hand liggend lijkt het dit te doen voor de onderscheidende
                    beleidsterreinen, zodat afzonderlijke subsidieplafonds gelden voor sport,
                    jeugdwerk e.d.</al><al>Artikel 16 omschrijft een aantal weigeringgronden zoals die ook in de Awb worden
                    genoemd. </al><al>Te noemen zijn:</al><al>* activiteiten die niet het algemene belang dienen.</al><al>* aanvrager beschikt zelf over voldoende middelen.</al><al>* niet passend binnen het gemeentelijk beleid</al><al>* het niet tijdig indienen van benodigde bescheiden (ook na herhaald
                    verzoek)</al><al>* er wordt al in een bepaalde beleidsbehoefte voorzien</al><al>* het subsidieplafond wordt overschreden. Artikel 16, het 8<sup>e</sup> lid gaat
                    over de Wet BIBOB. Per 1 juni 2003 is de Wet BIBOB in werking getreden. BIBOB
                    staat voor de Bevordering Integriteitbeoordelingen door het Openbaar Bestuur.
                    Deze wet geeft overheidsinstanties, waaronder gemeenten, de mogelijkheid zich te
                    beschermen tegen het risico dat zij ongewild criminele activiteiten faciliteren.
                    De praktijk heeft uitgewezen dat (producten van) de overheid soms wordt
                    misbruikt voor het ontplooien van criminele activiteiten, of om uit criminele
                    activiteiten verkregen voordelen te benutten. De wet BIBOB geeft bestuursorganen
                    een instrument in handen om zich tegen bovengenoemd risico te beschermen,
                    namelijk een extra weigerings- en/of intrekkingsgrond op grond waarvan
                    vergunningen of subsidies kunnen worden geweigerd of ingetrokken. Een subsidie
                    aan een rechtspersoon of aan een natuurlijke persoon kan worden geweigerd dan
                    wel worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel
                    3 van de wet BIBOB, indien dit in de desbetreffende subsidieregeling/verordening
                    is bepaald. Om de toepassing van de wet BIBOB mogelijk te maken zijn de leden 8
                    en 9 aan artikel 15 toegevoegd.</al><al>Naast de gemeente is ook een bureau betrokken bij de BIBOB procedure. Er is
                    namelijk een Bureau bevordering integriteitonderzoeken door het openbaar bestuur
                    (hierna: bureau BIBOB) in het leven geroepen, dat bestuursorganen en
                    aanbestedende overheidsdiensten desgevraagd adviseert over de mate van gevaar
                    dat een overheidsopdracht, subsidie of vergunning wordt misbruikt ten behoeve
                    van criminele activiteiten.</al><tussenkop>Artikel 18 t/m 20</tussenkop><al>In dit hoofdstuk komt m.n. de rapportageplicht van de zijde van de instellingen
                    naar voren.</al><al>Voor 1 april dient een instelling over te leggen:</al><al>* een gewaarmerkt verslag van de activiteiten.</al><al>* een verlies- en winstrekening met bijbehorende balans + eventueel een
                    accountantsverklaring.</al><al>* een begroting voor het nieuwe jaar.</al><al>De datum 1 april betekent een vervroeging t.o.v. tot nu toe gehanteerde
                    termijnen, het geen noodzakelijk is voor het tijdig beschikken over gegevens
                    voor gemeentebegroting en –rekening en de daarbij geldende
                    vaststellingstermijnen. </al><al>In situaties waar - nog - niet voldaan kan worden aan deze verplichting
                    (rekening moet worden gehouden met een zekere overgangsperiode) moet een
                    instelling tenminste voorlopige rekeningcijfers kunnen leveren vooruitlopend op
                    het eventuele accountantsonderzoek en de vaststelling door het bestuur van de
                    instelling. Daarbij moet er dan vanuit kunnen worden gegaan dat de voorlopige
                    cijfers een behoorlijke mate van betrouwbaarheid hebben.</al><al>In artikel 19 lid 2 wordt ingegaan op het afleggen van een verklaring over zowel
                    de rechtmatigheid als de doelmatigheid van de accountant. Zonodig kunnen
                    aanvullende voorwaarden zoals hier bedoeld worden opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 21 t/m 34</tussenkop><al>Artikel 21</al><al>Essentieel uitgangspunt bij de subsidievaststelling is na te gaan in hoeverre de
                    instelling de eerder afgesproken activiteiten c.q. prestaties ook daadwerkelijk
                    heeft geleverd en tevens voldaan heeft aan de gestelde voorwaarden.</al><al>Wordt hieraan niet genoegzaam voldaan dan kan en zal dit in een aantal gevallen
                    leiden tot vaststelling van een lager subsidiebedrag dan waarop de instelling
                    eerder bij de beschikking tot verlening mocht rekenen. Deze weigeringgrond wordt
                    met name in de Awb genoemd!</al><al>Artikel 22</al><al>Reserves en voorzieningen worden in technische zin beschouwd als
                    vermogenbestanddelen en kunnen eerst gevormd worden bij positieve
                    rekeningresultaten dan wel rechtstreeks ten laste van de lopende exploitatie. In
                    beide gevallen beïnvloedt die handelwijze het feitelijke exploitatieresultaat en
                    daarmee mogelijk in een aantal gevallen het uiteindelijke subsidiebedrag.</al><al>Op grond hiervan dienen bindende afspraken gemaakt te worden over de vorming,
                    omvang en bestemming van reserves en voorzieningen.</al><al>Een algemene reserve die voornamelijk tot doel heeft de instelling in staat te
                    stellen exploitatieresultaten te vereffenen is algemeen gebruikelijk en wordt
                    tot een ander te bepalen percentage toegestaan. De aard van de activiteiten,
                    omvang van de risico's en dergelijke zijn hierbij per instelling bepalend en
                    worden in de beschikking of uitkeringsovereenkomst nader geregeld.</al><al>Het vormen van andere reserves (de specifieke bestemmingsreserves) alsmede
                    voorzieningen zal van situatie tot situatie op zijn noodzaak beoordeeld moeten
                    worden en vereist derhalve vooraf instemming van de subsidiegever.</al><al>Artikel 23</al><al>Subsidies kunnen voor een meerjarige periode verleend worden, waarbij
                    subsidiebedragen, te heffen contributies en dergelijke geïndexeerd kunnen
                    worden.</al><al>Artikel 24</al><al>Van gewijzigde omstandigheden als hier bedoeld kan sprake zijn als de financiële
                    positie van de gemeente sterk wijzigt, bijvoorbeeld door een terugloop van
                    rijksgelden. In een dergelijke </al><al>Situatie wordt de mogelijkheid open gehouden tijdens de meerjarige
                    subsidietermijn in te breken op bestaande afspraken. </al><al> Artikel 25 t/m 28</al><al>Deze artikelen handelen over intrekking c.q. wijziging van
                    subsidieverlening/-vaststelling wanneer niet aan gestelde verplichtingen wordt
                    voldaan.</al><al>Te noemen zijn</al><lijst><li nr="-"><al>afgesproken activiteiten hebben niet plaatsgevonden</al></li><li nr="-"><al>er is gehandeld in strijd met afgesproken voorwaarden</al></li><li nr="-"><al>er zijn onjuiste gegevens verstrekt</al></li><li nr="-"><al>er is sprake van een onjuiste subsidieverlening hetgeen de instelling
                            behoorde te weten</al></li><li nr="-"><al>er is sprake van wanbeheer of fraude</al></li><li nr="-"><al>de doelstelling van de instelling is gewijzigd.</al></li></lijst><al>Afhankelijk van deze omstandigheden kan het subsidie terugwerkend maar ook naar
                    de toekomst gericht ingetrokken en zonodig teruggevorderd worden, tenzij er
                    t.o.v. de vaststelling een termijn van 5 jaren is verstreken.</al><al>Artikel 29 t/m 33</al><al>In deze artikelen zijn bepalingen vastgelegd met betrekking tot het verschaffen
                    van benodigde inlichtingen, het op een verantwoorde wijze beheren van de
                    administratie en een meldingsplicht bij relevante gewijzigde omstandigheden bij
                    de instelling waaronder faillissement, liquidatie en dergelijke.</al><al>Artikel 34/35</al><al>Het college kan in voorkomende gevallen ontheffing verlenen van bepaalde
                    uitvoeringsvoorwaarden alsmede beslissen in niet voorziene omstandigheden.</al><al>Artikel 36</al><al>De verordening treedt met ingang van 1 juli 2009 in werking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>