<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR114284_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken wet sociale werkvoorziening (PGB WSW)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Breda</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Breda</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Stadsblad Breda, 17-09-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken wet sociale werkvoorziening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet sociale werkvoorziening</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-09-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-09-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2008-06-30</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>53816</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>sociale zaken</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken wet sociale werkvoorziening (PGB WSW)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Breda; </al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Breda, nr. 32846,
                        inzake verordening Persoonsgebonden budget Begeleid Werken Wet Sociale
                        Werkvoorziening (PGB WSW); </al><al/><al>gelet op artikel 7, tiende lid, van de Wet sociale werkvoorziening; </al><al/><al>overwegende dat de raad bij verordening nadere regels dient vast te stellen
                        met betrekking tot het verstrekken van Persoonsgebonden budgetten. </al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al><vet>VERORDENING PERSOONSGEBONDEN BUDGET BEGELEID WERKEN WET SOCIALE
                            WERKVOORZIENING (PGB WSW) </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Breda; </al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet sociale werkvoorziening; </al></li><li nr="c."><al>(periodieke) subsidie: de periodieke loonkostensubsidie en een
                                    eventuele overige eenmalige aan de werkgever te verstrekken
                                    bijdrage voor structurele aanpassingen op de werkplek. </al></li><li nr="d."><al>begeleidingsplan: een onderbouwing van de benodigde begeleiding
                                    op de werkplek, opgesteld door de begeleidingsorganisatie en
                                    ondertekend door de begeleidingsorganisatie, de werkgever en de
                                    SW-geïndiceerde zelf </al></li><li nr="e."><al>loonwaarde: de arbeidsproductiviteit van de SW-geïndiceerde,
                                    uitgedrukt in een percentage van de arbeidsproductiviteit van
                                    een reguliere werknemer en gerelateerd aan de toekomstige
                                    werkplek </al></li><li nr="f."><al>rechthebbende: de SW-geïndiceerde die reeds geplaatst is in de
                                    Sociale Werkvoorziening of vanaf de wachtlijst aan de beurt is
                                    om geplaatst te worden in de Sociale Werkvoorziening </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet zijn van toepassing op de begrippen
                            die in deze verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De hoogte van de rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden
                            uitvoeringskosten</titel></kop><al>Het college stelt elk jaar vóór 31 december de hoogte vast van de
                        rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten voor elk
                        te verstrekken persoonsgebonden budget voor het daarop volgende
                        kalenderjaar. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Invulling voorwaarden adequate werkplek begeleid werken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt op aanvraag aan iedere SW-geïndiceerde die daar
                            recht op heeft een persoonsgebonden budget begeleid werken Wsw, indien
                            de werkgever en de begeleidingsorganisatie er voor zorgdragen dat de
                            arbeidsplaats voor de SW-geïndiceerde adequaat wordt ingevuld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget begeleid werken Wsw wordt verstrekt in de
                            vorm van een subsidie aan de werkgever, een vergoeding aan de
                            begeleidingsorganisatie en een eventuele eenmalige subsidie voor de
                            noodzakelijke aanpassing van de omstandigheden waaronder arbeid wordt
                            verricht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De werkgever dient te voldoen aan de volgende vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>Zijn onderneming staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel,
                                    tenzij de werkgever een overheidsorganisatie is;</al></li><li nr="b."><al>De aangeboden arbeidsplaats en de omvang daarvan zijn, gelet op
                                    de indicatiestelling en mogelijkheden en beperkingen van de
                                    SW-geïndiceerde, als passend aan te merken;</al></li><li nr="c."><al>De duur van het dienstverband bedraagt tenminste 6 maanden plus
                                    1 dag, met de intentie tot verlenging ofwel omzetting naar
                                    onbepaalde tijd;</al></li><li nr="d."><al>De werkplek en werkomstandigheden voldoen aan vigerende
                                    arbonormen;</al></li><li nr="e."><al>de aangeboden arbeidsplaats is onderdeel van een organisatie
                                    waarbij minimaal 75% van de werknemers een regulier,
                                    ongesubsidieerd dienstverband heeft, tenzij de werkgever minder
                                    dan 10 FTE werknemers in dienst heeft;</al></li><li nr="f."><al>De salariëring is gebaseerd op de voor het bedrijf of de
                                    betreffende branche geldende CAO of arbeidsvoorwaarden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De begeleidingsorganisatie dient te voldoen aan de volgende
                            vereisten:</al><lijst><li nr="a."><al>De begeleidingsorganisatie staat ingeschreven bij de Kamer van
                                    Koophandel, tenzij de begeleidingsorganisatie een
                                    overheidsorganisatie is;</al></li><li nr="b."><al>De begeleidingsorganisatie en/of haar medewerkers zijn
                                    aantoonbaar gekwalificeerd voor het begeleiden van de doelgroep,
                                    cq de rechthebbende op een PGB en beschikken over specifieke
                                    deskundigheid ten aanzien van verschillende arbeidshandicaps;
                                </al></li><li nr="c."><al>De begeleidingsorganisatie is in het bezit van een
                                    branche-erkende certificering;</al></li><li nr="d."><al>Er is sprake van een transparante en marktconforme prijsstelling
                                </al></li><li nr="e."><al>De begeleidingsorganisatie wordt in staat geacht de continuïteit
                                    van de dienstverlening te waarborgen en kent een sterke
                                    liquiditeits- en solvabiliteitspositie. </al></li><li nr="f."><al>De begeleidingsorganisatie heeft aantoonbare kennis en ervaring
                                    in het werkveld, aan te tonen door minimaal drie referenties.
                                </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De wijze van berekening van de hoogte van de periodieke subsidie aan
                            de werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college berekent op aanvraag van de rechthebbende de hoogte van de
                            subsidie aan de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De te verstrekken periodieke subsidie wordt bepaald aan de hand van de
                            hoogte van de loonwaarde van de SW-geïndiceerde volgens de volgende
                            systematiek: het reguliere (CAO-)loon geldend voor de betreffende
                            arbeidsplaats minus de loonwaarde van de SW-geindiceerde.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De periodieke subsidie bedraagt niet meer dan 60% van het Wettelijk
                            Minimumloon (WML, bruto exclusief werkgeverslasten). Het college kan de
                            loonwaarde van de SW-geïndiceerde vaststellen aan de hand van een
                            loonwaardeonderzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij verschil van inzicht tussen het college en de werkgever over de
                            juistheid van de vastgestelde loonwaarde, kan een onafhankelijk
                            loonwaardeonderzoek plaatsvinden. De werkgever en het college delen in
                            dat geval de kosten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het College beëindigt de verstrekking van subsidies en vergoedingen op
                            grond van deze verordening indien de arbeidsovereenkomst tussen
                            werkgever en de SW-geïndiceerde, die de PGB-aanvraag heeft ingediend,
                            wordt beëindigd dan wel de begeleiding op de werkplek niet meer adequaat
                            wordt verzorgd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het vorige lid kan ook worden toegepast indien niet meer wordt voldaan
                            aan de voorwaarden genoemd in artikel 3 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 10 van deze verordening
                            vindt minimaal iedere vijf jaar een loonwaardebepaling plaats door het
                            College in geval er sprake is van een dienstverband voor onbepaalde
                            tijd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Herziening van de periodieke subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek van de werkgever kan het College de periodieke subsidie
                            herzien als hier, gelet op de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit
                            van de werknemer, aanleiding voor is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College kan de periodieke subsidie ambtshalve wijzigen als hier
                            gerede aanleiding toe is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De hoogte van de vergoeding aan de begeleidingsorganisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het aantal uren aan begeleiding dat door het college wordt vergoed,
                            wordt door de SW- geïndiceerde, de begeleidingsorganisatie en de
                            werkgever in onderling overleg vastgesteld en bedraagt in de eerste 12
                            maanden maximaal 15%, het tweede jaar maximaal 7,5% en het derde en de
                            daaropvolgende jaren maximaal 6% van het aantal door de SW-geïndiceerde
                            voor de werkgever daadwerkelijk gewerkte uren (exclusief overwerk). De
                            vergoeding kan door het college jaarlijks op een maximaal bedrag per PGB
                            worden vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tussentijdse aanpassingen van het aantal uren begeleiding zijn mogelijk
                            indien de SW- geïndiceerde, de begeleidingsorganisatie en de werkgever
                            dit vooraf overeenkomen en daartoe toestemming wordt verleend door het
                            college en met inachtneming van hetgeen vermeld in lid 1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Subsidie voor eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de
                            omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een subsidie verstrekken voor de eenmalige kosten van
                            aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht als
                            uit een rapportage van een arbodeskundige, opgesteld in opdracht van de
                            werkgever, blijkt dat aanpassingen op de werkplek noodzakelijk zijn op
                            grond van de beperkingen van de SW-geïndiceerde, deze
                            persoonsgerelateerd zijn en het niet redelijk is dat de kosten door de
                            werkgever worden gedragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Kosten voor aanschaf van apparatuur, kosten voor de werkplek en kosten
                            voortvloeiend uit arbowetgeving die de werkgever uit hoofde van normaal
                            en goed werkgeverschap voor iedere werknemer zou moeten maken komen niet
                            in aanmerking voor vergoeding door het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een subsidie wordt alleen verstrekt indien er sprake is van een
                            dienstverband van minimaal 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Jaarlijks stelt het college, voor 31 december, bij besluit de maximum
                            subsidie voor de noodzakelijke kosten van aanpassing voor het
                            daaropvolgende jaar vast dat per persoonsgebonden budget begeleid werken
                            kan worden vergoed aan de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor subsidiering komen enkel de meerkosten in aanmerking die voor de
                            aanpassing van een reguliere werkplek benodigd zijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In plaats van het verstrekken van een subsidie kan aan dit artikel ook
                            toepassing worden gegeven door middel van het door het college in
                            bruikleen beschikbaar stellen van hulpmiddelen aan de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college regelt de wijze van uitbetaling van de subsidie.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan op grond van redelijkheid en billijkheid afwijken van
                            het bepaalde in dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Indienen van de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een PGB wordt ingediend door middel van een volledig
                            ingevulde aanvraag, inclusief begeleidingsplan dat door de
                            SW-geïndiceerde, de werkgever en de begeleidingsorganisatie is
                            ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het college kan ten behoeve van de aanvraag een aanvraagformulier
                            vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>het college kan nadere eisen stellen aan de vorm en inhoud van de
                            aanvraag alsmede aan de rapportagefrequentie ten aanzien van de
                            inhoudelijke en financiële voortgang van het begeleidingsplan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen 6 weken na ontvangst van
                            alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste 6 weken verdagen. Het
                            college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de periodieke subsidie</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een periodieke subsidie bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van de periodieke subsidie en de wijze waarop deze kan
                                worden aangepast; </al></li><li nr="b."><al>wijze van bevoorschotting van de subsidie; </al></li><li nr="c."><al>de verplichtingen van de werkgever. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Het vaststellen van de periodieke subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De werkgever verstrekt binnen 6 weken na afloop van het kalenderjaar een
                            schriftelijke opgave van het door hem in het voorgaande jaar betaalde
                            bruto basis-CAO-loon van de SW-geïndiceerde, exclusief werkgeverslasten,
                            vermeerderd met vakantietoeslag, verminderd met eventueel door het UWV
                            ontvangen ziektegelden. Deze opgave is voorzien van een goedkeurende
                            verklaring van een accountant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de werkgever in gebreke blijft bij de nakoming van zijn
                            verplichtingen bedoeld in het vorige lid, zet het College de
                            subsidiebetaling stop en vordert zij de in het voorgaande jaar verleende
                            subsidie terug.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de periodieke subsidie binnen 6 weken na ontvangst van
                            de in lid 1 genoemde opgave vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Betaling van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De periodieke subsidie zal maandelijks door het College worden
                            bevoorschot, waarbij 80% van de subsidie zal worden uitgekeerd. De
                            resterende 20% wordt na afloop van het kalenderjaar voldaan na
                            overhandiging door de werkgever van de gevraagde gegevens en na
                            vaststelling door het college van de definitieve hoogte van de
                            subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College betaalt de subsidie overeenkomstig de vaststelling binnen 6
                            weken, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verplichtingen van de werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De werkgever doet onmiddellijk schriftelijke mededeling aan het college
                            van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de
                            verstrekking van de subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werkgever bewaart alle bewijsstukken die aan de subsidieverstrekking
                            ten grondslag liggen tenminste conform de wettelijke bewaartermijnen na
                            de vaststelling van de subsidie en stelt deze op verzoek ter beschikking
                            aan het college voor controledoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de vergoeding aan de
                            begeleidingsorganisatie</titel></kop><al>De overeenkomst tot verlening van een vergoeding aan de
                        begeleidingsorganisatie bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>hoogte van de vergoeding en de wijze waarop deze kan worden
                                aangepast; </al></li><li nr="b."><al>verplichtingen van de begeleidingsorganisatie </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verplichtingen van de begeleidingsorganisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De begeleidingsorganisatie doet onmiddellijk schriftelijke mededeling
                            aan het college van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen
                            zijn voor de verstrekking van de vergoeding en zal minimaal ieder
                            kwartaal een opgave doen van de voortgang van het begeleidingsplan,
                            zowel inhoudelijk als financieel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de begeleidingsorganisatie in gebreke blijft bij de nakoming van
                            zijn verplichtingen bedoeld in het vorige lid, zet het College de
                            vergoeding stop.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Van de bepalingen in deze verordening kan door het College worden afgeweken
                        indien rechtstreekse toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende
                        aard zou leiden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Algemene subsidieverordening Breda 1998</titel></kop><al>De Algemene subsidieverordening Breda 1998 is niet van toepassing op
                        subsidiëring ingevolge deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening persoonsgebonden budget
                        begeleid werken wet sociale werkvoorziening en treedt in werking één dag na
                        de publicatie in het Stadsblad, met terugwerkende kracht tot 30 juni 2008.
                    </al></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al/><al> Op 1 januari 2008 is de herziene Wet sociale werkvoorziening (Wsw) in werking
                    getreden. Deze wet bevordert dat SW-geïndiceerden meer in een reguliere
                    werkomgeving gaan werken. Om deze doelstelling te verwezenlijken zijn in de
                    herziene wet enkele belangrijke wijzigingen doorgevoerd. Zo zijn regie en
                    sturing op de Wsw nadrukkelijker in handen gelegd van gemeenten. Gemeenten
                    worden hiermee gestimuleerd een visie te ontwikkelen op welke wijze zij het doel
                    van de wet, het realiseren van aangepaste arbeid die aansluit bij de
                    capaciteiten en mogelijkheden van de SW-geïndiceerde, het beste kunnen
                    verwezenlijken. </al><al> Een tweede verandering heeft betrekking op het geven van meer rechten en
                    keuzemogelijkheden aan SW-geïndiceerden, waaronder het recht op een
                    persoonsgebonden budget (PGB) voor begeleid werken. </al><al/><al><vet>Twee vormen van begeleid werken </vet></al><al> Sinds 1998 kent de Wsw de mogelijkheid van begeleid werken door
                    SW-geïndiceerden bij een reguliere werkgever. Het begeleid werken was onder de
                    oude wet geregeld in het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid
                    werken. Bij deze vorm van begeleid werken ligt het initiatief om begeleid
                    werkenplekken tot stand te brengen bij BSW Bedrijven. Het instrument begeleid
                    werken blijft ook onder de nieuwe wet bestaan (artikel 7, eerste lid). </al><al/><al> Naast het begeleid werken dat door BSW Bedrijven tot stand wordt gebracht
                    introduceert de nieuwe Wsw het begeleid werken via het persoonsgebonden budget
                    (PGB). Dit vanuit de gedachte dat de WSW als vrijwillige voorziening voor een
                    specifieke groep arbeidsgehandicapten zo goed mogelijk moet aansluiten bij de
                    capaciteiten en mogelijkheden van een SW-geindiceerde. Daarbij past ook dat
                    SW-geindiceerden de mogelijkheid moeten hebben om zelf te bepalen op welke
                    manier hun arbeidsplaats wordt gerealiseerd. Door de SW-geindiceerde een recht
                    op een PGB te geven wordt hierin voorzien. Tussen beide vormen van begeleid
                    werken bestaat een aantal verschillen. Zo is begeleid werken met een PGB als een
                    recht voor elke SW-geïndiceerde geformuleerd. Elke SW-geïndiceerde heeft recht
                    op begeleid werken met een PGB als de aanvraag aan de wettelijke eisen en
                    gemeentelijke voorwaarden voldoet. Bovendien ligt bij begeleid werken met een
                    PGB het initiatief bij de SW-geïndiceerde zelf. </al><al/><al> De SW-geïndiceerde, of iemand namens hem, zal een PGB bij de gemeente moeten
                    aanvragen en om dit te kunnen doen zal hij zelf een werkgever en een
                    begeleidingsorganisatie moeten aandragen en de werkaanpassing moeten regelen,
                    dan wel daar een voorstel voor doen. </al><al/><al> Als een SW-geïndiceerde (of een door hem ingeschakelde begeleidingsorganisatie)
                    een werkgever vindt die hem een adequate werkplek aanbiedt, de begeleiding op de
                    werkplek adequaat wordt geregeld én de kosten van begeleid werken binnen het
                    beschikbare budget vallen, dan is de gemeente (na de aanvraag te hebben
                    beoordeeld) verplicht de wens van deze SW-geïndiceerde te honoreren. Iedere
                    SW-geïndiceerde komt in beginsel in aanmerking voor begeleid werken met een PGB.
                    Hij of zij hoeft daarvoor niet een positief advies begeleid werken te hebben
                    gekregen van het CWI. Wél is het hebben van een SW-indicatie een vereiste en kan
                    iemand die op de wachtlijst staat pas een beroep doen op het PGB als hij of zij
                    aan de beurt is voor een WSW-plek. Ook een SW-werknemer met een bestaand
                    dienstverband kan een beroep doen op een PGB. </al><al/><al> Het verschil tussen begeleid werken dat door BSW Bedrijven wordt georganiseerd
                    en begeleid werken met een PGB is uitsluitend gelegen in de procedurele wijze
                    waarop een begeleid werkenplek tot stand wordt gebracht. Als de begeleid
                    werkenplek eenmaal is gerealiseerd zijn er in beginsel geen verschillen. Dit
                    betekent dat gemeenten bij het stellen van regels voor het begeleid werken met
                    een PGB in beginsel zoveel mogelijk kunnen aansluiten bij de wijze waarop in het
                    algemeen het begeleid werken op dit moment is georganiseerd. Dit geldt met name
                    voor de eisen die aan werkgevers en aan begeleidingsorganisaties worden gesteld. </al><al/><al><vet>De regeling van begeleid werken met een PGB </vet></al><al> Het begeleid werken met een PGB wordt geregeld in artikel 7, tweede tot en met
                    vierde lid van de wet. Artikel 7, tweede lid, Wsw regelt de voorwaarden om voor
                    een PGB voor begeleid werken in aanmerking te komen. </al><al> De gemeente kan een verzoek van een SW-geïndiceerde om voor een PGB in
                    aanmerking te komen niet weigeren, als: </al><lijst><li nr="1."><al> De betrokkene al een Wsw-dienstbetrekking heeft of recht heeft op
                            plaatsing. </al></li><li nr="2."><al> De door de SW-geïndiceerde of door hem aangedragen
                            begeleidingsorganisatie voorgestelde werkplek en begeleiding op de
                            werkplek adequaat zijn. </al></li><li nr="3."><al> De door de gemeente aan de werkgever te verstrekken periodieke subsidie
                            en de aan begeleidingsorganisatie te verstrekken vergoeding, na aftrek
                            van de door de gemeente te maken uitvoeringskosten, niet hoger zijn dan
                            het budget dat beschikbaar is voor een Wsw-plaats. </al></li><li nr="4."><al> De aanvraag, de werkgever en de begeleidingsorganisatie voldoen aan de
                            bij verordening, dan wel de op grond van de verordening nader gestelde
                            vereisten. </al></li></lijst><al/><al> Het PGB bestaat uit drie bestanddelen: </al><lijst><li nr="1."><al> Een periodieke subsidie die wordt verstrekt aan de werkgever waar de
                            SW-geïndiceerde in dienst is. Deze subsidie is primair bedoeld als een
                            tegemoetkoming in de loonkosten in verband met geringere
                            arbeidsproductiviteit. </al></li><li nr="2."><al> Een periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie die de
                            begeleiding van de SW-geïndiceerde verzorgt. </al></li><li nr="3."><al> Een subsidie voor de eenmalige op grond van de beperkingen van de
                            geïndiceerde noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden
                            waaronder de arbeid wordt verricht (artikel 7, derde lid, Wsw).
                            Hieronder worden bijvoorbeeld kosten verstaan die gemaakt worden voor
                            technische aanpassingen in de werkplek. De gemeente kan deze vergoeding
                            verstrekken, ze is daartoe niet verplicht. </al></li></lijst><al/><al> Het PGB is dus geen rugzakje: de SW-geïndiceerde krijgt geen budget mee. In
                    feite moet het PGB als hier bedoeld ook eerder worden gezien als een
                    persoonsvolgend budget. Het PGB wordt aangevraagd door de SW-geïndiceerde in
                    samenwerking met de werkgever en de begeleidingsorganisatie, maar de subsidie en
                    vergoeding worden verstrekt aan de werkgever respectievelijk de
                    begeleidingsorganisatie. </al><al> De SW-geïndiceerde heeft geen recht op een bepaald budget. Het uitgangspunt van
                    de wet is dat een SW-geïndiceerde recht heeft op begeleid werken met een PGB. De
                    gemeente heeft de bevoegdheid te toetsen of het bedrag van de aangevraagde
                    periodieke subsidie en de periodieke vergoeding nodig is om de betreffende
                    SW-geïndiceerde op een adequate wijze begeleid te laten werken of dat kan worden
                    volstaan met een lager bedrag. </al><al/><al><vet>De onderwerpen in de verordening </vet></al><al> In artikel 7, tiende lid, Wsw staan de onderwerpen genoemd die in ieder geval
                    in de verordening moeten worden geregeld: </al><lijst><li nr="1."><al> de wijze waarop de hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever
                            dient te worden vastgesteld; </al></li><li nr="2."><al> de hoogte van de voor het Dagelijks Bestuur rechtstreeks aan de
                            subsidieverlening verbonden kosten omgerekend op jaarbasis; </al></li><li nr="3."><al> de voorwaarden waaronder het Dagelijks Bestuur aan de werkgever een
                            vergoeding verstrekt voor de eenmalige noodzakelijke kosten van
                            aanpassing van de omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht, en
                        </al></li><li nr="4."><al> de voorwaarden waaronder het Dagelijks Bestuur een
                            begeleidingsorganisatie inschakelt die door de SW-geïndiceerde zelf is
                            aangewezen. </al></li></lijst><al/><al><vet>Subsidies en vergoedingen </vet></al><al> De Wsw maakt een onderscheid tussen subsidies en vergoedingen. De periodieke
                    betalingen aan een werkgever worden als een subsidie aangemerkt en de periodieke
                    betalingen aan de begeleidingsorganisatie als een vergoeding. </al><al/><al> Om vast te stellen of een bepaalde geldverstrekking een subsidie is (die op
                    basis van een beschikking wordt verstrekt) of een commerciële transactie
                    (waarvoor een overeenkomst wordt gesloten) doet de naamgeving van de
                    geldverstrekking niet ter zake. Als tegenover de betaling een reële economische
                    tegenprestatie staat (in de vorm van een concrete dienst of concreet product),
                    is er sprake van een commerciële transactie. Staat tegenover de betaling geen
                    duidelijke economische tegenprestatie, dan is er sprake van een subsidie. </al><al> Dit betekent dat de periodieke subsidie aan de werkgever en de vergoeding voor
                    de eenmalige kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid
                    wordt verricht, moeten worden aangemerkt als een subsidie. Tegenover deze
                    betalingen staan geen economische tegenprestaties van de werkgevers. </al><al> De periodieke vergoeding aan een begeleidingsorganisatie moet worden opgevat
                    als een commerciële transactie. De gemeente koopt namens het
                    Werkvoorzieningschap een dienst in bij de begeleidingsorganisatie en betaalt
                    daarvoor in principe de marktprijs. </al><al/><al>Het verstrekken van subsidies is een publiekrechtelijke rechtshandeling: het
                    vindt plaats op basis van een beschikking. De bepalingen in de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) zijn in beginsel van toepassing op de subsidies die in het
                    kader van het PGB worden verstrekt. </al><al/><al>De verstrekking van periodieke vergoedingen aan een begeleidingsorganisatie is
                    privaatrechtelijk van aard. Hierover hoeven in de verordening geen regels te
                    worden gesteld. </al><al/><al/><al><vet>Artikelgewijze toelichting </vet></al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 1 </vet></onderstreept></al><al> Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in de Wet sociale werkvoorziening ook van toepassing zijn op deze
                    verordening. </al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 2 </vet></onderstreept></al><al> Artikel 7, tiende lid, onderdeel b, Wsw bepaalt dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels stelt over de hoogte van de aan de subsidieverlening
                    verbonden uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis. Artikel 2 van deze
                    verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. In dit artikel wordt
                    bepaald dat het college elk jaar de hoogte van de eigen uitvoeringskosten van
                    begeleid werken met een PGB vaststelt. </al><al/><al> De uitvoeringskosten worden afgetrokken van de rijkssubsidie die voor de
                    SW-geïndiceerde beschikbaar is. Het bedrag dat dan resteert, minus de som van de
                    vastgestelde vergoeding voor de begeleidingsorganisatie en te verstrekken
                    vergoedingen op grond van artikel 7 van deze verordening, levert het bedrag op
                    dat maximaal beschikbaar is voor een periodieke subsidie. Als een
                    SW-geïndiceerde een periodieke subsidie aanvraagt welke hoger is dan dat bedrag,
                    kán het college deze aanvraag weigeren (artikel 7, tweede lid, onderdeel b,
                    Wsw). Het college mag wel een hoger bedrag aan periodieke subsidie verstrekken,
                    maar is daartoe niet verplicht. </al><al> Het college hoeft niet elke aanvraag om een PGB die gelijk is aan of lager is
                    dan het beschikbare bedrag zonder meer te honoreren. Het uitgangspunt van de wet
                    is dat een SW-geïndiceerde recht heeft op begeleid werken met een PGB. Er
                    bestaat geen recht op een bepaald budget. Het college heeft de bevoegdheid te
                    toetsen of het bedrag van de aangevraagde periodieke subsidie en de periodieke
                    vergoeding nodig is om de betreffende SW-geïndiceerde op een adequate wijze
                    begeleid te laten werken of dat kan worden volstaan met een lager bedrag. </al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 3 </vet></onderstreept></al><al> Het college zal bij elke aanvraag van een PGB beoordelen of de inpassing in de
                    arbeid van betrokkene, met inbegrip van begeleiding op zijn werkplek adequaat
                    wordt verzorgd (artikel 7, eerste lid, Wsw). In verband hiermee worden eisen
                    gesteld aan de werkgever en de door hem aangeboden werkplek. Ingevolge artikel
                    7, tiende lid, Wsw dienen bij verordening de voorwaarden te worden geregeld
                    waaronder het college een begeleidingsorganisatie inschakelt die door de
                    SW-geïndiceerde zelf is aangewezen. </al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 4 </vet></onderstreept></al><al> Bij verordening dienen nadere regels te worden gesteld met betrekking tot de
                    wijze waarop de hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever dient te
                    worden vastgesteld (artikel 7, tiende lid, onderdeel a, Wsw). </al><al/><al> Het doel van de periodieke subsidie is het verstrekken van een tegemoetkoming
                    in de loonkosten in verband met de geringere arbeidsproductiviteit van de
                    SW-geïndiceerde. Om te kunnen bepalen wat de hoogte van de periodieke subsidie
                    moet zijn, zal inzicht moeten bestaan in de verdiencapaciteit (loonwaarde) van
                    de betrokken SW-geïndiceerde. Daarbij gaat het niet alleen om de
                    (veronderstelde) loonwaarde van de betrokken SW-geïndiceerde, maar ook om het
                    functieprofiel van de te vervullen functie en het daarbij behorende (CAO-)loon. </al><al> In dit artikel is geregeld dat het college de loonwaarde kán vaststellen op
                    basis van een loonwaardeonderzoek. </al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 5 </vet></onderstreept></al><al> De productiviteit (en daarmee de loonwaarde) van een SW-geïndiceerde kan
                    toenemen als deze persoon langer op een begeleid werkenplek werkzaam is. Als dat
                    het geval is, kan de periodieke subsidie (als onderdeel van de periodieke
                    subsidie) worden verminderd. Dit artikel geeft de mogelijkheid voor het college
                    om de subsidie te verlagen als de loonwaarde van de betrokken SW-geïndiceerde
                    toeneemt. Het is ook denkbaar dat de loonwaarde van een SW-geïndiceerde minder
                    is dan werd verondersteld toen het PGB werd toegekend. In dat geval kan de
                    werkgever het college verzoeken de subsidie te verhogen. </al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 6 </vet></onderstreept></al><al> Omdat de vergoedingen aan begeleidingsorganisaties op basis van een
                    overeenkomst plaatsvinden en in feite de uitkomst is van overleg hierover, hoeft
                    dit artikel in principe niet in de verordening te worden opgenomen. Op grond van
                    de huidige uitvoeringspraktijk is opgenomen dat het aantal uren begeleiding
                    gemaximaliseerd is op een percentage van de daadwerkelijk gewerkte uren bij de
                    werkgever, aflopend naarmate er men er langer werkt. </al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 7 </vet></onderstreept></al><al> De verordening dient regels te bevatten die betrekking hebben op de voorwaarden
                    waaronder het college aan de werkgever een vergoeding verstrekt voor de
                    eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder
                    arbeid wordt verricht (artikel 7, tiende lid, Wsw). Dit artikel vormt de
                    uitwerking van deze verplichting. </al><al> Het eerste lid bepaalt dat een eenmalige vergoeding alleen wordt verstrekt op
                    basis van een deskundigenrapport. Dit rapport moet zijn opgesteld door een
                    arbodeskundige in opdracht van de werkgever. Het derde lid stelt een minimale
                    duur aan het dienstverband dat de werkgever met de betrokken SW-geïndiceerde
                    moet aangaan. In het vierde lid wordt een maximum gesteld aan de hoogte van de
                    vergoeding. De gedachte hierachter is dat als de kosten boven dit bedrag uitgaan
                    de aangeboden arbeidsplaats als niet passend moet worden beschouwd. </al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 8 </vet></onderstreept></al><al> De SW-geïndiceerde is rechthebbende. Omdat begeleid werken met een PGB leidt
                    tot een subsidierelatie met de werkgever (in verband met het verstrekken van een
                    periodieke subsidie) en een contractrelatie met de begeleidingsorganisatie (in
                    verband met het verstrekken van een periodieke vergoeding), zullen ook de
                    werkgever en de begeleidingsorganisatie van de SW-geïndiceerde de aanvraag en
                    het begeleidingsplan moeten ondertekenen. In dit begeleidingsplan wordt
                    aangegeven op welke wijze het begeleid werken door de SW-geïndiceerde zal gaan
                    plaatsvinden. </al><al> Op basis van dit plan beslist het college of een periodieke subsidie aan de
                    werkgever en een periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie worden
                    verstrekt en voor welke bedragen. Vervolgens vindt de verstrekking van de
                    periodieke subsidie aan de werkgever plaats op basis van een beschikking en de
                    verstrekking van een periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie op
                    basis van een overeenkomst. </al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 9 </vet></onderstreept></al><al> Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 10 </vet></onderstreept></al><al> Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 11 </vet></onderstreept></al><al> Met het vaststellen van de subsidie wordt de subsidieverstrekking voor het
                    betreffende kalenderjaar afgerond. De hoogte van het subsidiebedrag voor dat
                    jaar wordt definitief vastgesteld. Om de subsidie te kunnen vaststellen, dient
                    de werkgever een schriftelijke opgave te doen van het door hem in het voorgaande
                    jaar betaalde bruto CAO-loon van de SW-geïndiceerde. </al><al/><al><onderstreept><vet>Artikel 12 t/m 18 </vet></onderstreept></al><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>