<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR116138_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet Inburgering gemeente Schiedam 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-10-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet Inburgering gemeente Schiedam 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikelen 8, 19 vijfde lid, 23 derde lid, 24a, vijfde lid, 24f en 35 van de Wet Inburgering (WI)</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikelen 4.27 derde lid Besluit inburgering</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-09-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>VR 70/2011</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Inburgering</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>n.v.t.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening Wet Inburgering gemeente Schiedam (ingangsdatum 1 januari 2007).</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet Inburgering gemeente Schiedam 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>– Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr=""><al>a.het college: het college van burgemeester en
                                            wethouders van de gemeente Schiedam;</al><al>b. de wet: de Wet Inburgering;</al><al>c.voorziening: een (duale) inburgeringsvoorziening of
                                            taalkennisvoorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                    regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                    verordening worden gebruikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- De informatieverstrekking aan
                                inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars</titel></kop><al>1.Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen en de
                            vrijwillige inburgeraars op een doeltreffende en doelmatige wijze worden
                            geïnformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de wet en over
                            het aanbod van en de toegang tot de voorzieningen. </al><al>2.Het college beoordeelt tenminste eens in de 4 jaren de
                            doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                            inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars en rapporteert
                            daarover aan de raad.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Het aanbieden van een voorziening aan inburgeringsplichtig</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Het college zorgt in ieder geval voor een aanbod aan
                            inburgeringsplichtigen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- De samenstelling van de voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de voorziening, met uitzondering van de
                                inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op het
                                startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
                                maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening kan, naast datgene dat in de wet is geregeld, een of
                                meer aanvullende onderdelen bevatten, bijvoorbeeld kennis van de
                                Schiedamse samenleving.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- De procedure van het doen van een
                                aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste lid van
                                de wet, schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het adres waar
                                de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke basisadministratie is
                                ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de voorziening die
                                wordt aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die
                                aan die voorziening worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                binnen 4 weken het college schriftelijk mee of hij het aanbod al dan
                                niet aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                college binnen 8 weken na ontvangst van deze mededeling het besluit
                                tot vaststelling van de voorziening overeenkomstig het gedane
                                aanbod</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- De voorziening in de vorm van een
                                persoonlijk inburgeringsbudget</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college maakt geen gebruik van de mogelijkheid om een
                                    persoonlijk inburgeringsbudget te verstrekken. </al></li><li nr="2."><al>Voor inburgeringsplichtigen die gebruik zouden willen maken van
                                    een persoonlijk inburgeringsbudget geldt dat het college een
                                    maatwerk oplossing biedt, waarbij de inburgeringsplichtige en
                                    het college samen het traject en het doelperspectief
                                    vaststellen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>Het college zal de inning van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23
                            tweede lid van de wet, middels overeenkomsten door de uitvoerende
                            scholingsinstellingen laten uitvoeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen:</al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan een begintoets;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan de voorziening;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="d."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="e."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="f."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>a.Het besluit tot vaststelling van de voorziening bevat in ieder
                            geval:</al><al>b.een beschrijving van de voorziening;</al><al>c.een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                            inburgeringsplichtige;</al><al>d.de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als
                            tweede taal I of II moet zijn behaald; en</al><al>e.ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van handhaving
                            van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van de wet,
                            aanvangt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><al>1.De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,-- indien de
                            inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college op
                            redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is geen of
                            onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel
                            25, vierde lid, van de wet.</al><al>2.De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,-- indien de
                            inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de
                            uitvoering van de voor hem vastgestelde voorziening, bedoeld in artikel
                            23, eerste lid, van de wet of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel
                            8 van deze verordening.</al><al>3.De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,-- indien de
                            inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de
                            wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel
                            31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn het
                            inburgeringsexamen heeft behaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>- Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 10,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste € 250,-- indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 10,
                                tweede lid, bedraagt ten hoogste € 500,-- indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500,-- indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                                heeft behaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1.000,-- indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                                heeft behaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige
                            inburgeraars</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Mensen met een lage maatschappelijke participatie krijgen bij voorrang
                            een voorziening aangeboden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>- De samenstelling van de voorziening</titel></kop><al>Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing op de vrijwillige
                            inburgeraar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>- De voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><al>Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing op de vrijwillige
                            inburgeraar. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>- Geen eigen bijdrage</titel></kop><al>De vrijwillige inburgeraar is geen eigen bijdrage als bedoeld in artikel
                            23, tweede lid, van de wet verschuldigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>- Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Voor wat betreft de overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar, bedoeld
                            in artikel 24d, tweede lid van de wet, zijn de verplichtingen genoemd in </al><al>artikel 8 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>- De inhoud van de overeenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar, bedoeld in artikel 24d,
                            tweede lid van de wet bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de vrijwillige
                                    inburgeraar;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop aan het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn deelgenomen;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>- Sancties bij niet-nakoming van de overeenkomst</titel></kop><al>Het college verbindt geen sancties aan het niet nakomen van de
                            verplichtingen die zijn neergelegd in de overeenkomst. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>- Het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige
                                inburgeraar</titel></kop><al>Het college stelt de identiteit van de vrijwillige inburgeraar vast aan
                            de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            identificatieplicht. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2011 onder
                            gelijktijdige intrekking van de Verordening Wet inburgering Gemeente
                            Schiedam.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            gemeente Schiedam 2011. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, J. Gordijn</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, J.M. Leemhuis-Stout</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Verordening Wet Inburgering </tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De Wet inburgering (WI), op 1 januari 2007 in werking getreden, regelt de
                    inburgeringsplicht voor in beginsel alle vreemdelingen van 16 tot 65 jaar die
                    duurzaam in Nederland willen en mogen verblijven. Bij het invulling geven aan de
                    inburgeringsverplichting staat de eigen verantwoordelijkheid (ook in financiële
                    zin) van de inburgeringsplichtige centraal. De inburgeringsplichtige kan naar
                    eigen inzicht bepalen hoe hij zich wil voorbereiden op het inburgeringsexamen.
                    Aan de inburgeringsverplichting is voldaan wanneer het inburgeringsexamen is
                    behaald (een resultaatverplichting). </al><al>Sinds 1 januari 2010 is in de WI ook de vrijwillige inburgering geregeld. </al><al>De bepalingen in de wet over vrijwillige inburgering zijn zoveel mogelijk
                    geformuleerd overeenkomstig de bepalingen die gelden voor
                    inburgeringsplichtigen. </al><al>Gemeenten krijgen in de WI een aantal belangrijke taken toebedeeld. </al><al>Zo hebben gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige
                    inburgeraars in de gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die
                    voortvloeien uit deze wet. </al><al>Daarnaast hebben gemeenten de taak aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                    inburgeraars, die daarvoor op grond van de wet of het gemeentelijk beleid in
                    aanmerking komen, een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan te
                    bieden. Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands als tweede taal. In plaats van een
                    inburgeringsvoorziening mogen gemeenten aan inburgeringsplichtigen en
                    vrijwillige inburgeraars, die een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgen of gaan
                    volgen, een taalkennisvoorziening aanbieden. </al><al>In de verordening wordt gesproken over ‘voorziening’. Hieronder wordt zowel de
                    inburgeringsvoorziening als de taalkennisvoorziening begrepen. </al><al>Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven.
                    Het college moet een bestuurlijke boete opleggen als een inburgeringplichtige
                    zich verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden.</al><al/><al>In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op om bij verordening regels te
                    stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>De informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen en
                            vrijwillige inburgeraars (artikel 8 WI en artikel 24f WI)).</al></li><li nr="2."><al>3. Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende</al></li><li nr="3."><al>overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 WI). </al></li><li nr="4."><al>Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige inburgeraars (artikel
                            19, tweede lid en artikel 24a, tweede lid WI).</al></li><li nr="5."><al>Het persoonlijk inburgeringsbudget (artikel 19, tweede lid en artikel
                            24a, tweede lid WI).</al></li></lijst><tussenkop>1. De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen
                    en vrijwillige inburgeraars</tussenkop><al>Artikel 8 en 24f WI bepalen dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt
                    over de informatieverstrekking door de gemeente aan respectievelijk
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars over de rechten en plichten
                    uit hoofde van de wet.</al><al/><tussenkop>2. Het aanbieden van voorzieningen aan inburgeringsplichtigen</tussenkop><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                    inburgeringsexamen. Gemeenten kunnen inburgeringsplichtigen ondersteunen door
                    het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening. Alle
                    inburgeringsplichtigen komen in aanmerking komen voor een voorziening. </al><al>Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en omvat het eenmaal kosteloos
                    afleggen van dat examen. Een inburgeringsvoorziening kan ook een duale
                    inburgeringsvoorziening zijn. Dit is een inburgeringsvoorziening die met het oog
                    op de actieve deelname van de inburgeringsplichtige aan de Nederlandse
                    samenleving mede voorziet in activiteiten die in samenhang, en ten minste voor
                    een deel gelijktijdig, met het verwerven van mondelinge en schriftelijke
                    vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving
                    worden uitgevoerd. Een taalkennisvoorziening is gericht op de verwerving van de
                    kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van
                    een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid WI).</al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een voorziening ook uit
                    maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid WI).</al><al>De WI draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen met
                    betrekking tot het aanbieden van een voorziening. In de wet is ook vastgelegd
                    over welke onderwerpen in ieder geval regels moeten worden gesteld:</al><al>-De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een aanbod
                    aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI).</al><al>-De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                    inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, WI).</al><al>-De vaststelling door het college van een passende voorziening, met inbegrip van
                    de totstandkoming en de samenstelling van die voorziening (artikel 19, vijfde
                    lid, onderdeel b, WI).</al><al>-De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is
                    vastgesteld. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de inning van de
                    eigen bijdrage door het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen
                    (artikel 23, derde lid, WI).</al><tussenkop>3. Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke
                    boete</tussenkop><al>Artikel 35 WI draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de bestuurlijke
                    boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan worden
                    opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het bedrag dat ten hoogste als
                    bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><tussenkop>4. Het aanbieden van voorzieningen aan vrijwillige
                    inburgeraars</tussenkop><al>De bepalingen in de wet over vrijwillige inburgering zijn zoveel mogelijk
                    geformuleerd overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de
                    inburgeringsplichtigen. In artikel 24a van de WI wordt geregeld dat het college
                    aan de vrijwillige inburgeraar een aanbod kan doen voor een (duale)
                    inburgeringsvoorziening die toe leidt naar het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I en II, of een taalkennisvoorziening.
                    Artikel 24d van de wet regelt dat indien een vrijwillige inburgeraar in
                    aanmerking komt voor een voorziening, het college een aanbod doet aan de
                    vrijwillige inburgeraar. Als de vrijwillige inburgeraar het aanbod voor een
                    voorziening aanvaardt, sluit het college met hem een overeenkomst. </al><al>De gemeenteraad stelt in een verordening in ieder geval regels over de procedure
                    die het college volgt voor het doen van een aanbod en de criteria die daarbij
                    worden gehanteerd, de wijze waarop met de vrijwillige inburgeraar in overleg
                    wordt getreden om te komen tot een passende voorziening, met inbegrip van de
                    totstandkoming en samenstelling van die voorziening (artikel 24a, vijfde lid
                    WI).</al><al>Op grond van artikel 24e, eerste lid WI is de vrijwillige inburgeraar met wie
                    een voorziening is overeengekomen de in artikel 23, tweede lid WI vastgestelde
                    eigen bijdrage verschuldigd. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat
                    alle of bepaalde categorieën vrijwillige inburgeraars geen eigen bijdrage hoeven
                    te betalen, of een lager bedrag dan in de wet is vastgelegd (artikel 24e, tweede
                    lid WI). </al><al>Artikel 24f WI draagt gemeenten op om bij verordening regels te stellen over de
                    informatieverstrekking door de gemeente aan vrijwillige inburgeraars ter zake
                    van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, de (eventuele) inning van
                    de eigen bijdrage door het college, de niet-nakoming van de overeenkomst,
                    alsmede het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige inburgeraar. </al><tussenkop>5. Het persoonlijk inburgeringsbudget</tussenkop><al>Op grond van artikel 19, tweede lid en artikel 24a, tweede lid WI kan het
                    college een (duale) inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aanbieden
                    in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget als de inburgeringsplichtige
                    respectievelijk de vrijwillige inburgeraar daarom verzoekt. </al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 – Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Omwille van leesbaarheid van de verordening wordt het begrip ‘voorziening’
                    gebruikt (eerste lid, onderdeel c). Een voorziening kan zowel een (duale)
                    inburgeringsvoorziening als een taalkennisvoorziening inhouden. </al><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in</al><al>respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de Regeling
                    inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 2 - De informatieverstrekking aan
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars</tussenkop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige
                    inburgeraars in haar gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die
                    voortvloeien uit de Wet inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te
                    bepalen op welke wijze de informatievoorziening wordt georganiseerd. Wel bepalen
                    de artikelen 8 WI en 24f WI dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt
                    over de informatieverstrekking door de gemeente aan respectievelijk
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars, ter zake van hun rechten en
                    plichten uit hoofde van deze wet. Ten aanzien van inburgeringsplichtigen dienen
                    ook regels te worden vastgesteld ter zake van het aanbod van en de toegang tot
                    inburgeringsvoorzieningen. </al><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit
                    artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. Het college is belast met de
                    organisatie van de informatieverstrekking en legt daarover (periodiek)
                    verantwoording af aan de raad.</al><al/><al>Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:</al><lijst><li nr="a."><al>het inrichten van een informatiepunt in het gemeentehuis;</al></li><li nr="b."><al>het vertrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij aanvragen om
                            uitkeringen;</al></li><li nr="c."><al>het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten;</al></li><li nr="d."><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de gemeentelijke
                            website.</al></li></lijst><al/><al>Het tweede lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren over de
                    doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking.</al><tussenkop>Artikel 3 - Aanwijzen van de doelgroepen</tussenkop><al>Het college doet aan alle inburgeringsplichtigen een aanbod voor een
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening (artikel 19, eerste lid WI). </al><tussenkop>Artikel 4 - De samenstelling van de
                    voorziening</tussenkop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                    vaststelling door het college van een passende (duale) inburgeringsvoorziening
                    of taalkennisvoorziening, met in begrip van de totstandkoming en samenstelling
                    van die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit artikel
                    worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht heeft voor
                    iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in aanmerking komt, een op de persoon
                    toegesneden voorziening samen te stellen.</al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende
                    voorziening moet vaststellen. Bij het bepalen van de passendheid van een
                    voorziening, kunnen de volgende factoren een rol spelen:</al><al>-De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de
                    Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit.</al><al>-De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat vervullen
                    in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan het verrichten van
                    betaalde arbeid of het opvoeden van kinderen.</al><al>-De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan bijvoorbeeld
                    worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de inburgeringsplichtige moet
                    vervullen.</al><al/><al>Voor de mogelijkheden van het aanbieden van duale inburgeringsvoorzieningen
                    wordt verwezen naar de toelichting bij het Besluit inburgering. </al><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren
                    wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de
                    mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren
                    aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de
                    voorziening daarmee te combineren. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd moet
                    worden met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                    (re-integratievoorziening) als een inburgeringsvoorziening wordt aangeboden aan
                    een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt
                    op grond van een andere socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling én
                    deze verplicht is om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste
                    lid, WI). Het college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de
                    gecombineerde inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid, WI).</al><al/><al>Artikel 19, vierde lid WI draagt het college op om er voor te zorgen dat de
                    voorziening wordt afgestemd op de mogelijkheden van betrokkene tot
                    arbeidsinschakeling. De voorziening dient dus te worden afgestemd op de
                    re-integratievoorziening. Aangezien de re-integratievoorziening in het kader van
                    de uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of –regelingen
                    ook door andere partijen dan het college wordt verstrekt, zal het college
                    afspraken moeten maken met de verantwoordelijke uitvoerders: het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of
                    overheidswerkgevers (artikel 21 WI).</al><al/><al>Het tweede lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel
                    van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan opnemen. </al><al>In de wet is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in ieder geval moet
                    bestaan: een cursus die toe leidt naar het inburgeringsexamen of het
                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en het eenmaal kosteloos
                    afleggen van dat examen (artikel 19, derde lid, WI). </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt ook
                    maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel uit van de
                    inburgeringsvoorziening (artikel 19, zesde lid, WI). </al><al>De gemeente Schiedam ziet kennis van de Schiedamse samenleving als belangrijk
                    verbindend element in een inburgeringstraject. Tevens kan worden gedacht aan
                    trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van voortgangsgesprekken met de
                    inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht aan een uitbreiding van de
                    opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een maatschappelijke stage of een aparte
                    module die gericht is op het verwerven van kennis van de Nederlandse
                    samenleving.</al><al/><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook een
                    praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden worden
                    getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de voorziening ook
                    rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van deze vaardigheden. Daarbij zal
                    de inzet van duale trajecten een belangrijke rol vervullen.</al><tussenkop>Artikel 5 - De procedure van het doen van een
                    aanbod</tussenkop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat
                    het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat
                    zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een
                    besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening. </al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van
                    een voorziening aan de inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet en dat
                    het aanbod wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat
                    ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan over het
                    feit dat het college de inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan.</al><al/><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke
                    beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens
                    worden opgevat als instemming met de beschikking tot de toekenning van de
                    inburgeringsvoorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). Deze
                    beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het vierde
                    lid).</al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het
                    aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                    meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
                    mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de
                    inburgeringsplichtige van een verklaring die door de gemeente is</al><al>opgesteld.</al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente meldt
                    dat hij wel een voorziening wil, maar dat hij gelet op zijn situatie bepaalde
                    wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod van de gemeente. Als de
                    gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane aanbod moeten
                    aanpassen.</al><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                    inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                    voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is er geen
                    termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het inburgeringsexamen
                    moet hebben behaald. Het ligt voor de hand dat het college in een dergelijke
                    situatie een handhavingsbeschikking neemt: een besluit op grond van artikel 26
                    WI waarmee de termijn van start gaat waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                    inburgeringsexamen moeten hebben behaald. </al><tussenkop>Artikel 6 - De voorziening in de vorm van een
                    persoonlijkinburgeringstraject</tussenkop><al>De gemeente Schiedam heeft ervoor gekozen om geen gebruik te maken van de
                    mogelijkheden van een persoonlijk inburgeringsbudget (PIB). </al><al>De gemeente houdt zelf het beheer over de inburgeringsmiddelen. Wel bestaat de
                    mogelijkheid om samen met de klant een maatwerk traject op te stellen en daaraan
                    een doel en resultaten te verbinden. De voordelen van een PIB, namelijk dat de
                    kandidaat zelf regie heeft over zijn/haar traject, zijn hiermee geborgd. Het
                    nadeel van het maken van afspraken over de verantwoording van de besteding van
                    het budget en eventuele terugbetaling worden hiermee voorkomen. </al><al/><tussenkop>Artikel 7 - De inning van de eigen bijdrage</tussenkop><al>Door middel van overeenkomsten die de gemeente Schiedam afsluit met de
                    scholingsinstellingen zal de inning van de eigen bijdrage worden geregeld. In
                    deze overeenkomsten zal aandacht worden besteed aan de wijze van inning, de
                    inspanningsverplichting die minimaal moet worden gedaan om de eigen bijdrage
                    daadwerkelijk te incasseren en het aantal betalingstermijnen dat daarvoor
                    beschikbaar is. Deze werkwijze brengt met zich mee dat de gemeente geen rol
                    speelt in de inning van de eigen bijdrage. In de beschikking zal opgenomen
                    moeten zijn dat de klant zich dient te </al><al>conformeren aan deze uitvoeringswijze.</al><tussenkop>Artikel 8 - Opleggen van verplichtingen</tussenkop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat bepaalt dat de
                    gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten van de
                    inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is vastgesteld. Dit artikel
                    delegeert de bevoegdheid aan het college om de verplichtingen die in het artikel
                    worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het kader van een voorziening op te
                    leggen. Het college legt in de beschikking tot de toekenning van de voorziening
                    deze verplichtingen vast.</al><tussenkop>Artikel 9 - De inhoud van de beschikking</tussenkop><al>Het besluit tot het toekennen van een voorziening is een beschikking. </al><al>Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit
                    besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke
                    onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten worden neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan verbonden
                    rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden
                    vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn
                    medewerking te verlenen aan de uitvoering van de voorziening (artikel 23, eerste
                    lid, WI). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen van de
                    inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de betrokkene (onder
                    andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt.</al><al/><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    hebben behaald, ligt vast in de wet. Deze termijn is drieënhalf jaar (artikel 7,
                    eerste lid, WI). In de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen
                    melding worden gemaakt (onderdeel c).</al><al/><al>Onderdeel d heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het college
                    een voorziening vaststelt voor een oudkomer, dan moet het college in de
                    betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de termijn van handhaving van
                    de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22, tweede lid, juncto artikel 26
                    WI). Binnen drieënhalf jaar ná deze datum moet de betreffende oudkomer het
                    inburgeringsexamen hebben behaald. Het college kan zelf bepalen wanneer de
                    termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat. Het ligt voor
                    de hand om deze termijn direct te laten ingaan (en bijvoorbeeld niet te koppelen
                    aan de datum waarop de voorziening van start gaat). De precieze datum waarop de
                    voorziening van start gaat, zal niet altijd bekend zijn op het moment dat deze
                    wordt toegekend. Bovendien past het vaststellen van een datum van aanvang van
                    handhaving van de inburgeringsplicht, onafhankelijk van het moment waarop met de
                    voorziening kan worden begonnen bij het uitgangspunt van de wet dat de
                    betreffende persoon als oudkomer inburgeringsplichtig is en in beginsel zelf
                    verantwoordelijk is voor het voldoen aan de inburgeringsplicht. </al><al/><tussenkop>Artikel 10 - De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                    overtredingen</tussenkop><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende overtredingen de
                    maximumbedragen van de bestuurlijke boete opgelegd. De gemeente kan deze
                    boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen
                    vaststellen. </al><al>De boetebedragen die in de verordening zijn opgenomen zijn maximumbedragen en
                    géén</al><al>gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke boete
                    moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de
                    overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zo nodig
                    rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd
                    (artikel 5:46, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Deze bepaling brengt met
                    zich mee dat het college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten
                    nagaan welke boete passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de
                    betrokken inburgeringsplichtige.</al><al>In het kader van de uitvoering van een gecombineerde re-integratie- en</al><al>inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld
                    het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken)
                    zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor
                    het verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid,
                    Wet werk en bijstand) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van
                    een andere socialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling
                    voor deze samenloop. </al><al>In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat geval géén bestuurlijke
                    boete kan opleggen.</al><al>De gemeente Schiedam heeft bij de vaststelling van de hoogte van de boetes
                    zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de hoogte van (vergelijkbare)
                    gedragingen in de Maatregelenverordening WWB-WIJ.</al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colwidth="32*"/><colspec colname="col3" colwidth="36*"/><colspec colname="col4" colwidth="20*"/><colspec colname="col5" colwidth="7*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lid</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel WI</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel Maatregelenverordening </al></entry><entry colname="col4"><al>WWB/WIJ</al></entry><entry colname="col5"><al>Boete WI</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,- indien de
                                        inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het
                                        college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze
                                        inburgeringsplichtig is geen of onvoldoende medewerking
                                        verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde
                                        lid van de wet. </al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 8, tweede categorie</al><al>b.het niet of in voldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                        naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling</al></entry><entry colname="col4"><al>25% van de bijstandsnorm of inkomensvoorziening</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 250,- </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,- indien de
                                        inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking
                                        verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde
                                        voorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid van de wet of
                                        aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 8 van deze
                                        verordening.</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 8, tweede categorie</al><al>c.het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het
                                        college aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9
                                        eerste lid onder b en artikel 10, eerste lid WWB of een
                                        aangeboden werkleeraanbod als bedoeld in artikel 5 WIJ, voor
                                        zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of
                                        tot voortijdige beëindiging hiervan.</al></entry><entry colname="col4"><al>25% van de bijstandsnorm of inkomensvoorziening</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 250,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,- indien de
                                        inburgeringsplichtige niet binnen de artikel 7, eerste lid
                                        van de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op
                                        grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet
                                        verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald.
                                    </al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 8, tweede categorie</al><al>c.het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door het
                                        college aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9
                                        eerste lid onder b en artikel 10, eerste lid WWB of een
                                        aangeboden werkleeraanbod als bedoeld in artikel 5 WIJ, voor
                                        zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of
                                        tot voortijdige beëindiging hiervan.</al></entry><entry colname="col4"><al>25% van de bijstandsnorm of inkomensvoorziening</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 250,-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Artikel 11 - Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                    overtreding</tussenkop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                    overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 10 mogelijk
                    is. Het eerste en tweede lid kunnen alleen in de verordening worden opgenomen
                    als in artikel 10, eerste en tweede lid, lagere maximumboetebedragen zijn
                    opgenomen dan de maximumbedragen in de wet. De verhoogde boetebedragen ingeval
                    van herhaling van de overtreding mogen uiteraard niet hoger zijn dan de
                    maximumbedragen die in artikel 34 WI worden genoemd.</al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                    overtredingen zich wel binnen een bepaalde tijdspanne voordoen. </al><al>De gemeente Schiedam heeft deze termijn, in overeenstemming met de
                    recidivetermijn zoals genoemd in artikel 7 van de Maatregelenverordening
                    WWB-WIJ, gesteld op twaalf maanden. </al><al>Artikel 34, onderdeel d, WI biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                    bestuurlijke boete te verhogen naar maximaal € 1.000,- in het geval dat de
                    inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan de verplichting binnen de
                    gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen. Dit is geregeld in het
                    vierde lid van dit artikel.</al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                    boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel 10,
                    derde lid, van de verordening. </al><al>Op grond van artikel 32 WI moet het college in de boetebeschikking een nieuwe
                    termijn vaststellen waarbinnen de inburgeringsplichtige alsnog het
                    inburgeringsexamen moet behalen. Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze
                    nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet heeft behaald, maakt het derde lid
                    van artikel 11 het mogelijk dat het college een hogere boete vaststelt. Het
                    wettelijk maximum bedraagt € 1.000,- (artikel 34, onderdeel d, WI). Ook in dat
                    geval zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn moeten worden opgenomen
                    waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet behalen.</al><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn het
                    inburgeringsexamen niet heeft behaald, regelt het vierde lid dat het college
                    wederom een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De maximumboete in het
                    vierde lid geldt ook voor alle hierop volgende</al><al>overschrijdingen van termijnen door de inburgeringsplichtige.</al><al>De gemeente Schiedam heeft bij de vaststelling van de hoogte van de boetes
                    zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de hoogte van (vergelijkbare)
                    gedragingen uit de Maatregelenverordening WWB-WIJ.</al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colwidth="42*"/><colspec colname="col4" colwidth="12*"/><colspec colname="col5" colwidth="9*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lid</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel WI</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel Maatregelenverordening</al></entry><entry colname="col4"><al>WWB/WIJ</al></entry><entry colname="col5"><al>Boete WI</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel
                                        10, eerste lid, bedraagt ten hoogste € 250,- indien de
                                        inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de
                                        vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw
                                        schuldig maakt aan dezelfde overtreding.</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 7 samenloop en recidive lid 2: </al><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld indien de
                                        belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                        van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd opnieuw
                                        schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging.</al></entry><entry colname="col4"><al>25% gedurende twee maanden</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 250,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel
                                        10, tweede lid, bedraagt ten hoogste € 500,- indien de
                                        inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de
                                        vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw
                                        schuldig maakt aan dezelfde overtreding.</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 7 samenloop en recidive lid 2: </al><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld indien de
                                        belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                        van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd opnieuw
                                        schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging.</al></entry><entry colname="col4"><al>25% gedurende twee maanden</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 500,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500,- indien de
                                        inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op
                                        grond van artikel 32 van de wet vastgestelde termijn het
                                        inburgeringsexamen heeft behaald.</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 7 samenloop en recidive lid 2: </al><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld indien de
                                        belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                        van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd opnieuw
                                        schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging.</al></entry><entry colname="col4"><al>25% gedurende twee maanden</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 500,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1.000,- indien
                                        de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op
                                        grond van artikel 33 van de wet vastgestelde termijn het
                                        inburgeringsexamen heeft bepaald. </al></entry><entry colname="col3"><al>Artikel 7 samenloop en recidive lid 2:</al><al>Toelichting op artikel 7 lid 2</al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts
                                        een keer worden toegepast. Indien de belanghebbende na een
                                        tweede verwijtbare gedraging wederom verwijtbaar gedrag
                                        vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                                        individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal
                                        moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                                        verwijtbaarheid en de omstandigheden.</al></entry><entry colname="col4"><al>Individueel bepalen</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 1.000,-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Artikel 12 - Aanwijzen van de doelgroepen</tussenkop><al>De gemeente Schiedam verstaat onder mensen met een lage maatschappelijke
                    participatie die doelgroep die binnen de inburgering een zogenaamd OGO-traject
                    (opvoeding, gezondheid en onderwijs) aangeboden krijgt. Op de participatieladder
                    zullen deze mensen zich voornamelijk op de onderste twee treden bevinden.</al><al>Criteria voor deze doelgroep zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>inwoners met de zorg voor (kleine en schoolgaande) kinderen; en/of</al></li><li nr="-"><al>inwoners zonder werk en of vrijwilligerswerk; en/of</al></li><li nr="-"><al>inwoners met zorgtaken voor partner of familieleden.</al></li></lijst><al>De mate waarin een voorziening wordt aangeboden aan vrijwillige inburgeraars is
                    afhankelijk van de financiële ruimte die resteert nadat de
                    inburgeringsplichtigen zijn bediend.</al><tussenkop>Artikel 13 - De samenstelling van de
                    voorziening</tussenkop><al>Zie de toelichting bij artikel 4 van de verordening. </al><tussenkop>Artikel 14 - De voorziening in de vorm van een
                    persoonlijk inburgeringstraject</tussenkop><al>Zie de toelichting bij artikel 6 van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 15 - Geen eigen bijdrage </tussenkop><al>De gemeente kan bij verordening bepalen dat vrijwillige inburgeraars geen eigen
                    bijdrage hoeven te betalen (artikel 24e, tweede lid WI). Gelet op het
                    vrijwillige karakter heeft de gemeente Schiedam ervoor gekozen om geen eigen
                    bijdrage op te leggen. </al><tussenkop>Artikel 16 - Opleggen van verplichtingen</tussenkop><al>In dit artikel zijn de verplichtingen voor een vrijwillige inburgeraar
                    neergelegd die het college kan opnemen in de overeenkomst met een vrijwillige
                    inburgeraar. Het gaat om dezelfde verplichtingen als de verplichtingen die het
                    college kan opnemen in de beschikking waarmee een voorziening voor een
                    inburgeringsplichtige wordt vastgesteld (zie artikel 8 van de verordening). </al><tussenkop>Artikel 17 - De inhoud van de overeenkomst</tussenkop><al>De overeenkomst met de vrijwillige inburgeraar over het toekennen van een
                    voorziening zal dezelfde onderwerpen bevatten als de beschikking tot het
                    vaststellen van een voorziening voor inburgeringsplichtigen.</al><tussenkop>Artikel 18 - Sancties bij niet-nakoming van de
                    overeenkomst</tussenkop><al>Gelet ophet vrijwillige karakter van de overeenkomst heeft de gemeente
                    Schiedam ervoor gekozen om geen sancties op te leggen bij het niet nakomen van
                    de verplichtingen. </al><tussenkop>Artikel 19 - Het vaststellen van de identiteit van de
                    vrijwillige inburgeraar</tussenkop><al>Artikel 24f WI draagt de gemeenteraad op om bij verordening regels te stellen
                    over het vaststellen van de identiteit van de vrijwillige inburgeraar. Dit
                    artikel van de verordening is een uitwerking van deze verplichting. Dit artikel
                    is gelijk aan artikel 27 WI, waarin is geregeld op welke wijze het college de
                    identiteit van een inburgeringsplichtige vaststelt. </al><tussenkop>Artikel 20 - Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 21 - Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>