<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR116850_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening WWB, IOAW, IOAZ gemeente Montfoort 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-09-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening WWB, IOAW, IOAZ gemeente Montfoort 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-09-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-09-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening WWB, IOAW, IOAZ gemeente Montfoort 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>- Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven in deze verordening en de toelichting,
                                hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB) de
                                Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de
                                Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Bijstand: de algemene en bijzondere bijstand. </al></li><li nr="b."><al>Fraude: het verwijtbaar informatie achterhouden, of
                                        verwijtbaar onjuiste informatie verstrekken, met het doel
                                        een (hogere) uitkering te ontvangen anders dan waarop men op
                                        grond van juiste en/of volledige informatie recht zou
                                        hebben. </al></li><li nr="c."><al>Maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm alsmede het
                                        blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een
                                        uitkering op basis van artikel 18 WWB, artikel 20
                                        IOAW/IOAZ.</al></li><li nr="d."><al>Zeer ernstige misdragingen: het door de belanghebbende op
                                        een dusdanige wijze benaderen van het college, dan wel onder
                                        haar ressorterende personen die belast zijn met de
                                        uitvoering van de wet, dat deze zich op een fysieke of
                                        psychische wijze dan wel een combinatie van beiden bedreigd
                                        voelen.</al></li><li nr="e."><al>Agressieprotocol: het door de gemeente Woerden vastgestelde
                                        protocol ter voorkoming en bestrijding van agressie.</al></li><li nr="f."><al>Benadelingsbedrag: het door de gemeente ten onrechte
                                        uitbetaalde bedrag verhoogd met de loonheffing en de premies
                                        volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering
                                        verstrekt op grond van de Wet op de loonbelasting 1964
                                        inhoudingsplichtige is, alsmede met de vergoeding bedoeld in
                                        artikel 46 van de Zorgverzekeringswet.</al></li><li nr="g."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Woerden.</al></li><li nr="h."><al>Uitkeringsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel c WWB, respectievelijk de uitkeringsgrondslag als
                                        bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, in samenhang met het
                                        vierde lid IOAW en 5, eerste lid, in samenhang met het
                                        vierde lid IOAZ.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan dan wel de
                                inlichtingenplicht, medewerkingsplicht of overige uit de WWB, IOAW,
                                IOAZ, SUWI of WI voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende
                                nakomt, wordt overeenkomstig deze verordening de hoogte van de
                                uitkering afgestemd op deze gedragingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de datum van aanvang van de
                            maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de uitkering
                            wordt verlaagd of geweigerd, het bedrag waarmee de uitkering wordt
                            verlaagd of geweigerd en, indien van toepassing, de reden om af te
                            wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de uitkeringsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. </al><al/></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5 - </nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een
                                                maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;
                                                  of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor
                                                  constatering van die gedraging door het college
                                                  heeft plaatsgevonden, met uitzondering van de
                                                  gedraging die schending van de inlichtingenplicht
                                                  inhoudt; of</al></li><li nr="c."><al>de gedraging, die een schending van de
                                                  inlichtingenplicht inhoudt langer dan vijf jaar
                                                  geleden heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een
                                                maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig
                                                zijn.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een
                                                maatregel op grond van dringende redenen, wordt de
                                                belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling
                                                gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6 - </nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste
                                                dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop
                                                het besluit tot maatregel aan de belanghebbende is
                                                kenbaar gemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor
                                                die maand geldende uitkeringsnorm. </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                                terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover
                                                uitbetaling nog niet heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                                terugwerkende kracht worden opgelegd, indien de
                                                inlichtingenplicht niet is nagekomen en de uitkering
                                                ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
                                                verleend.</al></li><li nr="4."><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een
                                                maatregel die voor een periode van meer dan 3
                                                maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie
                                                maanden nadat het besluit is bekendgemaakt,
                                                heroverwogen.</al></li><li nr="5."><al>Indien er sprake is van het opleggen van maatregel
                                                maar deze in verband met het beëindigen van de
                                                uitkering niet (geheel) kan worden geëffectueerd,
                                                blijft de maatregel (het restant) staan gedurende
                                                een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf het
                                                moment van beëindiging van de uitkering.</al></li><li nr="6."><al>Bij hervatting van de uitkering binnen de in het
                                                vierde lid genoemde periode beoordeelt het college
                                                of de (restant) maatregel alsnog wordt
                                                geëffectueerd. Van een (gedeeltelijk) afzien wordt
                                                schriftelijk mededeling gedaan onder vermelding van
                                                de reden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7 - </nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig
                                                heeft gemaakt aan verschillende verwijtbare
                                                gedragingen, wordt voor het bepalen van de hoogte en
                                                de duur van de maatregel uitgegaan van cumulatie van
                                                de percentages welke gelden voor de verschillende
                                                gedragingen, met een maximum van 100% van de
                                                uitkeringsnorm.</al></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld indien
                                                belanghebbende zich binnen 12 maanden na
                                                bekendmaking van een besluit waarmee een maatregel
                                                is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een
                                                verwijtbare gedraging. Indien de belanghebbende na
                                                een tweede verwijtbare gedraging wederom verwijtbaar
                                                gedrag vertoont, wordt de hoogte en de duur van de
                                                maatregel individueel vastgesteld. </al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het tweede lid wordt met een
                                                besluit waarmee een maatregel is opgelegd,
                                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op
                                                grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 5
                                                lid 2 van deze verordening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8 - </nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de
                                                belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn
                                                zienswijze naar voren te brengen. </al></li><li nr="2."><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege
                                                worden gelaten indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                                gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en
                                                zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden
                                                hebben voorgedaan; </al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek
                                                van het om binnen een gestelde termijn inlichtingen
                                                te verstrekken als bedoeld in artikel 17 lid 2 van
                                                de WWB of artikel 13, lid 2 IOAW / IOAZ; of </al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                                vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate
                                                van verwijtbaarheid; </al></li><li nr="e."><al>de maatregel wordt toegepast wegens zeer ernstige
                                                misdragingen als bedoeld in artikel
                                                15.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het horen van de belanghebbende wordt niet
                                                achterwegen gelaten indien de maatregel wordt
                                                vastgesteld op 100% van de uitkeringsnorm.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2 - </nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen
                                            aan het verkrijgen of behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9 - </nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen van belanghebbenden, waardoor de
                                        verplichtingen tot arbeidsinschakeling op grond van artikel
                                        9 van de WWB of artikel 37 van de IOAW/IOAZ, de
                                        verplichtingen op grond van artikel 30c, tweede en derde lid
                                        SUWI, de verplichtingen tot medewerking op grond van artikel
                                        25,23 en 31 van de <cursief>Wet inburgering (Wi)</cursief>
                                        niet of onvoldoende zijn nagekomen of blijk is gegeven van
                                        onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                        voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, lid 2
                                        WWB, worden onderscheiden in de volgende categorieën.</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet of niet tijdig laten registreren als
                                                werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf of het niet of
                                                niet tijdig laten verlengen van de registratie.</al></li><li nr="b."><al>het niet (tijdig) ondertekenen van documenten of het
                                                niet (tijdig) verstrekken van gegevens die benodigd
                                                zijn voor re-integratie van belanghebbende naar de
                                                arbeidsmarkt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen
                                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                                onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                                arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan het
                                                inburgeringsonderzoek.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                                belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                                door het college aangeboden voorziening gericht op
                                                arbeidsinschakeling, re-integratie of participatie,
                                                voor zover dit <cursief>niet</cursief> heeft geleid
                                                tot het geen doorgang vinden of tot het voortijdig
                                                beëindigen van die voorziening;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                                inburgeringsvoorziening.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                                arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                                geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                                door het college aangeboden voorziening gericht op
                                                arbeidsinschakeling, re-integratie of participatie,
                                                voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang
                                                vinden of tot het voortijdig beëindigen van die
                                                voorziening;</al></li><li nr="d."><al>het weigeren te voldoen aan de inburgeringsplicht.
                                            </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10 - </nr><titel>De hoogte en duur van de
                                        maatregel</titel></kop><al>De maatregel wordt onverminderd artikel 2, lid 2,
                                        vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de uitkeringsnorm gedurende een
                                                maand bij gedragingen van de eerste categorie; </al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de uitkeringsnorm gedurende een
                                                maand bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>veertig procent van de uitkeringsnorm gedurende een
                                                maand bij gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de uitkeringsnorm gedurende een
                                                maand bij gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3 - </nr><titel>Niet (tijdig) nakomen van de
                                            inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11 - </nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende de inlichtingenplicht niet
                                                is nagekomen door informatie die van belang is voor
                                                de verlening van de uitkering of de voortzetting
                                                daarvan, niet binnen de door het college daartoe
                                                gestelde termijn te verstrekken, maar wel binnen de
                                                hersteltermijn, als bedoeld in artikel 54, lid 2 van
                                                de wet WWB, op grond van artikel 13 IOAW/IOAZ, wordt
                                                onverminderd artikel 2 lid 2 een maatregel opgelegd
                                                van 5% van de inkomensnorm gedurende een maand.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in
                                                het eerste lid kan worden afgezien en worden
                                                volstaan met het geven van een schriftelijke
                                                waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een
                                                periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum
                                                waarop eerder een belanghebbende een schriftelijke
                                                waarschuwing is gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12 - </nr><titel>Verstrekken van geen, onjuiste of
                                            onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de
                                            uitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                                inlichtingenplicht niet heeft geleid tot het ten
                                                onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de
                                                uitkering, bedraagt de maatregel 5% van de
                                                uitkeringsnorm gedurende een maand, onverminderd
                                                artikel 2, lid 2.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in
                                                het eerste lid kan worden afgezien en worden
                                                volstaan met het geven van een schriftelijke
                                                waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een
                                                periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum
                                                waarop eerder een belanghebbende een schriftelijke
                                                waarschuwing is gegeven.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het
                                                niet verstrekken van inlichtingen tevens verstaan
                                                het na afloop van de hersteltermijn, als bedoeld in
                                                artikel 54 van de WWB of artikel 17 IOAW/IOAZ,
                                                alsnog verstrekken van inlichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13 - </nr><titel>Niet, te laat of onjuist verstrekken van
                                            inlichtingen waardoor teveel uitkering is
                                            verstrekt</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                                inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte
                                                of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering,
                                                wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het
                                                benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel wordt onverminderd artikel 2, lid 2
                                                vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij
                                                een benadelingsbedrag tot € 1.000,--;</al></li><li nr="b."><al>20% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij
                                                een benadelingsbedrag vanaf € 1.000,-- tot en €
                                                2.000,--;</al></li><li nr="c."><al>40% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij
                                                een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,-- tot en met €
                                                4.000,--;</al></li><li nr="d."><al>100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij
                                                een benadelingsbedrag groter dan € 4.000,--.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het
                                                niet verstrekken van inlichtingen tevens verstaan
                                                het na afloop van de hersteltermijn, als bedoeld in
                                                artikel 54 van de WWB en artikel 17 van de
                                                IOAW/IOAZ, alsnog verstrekken van inlichtingen.
                                            </al></li><li nr="4."><al>Indien het benadelingsbedrag gelijk is aan of meer
                                                bedraagt dan € 6.000,-- wordt geen maatregel
                                                opgelegd, maar aangifte gedaan bij het Openbaar
                                                Ministerie. Bij een seponering door het Openbaar
                                                Ministerie dient alsnog een maatregel te worden
                                                overwogen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4 - </nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een
                                            maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14 - </nr><titel>Tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Gedragingen van de belanghebbende die niet vallen
                                                onder de artikelen in hoofdstuk 2 of 3 van deze
                                                verordening, maar ook aangemerkt kunnen worden als
                                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid,
                                                leiden tot een maatregel.</al></li><li nr="2."><al>Het college bepaalt welke gedragingen leiden tot een
                                                maatregel alsmede de hoogte en de duur van de
                                                maatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15 - </nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig
                                                misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren,
                                                onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden
                                                met de uitvoering van de wet, wordt onverminderd
                                                artikel 2, lid 2, een maatregel opgelegd van
                                                minimaal 25% van de uitkeringsnorm gedurende een
                                                maand.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het
                                                eerste lid kan, indien sprake is van verbaal geweld,
                                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van
                                                een schriftelijke waarschuwing, tenzij het verbale
                                                geweld plaatsvindt binnen een periode van twee jaar
                                                te rekenen vanaf de datum waarop eerder een
                                                schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige
                                                gedragingen is gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16 - </nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als
                                        bedoeld in artikel 55 tot en met 57 van de WWB zijn opgelegd
                                        en deze niet in voldoende mate worden nagekomen, wordt een
                                        maatregel toegepast van 20% van de uitkeringsnorm gedurende
                                        een maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5 - </nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17 - </nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als
                                            <cursief>Maatregelenverordening WWB, IOAW, IOAZ gemeente
                                            Montfoort 2011</cursief>.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18 - </nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag
                                                van de maand volgend op de datum van bekendmaking in
                                                het gemeenteblad en werkt terug tot 1 juli
                                                2010.</al></li><li nr="2."><al>De <cursief>Maatregelenverordening Wet werk en
                                                  bijstand 2007 gemeente Montfoort</cursief> wordt
                                                ingetrokken op de datum waarop deze verordening in
                                                werking treedt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19 - </nr><titel>Overgangsregeling</titel></kop><al>De terugwerkende kracht op grond van het eerste lid van
                                        artikel 18 van deze verordening blijft achterwege voor zover
                                        naar het oordeel van het college de belanghebbende hierdoor
                                        wordt benadeeld. In dat geval geldt de
                                            <cursief>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand
                                            2007 gemeente Montfoort</cursief>.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>In de openbare vergadering van 5 september 2011 heeft de
                        gemeenteraad besloten:</ondertekening><ondertekening>De maatregelenverordening WWB, IOAW, IOAZ gemeente Montfoort
                        2011 vast te stellen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mevrouw drs. D.E. van der Kamp de heer E.L. Jansen BA</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting</vet></al><al>In de WWB, IOAW en de IOAZ staat de eigen
                                        verantwoordelijkheid van de burger om in zijn
                                        levensonderhoud te voorzien centraal. Pas als mensen hiertoe
                                        niet in staat blijken te zijn kunnen zij aanspraak maken op
                                        ondersteuning van de overheid. Dat brengt met zich mee dat
                                        er meer nadruk is komen te liggen op de vangnetgedachte van
                                        de inkomensvoorzieningen en de rechten en plichten van de
                                        belanghebbende. Deze nadruk op de eigen verantwoordelijkheid
                                        vraagt een duidelijk beleid gericht op het naleven van de
                                        deze rechten en plichten, het afstemmingsbeleid van de
                                        inkomensvoorzieningen. Dit beleid wordt vastgelegd in deze
                                        verordening.</al><al>Het handhavingsbeleid is in een aparte verordening
                                        opgenomen.</al><al/><al>HET MAATREGELENBELEID.</al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het
                                        recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht
                                        zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te
                                        worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van
                                        de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                                        uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                                        belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde
                                        verplichtingen worden nagekomen.</al><al>De WWB, en vanaf 1 juli 2010 geldt dit ook voor de IOAW en
                                        de IOAZ, verplicht het college om de inkomensvoorziening en
                                        de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de
                                        omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                                        belanghebbende. Hiermee wordt benadrukt dat het vaststellen
                                        van de hoogte van de inkomensvoorziening en de daaraan
                                        verbonden verplichtingen voor belanghebbenden maatwerk is,
                                        waarbij recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de
                                        persoonlijke omstandigheden van belanghebbenden. Vervolgens
                                        verplicht de WWB het college om de inkomensvoorziening te
                                        verlagen als de belanghebbende zijn verplichtingen niet of
                                        onvoldoende nakomt. Dit geldt vanaf 1 januari 2010 ook voor
                                        de IOAW en IOAZ. Het College is tevens verplicht om de
                                        WWB-uitkering te verlagen als zijn
                                        verantwoordelijkheidsbesef tekortschiet (artikel 18 WWB).
                                        Dit wordt in de terminologie van de WWB, IOAW en IOAZ
                                        aangeduid als het afstemmen van de inkomensvoorziening op de
                                        mate waarin de belanghebbende zijn verantwoordelijkheid
                                        betoont en de opgelegde verplichtingen nakomt. </al><al>Het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                                        verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden is
                                        maatwerk, waarbij recht moet worden gedaan aan de
                                        individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                                        uitkeringsgerechtigden. Het recht op een inkomensvoorziening
                                        is altijd verbonden aan verplichtingen. Dit betekent dat de
                                        vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen
                                        afhangt van de toepasselijke inkomensvoorzieningsnorm en de
                                        beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                                        mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen.
                                        Wanneer het college tot het oordeel komt dat een
                                        belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende
                                        mate nakomt, wordt de inkomensvoorziening verlaagd. Er is
                                        dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een
                                        verplichting.</al><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening vanwege het niet of
                                        onvoldoende nakomen van verplichtingen wordt ook wel
                                        aangeduid als het opleggen van een maatregel. </al><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>HOOFDSTUK 1</vet></al><al><vet>ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Dit artikel bevat enkele begripsomschrijvingen. Er is voor
                                        gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de Wet werk
                                        en bijstand (WWB) of de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                                        niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                                        voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende
                                        begrippen in de WWB en de Awb ook deze verordening moet
                                        worden gewijzigd. </al><al/><al><vet>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</vet></al><al>Lid 1</al><al>De WWB, de IOAW en de IOAZ verbinden aan het recht op een
                                        inkomensvoorziening de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van
                                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in de
                                                noodzakelijke kosten van het bestaan (artikel 18,
                                                tweede lid WWB). Deze verplichting geldt alleen voor
                                                de WWB.</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB,
                                                artikel 37 IOAW/IOAZ). Deze plicht bestaat uit twee
                                                soorten verplichtingen:</al></li><li nr="a."><al>De plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde
                                                arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="b."><al>De plicht gebruik te maken van een door het college
                                                aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                                arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen worden
                                                nader uitgewerkt in specifieke verplichtingen die
                                                zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van
                                                de belanghebbende. De re-integratieverordening vormt
                                                de juridische basis voor het opleggen van deze
                                                specifieke verplichtingen. De klant wordt via een
                                                beschikking (en indien van toepassing een
                                                trajectplan als bijlage bij deze beschikking) op de
                                                hoogte gebracht van de voor hem geldende specifieke
                                                verplichtingen.</al></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid WWB;
                                                artikel 13 eerste lid van de IOAW/IOAZ). Op een
                                                belanghebbende rust de verplichting aan het college
                                                op verzoek of verwijld uit eigen beweging mededeling
                                                te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan
                                                hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                                                invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of
                                                recht op inkomensvoorziening.</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid WWB;
                                                artikel 13 tweede lid IOAW/IOAZ). Dit is de plicht
                                                van belanghebbenden om desgevraagd het college de
                                                medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is
                                                voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht
                                                kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                                                zoals:</al></li><li nr="a."><al>Het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="b."><al>Het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li><li nr="5."><al>Nadere verplichtingen (artikel 55 tot en met 57
                                                WWB). Naast bovenstaande verplichtingen kan het
                                                college nadere verplichtingen opleggen. </al></li></lijst><al>De Wet inburgering verplicht de belanghebbende mee te werken
                                        aan het inburgeringsonderzoek (artikel 25 Wi) de
                                        inburgeringsvoorziening (artikel 23 Wi) en het
                                        inburgeringsexamen (artikel 31 Wi).</al><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan
                                        uitkeringsgerechtigden. Het betreft de verplichting om alle
                                        gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het UWV te
                                        verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het
                                        college (artikel 30c, tweede en derde lid SUWI) en de
                                        verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
                                        alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het UWV,
                                        waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                                        invloed kunnen zijn op het recht op inkomensvoorziening, het
                                        geldend maken van het recht op inkomensvoorziening of de
                                        hoogte of de duur van de inkomensvoorziening.</al><al>Lid 2</al><al>In lid 2 is de hoofdregel neergelegd dat de maatregel wordt
                                        afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de
                                        belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                        omstandigheden waarin hij verkeert. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of de
                                        uitkering moet worden verlaagd, en zo ja hoe, telkens drie
                                        stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de mate van verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden waarin de
                                        belanghebbende verkeert.</al><al>Bij de beoordeling van de ernst van de gedraging dient in
                                        ieder geval te worden aangegeven:</al><lijst><li nr="A."><al>Wat heeft de klant gedaan na zijn verwijtbaar gedrag
                                                om de schade/ het benadelingsbedrag te beperken, het
                                                maakt uit of een klant na een verwijtbaar ontslag
                                                wel of niet er alles aan doet om zijn re-integratie
                                                te bevorderen door middel van sollicitaties
                                                etc.</al></li><li nr="B."><al>Beoordeeld moet worden of de klant uit eigen
                                                beweging er alles aan gedaan heeft om de
                                                uitkeringsschade te beperken; duidelijk moet wel
                                                zijn dat de klant, vóór het gesprek met de
                                                klantmanager en vóór de maatregelenbeschikking, er
                                                alles aan gedaan heeft om invulling te geven aan de
                                                schadebeperkingverplichting.</al></li><li nr="C."><al>Tevens is het college bevoegd over te gaan tot
                                                matiging van de gestandaardiseerde hoogte van de op
                                                te leggen maatregel wegens persoonlijke
                                                omstandigheden. Bij dit laatste aspect kan
                                                bijvoorbeeld aan de volgende gevallen gedacht
                                                worden:</al></li><li nr="1."><al>bijzondere financiële omstandigheden van de
                                                belanghebbende, zoals hoge woonlasten of andere
                                                vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard
                                                waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                                                is;</al></li><li nr="2."><al>sociale omstandigheden; overwogen moet worden of de
                                                kinderen niet de dupe worden van de actie van hun
                                                ouders.</al></li></lijst><al>Uitgangspunt is dat het college vaststelt of er sprake is
                                        van een gedraging waarvoor maatregel van de uitkering gepast
                                        is en dossieronderzoek doet naar de mate van verwijtbaarheid
                                        en de omstandigheden van de belanghebbende. Daarnaast kan
                                        het college, indien het zich nog niet voldoende geïnformeerd
                                        acht, de belanghebbende uitnodigen zijn visie te geven op
                                        het voornemen om de uitkering te verlagen.</al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door middel van
                                        een besluit. Tegen dit besluit kan door de belanghebbende
                                        bezwaar en beroep worden aangetekend. In dit artikel wordt
                                        aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                                        vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de
                                        Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name uit het
                                        motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder
                                        andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke
                                        motivering wordt voorzien.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Berekeningsgrondslag</vet></al><al>Lid 1</al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging
                                        wordt toegepast over de uitkeringsnorm. Onder de
                                        uitkeringsnorm wordt verstaan de landelijke norm, inclusief
                                        gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                                        vakantietoeslag.</al><al>Lid 2</al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk dat het college de
                                        bijzondere bijstand verlaagt. Er moet dan wel een verband
                                        bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                                        recht op bijzondere bijstand. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Afzien van het opleggen van een
                                            maatregel</vet></al><al>Lid 1 </al><al>Het afzien van het verlagen van de uitkering ‘indien elke
                                        vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel
                                        18 lid 2 van de WWB en artikel 20 lid 4 van de IOAW/IOAZ.
                                        Het ontbreken van iedere verwijtbaarheid kan niet snel
                                        worden aangenomen en het om deze reden afzien van het
                                        verlagen zal dus tot de uitzonderingen behoren.</al><al>Een andere reden om af te zien van het verlagen van de
                                        uitkering is dat de gedraging te lang geleden heeft
                                        plaatsgevonden. Omwille van de effectiviteit (‘lik-op-stuk’)
                                        is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging
                                        heeft plaatsgehad wordt opgelegd. Om deze reden wordt
                                        geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor
                                        gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                                        plaatsgevonden. Voor gedragingen die een schending van de
                                        inlichtingenplicht inhouden en als gevolg waarvan ten
                                        onrechte uitkering is verleend of de gedraging een
                                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als gevolg
                                        van verwijtbaar te snel interen van vermogen inhoudt en als
                                        gevolg hiervan de bijstand eerder verleend moet worden,
                                        geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf jaar.
                                        Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die is
                                        ontleend aan artikel 14e van de Algemene bijstandswet in
                                        verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakomen
                                        van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor
                                        de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet
                                        op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de
                                        fraude vast te stellen.</al><al>Lid 2</al><al>Hierin wordt geregeld dat het college geheel of gedeeltelijk
                                        kan afzien van het verlagen van de uitkering indien het
                                        daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Van dringende
                                        redenen is slechts sprake als het verlagen van de uitkering
                                        onaanvaardbare gevolgen heeft voor de belanghebbende.
                                        Duidelijk is dat slechts in uitzonderlijke gevallen sprake
                                        kan zijn van dringende redenen. Wat concreet een dringende
                                        reden kan opleveren is op voorhand niet vast te leggen.
                                        Gedacht kan worden aan financiële en sociaal/psychische
                                        omstandigheden.</al><al>Lid 3</al><al>Indien het college afziet van een maatregel wegens dringende
                                        redenen, telt deze gedraging wel mee voor de vraag of sprake
                                        is van recidive, zodat het van belang is om belanghebbende
                                        hiervan schriftelijke mededeling te doen.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het
                                        verlagen van de uitkering. Verlaging van de uitkering kan in
                                        beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een
                                                herziening van de uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag
                                                in de eerstvolgende maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst
                                        wordt verstrekt, is de gemakkelijkste manier. Het college
                                        hoeft in dat geval niet over te gaan tot herziening van de
                                        uitkering en het te veel betaalde bedrag terug te vorderen.
                                        Om deze reden is in het eerste lid vastgelegd dat de
                                        maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de
                                        kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin het
                                        besluit is bekend gemaakt. Voor de berekening van de hoogte
                                        van de maatregel moet worden uitgegaan van de voor die maand
                                        geldende uitkeringsnorm.</al><al>Lid 2</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                                        belanghebbende is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de
                                        verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat
                                        nog moet worden uitbetaald.</al><al>Lid 3</al><al>Indien een uitkering is beëindigd kan geen maatregel in de
                                        toekomst worden opgelegd. Het opleggen van een maatregel met
                                        terugwerkende kracht is slechts mogelijk, als er sprake is
                                        van het niet nakomen van de inlichtingenplicht en is
                                        vastgesteld, dat er ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                        aan inkomensvoorziening is verleend. Het te veel betaalde
                                        bedrag moet van de uitkeringsgerechtigde worden
                                        teruggevorderd. De uitkering moet dan wel eerst worden
                                        herzien. Niet alleen voor wat betreft de ten onrechte
                                        verstrekte uitkering, maar ook voor wat betreft de met
                                        terugwerkende kracht toe te passen maatregel. Volgens
                                        jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan een
                                        maatregel niet eerder ingaan dan de datum waarop de verweten
                                        gedraging zich heeft voorgedaan. </al><al>Lid 4</al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd kan
                                        worden opgelegd. Wordt een maatregel voor een langere duur
                                        dan drie maanden opgelegd, dan zal het college de maatregel
                                        aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Het is ter
                                        beoordeling aan het college wanneer die herbeoordeling
                                        plaatsvindt, als dat maar gebeurt binnen drie maanden nadat
                                        het besluit is genomen. Bij zo’n herbeoordeling hoeven niet
                                        opnieuw alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw
                                        tegen het licht te worden gehouden. Een marginale
                                        beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het
                                        redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd.
                                        Daarbij kan bijvoorbeeld worden gekeken naar de
                                        omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar ook of de
                                        betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen
                                        voldoet.</al><al>Lid 5 en 6</al><al>Indien de maatregel die is opgelegd niet (geheel) kan worden
                                        uitgevoerd omdat het recht op uitkering wordt beëindigd,
                                        wordt het resterende deel van de verlaging ten uitvoer
                                        gelegd indien de belanghebbende binnen 12 maanden na de
                                        bekendmaking van het besluit tot verlaging opnieuw bijstand
                                        aanvraagt. </al><al>Deze situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als de
                                        belanghebbende zijn inlichtingenformulier niet inlevert of
                                        aan het licht komt dat de belanghebbende inkomsten heeft
                                        boven de toepasselijke inkomensnorm. In die situatie wordt
                                        binnen afzienbare tijd na de beëindiging van de uitkering
                                        aan de belanghebbende het besluit tot het opleggen van een
                                        maatregel bekend gemaakt. In het besluit wordt meegedeeld
                                        dat de verlaging ten uitvoer wordt gelegd indien hij binnen
                                        12 maanden opnieuw bijstand aanvraagt. De verlaging zal in
                                        dat geval ten uitvoer worden gelegd zodra dit mogelijk is en
                                        worden toegepast op de dan geldende inkomensnorm. Doet de
                                        belanghebbende niet binnen 12 maanden een nieuwe aanvraag,
                                        dan vervalt het besluit. </al><al/><al><vet>Artikel 7 Samenloop en recidive</vet></al><al>Lid 1</al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft
                                        betrekking op verschillende gedragingen van de
                                        uitkeringsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                                        plaatsvinden. Indien er sprake is van verschillende
                                        gedragingen waarvoor in een zelfde periode een maatregel
                                        opgelegd zou kunnen worden, kan voor deze verschillende
                                        gedragingen tegelijkertijd een maatregel worden opgelegd.
                                        Dit betekent dus dat de afzonderlijke maatregelen in dat
                                        geval worden opgeteld. Natuurlijk blijft de hoofdregel,
                                        neergelegd in artikel 2 lid 3, van toepassing: een op te
                                        leggen maatregel moet worden afgestemd op de ernst van de
                                        gedraging, de omstandigheden en de mate van verwijtbaarheid.
                                        De maximale hoogte van een maatregel is 100% van de
                                        inkomensvoorzieningsnorm. </al><al>Lid 2 en 3</al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare
                                        gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging,
                                        wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking
                                        gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel.
                                        Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                                        gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een
                                        maatregel, ook indien wegens dringende redenen is afgezien
                                        van het opleggen van een maatregel of een waarschuwing is
                                        gegeven. </al><al>Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12
                                        maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                                        maatregel is opgelegd is verzonden. Op basis van deze
                                        bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                                        toegepast. Indien de belanghebbende na een tweede
                                        verwijtbare gedraging wederom verwijtbaar gedrag vertoont,
                                        zal de hoogte en de duur van de maatregel individueel moeten
                                        worden vastgesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Horen van belanghebbende </vet></al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal
                                        gevallen het horen van de belanghebbende verplicht bij de
                                        voorbereiding van beschikkingen. </al><al>Lid 1</al><al>Hier wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                                        maatregel wordt opgelegd voorgeschreven. </al><al>Lid 2</al><al>Dit lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2 </vet></al><al><vet>GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET
                                            VERKRIJGEN OF BEHOUDEN VAN ARBEID</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9 Indeling in categorieën</vet></al><al>Het betreft gedragingen van belanghebbenden, waardoor de
                                        verplichting op grond van artikel 9 WWB of artikel 37
                                        IOAW/IOAZ of artikel 30c, tweede en derde lid SUWI niet of
                                        onvoldoende is nagekomen of blijk is gegeven van onvoldoende
                                        besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                        bestaan als bedoeld in artikel 18, lid 2 WWB of onvoldoende
                                        is meegewerkt aan de inburgeringsplicht op grond van artikel
                                        23, 25 en 31 Wet inburgering, worden onderscheiden in
                                        categorieën:</al><al>De gedragingen die kunnen leiden tot een maatregel worden in
                                        vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de
                                        gedraging het onderscheidende criterium. Een gedraging wordt
                                        ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen
                                        heeft voor het niet verkrijgen of behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid. </al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich
                                        als werkzoekende in te schrijven bij het UWV WERKbedrijf en
                                        ingeschreven te blijven.</al><al>Onderdeel b betreft de verplichting om documenten te
                                        ondertekenen of gegevens te verstrekken die nodig zijn om de
                                        re-integratie van belanghebbende op de arbeidsmarkt uit te
                                        werken of vast te leggen, zoals het individuele
                                        activeringsplan, het trajectplan.</al><al>De tweede categorie betreft het niet of niet voldoende
                                        solliciteren of niet meewerken aan onderzoek in verband met
                                        de arbeidsplicht of inburgeringsplicht. De tweede categorie
                                        wordt onderscheiden in drie subcategorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen
                                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Deze gedraging
                                                betreft schending van de verplichting tot het hebben
                                                van een actieve houding op de arbeidsmarkt in ruime
                                                zin. Iemand solliciteert niet of niet genoeg.
                                                Voorbeelden hiervan zijn het te weinig solliciteren,
                                                het stellen van een onredelijke salariseis tijdens
                                                een sollicitatiegesprek en het hebben van een
                                                negatieve houding tijdens een sollicitatiegesprek.
                                                Ook het geval dat de belanghebbende te laat
                                                terugkeert van vakantie is een gedraging als hier
                                                bedoeld. De belanghebbende onttrekt zich dan
                                                namelijk aan de arbeidsmarkt en doet niet wat in
                                                zijn vermogen ligt om algemeen geaccepteerde arbeid
                                                te verkrijgen.</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                                onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                                arbeidsinschakeling. Voorbeelden hiervan zijn het
                                                weigeren mee te werken aan een toets in verband met
                                                het bepalen of een bepaalde opleiding geschikt is
                                                voor de belanghebbende en het weigeren mee te werken
                                                aan een medisch arbeidskundig onderzoek naar de mate
                                                van arbeidsgeschiktheid.</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                                inburgeringsonderzoek op grond van de Wet
                                                inburgering.</al></li></lijst><al>Gedragingen van de derde categorie hebben te maken met een
                                        negatieve houding of gedrag dat het krijgen van werk in de
                                        weg staat en het niet voldoende meewerken aan een
                                        re-integratie- of inburgeringstraject. Ook de derde
                                        categorie wordt onderscheiden in drie subcategorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid
                                                belemmeren. Dit kunnen er veel zijn. Het kan
                                                bijvoorbeeld gaan om niet verantwoorde eisen die de
                                                belanghebbende stelt ten aanzien van het aanvaarden
                                                van werk, maar ook om gedragingen die de kansen op
                                                arbeidsinschakeling verminderen. Negatieve
                                                gedragingen kunnen onder andere blijken hoe de
                                                belanghebbende zich tijdens een sollicitatiegesprek
                                                opstelt.</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                                door het college aangeboden voorziening gericht op
                                                arbeidsinschakeling voor zover dit niet heeft geleid
                                                tot het geen doorgang vinden of voortijdige
                                                beëindiging van die voorziening. Hierbij moet met
                                                name gedacht worden aan schending van verplichtingen
                                                die aan belanghebbende zijn opgelegd in het kader
                                                van een re-integratietraject. Ook gedragingen die
                                                zich voordoen tijdens de werkstage vallen hieronder.
                                                De gedraging valt alleen onder deze categorie indien
                                                de bewuste gedraging niet tot gevolg heeft gehad dat
                                                de voorziening geen doorgang heeft gevonden of is
                                                beëindigd. Indien dit wel het geval is geweest, dan
                                                dient er een maatregel van de vierde categorie te
                                                worden opgelegd.</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende meewerken aan een
                                                inburgeringsvoorziening op grond van de Wet
                                                inburgering zonder dat het inburgeringstraject wordt
                                                beëindigd.</al></li></lijst><al>De vierde categorie is onderverdeeld in vier subcategorieën
                                        van gedragingen van (werk-) weigering of beëindiging :</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                                arbeid. Deze gedraging duidt op de situatie dat geen
                                                gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om
                                                algemeen geaccepteerde arbeid, al dan niet in
                                                deeltijd, te aanvaarden teneinde de
                                                uitkeringsafhankelijkheid geheel of gedeeltelijk te
                                                beëindigen.</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in
                                                dienstbetrekking. Onder deze gedraging wordt
                                                gerekend de situatie waarin op verwijtbare wijze
                                                door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag dan
                                                wel tijdens de bijstandsverlening – als het gaat om
                                                deeltijdwerk – betaalde arbeid niet behouden wordt.
                                                Een voorbeeld hiervan is het herhaaldelijk te laat
                                                verschijnen op het werk, waardoor de
                                                dienstbetrekking uiteindelijk wordt ontbonden door
                                                de kantonrechter of de arbeidsovereenkomst niet
                                                wordt verlengd.</al></li><li nr="c."><al>de voorziening gericht op arbeidsinschakeling vindt
                                                in het geheel geen doorgang of komt voortijdig tot
                                                een einde. Voorbeelden hiervan zijn het verwijtbaar
                                                door toedoen van de belanghebbende eindigen van het
                                                re-integratietraject en het weigeren van een
                                                werkstage.</al></li><li nr="d."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan het
                                                inburgeringsexamen op grond van de Wet inburgering
                                                zodanig dat dit wordt beëindigd.</al></li></lijst><al>Overzicht gedragingen per categorie:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="15*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="8*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="77*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Categorie 1</al></entry><entry colname="col2"><al> 5%</al></entry><entry colname="col3"><al>Administratieve verplichting zoals
                                                  inschrijving bij UWV</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 2</al></entry><entry colname="col2"><al>20%</al></entry><entry colname="col3"><al>Niet actief zoeken naar werk, solliciteren of
                                                  meewerken aan onderzoeken </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 3</al></entry><entry colname="col2"><al>40%</al></entry><entry colname="col3"><al>Gedrag en houding die re-integratie belemmeren
                                                  of niet meewerken in een traject</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Categorie 4</al></entry><entry colname="col2"><al>100%</al></entry><entry colname="col3"><al>Werk weigeren of door eigen toedoen niet
                                                  behouden, niet meewerken in een traject zodat dit
                                                  traject wordt beëindigd of weigeren te voldoen aan
                                                  de inburgeringsplicht.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Artikel 10 De hoogte en duur van de
                                        maatregel</vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier
                                        categorieën van gedragingen in artikel 9 van deze
                                        verordening. Hierbij is de ernst van de gedraging het
                                        onderscheidende criterium. Een gedraging wordt ernstiger
                                        geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor
                                        een beroep op of duur van uitkeringverlening.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3 </vet></al><al><vet>NIET (TIJDIG) NAKOMEN VAN DE
                                        INLICHTINGENPLICHT</vet></al><al/><al><vet>Artikel 11 Te laat verstrekken van gegevens</vet></al><al>Lid 1</al><al>Indien de belanghebbende voor de verstrekking van de
                                        uitkering van belang zijnde gegevens of gevorderde
                                        bewijsstukken niet binnen de door het college gestelde
                                        termijn heeft verstrekt, kan het college het recht op
                                        uitkering opschorten. Het college geeft vervolgens op grond
                                        van de wet ( artikel 54 lid 2 van de wet WWB, artikel 13
                                        IOAW/IOAZ) een hersteltermijn waarbinnen de belanghebbende
                                        het verzuim kan herstellen door alsnog de gegevens of
                                        bewijsstukken te verstrekken. Indien belanghebbende de
                                        gegevens of bewijsstukken binnen deze termijn verstrekt, dan
                                        wordt een maatregel opgelegd van 5% van de uitkeringsnorm
                                        gedurende een maand. Indien de gegevens of bewijsstukken
                                        buiten deze termijn worden verstrekt, wordt een maatregel
                                        opgelegd op grond van artikel 12 of 13.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft de mogelijkheid om in plaats van een maatregel
                                        een waarschuwing te geven. De waarschuwing wordt
                                        schriftelijk afgegeven. De waarschuwing is een schriftelijk
                                        besluit van een bestuursorgaan inhoudende een
                                        publiekrechtelijke rechtshandeling, waartegen de
                                        belanghebbende ingevolge de Awb in bezwaar en vervolgens in
                                        beroep kan gaan.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Verstrekken van geen, onjuiste of
                                            onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de
                                            uitkering</vet></al><al>Lid 1</al><al>In dit artikel wordt de zogeheten “nulfraude” geregeld: het
                                        verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder
                                        dat dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                        bedrag verlenen van bijstand. Een voorbeeld van nulfraude is
                                        het niet opgeven van een vermogensbestanddeel waarbij de
                                        waarde van het bestanddeel niet tot gevolg heeft dat de voor
                                        de belanghebbende(n) geldende vermogensgrens wordt
                                        overschreden.</al><al>Lid 2</al><al>Zie de toelichting bij artikel 11 lid 2</al><al>Lid 3</al><al>Dit lid is toegevoegd om er geen misverstanden over te laten
                                        ontstaan dat er in de situatie dat na afloop van de
                                        hersteltermijn de gevraagde gegevens alsnog aan het college
                                        worden verstrekt, er ook sprake is van het niet verstrekken
                                        van inlichting. Niet relevant voor de toepassing van dit lid
                                        is of het besluit tot toekenning van inkomensvoorziening na
                                        afloop van de hersteltermijn al dan niet is ingetrokken op
                                        grond van artikel 54 van de WWB of artikel 17 van de
                                        IOAW/IOAZ.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Niet, te laat of onjuist verstrekken van
                                            inlichtingen waardoor teveel uitkering is
                                            verstrekt</vet></al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel is bedoeld om een maatregel op te leggen als
                                        schending van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten
                                        onrechte of tot een te hoog uitkeringsbedrag. De ernst van
                                        de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                                        benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is het bedrag
                                        waarmee de gemeente wordt benadeeld als het niet of niet
                                        behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid
                                        tot het ten onrechte of tot het een te hoog
                                        uitkeringsbedrag. Loonbelasting, premies volksverzekeringen
                                        en andere vormen van belasting en premies die niet verrekend
                                        kunnen worden met de belastingdienst en het
                                        Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, zijn daardoor
                                        naast de netto teveel betaalde uitkering onderdeel van het
                                        benadelingsbedrag.</al><al>Lid 2</al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van
                                        de inlichtingenplicht is afhankelijk gesteld van de hoogte
                                        van het uitkeringsbedrag dat als gevolg van de schending van
                                        deze verplichting ten onrechte of teveel aan de
                                        belanghebbende is verleend.</al><al>Lid 3</al><al>Zie de toelichting bij artikel 12 lid 3.</al><al>Lid 4</al><al>Onder het boeteregime van de Abw bestond de verplichting
                                        voor gemeenten om proces-verbaal op te maken en aangifte te
                                        doen bij het Openbaar Ministerie indien er sprake is van
                                        fraude en het benadelingsbedrag hoger was dan in de aangifte
                                        richtlijn bepaald bedrag. Deze taakverdeling tussen
                                        gemeenten en het OM is blijven bestaan, ook al kent de WWB
                                        de bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude
                                        (in casu het niet nakomen van de inlichtingenplicht) een
                                        maatregel op moeten leggen. De centrale raad voor beroep
                                        heeft zich in het (recente) verleden geregeld uitgesproken
                                        tegen ‘dubbele bestraffing’. Het ligt daarom niet voor de
                                        hand om over te gaan tot het opleggen van een maatregel, als
                                        het OM inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het ‘una via’
                                        beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde
                                        onrechtmatige gedraging dan bij beslissing van één enkele
                                        overheidsorgaan) </al><al>verzet zich daar tegen. Het beleid en de hoogte van de
                                        aangiftegrens vastgelegd in de Aanwijzing Sociale
                                        Zekerheidsfraude. De grens voor aangifte is bepaald op
                                        €6.000,-</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4. </vet></al><al><vet>OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN
                                        MAATREGEL</vet></al><al/><al><vet>Artikel 14 Tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid</vet></al><al>Lid 1</al><al>Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat een ieder in
                                        eerste instantie in zijn eigen bestaanskosten dient te
                                        voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een
                                        beroep doen op bijstand. </al><al>Hoofdregel is dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten
                                        om een beroep op bijstand te voorkomen. Gebeurt dit niet of
                                        in onvoldoende mate dan is er veelal sprake van een
                                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                        voorziening in het bestaan. Indien de belanghebbende er
                                        blijk van heeft gegeven zich daarvan onvoldoende bewust te
                                        zijn, wordt ingevolge dit artikel een maatregel opgelegd.
                                        Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit
                                        allerlei gedragingen blijken, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>geen of een te late aanvraag doen voor een
                                                voorliggende voorziening.</al></li></lijst><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid
                                        te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds
                                        voordat een uitkering wordt aangevraagd. Dit betekent
                                        bijvoorbeeld dat, wanneer iemand in de periode voorafgaand
                                        aan de aanvraag een grote erfenis in korte tijd op heeft
                                        uitgegeven, waardoor hij niet langer beschikt over voldoende
                                        middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als
                                        gevolg daarvan een uitkering moet aanvragen, het college
                                        hiermee rekening houdt door het opleggen van een
                                        maatregel.</al><al>Lid 2 </al><al>Omdat het niet mogelijk is een limitatieve opsomming te
                                        geven van alle gedragingen die leiden tot een
                                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid geeft het
                                        tweede lid het college de mogelijkheid om de hoogte van de
                                        maatregel af te stemmen op de ernst van de gedraging, de
                                        mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de
                                        belanghebbende verkeert.</al><al>Bij het onverantwoord interen van vermogen kan de volgende
                                            <onderstreept>richtlijn</onderstreept> worden
                                        gehanteerd:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de uitkeringsnorm gedurende 3 maanden indien
                                                de uitkering tot 3 maanden eerder moet worden
                                                verleend dan bij een verantwoorde intering het geval
                                                zou zijn geweest;</al></li><li nr="b."><al>20% van de uitkeringsnorm gedurende 3 maanden indien
                                                de uitkering 3 tot 6 maanden eerder moet worden
                                                verleend dan bij een verantwoorde intering het geval
                                                zou zijn geweest;</al></li><li nr="c."><al>50 % van de uitkeringsnorm gedurende 3 maanden
                                                indien de uitkering meer dan 6 maanden eerder moet
                                                worden verleend dan bij een verantwoorde intering
                                                het geval zou zijn geweest;</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse
                                        vormen van agressie worden verstaan. Er moet sprake zijn van
                                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke
                                        verkeer in alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. </al><al>In artikel 18, lid 2 WWB en artikel 20, lid 2 IOAW en IOAZ
                                        wordt gesproken over ‘het zich ten opzichte van het college
                                        zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer)
                                        agressief gedrag tegenover leden van het college en hun
                                        ambtenaren aanleiding zijn voor het verlagen van de
                                        inkomensvoorziening. Er kan dus geen maatregel worden
                                        toegepast als een cliënt zich agressief heeft gedragen
                                        tegenover een medewerker van een andere organisatie die
                                        belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een
                                        re-integratiebedrijf). Het is in dat geval wellicht wel
                                        mogelijk om een maatregel op te leggen wegens het niet of
                                        onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling.</al><al>Bij het afstemmen van de inkomensvoorziening in de situatie
                                        dat een cliënt zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken
                                        moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                                        verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
                                        betrokkene. Uitgangspunt hierbij is dat de ernst van de
                                        gedraging toeneemt naarmate er meer sprake is van fysiek en
                                        persoonsgericht geweld.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging,
                                        kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een
                                        oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal
                                        gekeken moeten worden naar de omstandigheden waaronder de
                                        misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband is het relevant
                                        een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                                        frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als
                                        iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een
                                        bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van
                                        een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                                        ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden
                                        aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat
                                        de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in
                                        beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al>Naast een maatregel van de bijstand kan het college
                                        besluiten de belanghebbende een gebouwverbod op te leggen en
                                        kunnen het college en de betrokken medewerker aangifte doen
                                        bij de politie.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Nadere verplichtingen</vet></al><al>Artikel 55 tot en met 57 van de WWB wordt de mogelijkheid
                                        geboden om naast de in Hoofdstuk 2 van de wet opgenomen
                                        verplichtingen op te leggen die strekken tot
                                        arbeidsinschakeling of vermindering dan wel beëindiging van
                                        de uitkering.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6 </vet></al><al><vet>SLOTBEPALINGEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 17 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 18 Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 19 Overgangsregeling</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>