<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR116828_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Heraut 19-10-2011/Internet</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-10-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BR1100231/Voorstelnr. 2011/92 T11.06580</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel
                                        c, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op
                                        verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                        verzorgingstehuis.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden
                            van 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden
                            gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien beide
                            echtgenoten 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder in wiens woning één ander zijn hoofdverblijf
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning twee of
                                meer anderen hun hoofdverblijf hebben, wordt geen toeslag toegekend
                                als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning twee of
                                meer anderen hun hoofdverblijf hebben, en die aantoonbaar kostgeld
                                betaalt ter hoogte van tenminste 10 procent van de gehuwdennorm,
                                wordt een toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                toegekend van 10 procent van de gehuwdennorm.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen
                                        inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten
                                        van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel
                                        3.18 van de Wet studiefinanciering 2000;</al></li><li nr="b."><al>verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden
                                        verzorgd (mantelzorgontvanger);</al></li><li nr="c."><al>personen die de verzorgingsbehoevende belanghebbende
                                        verzorgen (mantelzorgbieder).</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die een woning delen met
                                een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 20
                                procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die een woning delen met
                                twee of meer anderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het vijfde lid van artikel 3 van deze verordening is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt 20 procent
                            van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor
                            belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden
                            zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging Schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 28 van de wet bedraagt 20
                                procent van de gehuwdennorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Recent is binnen 6 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende tenminste bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>55 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder;</al></li><li nr="c."><al>65 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de bekendmaking
                            van de vaststelling. </al><al/><al>Op dat moment vervalt de Toeslagenverordeningen Wet werk en bijstand van
                            de gemeente Lansingerland.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van Lansingerland op 29 september
                        2011.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Kees van ’t Hart, Ewald van Vliet</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelgewijze toelichting Toeslagenverordening Wet werk en
                                bijstand 2011.</titel></kop><al>Inleiding</al><al>De werking van deze verordening is beperkt tot belanghebbenden van 27
                            jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In niet geregelde of
                            uitzonderlijke gevallen heeft het college de bevoegdheid c.q. de plicht
                            om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB bij wijze van
                            individualisering afwijkend vast te stellen.</al><al>In de WWB is niet voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel de
                            toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op
                            de toeslag dient plaats te vinden. De reden is gelegen in de
                            financieringsstructuur van de WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm
                            of de toeslag verlaagd wordt. </al><al>Bovenstaande in acht nemend kan hoogte van de uitkering algemene
                            bijstand voor personen van 27 tot 65 jaar als volgt worden
                            berekend:</al><lijst><li nr="1."><al>Basisnorm;</al></li><li nr="2."><al>:</al><lijst><li nr="a."><al>Optellen toeslag (alleenstaanden en alleenstaande
                                            ouders); of</al></li><li nr="b."><al>Korten met verlaging wegens het delen van een woning
                                            (alleen bij gehuwden);</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Korten met verlaging wegens woonsituatie;</al></li><li nr="4."><al>Korten met verlaging schoolverlater.</al></li></lijst><al>Leidt de uitkomst tot en lager bedrag aan bijstand dan de gestelde
                            minima in artikel 7 van de Toeslagenverordening, dan moet het college de
                            bijstand vaststellen op de van toepassing zijnde minimum hoogte volgens
                            dit artikel. </al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of
                            Awb niet afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat
                            in geval van wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook
                            de Verordening moet worden gewijzigd.</al><al>Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de hoogte
                            van deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21 onder c WWB.
                            Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.</al><al>Het verzorgen van een zorgbehoevende wordt mantelzorg genoemd. Vaak is
                            het de echtgenoot, een ouder of een kind. In veel gevallen wordt echter
                            ook intensief gezorgd voor een andere bekende die gehandicapt,
                            (hoog)bejaard of langdurig ziek is. Zodra de verzorger bij de zieke
                            inwoont, ontstaat een situatie die van invloed kan zijn op de hoogte van
                            de uitkering. In veel gemeenten is in de verordening opgenomen dat
                            mantelzorgbieders en -ontvangers niet of niet volledig worden gekort.
                            Het criterium daarbij is of de verzorging door de mantelzorgbieder ertoe
                            leidt dat de mantelzorgontvanger (nog) niet wordt opgenomen in een
                            verpleeg- of verzorgingstehuis.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Behoeft geen toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag
                            voor de alleenstaande of alleen-staande ouder in wiens woning geen ander
                            zijn hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30 lid 2
                            onder a WWB.</al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt
                            verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen
                            worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de
                            kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                            verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf.</al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter
                            van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                            toeslag blijft op zijn plaats. In de toeslagenverordening is daarom
                            gekozen voor een toeslag van tien procent van de gehuwdennorm in het
                            geval één ander in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Als nog een
                            ander zijn hoofdverblijf in de woning heeft kunnen de kosten nog meer
                            gedeeld worden. In de Toeslagenverordening is daarom gekozen om, ingeval
                            twee of meer anderen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben, geen
                            toeslag meer toe te kennen.</al><al>In die gevallen dat de cliënt echter kan aantonen maandelijks tenminste
                            tien procent van de gehuwdennorm te betalen aan kostgeld, blijft de
                            toeslag tien procent van de norm, ook al zijn er meerdere inwonenden.
                            Van aantoonbare kosten kan worden gesproken bij een door de cliënt én de
                            hoofdbewoner getekende schriftelijke verklaring van de kostregeling,
                            alsmede het kunnen produceren van afschriften van de maandelijkse
                            kostgeldbetaling.</al><al>In het vijfde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm
                            begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het
                            niet aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het
                            huishouden, niet meetellen als personen die in de woning hun
                            hoofdverblijf hebben. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide
                            echtgenoten de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met
                            elkaar. Indien in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft,
                            kunnen de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder
                            gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk
                            gedeeld worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van
                            belanghebbenden zelf.</al><al>Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm, indien
                            een ander zijn hoofdverblijf heeft in de woning.</al><al>In het tweede lid is opgenomen dat bij twee of meer inwonende de
                            uitkering wordt verlaagd met 20 procent van de norm, analoog aan de
                            verlaagde toeslag bij alleenstaanden en alleenstaande ouders bij
                            meerdere inwonenden. Dit is eveneens in overeenstemming met de idee dat
                            inwonenden kostgeld betalen voor hun inwoning. Meerdere inwonenden
                            leiden dan tot het ontvangen van meer kostgeld door de
                            belanghebbende.</al><al>In het derde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm
                            begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het
                            niet aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het
                            huishouden, niet meetellen als personen die in de woning hun
                            hoofdverblijf hebben. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag
                            te verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke
                            kosten van het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel
                            27 WWB is aanvullend bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB. Ten opzichte
                            van artikel 35 lid 1 Abw is artikel 27 WWB ruimer. Artikel 35 lid 1 Abw
                            voorzag enkel in een verlaging in het geval aan de door belanghebbende
                            bewoonde woning geen woonkosten verbonden waren. Blijkens de toelichting
                            op 27 WWB is de verruiming bedoeld om ook ingeval er helemaal geen
                            woning wordt bewoond, een verlaging te kunnen te kunnen toepassen.</al><al>In dit artikel is een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan de
                            woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het wordt
                            nodeloos ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de
                            mate waarin woonkosten ontbreken. Indien een belanghebbende
                            uitzonderlijk lage woonkosten heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding
                            zijn om met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast
                            te stellen. In de verordening wordt overigens niet het begrip
                            'woonkosten' gehanteerd, maar 'kosten van huur of hypotheeklasten'.</al><al>Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas,
                            licht en dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een
                            verlaging van krachtens dit artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook
                            met de invulling die de Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de
                            invulling van het begrip woonkosten in de zin van artikel 35 lid 1 Abw.
                            (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr.
                            00/4951 NABW.)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 28 WWB is blijkens de
                            toelichting op dat artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het
                            eerste half jaar niet in een veel betere financiële positie te brengen
                            als toen hij nog aangewezen was op studiefinanciering of een
                            tegemoetkoming krachtens de Wtos. Er wordt daarbij geen onderscheid
                            gemaakt naar een (voormalig) uit- of thuiswonende student. Met deze
                            omstandigheden wordt immers reeds rekening gehouden in artikel 4 en 5
                            van de Toeslagenverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op
                            verschillende omstandigheden bij belang-hebbende en kunnen elk
                            afzonderlijk als redelijk in betreffende omstandigheden worden
                            beschouwd. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat -met
                            name in situaties waarin de schoolverlatersverlaging in combinatie met
                            een van de andere verlagingsgronden aan de orde is- het college de
                            bijstand vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten vaststellen, dat
                            er feitelijk geen sprake meer zou zijn van adequate bijstandsverlening.
                            In voorkomende gevallen zou het college op grond van artikel 18 lid 1
                            WWB de bijstand hoger moeten vaststellen. Daarom is er voor gekozen om
                            reeds in de Toeslagenverordening een minimum bedrag vast te leggen,
                            waarop het college de bijstand (inclusief eventuele toeslag en
                            verlagingen) tenminste moet vaststellen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de
                            Toeslagenverordening bij het college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>Behoeft geen toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Behoeft geen toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>