<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR116446_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wmo 2012 (Verordening maatschappelijke ondersteuning)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Koerier 19 oktober 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wmo 2012 gemeente Beuningen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning, artikel 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 14</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-07-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BW11.00681</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze Wmo-verordening 2012 vervangt de Verordening Wmo 2011</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening Wmo 2012 (Verordening maatschappelijke ondersteuning)
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad der gemeente Beuningen;</al>
          <al/>
          <al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 juni
                        2011;</al>
          <al>Gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning artikel 5 en de
                        Gemeentewet artikel 149;</al>
          <al/>
          <al>BESLUIT:</al>
          <al>Vast te stellen de navolgende <vet>Verordening Wmo 2012.</vet></al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>1:</nr>
            <titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.1</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al>
            <al>
              <cursief>a. </cursief>
              <cursief> Wet: </cursief>
            </al>
            <al>Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo);</al>
            <al>
              <cursief>b.</cursief>
              <cursief> College:</cursief>
            </al>
            <al>College van burgemeester en wethouders van de gemeente Beuningen;</al>
            <al>
              <cursief>c.</cursief>
              <cursief> Maatschappelijke
                            participatie:</cursief>
            </al>
            <al>Deelname aan het normale maatschappelijke verkeer, te weten:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>het voeren van het huishouden;</al></li>
              <li nr="-"><al>het normale gebruik van de woning; </al></li>
              <li nr="-"><al>het verplaatsen in en om de woning;</al></li>
              <li nr="-"><al>het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li>
              <li nr="-"><al>het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van
                                    sociale verbanden.</al></li>
            </lijst>
            <al>
              <cursief>d.</cursief>
              <cursief> Persoon met beperkingen:</cursief>
            </al>
            <al>Een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief een
                            chronisch psychisch en psychosociaal probleem, aantoonbare beperkingen
                            ondervindt bij de maatschappelijke participatie;</al>
            <al>
              <cursief>e.</cursief>
              <cursief> Beperkingen</cursief>
            </al>
            <al>Moeilijkheden die een persoon heeft met het uitvoeren van activiteiten,
                            zoals opgenomen in het uniforme begrippenkader van het ICF
                            (International Classification of Functioning);</al>
            <al>
              <cursief>f.</cursief>
              <cursief> Zelfredzaamheid: </cursief>
            </al>
            <al>Het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke of financiële vermogen om
                            zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale
                            maatschappelijke verkeer mogelijk maken;</al>
            <al>
              <cursief>g.</cursief>
              <cursief> Mantelzorger:</cursief>
            </al>
            <al>Een persoon die mantelzorg verleent als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub b
                            van de wet;</al>
            <al>
              <cursief>h. </cursief>
              <cursief> Algemene voorziening: </cursief>
            </al>
            <al>Een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid
                            voor alle burgers woonachtig in de gemeente, met een beperkte
                            toegangsbeoordeling (geen medische indicatie), die een snelle, regelarme
                            en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                            ondervindt. </al>
            <al>
              <cursief>i.</cursief>
              <cursief> Individuele voorziening: </cursief>
            </al>
            <al>Een voorziening die op basis van deze verordening kan worden verstrekt
                            en waarvoor personen als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 4,
                            5 en 6 Wmo (of personen met beperkingen) op basis van een indicatie voor
                            in aanmerking kunnen komen;</al>
            <al>
              <cursief>j. </cursief>
              <cursief> Voorziening: </cursief>
            </al>
            <al>Een huishoudelijke voorziening, een woonvoorziening, een
                            vervoersvoorziening, een rolstoelvoorziening of een
                            sportvoorziening;</al>
            <al>k<cursief>.</cursief><cursief> Huishoudelijke
                            voorziening:</cursief></al>
            <al>Een voorziening ter ondersteuning bij of ter overname van activiteiten
                            op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan
                            wel de leefeenheid waartoe een persoon behoort;</al>
            <al>
              <cursief>l.</cursief>
              <cursief> Woonvoorzienin</cursief>g: </al>
            <al>Voorziening, niet zijnde een huishoudelijke voorziening, een
                            rolstoelvoorziening of een sportvoorziening, die de persoon met
                            beperkingen in staat stelt de woning op normale wijze te gebruiken;</al>
            <al>
              <cursief>m. </cursief>
              <cursief> Vervoersvoorziening:</cursief>
            </al>
            <al>Voorziening die de persoon met beperkingen in staat stelt zich lokaal te
                            verplaatsen per vervoermiddel;</al>
            <al>
              <cursief>n. </cursief>
              <cursief> Rolstoelvoorziening:</cursief>
            </al>
            <al>Voorziening die de persoon met beperkingen in staat stelt zich in en om
                            de woning te verplaatsen en waarvan het rijden de primaire functie
                            is;</al>
            <al>
              <cursief>o. </cursief>
              <cursief> Sportvoorziening:</cursief>
            </al>
            <al>Voorziening die de persoon met beperkingen in staat stelt aan
                            sportbeoefening te doen;</al>
            <al>
              <cursief>p. </cursief>
              <cursief> Voorziening in natura: </cursief>
            </al>
            <al>Een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van
                            persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;</al>
            <al>
              <cursief>q. </cursief>
              <cursief> Persoonsgebonden budget: </cursief>
            </al>
            <al>Een geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen
                            individuele voorzieningen kan verwerven; </al>
            <al>
              <cursief>r. </cursief>
              <cursief> Financiële tegemoetkoming:
                            </cursief>
            </al>
            <al>Een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening welke kan worden
                            afgestemd op het inkomen van de aanvrager;</al>
            <al>
              <cursief>s.</cursief>
              <cursief> Algemeen gebruikelijk: </cursief>
            </al>
            <al>Naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel
                            bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend;</al>
            <al>
              <cursief>t. </cursief>
              <cursief> Huisgenoot: </cursief>
            </al>
            <al>Iedereen met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning
                            bewoont, tenzij sprake is van een kostgangersrelatie; </al>
            <al>
              <cursief>u.</cursief>
              <cursief> Leefeenheid:</cursief>
            </al>
            <al>Een eenheid bestaande uit gehuwden die al dan niet tezamen met één of
                            meer minderjarige ongehuwden duurzaam gemeenschappelijk een woning
                            bewonen, dan wel een ongehuwde meerderjarige die met één of meer
                            minderjarige ongehuwden duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont,
                            waarbij onder gehuwden ook worden verstaan ongehuwd samenwonenden en
                            andere volwassenen die met elkaar en/of met kinderen samenwonen;</al>
            <al>
              <cursief>v. </cursief>
              <cursief> Eigen bijdrage: </cursief>
            </al>
            <al>Een bijdrage, welke bij de verstrekking van een voorziening in natura
                            door de persoon is verschuldigd dan wel op een persoonsgebonden budget
                            in mindering wordt gebracht;</al>
            <al>
              <cursief>w. </cursief>
              <cursief> Eigen aandeel:</cursief>
            </al>
            <al>Een bijdrage, welke op een financiële tegemoetkoming in mindering wordt
                            gebracht;</al>
            <al>
              <cursief>x.</cursief>
              <cursief> Inkomen:</cursief>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>voor zover van belang voor de toepassing van artikel 4.1 en 4.2:
                                    het inkomen zoals omschreven in artikel 4.2 van het (landelijke)
                                    Besluit maatschappelijke ondersteuning;</al></li>
              <li nr="2."><al>voor zover van belang voor de toepassing van artikel 4.3: het
                                    inkomen zoals omschreven in artikel 32 en 33 van de Wet Werk en
                                    Bijstand;</al></li>
            </lijst>
            <al>
              <cursief>y.</cursief>
              <cursief> Norminkomen:</cursief>
            </al>
            <al>De normen, genoemd in paragraaf 3.2 van de Wet werk en bijstand,
                            omgerekend tot een bedrag per kalenderjaar, waarbij deze normen voor een
                            belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die een
                            alleenstaande of een alleenstaande ouder is, en die niet in een
                            inrichting verblijft, eerst</al>
            <al>zijn verhoogd met de toeslag, genoemd in artikel 25 lid 2 WWB, en de
                            normen van een alleenstaande of een alleenstaande ouder, of gehuwde, die
                            in een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de bedragen,
                            genoemd in artikel 23 lid 2 WWB.</al>
            <al>z<cursief>. </cursief><cursief> Instandhoudingskosten:</cursief></al>
            <al>De kosten die gemaakt worden om een voorziening in stand te houden:
                            onderhoud, keuring en reparatie.</al>
            <al>
              <cursief>aa. Woonwagen: </cursief>
            </al>
            <al>een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en
                            dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;</al>
            <al>
              <cursief>bb.</cursief>
              <cursief> Standplaats: </cursief>
            </al>
            <al>een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop
                            voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare
                            nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden
                            aangesloten;</al>
            <al>
              <cursief>cc. Woonschip: </cursief>
            </al>
            <al>elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of te
                            oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak
                            bestemd is tot dag- of nachtverblijf van een of meer personen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.2</nr>
              <titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een individuele voorziening wordt pas dan toegekend zodra blijkt dat
                                een aanwezige algemene voorziening niet of niet voldoende de
                                ondervonden beperkingen compenseert en/of een algemene voorziening
                                niet in alle redelijkheid toegankelijk of bruikbaar is voor de
                                aanvrager.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het recht op een voorziening geldt slechts voor zover:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op te
                                        heffen of te verminderen op het gebied van:</al><lijst>
                    <li nr="-"><al>het voeren van het huishouden;</al></li>
                    <li nr="-"><al>het normale gebruik van de woning; </al></li>
                    <li nr="-"><al>het verplaatsen in en om de woning; </al></li>
                    <li nr="-"><al>het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li>
                    <li nr="-"><al>het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan
                                                aangaan van sociale verbanden.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li>
                <li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De persoon met beperkingen heeft geen recht op een individuele
                                voorziening:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li>
                <li nr="b."><al>indien de persoon met beperkingen zijn woonplaats niet heeft
                                        in de gemeente Beuningen.</al></li>
                <li nr="c."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                        van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd;</al></li>
                <li nr="d."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                        gemaakt, tenzij het college uitdrukkelijk toestemming heeft
                                        gegeven voor het maken van de kosten;</al></li>
                <li nr="e."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel een aan deze
                                        verordening voorafgaande Verordening maatschappelijke
                                        ondersteuning of de Verordening voorzieningen gehandicapten
                                        is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de
                                        voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder
                                        vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als
                                        gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe
                                        te rekenen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.3</nr>
            </kop>
            <al>Het college stelt in het Besluit nadere regels individuele voorzieningen
                            gemeente Beuningen nadere regels vast over de uitvoering van deze
                            Verordening, waaronder hoogte van vergoedingen, tarieven en in
                            aanmerking nemen van het inkomen.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>2:</nr>
            <titel>VORM VAN DE TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.1</nr>
              <titel>Keuzevrijheid.</titel>
            </kop>
            <al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, in de vorm
                            van een financiële tegemoetkoming of in de vorm van een persoonsgebonden
                            budget.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.2</nr>
              <titel>Voorziening in natura</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt die in eigendom is
                                van de leverancier is de bruikleenovereenkomst of huurovereenkomst
                                tussen de leverancier en de aanvrager van toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt die in eigendom is
                                van de gemeente Beuningen, is de bruikleenovereenkomst of
                                huurovereenkomst van de gemeente Beuningen van toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt in de vorm van
                                persoonlijke dienstverlening door een derde, is de
                                dienstverleningsovereenkomst tussen de derde en de aanvrager van
                                toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt in de vorm van
                                persoonlijke dienstverlening door de gemeente Beuningen, is de
                                dienstverleningsovereenkomst tussen de gemeente Beuningen en de
                                aanvrager van toepassing.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.3</nr>
              <titel>Financiële tegemoetkoming</titel>
            </kop>
            <al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit nadere regels
                            individuele voorzieningen in het besluit opgenomen. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.4</nr>
              <titel>Persoonsgebonden budget</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien een persoonsgebonden budget wordt verleend, wordt in het
                                besluit vermeld voor welke voorzieningen het budget wordt
                                verleend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De omvang van het persoonsgebonden budget is niet hoger dan de
                                tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te
                                verstrekken voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een
                                vergoeding voor instandhoudingkosten, zoals vastgelegd in het
                                Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Beuningen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld en
                                betaalbaar wordt gesteld wordt door het college vastgelegd in het
                                Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Beuningen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Een persoonsgebonden budget wordt niet verstrekt aan de
                                persoon:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>die naar het oordeel van het college niet in staat is het
                                        budget op een verantwoorde wijze te beheren, tenzij de
                                        persoon de beschikking heeft over een goed netwerk dat zorg
                                        kan dragen voor het beheer;</al></li>
                <li nr="b."><al>die verkeert in staat van faillissement als bedoeld in de
                                        Faillissementswet;</al></li>
                <li nr="c."><al>die twee of meer schulden heeft waarvoor geen
                                        betalingsregeling is getroffen;</al></li>
                <li nr="d."><al>die wegens schuldenproblematiek wordt begeleid door
                                        Maatschappelijk Werk, de Kredietbank of een hiermee
                                        vergelijkbare dienstverlenende instantie;</al></li>
                <li nr="e."><al>ten aanzien waarvan door de rechter een schuldsanering is
                                        vastgesteld op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke
                                        Personen;</al></li>
                <li nr="f."><al>die onder curatele is gesteld, tenzij de curator zich bereid
                                        verklaart het persoonsgebonden budget te beheren;</al></li>
                <li nr="g."><al>die onder bewind is gesteld, tenzij de bewindvoerder zich
                                        bereid verklaart het persoonsgebonden budget te
                                        beheren;</al></li>
                <li nr="h."><al>ten aanzien van wie misbruik of oneigenlijk gebruik van het
                                        persoonsgebonden budget is vastgesteld.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>3:</nr>
            <titel>HET AANVRAGEN VAN VOORZIENINGEN EN HET MOTIVEREN VAN
                            BESLUITEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.1</nr>
              <titel>Aanvraagprocedure</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Een aanvraag voor een voorziening dient te worden ingediend door
                                    middel van een door het college beschikbaar gesteld
                                    formulier.</al></li>
              <li nr="2."><al>De persoon die een voorziening in het kader van deze Verordening
                                    aanvraagt, dient desgevraagd een geldig identiteitsbewijs over
                                    te leggen als bedoeld in artikel 1 eerste lid onder 1 tot en met
                                    3 van de Wet op de identificatieplicht. </al></li>
              <li nr="3."><al>Degene die kenbaar maakt een aanvraag te willen indienen en die
                                    naar het oordeel van het college voldoende zelfredzaam is, wordt
                                    in de gelegenheid gesteld om met advies en ondersteuning van de
                                    kant van de gemeente zelf een oplossing te vinden ter
                                    compensatie van de beperkingen middels de inzet van de sociale
                                    omgeving dan wel de vrijwillige mantelzorg.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.2</nr>
              <titel>Inlichtingen, onderzoek, advies</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>degene door of namens wie een aanvraag is ingediend op te
                                        roepen in persoon te verschijnen op een door het college te
                                        bepalen plaats en tijdstip en hem te verzoeken die
                                        inlichtingen te verstrekken die naar het oordeel van het
                                        college nodig zijn om een besluit te kunnen nemen;</al></li>
                <li nr="b."><al>degene door of namens wie een aanvraag is ingediend op te
                                        roepen in persoon te verschijnen op een door het college te
                                        bepalen plaats en tijdstip in verband met het verstrekken
                                        van inlichtingen of het zich onderwerpen aan nader onderzoek
                                        door een of meer daartoe aangewezen deskundigen;</al></li>
                <li nr="c."><al>degene die een voorziening toegekend heeft gekregen op te
                                        roepen in persoon te verschijnen op een door het college te
                                        bepalen plaats en tijdstip en hem te verzoeken die
                                        inlichtingen te verstrekken die naar het oordeel van het
                                        college nodig zijn om een besluit te kunnen nemen;</al></li>
                <li nr="d."><al>degene die een voorziening toegekend heeft gekregen op te
                                        roepen in persoon te verschijnen op een door het college te
                                        bepalen plaats en tijdstip in verband met het verstrekken
                                        van inlichtingen of het zich onderwerpen aan nader onderzoek
                                        door een of meer daartoe aangewezen deskundigen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college vraagt een door hen daartoe aangewezen adviesinstantie
                                om advies indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de gevraagde voorziening om medische of andere inhoudelijke
                                        redenen wordt afgewezen;</al></li>
                <li nr="b."><al>dit naar het oordeel van het college, mede gelet op de aard
                                        of de samenloop van de problematiek, noodzakelijk is voor
                                        een zorgvuldige besluitvorming.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hen aangewezen
                                adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen
                                die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de het recht op een
                                voorziening. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Wanneer de adviserende instantie geen advies af kan geven omdat de
                                aanvrager uit nalatigheid niet op het afgesproken tijdstip
                                verschijnt, kan de gemeente de door de adviseur in rekening
                                gebrachte kosten verhalen op de aanvrager.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de
                                International Classification of Functions, Disabilities and
                                Impairments.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.3</nr>
              <titel>Wijzigingen in de situatie.</titel>
            </kop>
            <al>Degene aan wie krachtens deze Verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.4</nr>
              <titel>Heronderzoek en intrekking van een besluit tot verlening van een
                                voorziening</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college is bevoegd regelmatig een heronderzoek te verrichten
                                naar de voor de voortzetting van het recht op een voorziening van
                                belang zijnde gegevens.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college trekt een besluit, genomen op grond van deze
                                Verordening, geheel of gedeeltelijk in indien:</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet
                                of deze Verordening;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens
                                zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest,
                                een andere beslissing zou zijn genomen en belanghebbende wist of
                                redelijkerwijs had kunnen weten dat bedoelde gegevens onjuist
                                waren.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een besluit tot verlening van een voorziening in de vorm van een
                                financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget wordt
                                ingetrokken indien en voorzover:</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>de uitbetaling van de financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden
                                budget geschiedt op declaratiebasis en de belanghebbende niet binnen
                                zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit een
                                declaratie heeft ingediend;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget binnen
                                zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van
                                de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het derde lid is niet van toepassing op het verlenen van
                                aanpassingen van bouwtechnische of bouwkundige aard zoals bedoeld in
                                artikel 6.2 lid 1 sub b.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.5</nr>
              <titel>Terugvordering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In geval een besluit is ingetrokken op grond van artikel 3.4 lid 2
                                en 3 kan op basis daarvan een reeds uitbetaalde financiële
                                tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden teruggevorderd voor
                                zover na de datum van het besluit tot toekenning van de voorziening
                                nog geen vijf jaren zijn verstreken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Terugvordering als bedoeld in het vorige lid vindt niet plaats
                                indien er naar het oordeel van het college dringende redenen zijn om
                                van terugvordering af te zien.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Ingeval eenbesluit tot verlening vaneen in
                                eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken wordt deze
                                voorziening teruggevorderd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien het persoonsgebonden budget niet is besteed aan de
                                voorziening of voorzieningen waarvoor het persoonsgebonden budget is
                                verleend, wordt het niet bestede deel teruggevorderd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>In geval een besluit voor het in bruikleen verstrekken van een
                                voorziening is ingetrokken kan deze voorziening worden
                                teruggevorderd. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Het college is bevoegd tot verrekening van de openstaande vordering
                                met het persoonsgebonden budget en/of de financiële tegemoetkoming
                                waarop de belanghebbende recht heeft.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>4:</nr>
            <titel>EIGEN BIJDRAGE EN EIGEN AANDEEL</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.1</nr>
              <titel>Eigen bijdrage</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De persoon met beperkingen die in aanmerking wordt gebracht voor een
                                individuele voorziening in natura of in de vorm van een
                                persoonsgebondenbudget is een eigen bijdrage verschuldigd, tenzij
                                anders bepaald in deze verordening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De eigen bijdrage wordt toegepast overeenkomstig het bepaalde in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning artikel 4.1.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het bedrag dat in zijn totaal aan eigen bijdrage wordt gevraagd is
                                nooit hoger dan de door de gemeente gemaakte kosten van de
                                voorzieningen. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget
                                wordt verleend, wordt de eigen bijdrage opgelegd nadat de
                                voorziening is verleend. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.2</nr>
              <titel>Eigen aandeel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De persoon met beperkingen die in aanmerking wordt gebracht voor een
                                individuele voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming
                                is een eigen aandeel verschuldigd, tenzij anders bepaald in deze
                                verordening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het eigen aandeel wordt toegepast overeenkomstig het bepaalde in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning artikel 4.1. Aanvullend op
                                het bepaalde in artikel 4.1 lid 5 van het Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning geldt ook het eigen aandeel voor een bouwkundige of
                                woontechnische aanpassing van een woning die niet in eigendom is van
                                de aanvrager gedurende maximaal 39 perioden van vier weken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het bedrag dat in zijn totaal aan eigen aandeel wordt gevraagd is
                                nooit hoger dan de door de gemeente gemaakte kosten van de
                                voorzieningen. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het eigen aandeel wordt pas opgelegd nadat de voorziening is
                                verleend. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>5:</nr>
            <titel>HULP BIJ HET HUISHOUDEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.1</nr>
              <titel>Vormen van Hulp bij het huishouden</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren
                                van een huishouden, te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>hulp bij het huishouden in natura;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                huishouden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van artikel 1.2 lid 1 sub a kan hulp bij het huishouden
                                ook worden toegekend indien deze niet langdurig noodzakelijk is.
                            </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.2</nr>
              <titel>Recht op hulp bij het huishouden</titel>
            </kop>
            <al>Een persoon met beperkingen en een mantelzorger kunnen voor de in
                            artikel 5.1 sub a of b vermelde voorziening in aanmerking komen
                            indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen of</al></li>
              <li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg</al></li>
            </lijst>
            <al>het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk
                            maken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.3</nr>
              <titel>Gebruikelijke zorg en gebruikelijke hulpmiddelen</titel>
            </kop>
            <al>In afwijking van het gestelde in artikel 5.2 komt een persoon met
                            beperkingen niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of
                                    meer huisgenoten behoren die naarhet oordeel van het
                                    college in staat zijn de huishoudelijke taken te
                                    verrichten;</al></li>
              <li nr="b."><al>de ondervonden beperkingen kunnen worden weggenomen door middel
                                    van algemeen gebruikelijke huishoudelijke hulpmiddelen en
                                    apparatuur.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.4</nr>
              <titel>Omvang van de hulp bij het huishouden</titel>
            </kop>
            <al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren
                            benodigde zorg per week. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.5</nr>
              <titel>Omvang van het persoonsgebonden budget voor hulp bij het
                                huishouden</titel>
            </kop>
            <al>Het maximale bedrag per uur op basis waarvan het persoonsgebonden budget
                            wordt vastgesteld, wordt jaarlijks door het college vastgesteld en
                            vastgelegd in het Besluit nadere regels individuele voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>6:</nr>
            <titel>WOONVOORZIENINGEN</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Algemene omschrijving</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.1</nr>
                <titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het normale
                                gebruik van de woning, te verstrekken voorziening kan bestaan
                                uit:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li>
                <li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                        woonvoorziening;</al></li>
                <li nr="c."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                        woonvoorziening.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.2</nr>
                <titel>Soorten individuele woonvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De in artikel 6.1 bedoelde voorzieningen kunnen bestaan
                                    uit:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>vergoeding van kosten van verhuizing en
                                            (her)inrichting;</al></li>
                  <li nr="b."><al>aanpassing van bouwtechnische of bouwkundige aard;</al></li>
                  <li nr="c."><al>aanpassing van niet-bouwtechnische of niet-bouwkundige
                                            aard;</al></li>
                  <li nr="d."><al>onderhoud, keuring en reparatie van een in of aan de
                                            woning aangebrachte voorziening;</al></li>
                  <li nr="e."><al>kosten tijdelijke huisvesting;</al></li>
                  <li nr="f."><al>kosten huurderving;</al></li>
                  <li nr="g."><al>verwijderen van voorzieningen;</al></li>
                  <li nr="h."><al>een hulphond. </al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De individuele woonvoorzieningen die worden genoemd in lid 1 sub
                                    c worden verleend in natura of in de vorm van een
                                    persoongebonden budget. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>In uitzondering op het gestelde in lid 2 wordt een voorziening
                                    voor woningsanering in de vorm van een financiële tegemoetkoming
                                    verstrekt. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De individuele woonvoorzieningen die worden genoemd in lid 1 sub
                                    a, b, e, f, g en h worden verleend in de vorm van een financiële
                                    tegemoetkoming. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>In uitzondering op het gestelde in lid 4 wordt een traplift of
                                    plateaulift in natura verstrekt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>De individuele woonvoorzieningen die worden genoemd in lid 1 sub
                                    d worden verleend in natura, in de vorm van een persoonsgebonden
                                    budget of in de vorm van een financiële tegemoetkoming.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>De individuele woonvoorzieningen die worden genoemd in lid 1 sub
                                    a, c, d, e en h worden verleend aan de persoon met beperkingen.
                                </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>8.</lidnr>
                <al>De individuele woonvoorzieningen die worden genoemd in lid 1 sub
                                    b, f en g worden verleend aan de woningeigenaar.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.3</nr>
                <titel>Recht op een woonvoorziening en primaat van verhuizen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een persoon kan voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel
                                    6.2 lid 1 sub a in aanmerking worden gebracht wanneer
                                    aantoonbare beperkingen het normale gebruik van de woning
                                    belemmeren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Een persoon kan voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel
                                    6.2 lid 1 sub b in aanmerking worden gebracht indien de in het
                                    eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de
                                    goedkoopst adequate oplossing is en de voorziening gericht is op
                                    het compenseren van beperkingen die het normale gebruik van de
                                    woning belemmeren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Een persoon kan voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel
                                    6.2 lid 1 sub c in aanmerking worden gebracht indien de in het
                                    eerste en tweede lid genoemde voorzieningen niet te realiseren
                                    zijn of niet de goedkoopst adequate voorzieningen zijn en
                                    wanneer aantoonbare beperkingen in de persoon het normale
                                    gebruik van de woning belemmeren. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Een persoon kan voor een combinatie van de voorzieningen als
                                    bedoeld in artikel 6.2 lid 1 sub a tot en met c in aanmerking
                                    worden gebracht indien deze voorzieningen afzonderlijk niet de
                                    goedkoopste adequate voorzieningen zijn en wanneer aantoonbare
                                    beperkingen in de persoon het normale gebruik van de woning
                                    belemmeren. Daarbij geldt dat een woonvoorziening als bedoeld in
                                    artikel 6.2 lid 1 sub b als onderdeel van de combinatie van
                                    voorzieningen slechts wordt verstrekt indien deze gericht is op
                                    het opheffen of verminderen van ergonomische belemmeringen.
                                </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het college kan besluiten af te zien van het in dit artikel
                                    neergelegde primaat van verhuizing in de gevallen aangegeven in
                                    het Besluit nadere regels individuele voorzieningen
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Een persoon kan voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel
                                    6.2 lid 1 sub h in aanmerking worden gebracht indien de hulphond
                                    is verstrekt door de Stichting Hulphond en de hulphond bijdraagt
                                    in het oplossen van beperkingen in het normale gebruik van de
                                    woning. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.4</nr>
                <titel>Woon- en verblijfsruimten waarvoor geen woonvoorziening wordt
                                    verstrekt</titel>
              </kop>
              <al>De bepalingen van hoofdstuk 6 zijn niet van toepassing op het
                                treffen van voorzieningen aan:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>hotels/pensions;</al></li>
                <li nr="b."><al>trekkerswoonwagens;</al></li>
                <li nr="c."><al>verzorgingstehuizen;</al></li>
                <li nr="d."><al>AWBZ-instellingen;</al></li>
                <li nr="e."><al>vakantiewoningen;</al></li>
                <li nr="f."><al>tweede woningen;</al></li>
                <li nr="g."><al>kamerverhuur;</al></li>
                <li nr="h."><al>specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte
                                        woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in
                                        gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij
                                        (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten
                                        meegenomen kunnen worden. </al><al>Paragraaf 2 Voorwaarden bij verlening van
                                        woonvoorzieningen</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.5 Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling financiële tegemoetkoming en persoonsgebonden budget</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="h."><lijst>
                    <li nr="1."><al>Terstond na voltooiing van de werkzaamheden in het
                                                kader van een voorziening als bedoeld in artikel 6.2
                                                lid 1 sub b, maar uiterlijk binnen 15 maanden na het
                                                verlenen van de financiële tegemoetkoming of het
                                                persoonsgebonden budget, verklaart de woningeigenaar
                                                aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn
                                                voltooid.</al></li>
                    <li nr="2."><al>De gereedmelding als bedoeld in het eerste lid gaat
                                                vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van
                                                de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden
                                                waaronder de financiële tegemoetkoming is
                                                verleend.</al></li>
                    <li nr="3."><al>De gereedmelding als bedoeld in het eerste lid is
                                                tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling
                                                van de financiële tegemoetkoming.</al></li>
                    <li nr="4."><al>Degene aan wie de financiële tegemoetkoming in de
                                                kosten genoemd in artikel 6.2 lid 1 en sub b wordt
                                                toegekend, dient een periode van vijf jaar alle
                                                rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot
                                                de werkzaamheden ter controle beschikbaar te
                                                houden.</al></li>
                    <li nr="5."><al>Bij het besluit wordt, ingeval het een
                                                woonvoorziening zoals bedoeld in artikel 6.2 lid 1
                                                sub b betreft, een programma van eisen verstrekt
                                                waarin aangegeven is aan welke vereisten de met de
                                                financiële tegemoetkoming te verwerven voorziening
                                                dient te voldoen.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.6 Hoofdverblijf en bezoekbaar maken woning</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="h."><lijst>
                    <li nr="1."><al>Het college verleent woonvoorzieningen als bedoeld
                                                in artikel 6.2 slechts ten behoeve van het
                                                hoofdverblijf van een persoon met beperkingen.</al></li>
                    <li nr="2."><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid en
                                                het gestelde in artikel 1.2 lid 3 sub c kan een
                                                woonvoorziening als bedoeld in artikel 6.2 lid 1 sub
                                                b, c en d dan wel een combinatie van deze
                                                voorzieningen worden verstrekt voor het bezoekbaar
                                                maken van één woning indien de persoon met
                                                beperkingen zijn hoofdverblijf heeft in een
                                                AWBZ-inrichting.</al></li>
                    <li nr="3."><al>Onder bezoekbaar maken van een woning als bedoeld in
                                                het tweede lid wordt uitsluitend verstaan dat de
                                                persoon met beperkingen de woonkamer en een toilet
                                                kan bereiken en gebruiken.</al></li>
                    <li nr="4."><al>De aanvraag voor woonvoorzieningen als bedoeld in
                                                het tweede lid wordt ingediend in de gemeente waar
                                                de aan te passen woning staat.</al></li>
                    <li nr="5."><al>Het totaal van de op grond van het tweede lid te
                                                verstrekken financiële tegemoetkomingen kan niet
                                                meer bedragen dan het bedrag genoemd in het Besluit
                                                nadere regels individuele voorzieningen
                                                maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                                Beuningen.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.7</nr>
                <titel>Weigeringsgronden woonvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>Het recht op een woonvoorziening vervalt indien: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de persoon met beperkingen is verhuisd vanuit een woning
                                        waarin hij bij normaal gebruik geen belemmeringen ondervond,
                                        tenzij er een belangrijke reden voor de verhuizing bestond;
                                        of</al></li>
                <li nr="b."><al>de persoon met beperkingen niet is verhuisd naar de voor
                                        zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest
                                        geschikte woning, tenzij tevoren schriftelijk toestemming is
                                        verleend door het college; of</al></li>
                <li nr="c."><al>er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
                                        ondervonden (naar objectief medische maatstaf aanwezige)
                                        beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische
                                        kenmerken van de door de persoon bewoonde woning; of</al></li>
                <li nr="d."><al>de beperkingen niet in de woning zelf (waartoe ook de
                                        toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden
                                        ondervonden;</al></li>
                <li nr="e."><al>voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik
                                        van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                        gebruikte materialen;</al></li>
                <li nr="f."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
                                        op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li>
                <li nr="g."><al>de woonvoorziening als bedoeld in artikel 6.2 lid 1 sub a
                                        aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd,
                                        gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze
                                        voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van
                                        een onverwacht optredende noodzaak.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6.8 Duidelijkheid over financiering van niet-gedekte deel van de kosten </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="g."><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming
                                        dan wel een persoonsgebonden budget in de kosten als bedoeld
                                        in artikel 6.2 lid 1 sub b en c als in de financiering van
                                        het door een financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden
                                        budget niet-gedekte deel van de kosten is voorzien.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.9</nr>
                <titel>Het verwerven van grond</titel>
              </kop>
              <al>Voor zover het treffen van voorzieningen, als bedoeld in artikel 6.2
                                sub b betreft het uitbreiden van een bestaande woning, dan wel het
                                groter bouwen en van een nieuw te bouwen woning dan zonder de
                                voorzieningen nodig zou zijn, kan het college een financiële
                                tegemoetkoming verlenen voor de extra te verwerven grond tot het
                                aantal vierkante meters per vertrek en een gedeelte van de
                                buitenruimtebij de woning, zoals vermeld in het Besluit nadere
                                regels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Beuningen. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.10</nr>
                <titel>Woningvoorzieningen voor gemeenschappelijke ruimten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan een financiële tegemoetkoming verlenen voor het
                                    treffen van aanpassingen van bouwtechnische of bouwkundige aard
                                    zoals bedoeld in artikel 6.2 lid 1 sub b aan een
                                    gemeenschappelijke ruimte.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Als de voorziening zoals bedoeld in lid 1 door meerdere personen
                                    gebruikt kan worden, wordt geen eigen bijdrage of eigen aandeel
                                    opgelegd.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Beperking in de verlening van woonvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.11</nr>
                <titel>Beperking zeer dure woonvoorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>Woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen
                                dan € 45.378, - worden niet verleend, tenzij weigering van die
                                voorziening gelet op het belang dat de wet beoogt te beschermen zou
                                leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Aanpassingen van woonwagens, woonschepen en binnenschepen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.12</nr>
                <titel>Woonwagen</titel>
              </kop>
              <al>Het college verleent slechts een voorziening in natura, een
                                persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming in de
                                aanpassingskosten van een woonwagen indien: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal vijf
                                        jaar is;</al></li>
                <li nr="b."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                        aanmerking komt;</al></li>
                <li nr="c."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor
                                        een woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats
                                        stond.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.13</nr>
                <titel>Woonschip</titel>
              </kop>
              <al>Het college verleent slechts een voorziening in natura, een
                                persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming in de
                                aanpassingskosten van een woonschip indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de technische levensduur van het woonschip ten tijde van de
                                        indiening van de aanvraag nog minimaal vijf jaar is;</al></li>
                <li nr="b."><al>het woonschip nog minimaal vijf jaar op de het college
                                        aangewezen ligplaats mag blijven liggen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.14</nr>
                <titel>Technische levensduur woonwagen en woonschip</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Indien de technische levensduur van de woonwagen of het
                                    woonschip minder dan vijf jaar is of de standplaats van de
                                    woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of
                                    het woonschip niet tenminste nog vijf jaar op de door het
                                    college aangewezen ligplaats mag liggen, kunnen uitsluitend
                                    woonvoorzieningen worden verstrekt als bedoeld in artikel 6.2
                                    lid 1 sub c, d en h.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan in het Besluit nadere regels individuele
                                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen
                                    de maximale hoogte bepalen van een persoonsgebonden budget of
                                    een financiële tegemoetkoming als bedoeld in het eerste
                                    lid.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.15</nr>
                <titel>Binnenschip</titel>
              </kop>
              <al>Het college verleent slechts een voorziening in natura, een
                                persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming in de
                                aanpassingskosten van een binnenschip indien de aanpassing
                                betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun
                                gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in
                                artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit
                                (Stb. 1987, 466), van een binnenschip, dat:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het
                                        Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op de
                                        wijze omschreven in de maatregel te boek gestelde schepen
                                        1992; en</al></li>
                <li nr="b."><al>bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor vervoer van
                                        goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in het
                                        metingsbesluit binnenvaartuigen 1987 een laadvermogen van
                                        tenminste 15 ton hebbend, of voor het vervoer van meer dan
                                        12 personen buiten de in de aanhef bedoelde.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Verhuis- en (her)inrichtingskosten</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.16</nr>
                <titel>Verhuis- en (her)inrichtingskosten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het college kan een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                                    inrichtingskosten als bedoeld in artikel 6.2 lid 1 sub a
                                    verstrekken aan:</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>a.</lidnr>
                <al>de persoon met beperkingen;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>b.</lidnr>
                <al>een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een
                                    persoon met beperkingen de woonruimte heeft ontruimd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Voor verhuis- en inrichtingskosten zoals bedoeld in lid 1 sub b
                                    wordt geen eigen aandeel opgelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming als
                                    bedoeld in lid 1 aanhef en sub a indien:</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>a.</lidnr>
                <al>de verhuizing niet heeft plaats gevonden voordat het college een
                                    besluit heeft genomen naar aanleiding van de aanvraag, tenzij
                                    het college daartoe toestemming heeft verleend;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>b.</lidnr>
                <al>de persoon niet voor het eerst zelfstandig gaat wonen;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>c.</lidnr>
                <al>de persoon verhuist vanuit en naar een woonruimte die geschikt
                                    is om het hele jaar door bewoond te worden;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>d.</lidnr>
                <al>de persoon niet verhuist naar een AWBZ-inrichting of een
                                    verzorgingstehuis;</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>e.</lidnr>
                <al>aantoonbare beperkingen het normale gebruik van de te verlaten
                                    woning belemmeren, tenzij het een verhuizing naar een ADL-woning
                                    betreft.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Overige kosten</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.17</nr>
                <titel>Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie</titel>
              </kop>
              <al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                kosten van onderhoud, keuring en reparatie als bedoeld in artikel
                                6.2 lid 1 sub d indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de woonvoorziening is verleend in het kader van de Regeling
                                        Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten, de Wet
                                        voorzieningen gehandicapten dan wel de wet, en </al></li>
                <li nr="b."><al>de woonvoorziening voorkomt in het Besluit nadere regels
                                        individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                        gemeente Beuningen.</al><al>
                    <vet>Artikel 6.18 Kosten in verband met tijdelijke
                                            huisvesting</vet>
                  </al><lijst>
                    <li nr="1."><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming
                                                verlenen in de kosten van tijdelijke huisvesting die
                                                door de persoon met beperkingen moeten worden
                                                gemaakt in verband met het aanpassen van:</al></li>
                    <li nr="a."><al>zijn huidige woonruimte;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de nog te betrekken woonruimte.</al></li>
                    <li nr="2."><al>De financiële tegemoetkoming als bedoeld in het
                                                eerste lid wordt uitsluitend verleend voor de
                                                periode dat de aan te passen woonruimte ten gevolge
                                                van het realiseren van de aanpassing van
                                                bouwtechnische of bouwkundige aard zoals bedoeld in
                                                artikel 6.2 lid 1 sub b niet bewoond kan worden en
                                                de persoon als gevolg daarvan voor dubbele
                                                woonlasten komt te staan.</al></li>
                    <li nr="3."><al>Het college verleent slechts een financiële
                                                tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke
                                                huisvesting als de persoon redelijkerwijs niet had
                                                kunnen voorkomen dat hij dubbele woonlasten
                                                heeft.</al></li>
                    <li nr="4."><al>Het college kan in het Besluit nadere regels
                                                individuele voorzieningen maatschappelijke
                                                ondersteuning gemeente Beuningen de periode bepalen
                                                gedurende welke een financiële tegemoetkoming als
                                                bedoeld in het eerste lid kan worden verstrekt.</al></li>
                  </lijst><al> Paragraaf 7 Facultatieve woonvoorzieningen</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.19</nr>
                <titel>Huurderving</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte kan
                                    het college een financiële tegemoetkoming verlenen aan de
                                    eigenaar van de woning in verband met derving van
                                    huurinkomsten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het college kan in het Besluit nadere regels individuele
                                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen
                                    bepalen dat het eerste lid niet wordt toegepast indien het
                                    bedrag waarvoor de woning is aangepast minder bedraagt dan een
                                    door hen in bedoeld besluit vastgesteld bedrag.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Het college kan in het Besluit nadere regels individuele
                                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen
                                    de duur van de periode bepalen gedurende welke een financiële
                                    tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    verstrekt. </al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Voor een woonvoorziening zoals bedoeld in artikel 6.2 lid 1 sub
                                    f is geen eigen aandeel verschuldigd.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.20</nr>
                <titel>Kosten in verband met het verwijderen van
                                    voorzieningen</titel>
              </kop>
              <al>Het college verleent geen financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                het verwijderen van voorzieningen als bedoeld in artikel 6.2 lid 1
                                sub g tenzij de gemeente eigenaar is van de geplaatste voorziening
                                of indien de aanpassingen zo specifiek zijn dat het door de
                                aanwezigheid van de voorzieningen niet mogelijk is om de woning aan
                                personen zonder een beperking te verhuren. </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Afschrijving aanpassingen van bouwtechnische of bouwkundige
                                aard</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>6.21</nr>
                <titel>Afschrijving van aanpassingen van bouwtechnische of
                                    bouwkundige aard</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De eigenaar van een woning, die krachtens deze Verordening
                                        een financiële tegemoetkoming in de kosten van het treffen
                                        van een woonvoorziening als bedoeld in artikel 6.2 lid 1 sub
                                        b heeft ontvangen die hoger is dan het bedrag genoemd in het
                                        Besluit nadere regels individuele voorzieningen
                                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen en die
                                        binnen een periode van 5 jaar na de datum van gereedmelding
                                        van de werkzaamheden de woning verkoopt, is gehouden de
                                        meerwaarde die door het treffen van de voorziening is
                                        ontstaan gedeeltelijk aan de gemeente terug te betalen.</al></li>
                <li nr="2."><al>De hoogte van het terug te betalen bedrag als bedoeld in het
                                        eerste lid bedraagt:</al></li>
              </lijst>
              <al>voor het eerste jaar 100% van de meerwaarde, </al>
              <al>voor het tweede jaar 80% van de meerwaarde, </al>
              <al>voor het derde jaar 60% van de meerwaarde, </al>
              <al>voor het vierde jaar 40% van de meerwaarde en </al>
              <al>voor het vijfde jaar 20% van de meerwaarde, </al>
              <al>in alle gevallen minus het percentage dat voor rekening van de
                                eigenaar van de woonruimte is gekomen.</al>
              <lijst>
                <li nr="3."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien de woning wordt
                                        verkocht aan de persoon met beperkingen voor wie de
                                        aanpassingen zijn aangebracht of aan een andere persoon met
                                        beperkingen aan wie op grond van deze Verordening of een aan
                                        deze verordening voorafgaande verordening een vergelijkbare
                                        woning zou zijn toegekend.</al></li>
                <li nr="4."><al>Ter uitvoering van het eerste lid is de eigenaar van de
                                        woning verplicht om binnen een maand na het passeren van de
                                        acte het college hiervan schriftelijk op de hoogte te
                                        stellen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>7:</nr>
            <titel>VERVOERSVOORZIENINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.1</nr>
              <titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li>
              <li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening;</al></li>
              <li nr="c."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    vervoersvoorziening.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.2</nr>
              <titel>Soorten vervoersvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De door het college te verstrekken vervoersvoorziening kan bestaan
                                uit:</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>een vervoerspas voor gebruik van het collectief vervoer, waarmee een
                                korting wordt verkregen op het normale tarief;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>vergoeding voor het gebruik van (rolstoel)taxi, auto of vervoer door
                                derden;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>c.</lidnr>
              <al>een al dan niet aangepaste auto;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>d.</lidnr>
              <al>een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>e.</lidnr>
              <al>een aanpassing van een eigen auto;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>f.</lidnr>
              <al>een scootermobiel</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>g.</lidnr>
              <al>een ander vervoermiddel dan genoemd onder lid a, b en c;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>h.</lidnr>
              <al>medisch noodzakelijke begeleiding tijdens het vervoer;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>i.</lidnr>
              <al>kosten van onderhoud, reparatie en verzekering van voorzieningen als
                                genoemd onder a, b, c, d en e;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>j.</lidnr>
              <al>training.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De individuele vervoersvoorziening die wordt genoemd in lid 1 sub a
                                wordt verleend in natura.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De individuele vervoersvoorzieningen die worden genoemd in lid 1 sub
                                c, d, f en g worden verleend in natura of in de vorm van een
                                persoonsgebonden budget.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De individuele vervoersvoorzieningen die worden genoemd in lid 1 sub
                                b, e, h en j worden verleend in de vorm van een financiële
                                tegemoetkoming.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>De individuele vervoersvoorzieningen die worden genoemd in lid 1 sub
                                i worden verleend in natura, in de vorm van een persoonsgebonden
                                budget of in de vorm van een financiële tegemoetkoming.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.3</nr>
              <titel>Het recht op een vervoersvoorziening</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een persoon heeft recht op een vervoersvoorziening als bedoeld in
                                artikel 7.2 wanneer aantoonbare beperkingen in de persoon</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>het gebruik van het openbaar vervoer of</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>het bereiken van dit openbaar vervoer onmogelijk maken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Met het collectief vervoer kan een persoon met beperkingen zich
                                lokaal verplaatsen van deur tot deur waarbij geldt dat met de
                                vervoerspas:</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>Een ritbijdrage met korting verschuldigd is, overeenkomstig de
                                bepalingen in het Besluit nadere regels maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Beuningen; </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>deze ritbijdrage met korting voor maximaal vijf reiszones per enkele
                                reis geldt;</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>c.</lidnr>
              <al>persoonlijke begeleiding gratis is als deze op basis van een
                                indicatie medisch noodzakelijke wordt geacht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een persoon kan slechts voor vervoersvoorzieningen als bedoeld in
                                artikel 7.2 lid 1 sub b en c in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen het onmogelijk maken om gebruik te maken van
                                een collectief systeem als bedoeld in artikel 7.2. lid 1 sub a of
                                als dit systeem niet compenserend is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Een persoon kan slechts voor een vervoersvoorziening als bedoeld in
                                artikel 7.2 lid 1 sub c, d en e in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen het gebruik van het collectief vervoer of
                                van een taxi of rolstoeltaxi, zoals genoemd in artikel 7.2 lid 1 sub
                                a en b onmogelijk maken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding als bedoeld in
                                artikel 7.2 lid 1 sub b en h kan rekening worden gehouden met de
                                individuele vervoersbehoefte van de persoon met beperkingen en de
                                mate waarin de voorzieningen als bedoeld in artikel 7.2 lid 1 sub c,
                                d, e en f in die vervoersbehoefte kunnen voorzien.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Voor zover de behoeften van echtgenoten samenvallen en gebruik kan
                                worden gemaakt van dezelfde voorziening, bepaalt het college,
                                rekening houdend met de samenvallende behoeften, de toe te kennen
                                vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 7.2 met in achtneming van
                                hetgeen is gesteld in het Besluit nadere regels individuele
                                voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Beuningen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>Indien het inkomen zoals bedoeld in artikel 1.1 sub x hoger is dan
                                1,5 keer het norminkomen zoals bedoeld in artikel 1.1 sub y wordt
                                geen vervoersvoorziening zoals bedoeld in artikel 7.2 lid 1 sub a, b
                                en c verstrekt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>8.</lidnr>
              <al>Wanneer blijkt dat de persoon met beperkingen onvoldoende in staat
                                is aan het verkeer deel te nemen, bestaat er geen recht op een
                                gesloten buitenwagen of scootermobiel, als bedoeld in artikel 7.2
                                lid 1 sub d en f.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>9.</lidnr>
              <al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                                vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen
                                in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van
                                alle dag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het
                                gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de persoon
                                met beperkingen zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek
                                noodzakelijk is voor de persoon om dreigende vereenzaming te
                                voorkomen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 7.4 Training gesloten buitenwagen en scootermobiel</label>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr/>
              <al>Het college kan aan de persoon met beperkingen die onvoldoende in
                                staat is aan het verkeer deel te nemen met een op grond van deze
                                Verordening toegekende gesloten buitenwagen of scootermobiel, als
                                bedoeld in artikel 7.2 lid 1 sub d en f een financiële
                                tegemoetkoming verlenen in de kosten van training.</al>
              <al>Artikel 7.5 Geen eigen bijdrage voor vervoerspas</al>
              <al>Voor de vervoerspas zoals bedoeld in artikel 7.2 lid 1 sub a geldt
                                geen eigen bijdrage zoals bedoeld in artikel 4.1.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK 8: ROLSTOELVOORZIENINGEN</label>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 8.1: Vormen van rolstoelvoorzieningen</label>
            </kop>
            <al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een rolstoelvoorziening in natura</al></li>
              <li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening;</al></li>
              <li nr="c."><al>een financiële tegemoetkoming te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel 8.2: Soorten rolstoelvoorzieningen</label>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De in artikel 8.1 bedoelde voorzieningen kunnen bestaan
                                    uit:</al></li>
              <li nr="a."><al>een rolstoel voor verplaatsing binnen, dan wel voor verplaatsing
                                    binnen en buiten de woonruimte, dan wel een aanpassing
                                    daaraan;</al></li>
              <li nr="b."><al>onderhoud, gebruik, reparatie en verzekering;</al></li>
              <li nr="c."><al>accessoires;</al></li>
              <li nr="d."><al>training</al></li>
              <li nr="2."><al>De individuele rolstoelvoorzieningen die worden genoemd in lid 1
                                    sub a, b en c worden verleend in natura of in de vorm van een
                                    persoonsgebonden budget.</al></li>
              <li nr="3."><al>De individuele rolstoelvoorzieningen die worden genoemd in lid 1
                                    sub d worden verleend in de vorm van een financiële
                                    tegemoetkoming.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.3</nr>
              <titel>Het recht op een rolstoel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een persoon kan voor een rolstoelvoorziening in aanmerking worden
                                gebracht wanneer aantoonbare beperkingen het dagelijks zittend
                                verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken.</al>
              <al>2.Een aanvraag voor een rolstoel wordt afgewezen, indien de noodzaak
                                van een rolstoel het gevolg is van een verhuizing naar een woning
                                waarvoor op grond van artikel 6.8geen recht op
                                verhuiskostenvergoeding bestaat.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Wanneer blijkt dat de persoon met beperkingen onvoldoende in staat
                                is aan het verkeer deel te nemen, bestaat er geen recht op een
                                elektrische rolstoel.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.4</nr>
              <titel>Vorm van de verstrekking</titel>
            </kop>
            <al>1.Een rolstoel die in natura wordt verstrekt wordt in bruikleen
                            verstrekt en wordt na afloop van de bruikleenperiode ingenomen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.5</nr>
              <titel>Training elektrische rolstoel</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan aan de persoon met beperkingen die onvoldoende in staat
                            is aan het verkeer deel te nemen met een op grond van deze Verordening
                            toegekende elektrische rolstoel een financiële tegemoetkoming verlenen
                            in de kosten van een training</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.6</nr>
              <titel>Geen eigen bijdrage of eigen aandeel</titel>
            </kop>
            <al>Voor een rolstoelvoorziening zoals bedoeld in artikel 8.2 lid 1 is geen
                            eigen bijdrage of eigen aandeel verschuldigd.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>9:</nr>
            <titel>SPORTVOORZIENINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.1</nr>
              <titel>Vormen van sportvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het beoefenen
                            van een recreatieve sport, te verstrekken voorziening kan bestaan
                            uit:</al>
            <al>a.een financiële tegemoetkoming te besteden aan een
                            sportvoorziening;</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.2</nr>
              <titel>Soorten sportvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De in artikel 9.1 bedoelde voorziening kan bestaan uit:</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>een sportrolstoel</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>een aangepaste wielrenfiets</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>c.</lidnr>
              <al>een handbike</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>d.</lidnr>
              <al>een aangepast paardrijzadel</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>e.</lidnr>
              <al>andere voorzieningen</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De individuele sportvoorziening zoals bedoeld in artikel 9.2 lid 1
                                wordt verleend in de vorm van een financiële tegemoetkoming.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.3</nr>
              <titel>Het recht op een sportvoorziening</titel>
            </kop>
            <al>Een persoon met beperkingen kan in aanmerking komen voor een
                            sportvoorziening indien aantoonbare beperkingen of problemen het
                            beoefenen van recreatieve sport onmogelijk maken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.4</nr>
              <titel>Hoogte financiële tegemoetkoming</titel>
            </kop>
            <al>Het college stelt in het Besluit nadere regels individuele voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen de hoogte van de
                            financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 9.2 lid 2 vast.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>10:</nr>
            <titel>SLOTBEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.1</nr>
              <titel>Hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                                afwijken van de bepalingen bij of krachtens deze Verordening, indien
                                toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende
                                aard leidt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voorafgaande aan de toepassing van het eerste lid kan het college
                                advies vragen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.2.</nr>
              <titel>Beslissing college in gevallen waarin de Verordening niet
                                voorziet</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In gevallen, de uitvoering van deze Verordening betreffende, waarin
                                deze Verordening niet voorziet, beslist het college.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien een aanpassing van bouwkundige of bouwtechnische aard het
                                bedrag van €45.378,-- te boven gaat, het orgaan bedoeld in artikel
                                9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten de noodzaak van deze
                                aanpassing heeft vastgesteld en weigering van deze voorziening gelet
                                op het belang dat de Wet beoogt te beschermen zou leiden tot
                                onbillijkheden van overwegende aard, kan het college ondanks het
                                gestelde in artikel 4.10 besluiten tot verstrekking van deze
                                voorziening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.3</nr>
              <titel>Indexering</titel>
            </kop>
            <al>Het college past jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            Verordening en het op deze Verordening berustende Besluit nadere regels
                            individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Beuningen geldende bedragen aan conform de ontwikkelingen van de
                            prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.4</nr>
              <titel>Intrekking verordening van 5 oktober 2010</titel>
            </kop>
            <al>De Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Beuningen, vastgesteld in de openbare vergadering van de
                            gemeenteraad van Beuningen van 5 oktober 2010, wordt met ingang van
                            datum inwerkingtreding van de Verordening Wmo2012 ingetrokken. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.5</nr>
              <titel>Inwerkingtreding.</titel>
            </kop>
            <al>Deze Verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.6</nr>
              <titel>Citeertitel.</titel>
            </kop>
            <al>Deze Verordening wordt aangehaald als: Verordening Wmo 2012 gemeente
                            Beuningen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.7</nr>
              <titel>Overgangsbepaling</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening als bedoeld in
                                    artikel 10.4, die golden op het moment van de inwerkingtreding
                                    van deze verordening en waarvoor deze verordening
                                    overeenkomstige bepalingen kent, gelden als besluiten genomen
                                    krachtens deze verordening (Verordening individuele
                                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2012 gemeente
                                    Beuningen).</al></li>
              <li nr="2."><al>De beschikkingen inzake vervoersvoorzieningen, die genomen zijn
                                    op grond van de Verordening individuele voorzieningen
                                    maatschappelijke ondersteuning 2011 blijven van kracht tot het
                                    moment dat bij besluit van het college de vervoersvoorziening
                                    opnieuw is vastgesteld met toepassing van de bepalingen van de
                                    Verordening 2012.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Beuningen, 5 juli 2011</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening>
        <ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <tussenkop>TOELICHTING OP DE</tussenkop>
        <tussenkop>VERORDENING INDIVIDUELE VOORZIENINGEN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING
                    2011</tussenkop>
        <tussenkop>LEESWIJZER</tussenkop>
        <al>Dit is de toelichting op de Verordening individuele voorzieningen
                    maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Beuningen. In deze toelichting
                    wordt uitgelegd wat de achtergrond is van de verordening en de keuzes die in de
                    verordening naar voren komen en, waar nodig, wat bedoeld is met de specifieke
                    formulering van artikelen.</al>
        <al>In de toelichting is volledig de indeling van de verordening gevolgd.</al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</tussenkop>
        <al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verklaard.</al>
        <tussenkop>a. Wet</tussenkop>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>b. College</tussenkop>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>c. Maatschappelijke participatie</tussenkop>
        <al>De Wmo geeft geen definitie van het begrip maatschappelijke participatie.
                    Volgens de regering biedt het normale taalgebruik hiervoor voldoende houvast,
                    ook als interpretatiekader voor de rechterlijke macht. Een nadere omschrijving
                    of een normering zou belemmerend kunnen werken voor het leveren van maatwerk en
                    afstemming op de lokale en individuele omstandigheden aldus de regering
                        (<onderstreept>EK 2005-2006, 30 131, E, bijlage 1</onderstreept>). Echter in
                    de nadere memorie van antwoord heeft de regering aangegeven dat het begrip
                    "maatschappelijke participatie" dezelfde betekenis heeft als het begrip
                    "deelname aan het maatschappelijk verkeer" (<onderstreept>EK 2005-2006, 30 131,
                        C, p. 59</onderstreept>). Daarbij is aangegeven dat met maatschappelijk
                    verkeer de omgang met personen en instanties buiten het directe eigen
                    leefverband wordt bedoeld. Er wordt niet alleen gedoeld op maatschappelijk
                    verkeer dat nodig is voor het levensonderhoud, zoals het doen van boodschappen,
                    maar ook om de meerwaarde van recreatieve activiteiten en bezoeken van vrienden
                    en kennissen.</al>
        <tussenkop>d. Persoon met beperkingen, e. Beperkingen</tussenkop>
        <al>Het begrip 'beperkingen' is ontleend aan de ICF, de International Classification
                    of Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                    Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde
                    Naties). De omschrijving van het begrip 'persoon met beperkingen' is verder
                    afgeleid van de omschrijving van 'beperkingen' en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is
                    vanuit de voormalige Wvg het onderdeel 'aantoonbare beperkingen ten gevolge van
                    ziekte of gebrek' toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing van de doelgroep
                    zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft jurisprudentie op
                    grond van de Wvg ten aanzien van dit onderdeel op dit begrip van toepassing. </al>
        <al>“Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification
                    of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform
                    begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in
                    individuele gevallen vast te stellen.” Dit is afkomstig uit amendement 65 van
                    artikel 4 van de wet.</al>
        <tussenkop>f. Zelfredzaamheid</tussenkop>
        <al>Zelfredzaamheid vormt één van de kernbegrippen van de wet. In artikel 4 van de
                    Wmo is neergelegd dat de compensatieplicht van de gemeente bestaat uit het
                    compenseren van beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid.
                    Met andere woorden: de voorzieningen die de gemeente biedt op het gebied van het
                    wonen, vervoer en rolstoelen dienen ter ondersteuning dan wel behoud van het
                    zelfstandig functioneren van de persoon.</al>
        <al>Het zelfstandig functioneren is in betekenis beperkt tot 'het deelnemen aan het
                    normale maatschappelijke verkeer' (maatschappelijke participatie). </al>
        <al>De maatstaf is dan ook steeds of de gevraagde voorziening in de situatie van de
                    persoon daadwerkelijk bijdraagt aan de mogelijkheid om op een normale wijze
                    (vergelijkbaar met een persoon zonder beperkingen) deel te blijven nemen aan het
                    maatschappelijke leven. Is dit niet het geval, dan valt de gevraagde voorziening
                    feitelijk buiten de compensatieplicht van de gemeente.</al>
        <al>Zelfredzaamheid (of een tekort hierin) wordt niet alleen uitgedrukt in een
                    somatische, psychogeriatrische, psychiatrische of anderszins chronische
                    psychische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of
                    zintuiglijke handicap. Zelfredzaamheid wordt ook uitgedrukt in het financiële
                    vermogen om voorzieningen te treffen. Om die reden maakt het college
                    bijvoorbeeld gebruik van het opleggen van de maximale eigen bijdrage voor Hulp
                    bij het Huishouden.</al>
        <tussenkop>g. Mantelzorger</tussenkop>
        <al>De omschrijving van het begrip 'mantelzorger' is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van 'mantelzorg' in de wet (artikel 1, lid 1 onder b, van de
                    wet). Mantelzorg moet worden onderscheiden van 'gebruikelijke zorg'. </al>
        <al>‘Gebruikelijke zorg’ is de zorg die gegeven wordt door personen die deel uit
                    maken van het huishouden van de persoon met beperkingen. Wanneer door één of
                    meerdere huisgenoten zorgtaken kunnen worden overgenomen dan heeft de
                    hulpbehoevende persoon geen of minder recht op Hulp bij het Huishouden van de
                    kant van de gemeente. De huisgenoten worden geacht de zorgtaken op zich te
                    nemen. Of zij dit daadwerkelijk wel of niet doen is niet relevant. </al>
        <al>Bij mantelzorg gaat het om zorg die de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor
                    elkaar overstijgt. Mantelzorg kan worden verleend door één of meerdere personen,
                    bijvoorbeeld huisgenoten, familie, buren of vrijwilligers. Mantelzorg is altijd
                    vrijwillig.</al>
        <al>De beschikbaarheid van mantelzorg kan een reden zijn om geen of minder Hulp bij
                    het Huishouden toe te kennen. Mocht een mantelzorger echter de zorg niet meer
                    kunnen of willen leveren dan wordt direct het aantal geïndiceerde uren Hulp bij
                    het Huishouden toegekend.</al>
        <tussenkop>h. Algemene voorziening, i. Individuele voorziening</tussenkop>
        <al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van de verordening voorrang op
                    individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                    worden aangeboden. Waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt.
                    Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen een algemene of een individuele
                    voorziening hangt af van de individuele situatie van de aanvrager. </al>
        <al>Afwegingscriteria voor de keuze tussen algemene en individuele voorzieningen
                    kunnen zo nodig door het college worden vastgelegd in beleidsregels. Verder zal
                    een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang
                    zijn. </al>
        <al>Algemene voorzieningen zullen bij voorkeur moeten worden aangeboden met een
                    minimum aan procedures: met geen of slechts een lichte toegangstoets en zonder
                    eigen bijdragen. </al>
        <tussenkop>j. Voorziening</tussenkop>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>k. Huishoudelijke voorziening</tussenkop>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>l. Woonvoorziening</tussenkop>
        <al>Onder het normale gebruik van de woning worden de normale elementaire
                    woonfuncties verstaan, zoals bijvoorbeeld slapen, eten en lichaamsreiniging. Het
                    gebruiken van een hobby-, werk- of recreatieruimte valt er niet onder.</al>
        <tussenkop>m. Vervoersvoorziening</tussenkop>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>n. Rolstoelvoorziening</tussenkop>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>o. Sportvoorziening</tussenkop>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>p. Voorziening in natura</tussenkop>
        <al>Een voorziening in natura wil zeggen dat de belanghebbende direct de voorziening
                    krijgt geleverd waarop hij aanspraak maakt. Deze voorziening bestaat uit
                    goederen of diensten. Er zijn diverse manieren waarop een voorziening in natura
                    kan worden verstrekt, zoals:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>in eigendom;</al></li>
          <li nr="-"><al>in bruikleen;</al></li>
          <li nr="-"><al>in huur</al></li>
          <li nr="-"><al>bij wijze van persoonlijke dienstverlening.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>q. Persoonsgebonden budget</tussenkop>
        <al>In de memorie van toelichting bij de Wmo is het persoonsgebonden budget
                    omschreven als een bepaalde hoeveelheid geld om naar eigen voorkeur te besteden
                    ten behoeve van een vooraf bepaald doel of activiteit (<onderstreept>TK
                        2004-2005, 30 131, nr. 3, p. 32</onderstreept>). Met het persoonsgebonden
                    budget kan de belanghebbende zelf de individuele voorziening aanschaffen, bij of
                    via een leverancier of zorgaanbieder naar eigen keuze.</al>
        <tussenkop>r. Financiële tegemoetkoming</tussenkop>
        <al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een belanghebbende krijgt
                    als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een geïndiceerde
                    voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. Een financiële
                    tegemoetkoming kan, maar hoeft niet kostendekkend te zijn.</al>
        <tussenkop>s. Algemeen gebruikelijk</tussenkop>
        <al>Evenals onder de Wvg het geval was, is het ook onder de Wmo niet de bedoeling
                    dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager,
                    gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking zou
                    kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk
                    beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen
                    is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de
                    aanvraag. </al>
        <al>Het begrip 'algemeen gebruikelijk' is geconcretiseerd in de jurisprudentie van
                    de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd,
                    omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap
                    worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet
                    vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit
                    begrip is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening
                    opgenomen. Het gaat daarbij om voorzieningen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Het aan te schaffen object kan voor een niet-ondersteuningsbehoevende in
                            een financieel vergelijkbare positie tot het normale
                            aanschaffingspatroon worden gerekend; </al></li>
          <li nr="-"><al>Het is niet speciaal voor de ondersteuningsbehoevende; </al></li>
          <li nr="-"><al>Het is gewoon te koop;</al></li>
          <li nr="-"><al>Het is niet duurder is dan soortgelijke producten.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het college kan ter uitvoering van de verordening in beleidsregels nadere
                    invulling geven aan het begrip algemeen gebruikelijk. De bevoegdheid daartoe
                    ontlenen zij aan de verordening en artikel 4:81 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). </al>
        <al>Het begrip 'algemeen gebruikelijk' moet overigens niet worden verward met
                    'gebruikelijke zorg', zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                    (AWBZ) is geformuleerd. Onder gebruikelijke zorg wordt verstaan de zorg die een
                    partner of een andere tot de leefeenheid behorende persoon kan geven aan de
                    hulpbehoevende. Dit speelt met name bij het indiceren van de omvang van Hulp bij
                    het Huishouden een rol.</al>
        <tussenkop>t. huisgenoot, u. Leefeenheid</tussenkop>
        <al>Bij de omschrijving van het begrip ´huisgenoot´ is gekozen voor de term
                    ´duurzaam gemeenschappelijk een woning bewonen´. Dit kan gelden voor meer dan
                    twee personen en is dus iets anders als een ´gezamenlijke huishouding´.</al>
        <al>Onder duurzaam wordt verstaan: 6 maanden of langer.</al>
        <al>Ook minderjarigen kinderen vallen onder ´duurzaam gemeenschappelijk een woning
                    bewonen´ en kunnen dus gebruikelijke zorg verlenen. </al>
        <tussenkop>v. Eigen bijdrage, w. Eigen aandeel</tussenkop>
        <al>Wanneer sprake is van een voorziening in natura of in de vorm van een
                    persoonsgebonden budget, dan wordt gesproken over een eigen bijdrage. Deze eigen
                    bijdrage wordt geïnd door het Centraal Administratiekantoor (CAK) in Den Haag,
                    dat hiertoe door de wetgever als centraal orgaan is aangewezen.</al>
        <al>Wanneer een voorziening niet in natura maar middels een financiële
                    tegemoetkoming wordt verstrekt dan wordt ook wel gesproken over het eigen
                    aandeel in de kosten. Zowel de eigen bijdrage als het eigen aandeel worden op
                    dezelfde wijze berekend.</al>
        <al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit de artikelen 15 lid 1 en 19 lid 1
                    van de wet. De eigen bijdrage kan op het inkomen worden afgestemd. Op basis van
                    de artikelen 15 lid 3 en 19 lid 2 van de wet kunnen bij algemene maatregel van
                    bestuur nadere regels worden gesteld. Van deze bevoegdheid is door de wetgever
                    gebruik gemaakt door middel van het vaststellen van het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning (van 2 oktober 2006, Staatsblad 2006, 450). In dit Besluit wordt
                    bepaald wat de ruimte is die gemeentebesturen hebben voor het vaststellen van
                    eigen bijdragen en eigen aandeel, als ze daartoe willen overgaan.</al>
        <tussenkop>x. Inkomen</tussenkop>
        <al>Om uitvoeringstechnische redenen worden de verschillende inkomensbegrippen nader
                    omschreven in het Besluit nadere regels individuele voorzieningen
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen. </al>
        <al>Met ingang van 1 januari 2007 is sprake van een tweeledig inkomensbegrip.</al>
        <tussenkop>Inkomen voor het vaststellen van de eigen bijdrage:</tussenkop>
        <al>Voor de vaststelling van de verschuldigde eigen bijdrage is het inkomen zoals
                    gedefinieerd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning bepalend. Voor het
                    bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage is het inkomen over het tweede jaar
                    voorafgaande aan het jaar van aanvraag (t-2) van belang. Volgens de
                    voorgeschreven berekeningssystematiek is sprake van een minimale eigen bijdrage,
                    die afhankelijk van het inkomen kan worden verhoogd. De bedragen worden
                    jaarlijks geïndexeerd door de wetgever op basis van artikel 4.5 van het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning. Deze indexering wordt vastgelegd in de Regeling
                    vaststelling bedragen.</al>
        <tussenkop>Inkomen voor het vaststellen voor de vervoersvoorziening:</tussenkop>
        <al>Voor de toets of de persoon, gelet op zijn inkomen, voor een vervoersvoorziening
                    in aanmerking kan komen, geldt nog steeds de “1,5-norm” zoals die ook in de
                    Wvg-verordening werd gehanteerd. Omdat het centrale Besluit financiële regels en
                    eigen bijdrage Wvg is vervallen, is de definitie van het norminkomen in de
                    verordening zelf opgenomen.</al>
        <tussenkop>y. Norminkomen</tussenkop>
        <al>Het norminkomen is van belang voor zover voor de toegang tot een voorziening een
                    inkomenstoets van toepassing is. Deze toets is vooralsnog beperkt tot
                    vervoersvoorzieningen. De hoogte van het norminkomen is sinds 1 januari 2007
                    geregeld in het Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Beuningen.</al>
        <tussenkop>z. Instandhoudingskosten</tussenkop>
        <al>Deze bepaling spreekt voor zich</al>
        <tussenkop>aa. Woonwagen, bb. Standplaats, cc. Woonschip</tussenkop>
        <al>De begripsomschrijvingen van woonwagen, standplaats en woonschip komen uit de
                    Huisvestingswet (artikel 1, eerste lid aanhef en onder c, e en f
                    Huisvestingswet). </al>
        <tussenkop>Artikel 1.2 Inperking</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1.2 lid 1: algemene voorziening beschikbaar</tussenkop>
        <al>Wanneer het college ter compensatie van de beperking in het individuele geval
                    een algemene voorziening in stand houdt die in de gegeven situatie voor de
                    persoon een toereikende en adequate oplossing biedt, dan bestaat geen recht op
                    een individuele voorziening. In Beuningen houdt het college een
                    maaltijdvoorziening in stand welke wordt uitgevoerd door Stichting Perspectief.
                    Indien deze maaltijdvoorziening voor de persoon een toereikende oplossing biedt
                    dan heeft de persoon geen recht op Hulp bij het Huishouden voor zover deze
                    betrekking heeft op de functie maaltijdbereiding.</al>
        <al>De gemeente heeft bij het tot stand brengen van een bepaald voorzieningenniveau
                    de mogelijkheid om te kiezen voor algemene voorzieningen, individuele
                    voorzieningen, of een combinatie hiervan. In dit artikel is vastgelegd dat de
                    algemene voorziening, voor zover deze aanwezig is binnen de gemeente, altijd het
                    primaat heeft. Slechts wanneer de algemene voorziening voor de persoon geen
                    adequate voorziening vormt, of in de gemeente niet aanwezig is, kan individuele
                    hulp worden verleend.</al>
        <al>In de gemeente Beuningen is tot op heden alleen een algemene maaltijdvoorziening
                    aanwezig die voor een deel voorziet in Hulp bij het Huishouden, voor zover deze
                    betrekking heeft op maaltijdbereiding. Dit houdt dat indien de persoon met
                    beperkingen, rekening houdend met alle individuele (dieet)wensen, gebruik kan
                    maken van de maaltijdvoorziening, er voor dat deel geen individuele Hulp bij het
                    Huishouden kan worden geïndiceerd.</al>
        <tussenkop>Artikel 1.2 lid 2: het recht op een voorziening</tussenkop>
        <al>Deze bepaling geeft de beperkingen aan, die betrekking hebben op het toekennen
                    van een voorziening. </al>
        <al>Een voorziening kan slechts worden verstrekt indien aan alle van de vier in
                    artikel 1.2 lid 2 genoemde </al>
        <al>voorwaarden is voldaan. </al>
        <al>Op basis van artikel 2 van de wet bestaat er geen aanspraak op een voorziening
                    als er al een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.
                    Voorbeelden van andere wetetlijke bepalingen zijn de AWBZ en de
                    zorgverzekeringswet.</al>
        <tussenkop>sub a.: langdurig noodzakelijk</tussenkop>
        <al>Ingevolge lid 1 aanhef en onder a. dienen de voorzieningen langdurig
                    noodzakelijk te zijn om beperkingen op het gebied van het wonen of het buiten of
                    binnen verplaatsen op te heffen. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat
                    betrokkene voor langere tijd aangewezen moet zijn op een desbetreffende
                    aanpassing of een desbetreffende rolstoel. Voor langere tijd betekent in ieder
                    geval dat wie tijdelijk gehandicapt is, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl
                    vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening
                    in het kader van de verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep
                    doen op de hulpmiddelendepots van de thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in
                    het kader van de AWBZ. </al>
        <al>Uit deze depots kan men drie maanden een hulpmiddel lenen, welke periode éénmaal
                    met nog eens drie maanden kan worden verlengd. Waar precies de grens ligt tussen
                    kortdurend en langdurig zal van situatie tot situatie verschillen. In dit kader
                    zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat betrokkene na enige
                    tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren,
                    dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan.</al>
        <al>Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van
                    terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De
                    adviseur speelt bij de bepaling of er al dan niet sprake is van het al dan niet
                    langdurig noodzakelijk zijn van betreffende voorziening een belangrijke rol. Als
                    algemene stelregel kan gelden dat voorzieningen die langer dan zes maanden nodig
                    zijn als langdurig noodzakelijk moeten worden aangemerkt en dus voor
                    verstrekking op grond van de verordening in aanmerking komen.</al>
        <al>Ten aanzien van de behoefte aan Hulp bij het huishouden is een uitzondering
                    gecreëerd als het gaat om het begrip 'langdurig noodzakelijk'. Ook in situaties
                    waarin de aanvrager gedurende een kortere tijd (bijvoorbeeld tijdens een
                    herstelperiode na een ziekenhuisopname) ondersteuning nodig heeft op het gebied
                    van het voeren van het huishouden, dan is een voorziening mogelijk. Hiertoe is
                    in artikel 5.1 lid 2 van de verordening een bepaling opgenomen die het begrip
                    'langdurig noodzakelijk' voor de verlening van Hulp bij het Huishouden buiten
                    toepassing verklaart. </al>
        <tussenkop>sub b.: goedkoopst adequaat</tussenkop>
        <al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. </al>
        <al>Indien meer voorzieningen als adequaat kunnen worden aangemerkt, mag gekozen
                    worden voor de goedkoopste. Bij relatief kleine verschillen in prijs (maximaal
                    10%) wordt de wens van de persoon gerespecteerd. Eigenschappen die
                    kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen
                    in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging
                    zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en
                    functionele aspecten bepaald wordt. </al>
        <al>Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar
                    product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het
                    kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden mag het duidelijk zijn dat bij een
                    verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Dit
                    niveau zou bij woonvoorzieningen omschreven kunnen worden als de norm die in het
                    Bouwbesluit gangbaar is. Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld vanuit
                    welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan de gemeente hier een
                    uitzondering op maken. </al>
        <al>Soms wenst de aanvrager een duurdere voorziening dan de goedkoopst adequate
                    voorziening. In dat geval zal hij zelf de meerprijs moeten voldoen.</al>
        <al>Met de inwerkingtreding van de wet is voor de persoon de vrijheid voor de keuze
                    van een persoonsgebonden budget ingevoerd. Dit persoonsgebonden budget is
                    mogelijk voor voorzieningen die in natura worden verstrekt. De vormen waarin
                    voorzieningen kunnen worden verstrekt zijn in hoofdstuk 2 verder
                    uitgewerkt.</al>
        <tussenkop>sub c.: individueel gericht</tussenkop>
        <al>De verordening heeft uitsluitend betrekking op individuele voorzieningen. Dat
                    wil zeggen, voorzieningen die aan de individu worden toegekend en die geen
                    collectief karakter hebben. Tegenover individuele voorzieningen staan algemene
                    voorzieningen: voorzieningen die voor meerdere burgers beschikbaar zijn en die
                    een regelarme, adequate compensatie bieden voor de ondervonden beperkingen. Een
                    voorbeeld van een algemene voorzieningen in Beuningen is de maaltijdvoorziening.
                    Het recht op deze maaltijdvoorziening is echter niet in de verordening
                    uitgewerkt, maar in een afzonderlijk indicatieprotocol en een subsidieregeling
                    van de afdeling Inwoners. De maaltijdvoorziening wordt geïndiceerd door de
                    afdeling Zorgwijzer, en verder uitgevoerd door Stichting Perspectief. </al>
        <tussenkop>Artikel 1.2. lid 3</tussenkop>
        <al>Lid 3 van artikel 1.2 geeft een aantal situaties weer waarin geen voorziening
                    wordt toegekend.</al>
        <tussenkop>sub a.: algemeen gebruikelijk </tussenkop>
        <al>Onder a wordt aangegeven dat in geval een voorziening voor een persoon als de
                    aanvrager algemeen gebruikelijk is, geen voorziening wordt toegekend. </al>
        <al>In het algemeen kan gesteld worden dat iets algemeen gebruikelijk is indien het
                    niet speciaal voor gehandicapten is, gewoon te koop is en niet duurder dan
                    soortgelijke producten. Een uitzondering geldt indien het gaat om noodzakelijke
                    vervangingen op het moment dat er nog geen sprake is van een volledige
                    afschrijving. </al>
        <al>·Rolstoelen zijn nooit algemeen gebruikelijk voor een persoon als de aanvrager.
                    Een normale fiets daarentegen is wel algemeen gebruikelijk, omdat in Nederland
                    een ieder geacht kan worden te beschikken over zo’n fiets. Om die reden komt de
                    persoon met beperkingen niet voor verstrekking van een algemeen gebruikelijke
                    fiets in aanmerking. </al>
        <tussenkop>sub b.: woonplaats niet in de gemeente Beuningen</tussenkop>
        <al>Dit artikel vormt een uitsluitingsgrond voor personen die niet in de gemeente
                    Beuningen woonachtig zijn. In feite vormt deze bepaling de invulling van het
                    'domiciliebeginsel' dat inhoudt dat de compensatieplicht van het college niet
                    verder reikt dan de gemeentegrenzen.</al>
        <al>Het begrip woonplaats is gebaseerd op de artikel 10 lid 1 en artikel 11 van Boek
                    1 van het Burgerlijk Wetboek. Verder wordt aangesloten bij artikel 40 lid 1 WWB
                    en de daarover bekende jurisprudentie. </al>
        <tussenkop>sub c.: geen aantoonbare meerkosten</tussenkop>
        <al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het
                    optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden
                    tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich
                    meebrengt. Daarvoor is deze bepaling bedoeld. </al>
        <tussenkop>sub d.: kosten gemaakt voorafgaande aan toestemming van
                    college</tussenkop>
        <al>Hier wordt de situatie bedoeld waarin een de persoon een voorziening realiseert
                    dan wel zich een voorziening verschaft voordat deze door de college is
                    toegekend. </al>
        <al>In beginsel mag dus niet eerder dan nadat het college een beslissing over de
                    aanvraag voor een voorziening heeft genomen een aanvang worden gemaakt met de
                    werkzaamheden dan wel tot aanschaf worden overgegaan. Pas op dat moment heeft
                    het college alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op
                    grond hiervan een besluit genomen over de te treffen voorziening. Afwijzing op
                    deze grond volgt indien niet meer achterhaald kan worden of de aangebrachte
                    voorziening noodzakelijk, adequaat en passend is (CRvB 08-10-2003, nr 02/1128 en
                    Rechtbank Arnhem 15-06-2009, nr. AWB 08/5874).</al>
        <al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst
                    adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ten aanzien van een
                    woningaanpassing immers ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte
                    van de persoon gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste woning elders,
                    waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.</al>
        <tussenkop>sub e.: eerder verstrekte voorziening nog niet afgeschreven</tussenkop>
        <al>Veel voorzieningen en hulpmiddelen kennen een gemiddelde gebruiksduur. Deze kan
                    per voorziening verschillen. Aan het einde van de gemiddelde gebruiksduur kan
                    een voorziening als afgeschreven worden beschouwd. Dit is bijvoorbeeld van
                    belang bij het verlenen van een persoonsgebonden budget of een financiële
                    tegemoetkoming voor een hulpmiddel. </al>
        <al>Het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming is gebaseerd op de
                    tegenwaarde van de goedkoopst adequate voorziening die normaal gesproken in
                    bruikleen zou worden verstrekt. Om het bedrag van het persoonsgebonden budget of
                    de financiële tegemoetkoming te kunnen bepalen moet worden uitgegaan van een
                    gemiddeld verwachte gebruiksduur. Het gehele bedrag wordt vooraf betaalbaar
                    gesteld. De aanvrager wordt hiermee in staat gesteld over te gaan tot aanschaf.
                    Tegelijkertijd betekent dit dat gedurende de gemiddelde gebruiksduur geen sprake
                    kan zijn van hernieuwde toekenning, tenzij de aangeschafte voorziening buiten
                    toedoen van de aanvrager verloren is gegaan. </al>
        <al>Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te
                    worden of het mogelijk is deze derde door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te
                    doen stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. </al>
        <al>Indien in een woning een traplift, een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bij
                    voorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op de verordening worden gedaan. </al>
        <tussenkop>Artikel 1.3</tussenkop>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich. </al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 2: VORM VAN DE TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE
                    VOORZIENINGEN </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 2.1 Keuzevrijheid</tussenkop>
        <al>Artikel 6 van de Wmo regelt de keuzevrijheid van de burger voor de vorm van
                    individuele voorzieningen. </al>
        <al>De burger moet de keuze hebben tussen een voorziening in natura en een
                    persoonsgebonden budget. Daarnaast is er nog een derde vorm van een voorziening,
                    namelijk de financiële tegemoetkoming.</al>
        <al>Indien in deze Verordening is bepaald dat de voorziening als financiële
                    tegemoetkoming wordt verleend, dan heeft de burger geen keuze tussen een
                    voorziening in natura of een persoonsgebonden budget. </al>
        <al>De in artikel 6 van de Wmo genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorziening de keuze te bieden tussen een voorziening in natura en
                    een persoonsgebonden budget is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren
                    besteen om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget
                    (zie artikel 2.4) </al>
        <tussenkop>Artikel 2.2 Voorziening in natura</tussenkop>
        <al>Een voorziening in natura wordt over het algemeen verstrekt in de vorm van
                    persoonlijke dienstverlening hulp bij het huishouden) of middels bruikleen
                    (hulpmiddelen). De contractafspraken die de gemeente heeft gemaakt met de
                    aanbieder regelen de minimum kwaliteitseisen die aan de voorziening worden
                    gesteld. Daarnaast zal de aanbieder bij de levering van de voorziening
                    individuele afspraken maken met de aanvrager. Deze individuele afspraken zijn in
                    eerste instantie bepalend bij het ontstaan van een eventueel geschil. De
                    contractafspraken die de gemeente met de aanbieder heeft gemaakt, werken als het
                    ware aanvullend op de afspraken die tussen de aanbieder en de aanvrager worden
                    gemaakt.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.3 Financiële tegemoetkoming</tussenkop>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.4 Persoonsgebonden budget</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 2.4 lid 1, 2 en 3</tussenkop>
        <al>De aanvrager heeft geen onbeperkte vrijheid in de besteding van het
                    persoonsgebonden budget (persoonsgebonden budget). De indicatie die ten
                    grondslag ligt aan de te verstrekken voorziening is leidend. In het besluit
                    wordt specifiek omschreven voor welke voorziening het budget wordt
                    verstrekt.</al>
        <tussenkop>Artikel 2.4 lid 4</tussenkop>
        <al>De verstrekking van het persoonsgebonden budget brengt voor de gemeente
                    financiële risico’s met zich mee. Om deze zoveel mogelijk te beheersen heeft het
                    college criteria vastgesteld op grond waarvan een persoonsgebonden budget kan
                    worden geweigerd. Deze criteria hebben voornamelijk betrekking op het al dan
                    niet op orde hebben van de financiële huishouding. Als op grond van objectief
                    vast te stellen criteria duidelijk is dat de aanvrager niet in staat is zijn
                    financiële middelen op een verantwoorde wijze te beheren, dan wordt geen
                    persoonsgebonden budget verleend. In dat geval wordt de voorziening in natura
                    verstrekt. </al>
        <tussenkop>sub a</tussenkop>
        <al>Als de aanvrager niet in staat is zijn financiële middelen op een verantwoorde
                    wijze te beheren, maar wel de beschikking heeft over een goed netwerk dat zorg
                    draagt voor het beheer, kan wel een persoonsgebonden budget worden verstrekt (TK
                    2005-2006, 30 131, nr 31, p.3).</al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 3: HET AANVRAGEN VAN VOORZIENINGEN EN HET
                    MOTIVEREN VAN BESLUITEN</tussenkop>
        <al>De aanvraagprocedure wordt in de Awb geregeld, met name in hoofdstuk 3, Algemene
                    bepalingen over besluiten, en hoofdstuk 4, Bijzondere bepalingen over besluiten. </al>
        <al>Alles zaken die in de Awb zijn geregeld, hoeven niet meer in de verordening te
                    worden geregeld. Vandaar dat het procedurele deel van de verordening zeer
                    beperkt is. </al>
        <al>De aanvraag kan uiteraard ingediend worden door de belanghebbende zelf. Maar het
                    is ook mogelijk dat de persoon een ander machtigt om namens hem of haar een
                    aanvraag in te dienen. In principe dient men een aanvraag in te dienen bij die
                    gemeente waar men in het bevolkingsregister is ingeschreven. </al>
        <al>Alleen in de situatie dat men verhuist naar een andere gemeente, kan het
                    voorkomen dat men een aanvraag indient bij een gemeente waar men (nog) niet in
                    het bevolkingsregister staat ingeschreven. Zie </al>
        <al>hieromtrent ook de toelichting op artikel 1.1. sub f.</al>
        <tussenkop>Artikel 3.1 Aanvraagprocedure</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 3.1 lid 1</tussenkop>
        <al>De aanvraag dient in alle gevallen schriftelijk te worden ingediend. In de
                    praktijk kan weliswaar op grond van een telefonische melding een en ander in
                    gang worden gezet. De aanvrager moet, al dan niet in een later stadium, de
                    aanvraag te bevestigen door het inleveren van een ondertekend
                    aanvraagformulier.</al>
        <tussenkop>Artikel 3.1 lid 3</tussenkop>
        <al>In hoofdstuk 1 Algemene bepalingen staat een uitleg van het begrip
                    zelfredzaam.</al>
        <tussenkop>Artikel 3.2 Inlichtingen, onderzoek, advies</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 3.2 lid 2</tussenkop>
        <al>Deze bepaling geeft aan wanneer het college advies dient te vragen. Dit kan per
                    aanvraag verschillen. In tegenstelling tot de Wvg bevat de Wmo geen bepaling
                    over het inwinnen van advies. In de verordening is beschreven in welke gevallen
                    het college in ieder geval medisch advies inwint. </al>
        <al>In alle overige gevallen wordt per individuele situatie beoordeeld of de
                    klantmanager van Zorgwijzer zelf de situatie beoordeelt, of dat medisch advies
                    wordt aangevraagd.</al>
        <tussenkop>Artikel 3.3 Wijzigingen in de situatie </tussenkop>
        <al>Het gaat hier om alle gegevens en feitelijkheden waarvan redelijkerwijs
                    verondersteld kan worden dat zij van belang zijn, zoals veranderingen in de
                    hoogte van het inkomen als het gaat om inkomensafhankelijke bijdragen, de staat
                    van een in bruikleen verstrekt voorwerp, gewijzigde burgerlijke staat,
                    verhuizing, verandering van de medische situatie etc. </al>
        <tussenkop>Artikel 3.4 Heronderzoek en intrekking van een besluit tot verlening van
                    een voorziening</tussenkop>
        <al>Het ligt voor de hand dat van geheel of gedeeltelijk terugvorderen in ieder
                    geval gebruik wordt gemaakt, indien er sprake is van verwijtbaarheid. Hiervan is
                    zonder meer sprake wanneer betrokkene bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt,
                    bijvoorbeeld over zijn inkomen. </al>
        <al>Het lid 3 van artikel 3.4 is niet van toepassing op woningaanpassingen. Voor
                    deze woningaanpassingen is in artikel 6.5 lid 1 geregeld dat binnen een periode
                    van 15 maanden na het verlenen van de financiële tegemoetkoming of
                    persoonsgebonden budget de woningaanpassing gereed moet zijn en dat dit aan het
                    college gemeld wordt.</al>
        <al>Op grond van de Awb dient een besluit tot intrekking van een voorziening
                    betrokkene schriftelijk te worden medegedeeld. Hierover hoeft in de verordening
                    dus geen afzonderlijke bepaling te worden opgenomen.</al>
        <tussenkop>Artikel 3.5 Terugvordering</tussenkop>
        <al>Alle terug te vorderen bedragen worden verhoogd met de wettelijke rente (titel
                    4.4.2 Awb). Wettelijke rente is op grond van artikel 4:98 Awb pas verschuldigd
                    als de schuldenaar in verzuim is. De schuldenaar is op grond van artikel 4:97
                    Awb in verzuim op het moment dat hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft
                    betaald.</al>
        <tussenkop>Artikel 3.5 lid 1</tussenkop>
        <al>Uit een oogpunt van rechtszekerheid geldt een verjaringstermijn van vijf jaar.
                    Hiervoor is aansluiting gezocht bij de verjaringstermijn voor terugvordering van
                    onverschuldigd betaalde subsidiebedragen (vergelijk artikel 4:57 van de Awb). De
                    samenhang met het intrekkingsbesluit houdt in dat het intrekkingsbesluit en het
                    terugvorderingsbesluit binnen hetzelfde tijdvak van vijf jaar moeten
                    plaatsvinden. De verjaringstermijn vangt aan op de datum van het besluit tot
                    toekenning van de voorziening.</al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 4: EIGEN BIJDRAGE EN EIGEN AANDEEL</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 4.1 Eigen bijdrage</tussenkop>
        <al>De eigen bijdrage is van toepassing op voorzieningen in natura en voorzieningen
                    in de vorm van een persoonsgebonden budget.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.1 lid 1 </tussenkop>
        <al>De gemeente heeft op grond van artikel 15 van de wet de bevoegdheid een eigen
                    bijdrage te vragen, maar is hiertoe niet verplicht. Hier wordt bepaald dat van
                    die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. De eigen bijdrage wordt opgelegd in alle
                    gevallen waarin een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden
                    budget wordt verleend, tenzij in de verordening of de toelichting anders is
                    bepaald. </al>
        <al>Een eigen bijdrage mag alleen worden gevraagd aan personen van 18 jaar en
                    ouder.</al>
        <al>De eigen bijdrage geldt niet voor:</al>
        <al>-rolstoelvoorzieningen.</al>
        <al>In de Wmo en het Besluit maatschappelijke ondersteuning is geregeld dat in een
                    aantal gevallen geen eigen bijdrage kan worden gevraagd:</al>
        <al>-Geen beschikking binnen 2 jaar</al>
        <al>Geen eigen bijdrage is verschuldigd indien binnen 2 jaar na aanvang van de
                    maatschappelijke ondersteuning voor de te betalen eigen bijdrage geen
                    beschikking dan wel voorlopige beschikking tot vaststelling van deze bijdrage is
                    verzonden (<onderstreept>artikel 4.4 onderdeel a Besluit maatschappelijke
                        ondersteuning</onderstreept>).</al>
        <al>-Geen gegevens in het GBA</al>
        <al>Geen eigen bijdrage is verschuldigd indien het CAK, binnen één jaar nadat de
                    aanbieder de adresgegevens van de belanghebbende heeft aangeleverd bij het CAK,
                    de gegevens niet heeft teruggevonden in de GBA (<onderstreept>artikel 4.4
                        onderdeel b Besluit maatschappelijke ondersteuning</onderstreept>).</al>
        <tussenkop>Artikel 4.1 lid 2</tussenkop>
        <al>Het totaal aan eigen bijdrage en eigen aandeel dat de aanvrager betaalt, mag
                    nooit meer bedragen dan de wettelijk vastgesteld maxima. </al>
        <al>Voor bouwkundige en woontechnische aanpassingen en voor voorzieningen die in
                    eigendom worden overgedragen kan voor maximaal 39 perioden van vier weken een
                    eigen bijdrage of eigen aandeel worden opgelegd. Voor de overige voorzieningen
                    geldt geen maximale periode, de periode is dan afhankelijk van de aard van de
                    voorziening:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>hulp bij het huishouden: gedurende de looptijd van de voorziening</al></li>
          <li nr="-"><al>vervoerskostenvergoeding: gedurende de looptijd van de voorziening</al></li>
          <li nr="-"><al>scootmobielen, tilliften, driewielfietsen (in natura): gedurende de
                            looptijd van de voorziening, zo lang de gemeente huur betaalt aan de
                            leverancier</al></li>
          <li nr="-"><al>scootmobielen, tilliften, driewielfietsen (in pgb): gedurende de
                            looptijd van de voorziening, gebaseerd op de afschrijvingstermijn</al></li>
          <li nr="-"><al>bouwkundige en woontechnische aanpassingen: maximaal 3 jaar</al></li>
          <li nr="-"><al>voorzieningen die in eigendom worden verstrekt (bad- en
                            toiletvoorzieningen): maximaal 3 jaar</al></li>
          <li nr="-"><al>verhuiskostenvergoeding: maximaal 1 jaar</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 4.1 lid 3</tussenkop>
        <al>Hier wordt bepaald, dat de eigen bijdrage in totaal nooit meer mag bedragen dan
                    de kostprijs van de voorziening (TK 2003-2004, 29 538, nr 7 en Staatsblad 2006,
                    450, p. 17). Onder de kostprijs wordt verstaan het bedrag waarvoor de gemeente
                    de voorziening inkoopt of kan inkopen.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.1 lid 4</tussenkop>
        <al>Hier wordt bepaald, dat de voorziening eerst wordt verleend en vervolgens de
                    eigen bijdrage wordt opgelegd. Indien de voorziening in natura wordt verleend,
                    is dit vanzelfsprekend. Indien de voorziening in de vorm van een
                    persoonsgebonden budget wordt verleend, is dat niet vanzelfsprekend. Sinds 1
                    augustus 2007 is het namelijk mogelijk om een persoonsgebonden budget netto aan
                    de burger te verstrekken. Netto wil zeggen dat de eigen bijdrage direct wordt
                    verrekend. In Beuningen is gekozen om het persoonsgebonden budget in alle
                    gevallen bruto te verstrekken en de eigen bijdrage achteraf te laten opleggen
                    door het CAK.</al>
        <al>Voor de eigen bijdrage en het eigen aandeel geldt het anticumulatiebeding.
                    Anticumulatie betekent dat er één maximum bedrag is dat verschuldigd aan eigen
                    bijdragen en eigen aandeel op grond van de Wmo (eigen bijdrage en eigen aandeel)
                    en de extramurale eigen bijdrage op grond van de AWBZ. Dat maximum is geregeld
                    in <onderstreept>artikel 4.1 lid 1 Besluit maatschappelijke
                        ondersteuning</onderstreept>. De rangorde tussen de Wmo en de extramurale
                    eigen bijdrage op grond van de AWBZ is geregeld in artikel 16d lid 3
                    Bijdragebesluit zorg dat het volgende bepaalt: "Op de bijdrage worden de eigen
                    bijdrage die voor maatschappelijke ondersteuning verschuldigd is ingevolge de
                    Wet maatschappelijke ondersteuning en het aandeel in de kosten van
                    maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële
                    tegemoetkoming ingevolge die wet voor eigen rekening komt, in mindering
                    gebracht."</al>
        <al>De eigen bijdrage en het eigen aandeel in het kader van de Wmo gaan dus voor op
                    de extramurale eigen bijdrage op grond van de AWBZ.</al>
        <al>Ten aanzien van de intramurale eigen bijdrage op grond van de AWBZ geldt geen
                    anticumulatie. Indien de belanghebbende een intramurale eigen bijdrage op grond
                    van de AWBZ is verschuldigd, is hij geen eigen bijdrage of eigen aandeel op
                    grond van de Wmo verschuldigd (<onderstreept>artikel 4.1 lid 6 onder a Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning</onderstreept>).</al>
        <tussenkop>Artikel 4.2 Eigen aandeel</tussenkop>
        <al>Het eigen aandeel is van toepassing op voorzieningen die in de vorm van een
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt, zoals bijvoorbeeld de
                    vervoerskostenvergoeding, sportvoorzieningen en woningaanpassingen van
                    bouwtechnische of bouwkundigeaard.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.2 lid 1</tussenkop>
        <al>De gemeente heeft op grond van artikel 19 van de wet de bevoegdheid een eigen
                    aandeel te vragen, maar is hiertoe niet verplicht. Hier wordt bepaald dat van
                    die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. Het eigen aandeel wordt opgelegd in alle
                    gevallen waarin een voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming
                    wordt verleend, tenzij in de verordening of de toelichting anders is bepaald. </al>
        <al>Op grond van artikel 4.1 lid 4 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning is
                    het opleggen van een eigen aandeel niet toegestaan bij de verstrekking van
                    rolstoelen. </al>
        <al>Het eigen aandeel wordt alleen gevraagd aan een persoon van 18 jaar en ouder. </al>
        <al>Het eigen aandeel geldt niet voor:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>huurderving aan woningeigenaren;</al></li>
          <li nr="-"><al>verhuiskostenvergoeding aan personen die een aangepaste woning verlaten
                            en daarmee plaats maken voor een persoon met beperkingen;</al></li>
          <li nr="-"><al>woningaanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten die door meerdere
                            personen gebruikt worden.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 4.2 lid 2</tussenkop>
        <al>Het totaal aan eigen bijdrage en eigen aandeel dat de aanvrager betaalt, mag
                    nooit meer bedragen dan de wettelijk vastgesteld maxima. </al>
        <al>In artikel 4.1 lid 5 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning is opgenomen
                    dat het eigen aandeel voor een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een
                    woning die in eigendom is van de aanvrager gedurende maximaal 39 perioden van
                    vier weken in rekening kan worden gebracht. Uit oogpunt van rechtsgelijkheid
                    geldt deze maximale periode in Beuningen ook voor bouwkundige of woontechnische
                    aanpassingen aan woningen die niet in eigendom zijn van de aanvrager.</al>
        <al>De maximale duur van 39 perioden van vier weken geldt ook voor voorzieningen die
                    in eigendom worden overgedragen. Voor de overige voorzieningen geldt geen
                    maximale periode, de periode is dan afhankelijk van de aard van de
                    voorziening:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>hulp bij het huishouden: gedurende de looptijd van de voorziening</al></li>
          <li nr="-"><al>vervoerskostenvergoeding: gedurende de looptijd van de voorziening</al></li>
          <li nr="-"><al>scootmobielen, tilliften, driewielfietsen (in natura): gedurende de
                            looptijd van de voorziening, zo lang de gemeente huur betaalt aan de
                            leverancier</al></li>
          <li nr="-"><al>scootmobielen, tilliften, driewielfietsen (in pgb): gedurende de
                            looptijd van de voorziening, gebaseerd op de afschrijvingstermijn</al></li>
          <li nr="-"><al>bouwkundige en woontechnische aanpassingen: maximaal 3 jaar</al></li>
          <li nr="-"><al>voorzieningen die in eigendom worden verstrekt (bad- en
                            toiletvoorzieningen): maximaal 3 jaar</al></li>
          <li nr="-"><al>verhuiskostenvergoeding: maximaal 1 jaar</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 4.2 lid 3</tussenkop>
        <al>Hier is bepaald, dat het eigen aandeel in totaal nooit meer mag bedragen dan de
                    kostprijs van de voorziening (TK 2003-2004, 29 538, nr 7 en Staatsblad 2006,
                    450, p. 17). Onder de kostprijs wordt verstaan het bedrag waarvoor de gemeente
                    de voorziening inkoopt of kan inkopen.</al>
        <tussenkop>Artikel 4.1 lid 4</tussenkop>
        <al>Hier is bepaald dat de voorziening eerst wordt verleend en vervolgens het eigen
                    aandeel wordt opgelegd. Indien de voorziening in de vorm van een financiële
                    tegemoetkoming wordt verleend, is dat niet vanzelfsprekend. Het eigen aandeel
                    zou immers ook op de financiële tegemoetkoming in mindering kunnen worden
                    gebracht. In Beuningen is gekozen om de financiële tegemoetkoming in alle
                    gevallen bruto te verstrekken en het eigen aandeel achteraf te laten opleggen
                    door het CAK.</al>
        <al>Voor de eigen bijdrage en het eigen aandeel geldt het anticumulatiebeding.
                    Anticumulatie betekent dat er één maximum bedrag is dat verschuldigd aan eigen
                    bijdragen en eigen aandeel op grond van de Wmo (eigen bijdrage en eigen aandeel)
                    en de extramurale eigen bijdrage op grond van de AWBZ. Dat maximum is geregeld
                    in <onderstreept>artikel 4.1 lid 1 Besluit maatschappelijke
                        ondersteuning</onderstreept>. De rangorde tussen de Wmo en de extramurale
                    eigen bijdrage op grond van de AWBZ is geregeld in artikel 16d lid 3
                    Bijdragebesluit zorg dat het volgende bepaalt: "Op de bijdrage worden de eigen
                    bijdrage die voor maatschappelijke ondersteuning verschuldigd is ingevolge de
                    Wet maatschappelijke ondersteuning en het aandeel in de kosten van
                    maatschappelijke ondersteuning dat bij de toekenning van een financiële
                    tegemoetkoming ingevolge die wet voor eigen rekening komt, in mindering
                    gebracht."</al>
        <al>De eigen bijdrage en het eigen aandeel in het kader van de Wmo gaan dus voor op
                    de extramurale eigen bijdrage op grond van de AWBZ.</al>
        <al>Ten aanzien van de intramurale eigen bijdrage op grond van de AWBZ geldt geen
                    anticumulatie. Indien de belanghebbende een intramurale eigen bijdrage op grond
                    van de AWBZ is verschuldigd, is hij geen eigen bijdrage of eigen aandeel op
                    grond van de Wmo verschuldigd (<onderstreept>artikel 4.1 lid 6 onder a Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning</onderstreept>).</al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 5 HULP BIJ HET HUISHOUDEN </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 5.1 Vormen van hulp bij het Huishouden</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 5.1 lid 2</tussenkop>
        <al>In het tweede lid is het criterium 'langdurig noodzakelijk' buiten toepassing
                    verklaard om hulp bij het huishouden ook gedurende een kortere periode mogelijk
                    te maken.</al>
        <al>Een voorbeeld van een situatie waarin geen sprake is van langdurige noodzaak is
                    de situatie waarbij een persoon na een ziekenhuisopname korte tijd moet
                    revalideren.</al>
        <tussenkop>Artikel 5.2</tussenkop>
        <tussenkop>sub b</tussenkop>
        <al>Als er sprake is van mantelzorg, dan wordt de indicatie afgestemd op wat de
                    mantelzorger vrijwillig bereid is aan huishoudelijke taken op zich te
                    nemen.</al>
        <tussenkop>Artikel 5.3 Gebruikelijke zorg en gebruikelijke hulpmiddelen</tussenkop>
        <al>Onder gebruikelijke zorg wordt verstaan de zorg die personen die met de
                    aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning bewonen op zich kunnen nemen. </al>
        <al>Als bij de indicatie van hulp bij het huishouden wordt vastgesteld dat de
                    behoefte aan hulp het gevolg is van het ontbreken van algemeen gebruikelijke
                    hulpmiddelen of apparatuur zoals een wasmachine of wasdroger, dan ligt aanschaf
                    van een dergelijk algemeen gebruikelijk hulpmiddel voor de hand. Er is dan
                    namelijk geen sprake van beperkingen als gevolg van een psychische of
                    lichamelijke handicap. Aanschaf van een dergelijk algemeen hulpmiddel komt voor
                    rekening en risico van de aanvrager.</al>
        <tussenkop>Artikel 5.4 Omvang van de hulp bij het huishouden</tussenkop>
        <al>Tot 1 januari 2007 werd de hulp bij het huishouden uitgedrukt in klassen. Binnen
                    deze klassen beoordeelde de aanbieder binnen een bepaalde bandbreedte het aantal
                    uren dat daadwerkelijk Hulp bij het Huishouden werd verleend. Sinds 1 januari
                    2007 wordt de indicatie Hulp bij het Huishouden uitgedrukt in het aantal uren
                    benodigde zorg per week. Dit wordt in de praktijk nauwkeurig aangegeven en op
                    een kwartier naar boven afgerond.</al>
        <tussenkop>Artikel 5.5 Omvang van het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke
                    verzorging</tussenkop>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 6: WOONVOORZIENINGEN</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 6.1 Vormen van woonvoorzieningen</tussenkop>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich</al>
        <tussenkop>Artikel 6.2 Soorten individuele woonvoorzieningen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 6.2 lid 1 </tussenkop>
        <tussenkop>sub a.: verhuis- en inrichtingskosten</tussenkop>
        <al>Zie toelichting op artikel 6.16.</al>
        <tussenkop>sub b.: aanpassing van bouwtechnische of bouwkundige aard</tussenkop>
        <al>Bij een tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing gaat het om bouwkundige
                    en bouwtechnische woningaanpassingen die de beperkingen van de persoon wegnemen
                    of gedeeltelijk wegnemen. In het Besluit nadere regels individuele voorzieningen
                    maatschappelijke ondersteuning worden door het college de kosten(soorten)
                    vastgesteld die in aanmerking komen voor vergoeding.</al>
        <tussenkop>sub c.: aanpassing van niet-woontechnische of niet-bouwkundige
                    aard</tussenkop>
        <al>De gemeente geeft bij het verstrekken van een woonvoorzieningen van
                    niet-bouwkundige of niet-woontechnische aard aan welke voorzieningen hiervoor
                    aangeschaft moeten worden. </al>
        <al>Voorbeelden van voorzieningen van niet-woontechnische of niet-bouwkundige aard
                    zijn hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen die niet aard- en nagelvast aan
                    de woning bevestigd zijn, zoals rolstoeltapijten en tilliften. </al>
        <tussenkop>sub g. </tussenkop>
        <al>Alleen wanneer aanpassingen aan de woning een beletsel vormen voor het opnieuw
                    verhuren van de woning of de voorziening eigendom is van de gemeente, worden de
                    kosten van het verwijderen van de woonvoorzieningen vergoed. </al>
        <al>Zie ook de toelichting op artikel 6.20</al>
        <tussenkop>sub h. : hulphond</tussenkop>
        <al>Hoewel een hulphond geen woonvoorziening is kunnen de gebruikskosten van de
                    hulphond als zijnde een woonvoorziening worden vergoed indien de hulphond
                    bijdraagt in het oplossen van beperkingen die de persoon in het normale gebruik
                    van de woning ondervindt. Voorwaarde is dat het een hulphond betreft van de
                    Stichting Hulphond. </al>
        <al>Bij het verstrekken van een hulphond moet rekening worden gehouden met
                    voorliggende voorzieningen. Een hulphond is een hulpmiddel dat op basis van
                    artikel 2.34 lid 1 onderdeel b Regeling zorgverzekering kan worden verstrekt. De
                    kosten van een blindengeleidehond worden bijvoorbeeld vergoed op grond van de
                    regeling subsidies AWBZ en de Zorgverzekeringswet.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.2 lid 2 </tussenkop>
        <al>Het college bepaalt de vorm van een woonvoorziening in natura: bruikleen of
                    eigendom. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.2 lid 5</tussenkop>
        <al>Het college bepaalt de vorm van een woonvoorziening in natura: bruikleen of
                    eigendom. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.2 lid 6</tussenkop>
        <al>De vorm waarin een voorziening voor onderhoud, reparatie en verzekering wordt
                    verstrekt, hangt samen met de vorm van de voorziening waarop het onderhoud,
                    reparatie en verzekering betrekking hebben. Dus als een tillift in natura is
                    verstrekt, dan wordt het bijbehorende onderhoud, reparatie en verzekering ook in
                    natura verstrekt. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.2 lid 7</tussenkop>
        <al>Een financiële tegemoetkoming voor de kosten van verhuizing en inrichting wordt
                    uitbetaald aan de hoofdbewoner van de woonruimte. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.3 Recht op een woonvoorziening en primaat van
                    verhuizen</tussenkop>
        <al>Woonvoorzieningen zoals omgeschreven in de voormalige Wvg waren alleen gericht
                    op het opheffen van (ergonomische) beperkingen die het normale gebruik van de
                    woning in de weg staan. In de Wmo is een dergelijke omschrijving niet meer
                    opgenomen. </al>
        <al>Vooralsnog wordt in de Wmo-praktijk aangesloten bij de onder de Wvg ontwikkelde
                    praktijk. De compensatieplicht van de gemeente beperkt zich tot de elementaire
                    woonfuncties.</al>
        <al>Het gaat hierbij om de elementaire woonfuncties zoals eten, slapen, bad- en
                    toiletgebruik en veilig kunnen spelen door kinderen. Ook koken en de was doen
                    worden tot de elementaire woonfuncties gerekend, als deze werkzaamheden
                    normaliter - o.a. vanwege het gekozen rolpatroon - door de persoon met
                    beperkingen worden gedaan. Het gebruik van een hobby-, werk- of recreatieruimte
                    valt niet onder de elementaire woonfuncties.</al>
        <al>Het afstemmen van de voorziening op de behoeften en persoonlijke omstandigheden
                    van de aanvrager en zijn sociale omgeving kan er toe leiden dat aan de woning
                    ook maatregelen getroffen worden met het oog op verzorging van de aanvrager. Bij
                    zowel beroepsmatige zorg als mantelzorg worden op de arbeidsomstandigheden van
                    de verzorgende gerichte voorzieningen gerealiseerd, bijvoorbeeld een
                    tillift.</al>
        <al>Met het primaat van de verhuizing wordt bedoeld dat, als een aangepaste woning
                    nodig is, als eerste wordt bepaald of verhuizing mogelijk en zinvol is en of er
                    een geschikte woning beschikbaar is. Een geschikte woning is een woning die met
                    betrekkelijk lage investeringen volledig aangepast kan worden.</al>
        <al>Bij de afweging kunnen ook persoonlijke omstandigheden van de aanvrager een rol </al>
        <al>spelen, zoals de mogelijkheid van de aanvrager te verhuizen, de gevolgen van
                    verhuizing voor de opgebouwde mantelzorg en de verhouding tussen de financiële
                    draagkracht en de woonlasten. </al>
        <al>Indien de gemeente, nadat alle factoren in de overweging zijn meegenomen, tot de
                    conclusie komt dat </al>
        <al>verhuizing de goedkoopste adequate oplossing is, dan heeft bij het verstrekken
                    van de woonvoorziening de vergoeding voor verhuis- en (her)-inrichtingskosten de
                    voorkeur. Is dit niet het geval dan kan het college besluiten één van de andere
                    voorzieningen te verstrekken.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.3 lid 4 </tussenkop>
        <al>Het is ook mogelijk om een combinatie van woonvoorzieningen te verstrekken. Het
                    kan dan bijvoorbeeld gaan om het verstrekken van financiële tegemoetkomingen
                    voor zowel verhuizing en inrichting als voor een beperkte woningaanpassing aan
                    de nieuwe woning. Uiteraard geldt als voorwaarde voor een combinatie van
                    voorzieningen dat dit de goedkoopste adequate oplossing is. Een financiële
                    tegemoetkoming in de kosten van de woningaanpassing als onderdeel van een
                    combinatie van </al>
        <al>woonvoorzieningen wordt slechts verstrekt indien de woningaanpassing is gericht
                    op het opheffen of verminderen van beperkingen.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.3 lid 5 </tussenkop>
        <al>Dit biedt het college de mogelijkheid om in het Besluit nadere regels
                    individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning situaties te benoemen
                    waarin zij kunnen afwijken van de in dit artikel neergelegde rangorde van
                    woonvoorzieningen. </al>
        <al>Ter uitvoering hiervan kan het college bijvoorbeeld nadere voorwaarden stellen
                    aan de toepassing van het primaat van de verhuizing. Wanneer niet aan deze
                    voorwaarden is voldaan, vindt dit primaat geen toepassing en zal bijvoorbeeld
                    een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woningaanpassing worden
                    toegekend. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.3 lid 6</tussenkop>
        <al>Dit artikel bepaalt dat een vergoeding in de gebruikskosten van een hulphond
                    slechts dan worden vergoed indien de hulphond is verstrekt door de Stichting
                    Hulphond en de hulphond bijdraagt in het oplossen van beperkingen in het normale
                    gebruik van de woning. Dit geldt overigens niet voor een blindengeleidehond. De
                    kosten van een blindengeleidehond worden vergoed op grond van de
                    Zorgverzekeringswet. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.4 Woon- en verblijfruimten waarvoor geen woonvoorziening wordt
                    verstrekt</tussenkop>
        <tussenkop>sub a en e: hotel/pensions en vakantiewoningen</tussenkop>
        <al>Als een hotel, pension of vakantiewoning het hoofdverblijf van de aanvrager is,
                    kan wel een voorziening worden verstrekt. </al>
        <tussenkop>sub h: specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte
                    woongebouwen (…)</tussenkop>
        <al>Woonvoorzieningen worden alleen verstrekt als die betrekking hebben op
                    woonruimten die op grond van de Wet op de huurtoeslag als zelfstandige
                    woonruimten aangemerkt worden. Een uitzondering op deze </al>
        <al>regel geldt ten aanzien van woonwagens als bedoeld in de Huisvestingswet.
                    Hiervoor staan in de verordening aparte regels. </al>
        <al>Aangenomen wordt dat de gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen die
                    specifiek op personen met beperkingen en ouderen zijn gericht, passen bij de
                    specifieke behoeften van de doelgroep waarvoor zij bestemd zijn. Dat betekent
                    dat voorzieningen in die gemeenschappelijke ruimten niet voor vergoeding in het
                    kader van de Wmo in aanmerking komen. Voorzieningen in het eigen woongedeelte
                    van de aanvrager kunnen wel voor vergoeding in aanmerking komen. Uitzonderingen
                    zijn voorzieningen die zonder noemenswaardige meerkosten bij nieuwbouw
                    aangebracht kunnen worden in een gebouw dat gebouwd is vanaf omstreeks 1990.
                    Vanaf omstreeks 1990 zijn het aanpasbaar bouwen en het seniorenbeleid gemeengoed
                    geworden. Het rekening houden met de behoeften van ouderen of personen met
                    beperkingen kan in gebouwen vanaf omstreeks 1990 als normaal beschouwd
                    worden.</al>
        <al>Uiteraard geldt dit vooral voor voorzieningen die bij de bouw zonder
                    (noemenswaardige) meerkosten meegenomen kunnen worden. Voorzieningen die leiden
                    tot aanzienlijke kosten en op het individu gericht zijn, zullen meestal niet
                    standaard aangebracht worden. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.5 Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling financiële
                    tegemoetkoming en persoonsgebonden budget</tussenkop>
        <al>De woningaanpassing wordt direct na voltooiing van de werkzaamheden gereed
                    gemeld. Hierdoor wordt voorkomen dat onnodig lang een verplichting tot
                    uitbetaling van de financiële tegemoetkoming blijft openstaan. </al>
        <al>Overigens kan het niet zo zijn dat in alle gevallen met betaling wordt gewacht
                    totdat de gereedmelding </al>
        <al>is ontvangen. Zeker bij complexe (dure) woningaanpassingen kan het nodig zijn
                    dat tussentijds al betalingen worden verricht. Het doen van tussentijdse
                    betalingen is ter beoordeling van het college. </al>
        <al>De gereedmelding vindt plaats door degene aan wie de financiële tegemoetkoming
                    wordt uitbetaald en niet aan de aanvrager. Hiervoor is gekozen omdat degene die
                    de financiële tegemoetkoming </al>
        <al>ontvangt niet altijd de aanvrager zelf is, maar bijvoorbeeld de woningeigenaar.
                    Indien dat het geval is, heeft de aanvrager geen belang bij de gereedmelding en
                    zou de ontvanger van de financiële tegemoetkoming de dupe kunnen worden. </al>
        <al>De gereedmelding dient binnen een termijn van 15 maanden na het verlenen van de
                    financiële tegemoetkoming plaats te vinden. Dit is bedoeld om te voorkomen dat
                    het treffen van de voorziening te lang op zich laat wachten.</al>
        <al>De gemeente controleert of aan de voorwaarden bij het verlenen van de financiële
                    tegemoetkoming is voldaan. Om te voorkomen dat iedere voorwaarde daadwerkelijk
                    moet worden gecontroleerd, wordt een verklaring gevraagd aan de ontvanger van de
                    financiële tegemoetkoming. Indien later zou blijken dat niet aan alle
                    voorwaarden is voldaan kan de financiële tegemoetkoming alsnog worden
                    ingetrokken en eventueel worden teruggevorderd. De termijn van vijf jaar bedoeld
                    in het vierde lid sluit aan op de normaal geldende verjaringstermijn voor o.a.
                    belastingen en subsidies.</al>
        <al>Het moment van verstrekken van een financiële tegemoetkoming in de kosten van
                    woningaanpassing is het moment waarop het college de hoogte van de financiële
                    tegemoetkoming hebben vastgesteld en dit meedelen aan degene aan wie de
                    financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.6 Hoofdverblijf en bezoekbaar maken woning</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 6.6 lid 2</tussenkop>
        <al>De verlening van woonvoorzieningen is alleen mogelijk indien de aanvrager zijn
                    hoofdverblijf heeft in de woning die aangepast moet worden. Een uitzondering kan
                    gemaakt worden als de persoon zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting en
                    regelmatig één bepaalde woning bezoekt. Het is dan mogelijk voorzieningen te
                    verstrekken ten behoeve van het aanpassen van één woonruimte waar de persoon
                    vaak verblijft, uiteraard met toestemming van de eigenaar van die woonruimte.
                    Uit doelmatigheidsoverwegingen is het daarom redelijk dat er geen volledige maar
                    een gedeeltelijke aanpassing van de woning plaatsvindt. </al>
        <al>Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt verstaan dat de persoon met
                    beperkingen de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken/gebruiken.
                    Volgens jurisprudentie van de CRvB kan een gemeente ten aanzien van bezoekbaar
                    maken nooit gedwongen worden meer dan het limitatief opgesomde te verstrekken of
                    de hardheidsclausule te gebruiken. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.6 lid 4</tussenkop>
        <al>Het vierde lid bepaalt dat de aanvraag moet worden ingediend in de gemeente waar
                    de bezoekbaar te maken woning staat. Deze bepaling is opgenomen omdat de
                    aanvrager anders de aanvraag zou indienen in de gemeente waar hij zijn
                    hoofdverblijf heeft.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.6 lid 5</tussenkop>
        <al>Op grond van het vijfde lid is het totaal van de te verstrekken financiële
                    tegemoetkomingen voor het bezoekbaar maken gebonden aan een maximum bedrag. Dit
                    wordt door het college vastgesteld in het Besluit nadere regels individuele
                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning. Het vaststellen van een maximum
                    bedrag voorkomt dat bij bezoekbaar maken dure aanpassingen aangebracht moeten
                    worden, terwijl in andere omstandigheden het primaat van de verhuizing gebruikt
                    zou zijn.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.7 Weigeringsgronden woonvoorzieningen</tussenkop>
        <tussenkop>sub a: Verhuisd vanuit een geschikte woning</tussenkop>
        <al>Onder belangrijke reden voor verhuizen kan worden verstaan: </al>
        <al>verhuizen op basis van het aanvaarden van een werkkring elders, op basis van een
                    echtscheiding, of vanwege het bestaan van een nieuwe duurzame vorm van
                    samenleven.</al>
        <tussenkop>sub b: Niet verhuisd naar geschikte woning</tussenkop>
        <al>Er bestaat ook geen recht op woonvoorzieningen als de persoon niet is verhuisd
                    naar de op het moment van de verhuizing meest geschikte woning, behalve het
                    geval waarin het college daartoe tevoren toestemming heeft verleend. De
                    toestemming tevoren is belangrijk, zodat beoordeeld kan worden of inderdaad
                    gesproken kan worden van de meest geschikte woning. Ook kan beoordeeld worden of
                    de kosten binnen de Wmo passen en of mogelijk andere oplossingen de voorkeur
                    verdienen. Ook de situatie van de partner of huisgenoot wordt bij de beoordeling
                    van de aanvraag moeten betrokken.</al>
        <tussenkop>sub e: aard van de materialen</tussenkop>
        <al>Het opheffen van allergene factoren of andere problemen die hun oorzaak vinden
                    in de aard van de in of aan de woonruimte gebruikte materialen valt niet onder
                    de werking van de verordening. Ook hoeft geen woonvoorziening te worden
                    verstrekt indien de beperkingen die de persoon ervaart niet voortvloeien uit de
                    aard van de gebruikte materialen in of aan de woning maar uit de door de ziekte
                    of gebrek veroorzaakte overgevoeligheid voor deze materialen. Een uitzondering
                    op het voorgaande is indien er sprake is van niet voorziene, onverwacht
                    optredende meerkosten waarvoor de persoon niet heeft kunnen reserveren. </al>
        <al>Een voorbeeld hiervan is dat uit een medische onderzoek plotseling blijkt dat de
                    persoon lijdt aan een ziekte of gebrek (bijvoorbeeld CARA) waardoor de persoon
                    zijn woning dient te saneren. Dergelijke woonvoorzieningen worden in de
                    verordening als woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of niet-woontechnische
                    aard worden aangemerkt (artikel 6.2 lid 1 sub c). Verder dient te worden vermeld
                    dat indien de ondervonden belemmeringen het gevolg zijn van achterstallig
                    onderhoud, vocht en tocht veroorzaakt door in de woning gelegen factoren de
                    kosten van het opheffen van deze belemmeringen ook niet onder de werking van de
                    verordening vallen. Alleen in die situaties waarin de persoon met een inkomen op
                    het sociaal minimum het onderhoud, desnoods tegen een huurverhoging, niet binnen
                    een uit medisch oogpunt aanvaardbare termijn van de verhuurder kan afdwingen,
                    kan er sprake zijn van een compensatieplicht. </al>
        <tussenkop>sub f: hoger niveau dan uitrustingsniveau voor sociale
                    woningbouw</tussenkop>
        <al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit
                    2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in
                    beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet
                    te worden verstrekt. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau.
                    Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen
                    worden gesteld, kan het college hierop een uitzondering maken. Over de hiermee
                    gepaard gaande kosten moeten in een concrete situatie afspraken gemaakt worden. </al>
        <al>Ook bij Hulp bij het Huishouden speelt deze bepaling een rol. Indien
                    bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het feit dat men in
                    een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft deze bepaling een duidelijke
                    grens aan.</al>
        <tussenkop>sub g: verhuizing te voorzien</tussenkop>
        <al>In gevallen waarin beperkingen niet acuut zijn opgetreden, maakt het verhuizen
                    naar bijvoorbeeld een gelijkvloerse woning onderdeel uit van een normale
                    wooncarrière. Deze verhuizing is algemeen gebruikelijk en komt niet in
                    aanmerking voor een verhuiskostenvergoeding. Dit voorbeeld is niet op iedere
                    situatie van toepassing. Iedere situatie moet individueel beoordeeld
                    worden.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.8 Duidelijkheid over financiering van het niet-gesubsidieerde
                    deel van de kosten</tussenkop>
        <al>Soms wenst de aanvrager duurdere voorzieningen dan goedkoopst adequaat. In dat
                    geval zal hij zelf de meerprijs moeten voldoen en de financiering voor de extra
                    kosten moeten regelen. De tegemoetkoming wordt dan alleen verstrekt als er
                    duidelijkheid (en zekerheid) is over de financiering van de extra kosten. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.9 Het verwerven van grond</tussenkop>
        <al>Als de woningaanpassing een uitbreiding van een bestaande woning of het groter
                    bouwen van een nieuwe woning tot gevolg heeft kan de gemeente een financiële
                    tegemoetkoming verlenen in de kosten van het verwerven van extra grond die
                    noodzakelijk is om de woningaanpassing te realiseren. Alleen de grond die
                    noodzakelijk is voor de woningaanpassing zelf kan in aanmerking komen voor een
                    financiële tegemoetkoming. Hierbij wordt een maximum aantal vierkante meters
                    gehanteerd voor de verschillende vertrekken. Dit is vastgelegd in het Besluit
                    nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.10 Woningaanpassingen van gemeenschappelijke
                    ruimten</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 6.10 lid 1</tussenkop>
        <al>De gemeenschappelijke ruimten zullen voornamelijk entrees en portieken van
                    woongebouwen betreffen. Daarbij zal het vooral gaan om het verbreden van
                    toegangsdeuren, het aanbrengen van elektrische deuropeners, de aanleg van een
                    hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van de woning, drempelhulpen en
                    vlonders, het aanbrengen van een extra trapleuning, een opstelplaats voor een
                    rolstoel of een vervoersvoorziening bij de toegangsdeur van het woongebouw.</al>
        <al>Het primaat van de verhuizing, zoals dat is neergelegd in artikel 6.3 lid 2 van
                    de verordening, geldt onverkort bij de toepassing van dit artikel. Dit kan er
                    bijvoorbeeld toe leiden dat, indien het nodig is om een traplift aan te brengen
                    in een gemeenschappelijke ruimte, een verhuizing naar een andere woning de
                    goedkoopst adequate oplossing kan zijn. Gelet op de toelichting bij artikel 4.4
                    spelen ten aanzien van het al dan niet toepassen van het primaat van de
                    verhuizing niet alleen financiële aspecten een rol. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.10 lid 2</tussenkop>
        <al>Voor voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten waar meerdere personen gebruik
                    van maken, geldt geen eigen bijdrage of eigen aandeel. Een voorbeeld van zo’n
                    voorziening is een deuropener.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.11 Beperking zeer dure woningaanpassingen</tussenkop>
        <al>Boven € 45.378 zijn aanpassingen alleen in uitzonderlijke situaties mogelijk. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.12 woonwagen </tussenkop>
        <al>De uitgangspunten bij en de gevallen waarin een voorziening aan woonwagens kan
                    worden aangebracht zijn in principe gelijk aan die bij woningen. Gezien de
                    kenmerken van deze woonruimten is het echter nodig enkele nadere voorwaarden te
                    stellen. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.13 woonschip</tussenkop>
        <al>De uitgangspunten bij en de gevallen waarin een voorziening aan woonschepen kan
                    worden aangebracht zijn in principe gelijk aan die bij woningen. Gezien de
                    kenmerken van deze woonruimten is het echter nodig enkele nadere voorwaarden te
                    stellen. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.14 Technische levensduur woonwagen en woonschip</tussenkop>
        <al>Indien niet aan de eisen zoals vermeld in artikel 6.12 en 6.13 kan worden
                    voldaan, kan er geen uitgebreide aanpassing meer worden gesubsidieerd. Om de
                    beschikbare middelen zo doelmatig mogelijk aan te wenden, wordt er door het
                    college in het Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke
                    ondersteuning een bovengrens vastgesteld voor de hoogte van de in deze gevallen
                    te verlenen financiële tegemoetkoming.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.15 Binnenschip </tussenkop>
        <al>De uitgangspunten bij en de gevallen waarin een voorziening aan binnenschepen
                    kan worden aangebracht zijn in principe gelijk aan die bij woningen. Gezien de
                    kenmerken van deze woonruimten is het echter nodig enkele nadere voorwaarden te
                    stellen. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.16 Verhuis- en (her)inrichtingskosten.</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 6.16 lid 1</tussenkop>
        <al>Het college kan een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                    inrichtingskosten verstrekken aan een persoon met beperkingen die naar een
                    geschikte (aangepaste) of een goedkoper dan de huidige woonruimte aan te passen
                    woonruimte verhuist. Het college kan ook aan een persoon zonder beperkingen een
                    dergelijke woonvoorziening verstrekken indien op deze wijze een aangepaste of
                    geschikte woonruimte vrij komt voor een persoon met beperkingen. De financiële
                    tegemoetkoming dient ter stimulering van het vrijmaken van de woning.</al>
        <al>De gemeente maakt de afweging of zij een tegemoetkoming in de verhuiskosten wil
                    geven of dat de woning van de persoon aangepast moet worden. Indien aangepaste
                    of aanpasbare woningen beschikbaar zijn, kan uit doelmatigheidsoverwegingen de
                    voorkeur gegeven worden aan verhuizen boven aanpassen van de huidige woonruimte.
                    Bij de uiteindelijke keuze van de te verstrekken voorziening wordt een afweging
                    gemaakt tussen de kosten van het verhuizen versus het aanpassen van de huidige
                    woonruimte. Ook wordt bij de afweging verhuizen of aanpassen rekening gehouden
                    met de sociale omstandigheden waarin aanvrager zich bevindt, zoals de
                    aanwezigheid van mantelzorg. </al>
        <al>Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt
                    gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de gemeente en de regio. Om zo
                    doelmatig mogelijk met de aangepaste voorraad woningen om te kunnen gaan, kan
                    het wenselijk zijn dat indien de band tussen de oorspronkelijke aanvrager en de
                    woning is verbroken (bijvoorbeeld door overlijden van deze persoon) deze woning
                    opnieuw aan een andere persoon met beperkingen wordt toegewezen. In dat geval
                    zullen de achterblijvende huisgenoten worden verzocht naar een andere woonruimte
                    te verhuizen.</al>
        <al>Als het college de achterblijvende huisgenoten verzoekt om de woning vrij te
                    maken, kunnen zij in aanmerking komen voor een tegemoetkoming of vergoeding in
                    een deel van de verhuiskosten.</al>
        <al>De verhuiskostenvergoeding kan als stimulans worden aangewend om de medewerking
                    van huurders te krijgen bij het vrijmaken van de woning voor een persoon met
                    beperkingen. In uitzonderlijke gevallen kan het college de hoogte van de
                    tegemoetkoming aanpassen. </al>
        <al>Wanneer een woning wordt vrijgemaakt kan er dus twee maal een vergoeding voor
                    verhuizing en inrichting worden verstrekt. Allereerst aan degene die de woning
                    vrijmaakt en vervolgens aan de persoon met beperkingen die naar de vrijgemaakte
                    woning verhuist. De beslissing of er éénmaal of tweemaal een vergoeding in de
                    verhuiskosten zal worden verstrekt dan wel dat de woning moet worden aangepast,
                    is afhankelijk van de totaalkosten. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.16 lid 2</tussenkop>
        <al>Voor de verhuiskostenvergoeding aan de persoon die de woning vrijmaakt, geldt
                    geen eigen aandeel.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.16 lid 3</tussenkop>
        <al>In het tweede lid wordt een aantal voorwaarden opgesomd voor het verstrekken van
                    een financiële tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten. Aan al deze
                    voorwaarden moet voldaan zijn om in aanmerking te komen voor een financiële
                    tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten.</al>
        <tussenkop>sub a: </tussenkop>
        <al>Als het college toestemming heeft gegeven voor verhuizing, maar nog geen
                    beschikking heeft afgegeven, en de aanvrager verhuist in de tussenliggende
                    periode, dan zal het college de aanvraag niet afwijzen op grond van het feit dat
                    de aanvraag verhuisd is voordat de beschikking afgegeven is.</al>
        <tussenkop>sub e: </tussenkop>
        <al>Aanvragers staan soms jaren op een wachtlijst voordat zij een woning in een
                    ADL-cluster toegewezen krijgen (ADL staat voor: Algemene Dagelijkse
                    Levensverrichtingen). De aanvrager woont vaak al in een een geschikte, adequate
                    woning. Om de drempel naar een ADL-woning te verhuizen niet te groot te maken,
                    is in deze situatie de voorwaarde, dat aantoonbare beperkingen als gevolg van
                    ziekte of gebrek het normale gebruik van de te verlaten woning belemmeren, niet
                    van toepassing.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.17 Kosten in verband met onderhoud, keuring en
                    reparatie</tussenkop>
        <al>De maximale hoogte van de kosten van onderhoud, keuring en reparatie staat
                    vermeld in het Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke
                    ondersteuning.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.18 Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</tussenkop>
        <al>Deze tegemoetkoming heeft betrekking op kosten die gemaakt worden in verband met
                    het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte, het tijdelijk betrekken
                    van een niet-zelfstandige woonruimte of het langer moeten aanhouden van de te
                    verlaten woonruimte.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.19 Huurderving</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 6.19 lid 1</tussenkop>
        <al>Door de eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming in de gederfde
                    huurinkomsten te verlenen, kan bevorderd worden dat de aangepaste woonruimte
                    beschikbaar blijft voor personen met beperkingen. Het college heeft deze
                    bevoegdheid, omdat bij de exploitatie van een woning rekening wordt gehouden met
                    een bepaald percentage huurderving. Het is daarom te verantwoorden dat het
                    normale risico van leegstand voor rekening en risico van de verhuurder blijven. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.19 lid 2</tussenkop>
        <al>Om te voorkomen dat de gemeente gehouden is ook bij kleine woningaanpassingen
                    een financiële tegemoetkoming voor huurderving te verstrekken, is in het tweede
                    lid bepaald dat het college in het Besluit nadere regels individuele
                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning een ondergrens kan vastleggen. </al>
        <al>Voor woningen waarvoor de aanpassingskosten minder hebben bedragen dan het in
                    het Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke
                    ondersteuning genoemde bedrag kan dan geen tegemoetkoming voor huurderving
                    worden verleend.</al>
        <tussenkop>Artikel 6.19 lid 4</tussenkop>
        <al>De gemeente verleent een financiële tegemoetkoming voor gederfde huurinkomsten
                    aan woningverhuurders als hun woning tijdelijk leeg staat voor het realiseren
                    van aanpassingen voor een nieuwe huurder met beperkingen. De gemeente vergoedt
                    deze kosten, omdat het in belang is van haar cliënt dat een woning aangepast
                    wordt. Daarom wordt in dit geval geen eigen aandeel opgelegd. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.20 Kosten in verband met het verwijderen van
                    voorzieningen</tussenkop>
        <al>Kosten voor het verwijderen van voorzieningen worden in beginsel niet vergoed.
                    Dit artikel geeft de mogelijkheid om in de genoemde situatie de kosten voor het
                    verwijderen van de voorzieningen te vergoeden. </al>
        <tussenkop>Artikel 6.21 Afschrijving woningaanpassingen </tussenkop>
        <al>Dit artikel heeft een tweeledige functie. In de eerste plaats is het bedoeld om
                    te voorkomen dat bij verkoop van de woning de waardestijging die het gevolg is
                    van een dure woningaanpassing volledig ten goede komt aan de woningeigenaar. In
                    de tweede plaats voorkomt het kapitaalvernietiging. Indien de persoon zonder
                    gegronde reden binnen vijf jaar verhuist, kan dit leiden tot
                    kapitaalvernietiging. </al>
        <al>Het is niet meer dan redelijk om de persoon hier gedeeltelijk voor aan te
                    spreken.</al>
        <al>Een en ander is uitgewerkt door de woningeigenaar bij verkoop te verplichten tot
                    terugbetaling van de aanpassingskosten verminderd met de afschrijving. Daarbij
                    geldt een lineaire afschrijving over een termijn van vijf jaar, zodat het terug
                    te betalen bedrag jaarlijks met 20 procent daalt. Uit oogpunt van
                    rechtsgelijkheid is het bedrag genoemd in het Besluit nadere regels individuele
                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning vrijgelaten. De regeling geldt
                    immers niet voor woningaanpassingen beneden dit bedrag. </al>
        <al>Ter illustratie van de toepassing van de afschrijvingsregeling het volgende
                    voorbeeld, waarbij is uitgegaan van het bedrag van € 13.613,-- ,zoals genoemd in
                    het Besluit nadere regels individuele voorzieningen maatschappelijke
                    ondersteuning voor welk bedrag geen terugbetalingsverplichting geldt. </al>
        <al>Indien een woning is aangepast voor € 43.613,-- en de eigenaar verkoopt deze
                    woning binnen drie jaar, dan dient hij 60 procent van de aanpassingskosten minus
                    € 13.613,-- terug te betalen. Dit percentage is berekend door de totale
                    aanpassingskosten na aftrek van € 13.613,-- te stellen op 100 procent en dit te
                    verminderen met een afschrijving van 40 procent. De berekening van het terug te
                    betalen bedrag luidt als volgt: € 43.613,-- minus € 13.613,-- = € 30.000,-- x
                    60% = € 18.000,--. </al>
        <al>Het derde lid bepaalt dat de terugbetalingsverplichting niet geldt, indien de
                    woning wordt verkocht aan de persoon voor wie de aanpassingen zijn aangebracht
                    of aan een andere persoon met beperkingen aan wie op grond van de verordening
                    een vergelijkbare woning zou zijn toegekend. Het belang van de gemeente is dat
                    de aanpassingen niet verloren gaan en ten goede blijven komen aan personen voor
                    wie de aanpassingen nodig zijn.</al>
        <al>Het college kan van de toepassing van dit artikel afwijken door middel van de
                    hardheidsclausule uit artikel 10.1 van de verordening. Denk aan situaties waarin
                    de waardestijging van de woning aantoonbaar minder bedraagt dan de
                    aanpassingskosten of waarin er aanleiding is tot versnelde afschrijving. </al>
        <tussenkop>Hoofdstuk 7. Vervoersvoorzieningen </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 7.1 Vormen van vervoersvoorzieningen</tussenkop>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>Artikel 7.2 </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 7.2 lid 1</tussenkop>
        <al>In dit artikel worden de soorten individuele vervoersvoorzieningen
                    onderscheiden. Er zijn voorzieningen voor de lange afstand en voor de korte en
                    middellange afstand. In voorkomende gevallen is een combinatie van een
                    voorziening voor de lange afstand en korte en middellange afstand mogelijk.</al>
        <tussenkop>Artikel 7.2 lid 4</tussenkop>
        <al>De vorm waarin een voorziening voor onderhoud, reparatie en verzekering wordt
                    verstrekt, hangt samen met de vorm van de voorziening waarop het onderhoud,
                    reparatie en verzekering betrekking hebben. Dus als een scootermobiel in natura
                    is verstrekt, dan wordt het bijbehorende onderhoud, reparatie en verzekering ook
                    in natura verstrekt. </al>
        <al>Onderhoudskosten die het gevolg zijn van oneigenlijk gebruik van en door de
                    gebruiker aangebrachte ongeoorloofde aanpassingen aan de rolstoel komen niet
                    voor vergoeding in aanmerking. </al>
        <tussenkop>Artikel 7.3 Het recht op een vervoersvoorziening</tussenkop>
        <tussenkop>artikel 7.3 lid 1 </tussenkop>
        <al>Hiermee wordt bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de aanvrager in
                    relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoersystemen bepalend zijn voor
                    de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor een
                    voorziening. </al>
        <al>Bijvoorbeeld doordat de streekbus voor iemand met een functionele beperking niet
                    toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische
                    problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn
                    daardoor in eerste instantie geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier
                    moet een adequate voorziening getroffen worden, die misschien beter gevonden kan
                    worden in een therapie waardoor de blokkade opgeheven kan worden. Is in zo'n
                    situatie de problematiek op te lossen, dan is de problematiek tijdelijk en valt
                    dus niet onder de Wet maatschappelijke ondersteuning.</al>
        <al>Anders wordt het als blijkt dat het probleem niet therapeutisch opgelost kan
                    worden. Dan is wel een langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een
                    vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.</al>
        <tussenkop>Artikel 7.3 lid 2 </tussenkop>
        <al>Met collectief vervoer wordt in de praktijk de Stadsregiotaxi bedoeld. De
                    Stadsregiotaxi is een vorm van aanvullend openbaar vervoer. Iedereen kan van dit
                    systeem gebruik maken tegen het normale tarief. Als een inwoner van de gemeente
                    Beuningen een Wmo-vervoerspas heeft, wordt op het normale tarief een korting
                    toegepast. Deze korting geldt voor maximaal 5 zones per enkele reis.</al>
        <al>Mensen die begeleiding nodig hebben tijdens het vervoer kunnen via de NS een
                    OV-begeleiderskaart aanvragen. Met een OV-begeleiderskaart reist de begeleider
                    gratis mee. </al>
        <tussenkop>Artikel 7.3 lid 3</tussenkop>
        <al>Dit artikel geeft aan dat het gebruik van het collectief vervoer boven de
                    vervoerskostenvergoeding en andere individuele voorzieningen gaat.</al>
        <al>Dit ‘primaat van collectief vervoer’ vloeit voort uit artikel 1.2 lid 2 sub b:
                    men heeft recht op de goedkoopst adequate (compenserende) voorziening. </al>
        <al>Het primaat van collectief vervoer heeft geen absoluut karakter. In elk
                    individueel geval wordt onderzocht of het primaat van het collectief vervoer kan
                    worden toegepast. Als het collectief vervoer een compenserende voorziening is
                    voor de individuele belanghebbende, wordt volstaan met het verstrekken van een
                    vervoerspas voor het collectief vervoer. Als gelet op de beperkingen, de
                    persoonskenmerken en de vervoersbehoefte het collectieve systeem geen
                    compenserende voorziening is voor belanghebbende dan wordt onderzocht of er
                    andere mogelijkheden zijn om de beperkingen te compenseren. De compensatie kan
                    bijvoorbeeld bestaan uit het verstrekken van een andere individuele
                    voorziening.</al>
        <tussenkop>Artikel 7.3 lid 4</tussenkop>
        <al>Het collectief vervoer gaat boven de vergoeding voor het gebruik van
                    (rolstoel)taxi, eigen auto of vervoer door derden. De vergoeding voor het
                    gebruik van (rolstoel)taxi, eigen auto of vervoer door derden gaat boven de
                    overige individuele vervoersvoorzieningen.</al>
        <tussenkop>Artikel 7.3 lid 5</tussenkop>
        <al>Dit bepaalt dat bij het vaststellen van de hoogte van de
                    vervoerskostenvergoeding eerst moeten worden vastgesteld of er sprake is van een
                    uitzonderlijke vervoersbehoefte. Vervolgens wordt bepaald in welke mate een
                    collectief vervoerssysteem en/of een andere vervoers- of rolstoelvoorziening in
                    die vervoersbehoefte kan voorzien. Hierbij wordt uitgegaan van algemene
                    richtlijnen die op bepaalde typen vervoersystemen van toepassing zijn of kan
                    worden gekozen voor onderzoek ter plekke. </al>
        <al>Indien er in individuele gevallen sprake is van een bijzondere vervoersbehoefte,
                    kan het van toepassing zijnde normbedrag zowel in bovenwaartse zin als in
                    neerwaartse zin worden bijgesteld. Voor personen die slechts een zeer geringe
                    afstand kunnen lopen en dus ook voor zeer korte afstand van auto- of taxivervoer
                    gebruik maken, kan een hogere vervoerskostenvergoeding worden verleend. </al>
        <tussenkop>Artikel 7.3 lid 6</tussenkop>
        <al>Hiermee wordt voorkomen dat echtgenoten die beiden een beperking hebben een
                    vervoerskostenvergoeding krijgen die niet in relatie staat tot de
                    vervoerskostenvergoeding die alleenstaanden ontvangen.</al>
        <al>Vallen de behoeften niet samen, of slechts ten dele, dan kan twee maal een
                    vervoerskostenvergoeding worden verstrekt tot een bepaald maximum. Dit maximum
                    is vastgelegd in het Besluit nadere regels individuele voorzieningen
                    maatschappelijke ondersteuning.</al>
        <tussenkop>Artikel 7.3 lid 7</tussenkop>
        <al>Uitgangspunt van lid 5 is dat mensen van wie het inkomen hoger is dan 1,5 x het
                    norminkomen de kosten van een het collectief vervoer, een auto, taxi of
                    bovenregionaal vervoer zelf kunnen betalen. Met andere woorden: boven de
                    genoemde grens is een auto algemeen gebruikelijk. </al>
        <tussenkop>Artikel 7.4 Training gesloten buitenwagen en scootermobiel</tussenkop>
        <al>Het college kan indien daartoe aanleiding bestaat een financiële tegemoetkoming
                    verstrekken in de kosten van een training in het gebruik van een gesloten
                    buitenwagen of scootermobiel. </al>
        <al>Dit is ook mogelijk gedurende een zogenaamde proefplaatsing. In alle gevallen
                    geldt als voorwaarde dat de betreffende voorziening moet zijn toegekend op basis
                    van deze verordening.</al>
        <tussenkop>Artikel 7.5 Geen eigen bijdrage voor vervoerspas</tussenkop>
        <tussenkop>Voor de vervoerspas geldt geen eigen bijdrage zoals bedoeld in artikel
                    4.1.</tussenkop>
        <al>Bij gebruik van de Stadsregiotaxi betaalt de cliënt met een Wmo-vervoerspas een
                    ritbijdrage met korting. De ritbijdrage met korting is vergelijkbaar het met
                    tarief van het reguliere openbaarvervoer (strippenkaarttarief). Zonder
                    Wmo-vervoerspas betaalt de reiziger het Stadsregiotaxi-tarief zonder
                    korting.</al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 8: ROLSTOELVOORZIENINGEN</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 8.1 Vormen van rolstoelvoorzieningen</tussenkop>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>Artikel 8.2 Soorten rolstoelvoorzieningen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 8.2 lid 1</tussenkop>
        <tussenkop>sub a: een rolstoel voor verplaatsing binnen, dan wel voor verplaatsing
                    binnen en buiten de woonruimte, dan wel een aanpassing daaraan</tussenkop>
        <al>Van het begrip rolstoel is geen omschrijving gegeven, niet in de wet en niet in
                    deze verordening. Onder rolstoel dient hier begrepen te worden de rolstoel zoals
                    iedereen die kent. Onder het begrip rolstoel valt</al>
        <al>alleen een handbewogen of elektrische rolstoel en geen andere voorzieningen voor
                    het verplaatsen </al>
        <al>binnenshuis, zoals een trippelstoel. Onder handbewogen rolstoelen kunnen ook
                    verstaan worden een </al>
        <al>duwwandelwagen of een zelfbeweger. De sportrolstoel valt in het kader van deze
                    verordening onder het begrip sportvoorziening.</al>
        <al>Indien een rolstoel uitsluitend voor buitengebruik geschikt is, is de rolstoel
                    per definitie een vervoersvoorziening. Een scootermobiel is altijd een
                    vervoersvoorziening en een trippelstoel wordt (zoals hierboven al aangegeven)
                    niet als rolstoel beschouwd. De trippelstoel valt onder de door de AWBZ te
                    verstrekken voorzieningen indien er sprake is van een loopprobleem. </al>
        <tussenkop>sub b: onderhoud, gebruik, reparatie en verzekering</tussenkop>
        <al>De vorm waarin een voorziening voor onderhoud, reparatie en verzekering wordt
                    verstrekt, hangt samen met de vorm van de voorziening waarop het onderhoud,
                    reparatie en verzekering betrekking hebben. Dus als een rolstoel in natura is
                    verstrekt, dan wordt het bijbehorende onderhoud, reparatie en verzekering ook in
                    natura verstrekt. </al>
        <al>Onderhoudskosten die het gevolg zijn van oneigenlijk gebruik van en door de
                    gebruiker aangebrachte ongeoorloofde modificaties aan de rolstoel komen niet
                    voor vergoeding in aanmerking. </al>
        <tussenkop>sub c: accesoires</tussenkop>
        <al>Ook individuele aanpassingen aan rolstoelen vallen onder de
                    rolstoelverstrekking. Een voorbeeld hiervan is een anti-decubitus kussen. Vaak
                    zullen aanpassingen tegelijkertijd met de rolstoel worden gerealiseerd. Het kan
                    echter ook voorkomen dat de aanpassingen aan rolstoelen afzonderlijk van de
                    rolstoel worden aangevraagd en verleend.</al>
        <tussenkop>Artikel 8.2 lid 2</tussenkop>
        <al>Een rolstoel die in natura wordt verstrekt wordt in bruikleen gegeven. De
                    persoon met beperkingen kan ook kiezen voor een persoonsgebonden budget.</al>
        <al>Eén van de redenen om voor een persoonsgebonden budget te kiezen kan
                    bijvoorbeeld zijn dat de persoon een duurdere rolstoel wenst dan de goedkoopst
                    adequate rolstoel. Het persoonsgebonden budget zal gelijk zijn aan de prijs van
                    de goedkoopst adequate rolstoel, de persoon kan dan de meerkosten zelf bij
                    betalen. </al>
        <tussenkop>Artikel 8.3 Het recht op een rolstoel</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 8.3 lid 1</tussenkop>
        <al>De noodzaak tot zittend verplaatsen hoeft niet de gehele dag, maar wel in
                    belangrijke mate, aanwezig te zijn. Gelet op het criterium ´langdurig
                    noodzakelijk´ dient de persoon gedurende ten minste een periode van 6 maanden te
                    zijn aangewezen op een rolstoel. Zie in verband hiermee ook de toelichting op
                    artikel 1.2 van de verordening. </al>
        <tussenkop>Artikel 8.3 lid 2</tussenkop>
        <al>Het doel van lid 2 is te voorkomen dat een persoon met beperkingen verhuist naar
                    een inadequate woning en daardoor geen verhuiskostenvergoeding ontvangt, maar
                    vervolgens wel met succes een (tweede) rolstoel kan aanvragen om zich in de
                    woning te kunnen verplaatsen. </al>
        <tussenkop>Artikel 8.5 Training elektrische rolstoel</tussenkop>
        <al>Het college kan indien daartoe aanleiding bestaat een financiële tegemoetkoming
                    verstrekken in de kosten van een training in het gebruik van een elektrische
                    rolstoel. Dit is ook mogelijk gedurende een zogenaamde proefplaatsing. In alle
                    gevallen geldt als voorwaarde dat de elektrische rolstoel moet zijn toegekend op
                    basis van deze verordening. </al>
        <tussenkop>Artikel 8.6 Geen eigen bijdrage of eigen aandeel</tussenkop>
        <al>Op grond van artikel 4.1 lid 4 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning is
                    het opleggen van een eigen bijdrage of eigen aandeel niet toegestaan bij de
                    verstrekking van rolstoelen. </al>
        <tussenkop>HOOFDSTUK 9: SPORTVOORZIENINGEN</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 9.1 Vormen van sportvoorzieningen</tussenkop>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>Artikel 9.2 Soorten sportvoorzieningen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 9.2 lid 1</tussenkop>
        <al>Op grond dan dit artikel kan, afhankelijk van de gestelde indicatie, zowel een
                    sportrolstoel als een andere sportvoorziening worden verleend. De in dit artikel
                    genoemde voorzieningen dienen als voorbeeld.</al>
        <tussenkop>sub a: sportrolstoel</tussenkop>
        <al>Voor sportrolstoelen kunnen ook mensen met een beperking in aanmerking komen die
                    in het dagelijkse leven van loophulpen gebruik kunnen maken, maar zonder
                    sportrolstoel niet in staat zijn tot sportbeoefening. </al>
        <tussenkop>Artikel 9.3 Het recht op een sportvoorziening</tussenkop>
        <al>Ten aanzien van sportvoorzieningen blijft de gemeentelijke compensatieplicht op
                    grond van de Wmo beperkt tot recreatieve sportbeoefening. De meerkosten voor
                    sportvoorzieningen in verband met professionele sportbeoefening komen niet voor
                    vergoeding op grond van de verordening in aanmerking.</al>
        <tussenkop>Artikel 9.4 Hoogte financiële tegemoetkoming</tussenkop>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich. </al>
        <tussenkop>Hoofdstuk 10. Slotbepalingen</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 10.1 Hardheidsclausule</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 10.1 lid 1</tussenkop>
        <al>De hardheidsclausule geldt in ´bijzondere gevallen’. Het gebruik maken van de
                    hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                    regel. De gemeente moet in verband met precedentwerking duidelijk aangeven
                    waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.</al>
        <al>Het afwijken kan alleen maar ten gunste van de persoon met beperkingen of de
                    eigenaar van de woonruimte en nooit ten nadele. Ook de eigenaar van de
                    aangepaste woonruimte kan in aanmerking </al>
        <al>komen voor de hardheidsclausule. Gedacht kan worden aan een situatie waar het
                    van belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat
                    bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste
                    woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te
                    worden ontslagen en voor wie de aangepaste woonruimte uitermate geschikt zou
                    zijn. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere periode een
                    tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. </al>
        <tussenkop>Artikel 10.2 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                    voorziet.</tussenkop>
        <al>Deze beslissingen zijn onderworpen aan de voorgeschreven bezwaar- en
                    beroepsprocedures, zodat ook in deze gevallen de beslissing gemotiveerd genomen
                    moet worden. </al>
        <tussenkop>Artikel 10.3 Indexering</tussenkop>
        <al>Het college past de bedragen in de verordening en het Besluit nadere regels
                    individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning jaarlijks aan conform
                    de prijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al>
        <al>Dit zijn in principe alle bedragen, met uitzondering van de bedragen waarbij op
                    grond van beleidsinhoudelijke gronden tot een keuze is gekomen. </al>
        <tussenkop>Artikel 10.4 Intrekking verordening van 5 oktober 2010</tussenkop>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich</al>
        <tussenkop>Artikel 10.5 Inwerkingtreding</tussenkop>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
        <al>Artikel 10.6 Citeertitel</al>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>Artikel 10.7 Overgangsbepaling</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 10.7 lid 1</tussenkop>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
        <tussenkop>Artikel 10.7 lid 2</tussenkop>
        <al>Dit artikel spreekt voor zich.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>