<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR113249_1</dcterms:identifier><dcterms:title>CAR UWO Gemeente Valkenburg aan de Geul</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Valkenburg aan de Geul</dcterms:creator><dcterms:modified>2000-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Valkenburg aan de Geul</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>CAR UWO gemeente Valkenburg aan de Geul</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-07-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2000-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>1996-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-03-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>CAR UWO Gemeente Valkenburg aan de Geul</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al>Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 1:1</al><al>1Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt
                        verstaan </al><al>1 onder:</al><al>1 <vet>a</vet><vet> ambtenaar:</vet> hij die door of vanwege de gemeente is
                        aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een
                        arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan;</al><al>1 <vet>b</vet><vet> betrekking:</vet> het geheel van werkzaamheden dat door
                        de ambtenaar is te verrichten;</al><al>1 <vet>c</vet><vet> pensioenwet:</vet> de Algemene burgerlijke pensioenwet,
                        zoals die gold tot en met 31 december 1995;</al><al>1 <vet>d</vet><vet> pensioen:</vet> een pensioen in de zin van het
                        pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;</al><al>1 <vet>e</vet><vet> arbeidsduur:</vet> de vooraf vastgestelde omvang van het
                        aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke de ambtenaar arbeid moet
                        verrichten;</al><al>1 <vet>f</vet><vet> arbeidsduur per dag:</vet> de arbeidsduur zoals die voor
                        de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;</al><al>1 <vet>g</vet><vet> formele arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur
                        volgens de aanstelling;</al><al>1 <vet>h</vet><vet> feitelijke arbeidsduur per week:</vet> de arbeidsduur
                        zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld;</al><al>1 <vet>i</vet><vet> seniorenarbeidsduur:</vet> de voor een ambtenaar, die in
                        aanmerking komt voor het bepaalde in hoofdstuk 5 geldende arbeidsduur per
                        week, die gelijk is aan de arbeidsduur volgens de aanstelling;</al><al>1 <vet>j</vet><vet> arbeidsduur per jaar:</vet> de naar jaarbasis herleide
                        formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen;</al><al>1 <vet>k</vet><vet> volledige betrekking:</vet> een betrekking waarbij de
                        arbeidsduur per jaar ten hoogste 1795 uur bedraagt en de formele arbeidsduur
                        per week 36 uur bedraagt;</al><al>1 <vet>l</vet><vet> overwerk:</vet> werkzaamheden door de ambtenaar in
                        dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week;</al><al>1 <vet>m</vet><vet> werkdag:</vet> een dag waarop de ambtenaar arbeid moet
                        verrichten;</al><al>1 <vet>n</vet><vet> werktijd:</vet> de periode tussen de vastgestelde
                        tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden
                        verricht;</al><al>1 <vet>o</vet><vet> uurloon:</vet> 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar
                        een volledige betrekking herberekende - salaris van de ambtenaar per
                        maand.</al><al>1 <vet>p</vet><vet> Zvw: </vet>de Zorgverzekeringswet</al><al>1 <vet>q</vet><vet> CAR:</vet> Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor
                        de sector gemeenten;</al><al>1 <vet>r</vet><vet> UWO:</vet> Uitwerkingsovereenkomst;</al><al>1 <vet>s</vet><vet> functioneringstoelage:</vet> een toelage die aan de
                        ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid,
                        geschiktheid en ijver;</al><al>1 <vet>t</vet><vet> waarnemingstoelage:</vet> een vergoeding die wordt
                        toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het
                        college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien
                        voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen
                        betrekking;</al><al>1 <vet>u</vet><vet> LOGA:</vet> Landelijk Overleg Gemeentelijke
                        Arbeidsvoorwaarden.</al><al>1 <vet>v </vet><vet> WAO:</vet> de Wet op de
                        arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al><al><vet>w </vet><vet> arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschikt in de zin
                        van artikel 18, eerste lid, van</al><al>de WAO;</al><al><vet>x </vet><vet> WAO-uitkering:</vet> een uitkering op grond van de
                        WAO;</al><al><vet>y </vet><vet> WIA: </vet>Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;</al><al><vet>z</vet><vet> IVA:</vet> Regeling inkomensvoorziening volledig
                        arbeidsongeschikten;</al><al><vet>aa </vet><vet> IVA-uitkering: </vet>de uitkering bij volledige en
                        duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA</al><al><vet>bb</vet><vet> WGA regeling: </vet>Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                        arbeidsgeschikten;</al><al><vet>cc</vet><vet> WGA-uitkering: </vet> de werkhervattingsuitkering
                        gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA;</al><al><vet>dd </vet><vet> WAJONG: </vet>Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor
                        jong gehandicapten;</al><al><vet>ee</vet><vet> WAZ:</vet> Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
                        zelfstandigen;</al><al><vet>ff </vet><vet> Waz: </vet>Wet arbeid en zorg;</al><al><vet>gg</vet><vet> SUWI:</vet> de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk
                        en Inkomen;</al><al><vet>hh </vet><vet> uitvoeringsinstelling:</vet> een uitvoeringsinstelling
                        als bedoeld in artikel 39, derde lid,</al><al>van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;</al><al><vet>ii </vet><vet> pensioenreglement:</vet> het pensioenreglement van de
                        Stichting Pensioenfonds</al><al>ABP;</al><al><vet>jj </vet><vet> WPA:</vet> de Wet privatisering ABP;</al><al><vet>kk </vet><vet> FPU-regeling:</vet> regeling flexibel pensioen en
                        uittreden, bedoeld in artikel 2 van de</al><al>Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel; </al><al><vet>ll </vet><vet> FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering:</vet> het
                        reglement zoals bedoeld in</al><al>artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en
                        onderwijspersoneel.</al><al><vet>mm Deeltijdbetrekking: </vet>een betrekking waarbij de arbeidsduur per
                        jaar minder dan 1795 bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan
                        36 uur bedraagt.</al><al><vet>nn </vet><vet> ZW:</vet> de Ziektewet</al><al><vet>oo </vet><vet> ZW</vet><vet>-uitkering:</vet> ziekengeld of uitkering
                        krachtens de ZW</al><al><vet>pp </vet><vet> UWV:</vet> het Uitvoeringsinstituut
                        Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet
                            <vet>SUWI.</vet></al><al>2 Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven
                        door de gemeente beheerd.</al><al><vet>Geen ambtenaar</vet></al><al><vet>Artikel 1:2</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                                wordt niet als ambtenaar beschouwd:</al><al> a hij die anders dan bij wijze van beroep werkzaam is bij de
                                gemeentelijke brandweer;</al><al> b het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar
                                onderwijs;</al><al> c het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van
                                openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van
                                het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;</al><al> d de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                zodanig;</al><al> e de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231,
                                tweede lid, onderdeel b, c,d en e van de Gemeentewet;</al><al> f de directeur van de RWD Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd
                                tot onbezoldigd </al><al> ambtenaar der gemeentelijke belastingen.</al><al> g de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder
                                opsporingsbevoegdheid </al><al> h de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met
                                opsporingsbevoegdheid;</al><al> i hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op
                                grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van
                                de gemeente in het kader van begeleid </al><al> werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale
                                werkvoorziening.</al></li><li nr="2."><al>Voor toepassing van onderdeel g of h van het eerste lid is,
                                afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het
                                georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming
                                vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van
                                de</al><al> ondernemingsraad.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1:2:1</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25, 7:25a,
                                7:25b en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een
                                wetenschappelijke of praktische opleiding op vorming zijn de
                                hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing. </al></li><li nr="3."><al>Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de
                                hoofdstukken 3, 10d en 17 niet</al><al> van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                                werkzaamheden in het kader van</al></li></lijst><al>een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een
                        tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van
                        personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn
                        de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.</al><al><vet>Leer-werkbaan</vet></al><al><vet>Artikel 1:2:2</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan aanbieden.</al></li><li nr="2"><al>Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die
                                tussen 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd
                                staat als werkzoekende bij het CWI.</al></li><li nr="3"><al>De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten
                                hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een
                                werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan
                                opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als
                                ambtenaar.</al></li><li nr="4"><al>Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate
                                begeleiding van de werkzoekende.</al></li><li nr="5"><al>Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan
                                het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst
                                aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar.</al></li><li nr="6"><al>De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt
                                bezoldigd overeenkomstig schaal 1.</al></li><li nr="7"><al>Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate
                                begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op
                                kosten van de gemeente.</al></li><li nr="8"><al>Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO van
                                toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 2, 10d, 11a en
                                17.</al></li></lijst><al><vet>Instapplan</vet></al><al><vet>Artikel 1:2:3</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een
                                instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen.</al></li><li nr="2."><al>Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangewerkt hij die
                                tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd
                                staat als werkzoekende bij het CWI.</al></li><li nr="3."><al>In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende
                                een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar.</al></li></lijst><al><vet>Toepassing</vet></al><al><vet>Artikel 1:3</vet></al><al>1 De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten
                        aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet
                        regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet
                        die rechtstoestand niet is geregeld.</al><al>2 Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en
                        de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen
                        ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een
                        besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt – met redenen omkleed –
                        gemeld bij het secretariaat van het Landelijk Overleg Gemeentelijke
                        Arbeidsvoorwaarden (LOGA). Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding
                        zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.</al><al><vet>Artikel 1:3a</vet></al><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de
                        griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd. </al><al><vet>Voorschriften en instructies</vet></al><al><vet>Artikel 1:4:1</vet></al><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien
                        zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is:</al><al>a bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen
                        dezer regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst;</al><al>b instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling
                        daarvan te volgen werkwijzen.</al><al><vet>Uitreiking van CAR en UWO</vet></al><al><vet>Artikel 1:4:2</vet></al><al>1 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze
                        regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen, welke
                        ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet 1929 zijn of worden
                        getroffen.</al><al>2 Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige
                        lid bedoelde stukken:</al><al> a de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA
                        met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                        Gemeenten;</al><al> b de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van
                        gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide
                        centrales;</al><al> c de afdelingen van de organisatie, bedoeld onder b;</al><al> d ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking
                        komt.</al><al><vet>Artikel 1:4:3</vet></al><al>1 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem
                        geldende schriftelijke regelen, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of
                        uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de
                        vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels
                        op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.</al><al>2 Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in
                        lid 1 heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis
                        gebracht.</al><al><vet>Voordragen van belangen</vet></al><al><vet>Artikel 1:4:4</vet></al><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van
                        dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te
                        dragen.</al><al><vet>Omvang van de betrekking</vet></al><al><vet>Artikel 1:5</vet></al><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de
                        betrekking, worden deze tot twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te
                        komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.</al><al><vet>Vrijstelling</vet></al><al><vet>Artikel 1.6</vet></al><al>1 In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor
                        nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden
                        verleend in afwijking van artikel 2:4 alsmede dat voor bedoelde functies kan
                        worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in de
                        hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet
                        overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze
                        functies en over de functie zelf.</al><al>2De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing
                        worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of
                        functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in
                        een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken
                        ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor
                        de inrichting van de werkzaamheden.</al><al><vet>HOOFDSTUK 2. AANSTELLING EN ARBEIDSOVEREENKOMST</vet></al><al><vet>Aanstelling: het bevoegd gezag </vet></al><al><vet>Artikel 2:1</vet></al><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald,
                        geschiedt de aanstelling door het college.</al><al><vet>Artikel 2:2</vet></al><al>1 Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie – na een
                        daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden
                        onderzoek – kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over
                        de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen
                        werkzaamheden.</al><al>2 Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de
                        gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek,
                        te allen tijde wordt gegarandeerd.</al><al>3 Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het
                        bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de
                        justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag.</al><al>4 De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts
                        voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een
                        tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten
                        krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen. </al><al><vet>Aanstelling: geneeskundig onderzoek</vet></al><al><vet>Artikel 2:3</vet></al><al>1Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor bepaalde
                        functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het
                        punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen
                        mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen
                        betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit
                        medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt
                        ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het
                        college.</al><al>2 De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                        gemeente.</al><al><vet>Duur van de aanstelling</vet></al><al><vet>Artikel 2:4</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Aanstelling geschiedt vast of tijdelijk</al></li><li nr="2"><al>Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36
                                maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en
                                vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste
                                aanstelling.</al></li><li nr="3"><al>Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke
                                aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en
                                uniek karakter.</al></li><li nr="4"><al>In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling
                                die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van
                                proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen
                                daarin begrepen.</al></li><li nr="5"><al>Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke
                                aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden
                                hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen
                                inbegrepen, overschrijden.</al></li><li nr="6"><al>Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar
                                hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden,
                                geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling.</al></li></lijst><al><vet>Bericht van aanstelling</vet></al><al><vet>Artikel 2:4:1</vet></al><al>1 De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van
                        aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><al> a de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j,
                        van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635);</al><al> b de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar;</al><al> c de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld:</al><al> i in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;</al><al> ii voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef;</al><al> iii voor een project met een eenmalig en uniek karakter;</al><al> iv hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische
                        opleiding of vorming;</al><al> v als vakantiekracht;</al><al> vi voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de
                        overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke
                        tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen,
                        die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen;</al><lijst><li nr="2"><al>Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de
                                ambtenaar kosteloos meegedeeld.</al></li><li nr="3"><al>De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet
                                van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.</al></li></lijst><al>Vacatures </al><al><vet>Artikel 2:4:2</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het
                                personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot
                                aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen
                                verzet.</al></li><li nr="2"><al>Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van
                                overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens
                                hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente. </al><al><vet>Arbeidsovereenkomst</vet></al><al><vet>Artikel 2:5</vet></al><al>1 Door het college kan met een persoon slechts een
                                arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het
                                bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang
                                wisselend karakter.</al><al>2 De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud
                                opgemaakt en door beide partijen ondertekend. </al><al>3 Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige
                                toepassing op de persoon met wie </al><al> een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten.</al><al><vet>Artikel 2:5:1</vet></al><al> Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5
                                zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige
                                toepassing.</al><al><vet>Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</vet></al><al><vet>Artikel 2:5:2</vet></al><al> De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een
                                minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling
                                van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren
                                vindt per kwartaal plaats indien in die maanden van het betreffende
                                kwartaal meer of minder wordt gewerkt.</al></li></lijst><al>Inhoud oproepovereenkomst</al><al>Artikel 2:5:3</al><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><al>a de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een
                        beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van
                        deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden;</al><al>b de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden – na daartoe
                        opgeroepen te zijn – te verrichten;</al><al>c een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van
                        de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden.
                        Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig
                        mogelijk aan te geven;</al><al>d de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden,
                        waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht;</al><al>e een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht
                        worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk
                        twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de
                        wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien weigering plaatsvindt zonder de
                        termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te
                        betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering
                        plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de
                        oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim;</al><al>f indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft
                        gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven
                        aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet
                        verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid
                        gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel
                        8:13.</al><al><vet>Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht</vet></al><al>Artikel 2:5:4</al><lijst><li nr="1"><al>De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te
                                baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel
                                2:5:2.</al></li><li nr="2"><al>De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de
                                vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur.</al></li><li nr="3"><al>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge
                                hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan
                                van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het
                                kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is
                                ontstaan.</al></li></lijst><al>Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate
                        afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan
                        van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een
                        getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de
                        oproepkracht.</al><al>Overgangsrecht</al><al><vet>Artikel 2:6</vet></al><al>1 Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan
                        de voorwaarden van artikel 2:4, wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien
                        een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een
                        tussenpoos van niet meer dan drie maanden.</al><al>2 Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001
                        is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze
                        aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing zoals die
                        luidden voor 1 juli 2001.</al><al>3 Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van
                        artikel 2:5, eerste lid onder a, b of c, en artikel 2:5:2, onder b, juncto
                        artikel 2:5, eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001,
                        worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting
                        ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan
                        de voorwaarden van artikel 2:4:1.</al><al>4 Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van
                        een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei
                        1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001
                        luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2.</al><al><vet>Aanpassing arbeidsduur</vet></al><al><vet>Artikel 2:7</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die
                                is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week te
                                verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich
                                hiertegen verzetten.</al></li><li nr="2"><al>Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die
                                is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                aangegaan het recht om de formele arbeidsduur per week uit te
                                breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij
                                zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                verzetten.</al></li><li nr="3"><al>Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten
                                aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit
                                in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van
                                subsidie.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:7a</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die
                                is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week,
                                worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.</al></li><li nr="2"><al>Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een
                                        vooraf te bepalen periode;</al></li><li nr="-"><al>het salaris evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3,
                                        tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6,
                                        eerste lid, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>instemming van de ambtenaar is vereist;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing
                                        is.</al></li></lijst></li></lijst><al> 3 Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college
                        dit vooraf aan de OR.</al><al> 4 Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het
                        gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40
                        uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR. </al><al><vet>HOOFDSTUK 3. SALARIS EN VERGOEDINGSREGELINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 3:1</vet></al><al>1 Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader
                        van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging
                        toegekend.</al><al>2 In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt:</al><al> a<vet> schaal:</vet> de voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen
                        tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van
                        bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van
                        het salaris als gevolg van diensttijduitloop;</al><al> b<vet> salaris:</vet> het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is
                        toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit
                        bedrag;</al><al> c<vet> bezoldiging:</vet> het salaris, vermeerderd met het bedrag van de
                        aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen – niet zijnde
                        onkostenvergoedingen – als omschreven in de in het eerste lid bedoelde
                        regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de
                        waarnemingstoelage.</al><al>3 Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit
                        bijlage II en IIa van de CAR.</al><lijst><li nr="a."><al>Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede
                                lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op
                                31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage,
                                tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje,
                                bijlage IIa op hem van toepassing is.</al></li><li nr="b."><al>Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld
                                in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op;</al><lijst><li nr="-"><al>de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking
                                        aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan
                                        voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben
                                        vervuld en</al></li><li nr="-"><al>de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking
                                        in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een
                                        andere betrekking in de zin van de CAR, waar hij aan die
                                        nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden.
                                        Hierbij wordt een betrekking, mede als nieuw aangemerkt
                                        ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst
                                        wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te
                                        voeren taken.</al></li></lijst></li></lijst><al>4 Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid
                        worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze
                        waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten
                        aanzien van wie het salaris op 1 maart 1996 is vastgesteld op grond van
                        bijlage II.</al><al>5 Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de
                        afspraken;</al><lijst><li nr="-"><al>dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II, die voor 1
                                april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die
                                binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal
                                eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het
                                maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa en dat de
                                ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april
                                1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking
                                geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het
                                bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op
                                basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage II
                                a.</al><lijst><li nr="6"><al> Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele
                                        arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand.</al></li></lijst></li></lijst><al>7 Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in
                        het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een
                        lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het
                        salaris.</al><al>8 Na de toepassing van artikel 7:16, tweede lid, kan de ambtenaar worden
                        herplaatst in de eigen of passende functie waaraan een lagere schaal is
                        verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris.</al><al><vet>Artikel 3.1.1</vet></al><al>1 De bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met
                        inachtneming van de aard der betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze
                        vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en
                        geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst
                        gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking
                        behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en
                        dienstjaren van de ambtenaar, alsook andere omstandigheden, voor zover deze
                        naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op
                        het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis
                        zijn.</al><al>2 Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste
                        lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking
                        tot het in het eerste lid bepaalde.</al><al>3 Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders
                        is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent
                        de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels
                        stellen.</al><al>4 Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn
                        verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem
                        zijn bezoldiging niet uitgekeerd.</al><al><vet>Waarnemingstoelage</vet></al><al><vet>Artikel 3:1:2</vet></al><al>1 De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college
                        verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt,
                        indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor zijn betrekking,
                        over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde
                        in het volgende lid.</al><al>2 De vergoeding als bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8 % van het eigen
                        salaris gedurende de periode van waarneming. De vergoeding tezamen met de
                        bezoldiging bedraagt gedurende de waarneming niet meer dan de ambtenaar zou
                        hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij de waargenomen
                        betrekking behorende schaal, hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens
                        salaris hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de
                        toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op
                        deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes
                        weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de
                        vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt
                        uitbetaald.</al><al>3 De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college
                        verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere
                        werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt -
                        zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te
                        nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een
                        vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. </al><al> Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de
                        waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor
                        zijn betrekking geldende werktijd, ten minste een bedrag gelijk aan de
                        vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1. </al><al> Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan één betrekking als
                        hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als een geval van waarneming.</al><al>4 Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt genoten door de
                        ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling
                        geldt.</al><al>5 Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar het
                        oordeel van het college, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de
                        waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de
                        waarneming, billijke vergoeding toe te kennen.</al><al>Overwerkvergoeding</al><al>Artikel 3:2</al><al>De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast
                        te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een
                        uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een
                        vergoeding, bedoeld in de eerste volzin.</al><al><vet>Artikel 3:2:1</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan
                                het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat
                                voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid
                                bepaalde. </al></li><li nr="2"><al>Het verlof bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg
                                mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voorzover de
                                belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het verlof
                                verleend – zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste
                                volzin – op een tijdstip dat de ambtenaar wenst. </al></li><li nr="3"><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren
                                die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden
                                verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in
                                vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal
                                verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren als
                                bedoeld in artikel 6:2, tweede lid tezamen mag maximaal 50,4 uren
                                bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur
                                van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager
                                aantal uren als maximum.</al></li><li nr="4"><al>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het
                                tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde
                                vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend
                                overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande,
                                dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met
                                100.</al></li></lijst><al>5 a Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk
                        van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het
                        uurloon van de ambtenaar. </al><al> Dit percentage bedraagt:</al><al> 100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur;</al><al> 75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur;</al><al>75voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur; </al><al>50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen</al><al> 0 en 6 uur;</al><al> 50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag
                        tussen 20 en 24 uur;</al><al> 25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen
                        6 en 20 uur.</al><al> b Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1, derde lid,
                        en op de dag volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het
                        percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en
                        voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald.</al><al> c Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag een
                        feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1, derde lid, of een zaterdag, een
                        andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als
                        overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag,
                        een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1, derde lid, of een zaterdag. Het
                        college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college
                        wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier
                        bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is
                        aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, als bedoeld in
                        artikel 4:2:1, derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt
                        vastgesteld van 80 %.</al><al> d Voor de bepaling van de twee uur die, op grond van het gestelde onder
                        punt a, niet </al><al> voor het bedrag van de vergoeding in aanmerking komen, worden allereerst de
                        uren in</al><al> aanmerking genomen waarvoor op grond van dit lid het laagste percentage
                        geldt.</al><al>6 Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het niveau van
                        hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk. </al><al> Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande
                        geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een
                        door hen te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar
                        het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en
                        de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten.</al><al>7 Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een
                        verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen
                        en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel
                        van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te
                        stellen.</al><al>8 Dit artikel is niet van toepassing op overwerk hetwelk voortvloeit uit een
                        van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt
                        afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk.</al><al><vet>Artikel 3:3</vet></al><al>1 De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld
                        op:</al><lijst><li nr="a."><al>maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 8.00 uur en tussen 18.00
                                en 24.00 uur;</al></li><li nr="b."><al>zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur;</al></li><li nr="c."><al>zondag tussen 0.00 en 24.00 uur.</al></li></lijst><al>2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen
                        recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten
                        periode ten hoogste drie uur, op de in dat lid onder a of b genoemde
                        tijdstippen, werktijd is vastgesteld.</al><al>3 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn
                        recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor
                        hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd
                        vastgesteld.</al><al>4 In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke
                        gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de
                        mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het
                        eerste lid.</al><al><vet>Artikel 3.3.1</vet></al><al>Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting als bedoeld in
                        artikel 15:1:10, tweede lid, onder c is opgelegd, regelen ter vergoeding
                        daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend, indien uitdrukkelijk is bepaald,
                        dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is
                        rekening gehouden.</al><al><vet>Verschuivingsvergoeding</vet></al><al><vet>Artikel 3:4</vet></al><al>Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur
                        per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden, anders dan op
                        verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader
                        vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een
                        verschuivingvergoeding.</al><al><vet>Artikel 3:4:1</vet></al><al> 1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar recht
                        op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk
                        vastgestelde</al><al> a feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt verschoven;</al><al> b werktijd, deze werktijd wordt verschoven.</al><al>2Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ingeval
                        een verschuiving van de oorspronkelijke vastgestelde arbeidsduur per week
                        en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het
                        dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en
                        72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel werktijd.</al><al>3 De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het
                        uurloon.</al><al><vet>Ambtsjubileumgratificatie</vet></al><al><vet>Artikel 3:5</vet></al><al>De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast
                        te stellen regeling wordt onder meer bepaald:</al><al>a in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid
                        aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef;</al><al>b op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend.</al><al><vet>Artikel 3:5:1</vet></al><al>1 Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid
                        heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met de helft
                        van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand
                        van zijn jubileum aanspraak heeft. </al><al>De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk vijftig jaar een
                        betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk
                        aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de
                        vakantietoelage over de maand waarin hij deze jubilea gedenkt.</al><al> Aan de ambtenaar die wordt ontslagen:</al><lijst><li nr="-"><al>op grond van artikel 8:3;</al></li><li nr="-"><al>op grond van artikel 8:4 bij een arbeidsongeschiktheid van 80
                                procent of meer;</al></li><li nr="-"><al>op grond van artikel 8:10 of 8.11 indien en voor zover het een
                                volledig ontslag betreft;</al></li></lijst><al>en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden, het voor een gratificatie
                        vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaar na de ontslagdatum had kunnen
                        vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend.</al><al>Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht
                        zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld,
                        te vermenigvuldigen met een breuk. </al><al>Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk
                        vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele
                        maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om
                        voor de gratificatie in aanmerking te komen. De op grond van het
                        vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud
                        van vijf euro.</al><al>2 Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie
                        berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend.</al><al><vet>Eindejaarsuitkering</vet></al><al><vet>Artikel 3:6</vet></al><al>1 De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 5,5%
                        van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De
                        uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een
                        deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.</al><al>2 De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december
                        betaald.</al><al>3 Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar
                        naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op.</al><al> Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering
                        plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in
                        dienstverband werkzaam is geweest.</al><al><vet>Persoonlijke toelage</vet></al><al><vet>Artikel 3:7:8</vet></al><al>1 Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft
                        bereikt kan door het college een toelage worden toegekend, wanneer daartoe
                        op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding
                        bestaat. </al><al>2 De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd
                        toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college oordeel is, dat er
                        omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.</al><al><vet>HOOFDSTUK 4. ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN</vet></al><al><vet>Artikel 4:1</vet></al><al>1 Het college kan in overleg de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen
                        op en andere omvang dan de formele arbeidsduur per week. De voor de
                        ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag hierdoor niet worden
                        overschreden.</al><al>2 De arbeidsduur per dag bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per
                        week. </al><al> 3 Bij de brandweer en de wat de van toepassing zijnde dienstroosters
                        betreft daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het eerste en het
                        tweede lid afwijkende afspraken worden overeengekomen, met dien verstande
                        dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing
                        blijft.</al><al><vet>Artikel 4:2 </vet></al><al> 1 In een nader door het college vast te stellen regeling worden de algemene
                        regels omtrent werktijden vastgesteld.</al><al> Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt
                        daarvoor een rooster opgesteld.</al><al>2 Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen:</al><al> a dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij
                        afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is;</al><al> b dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de ambtenaar
                        bekend worden gemaakt;</al><al> c dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken.</al><al> d dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt vastgesteld om
                        het bepaalde in artikel 3:3, derde lid te ontwijken.</al><al> 3 Bij de brandweer en de wat betreft de van toepassing zijnde
                        dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het tweede lid
                        afwijkende regeling worden getroffen.</al><al><vet>Artikel 4:2:1</vet></al><al>1 Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt voorts zoveel
                        mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende
                        kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust
                        zo weinig mogelijk wordt beperkt.</al><lijst><li nr="2"><al>Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel
                                4:2, tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts
                                mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.</al></li><li nr="3"><al>Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op
                                zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de
                                nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede
                                Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de
                                koningin wordt gevierd.</al></li></lijst><al>4 Voor zover dit dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit
                        artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook
                        voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende
                        feest- of gedenkdagen die door zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare
                        dienst van de gemeente is gesloten.</al><al>5 Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap
                        behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert
                        overeenkomstige toepassing, indien hij een daartoe strekkend verzoek tot het
                        hoofd van dienst heeft gericht.</al><al><vet>Artikel 4:2:2</vet></al><al>Indien door de ambtenaar bedoeld in artikel 3:3, arbeid op zaterdag of
                        zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij
                        arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.</al><al><vet>Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                        verlofspaarmogelijkheid</vet></al><al><vet>Artikel 4:3</vet></al><al>1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><al> a opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het
                        kader van de voormalige verlof spaarmogelijkheid; </al><lijst><li nr="b."><al>kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het
                                opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een
                                bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen
                                geldende uurloon van de ambtenaar.</al><lijst><li nr="2."><al>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de
                                        ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van
                                        de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het
                                        verlof zoveel mogelijk in een aaneengesloten periode.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het
                                        opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit
                                        verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel
                                        worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de
                                        levensloopregeling en wanneer het gekapitaliseerde
                                        verloftegoed wordt gestort op zijn levensloopregeling. Bij
                                        de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de
                                        randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen
                                        omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar
                                        het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden
                                        gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar op
                                        nieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het
                                        resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan
                                        of aan dit verzoek kan worden voldaan.</al></li><li nr="4."><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het
                                        resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen
                                        gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de
                                        ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig
                                        worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband
                                        met het aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk
                                        is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen
                                        resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het
                                        bepaalde in het tiende lid.</al></li><li nr="5."><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7,
                                        8:8,8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid
                                        gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende
                                        opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet
                                        mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde
                                        verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende
                                        lid.</al></li><li nr="6."><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de
                                        ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed
                                        op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot
                                        ontslag aan de ambtenaar is medegedeeld. Het ontslag gaat in
                                        op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde
                                        verloftegoed.</al></li><li nr="7."><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9
                                        wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op
                                        grond van het tiende lid.</al></li><li nr="8."><al>In geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de
                                        nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel
                                        8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald
                                        ingevolge het bepaalde in het tiende lid.</al></li><li nr="9."><al>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een
                                        gedeeltelijk ontslag betreft worden tussen de ambtenaar en
                                        het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het
                                        resterende opgebouwde verloftegoed.</al></li><li nr="10."><al>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt
                                        dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen
                                        geldende uurloon van de ambtenaar.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 4:3:1</vet></al><al> (vervallen)</al><al><vet>Artikel 4:3:2</vet></al><al>(vervallen) </al><al><vet>Artikel 4:3:3</vet>(vervallen)</al><al><vet>HOOFDSTUK 4A </vet><vet> UITWISSELEN VAN ARBEIDSVOORWAARDEN</vet></al><al><vet>Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</vet></al><al><vet>Artikel 4a:1</vet></al><al>1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is
                        geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar
                        de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te
                        verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.</al><al>2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal
                        vakantie-uren - na vermindering op grond van het eerste lid minimaal 144
                        uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder
                        dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de
                        seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 geldt een naar evenredigheid
                        lager aantal uren als minimum.</al><al>3 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te
                        verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uur. Voor
                        de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur
                        per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling als
                        bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 geldt een naar evenredigheid lager aantal uren
                        als maximum.</al><al>4 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>5 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar
                        voor de op grond van het eerste lid verminderde vakantie-uren een vergoeding
                        ter hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het
                        kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.</al><al><vet>Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</vet></al><al>Artikel 4a:2</al><al>1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is
                        geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar
                        de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te
                        vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde
                        lid.</al><al>2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op
                        grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uur. Voor
                        de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan
                        36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de
                        seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 geldt een naar evenredigheid
                        lager aantal uren als maximum.</al><al>3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij
                        zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>4 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van
                        de ambtenaar voor de op grond van het eerste lid meer verkregen
                        vakantie-uren een vergoeding ingehouden ter hoogte van het salaris per uur
                        dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek
                        betrekking heeft.</al><al>Artikel 4a:3</al><al>1 Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als bedoeld
                        in artikel 3:1, zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6, zijn
                        vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in
                        artikel 4A: 1, vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde
                        bestedingsmogelijkheden.</al><al>2 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in
                        het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.</al><al><vet> HOOFDSTUK 5. SENIORENMAATREGELEN</vet></al><al><vet>56-jarigenregeling</vet></al><al><vet>Artikel 5:1</vet></al><al>1 De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 56 jaar en ouder, die</al><al> a een ononderbroken diensttijd heeft van ten minste tien jaren die direct
                        voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de
                        seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder
                        niet als een onderbreking wordt aangemerkt; en</al><al> b geen betrekking vervult waarvan voor de vervulling een leeftijdsgrens is
                        bepaald;</al><al> wordt, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, op zijn verzoek met
                        een vijfde deel teruggebracht, met behoud van de formele arbeidsduur en
                        onder doorbetaling van 90% van de bezoldiging. Er dient minimaal een
                        arbeidsduur van 7,2 uur per week te resteren.</al><al>2 Onder diensttijd als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan de
                        diensttijd als omschreven in artikel 2, tweede lid, onder de punten a tot en
                        met c, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering.</al><al>3 Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan
                        van de met een vijfde teruggebrachte seniorenarbeidsduur.</al><al><vet>Pré-VUT</vet></al><al><vet>Artikel 5:2</vet></al><al>1 De werknemer in de zin van het FPU-reglement basis- en aanvullende
                        uitkering heeft recht op een uitkering krachtens het bepaalde in artikel 18,
                        eerste lid, onderdeel a, van dat reglement, met ingang van de dag waarop hij
                        de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De uitkering wordt betaald met ingang
                        van de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop het recht op
                        uitkering ontstaat. De pré-VUT-uitkering wordt beëindigd met ingang van de
                        eerste dag van de maand volgend op die waarin de werknemer de leeftijd van
                        61 jaar heeft bereikt. Voor de duur van de periode van de pré-VUT blijven de
                        bepalingen van het reglement vrijwillig vervroegd uittreden van kracht zoals
                        die regeling laatstelijk luidde voor 1 april 1997. </al><al>2 De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 75 % van het inkomen
                        zoals omschreven in artikel 1, onderdeel v, het FPU-reglement basis- en
                        aanvullende uitkering, met dien verstande dat het uitkeringspercentage voor
                        de ambtenaar, die wordt bezoldigd volgens de schalen 1 of 2, 80% van even
                        bedoeld inkomen bedraagt.</al><al>3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de
                        ambtenaar wiens verzoek, bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, is
                        ingewilligd.</al><al><vet>60-jarigenregeling</vet></al><al><vet>Artikel 5:3</vet></al><al> 1 Met inachtneming van het gestelde in het tweede lid, wordt de
                        seniorenarbeidsduur per week van de ambtenaar van 60 jaar en ouder, die</al><al> a een aanstelling heeft van tenminste 14,4 uur per week, en;</al><al> b een ononderbroken diensttijd heeft van tenminste tien jaren die direct
                        voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de
                        seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder
                        niet als een onderbreking wordt aangemerkt;</al><al> op verzoek van de ambtenaar dan wel op verzoek van het college van
                        burgemeester en wethouders, met de helft teruggebracht met het behoud van de
                        formele arbeidsduur en onder doorbetaling van 95% van de bezoldiging. De
                        bezoldiging wordt voor 95% door betaald tot de eerste dag van de maand
                        volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft
                        bereikt;</al><al> van de ambtenaar die bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar geen
                        gebruik maakt van de regeling FPU om uit te treden, wordt, met ingang van de
                        eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van
                        61 jaar heeft bereikt, de bezoldiging voor 50% doorbetaald; </al><al> van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar
                        gebruik maakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden tot een
                        maximum van 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, blijft de omvang
                        van de verminderde seniorenarbeidsduur gehandhaafd op 50%. De bezoldiging
                        wordt voor 50% van de bezoldiging zoals die voor hem gold voordat hij
                        gebruik ging maken van de FPU, doorbetaald;</al><al> van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar
                        gebruik maakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden voor meer
                        dan 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, worden de formele
                        arbeidsduur, de seniorenarbeidsduur en de bezoldiging zoals die voor hem
                        golden voordat hij gebruik ging maken van de FPU, met eenzelfde percentage
                        aangepast.</al><al> Het verzoek van de ambtenaar kan slechts worden geweigerd indien naar het
                        oordeel van het college sprake is van een organisatorisch belang. De
                        ambtenaar heeft te allen tijde het recht op grond van hem moverende redenen
                        het verzoek van het college te weigeren.</al><al> 2 a. Ten aanzien van de ambtenaar waarvan de seniorenarbeidsduur reeds met
                        een vijfde is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste
                        lid, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met
                        dien verstande dat voor "95%" gelezen dient te worden; 82,5%. De
                        seniorenarbeidsduur van de ambtenaar, die reeds met een vijfde deel is
                        teruggebracht op grond van het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, wordt
                        tot de helft teruggebracht, uitgaande van de omvang van de aanstelling,
                        zoals die gold op de dag voorafgaand aan de ingangsdatum van de vermindering
                        van de seniorenarbeidsduur ingevolge artikel 5:1.</al><lijst><li nr="b."><al>Ten aanzien van de ambtenaar, waarvan de seniorenarbeidsduur voor 1
                                april 1996 is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:l,
                                eerste lid, geldt dat deze ambtenaar tot 1 mei 1996 kan verzoeken om
                                in aanmerking te komen voor de 60-jarigenregeling.</al></li><li nr="c."><al>Indien het verzoek tot vermindering van de seniorenarbeidsduur is
                                ingewilligd, wordt de doorbetaling van de bezoldiging met ingang van
                                1 mei 1996 teruggebracht tot 90%. Het bepaalde in het eerste lid is
                                van overeenkomstige toepassing , met dien verstande dat voor "95%"
                                gelezen dient te worden: 82,5%.</al></li></lijst><al>3 Onder diensttijd als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de
                        diensttijd als omschreven in artikel 5:1, tweede lid.</al><lijst><li nr="4"><al>Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt
                                uitgegaan van de met de helft teruggebrachte seniorenarbeidsduur per
                                week.</al></li><li nr="5"><al>Wanneer de betrokkene inkomsten geniet of gaat genieten uit of in
                                verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering
                                krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na
                                de dag waarop de seniorenarbeidsduur met de helft is teruggebracht
                                dan wel schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot het
                                terugbrengen van de seniorenarbeidsduur bedoeld in het eerste of
                                tweede lid, is ingewilligd, worden die inkomsten in mindering
                                gebracht op de door te betalen bezoldiging over de maand waarop deze
                                inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
                                hebben met dien verstande dat het percentage van de door te betalen
                                bezoldiging na vermindering nooit minder bedraagt dan 50. Onder
                                inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt niet begrepen een
                                uitkering op grond van de FPU-regeling.</al></li><li nr="6"><al>Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen
                                gedurende vakantie, verlof of non-activiteit onmiddellijk
                                voorafgaande aan de vermindering van de seniorenarbeidsduur.</al></li><li nr="7"><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het vierde lid,
                                inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter
                                hand genomen voor evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten
                                of hogere inkomsten het bepaalde in het vijfde lid van
                                overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde vermindering vindt
                                echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene
                                aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verbandhoudende met
                                de vermindering van de werktijd.</al></li><li nr="8"><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op
                                of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur is verminderd of
                                schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot terugbrengen van de
                                seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is
                                ingewilligd, terstond mededeling aan het college of aan een door het
                                college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover
                                mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat
                                bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle
                                evengenoemde bedragen geeft hij tijdig op voor het verschijnen van
                                de eerstvolgende bezoldigingstermijn.</al></li><li nr="9"><al>Indien de in het vijfde tot en met zevende lid bedoelde bedragen
                                niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven, doet hij voor het
                                verschijnen van elke bezoldigingstermijn opgave van hetgeen hij
                                sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel
                                sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de
                                arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de
                                inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke
                                echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave
                                dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig
                                vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van
                                evenbedoelde termijn.</al></li><li nr="10"><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een
                                opgave als bedoeld in het achtste lid worden afgeweken.</al></li><li nr="11"><al>Het in het zevende en achtste lid bepaalde vindt overeenkomstige
                                toepassing ten aanzien van arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                daaruit, bedoeld in het vijfde en zesde lid.</al></li><li nr="12"><al>Door het aanvaarden van de vermindering van de seniorenarbeidsduur
                                wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar
                                het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen alle voor
                                de uitvoering van dit artikel noodzakelijke inlichtingen geven.</al></li><li nr="13"><al>Indien de betrokkene een of meerdere verplichtingen als bedoeld in
                                het zevende en achtste lid niet nakomt, kan het college de
                                doorbetaling van de bezoldiging tijdelijk of definitief op een lager
                                percentage stellen, met dien verstande dat het aldus vastgestelde
                                percentage nooit minder dan 50 kan bedragen.</al></li><li nr="14"><al>Het verzoek voor het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur moet
                                minimaal drie maanden voor aanvang van de vermindering worden
                                ingediend.</al></li></lijst><al><vet>Ingangsdatum seniorenregeling</vet></al><al><vet>Artikel 5:4</vet></al><al>Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid de seniorenarbeidsduur
                        te verminderen ingevolge het bepaalde in artikel 5:l, eerste lid, of 5:3,
                        eerste of tweede lid, heeft de ambtenaar vanaf de dag dat de leeftijd is
                        bereikt, zoals vermeld in de voorgaande artikelen, aanspraak op vermindering
                        van de seniorenarbeidsduur. </al><al>Op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop tenminste de vereiste
                        leeftijd wordt bereikt, wordt de seniorenarbeidsduur teruggebracht en wordt
                        de bezoldiging uitbetaald, op grond van het bepaalde in artikel 5:1 en
                        5:3.</al><al><vet>Overgangsbepaling</vet></al><al><vet>Artikel 5:5</vet></al><al>De ambtenaar waarvan het verzoek als bedoeld in artikel 5:1 is gehonoreerd
                        en waarvan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur
                        ligt voor 1 april 1996, behoudt voor de duur van de periode van deze
                        vermindering van seniorenarbeidsduur, de volledig voor hem geldende
                        bezoldiging, behoudens ingeval artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, van
                        toepassing is.</al><al><vet>Artikel 5:6</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Een ambtenaar die gebruik maakt of heeft gemaakt van de regeling
                                zoals opgenomen in hoofdstuk 5a, kan niet deelnemen aan een van de
                                in dit hoofdstuk genoemde regeling.</al></li><li nr="2"><al>Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen
                                recht op deelname aan de in dit hoofdstuk genoemde regeling.</al></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 5a. </vet><vet> FPU Gemeenten en nieuwe
                            seniorenmaatregelen</vet></al><al><vet>§ FPU Gemeenten</vet></al><al>Recht op uitkering</al><al>Artikel 5a:1 </al><al>De ambtenaar die:</al><al>a ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11en </al><al>b geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in
                        hoofdstuk5 genoemde regelingen;</al><al>c geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als
                        bezwarende functie en </al><al>waarvoor afwijkende regels zijn gesteld, heeft in het kader van de FPU
                        Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever.</al><al>Berekeningsgrondslag</al><al><vet>Artikel 5a:2</vet></al><al>1In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: </al><al>de pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar
                        voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van de
                        werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande
                        aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een
                        betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt
                        uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een
                        Aanvulling werkgever ontstaat.</al><al>2 Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als
                        berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag
                        gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in artikel
                        1.2, tweede lid van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het
                        ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever.</al><al><vet>Hoogte van de Aanvulling werkgever</vet></al><al><vet>Artikel 5a:3.</vet></al><al>1.De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de
                        berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld aan de hand van de
                        leeftijd die de ambtenaar heeft op het moment dat hij voor het eerst
                        gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de ambtenaar op 31
                        december 2005 en bedraagt:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="56*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="44*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005 </al></entry><entry colname="col2"><al>Aanvulling werkgever als percentage van </al><al>berekeningsgrondslag bij uittreden op</al><al>spilleeftijd </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 56</al></entry><entry colname="col2"><al> 6,9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 57</al></entry><entry colname="col2"><al> 8,0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 58</al></entry><entry colname="col2"><al> 9,4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 59</al></entry><entry colname="col2"><al> 11,3 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 60</al></entry><entry colname="col2"><al> 14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 61 of ouder</al></entry><entry colname="col2"><al> 16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al> 2 De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend
                        indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem
                        geldende spilleeftijd.</al><al> 3 a. De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaren
                        geboren</al><lijst><li nr="i."><al>vóór of op 1 april 1947 61 jaar en twee maanden</al><al> ii. na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden. </al></li><li nr="b."><al>Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder
                                a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar
                                die onder de FPU maatregel 42,43,44 FPU jaren valt, het moment
                                waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden,
                                respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en
                                twee maanden bereikt.</al></li></lijst><al><vet>Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf juli 2006
                            gebruik maken van de FPU Gemeenten.</vet></al><al><vet>Artikel 5a:4</vet></al><al>1 Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd voor het
                        eerst gebruik maken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering
                        afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen
                        wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid. Als de Aanvulling werkgever
                        niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de
                        Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en
                        nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.</al><al>2 Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken
                        van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het
                        totaalinkomen.</al><al> Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b,
                        eerste lid.</al><al>3 a. de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar
                        geboren:</al><al> i vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en 2 maanden;</al><al> ii na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.</al><al>b.Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is
                        in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU
                        maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal
                        dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 en twee maanden,
                        respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.</al><al>Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode 1 januari
                        2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten</al><al><vet>Artikel 5a:4a. </vet></al><al> 1 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de
                        spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruik maken van hun recht op FPU
                        Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de
                        definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. </al><al> Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt
                        dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms-
                        en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.</al><al>2 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006vóór de
                        spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU
                        Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de
                        definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste
                        lid.</al><al>3 De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar
                        geboren</al><lijst><li nr="a."><al>vóór of op 1 april 1947: 60 jaar</al></li><li nr="b."><al>na 1 april 1947: 61 jaar.</al></li></lijst><al><vet>Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006
                            gebruikmaken van de </vet></al><al><vet>FPU Gemeenten.</vet></al><al><vet>Artikel 5a:4b</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som
                                van:</al><al> a de FPU-uitkering;</al><al> b de Aanvulling werkgever; en, </al><al>in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het
                                ontslag op grond van artikel 8:11;</al><al> c de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste
                                lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het
                                moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11;</al><al> d de andere inkomsten uit of in verband met de resterende
                                deeltijdbetrekking.</al></li><li nr="2."><al>De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het
                                totaalinkomen van de ambtenaar</al></li></lijst><al> niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag.</al><lijst><li nr="3."><al>De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de
                                berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond
                                van artikel 8:11.</al></li><li nr="4."><al>Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft
                                buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de
                                FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals
                                geregeld in het pensioenreglement</al></li><li nr="5."><al>Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is
                                verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel
                                pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en
                                aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met
                                inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met
                                uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de
                                toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde
                                FPU-uitkering.</al><al><vet>Einde van het recht op een Aanvulling werkgever</vet></al><al><vet>Artikel 5a:5</vet></al><al>Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders
                                dan op grondvan artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht
                                bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling.</al></li></lijst><al>Pensioenopbouw</al><al>Artikel 5a:6. </al><al>De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van deFPU
                        Gemeenten een Vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de
                        werkgeversbijdrage in dedoorsneepremie die vereist is voor 20%
                        pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de
                        regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op
                        dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van
                        artikel 8:11.</al><al><vet>Lokaal beleid</vet></al><al><vet>Artikel 5a:7 </vet></al><al>Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvanhet
                        gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat
                        de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet.</al><al><vet>Artikel 5a:8</vet></al><al>(vervallen)</al><al>§ <vet>Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</vet></al><al><vet>Artikel 5a:9</vet></al><al>Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde of
                        een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een
                        gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd
                        op de oude inschaling.</al><al><vet>HOOFDSTUK 6. VAKANTIE, VAKANTIETOELAGE EN (ZWANGERSCHAPS- EN
                            BEVALLINGS) VERLOF</vet></al><al><vet>Artikel 6:1</vet></al><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van
                        bezoldiging.</al><al><vet>Artikel 6:1:1</vet></al><al>1 De vakantie waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt
                        verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en
                        toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan
                        wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.</al><al>2 De vakantie wordt verleend door het college.</al><al><vet>Artikel 6:2</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige
                                betrekking bedraagt tenminste 158,4 uren per kalenderjaar.</al></li><li nr="2"><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar
                                verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar
                                te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een
                                maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als
                                bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor
                                een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar
                                evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al></li><li nr="3"><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe,
                                tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                verzetten.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6:2:1</vet></al><al>1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college
                        algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.</al><al>2 De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een
                        formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid
                        verminderd.</al><al>3 Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de
                        ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering
                        van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan
                        wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige
                        toepassing is.</al><al>4 De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels
                        toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene,
                        bedoeld in artikel 3:3 en 3:3:1, indien regelmatig en in belangrijke mate op
                        onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:3:1
                        genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar
                        rust.</al><al>5 In gevallen waarin dit artikel niet voorziet stelt het college bijzondere
                        regels vast.</al><al>6 In afwijking van het gestelde in artikel 6:2 wordt, met ingang van de dag
                        waarop de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar op grond van artikel 5:1 of
                        5:3 wordt teruggebracht, de duur van de vakantie naar evenredigheid
                        verminderd en vervalt het recht op vermeerdering van vakantie als bedoeld in
                        het derde lid van dit artikel.</al><al>7 Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het derde lid
                        van dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop de ambtenaar gebruik
                        maakt van de FPU Gemeenten als omschreven in hoofdstuk 5a.</al><al>Artikel 6:2:2</al><al>1 De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste
                        2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend
                        verleend.</al><lijst><li nr="2"><al> De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder
                                voor wat betreft de </al><al> aaneengesloten periode bedoeld in het eerste lid, verleend in het
                                tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de
                                gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen,
                                samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de
                                feestdagen genoemd in artikel 4:2:1 derde lid, bij zijn huwelijk of
                                geregistreerd partnerschap, bij het huwelijk of geregistreerd
                                partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en
                                bij verhuizing.</al></li><li nr="3"><al> De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden
                                verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie
                                eventueel zal worden gesplitst, berust bij het</al><al> bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt,
                                voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren
                                die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de
                                ambtenaar.</al><al><vet>Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere
                                    redenen van afwezigheid</vet></al><al><vet>Artikel 6:2:3</vet></al><al>1 De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of
                                wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato
                                van de tijd dat hij zijn betrekking vervult. </al><al>2 Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het
                                eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking
                                vervult, wordt de duur van de vakantie, zo mogelijk van het lopende
                                en overigens van een volgend kalenderjaar, naar evenredigheid
                                verminderd en behoudens het bepaalde in het derde lid.</al><al>3 Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een
                                vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:</al><al> a gedurende de laatste 6 maanden van de periode van afwezigheid
                                wegens zwangerschap en bevalling of niet aan schuld of nalatigheid
                                te wijten ziekte van de ambtenaar, voorafgaand aan het herstel of
                                ontslag van de ambtenaar;</al><al> b in geval van verblijf in militaire dienst, anders dan voor eerste
                                oefening;</al><al> c indien en voor zolang de ambtenaar voor ten hoogste 55% van de
                                voor hem vastgestelde werktijd wegens niet aan zijn schuld of
                                nalatigheid te wijten ziekte verhinderd is zijn betrekking te
                                vervullen. Deze verhindering wordt voor het bepalen van de in dit
                                lid onder a bedoelde periode van zes maanden buiten beschouwing
                                gelaten.</al><al>Een opnieuw ingetreden verhindering tot het vervullen van de
                                betrekking wegens ziekte wordt voor</al><al>Het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes
                                maanden als een voortzetting van de</al><al>vorig verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet
                                nadat tenminste vier weken</al><al>zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn betrekking volledig heeft
                                hervat. </al><al>4 Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op
                                werkdagen, waarop hij</al><al> wegens ziekte slechts gedurende een gedeelte daarvan arbeid kan
                                verrichten, wordt het </al><al> aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal
                                uren waarmee het aantal</al><al> vakantie-uren verminderd zou worden ingeval de ambtenaar niet
                                gedeeltelijk wegens ziekte</al><al> verhinderd zou zijn geweest, tenzij het bevoegde bestuursorgaan dat
                                de vakantie verleent in</al><al> naar zijn oordeel daarvoor in aanmerking komende gevallen anders
                                beslist.</al><al>5.Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die
                                met ingang van de dag</al><al>5. van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven.
                                Deze vergoeding is gelijk</al><al>5. aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend
                                vakantie-uur.</al><al><vet>Artikel 6:2:4</vet></al><al>1 Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig
                                kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem
                                die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende,
                                doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar
                                verleend.</al><al>2 Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de
                                vakantie of het aaneengesloten deel daarvan wordt genoten buiten het
                                in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college
                                de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3
                                worden verlengd.</al><al><vet>Artikel 6:2:5</vet></al><al>1 Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende
                                redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten
                                gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts
                                gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van
                                die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het
                                aantal genoten vakantie-uren.</al><al>2 Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie
                                geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.</al><al><vet>Artikel 6:2:6</vet></al><al>1 Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk
                                niet is verleend:</al><al> a op verzoek van de ambtenaar;</al><al> b als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld
                                of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten of</al><al> c als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor
                                eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in een volgend
                                kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de
                                belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een
                                verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet
                                genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen
                                aantal uren.</al><al>2 De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren
                                worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk
                                kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren
                                verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen.</al><al>3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande,
                                dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan
                                opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1
                                toekomende aantal uren, tenzij op een desbetreffend verzoek van de
                                ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist. </al><al><vet>Artikel 6:2:7</vet></al><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke
                                aan zijn betrekking zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding
                                worden toegekend.</al><al><vet>Artikel 6:3</vet></al><al>1 De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke
                                maand waarover hij als zodanig bezoldiging heeft genoten.</al><al> Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn betrekking gaat
                                vervullen dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel
                                van de vakantietoelage over die maand.</al><al>2 De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van de voor de
                                ambtenaar in die maand</al><al> geldende bezoldiging, met dien verstande dat aan de ambtenaar
                                tenminste het bedrag wordt</al><al> uitbetaald dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde
                                minimum vakantietoelage, welk</al><al> bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar
                                evenredigheid wordt </al><al> verminderd.</al><al><vet>Artikel 6:3:1</vet></al><al>1 De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per
                                kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende
                                met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.</al><al> In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling
                                ook plaats bij ontslag van de ambtenaar. </al><al>2 a Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet
                                van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te
                                werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren
                                militaire dienst;</al><al> b Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan
                                voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of
                                te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet
                                gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst
                                gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd,
                                dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als
                                vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of
                                tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire
                                dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger
                                is - dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem
                                van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis
                                van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.</al><al>3 Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de
                                tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde
                                van schorsing een gedeelte van de bezoldiging wordt ingehouden
                                buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de
                                strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en
                                vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al><al>4 Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college
                                nadere regels stellen.</al><al><vet>Buitengewoon verlof</vet></al><al><vet>Artikel 6:4</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op
                                        calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof
                                        heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van
                                        zijn bezoldiging.</al></li><li nr="2."><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                        gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon
                                        verlof met behoud van de bezoldiging kan worden
                                        verleend.</al></li><li nr="3."><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                        gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de
                                        ambtenaar die lid is op grond van artikel 12:1, derde lid,
                                        toegelaten organisatie. </al></li><li nr="4."><al>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders
                                        pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds
                                        bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement
                                        basis- en aanvullende uitkering gelijk aan de bijdrage die
                                        voor de ambtenaar is verschuldigd.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6:4:1</vet></al><al> 1 Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met
                                behoud van bezoldiging op de dag dat het huwelijk of geregistreerd
                                partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.</al><al>2 De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college
                                wanneer het huwelijk of het registreren van het partnerschap zal
                                plaatsvinden.</al><al><vet>Langdurend zorgverlof</vet></al><al><vet>Artikel 6:4:1a</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op
                                        langdurend zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof
                                        geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn
                                        bezoldiging.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof
                                        wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen
                                        vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof
                                        plaats.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan
                                        7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn
                                        betrekking te vervullen heeft met ingang van de achtste
                                        kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</al></li><li nr="4."><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend
                                        zorgverlof geniet wordt</al><al> verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                        langdurend zorgverlof.</al></li><li nr="5."><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn
                                        betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer
                                        dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste dag de
                                        vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</al></li><li nr="6."><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die
                                        langdurend zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de
                                        bezoldiging genoemd in het eerste lid.</al></li><li nr="7."><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn
                                        betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer
                                        dan 7 kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste
                                        kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op
                                        basis van de volledige bezoldiging.</al></li></lijst><al><vet>Vakbondsverlof</vet></al><al><vet>Artikel 6:4:2</vet></al><al>1 Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:</al><al> A Centrales van overheidspersoneel:</al><al> 1 de Algemene Centrale van overheidspersoneel (A.C.O.P.);</al><al> 2 de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijspersoneel
                                (C.C.O.O.P.);</al><al> 3 de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid
                                en onderwijs (C.M.H.F.).</al><al> B Verenigingen van ambtenaren:</al><al> de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder
                                A genoemde centrales van overheidspersoneel.</al><al>2Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                door burgemeester en wethouders buitengewoon verlof met behoud van
                                bezoldiging verleend aan de ambtenaar:</al><al>2 a voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen
                                van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft
                                welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel
                                organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een
                                landelijke groep van gemeentepersoneel, indien de ambtenaar lid van
                                het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde
                                van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor
                                ieder vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee
                                afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt
                                verleend;</al><al>2 b voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid
                                is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen
                                indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van
                                groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke
                                groepsraad;</al><al>2 c voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale
                                organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten,
                                indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die
                                vergadering deelneemt.</al><al>3 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking,
                                buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:</al><al> a om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel
                                als bedoeld in het eerste lid, onder A of door een daarbij
                                aangesloten vereniging is aangewezen, bestuurlijke en/of
                                vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale
                                of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het
                                gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van
                                deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten
                                vereniging te ondersteunen, alles tezamen voor ten hoogste 216 uren
                                per kalenderjaar;</al><al> b voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als
                                cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de
                                leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles tezamen
                                voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.</al><al>4 Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een
                                ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week
                                van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond
                                van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het aantal uren genoemd
                                in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.</al><al>5 Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor
                                de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten
                                hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat
                                ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar
                                die:</al><al> a lid is van het hoofdbestuur van een centrale van
                                overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder A, nr. 1 of 2
                                en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die
                                centrale is aangesloten; </al><al> b lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het
                                eerste lid onder A, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of
                                sectie van de centrale.</al><al> Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een
                                ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week
                                van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond
                                van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het aantal uren genoemd
                                in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.</al><al>6 Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend
                                aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren,
                                bedoeld in het eerste lid, onder B.</al><al>7 Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten,
                                wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan
                                hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie als bedoeld in
                                artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van
                                bezoldiging verleend voor het bijwonen van de vergadering van die
                                commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven
                                commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is
                                bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van
                                ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend
                                lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.</al><al>8 Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels
                                stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede,
                                derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden
                                gesteld.</al></li></lijst><al>Artikel 6:4:2a</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Kortdurend zorgverlof</vet></al><al><vet>Artikel 6:4:3</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur
                                per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond
                                van de Waz.</al></li><li nr="2."><al>Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de
                                ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van
                                minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.</al></li><li nr="3."><al>Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en
                                voor de helft voor rekening van de ambtenaar.</al></li><li nr="4."><al>Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze
                                waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt.
                                Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.</al></li></lijst><al><vet>Non-activiteit</vet></al><al><vet>Artikel 6:4: 4</vet></al><al>1 Bij non-activiteit zoals bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                        Ambtenarenwet 1929 bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging en
                        vakantietoelage.</al><al>2 Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld
                        in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929, aanspraak heeft op een
                        vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn
                        bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende
                        verlof geniet, een inhouding toegepast. </al><al> Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als
                        vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.</al><al>3Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels
                        vaststellen.</al><al><vet>Overige redenen buitengewoon verlof</vet></al><al><vet>Artikel 6:4:5</vet></al><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot
                        van de gehele of </al><al>gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden,
                        verlof verlenen om</al><al>andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel
                        6:4:4. Het verlof </al><al>wordt verleend voor maximaal één jaar.</al><al><vet>Artikel 6:4:5a</vet></al><al>1<vet>. </vet>Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd
                        bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald
                        verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten
                        hoogste twee jaren.</al><al>2.Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies
                        en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement
                        basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de
                        bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt
                        het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de
                        pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten
                        hoogste drie maanden is verleend.</al><al><vet>Buitengewoon verlof is geen vakantie</vet></al><al>Artikel 6:4:6</al><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in
                        mindering gebracht op de vakantie.</al><al><vet> Ouderschapsverlof</vet></al><al><vet>Artikel 6:5</vet></al><al>1.De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapverlof,
                        heeft, voor zover </al><al>lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over
                        de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele
                        arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn
                        bezoldiging minus het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale
                        tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan
                        maken.</al><lijst><li nr="2."><al>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar
                                die wordt bezoldigd volgens:</al></li><li nr="a."><al>schaal 1: 90%</al></li><li nr="b."><al>schaal 2: 85%</al></li><li nr="c."><al>schaal 3: 80%</al></li><li nr="d."><al>schaal 4: 70%</al></li><li nr="e."><al>schaal 5: 60%</al></li><li nr="f."><al>schaal 6 en hoger: 50%.</al></li><li nr="3."><al>Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het
                                betaald</al><al> ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. </al></li><li nr="4."><al>op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op
                                ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Voorwaarden</vet></al><al><vet>Artikel 6:5:1</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen
                                ten minste drie maanden voor de door hem gewenste ingangsdatum door
                                middel van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier. </al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar die voor een kind van al dan niet betaald
                                ouderschapsverlof gebruik heeft gemaakt, heeft niet nogmaals voor
                                datzelfde kind recht op al dan niet betaald ouderschapsverlof.</al></li></lijst><al><vet>Meerlingen</vet></al><al><vet>Artikel 6:5:2</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op
                                betaald ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 6:5.</al></li><li nr="2."><al>De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van
                                overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de meerdere
                                kinderen van een twee- en of meerling, gebruik wordt gemaakt van de
                                mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</al></li></lijst><al><vet>Ziekte</vet></al><al><vet>Artikel 6:5:3</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte
                                niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting
                                van het ouderschapsverlof plaats.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar die ouderschapsverlof geniet en langer dan 14
                                kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te
                                vervullen heeft met ingang van de vijftiende kalenderdag </al><al> aanspraak op zijn volledige bezoldiging.</al></li></lijst><al><vet>Opbouw vakantie en vakantie-toelage</vet></al><al><vet>Artikel 6:5:4</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof
                                geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                ouderschapsverlof.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking
                                te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14
                                kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de
                                vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</al></li><li nr="3."><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die
                                ouderschapsverlof geniet, vindt plaats op basis van de bezoldiging,
                                die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald.</al></li><li nr="4."><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking
                                te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 dagen, vindt
                                met ingang van de vijftiende kalenderdag de opbouw van de
                                vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.
                            </al></li></lijst><al><vet>Terugbetaling</vet></al><al><vet>Artikel 6:5:5</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen
                                zes maanden daarna</al><al> ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of
                                artikel 8:13, is verplicht de </al><al> bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten terug
                                te betalen. </al></li><li nr="2."><al>Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als
                                bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:</al></li></lijst><al>a. het gevolg is van het aanvaarden van een betrekking bij een andere
                        gemeente;</al><lijst><li nr="b."><al>en evenmin indien betrokken aanspraak, heeft op een uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan
                                doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot
                                of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende
                                oorzakennoodzakelijk van standplaats moet wijzigen.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen
                                drie maanden daarna</al><al> op eigen verzoek een betrekking aanvaardt voor minder uren dan hij
                                direct voorafgaande </al><al> aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht de bezoldiging,
                                die hij op grond van artikel </al><al> 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt
                                verminderd, terug te </al><al> betalen.</al></li><li nr="4"><al>De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt,
                                dient zich tevoren</al></li></lijst><al>schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid
                        bepaalde.</al><al><vet>Artikel 6:5:6</vet></al><al> (vervallen)</al><al><vet>Artikel 6:5:7</vet></al><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet,
                        kan het college een bijzondere regeling treffen.</al><al><vet>Overgangsrecht betaald ouderschapsverlof</vet></al><al><vet>Artikel 6:5a</vet></al><al>1 De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof,
                        heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt
                        vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over
                        13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van zijn
                        bezoldiging, berekend naar een percentage bepaald in het tweede</al><al> en derde lid, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>hij op 31 december 2005 één of meer kinderen heeft die jonger zijn
                                dan acht jaar en waarvoor nog geen ouderschapsverlof is genoten,
                                en</al></li><li nr="b."><al>hij op 31 december 2005 langer dan één jaar in dienst is van de
                                gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens schaal 4 of hoger van de
                                bezoldigingsregel heeft</al><al> recht op doorbetaling van 75% van de bezoldiging over de
                                arbeidsduur waarvoor het</al><al> ouderschapsverlof geldt.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens de schalen 1,2 of 3 van de
                                bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van respectievelijk
                                90%,85% of 80% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het
                                ouderschapsverlof geldt.</al></li><li nr="4."><al>Het is niet toegestaan dat betrokkene gedurende de uren dat het
                                betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht.
                                Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.</al></li><li nr="5."><al>Over de uren waarop de ambtenaar ouderschapsverlof geniet wordt het
                                bedrag van de</al><al> bezoldiging, berekend op grond van het tweede en derde lid,
                                verminderd met het daaraan </al><al> gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de
                                Belastingdienst </al><al> waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.</al></li><li nr="6."><al>Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op
                                ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6:5a:1</vet></al><al>Op de ambtenaar die gebruik maakt van het overgangsrecht betaald
                        ouderschapsverlof zijn de artikelen 6:5:1 tot en met 6:5:7 van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 6:6</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Zwangerschaps- en bevallingsverlof</vet></al><al>Artikel 6:7</al><lijst><li nr="1."><al>De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Waz zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                                doorbetaling van haar volledige bezoldiging.</al></li><li nr="2."><al>De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt in
                                mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van
                                het eerste lid recht heeft.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het
                                UWV.</al></li><li nr="4."><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                                vrouwelijke ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is
                                gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt
                                opgelegd, dan wel het recht op de Waz-uitkering geheel of
                                gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld of toedoen te
                                wijten is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering
                                gebracht.</al></li></lijst><al><vet>Adoptie-en pleegzorgverlof</vet></al><al>Artikel 6:8</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op adoptie- of
                                pleegzorgverlof, heeft dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn
                                volledige bezoldiging.</al></li><li nr="2."><al>De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in
                                mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond van
                                het eerste lid recht heeft.</al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of
                                pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door het
                                UWV.</al></li><li nr="4."><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                                ambtenaar de Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen,
                                vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd,
                                dan wel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt
                                geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen is te wijten, wordt de
                                Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</al></li><li nr="5."><al>Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen bedoeld in
                                artikel 7:3, niet op.</al></li></lijst><al><vet>Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                            levensloopregeling</vet></al><al><vet>Artikel 6:9</vet></al><al>1 De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het
                        college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van
                        tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.</al><al>2 De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden
                        onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode
                        van onbetaald verlof.</al><al>3 Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde
                        voorwaarden.</al><al>4 Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur
                        of op een deel daarvan. </al><al>5 De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste
                        ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt
                        ingediend.</al><al>6 Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden
                        na ontvangst van</al><al> het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing
                        van het college.</al><al>7 Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij
                        onbetaald verlof geniet kan het college het verlof intrekken. </al><al>8 Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds
                        worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.</al><al>9 Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op
                        een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende
                        dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in
                        het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie
                        jaren.</al><al><vet>Aanspraken tijdens verlof</vet></al><al><vet>Artikel 6:10</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet
                                wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald
                                verlof.</al></li><li nr="2."><al>Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op
                                uitkeringen.</al></li><li nr="3."><al>Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele
                                vergoeding als bedoeld</al><al> in artikel 7:24a.</al></li><li nr="4."><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21
                                van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het
                                bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn
                                verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato
                                vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies,
                                niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie
                                maanden is verleend.</al></li></lijst><al><vet>Samenloop met ziekte</vet></al><al><vet>Artikel 6:11</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het verlof van de ambtenaar die voor een deel zijn betrekking
                                onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is,
                                eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig
                                onbetaald verlof geniet en langer van 14 kalenderdagen ziek is, in
                                schrijnende gevallen te beëindigen.</al></li></lijst><al><vet>Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof.</vet></al><al><vet>Artikel 6:12</vet></al><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof.</al><al><vet>Hoofdstuk 6A DE GEMEENTELIJKE LEVENSLOOPREGELING</vet></al><al><vet>Begripsomschrijvingen.</vet></al><al><vet>Artikel 6a:1</vet></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>gemeentelijke levensloopregeling</vet>: een regeling als
                                bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b."><al><vet>instelling:</vet> een door de ambtenaar gekozen
                                kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde
                                lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li></lijst><al>c<vet>. levensloopregeling</vet>: een bij een instelling door de ambtenaar
                        geopende geblokkeerde</al><al> rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;</al><lijst><li nr="d."><al><vet>de levensloopverzekering</vet>: een bij de instelling door de
                                ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar
                                wordt gestort.</al></li><li nr="e."><al><vet>levenslooptegoed:</vet> het tegoed op een levenslooprekening
                                onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</al></li></lijst><al><vet>Doel</vet></al><al><vet>Artikel 6a:2</vet></al><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben tot doel het treffen van een
                        voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een
                        periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde
                        voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet
                        op de loonbelasting 1964.</al><al><vet>Verzoek tot deelname levensloopregeling</vet>.</al><al><vet>Artikel 6a:3</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke
                                levensloopregeling meldt dit bij het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde
                                kalendermaand na</al><al> ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in
                                artikel 6a:4.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al></li></lijst><al><vet>Voorwaarden deelname levensloopregeling</vet></al><al><vet>Artikel 6a:4</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling
                                waarbij de</al><al> levensloopregeling of de levensloopverzekering wordt
                                aangehouden.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                levenslooptegoed heeft</al></li></lijst><al>opgebouwd bij een of meer gewezen inhoudsplichtigen tenzij een andere
                        werkgever bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt
                        inhoudsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.</al><lijst><li nr="3."><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het
                                college informatie</al><al> verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar
                                tenzij dit </al><al> levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere
                                inhoudsplichtige bij wie de </al><al> ambtenaar in dienstbetrekking staat.</al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                                gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling niet
                                deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op
                                de loonbelasting 1964.</al></li></lijst><al><vet>Inleg</vet></al><al><vet>Artikel 6a:5</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg
                                per jaar.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen
                                wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.</al></li><li nr="3."><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde
                                bronnen.</al></li></lijst><al><vet>Bronnen</vet></al><al><vet>Artikel 6a:6</vet></al><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                        levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen:</al><lijst><li nr="a."><al>het salaris;</al></li><li nr="b."><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;</al></li><li nr="e."><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                                bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3, lid 3.</al></li></lijst><al><vet>Levensloopbijdrage</vet></al><al><vet>Artikel 6a:7</vet></al><al>1.De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met uitzondering van de
                        ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is
                        gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het
                        door hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage
                        bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 400.</al><al>Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De
                        levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn geboren
                        voor of op 31 december 1949 en die geen recht hebben op een uitkering zoals
                        bedoeld in hoofdstuk 5a.</al><lijst><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien
                                en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.</al></li><li nr="3."><al>De levensloop bijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende
                                maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de
                                levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage
                                van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9,
                                eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.</al></li><li nr="4."><al>De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand
                                december betaald.</al></li><li nr="5."><al>Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de
                                ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage
                                op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de
                                levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat
                                de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.</al></li><li nr="6."><al>De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het
                                eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel
                                3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement in</al><al> de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst><al><vet>Uitbetaling levensloopbijdrage 2008</vet></al><al><vet>Artikel 6a:7a</vet></al><al>De levensloopbijdrage, bedoeld in artikel 6a:7, wordt voor het kalenderjaar
                        2008 als gevolg van de wijziging van het uitbetalingsmoment van juli naar
                        december berekend over de maanden augustus 2007 tot en met december 2008. De
                        bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 567.</al><al>Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.</al><al><vet>Beëindiging deelname levensloopregeling.</vet></al><al><vet>Artikel 6a:8</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door
                                de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="2."><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt
                                daarnaast:</al></li><li nr="a."><al>overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="c."><al>op de laatste dag van de maand voorafgaand aan de maand waarin de
                                ambtenaar 65 jaar wordt.</al></li></lijst><al><vet>Opname levenslooptegoed</vet></al><al><vet>Artikel 6a:9</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt:</al></li><li nr="a."><al>ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode
                                van (gedeeltelijk)</al><al> onbetaald verlof op grond van de Wet arbeid en zorg en hoofdstuk 6;
                            </al></li><li nr="b."><al>ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een
                                aanspraak ingevolge artikel 16.6 van het Pensioenreglement van de
                                Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de Wet
                                op de loonbelasting 1964 niet worden overschreden;</al></li><li nr="2."><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar
                                tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat
                                hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed.</al><al> Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al></li><li nr="3."><al>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in
                                geval van beëindiging van het dienstverband.</al></li><li nr="4."><al>Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet
                                afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als
                                voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in
                                artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting bedoelde verpanding
                                ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse aanbieders.</al></li></lijst><al><vet>Slotbepaling</vet></al><al><vet>Artikel 6a:10</vet></al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en
                        9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b
                        van toepassing is.</al><al><vet>Tijdelijke regeling ambtenaren die werkzaam zijn in een betrekking bij
                            het gemeentelijk stadsvervoer.</vet></al><al><vet>Artikel 6a:11 </vet></al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die werkzaam is in een
                        betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college
                        krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op</al><al>31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</al><al><vet>HOOFDSTUK 7 AANSPRAKEN BIJ ONGESCHIKTHEID WEGENS ZIEKTE OF GEBREK
                        </vet></al><al><vet>§ l. DEFINITIES</vet></al><al><vet>Artikel 7:1</vet></al><al>1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al> a<vet> passende arbeid:</vet> alle arbeid die voor de krachten en
                        bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van
                        lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
                        gevergd;</al><al> b<vet> werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: </vet>loonvormende
                        arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende
                        arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in
                        artikel 7:9, derde lid;</al><al>c <vet>scholing in het kader van de reïntegratie:</vet> scholing die
                        gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover
                        afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9,
                        derde lid;</al><al> d<vet> arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:</vet>
                        arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar
                        oorzaak vindt in:</al><al>-de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden
                        waaronder deze moesten worden verricht of; - in een dienstongeval verband
                        houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere
                        omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht en die niet
                        aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;</al><al>- e <vet>restverdiencapacitieit:</vet> het door UWV vast te stellen inkomen
                        dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn
                        beperkingen, nog kan verdienen;</al><al>- f <vet>arbodienst: </vet>een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid,
                        van de Arbeidsomstandighedenwet;</al><al>- g <vet>inactieve</vet>: de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvullende
                        uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of
                        wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was
                        van een gemeente.</al><al>- h <vet>postactieve:</vet> de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel
                        leeftijdsontslag, FPU- uitkering, ouderdomspensioen van het ABP of ABP
                        keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in
                        dienst was van een gemeente of inactieve was. </al><al>- i g<vet>eselecteerde zorgverzekeraar: </vet>als geselecteerde
                        zorgverzekeraar is door het LOGA voor de periode 1 januari 2006 tot en met
                        31 december 2008 aangewezen IZA Zorgverzekeraar N.V</al><al> 2 Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al><vet>§ 2. BEDRIJFSGENEESKUNDIGE BEGELEIDING EN GENEESKUNDIG
                        ONDERZOEK</vet></al><al><vet> Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek</vet></al><al><vet>Artikel 7:2</vet></al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                        bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.</al><al><vet>Arbo-dienst</vet></al><al><vet>Artikel 7:2:1</vet></al><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbo-dienst.</al><al><vet> Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</vet></al><al><vet>Artikel 7:2:2</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar heeft recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding
                                overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</al></li><li nr="2."><al>De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door
                                een arbo-dienst, overeenkomstig door het college te stellen
                                regels.</al><al> Consulteren arts door ambtenaar</al><al><vet>Artikel 7:2:3</vet></al><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst
                                rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die
                                naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</al><al><vet>Periodiek geneeskundig onderzoek</vet></al><al><vet>Artikel 7.2.4</vet></al><al>De ambtenaar die in verband met de uitoefening van zijn
                                werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat,
                                dan wel voor een goede vervulling van zijn betrekking aan bijzondere
                                gezondheidseisen moet voldoen, is verplicht zich aan een periodiek
                                geneeskundig onderzoek te onderwerpen, indien zulks naar het oordeel
                                van het college, na overleg met de arbo-dienst, noodzakelijk
                                is.</al><al><vet>Geneeskundig onderzoek</vet></al><al><vet>Artikel 7:2:5</vet></al><al>1.Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de
                                ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:</al><al>a indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding
                                bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de
                                ambtenaar;</al><al>b indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is
                                gebleken voor het naar behoren </al><al> vervullen van zijn betrekking, zulks ten einde na te gaan of
                                hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.</al><al>2.De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het
                                eerste lid, te onderwerpen</al></li></lijst><al><vet>Buitendienststelling</vet></al><al>Artikel 7:2:6</al><lijst><li nr="1."><al>Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in artikel
                                7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand
                                van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de
                                belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de
                                dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn
                                betrekking verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten
                                dienst gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet
                                plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke
                                of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij
                                tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor
                                zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de
                                toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld
                                met een verhindering wegens ziekte. </al></li></lijst><al><vet>Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar</vet></al><al>Artikel 7:2:7</al><lijst><li nr="1."><al>Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding
                                bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te
                                laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het
                                herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud,
                                het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
                                schriftelijk in kennis gesteld.</al></li></lijst><al><vet>§ 3 AANSPRAKEN BIJ ONGESCHIKTHEID WEGENS ZIEKTE OF GEBREK.</vet></al><al><vet>Recht op bezoldiging</vet></al><al><vet>Artikel 7:3</vet></al><al> 1 de ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
                        als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of
                        gebrek vanaf de eerste dag van die</al><al> ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van
                        zijn volledige bezoldiging.</al><al> 2 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de
                        zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn
                        bezoldiging.</al><al> 3 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden
                        gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op
                        doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.</al><al> 4 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden
                        tot het einde </al><al> van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn
                        bezoldiging.</al><al> 5 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken
                        verstaan.</al><al> 6 De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige
                        bezoldiging over de uren waarop hij: </al><lijst><li nr="a."><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b."><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c."><al>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht;</al></li><li nr="d."><al>scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.</al></li></lijst><al> 7 De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de
                        doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en
                        door de dienst.</al><al> 8 De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten minste 50% van
                        zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het
                        kader van zijn </al><al> reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie,
                        genoemd in het </al><al> zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van 5%
                        berekend over de </al><al> bezoldiging waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel.</al><al>9 De ambtenaar heeft tenminste recht op het wettelijk minimumloon, berekend
                        naar rato</al><al> van zijn formele arbeidsduur.</al><al>10 De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als
                        gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en
                        met vierde lid, op.</al><al>11 Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden
                        perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met
                        een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct
                        voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval
                        de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                        dezelfde oorzaak.</al><al>12 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede, derde
                        en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in
                        een andere functie.</al><al>13 Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op
                        bezoldiging.</al><al>14 Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale
                        ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van
                        de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, de volledige
                        bezoldiging wordt doorbetaald.</al><al><vet>Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk
                            betaald verlof</vet></al><al><vet>Artikel 7:4</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar van wie de werktijd is teruggebracht ingevolge een
                                seniorenmaatregel op grond van hoofdstuk 5, heeft recht op
                                doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien
                                verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging
                                doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben
                                gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof
                                geniet heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in
                                artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter
                                bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij
                                doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn
                                geweest.</al></li></lijst><al><vet>Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</vet></al><al><vet>Artikel 7:5</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA-of IVA-uitkering
                                wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een
                                aanvullende uitkering verleend.</al></li><li nr="2."><al>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de
                                ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat
                                nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering,
                                vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke
                                aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting
                                Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van de
                                bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand
                                aan zijn ontslag.</al><al> Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid
                                en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van: </al><al> 80% of meer 95%</al><al> 65 tot 80% 68,875%</al><al> 55 tot 65% 57%</al><al> 45 tot 55% 47,5%</al><al> 35 tot 45% 38% </al></li><li nr="3."><al>De aanvullende uitkering eindigt:</al></li><li nr="a."><al>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste
                                lid genoemde voorwaarden of;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de ambtenaar 65
                                jaar wordt.</al></li><li nr="4."><al>De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van
                                dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van
                                wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of
                                bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de
                                Stichting Pensioenfonds ABP..</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7.6</vet></al><al>(vervallen<vet>)</vet></al><al><vet>Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in
                            en door de dienst</vet></al><al><vet>Artikel 7:7</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de
                                ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van
                                het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige
                                behandeling of verzorging.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere
                                voorschriften geven.</al></li></lijst><al><vet>Nadere regels</vet></al><al><vet>Artikel 7:8</vet></al><al>Het college kan nadere regels stellen.</al><al><vet>Vaststelling referte-tijdvak toelagen</vet></al><al><vet>Artikel 7:8:1</vet></al><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de
                        gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage
                        onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de
                        vaststelling van het bedrag van de bezoldiging zoals bedoeld in dit
                        hoofdstuk, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al><al><vet>Artikel 7:8:2</vet></al><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een
                        lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al><al><vet>Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel
                            2:7a</vet></al><al><vet>Artikel 7:8:3</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar wiens feitelijke arbeidsduur op grond van toepassing
                                van hoofdstuk 5 is aangepast, kan alleen verplicht worden tot
                                aanvaarding van een functie waarvan de arbeidsomvang overeenkomt met
                                deze feitelijke arbeidsduur.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel
                                2:7a, kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit
                                artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid
                                waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide
                                arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel
                                2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten
                                aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele
                                arbeidsduur.</al></li></lijst><al><vet>§ 4 VERPLICHTINGEN EN SANCTIES</vet></al><al><vet>Verplichtingen college</vet></al><al><vet>Artikel 7:9</vet></al><al>1.Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te
                        treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de
                        ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid </al><al>ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in
                        staat wordt gesteld de eigen of passende arbeid te verrichten.</al><lijst><li nr="2."><al>Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht
                                en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid
                                voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de
                                ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de
                                gemeente.</al></li><li nr="3."><al>Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede
                                lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan
                                van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het
                                plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig
                                geëvalueerd en zonodig bijgesteld.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen
                                met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                                begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en
                                herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige
                                begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.</al></li></lijst><al><vet>Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte</vet></al><al><vet>Artikel 7.10</vet></al><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die
                        noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al><al><vet>Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie</vet></al><al><vet>Artikel 7:11</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht;</al></li><li nr="a."><al>gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen
                                deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan
                                door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen
                                maatregelen als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde
                                lid;</al></li><li nr="c."><al>zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in
                                artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking
                                te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1
                                te verrichten en hij door het college of een andere werkgever
                                daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid
                                te verrichten.</al></li></lijst><al><vet>Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</vet></al><al><vet>Artikel 7:12</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of
                                vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter
                                beantwoording van de vragen:</al></li><li nr="a."><al>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn
                                betrekking wegens ziekte;</al></li><li nr="b."><al>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder
                                a;</al></li><li nr="c."><al>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn
                                betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt;</al></li><li nr="d."><al>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige
                                behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet
                                houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige
                                gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het
                                verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn
                                uitgezonderd;</al></li><li nr="e."><al>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt
                                belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="f."><al>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van
                                het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het
                                behoud, het herstel of de bevordering van zijn
                                arbeidsgeschiktheid;</al></li><li nr="g."><al>wanneer en in welke mate de vervulling van de betrekking kan worden
                                hervat.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van
                                medisch onderzoek.</al></li></lijst><al><vet>Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging</vet></al><al><vet>Artikel 7:13:1</vet></al><al>Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3
                        bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12,
                                sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de
                                verhindering tot het vervullen van zijn betrekking heeft
                                veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn
                                geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half
                                jaar na de in artikel 2:3 eerste lid, bedoelde geneeskundige keuring
                                en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie
                                omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft
                                verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling
                                van zijn betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten
                                onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij
                                te goeder trouw heeft gehandeld.</al></li></lijst><al><vet>Staken van doorbetaling de bezoldiging</vet></al><al><vet>Artikel 7:13:2</vet></al><al>1.De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt
                        gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:</al><al>a weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen van
                        medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch
                        onderzoek na te komen;</al><al>b blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft
                        nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of blijven
                        stellen;</al><al>c blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van de
                        behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van voorschriften om mee te
                        werken aan een ingreep van heelkundige aard;</al><al>d zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt aan
                        gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;</al><al>e er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een
                        door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;</al><al>f tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte
                        arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst
                        in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college
                        daartoe toestemming heeft verleend;</al><al>g weigert medewerking te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft in
                        verband met het verrichten van door de arbo- dienst in het belang van zijn
                        genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden;</al><al>h zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst bepaalde
                        tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is
                        opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende
                        reden heeft opgegeven;</al><al>i weigert om – op verzoek van het college – informatie te verstrekken die
                        noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.</al><al>2.De doorbetaling van de bezoldiging vindt wel plaats indien de ambtenaar op
                        grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het
                        gedrag, genoemd in het eerste lid.</al><al><vet>Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar</vet></al><al><vet>Artikel 7:14</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in
                                artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft
                                wegens plichtsverzuim.</al></li><li nr="2."><al>De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt
                                gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:</al></li><li nr="a."><al>weigert mee te werken aan, door het college of een door hem
                                aangewezen </al></li></lijst><al>deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als
                        bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn om de
                        betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten. </al><lijst><li nr="b."><al>weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van
                                een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder
                                b.</al></li><li nr="c."><al>weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op
                                grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is.</al></li></lijst><al>3 De doorbetaling van de bezoldiging, als genoemd in het tweede lid, vindt
                        wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen
                        verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid. </al><al><vet>Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan
                        ambtenaar</vet></al><al><vet>Artikel 7:15:1</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere
                                omstandigheden aanleiding geven, bepalen, dat de op grond van de
                                artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging,
                                geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden
                                uitbetaald.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde
                                bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge artikelen
                                7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de
                                ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second
                                opinion die hij conform artikel 30, eerste lid, onderdeel e, f en g
                                van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de
                                ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.</al></li></lijst><al><vet>Herplaatsing in passende arbeid</vet></al><al><vet>Artikel 7:16</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de
                                ambtenaar opgedragen: </al><lijst><li nr="a."><al>door plaatsing in een andere betrekking voor tijdelijke
                                        duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling;</al></li><li nr="b."><al>bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering,
                                        zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de
                                        aanstelling.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel
                                7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve
                                herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door
                                wijziging van de aanstelling.</al></li><li nr="3"><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek
                                is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35%
                                arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode
                                van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de
                                passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.</al></li><li nr="4"><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek
                                is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan
                                80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de
                                periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar
                                met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer
                                benut.</al></li><li nr="5"><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder
                                een andere betrekking mede verstaan het verrichten van dezelfde
                                werkzaamheden onder andere voorwaarden.</al></li><li nr="6"><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden
                                worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de
                                betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in
                                aanmerking genomen. </al></li><li nr="7"><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden
                                worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien
                                zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
                                of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode
                                waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de
                                ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden
                                voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></li><li nr="8"><al>De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst></li><li nr="9"><al>De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie
                                die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.</al></li></lijst><al><vet>Terugkeer in betrekking na ziekte</vet></al><al><vet>Artikel 7:17</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn
                                betrekking te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn betrekking
                                slechts weer zal mogen vervullen, indien het college daarvoor
                                toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de
                                hervatting kan geschieden.</al></li><li nr="2."><al>Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet
                                op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist
                                indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd
                                is geweest zijn betrekking te vervullen.</al></li></lijst><al><vet>Inkomsten uit of in verband met arbeid</vet></al><al><vet>Artikel 7:18</vet></al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering
                        brengen van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van
                        de reïntegratie op de bezoldiging.</al><al><vet>Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op
                        bezoldiging</vet></al><al><vet>Artikel 7:18:1</vet></al><al>1.Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn
                        betrekking, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de
                        arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn
                        reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid
                        voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid
                        in mindering gebracht op de bezoldiging waar de ambtenaar recht heeft
                        krachtens artikel 7:3.</al><al>2 Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten, wordt tevens gerekend een
                        herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van het
                        pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook,
                        die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste
                        lid.</al><al><vet>§ 5 BIJZONDERE SITUATIES</vet></al><al><vet>Samenloop van bezoldiging bij ziekte met ZW-uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 7:19</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid
                                tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering,
                                wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het
                                bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft.</al></li><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW
                                gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is,
                                wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering
                                ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met
                                een volledige ZW-uitkering.</al></li><li nr="3."><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de
                                ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar
                                een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op ZW-uitkering geheel
                                of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen
                                te wijten is, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening
                                gehouden met een volledige ZW-uitkering.</al></li><li nr="4."><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking
                                aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de
                                ZW-uitkering.</al></li><li nr="5."><al>Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de
                                ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere
                                aan de ambtenaar uitbetaald. </al></li></lijst><al><vet>Samenloop van bezoldiging bij ziekte met een WW-uitkering</vet></al><al>Artikel 7:20</al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                        ongeschiktheid tot het verrichten van</al><al>zijn werk is ontstaan, recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van
                        die uitkering in </al><al>mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht
                        heeft.</al><al><vet>Samenloop van bezoldiging bij ziekte met uitkering op grond van de
                            WIA</vet></al><al><vet>Artikel 7.21</vet></al><al>1.Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het
                        vervullen van zijn betrekking recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering,
                        wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag
                        waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft. </al><al>Wanneer de ambtenaar recht heeft op een IVA-uitkering dan wel een
                        WGA-uitkering in verband met volledige, maar niet duurzame
                        arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht op een bedrag ter
                        hoogte van deze IVA- of WGA-uitkering.</al><lijst><li nr="2."><al>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit
                                hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar
                                rato van de bezoldiging uit de verschillende functies, in mindering
                                gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de bezoldiging
                                wordt doorbetaald.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ambtenaar geen WGA-of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in
                                de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA-of
                                IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening
                                gehouden met een IVA-uitkering.</al></li><li nr="4."><al>Indien als gevolg van handelen of nalaten van handelingen door de
                                ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking
                                komt voor een WGA-of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan
                                worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening
                                gehouden met een IVA-uitkering.</al></li><li nr="5."><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                door betrokkene de WGA-of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan
                                wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem
                                dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                                dit artikel uitgegaan van de WGA-of IVA-uitkering zoals die werd
                                genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van
                                het bedrag plaatsvond.</al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking
                                aan het via het college tot uitbetaling laten uitkomen van de WGA-of
                                IVA-uitkering.</al></li></lijst><al><vet>Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</vet></al><al><vet>Artikel 7.22</vet></al><al>Artikel 7.21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in
                        aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft
                        op bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al><vet>Artikel 7.23</vet></al><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op
                        een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.</al><al><vet>Artikel 7:23:1</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>§ 6</vet><vet> ZIEKTEKOSTEN</vet></al><al><vet>Zorgverzekering</vet></al><al><vet>Artikel 7:24</vet></al><al>De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en
                        inactieven met IZA Zorgverzekeraar NV een overeenkomst als bedoeld in
                        artikel 18 van de Zorgverzekeringswet.</al><al><vet>Tegemoetkoming ziektekosten</vet></al><al>Artikel 7:24a</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar, die zowel de basisverzekering als een aanvullende
                                Classic- of Perfectverzekering bij IZA Zorgverzekeraar NV heeft,
                                heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten.</al></li><li nr="2."><al>De tegemoetkoming in ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in
                                de maand december uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de
                                ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in
                                ziektekosten. </al></li></lijst><al><vet>Hoogte tegemoetkoming.</vet></al><al><vet>Artikel 7:25</vet></al><al>1 De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,-- per jaar. </al><al>2 De tegemoetkoming in ziektekosten is € 296,-- per jaar als het salaris van
                        de ambtenaar maal de deelfactor lager of gelijk is aan het bedrag dat hoort
                        bij de hoogste periodiek van schaal 6.</al><al>3 De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt
                        ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij
                        in dienst is geweest</al><al>4 De peildatum voor de vergelijking in het tweede lid is de maand december.
                        Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum
                        voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in
                        dienst is geweest. </al><al><vet>Meerdere dienstverbanden.</vet></al><al><vet>Artikel 7:25a.</vet></al><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van een ander dienstverband een
                        tegemoetkoming krijgt voor ziektekosten, wordt dit verrekend met de
                        tegemoetkoming op grond van artikel 7:24a en artikel 7:25. De ambtenaar is
                        verplicht de gemeente te informeren, indien hij een dergelijke
                        tegemoetkoming ontvangt uit hoofde van een andere dienstbetrekking.</al><al><vet>Inhouding ziektekostenpremies.</vet></al><al><vet>Artikel 7:25b.</vet></al><al>Premies die de ambtenaar en/of zijn gezinsleden verschuldigd zijn aan de
                        geselecteerde zorgverzekeraar worden door het college op de bezoldiging van
                        de desbetreffende ambtenaar ingehouden en afgedragen aan de geselecteerde
                        zorgverzekeraar, tenzij de ambtenaar schriftelijk aan de geselecteerde
                        zorgverzekeraar heeft meegedeeld hiertegen bezwaar te hebben, of tenzij de
                        som van de af te dragen premies hoger is dan de netto bezoldiging van de
                        ambtenaar.</al><al><vet>Artikel 7.25.1</vet></al><al> (vervallen)</al><al><vet>Artikel 7:25:2</vet></al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 7:25:3</al><al> (vervallen)</al><al><vet>Artikel 7:25:4</vet></al><al> (vervallen)</al><al><vet>§ 7</vet><vet> OVERIGE BEPALINGEN</vet></al><al>Overgangsbepaling</al><al>Artikel 7:26</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december
                                2000 recht heeft op bezoldiging of uitkering op grond van dit
                                hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven
                                de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december
                                2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van betrokkene eindigt,
                                dan wel tot de dag met ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op
                                een uitkering krachtens de Ziektewet.</al></li><li nr="2."><al>De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem,
                                die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien
                                hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet
                                wordt toegekend.</al></li></lijst><al><vet>Garantie-uitkering</vet></al><al>Artikel 7:27</al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid
                                onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien
                                naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van
                                arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op
                                een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare arbeid
                                is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn
                                toegenomen restcapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid wordt
                                in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe
                                betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaamheden. </al></li><li nr="2."><al>De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van aanvang
                                van de ziekte in de oorspronkelijke betrekking 18 maanden 100%,
                                vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van de
                                bezoldiging die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke
                                betrekking.</al></li><li nr="3."><al>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de
                                ambtenaar ontvangt aan bezoldiging uit de betrekking waarin hij is
                                herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering,
                                invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in
                                verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de
                                arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.</al></li><li nr="4."><al>Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die
                                kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij
                                weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk
                                inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag
                                van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde
                                of de verloren gegane inkomsten.</al></li><li nr="5."><al>De garantie-uitkering eindigt:</al></li></lijst><al>a met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar
                        heeft bereikt;</al><al>b bij ontslag.</al><al><vet>Overgangsartikel</vet></al><al><vet>Artikel 7:28</vet></al><al>1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                        artikel 7:3 is gelegen voor januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5,
                        7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toepassing.</al><al>2 Op de ambtenaar bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3,
                        7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden op 31
                        december 2005, van toepassing.</al><al>3 Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                        artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO
                        recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11,
                        7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.</al><al>4 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:5,
                        7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31 december 2005, van
                        toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel
                        7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3,
                        zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006. </al><al>5 Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de eerste
                        dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1
                        januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. </al><al> De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij
                        voortduring van de ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in
                        artikel 7:3, eerste tot en met het vierde lid.</al><al><vet>Artikel 7:28:1</vet></al><al>1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van arbeidsongeschiktheid bedoeld in
                        artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van
                        toepassing</al><al>2 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals dat
                        gold op 31 december 2005,</al><al> van toepassing.</al><al><vet>Artikel 7:28a</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16 niet van
                                toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in
                                artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is artikel 7:16, zoals dat
                                gold op 30 juni 2008, van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7:28b</vet></al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel
                        7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van toepassing, zoals
                        dat gold op 30 november 2008.</al><al><vet>Artikel 7:29</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 7:29:1</vet></al><al>(vervallen).</al><al>2.De ambtenaar die reeds over een gedeelte van 2005 een vergoeding op basis
                        van artikel 7:25:2</al><al>heeft ontvangen, kan over de resterende periode in 2005 nog aanspraak
                        maken op een vergoeding</al><al>mits de periode die hij kiest direct aansluit op de periode van het
                        vorige verzoek en eindigt op</al><al> 31 december 2005. Zowel voor wat betreft de bepaling van de lasten als het
                        inkomen van de</al><al> ambtenaar wordt uitgegaan van de periode zoals bepaald op grond van de
                        vorige volzin.</al><al>3.Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de gewezen
                        ambtenaar.</al><al><vet>HOOFDSTUK 8. ONTSLAG</vet></al><al><vet>Artikel 8:1</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol
                                verleend.</al></li><li nr="2"><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></li></lijst><al>3 Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een
                        ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.</al><al><vet>Artikel 8:1:1</vet></al><al>1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang van
                        een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de
                        datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</al><al>2 Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid
                        worden afgeweken.</al><al>3 Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of
                        indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf
                        kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden
                        aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake
                        de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</al><al><vet>Artikel 8:2</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Aan de ambtenaar die de volgens artikel 7.3, eerste lid van het
                                pensioenreglement voor het recht op ouderdomspensioen vereiste
                                leeftijd heeft bereikt, wordt met ingang van de eerste dag van de
                                maand waarin hij de bedoelde leeftijd bereikt eervol ontslag
                                verleend.</al></li><li nr="2"><al>Aan de ambtenaar die voldoet aan de voorwaarden voor FPU, maar niet
                                (geheel) gebruik maakt van dit recht, wordt eervol ontslag verleend
                                met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarin hij de
                                65-jaige leeftijd bereikt.</al></li><li nr="3"><al>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede
                                instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8:2:1</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 8:2a</vet></al><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na de leeftijd
                        van 65 jaar in dienst is getreden van de gemeente, alsmede de aanstelling of
                        arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2, tweede lid, wordt beëindigd
                        wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een
                        opzegtermijn van één maand in acht genomen. </al><al><vet>Ontslag wegens reorganisatie</vet></al><al><vet>Artikel 8:3</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van
                                zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het
                                dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere
                                dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan
                                arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                                verleend.</al></li><li nr="2"><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></li></lijst><al>3 Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag
                        verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.</al><al><vet>Ontslag wegens reorganisatie</vet></al><al><vet>Artikel 8:3:1 </vet></al><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in
                        de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de
                        betrokken ambtenaren medegedeeld.</al><al><vet>Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid</vet></al><al><vet>Artikel 8:4</vet></al><al>1 Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><al>a.arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een
                        WGA-uitkering;</al><al>a.b. arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op
                        een IVA-uitkering.</al><al>2 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de
                        toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het
                        ontslag wordt eervol verleend.</al><al>3 Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden indien er
                        sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn bestrekking wegens
                        ziekte gedurende een periode van 24 maanden.</al><al>4 Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van
                        een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de
                        claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke
                        herbeoordeling.</al><al>5 het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een
                        ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze melding
                        geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21<sup>e</sup> maand na de eerste
                        ziektedag.</al><al>6 Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente
                        WIA-beschikking zijn genomen.</al><al>7 Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde
                        lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat
                        over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</al><al>8 Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden
                        worden perioden voor ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking
                        tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof
                        bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.</al><al>9 Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden
                        worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij
                        elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien
                        zij direct voorafgaand aan en aansluiten op een periode van zwangerschaps-
                        of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval
                        redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
                        oorzaak.</al><al>10 De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt
                        verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
                                24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de
                                WIA heeft vastgesteld.</al></li></lijst><al><vet>Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid</vet></al><al><vet>Artikel 8:5</vet></al><al>1 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de
                        toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het
                        ontslag wordt eervol verleend.</al><al>2 Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden
                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden;</al></li><li nr="b."><al>het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar
                                binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen, als
                                bedoeld in artikel 7:9.</al></li></lijst><al>3 Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van
                        een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de
                        claimbeoordeling op grond van de WIA en de resultaten van een mogelijke
                        beoordeling.</al><al>4 Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake is van
                        een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan de
                        ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding
                        geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33<sup>e</sup> maand na de eerste
                        ziektedag.</al><al>5 Het ontslagbesluit moet binnen één na de datum van de meest recente
                        WIA-beschikking zijn genomen.</al><al>6 Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde
                        lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat
                        over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.</al><al>7 Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak
                        van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de
                        betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaande aan het zwangerschaps-
                        en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof
                        bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen</al><al>8 Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak
                        van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld,
                        indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen,
                        of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid
                        in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                        dezelfde oorzaak.</al><al>9 De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a,
                        wordt verlengd:</al><al> a met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24,
                        eerste lid, van de WIA en</al><al> b met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                        werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA
                        heeft vastgesteld.</al><al>10Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende arbeid
                        als bedoeld in</al><al> artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden
                        na de eerst dag van ongeschiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij
                        het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende en
                        achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast.</al><al>Artikel 8:5a</al><al>1.De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens
                        ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke
                        grond weigert:</al><al>a gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen deskundige
                        of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee
                        te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige
                        getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid
                        te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;</al><al>b arbeid als bedoeld in artikel 7:11 tweede lid te verrichten waartoe het
                        college hem in de gelegenheid stelt;</al><al>c zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen
                        van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid van de
                        WIA.;</al><al>d een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al><al>2.Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het
                        eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies van het
                        UWV in.</al><al><vet>Artikel 8:5:1</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 8:6</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op
                                grond van dit artikel wordt eervol verleend.</al></li><li nr="2"><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8:7</vet></al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><al>a verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan
                        gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de betrekking
                        geldt;</al><al>b aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de betrekking
                        zou uitsluiten;</al><al>c staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke
                        uitspraak;</al><al>d toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk
                        geworden rechterlijke uitspraak;</al><al>e onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                        misdrijf;</al><al>f het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding,
                        tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.</al><al><vet>Artikel 8:7:1</vet></al><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op
                        grond van</al><al>evengenoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan
                        op de dag volgende </al><al>op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was. </al><al><vet>Artikel 8:8</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op
                                een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden
                                in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</al></li><li nr="2."><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                verleend.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8:8:1</vet></al><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8,
                        wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit
                        vermeld.</al><al><vet>Artikel 8:9</vet></al><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een
                        publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is
                        ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt indien hij ophoudt zodanige
                        functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in actieve
                        dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.</al><al><vet>Ontslag wegens pré-VUT</vet></al><al><vet>Artikel 8:10</vet></al><al>1 Behoudens het bepaalde in het volgende lid wordt aan de ambtenaar op zijn
                        verzoek eervol ontslag verleend, indien hij op de datum van zijn ontslag
                        recht heeft op een uitkering ingevolge het bepaalde in artikel 5:2;</al><al>2 Ontslag wegens pré-VUT wordt slechts verleend, indien het bestuur van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP op een desbetreffend verzoek heeft beslist, dat
                        na het te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van het
                        FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering.</al><al><vet>Artikel 8:10:1</vet></al><al>1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:10, tweede lid, gaat eerst in met ingang
                        van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge het FPU-reglement
                        basis- en aanvullende uitkering bestaat.</al><al>2 Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige toepassing.</al><al>3 Het bepaalde in artikel 8:10, eerste lid, geldt niet ten aanzien van de
                        ambtenaar op wie artikel 9:1:2 van toepassing is.</al><al><vet>Artikel 8:11</vet></al><al>1 Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond
                        van de FPU-regeling wordt eervol ontslag verleend indien het bestuur van de
                        Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede
                        het bestuur van de Stichting pensioenfonds ABP op grond van een
                        desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na te verlenen ontslag recht
                        bestaat op een uitkering op grond van die regeling.</al><al>2 Het in het eerste lid genoemde ontslag kan ook voor een gedeelte van de
                        voor de ambtenaar geldende formele arbeidsduur per week worden verleend,
                        tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het
                        deeltijdontslag bedraagt ten minste 10% van de formele arbeidsduur per week.
                        Het deeltijdontslag bedraagt telkenmale dat het wordt verleend, ten minste
                        10% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur per week. </al><al><vet>Artikel 8:11:1</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11, gaat eerst in met ingang van
                                de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge de FPU-regeling
                                bestaat.</al></li><li nr="2"><al>Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige toepassing. </al><al><vet>Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                                    urenuitbreiding</vet></al><al><vet>Artikel 8:12</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd
                                        is van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd
                                        verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin,
                                        het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat
                                        opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke
                                        aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn
                                        aangegaan.</al></li><li nr="2"><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd
                                        is aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding
                                        betreft, van rechtswege ontslagen op de datum dat de
                                        urenuitbreiding eindigt. </al></li><li nr="3"><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde
                                        tijd kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die
                                        tot de aanstelling leidde is vervallen.</al></li><li nr="4"><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde
                                        tijd is aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding
                                        betreft, ontslag worden verleend, indien de omstandigheid
                                        die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen. </al></li><li nr="5"><al>Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met het vierde
                                        lid kan niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd
                                        in artikel 2:4 zijn overschreden.</al></li><li nr="6"><al>Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag
                                        uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere
                                        regels stellen.</al></li></lijst><al><vet>Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of
                                    urenuitbreiding</vet></al><al><vet>Artikel 8:12:1</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid,
                                        kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden
                                        genoemd in dit hoofdstuk.</al></li><li nr="2"><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid,
                                        kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden
                                        genoemd in dit hoofdstuk.</al></li></lijst><al><vet>Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                                    urenuitbreiding</vet><vet>voor onbepaalde tijd</vet></al></li></lijst><al>Artikel 8:12:2</al><al>1Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, wordt een
                        opzegtermijn in acht genomen:</al><al>1 a van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de
                        urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken twaalf
                        maanden heeft geduurd; </al><al>1 b van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de
                        urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken zes maanden
                        of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft geduurd;</al><al>1 c van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de
                        urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken korter dan
                        zes maanden heeft geduurd</al><al>2 Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht
                        ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de bezoldiging. </al><al><vet>Artikel 8:13</vet></al><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend
                        worden.</al><al>Ontslag bescherming </al><al><vet>Artikel 8:14</vet></al><al>1 In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al> a wet: Wet op de ondernemingsraden;</al><al> b ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in de wet;</al><al> c ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de
                        wet</al><al>2 Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden:</al><al> a wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als bedoeld
                        in artikel 9 van de wet;</al><al> b wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad;</al><al> c wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15 van de
                        wet;</al><al> d van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een
                        ondernemingsraad;</al><al> e van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een
                        commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.</al><al>3 Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat
                        de ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in artikel 12:1,
                        derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is aangewezen om
                        bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn
                        centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de
                        werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van
                        overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen.</al><lijst><li nr="5"><al>In afwijking van het tweede lid kan ontslag op grond van artikel 8:8
                                plaatsvinden wanner de betrokkene schriftelijk in het ontslag
                                toestemt.</al></li><li nr="6"><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft
                                toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing
                                op die secretaris.</al><al><vet>Schorsing als ordemaatregel</vet></al><al><vet>Artikel 8:15:1</vet></al><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 16.1.2 kan de ambtenaar door
                                het college worden geschorst:</al><al> a wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk
                                ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf
                                mededeling is gedaan; </al><al> b wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het
                                Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of
                                voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;</al><al> c wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf
                                wordt ingesteld;</al><al> d in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het
                                belang van de dienst.</al><al>2 Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><al> a een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;</al><al> b een nauwkeurige aanduiding van de in lid 1 bedoelde omstandigheid
                                of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding heeft of hebben
                                gegeven;</al><al> c een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de
                                schorsing.</al><al><vet>Artikel 8:15:2</vet></al><al>1 Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid onder b
                                of c, kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden;
                                na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere
                                vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag
                                van de bezoldiging, plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het
                                derde lid.</al><al>2 Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:13:1, eerste lid onder a,
                                kan tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde datum van
                                ingang van het ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden
                                ingehouden, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van
                                de datum van het ontslag wordt de uitkering van de bezoldiging
                                geheel gestaakt.</al><al>3 Het betaalbare gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan de
                                ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft
                                de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan
                                het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.</al><al>4 De ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt
                                alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de
                                strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in
                                zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt
                                besloten.</al><al>5 De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt
                                alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de
                                ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.</al><al><vet>Bevoegdheid tot ontslagverlening</vet></al><al><vet>Artikel 8:15:3</vet></al><al>1 Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                                aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar
                                vervuld.</al><al>2 Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld,
                                met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een
                                omschrijving of aanduiding van die datum.</al><al>3 Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor
                                onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het
                                ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.</al><al><vet>Artikel 8:16:1</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 8:16:2</vet></al><al>1 De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan
                                tot en met de dag van het overlijden.</al><al>2 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar wordt aan
                                de weduwe of weduwnaar een bedrag uitgekeerd gelijk aan de
                                bezoldiging over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met de
                                vakantietoelage.</al><al> Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde
                                bedrag wordt in aanmerking genomen de voor de ambtenaar op de dag
                                van overlijden geldende bezoldiging per maand.</al><al> Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat geschiedt de
                                uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige, natuurlijke en
                                pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de
                                uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders,
                                meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze
                                betrekkingen.</al><al>3 Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het tweede
                                lid nalaat, kan het daar bedoelde bedrag door het bevoegd
                                bestuursorgaan geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling
                                van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien
                                de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten
                                ontoereikend is.</al><al>4 Op de uitkering, als bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering
                                gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                betrekkingen van de ambtenaar ter zake van diens overlijden
                                aanspraak kunnen maken krachtens enig wettelijk voorgeschreven
                                verzekering tegen ziekte of arbeidsongeschiktheid.</al><al><vet>Artikel 8:16:3</vet></al><al>1 Gedurende de maand waarin het overlijden van de ambtenaar
                                plaatsvond en de daarop volgende drie maanden behouden de
                                achterblijvende gezinsleden het gebruik van de dienstwoning waarin
                                zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken
                                als het college dat in het belang van de dienst noodzakelijk
                                acht.</al><al>2 Indien door de ambtenaar voor het gebruik van de dienstwoning een
                                vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden
                                deze over de tijd gedurende welke zij het gebruik van de woning
                                behouden.</al><al><vet>Artikel 8:16a </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een
                                        rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst,
                                        dan wordt aan de weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner
                                        een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen weduwe,
                                        weduwnaar of geregistreerd partner nalaat, wordt de
                                        uitkering verstrekt aan de minderjarige wettige, natuurlijke
                                        en pleegkinderen.</al></li><li nr="2."><al>De uitkering bedraagt één jaarbezoldiging, berekend over de
                                        12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand
                                        van overlijden.</al></li></lijst><al>3 Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot
                                uitkering komt in geval de ambtenaar overlijdt als gevolg van een
                                ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van
                                het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft
                                verzekerd, met een minimum van één jaarbezoldiging.</al><al><vet>Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen formele
                                arbeidsduur</vet></al><al><vet>Artikel 8:17</vet></al><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week
                                gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke
                                uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk
                                ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van
                                wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16.</al><al><vet>Overgangsbepaling</vet></al><al><vet>Artikel 8:18</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                        voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte,
                                        bedoeld in de artikelen 8:5 en 8;5a, is gelegen voor 1
                                        januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van
                                        toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de
                                        artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van
                                        toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                        voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte
                                        bedoeld, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen op
                                        of na 1 januari 2004, maar die op grond van de WAO recht
                                        hebben op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a
                                        niet van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de
                                        artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006,
                                        niet van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8:19</vet></al><al>1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in artikel
                                8:5, is gelegen vóór 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van
                                toepassing.</al><al>2 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5, zoals
                                dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.</al><al><vet>Artikel 8:20</vet></al><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                                artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of 8:5
                                van toepassing zoals dat gold op 30 november 2008.</al><al><vet>HOOFDSTUK 10. WACHTGELD</vet></al><al><vet>Artikel 10:1</vet></al><al>1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ‘betrokkene’:</al><al> a de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of artikel
                                8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit een betrekking:</al><al> 1 waarin hij vast was aangesteld;</al><al> 2 waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die aanstelling ten
                                minste vijf jaren heeft geduurd en niet is geschied in een
                                betrekking van kennelijk tijdelijke aard;</al><al> b de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of artikel
                                8:8 van deze regeling ontslag is verleend, tenzij toepassing is
                                gegeven aan het bepaalde in artikel 8:6, tweede lid, respectievelijk
                                artikel 8:8, tweede lid.</al><al>2 Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld
                                in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het
                                voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling
                                ontslag te verlenen, hem schriftelijk is medegedeeld.</al><al><vet>Artikel 10:2</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ‘lichamen’:</al><al>Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                                rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk
                                kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen en doelvermogens.</al><al><vet>Artikel 10:3</vet></al><al>1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ‘diensttijd’:</al><al> de aan het in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag
                                voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het
                                ambtenaarschap in de zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd die
                                door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de
                                pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al><al>2 Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in
                                artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de
                                Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van
                                de Wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de
                                zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</al><al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
                                buiten beschouwing:</al><al> a diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar
                                daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de toepassing van
                                artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid;</al><al> b diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van
                                de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en
                                met vijfde lid;</al><al> c diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van
                                een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan
                                een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al><al> d tijd, bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;</al><al> e tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking
                                welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij
                                vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop het
                                wachtgeld ingaat.</al><al>4 Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het
                                wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders
                                dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden,
                                worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met ingang van de dag
                                waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd
                                buiten beschouwing wordt gelaten.</al><al><vet>Artikel 10:4</vet></al><al>1 Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij
                                in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden
                                tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al><al>2 Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 10:5</vet></al><al>1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder "bezoldiging":</al><al> de bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze
                                regeling, zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking
                                was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage, bedoeld in
                                artikel 6:3 van deze regeling en de eindejaarsuitkering, bedoeld in
                                artikel 3:6.</al><al>2 Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen
                                wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling,
                                wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van
                                het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al><al>3 Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die
                                bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag
                                van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als
                                bezoldiging.</al><al>4 Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
                                voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder
                                verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de
                                bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</al></li></lijst><al>Recht op wachtgeld</al><al><vet>Artikel 10:6</vet></al><al>1 De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op
                        wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de
                        betrokkene :</al><al> a ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens het bereiken
                        van de pensioengerechtigde leeftijd;</al><al> b op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een
                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al><al> c terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als bedoeld in
                        Hoofdstuk 11a van deze regeling.</al><al>2 De betrokkene , bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht op
                        wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op
                        een lager percentage wordt vastgesteld dan 80%. De hoogte van dit wachtgeld
                        wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.</al><al> Ter bepaling van de duur van het wachtgeld wordt voor de toepassing
                        van:</al><al> a artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan
                        de mate van de arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
                        vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid tevens een
                        WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen
                        vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in
                        aanmerking wordt genomen.</al><al> b artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van ontslag.</al><al>3De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na afloop van
                        de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a, recht op wachtgeld
                        indien hij bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdel c,
                        op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is
                        verklaard recht zou hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden
                        vastgesteld ingevolge artikel 10:8 van dit besluit. Het wachtgeld gaat in op
                        de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel
                        11a:5, onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop het
                        wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag is ingegaan, zou
                        zijn toegekend ingevolge artikel 10:8, bij het buiten toepassing laten van
                        het eerste lid, onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit
                        wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in die zin dat gerekend wordt
                        vanaf het tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.</al><al>Duur van het wachtgeld</al><al><vet>Artikel 10:7</vet></al><al>1 De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het
                        ontslag ingaat.</al><al>2 Indien de betrokkene :</al><al> a in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ten
                        minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                        Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam
                        is geweest of</al><al> b onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een uitkering op
                        grond van de WAJONG of de WAZ;</al><al> wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al><al> 3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</al><al> 0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</al><al> 1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</al><al> 1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</al><al> 2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</al><al> 2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</al><al> 3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en</al><al> 4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al><al>3 Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door
                        samen telling van:</al><al> a perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                        waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld in artikel 3 van
                        de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                        werkzaam te zijn geweest, en</al><al> b de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de dag,
                        gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al><al>4 Perioden, waarin een betrokkene:</al><al> a recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op
                        de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al><al> b ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het Rijk
                        invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                        ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking
                        overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd
                        met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
                        middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                        berekend;</al><al> c een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                        arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat
                        hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon,
                        waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;</al><al> d na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond
                        van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid,
                        van die wet;</al><al> e een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met een
                        uitkering bedoeld onder a of d;</al><al> worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen
                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de
                        periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden
                        gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld
                        in het derde lid.</al><al>5 Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de
                        perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                        bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn
                        huishouden behorend kind:</al><al> a beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een
                        uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid volledig, en</al><al> b vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar
                        verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per
                        week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het
                        vierde lid, voor de helft in aanmerking genomen.</al><al>6 Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging
                        niet meegeteld de periode waarin:</al><al> a de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke
                        regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van
                        werkloosheid, of</al><al> b de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                        vakantie.</al><al>7 Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn
                        als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als
                        verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij
                        als zodanig hebben aangewezen.</al><al> Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen is het college bevoegd
                        een van hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon
                        moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</al><al>8 Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><al> a een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al><al> b een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden en
                        opgevoed.</al><al>9 De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de
                        Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 10:8</vet></al><al>1 In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een langere
                        wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere
                        verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de duur van het
                        wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al><al>2 De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd
                        voor de betrokkene:</al><al> a die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt
                        met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al><al> b die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de
                        diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%;</al><al> c die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur gelijk aan
                        78% van de diensttijd.</al><al>3 Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het voorgaande
                        lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld, waarvan de duur is
                        vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel, of van een
                        uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikel 11:8, tweede lid
                        van deze regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld op
                        basis van het tweede lid mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij
                        de berekening van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
                        toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur
                        wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende
                        uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in het volgende lid,
                        in mindering gebracht.</al><al>4 In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die ten tijde
                        van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten
                        minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de som van zijn leeftijd en
                        diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop
                        van de termijn waarover wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging
                        verleend. Deze bijzondere verlenging duurt tot de eerste dag van de
                        kalendermaand waarin hij 65 jaar wordt.</al><al>5 De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in het
                        geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de vorenbedoelde
                        verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de betrokkene nadien wederom een
                        diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft
                        vervuld. In dat geval blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de
                        bijzondere verlenging, buiten aanmerking.</al><al>Vervolgwachtgeld</al><al><vet>Artikel 10:9</vet></al><al>1 De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in artikel
                        10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat wachtgeld recht
                        op een vervolgwachtgeld.</al><al>2 De betrokkene die</al><al> a het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7, eerste lid, heeft
                        bereikt en</al><al> b voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel
                        a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op
                        verlenging van de wachtgeldduur, heeft recht op een vervolgwachtgeld.</al><al>3 Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                        vervolgwachtgeld een jaar.</al><al>4 De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag van zijn
                        ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.</al><al>5 De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van
                        artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde,
                        bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend
                        recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een
                        tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn
                        beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het
                        vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige
                        volzin bedoelde datum.</al><al>6 De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, aan
                        wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 10:8 een
                        wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel
                        10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een
                        vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip
                        gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou
                        zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het
                        vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de
                        in de vorige volzin bedoelde datum.</al><al>7 Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het wachtgeld
                        van overeenkomstige toepassing op het vervolgwachtgeld.</al><al>Bedrag van het wachtgeld</al><al><vet>Artikel 10:10</vet></al><al>1 Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden gelijk
                        aan 87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen maanden 77%
                        van die bezoldiging en vervolgens 67% van die bezoldiging. Bij intrekking
                        van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages,
                        genoemd in de vorige volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het bedrag van
                        het wachtgeld daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen waarop
                        de betrokkene recht zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met
                        recht op wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn
                        gepensioneerd naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de
                        berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het pensioenreglement, in
                        de betrekking waaruit het wachtgeld is toegekend.</al><al>2 In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld tijdens de
                        verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk aan het bedrag van
                        het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien verstande dat gedurende
                        het eerste jaar van die verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van
                        de bezoldiging.</al><al><vet>Bedrag van het vervolgwachtgeld</vet></al><al><vet>Artikel 10:11</vet></al><al>1 Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het minimumloon, met
                        dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de
                        bezoldiging.</al><al>2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon verstaan
                        het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder
                        a, van de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag, of, indien het een
                        betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende
                        minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                        genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag,
                        bedoeld in artikel 15 van die wet.</al><al>Verplichtingen </al><al><vet>Artikel 10:12</vet></al><al>1 Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij
                        verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn
                        persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te
                        aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van
                        elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        passend kan worden geacht.</al><al>2 Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is
                        hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als
                        werkzoekende te doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die
                        waarop het ontslag ingaat, dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.</al><al>3 De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in
                        het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het
                        buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is
                        verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar
                        gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid
                        biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                        arbeidsbureau.</al><al>4 Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                        verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen
                        die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt.</al><al>5 De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is voorts
                        verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in
                        het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het
                        verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</al><al>6 De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen vinden
                        overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem ontslag op grond van
                        artikel 8:4 van deze regeling is verleend, dan wel het voornemen tot zodanig
                        ontslag hem schriftelijk is medegedeeld.</al><al>7 Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht er in toe
                        te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in
                        aanmerking komen alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke
                        inlichtingen geven.</al><al>Verplichtingen bij ziekte</al><al><vet>Artikel 10:13</vet></al><al>1 Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of
                        daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen
                        aan het college.</al><al>2 Het college stelt nader voorschriften vast met betrekking tot de
                        geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.</al><al>3 Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de
                        mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij
                        verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een
                        WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk
                        is voor het verkrijgen van deze uitkering.</al><al>4 Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering
                        aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                        toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering
                        behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al><al>5 Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                        en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                        uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te
                        zijn genoten.</al><al>Verhuiskosten</al><al><vet>Artikel 10:14</vet></al><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders
                        arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van
                        de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een
                        daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al>Vermindering</al><al><vet>Artikel 10:15</vet></al><al>1Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid,
                        waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ,
                        of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is
                        verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem
                        ontslag te verlenen, wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot
                        het bedrag waarmee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven
                        gaan.</al><al>1 Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met
                        inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt,
                        wordt een vermindering van het wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel
                        10:19, eerste lid, niet in aanmerking genomen.</al><al>2 Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en die
                        wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte
                        ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op
                        wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin
                        van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als
                        volgt verrekend. De inkomsten – ter hand genomen met ingang van of na de dag
                        waarop het ontslag plaatsvond - uit de betrekking die door betrokkene als
                        wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij
                        betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.</al><al> In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening
                        op zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt
                        verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering, in voorkomend geval
                        vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan niet aangevuld met wachtgeld
                        of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of
                        bedrijf met inbegrip van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de
                        oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een
                        bedrag aan overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
                        wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag
                        aan overschrijding.</al><al>3 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende
                        vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is toegekend.</al><al>4 Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid,
                        inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand
                        genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere
                        inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De
                        hier bedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of
                        hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de
                        betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het
                        ontslag.</al><al>5 Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet verstaan
                        inkomsten, verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</al><al>Opgave van inkomsten</al><al><vet>Artikel 10:16</vet></al><al>1 De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na
                        de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke mededeling is
                        gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan
                        het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij
                        doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die
                        arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in
                        alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de
                        eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</al><al>2 Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
                        betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke
                        wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de
                        arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen.
                        Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het
                        college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden
                        berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de
                        opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig
                        vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van even bedoelde
                        termijn.</al><al>3 Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave,
                        bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al><al>4 Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten
                        aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel
                        10:15, derde en vierde lid.</al><al>Verlenging</al><al><vet>Artikel 10:17</vet></al><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het
                        recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld komt
                        een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige betrekking gaat
                        vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de duur van die
                        betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur
                        van het wachtgeld toegevoegd.</al><al>Opschorting</al><al><vet>Artikel 10:18</vet></al><al>1 Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak op
                        doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten bedrage van de
                        laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband met de betrekking
                        waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering
                        van de wachtgeldregeling vervat in dit hoofdstuk opgeschort tot het einde
                        van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</al><al>2 Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige
                        in militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere
                        uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in dit hoofdstuk opschorten tot
                        het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</al><al>Samenloop</al><al><vet>Artikel 10:19</vet></al><al>1 Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met
                        recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op en WAO-uitkering, in
                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van
                        het wachtgeld, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                        genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                        arbeidsongeschiktheid van</al><al> 65% tot 80%: 80%;</al><al> 55% tot 65%: 60%;</al><al> 45% tot 55%: 50%;</al><al> 35% tot 45%: 40%;</al><al> 25% tot 35%: 30%;</al><al> 15% tot 25%: 20%;</al><al> minder dan 15%: 0%.</al><al> De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het verminderde
                        wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat
                        wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van
                        overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op het wachtgeld in
                        mindering gebracht.</al><al>2 Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                        aanvraagt en hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij
                        een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort. </al><al>3 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door
                        betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                        en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                        uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te
                        zijn genoten.</al><al>4 Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet of de Ziektewet, wordt gedurende de termijn
                        waarover die aanspraken bestaan, het wachtgeld slechts uitbetaald voor zover
                        het evenbedoelde uitkeringen te boven gaat.</al><al>Betaling</al><al><vet>Artikel 10:20</vet></al><al>1 Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar boven tot
                        een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de
                        bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld werd genoten.</al><al>2 Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het wachtgeld
                        over langere termijnen geschieden.</al><al>Afkoop</al><al><vet>Artikel 10:21</vet></al><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een
                        regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten dele
                        wordt vervangen door een afkoopsom.</al><al>Verval van het wachtgeld</al><al><vet>Artikel 10:22</vet></al><al>1 Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard:</al><al> a indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16, eerste en tweede
                        lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet;</al><al> b indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12, tweede, derde of
                        vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan
                        redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt;</al><al> c indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het
                        buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te verblijven;</al><al> d indien de betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of
                        krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn gesteld;</al><al> e indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag zou zijn
                        verleend als hij in dienst was gebleven;</al><al> f indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene verleende ontslag
                        zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan, die zo deze eerder
                        bekend waren aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met
                        toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen.</al><al>2 Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12, eerste
                        lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte waarmede het,
                        tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te
                        boven zou zijn gegaan.</al><al>3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing
                        op de ambtenaar bedoeld in artikel 10;12, zesde lid, aan wie in dat geval
                        een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld wordt toegekend.</al><al>4 Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van
                        voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van inkomsten geschiedt
                        tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het
                        oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                        verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                        behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of
                        gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</al><al><vet>Artikel 10:23</vet></al><al>1 Het recht op wachtgeld vervalt:</al><al> a met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin betrokkene 65
                        jaar wordt.</al><al> b op de dag na het overlijden van de betrokkene;</al><al> c op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en derde lid,
                        bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door het
                        arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling
                        bepaalde tijdstippen te doen verlengen;</al><al> d op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan wel
                        de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven
                        aan een oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die instantie,
                        die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat voor hem passend kan worden
                        geacht dan wel weigert dergelijk werk te aanvaarden.</al><al>2 Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop betrokkene
                        recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid, is van
                        overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit wachtgeld de
                        duur, voor zover deze wordt berekend aan de hand van artikel 10:8, en de
                        hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.</al><al>Overlijdensuitkering</al><al><vet>Artikel 10:24</vet></al><al>1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan de
                        nagelaten echtgenoot een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als
                        bedoeld in artikel 10:5, over een tijdvak van drie maanden. Laat de
                        overledene geen echtgenoot na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van
                        zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel minderjarige
                        pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering
                        ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de
                        overledene kostwinner was.</al><al>2 Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde
                        betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van een door de
                        overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op het wachtgeld een
                        vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel 10:15, wordt een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan het verminderde wachtgeld over een tijdvak van drie
                        maanden.</al><al> Is de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend naar het
                        onverminderde wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering, berekend
                        naar het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag aangevuld.</al><al>3 Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat,
                        kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor
                        betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de
                        nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.</al><al>4 Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen
                        ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al>Slotbepalingen</al><al><vet>Artikel 10:25</vet></al><al>1 Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de
                        wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de
                        resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de wachtgeldregeling
                        zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien
                        verstande dat de hoogte, voor de reeds vastgestelde duur nooit lager zal
                        zijn dan op grond van de wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus
                        1991.</al><al>2 Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die
                        voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen
                        in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van 1 augustus 1991, de
                        duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van het toegekende
                        wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                        laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al><al>3 Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de wachtgeldregeling
                        wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens begrepen het wachtgeld,
                        waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 5 van de
                        wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</al><al>4 Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de wachtgeldregeling
                        wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens begrepen de uitkering
                        waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 6 van de
                        uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</al><al><vet>Artikel 10:26</vet></al><al>1 Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als bedoeld
                        in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur, nadat toepassing is
                        gegeven aan artikel 10:25, tweede lid, verstrijkt in de periode van 1
                        augustus 1991 tot en met 31 december 1995, heeft recht op een
                        overgangsuitkering.</al><al>2 De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien verstande
                        dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De overgangsuitkering
                        gaat in direct na het verstrijken van het wachtgeld als bedoeld in het
                        eerste lid en wordt in maandelijkse termijnen betaald.</al><al>3 De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan het
                        minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan
                        70% van de bezoldiging.</al><al>4 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a,
                        van de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag.</al><al>5 De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 10:27</vet></al><al>1 Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van
                        de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze luidde voor 1 januari
                        1995, en waarvan de duur doorloopt na 31 december 1994, behoudt wat betreft
                        de hoogte van dit wachtgeld de aanspraken zoals deze zijn vastgesteld in
                        even genoemde verordening.</al><al>2Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari
                        1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</al><al><vet>Gevolgen Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen</vet></al><al><vet>Artikel 10:28</vet></al><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                        uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en 10:23
                        van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Slotbepaling</vet></al><al><vet>Artikel 10:29</vet></al><al>1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met
                        ingang van 1 januari 2001 of later.</al><al>2Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of
                        UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst
                        van deze artikelen zoals die luidde op 31 december 2000.</al><al><vet>HOOFDSTUK 10a BOVENWETTELIJK WERKLOOSHEIDSUITKERING</vet></al><al><cursief>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1
                            juli 2008 wordt ontslagen.</cursief></al><al><vet>§ 1. Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10a:1</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>1 a <vet>werkloosheid:</vet> werkloosheid in de zin van artikel 16 van de
                        Werkloosheidswet;</al><al>b <vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar die werkloos geworden is;</al><al>c <vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet zonder
                        de maximering van het dagloon, als bedoeld in artikel 22 Besluit
                        dagloonregels werknemersverzekeringen jo. Artikel 17, eerste lid, van de Wet
                        financiering sociale verzekeringen</al><al>d <vet>bovenwettelijke uitkering:</vet> de aanspraken die de ambtenaar kan
                        ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de aanvullende uitkering als omschreven
                        in paragraaf 2 van dit hoofdstuk en de aansluitende uitkering als omschreven
                        in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de gemeentelijke
                        werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 10a:9, lid 3.</al><al>2 Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al><vet>§ 2. Aanvullende uitkering</vet></al><al><vet>Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie</vet></al><al><vet>Artikel 10a:2</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:</al></li><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21
                                van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4,
                                8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c , 8:8;</al></li><li nr="2."><al>Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling
                                indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag
                                recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11 a van de
                                CAR.</al></li><li nr="3."><al>Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot
                                het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een
                                WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of
                                meer, heeft recht op een aanvullende uitkering op het moment dat de
                                mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
                                vastgesteld dan 80% en daardoor recht heeft op een uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet.</al></li><li nr="4."><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan
                                uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de
                                aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking terzake
                                waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten
                                inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.</al></li></lijst><al><vet>Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</vet></al><al><vet>Artikel 10a:3</vet></al><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de
                        dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene recht op
                        aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover dat betrekking heeft op het
                        inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt
                        ontleend.</al><al><vet>Hoogte van de uitkering: indexering</vet></al><al><vet>Artikel 10a:4</vet></al><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt telkens aangepast
                        aan de voor de sector Gemeenten geldende algemene
                        bezoldigingswijziging.</al><al><vet>Hoogte van de uitkering: bedrag</vet></al><al><vet>Artikel 10a:5</vet></al><al>1 De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering
                        bedragen tezamen een percentage van de berekeningsgrondslag van de
                        aanvullende uitkering.</al><al>2 Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70%.</al></li></lijst><al> een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van de
                        Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de
                        berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</al><al>3 Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van de
                        Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de
                        berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</al><al>4 Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als bedoeld in
                        artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag.</al><al><vet>Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen 11
                            augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</vet></al><al><vet>Artikel 10a:5a</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op
                                of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en op de eerste dag van werkloosheid jonger is dan 57,5
                                heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet gedurende twee jaar recht op een verlengde
                                uitkering.</al></li><li nr="2"><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op
                                of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                geworden en op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is,
                                heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet gedurende 3,5 jaar recht op een verlengde
                                uitkering</al></li><li nr="3"><al>De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en
                                tweede lid, is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode
                                van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid niet
                                is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al></li><li nr="4"><al>Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                                toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="5"><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de verlengde
                                uitkering in mindering gebracht.</al></li></lijst><al><vet>Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie artikel
                            130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is</vet></al><al><vet>Artikel 10a:5b</vet></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                        Werkloosheidswet van toepassing is.</al><al><vet>Beëindiging van het recht op uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10a:6</vet></al><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
                        recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing
                        op de aanvullende uitkering.</al><al><vet>Herleving van het recht op uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10a:7</vet></al><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de</al><al>Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</al><al><vet>Verlenging van het recht op uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10a:8</vet></al><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al><vet>Verplichtingen en sancties</vet></al><al><vet>Artikel 10a:9</vet></al><al>1 Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                        toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in lid 2
                        gestelde en met dien verstande dat een boete in de zin van de
                        Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de
                        aanvullende uitkering.</al><al>2 Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij
                        heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de
                        uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent het college een
                        aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig dat de uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering tezamen een bedrag
                        vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht zou hebben
                        gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in
                        aanmerking te willen komen.</al><al>3 Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij
                        heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de
                        uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet geheel weigert, kent het college een gemeentelijke
                        werkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de duur overeenkomen met de
                        uitkering krachtens de Werkloosheidswet waarop de betrokkene recht zou
                        hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in
                        aanmerking te willen komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt,
                        indien aan de voorwaarden van artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een
                        aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de
                        bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de toepassing van
                        dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke werkloosheidsuitkering gelijkgesteld
                        aan een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</al><al><vet>Anticumulatie</vet></al><al><vet>Artikel 10a:10</vet></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al><vet>Scholing</vet></al><al><vet>Artikel 10a:11</vet></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de
                        aanvullende uitkering.</al><al><vet>Aanvulling op ziekengeld</vet></al><al><vet>Artikel 10a:12</vet></al><al>1 De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te verrichten en
                        dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt (ziekengeld),
                        heeft, indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin
                        van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest, recht op
                        aanvulling van dat ziekengeld.</al><al>2 Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen
                        tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op grond
                        van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte ongeschikt
                        zou zijn om arbeid te verrichten.</al><al>3 Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op
                        de aanvulling op het ziekengeld.</al><al><vet>Aanvulling op Waz-uitkering</vet></al><al><vet>Artikel10a:12a</vet></al><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft op
                        een uitkering op grond van de Waz, heeft recht op een aanvulling tot het
                        haar geldende dagloon.</al><al><vet>Aanvulling op REA-uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10a:12b</vet></al><al>1De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en dientengevolge een
                        uitkering</al><al>krachtens de Werkloosheidswet ontvangt, kan bij proefplaatsing en scholing
                        bij een nieuwe werkgever recht hebben op een uitkering op grond van de Wet
                        op (re)integratie arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben op een
                        aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a2 van dit hoofdstuk wanneer
                        hij geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou hebben gehad, bestaat er ook
                        in dit geval recht op aanvulling.</al><al>2 De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering bedragen
                        tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat betrokkene op grond van
                        artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij een WW-uitkering en aanvullende
                        uitkering zou ontvangen.</al><al><vet>Uitkering bij overlijden</vet></al><al><vet>Artikel 10a:13</vet></al><al>1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in aanvulling
                        op artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering
                        toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen
                        gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over
                        een periode van 13 weken.</al><al>2 Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene
                        ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een
                        andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al><vet>Grensarbeiders</vet></al><al><vet>Artikel 10a:13a</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De betrokkene die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
                                betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71,
                                eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op een
                                WW-uitkering heeft, heeft recht op een aanvullende uitkering
                                voorzover de omstandigheid dat hij geen recht op WW-uitkering heeft,
                                uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten Nederland
                                woont.</al></li><li nr="2"><al>De uitkering op grond van dit artikel:</al></li><li nr="a."><al>eindigt niet door de omstandigheid dat betrokkene wegens ziekte of
                                arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden,
                                indien hij geen recht op een uitkering als bedoeld in artikel 19,
                                eerste lid, onderdeel a, b of n, WW vanwege het enkele feit dat zijn
                                verzekering op grond van de daar genoemde wetten is geëindigd;</al></li><li nr="b."><al>is, indien betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op een
                                WW-uitkering, niet van invloed op het recht op bovenwettelijke
                                uitkering dat voor betrokkene verbonden is aan dat recht op een
                                WW-uitkering.</al></li><li nr="3"><al>De uitkering waarop betrokkene op grond van dit artikel recht heeft,
                                is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en de aanvullende
                                uitkering waarop betrokkene recht zou hebben indien hij in Nederland
                                zou hebben gewoond.</al></li><li nr="4"><al>Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering
                                wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg naar
                                het recht van zijn woonland, wordt die uitkering voor de toepassing
                                van het derde lid gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op
                                grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt
                                plaats voor ten hoogste de maximale duur van de overeenkomstige
                                uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de
                                aanvullende uitkering waarop betrokkene recht zou hebben gehad
                                indien hij in Nederland had gewoond.</al></li><li nr="5"><al>Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte,
                                zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of arbeidsongeschiktheid
                                naar het recht van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in
                                mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over
                                dezelfde periode.</al></li><li nr="6"><al>Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een
                                uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een
                                ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg, een
                                bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en
                                strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering naar het recht
                                van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van dit artikel het
                                karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond
                                van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de
                                wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien
                                deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk
                                is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.</al></li></lijst><al><vet>§ 3. Aansluitende uitkering</vet></al><al><vet>Diensttijd</vet></al><al><vet>Artikel 10a:14</vet></al><al>1 In deze paragraaf wordt verstaan onder `diensttijd': de aan het ontslag
                        voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het
                        deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden, alsmede
                        tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al><lijst><li nr="2"><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de
                                tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is
                                ontstaan, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van
                                het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering
                                ABP (Stc.1997,164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde
                                regeling niet is verbonden.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
                                buiten beschouwing:</al></li><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar;
                            </al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de
                                duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee gelijk te
                                stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid of een
                                bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten
                                laste van de overheid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                                pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een
                                ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een
                                soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in artikel 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                                pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke
                                de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig
                                werkloos is geworden met ingang van de datum waarop de uitkering
                                krachtens de Werkloosheidswet ingaat.</al></li></lijst><al><vet>Voorwaarden voor recht op uitkering/ samenloop met suppletie</vet></al><al><vet>Artikel 10a:15</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die: </al></li><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21
                                van de Werkloosheidswet en </al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4,
                                8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het derde lid.</al></li></lijst><al>2 Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die door
                        het college op basis van artikel 10a:9 derde lid een gemeentelijke
                        werkloosheidsuitkering is toegekend.</al><lijst><li nr="3"><al>In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel
                                8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik
                                is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste
                                volzin biedt.</al></li><li nr="4"><al>Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag van
                                de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de
                                geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering krachtens
                                de Werkloosheidswet is verstreken.</al></li><li nr="5"><al>Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat het
                                recht op de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag,
                                waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
                                uitkeringsduur van de verlengde uitkering is verstreken.</al></li><li nr="6"><al>Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet
                                van toepassing is, ontstaat het recht op aansluitende uitkering op
                                de eerste werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat
                                zodra de geldende uitkeringsduur van uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet is verstreken.</al></li></lijst><al>7 Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling indien
                        en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op
                        suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11 a van de CAR.</al><al>8 De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het
                        verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 8:5 recht
                        heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80%
                        of meer, heeft recht op een aansluitende uitkering, berekend naar de duur,
                        als bepaald in artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van
                        arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en
                        hij om die reden recht heeft op een uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet.</al><al>9 Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtste, is ontstaan uit twee
                        of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aansluitende uitkering
                        toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar
                        rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                        dienstbetrekkingen.</al><al><vet>Duur van de uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10a:16</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie
                                maanden, vermeerderd voor de betrokkene: </al></li><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd; </al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van
                                de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met
                                1,5%. </al></li><li nr="2"><al>De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met: </al><al> a de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals
                                deze is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid en </al><al> b twee jaar.</al></li></lijst><al>3 Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor betrokkene,
                        genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van
                        ontslag.</al><al>4 De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55 jaren of
                        ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de eerste
                        dag van de kalender- maand waarin hij 65 jaar wordt.</al><al><vet>Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die tussen 11
                            augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</vet></al><al><vet>Artikel 10a:16a</vet></al><al>1De duur van de aansluitende uitkering voor betrokkene die recht heeft opeen
                        aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus
                        2004 werkloos is geworden, wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd
                        voor de betrokkene; </al><al>a die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt
                        met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;</al><al>b die op de dag van ontslag 21 jaar is met een duur van 19,5% van de
                        diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%</al><al> en wordt verminderd met de duur van de loongerelateerde uitkering krachtens
                        de</al><al> Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de
                        werkloosheid en de duur van de verlengde uitkering genoemd in artikel 10a5a. </al><al>2De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na
                        11 augustus</al><al>2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en die op de eerste dag
                        van werkloosheid de leeftijd van 55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft
                        recht op een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand,
                        volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een
                        uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in mindering gebracht
                        op de aansluitende uitkering.</al><lijst><li nr="3"><al>Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover
                                toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="4"><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende
                                uitkering in mindering gebracht.</al></li></lijst><al><vet>Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie artikel
                            130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is</vet></al><al><vet>Artikel 10a:16b</vet></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                        Werkloosheidswet van toepassing is.</al><al><vet>Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</vet></al><al><vet>Artikel 1Oa:17</vet></al><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>Hoogte van de uitkering: indexering</vet></al><al><vet>Artikel 10a:18</vet></al><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>Hoogte van de uitkering: bedrag</vet></al><al><vet>Artikel 10a:19</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag,
                                zolang een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van
                                werkloosheid nog niet is verstreken en vervolgens 70% van de
                                berekeningsgrondslag.</al></li><li nr="2"><al>Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als
                                bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum
                                van ontslag.</al></li><li nr="3"><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h,
                                tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende
                                uitkering in mindering gebracht.</al></li></lijst><al><vet>Beëindiging van het recht op uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10a:20</vet></al><al>1 De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of
                        gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van
                        overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>2 In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op aansluitende
                        uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid
                        wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de
                        Ziektewet.</al><al>3 Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht op
                        uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van de Werkloosheidswet
                        zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de uitkeringsduur. In dat
                        geval eindigt het recht op uitkering na het verstrijken van de
                        uitkeringsduur van de aansluitende uitkering, berekend overeenkomstig
                        artikel 10a:16.</al><al><vet>Nawerking Ziektewet en Waz</vet></al><al><vet>Artikel 1Oa:20a</vet></al><al>Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz na aanvang
                        van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering krachtens de
                        Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt deze uitkering in mindering
                        gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>Herleving van het recht op uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10a:21</vet></al><al>1 De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van het
                        recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                        uitkering.</al><al>2 Artikel 43 van de Werkloosheidwet en artikel 50 van de Werkloosheidswet,
                        zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003, St.
                        2003, 546, met betrekking tot verlenging van het recht op uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet zijn niet van overeenkomstige toepassing op de
                        aansluitende uitkering </al><al><vet>Verplichtingen en sancties</vet></al><al><vet>Artikel 10a:22</vet></al><al>1 Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                        overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al>2 Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet
                        van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>Anticumulatie</vet></al><al><vet>Artikel 10a:23</vet></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de
                        aansluitende uitkering.</al><al><vet>Scholing</vet></al><al><vet>Artikel 10a:24</vet></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                        toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>Uitkering bij overlijden</vet></al><al><vet>Artikel 10a:25</vet></al><al>1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in onder
                        overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36, eerste lid,
                        Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het
                        bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor
                        betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken.</al><al>2 Op de uitkering als, bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht
                        het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de
                        betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</al><al><vet>Grensarbeiders</vet></al><al><vet>Artikel 10a:25a</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van
                                artikel 10a:13a heeft betrokkene recht op de aansluitende uitkering
                                waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou hebben
                                gewoond.</al></li><li nr="2"><al>Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a, tweede,
                                vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing. </al></li></lijst><al><vet>§ 4. Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen</vet></al><al><vet>Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</vet></al><al><vet>Artikel 10a:26</vet></al><al>1 Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat nemen en
                        recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering
                        indien hij geen betrekking zou hebben aanvaard of bedrijf ter hand zou
                        hebben genomen, kan op zijn aanvraag een vergoeding van € 2.270,-- worden
                        toegekend als tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke
                        verhuizing.</al><al>2 Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een tegemoetkoming in de
                        verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding op de in het eerste lid genoemde
                        tegemoetkoming in mindering gebracht.</al><al><vet>Artikel 10a:27</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in
                                aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde: </al></li><li nr="a."><al>de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of bedrijf met
                                tenminste 50% met een minimum van vijf uur te verminderen; </al></li><li nr="b."><al>te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de
                                werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de oorspronkelijk
                                vastgestelde beëindigingsdatum van de uitkeringsperiode;</al></li><li nr="c."><al>arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd met
                                een duur van minimaal één jaar, blijkend uit de overlegging van het
                                arbeidscontract;</al></li><li nr="d."><al>zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats van de
                                nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen deze
                                standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer moet bedragen;
                            </al></li><li nr="e."><al>schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen hoofde
                                ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft als de
                                uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze melding
                                verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat de
                                uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</al></li></lijst><al>2 Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst als
                        vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is verhuisd.</al><al><vet>Reïntegratietoeslag</vet></al><al><vet>Artikel 10a:28</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag
                                indien: </al></li><li nr="a."><al>hij een dienstbetrekking in de zin van de werkloosheidswet aanvaardt
                                en </al></li><li nr="b."><al>het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager is dan
                                90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag, met
                                inachtneming van het tweede lid.</al></li></lijst><al>2 De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                        dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het college.</al><al>3 Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is dan de
                        omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een
                        reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang van de oude
                        betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                        berekeningsgrondslag.</al><al>4 Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van tijdelijke aard
                        is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar te zijn
                        overeengekomen.</al><al>5 In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of artikel 10a:32
                        van de CAR van toepassing is, is er geen recht op de in het eerste lid
                        genoemde reïntegratietoeslag.</al><al><vet>Artikel 10a:29</vet></al><al>1 De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk vol jaar dat
                        de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of aansluitende
                        uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet zou hebben
                        verkregen.</al><al>2 Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis van het
                        eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog recht zou hebben op
                        een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar beneden afgerond.</al><al><vet>Artikel 10a:30</vet></al><al>1 De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:</al><al> a indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken;</al><al> b indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe betrekking;</al><al>c indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie maanden het in
                        artikel 10a:31 opgenomen niveau van de reïntegratietoeslag te boven zijn
                        gegaan.</al><lijst><li nr="2"><al>Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid, onderdeel b
                                wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe
                                betrekking per kalenderweek:</al></li><li nr="a."><al>ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek
                                heeft verloren dat er minder dan vijf arbeidsuren resteren of </al></li><li nr="b."><al>minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek
                                heeft verloren dat er minder dan de helft van de arbeidsuren
                                resteren.</al></li></lijst><al>3 Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe betrekking,
                        blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren waarvoor betrokkene nog
                        werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan naar rato uitgekeerd.</al><al>4 De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een overzicht
                        te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking die hij in
                        die maand heeft genoten. Op basis van dit overzicht wordt bepaald of er een
                        recht op een reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te
                        zijn.</al><al>5 Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste lid,
                        onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer herleven.</al><al><vet>Artikel 10a:31</vet></al><al>1 De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking aan tot
                        90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al><al>2Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a:28, derde
                        lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit de nieuwe betrekking,
                        omgerekend naar de omvang van de oude betrekking, naar rato aan tot 90% van
                        de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al><al><vet>Reïntegratiepremie</vet></al><al><vet>Artikel 10a:32</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden
                                toegekend indien:</al></li><li nr="a."><al>betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens
                                werkloosheid geniet en</al></li><li nr="b."><al>hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of bedrijf gaat
                                uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig wordt opgeheven.</al></li></lijst><al>2 Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient uiterlijk 10
                        weken na beëindiging van de uitkering op basis van de Werkloosheidswet door
                        betrokkene te worden ingediend.</al><al>3 Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien het
                        verzoek betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke uitkering.</al><al>4 Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend,
                        wordt het recht op een maandelijks te betalen bovenwettelijke uitkering door
                        het recht op een bedrag ineens vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde
                        rechten van betrokkene op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen
                        10a:7,10a:8 en 10a:21 zijn dan niet van toepassing.</al><al>5 Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens
                        werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21 herleeft voordat een
                        besluit over het verzoek van betrokkene omtrent de toekenning van een
                        reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief besloten op dit verzoek.</al><al><vet>Artikel 10a:33</vet></al><al>1 De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van de
                        maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop betrokkene nog
                        recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe dienstbetrekking had aanvaard
                        en gedurende de gehele resterende periode waarin hij nog aanspraak zou
                        hebben gehad op bovenwettelijke uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn
                        gebleven als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de
                        nieuwe werkgever.</al><al>2 Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan van de
                        berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op de datum van
                        toekenning van de premie wordt vastgesteld.</al><al>3 Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen invloed op
                        de berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.</al><al><vet>Artikel 10a:34</vet></al><al>De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
                        berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het dagloon
                        van de betrokkene.</al><al><vet>§ 5. Overgangsbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10a:35</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Overige en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10a:36</vet></al><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een
                        algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging,
                        tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes maanden na datum van
                        het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige
                        wijze ten aanzien van de aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd
                        vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde
                        maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                        Staatsblad.</al><al><vet>Artikel 10a:37</vet></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al><al><vet>Slotbepaling</vet></al><al><vet>Artikel 10a:38</vet></al><al>1 Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                        2008 wordt ontslagen.</al><al>2 Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO moet,
                        voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze
                        artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.</al><al><vet>HOOFDSTUK 10d</vet><vet> VOORZIENINGEN BIJ WERKLOOSHEID</vet></al><al><vet> §1 Werkingssfeer en begripsbepalingen</vet></al><al><vet>Werkingssfeer</vet></al><al><vet>Artikel 10d:1</vet></al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die op grond van artikel
                        8:3, 8:5, 8:6, of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van 8:3,
                        8;5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.</al><al><vet>Begripsbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 10d:2</vet></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>aanvullende uitkering de uitkering tijdens de
                                werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b."><al>bezoldiging het gemiddelde van de bezoldiging als bedoeld in artikel
                                3:1, berekend over een periode van 12 maanden direct voorafgaand aan
                                de datum van de reïntegratiefase, vermeerderd met de vakantietoelage
                                en de eindejaarsuitkering; deze bezoldiging wordt geïndexeerd met de
                                generieke salarisverhoging in de gemeentelijke sector;</al></li><li nr="c."><al>gemeentelijke sector de gemeenten en gemeenschappelijke regelingen,
                                die de CAR van toepassing hebben verklaard;</al></li><li nr="d."><al>na-wettelijke uitkering de uitkering na afloop van de
                                werkloosheidsuitkering</al></li><li nr="e."><al>reïntegratiefase de fase voorafgaand aan ontslag, waarin door middel
                                van een reïntegratieplan afspraken worden gemaakt over de wijze
                                waarop de reïntegratie van de ambtenaar het best tot stand kan komen
                                en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel werkloosheid zoveel
                                als mogelijk is te voorkomen;</al></li><li nr="f."><al>reïntegratieplan het plan van aanpak waarin de
                                reïntegratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar beschreven
                                staan, die tot doel hebben de reïntegratie van de ambtenaar te
                                bevorderen;</al></li><li nr="g."><al>werkloosheid werkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet,
                                waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit de aanstelling of
                                arbeidsovereenkomst bij de gemeente waaruit werkloosheid
                                plaatsvindt;</al></li><li nr="h."><al>werkloosheidsuitkering uitkering op grond van de Werkloosheidswet,
                                welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of
                                arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al></li></lijst><al><vet>§ 2 Samenloop met sociaal statuut en sociaal plan</vet></al><al><vet>Artikel 10d:3</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Indien lokaal ruimere afspraken gelden, dan die in dit hoofdstuk
                                zijn gesteld, bespreken college en GO of tot herziening moet worden
                                overgegaan van deze lokale afspraken.</al></li><li nr="2"><al>Indien lokaal ruimere afspraken gelden, gelden deze lokale afspraken
                                in plaats het gestelde in dit hoofdstuk.</al></li></lijst><al><vet> § 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</vet></al><al><vet>Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</vet></al><al><vet>Artikel 10d:4</vet></al><al>1 Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, treft het
                        college een passende regeling.</al><al>2 De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door het
                        college gehoord.</al><al>3 Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van dit
                        hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.</al><al><vet> § 4 Reïntegratiefase</vet></al><al><vet>Reïntegratiefase voor ontslag</vet></al><al><vet>Artikel 10d:5</vet></al><al>1 De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:3 of 8:6 heeft
                        recht op een reïntegratiefase.</al><al>2 De reïntegratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van
                        artikel 8:3 of 8:6.</al><al>3 De reïntegratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of
                        overhandiging van het besluit tot ontslag.</al><al>4 de reïntegratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij
                        de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het
                        dienstverband gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente,
                        waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de
                        reïntegratiefase.</al><al>5 Bij ontslag op grond van artikel 8:3 </al><al>duurt de reïntegratiefase bij een dienstverband van:</al><lijst><li nr="a."><al>7 maanden 2 tot 10 jaar </al></li><li nr="b."><al>11 maanden 10 tot 15 jaar</al></li><li nr="c."><al>15 maanden 15 jaar of meer.</al></li></lijst><al>6 Bij ontslag op grond van artikel 8:6</al><al>duurt de reïntegratiefase bij een dienstverband van:</al><lijst><li nr="d."><al>4 maanden 2 tot 10 jaar </al></li><li nr="e."><al>8 maanden 10 tot 15 jaar</al></li><li nr="f."><al>12 maanden 15 jaar of meer.</al></li></lijst><al><vet>Einde reïntegratiefase</vet></al><al><vet>Artikel 10d:6</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De reïntegratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de
                                ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van
                                deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen of
                                buiten de gemeente aanvaardt.</al></li><li nr="2"><al>De reïntegratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van
                                artikel 8:3 of 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens
                                de reïntegratiefase niet houdt aan de afspraken uit het
                                reïntegratieplan. Het college neemt hierbij de algemene beginselen
                                van behoorlijk bestuur in acht.</al></li><li nr="3"><al>Indien de reïntegratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid
                                genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en
                                een na-wettelijke uitkering. Het college neemt hierbij de algemene
                                beginselen van behoorlijk bestuur in acht.</al></li></lijst><al><vet>Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente</vet></al><al><vet>Artikel 10d:7</vet></al><al>1 De reïntegratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de
                        reïntegratiefase niet houdt aan de afspraken uit het reïntegratieplan.</al><al>2 De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de
                        oorspronkelijke reïntegratiefase.</al><al>3 Tijdens de verlengde reïntegratiefase herstelt het college de nalatigheid
                        naar de mate waarin dat mogelijk is.</al><al>4 Tijdens de verlengde reïntegratiefase blijven de gemaakte afspraken uit
                        het reïntegratieplan van kracht.</al><al><vet>Verlenging reïntegratiefase door middel van levensloop</vet></al><al><vet>Artikel 10d:8</vet></al><al>1 De ambtenaar kan het college verzoeken de reïntegratiefase met maximaal 12
                        maanden te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald
                        verlof als bedoeld in artikel 6:9.</al><al>2 Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de </al><al> reïntegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn </al><al> reïntegratieverplichtingen en indien:</al><lijst><li nr="a."><al>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur;
                                en</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed opneemt
                                op grond van de gemeentelijke levensloopregeling; en</al></li><li nr="c."><al>tijdens de verlengde reïntegratiefase activiteiten worden ondernomen
                                of voortgezet die de reïntegratie bevorderen.</al></li></lijst><al>3 Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden
                        waaronder de inspanningen van het college en de ambtenaar, zoals deze zijn
                        neergelegd in het reïntegratieplan, tijdens de verlenging van de
                        reïntegratiefase worden voortgezet.</al><al>4 Artikel 10d:6 is tijdens de verlenging van de reïntegratiefase van
                        overeenkomstige </al><al> toepassing.</al><al><vet>Reïntegratieplan</vet></al><al><vet>Artikel 10d:9</vet></al><al>1 Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na
                        aanvang van de reïntegratiefase een reïntegratieplan op.</al><al>2 De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het
                        college gehoord.</al><al>3 In het reïntegratieplan worden afspraken opgenomen over de
                        reïntegratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar verlangd
                        worden. In het reïntegratieplan staan in ieder geval afspraken over:</al><lijst><li nr="-"><al>verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd
                                zijn in het reïntegratieplan;</al></li><li nr="-"><al>scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin
                                van die scholing, het einde van die scholing, de betaling en de te
                                behalen resultaten;</al></li><li nr="-"><al>opstellen arbeidsmarktprofiel;</al></li><li nr="-"><al>sollicitatieactiviteiten.</al></li></lijst><al>4 In het reïntegratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de
                        verschillende activiteiten uit het reïntegratieplan. De kosten voor de
                        activiteiten uit het reïntegratieplan komen, mits redelijk en billijk,
                        volledig voor rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=.</al><al><vet>§ 5 Aanvullende uitkering</vet></al><al><vet>Aanvullende uitkering bij ontslag</vet></al><al><vet>Artikel 10d:10</vet></al><al>1 Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:3 of 8:6 is ontslagen;</al></li><li nr="b."><al>de reïntegratiefase heeft doorlopen, zonder toepassing van artikel
                                10d:6, tweede lid;</al></li><li nr="c."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en deze
                                ook daadwerkelijk ontvangt.</al></li></lijst><al>2 Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de
                        ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle
                        gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte
                        van zijn aanvullende uitkering. </al><al><vet>Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</vet></al><al><vet>Artikel 10d:11</vet></al><al>1 De aanvullende uitkering kent twee fases.</al><al>2 Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ambtenaren met een bezoldiging tot een bedrag van € 4.375,= 10%
                                van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar
                                werkloos is;</al></li><li nr="b."><al>voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 4.375,= tot een bedrag
                                van € 5.250,= 20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren
                                dat de ambtenaar werkloos is;</al></li><li nr="c."><al>voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 5.250,= 30% van de
                                bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos
                                is.</al></li></lijst><al>3 Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ambtenaren met een bezoldiging van € 4.375,= tot een bedrag van
                                € 5.250,= 10% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat
                                de ambtenaar werkloos is;</al></li><li nr="b."><al>voor ambtenaren met een bezoldiging van € 5.250,= tot een bedrag van
                                € 6.560,= 20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat
                                de ambtenaar werkloos is;</al></li><li nr="c."><al>voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 6.560,= 30% van de
                                bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos
                                is.</al></li></lijst><al><vet>Duur aanvullende uitkering bij ontslag</vet></al><al><vet>Artikel 10d:12</vet></al><al>1 De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf
                        de dag na de dag van ontslag.</al><al>2 De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de
                        eerste fase en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.</al><al><vet>Sancties</vet></al><al><vet>Artikel 10d:13</vet></al><al>1 Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast op de
                        werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de
                        aanvullende uitkering.</al><al>2 Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie op
                        grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op. </al><al>3 Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast kan
                        het college besluiten om het recht op nawettelijke uitkering geheel of
                        gedeeltelijk te laten vervallen.</al><al>4 Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels op.</al><al><vet>Einde aanvullende uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10d:14</vet></al><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.</al><al><vet>§ 6 Na-wettelijke uitkering</vet></al><al><vet>Na-wettelijke uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10d:15</vet></al><al>1 De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een
                        na-wettelijke uitkering indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering
                                voortduurt;</al></li><li nr="b."><al>hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente
                                overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn
                                na-wettelijke uitkering.</al></li></lijst><al>2 Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het ontslag
                        gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.</al><al><vet>Hoogte na-wettelijke uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10d:16</vet></al><al>1 De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer heeft de
                        hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet.</al><al>2 Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het bedrag van
                        de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar
                        werkloos is.</al><al>3 De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in
                        verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de oude bezoldiging
                        niet overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke
                        uitkering.</al><al><vet>Duur na-wettelijke uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10d:17</vet></al><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke
                        sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is</al><lijst><li nr="a."><al>1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b."><al>2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50
                                jaar </al></li><li nr="c."><al>3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst><al><vet>Einde na-wettelijke uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10d:18</vet></al><al>1 De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is
                        verstreken.</al><al>2 De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid eindigt.</al><al>3 De na-wettelijke uitkering eindigt op de eerste dag van de maand volgend
                        op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden bereikt
                        heeft.</al><al><vet>Sancties na-wettelijke uitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10d:19</vet></al><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden
                        toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de
                        sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het college te
                        informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de
                        na-wettelijke uitkering.</al><al><vet>Afkoop</vet></al><al><vet>Artikel 10d:20</vet></al><al>1 Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op
                        verzoek van de ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de na-wettelijke
                        uitkering. </al><al>2 Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden
                        waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al><al><vet> § 7 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing
                            ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</vet></al><al><vet> Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35%
                            arbeidsongeschiktheid</vet></al><al><vet>Artikel 10d:21</vet></al><al>1 De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die gedurende
                        het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid, is ontslagen op
                        grond van artikel 8:5 dan wel definitief is herplaatst op grond van artikel
                        7:16, heeft recht op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij
                        arbeid heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV
                        definitief is vastgesteld.</al><al>2 Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de ambtenaar
                        ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die
                        van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn bijzondere uitkering.</al><al><vet>Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of
                            definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16.</vet></al><al><vet>Artikel 10d:22</vet></al><al>1 De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het
                        totaalinkomen uit of in verband met arbeid en de bezoldiging voorafgaand aan
                        aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al><al>2 Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering
                        gebracht.</al><al><vet>Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of
                            definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16.</vet></al><al><vet>Artikel 10d:23</vet></al><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de
                        nieuwe arbeid.</al><al><vet>Paragraaf 8</vet><vet> Overgangsrecht</vet></al><al><vet>Overgangsuitkering</vet></al><al><vet>Artikel 10d:24 </vet></al><al>1In afwijking van artikel 10d:17 is de duur van de na-wettelijke uitkering
                        voor de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke sector
                                en</al></li><li nr="b."><al>ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 </al></li></lijst><al>gelijk aan (0,25 + (0,195 +0,015 * (X-21) *(X – Y) – (X – 18) / 12 – 2)
                        jaar, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38.
                        Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag;
                        factor Y voor indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.</al><al><vet>HOOFDSTUK 11. UITKERINGSREGELING ONTSLAG</vet></al><al><vet>§ 1. Begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet>Artikel 11:1</vet></al><al>1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen ambtenaar aan
                        wie ontslag is verleend:</al><al> a op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking waarin hij
                        tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling minder dan vijf jaren
                        heeft geduurd dan wel is geschied in een betrekking van kennelijk tijdelijke
                        aard;</al><al> b op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze regeling, met
                        uitzondering van artikel 8:9, mits dat ontslag niet op eigen verzoek is
                        geschied en evenmin aan eigen schuld of toedoen is te wijten;</al><al> en die aan dat ontslag geen recht op een uitkering ingevolge artikel 8:3
                        kan ontlenen.</al><al>2 Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden verstaan de
                        gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij of zij de echtgenoot
                        of geregistreerd partner volgt die door geheel buiten hem of haar liggende
                        oorzaken noodzakelijk van standplaats moet veranderen.</al><al><vet>Artikel 11:2</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ‘lichamen’:</al><al>Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                        rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen
                        worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
                        doelvermogens.</al><al><vet>Artikel 11:3</vet></al><al>1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ‘diensttijd’:</al><al> de aan het in artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                        overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van
                        de WPA is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek,
                        bedoeld in artikel D 2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn
                        verklaard.</al><al>2 Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd
                        doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 11:1,
                        is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het
                        zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                        1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is
                        verbonden.</al><al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten
                        beschouwing:</al><al> a diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een maand daarvan
                        wegens verleend ontslag;</al><al> b diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur
                        van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen
                        uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid,
                        behalve voor de toepassing van artikel 11:8, vierde lid;</al><al> c diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een
                        pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                        verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een soortgelijke
                        bepaling in een andere overheidsregeling;</al><al> d tijd, bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement; </al><al> e tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een betrekking welke
                        de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig ontslag
                        heeft genomen met ingang van de datum waarop de uitkering ingaat.</al><al>4 Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een uitkering in
                        aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders dan ten laste van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag
                        van de uitkering met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan,
                        herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al><al><vet>Artikel 11:4</vet></al><al>1 Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of
                        privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke
                        persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden
                        verricht.</al><al>2 Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                        Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 11:5</vet></al><al>1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder ‘bezoldiging’: de bezoldiging
                        bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling zoals deze laatstelijk
                        vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de
                        vakantietoelage bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling en de
                        eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 3:6.</al><al>2 Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de
                        vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag
                        berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande
                        twaalf volle kalendermaanden.</al><al>3 Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging
                        zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn
                        blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die
                        wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</al><al>4 Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de
                        opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden
                        het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene
                        worden herzien.</al><al><vet>§ </vet><vet>2 </vet><vet>uitkering</vet></al><al>Bedrag en duur</al><al><vet>Artikel 11:6</vet></al><al>1 Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat behoudens
                        het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag waarop het ontslag
                        ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur wordt vastgesteld:</al><al> a voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden onmiddellijk
                        voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26 weken als werknemer als
                        bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is geweest, ingevolge
                        artikel 11:7;</al><al> b voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste drie jaar
                        onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, ingevolge artikel 11:7, dan wel
                        wanneer het bepaalde in artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanleiding geeft
                        ingevolge artikel 11:8, tweede lid en, indien van toepassing artikel 11:8,
                        vierde lid.</al><al>2 Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden waarin
                        de betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid verhinderd was
                        werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in
                        artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van werknemer heeft
                        herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a, bedoelde periode van 12
                        maanden verlengd met de duur van de perioden van de bedoelde
                        verhindering.</al><al>3 De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking
                        genomen, voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de
                        betrokkene is ontslagen en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor
                        eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen en voor zover deze
                        niet reeds eerder in aanmerking zijn genomen voor een recht op
                        uitkering.</al><al>4 Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld weken,
                        waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen.</al><al>5 De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en vierde lid, van
                        de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al>6 In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet aan de
                        verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid, is voldaan, het
                        recht op uitkering ingaat met de dag waarop de inschrijving bij het
                        arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft plaatsgehad.</al><al>7 Geen recht op uitkering bestaat:</al><al> a indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering
                        berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al><al> b indien de betrokkene terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie
                        als bedoeld in Hoofdstuk 11a van deze regeling;</al><al> c indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd van 65 jaar
                        heeft bereikt;</al><al> d indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten;</al><al> e indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht moet worden
                        niet te leiden tot onvrijwillige werkloosheid;</al><al> f voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt,
                        aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem eervol ontslag zal worden
                        verleend en die na die mededeling een hem aangeboden betrekking, welke mede
                        in verband met zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden voor hem passend
                        is te achten, heeft geweigerd te aanvaarden.</al><al>8 De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht op
                        uitkering met ingang van de dag waarop de mate van de arbeidsongeschiktheid
                        op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80%. De hoogte van deze
                        uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter
                        bepaling van de duur van de uitkering wordt voor de toepassing van:</al><al> a artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan
                        de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld,
                        waarbij voor de toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in
                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, vastgesteld naar
                        een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt
                        genomen.</al><al> b artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van ontslag.</al><al>9 Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag door de
                        betrokkene.</al><al>Duur van de uitkering</al><al><vet>Artikel 11:7</vet></al><al>1 De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het ontslag
                        ingaat.</al><al>2 Indien de betrokkene :</al><al> a in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ten
                        minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                        Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam
                        is geweest of</al><al> b onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een uitkering op
                        grond van de WAJONG of WAZ;</al><al> wordt de duur van de uitkering verlengd met:</al><al> 3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</al><al> 0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</al><al> 1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</al><al> 1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</al><al> 2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</al><al> 2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</al><al> 3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en</al><al> 4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al><al>3 Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door
                        samentelling van:</al><al> a perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                        waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld in artikel 3 van
                        de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                        werkzaam te zijn geweest, en</al><al> b de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de dag,
                        gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al><al>4 Perioden, waarin een betrokkene:</al><al> a recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op
                        de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%.</al><al> b ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het rijk
                        invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                        ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking
                        overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd
                        met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de
                        middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                        berekend;</al><al> c een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                        arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
                        arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat
                        hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon,
                        waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;</al><al> d na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond
                        van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid,
                        van die wet;</al><al> e een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met een
                        uitkering bedoeld onder a of d;</al><al> worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen
                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de
                        periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden
                        gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld
                        in het derde lid.</al><al>5 Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de
                        perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag,
                        bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn
                        huishouden behorend kind:</al><al> a beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                        dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een
                        uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid, volledig, en</al><al> b vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar
                        verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per
                        week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het
                        vierde lid, voor de helft in aanmerking genomen.</al><al>6 Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging
                        niet meegeteld de periode waarin:</al><al> a de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke
                        regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van
                        werkloosheid, of</al><al> b de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                        vakanties.</al><al>7 Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn
                        als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als
                        verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij
                        als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt
                        aangewezen, is het college bevoegd een van hen die naar hun oordeel van het
                        college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te
                        wijzen.</al><al>8 Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:</al><al> a een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al><al> b een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden en
                        opgevoed.</al><al>9 De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de
                        Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 11:8</vet></al><al>1 In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien dit
                        leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover van
                        toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid van dit
                        artikel is begrepen, de duur van de uitkering vastgesteld overeenkomstig de
                        volgende leden.</al><al>2 De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden, gelijk
                        aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven wordt afgerond
                        op hele maanden.</al><al>3 De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten hoogste
                        vastgesteld op 24 maanden.</al><al>4 Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van ten
                        minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en diensttijd,
                        die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60 jaren of meer bedraagt,
                        wordt hem na afloop van de termijn waarover uitkering is toegekend
                        aansluitend gedurende een periode van zes maanden een bijzondere verlenging
                        verleend.</al><al>Vervolguitkering</al><al><vet>Artikel 11:9</vet></al><al>1 De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel
                        11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die uitkering recht
                        op een vervolguitkering.</al><al>2 De betrokkene die</al><al> a het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, eerste lid,
                        heeft bereikt, en</al><al> b voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel
                        a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op
                        verlenging van de uitkeringsduur, heeft recht op een vervolguitkering.</al><al>3 Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                        vervolguitkering een jaar.</al><al>4 De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag van zijn
                        ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.</al><al>5 De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend,
                        heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende
                        uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop
                        zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge
                        artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen een jaar
                        na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al><al>6 De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is en aan
                        wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft aansluitend
                        recht op een vervolguitkering indien de toegekende uitkering eindigt op een
                        tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn
                        uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge
                        artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen drie en
                        een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al><al>7 Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de uitkering
                        van overeenkomstige toepassing op de vervolguitkering.</al><al>Bedrag van de uitkering</al><al><vet>Artikel 11:10</vet></al><al>1 Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden gelijk aan
                        87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee maanden 77% en vervolgens
                        67% van de bezoldiging.</al><al>2 Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de bijzondere
                        verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de bezoldiging.</al><al>3 Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de
                        percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3 procentpunten
                        verhoogd.</al><al>Bedrag van de vervolguitkering</al><al><vet>Artikel 11:11</vet></al><al>1 Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon, met dien
                        verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de
                        bezoldiging.</al><al>2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het
                        maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a,
                        van de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag, of, indien het een
                        betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende
                        minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                        genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag,
                        bedoeld in artikel 15 van die wet.</al><al>Verhuiskosten</al><al><vet>Artikel 11:12</vet></al><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij
                        elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de
                        voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten
                        van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al>Vermindering</al><al><vet>Artikel 11:13</vet></al><al>1 Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid,
                        waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of WAZ, of
                        bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is verleend
                        dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te
                        verlenen, wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering
                        toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering samen de
                        bezoldiging te boven gaan.</al><al> Voor de bepaling van het bedrag waarmede de uitkering vermeerderd met
                        inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt,
                        wordt een vermindering van de uitkering ingevolge artikel 11:23, eerste lid,
                        niet in aanmerking genomen.</al><al>2 Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en die
                        wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking ontslag is
                        verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op uitkering
                        doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij ambtenaar was in de zin van het
                        pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt
                        berekend. De inkomsten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop
                        het ontslag plaats vond uit de betrekking die door betrokkene gedurende de
                        met recht op uitkering doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend
                        over de maand waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden
                        betrekking te hebben.</al><al> In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening
                        op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende uitkering wordt
                        verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al dan niet aangevuld met een
                        wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met
                        arbeid of bedrijf met inbegrip van de oorspronkelijk toegekende uitkering de
                        oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een
                        bedrag aan overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende
                        wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag
                        aan overschrijding.</al><al>3 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende
                        vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is toegekend.</al><al>4 Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid, inkomsten
                        of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór
                        evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het
                        bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al> De hier bedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten
                        of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien
                        betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het
                        ontslag.</al><al>5 Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan
                        inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.</al><al><vet>Opgave van inkomsten</vet></al><al><vet>Artikel 11:14</vet></al><al>1 De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na
                        de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk mededeling is
                        gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan
                        het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij
                        doet hij voor zover mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in
                        verband met die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of
                        blijvende wijzigingen in alle even genoemde bedragen geeft hij tijdig voor
                        het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn op.</al><al>2 Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de
                        betrokkene zijn op te geven doet hij vóór het verschijnen van elke
                        uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de
                        arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen.
                        Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het
                        college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden
                        berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de
                        opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig
                        vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van even bedoelde
                        termijn.</al><al>3 Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave,
                        bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al><al>4 Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten
                        aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel
                        11:13, het derde en vierde lid.</al><al><vet>Overlijdensuitkering</vet></al><al><vet>Artikel 11:15</vet></al><al>1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in
                        artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot een bedrag uitgekeerd gelijk
                        aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5 over een tijdvak van drie
                        maanden. Laat de overledene geen echtgenoot na dan geschiedt de uitkering
                        ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel
                        minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de
                        uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen
                        van wie de overledene kostwinner was.</al><al>2 Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde
                        betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een door de
                        overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan op de uitkering
                        een vermindering werd toegepast op grond van artikel 11:13, wordt een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan de verminderde uitkering over een tijdvak van drie
                        maanden, voor zover nodig aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen
                        gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al><al>3 Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat,
                        kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor de
                        betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de
                        nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.</al><al>4 Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het
                        bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen
                        ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                        krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                        arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al><al><vet>Verplichtingen bij ziekte</vet></al><al><vet>Artikel 11:16</vet></al><al>1 Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of
                        daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen
                        aan het college.</al><al>2 Het college stelt nader voorschriften vast met betrekking tot de
                        geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.</al><al>3 Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de
                        mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij
                        verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een
                        WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk
                        is voor het verkrijgen van deze uitkering.</al><al>4 Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering
                        aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                        toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering
                        behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al><al>5 Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                        betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                        en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                        uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te
                        zijn genoten.</al><al>Uitkering bij ziekte</al><al><vet>Artikel 11:17</vet></al><al>1 Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft op een
                        van de uitkeringen bedoeld in artikel 11:6 tot en met 11:15 dan wel
                        uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens ziekte verhinderd is
                        arbeid te verrichten, wordt hem telkens met ingang van de vierde dag van die
                        verhindering een uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene deze
                        over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft genoten. De
                        bepalingen van hoofdstuk 7 van deze regeling, zoals dit luidde voor 1
                        januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al><al>Samenloop </al><al><vet>Artikel 11:18</vet></al><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17, eerste
                        lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens ziekte
                        aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in artikel 11:6 tot en
                        met 11:15, opgeschort.</al><al>Afkoop </al><al><vet>Artikel 11:19</vet></al><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in
                        artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering
                        geheel of ten dele worden afgekocht.</al><al>Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering</al><al><vet>Artikel 11:20</vet></al><al>1 Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de
                        voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b,
                        uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid, vervalt
                        met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en wordt bij weer
                        intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw toegekend voor de resterende
                        duur met ingang van de dag waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat,
                        tenzij de betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid
                        aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens
                        enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.</al><al>2 Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de
                        werkloosheid begrepen:</al><al> a het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste dienstbetrekking;</al><al> b het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een naar zijn
                        aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde werkgever, voorzover de omvang
                        van de nieuwe dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de
                        dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering bestaat.</al><al>3 Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering als
                        bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft opnieuw recht
                        op een uitkering, mits de betrokkene :</al><al> a binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond als
                        bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a, arbeid in dienstbetrekking
                        heeft aanvaard; en</al><al> b in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als werknemer als
                        bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet.</al><al>4 Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de betrokkene
                        zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte
                        weken.</al><al>5 De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes
                        maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende
                        uitkering als bedoeld in het eerste lid.</al><al>6 Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als
                        bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als bedoeld in
                        het derde lid, op aanvraag door de betrokkene.</al><al>7 Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende aanvraag,
                        bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid, niet binnen een
                        termijn van twee jaren na het ontstaan of het opnieuw ontstaan van dat recht
                        bij het college is ingekomen.</al><al>Verplichtingen</al><al><vet>Artikel 11:21</vet></al><al>1 Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt is hij
                        verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn
                        persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te
                        aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van
                        elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        passend kan worden geacht.</al><al>2 Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is
                        hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als
                        werkzoekende te doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die
                        waarop het ontslag ingaat. Hij dient binnen veertien dagen daarna een bewijs
                        van inschrijving als werkzoekende van het arbeidsbureau aan het college over
                        te leggen.</al><al>3 De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in
                        het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het
                        buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is
                        verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar
                        gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid
                        biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                        arbeidsbureau.</al><al>4 Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven
                        verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van
                        betrokkenen.</al><al>5 De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich te
                        gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het algemeen of
                        voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van
                        een betrekking of andere bron van inkomsten.</al><al>6 Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er in toe
                        te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college daarvoor in
                        aanmerking komen, alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke
                        inlichtingen geven.</al><al>Opschorting</al><al><vet>Artikel 11:22</vet></al><al>1 Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak op
                        doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een uitkering ten bedrage
                        van de laatstgenoten bezoldiging in verband met de betrekking waaruit hem
                        ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de
                        uitkeringsregeling vervat in dit hoofdstuk opgeschort tot het einde van het
                        tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</al><al>2 Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige
                        in militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere
                        uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling opschorten tot
                        het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</al><al>Samenloop</al><al><vet>Artikel 11.23</vet></al><al>1 Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met
                        recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op en WAO-uitkering, in
                        voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van
                        de uitkering, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                        genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
                        arbeidsongeschiktheid van</al><al> 65% tot 80%: 80%;</al><al> 55% tot 65%: 60%;</al><al> 45% tot 55%: 50%;</al><al> 35% tot 45%: 40%;</al><al> 25% tot 35%: 30%;</al><al> 15% tot 25%: 20%;</al><al> minder dan 15%: 0%.</al><al> De som van het in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en de verminderde uitkering
                        bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde uitkering die wordt genoten
                        indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                        overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering gebracht.</al><al>2 Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering
                        aanvraagt en hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de
                        toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij
                        een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort. </al><al>3 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door
                        betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering
                        ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                        en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde
                        uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te
                        zijn genoten.</al><al><vet>Artikel 11:24</vet></al><al>Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet of de Ziektewet, wordt gedurende de termijn
                        waarover die aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling toegekende
                        uitkeringen niet uitbetaald.</al><al>Betaling</al><al><vet>Artikel 11:25</vet></al><al>1 Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar boven tot
                        een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de
                        bezoldiging welke vóór de toekenning van de uitkering werd genoten.</al><al>2 Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de uitkering over
                        langere termijnen geschieden.</al><al>Verval van uitkeringen</al><al><vet>Artikel 11:26</vet></al><al>1 De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                        verklaard:</al><al> a indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave bedoeld in
                        artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig
                        doet;</al><al> b indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in artikel 11:21,
                        tweede en derde lid, dan wel indien hij zonder toestemming van het college
                        gedurende de tijd, waarin hij een uitkering geniet, de in evengenoemd leden
                        bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze op de door het
                        arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling
                        bepaalde tijdstippen te doen verlengen;</al><al> c indien de betrokkene enig op grond van artikel 11;21, vijfde lid, gegeven
                        voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan
                        worden gemaakt, dan wel indien er overigens gegronde reden is om aan te
                        nemen dat hij niet ernstig tracht werk te vinden;</al><al> d indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het
                        buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te verblijven;</al><al> e indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens
                        artikel 11:16, eerste en tweede lid zijn gesteld;</al><al> f indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag zou zijn
                        verleend als hij in dienst was gebleven;</al><al> g indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene verleende ontslag
                        zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die, zo deze eerder
                        bekend waren, aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met
                        toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag te verlenen;</al><al> h indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden.</al><al>2 Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige toepassing op
                        een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al><al>3 Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21, eerste lid,
                        niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan
                        wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling opzettelijk of door
                        nalatigheid verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van het
                        arbeidsbureau, welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in
                        verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden
                        opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden, vervalt de
                        uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de verzuimde of
                        verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</al><al>4 Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van
                        voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van een aangeboden
                        betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen van inkomsten geschiedt
                        tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het
                        oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                        verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                        behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of
                        gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</al><al>Einde van het recht op uitkering</al><al><vet>Artikel 11:27</vet></al><al>1 Het recht op uitkering eindigt:</al><al> a met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin
                        de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;</al><al> b met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                        overleden;</al><al> c indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.</al><al>2 Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop betrokkene
                        recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een
                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is van
                        overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze uitkering de
                        duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van artikel 11:8, en de
                        hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.</al><al>3 De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige toepassing
                        op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al><al>Nadere voorschriften</al><al><vet>Artikel 11:28</vet></al><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften
                        geven.</al><al>Overgangsbepalingen</al><al><vet>Artikel 11:29</vet></al><al>1 Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                        uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de
                        resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de uitkeringsregeling
                        zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien
                        verstande dat de hoogte, voor de reeds vastgestelde duur, nooit lager zal
                        zijn dan op grond van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1
                        augustus 1991.</al><al>2 Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die
                        voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen
                        in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991,
                        de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van de toegekende
                        uitkering langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                        laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al><al>3 De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van artikel 11,
                        eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde tot 1 augustus
                        1991, en welke als gevolg van beëindiging van de werkloosheid is vervallen,
                        behoudt binnen de in artikel 13, tweede lid genoemde termijn en
                        overeenkomstig de overige daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw
                        toekennen van de uitkering. Artikel 13, eerste lid van de uitkeringsregeling
                        zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, blijft van toepassing op een weder
                        toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat
                        de duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het
                        tweede lid.</al><al><vet>Artikel 11:30</vet></al><al>1 Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van
                        de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze luidde voor 1 januari
                        1995, en waarvan de duur doorloopt na 31 december 1994, behoudt wat betreft
                        de hoogte van deze uitkering de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in de
                        even genoemde verordening.</al><al>2 Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1
                        januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</al><al>Artikel 11:31</al><al>(vervallen)</al><al><vet>Slotbepaling</vet></al><al><vet>Artikel 11:32</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of
                                later.</al></li><li nr="2"><al>Bij de verwijzing in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR
                                en/of UWO moet, voor zover niet anders bepaald, worden uitgegaan van
                                de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op 31 december
                                2000.</al></li></lijst><al><vet>HOOFDSTUK 11a SUPPLETIE</vet></al><al><vet>Begripsomschrijving</vet></al><al><vet>Artikel 11a:1</vet></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al> 1 a <vet>arbeidsongeschiktheid:</vet> arbeidsongeschikt in de zin van
                        artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                        arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al><al> b <vet>arbeidsongeschiktheidsuitkering:</vet> een periodieke uitkering,
                        toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die voortvloeit uit enig
                        dienstverband van betrokkene;</al><al> c <vet>WAO-uitkering:</vet> uitkering op grond van de WAO;</al><al> d <vet>betrokkene:</vet> de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de
                        WPA, aan wie op grond van artikel 8:5 ontslag is verleend op grond van
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, en die
                        ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, met
                        uitzondering van degene die zijn resterend verdienvermogen volledig benut in
                        een of meer aangehouden betrekkingen;</al><al> e <vet>bestuursorgaan:</vet> het orgaan als bedoeld in artikel 8:5, eerste
                        lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te verlenen;</al><al> f <vet>suppletie:</vet> de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6;</al><al> g <vet>dagloon:</vet> het dagloon in de zin van de Wet op de
                        arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van de maximum
                        dagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale
                        Verzekering, vermeerderd met het bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in
                        artikel 10 van de Wet financiële voorziening privatisering ABP, en in
                        voorkomend geval verminderd met bijdragen strekkende tot betaling van de
                        premie van een door of voor de betrokkene afgesloten particuliere
                        ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b,
                        van het Besluit Algemene Dagloonregelen WAO;</al><al> h <vet>berekeningsgrondslag van de suppletie:</vet> het dagloon van
                        betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem recht
                        op suppletie wordt toegekend, voor zover dat betrekking heeft op inkomen uit
                        de betrekking waaraan het recht op suppletie wordt ontleend; </al><al> i <vet>werkloosheidsuitkering:</vet> een periodieke uitkering ter zake van
                        ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig dienstverband van
                        betrokkene.</al><al>2. Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                        genomen.</al><al><vet>Recht op suppletie</vet></al><al><vet>Artikel 11a:2</vet></al><al>1 Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem ontslag
                        is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                        betrekking wegens ziekte.</al><al>2 Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid bedoelde
                        ontslag wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid voor de
                        vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden onafgebroken heeft
                        geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode van 90 maanden worden
                        perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van
                        minder dan vier weken opvolgen.</al><al><vet>Artikel 11a:3</vet></al><al>1 Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van
                        overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.</al><al>2 Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de
                        Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede gangbare arbeid.
                        Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen geaccepteerde
                        arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat
                        is.</al><al><vet>Artikel 11a:4</vet></al><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang:</al><al>a betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van
                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al><al>b betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan ontlenen op
                        herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van het pensioenreglement
                        van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al><vet>Artikel 11a:5</vet></al><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><al>a na ommekomst van de duur van de suppletie;</al><al>b met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                        overleden;</al><al>c met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd
                        van 65 jaar bereikt.</al><al><vet>Suppletie</vet></al><al><vet>Artikel 11a:6</vet></al><al>1 De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag van de
                        suppletie.</al><al>2 De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast aan de
                        voor de sector Gemeenten geldende algemene bezoldigingswijziging.</al><al>3 Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt:</al><al> a gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%;</al><al> b gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.</al><al><vet>Artikel 11a:7</vet></al><al>1 In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien in artikel 11a:2
                        bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan het moment waarop de
                        ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24
                        maanden onafgebroken heeft geduurd, de in artikel 11a:6, derde lid, genoemde
                        periode verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en
                        het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft
                        geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode
                        gedurende welke betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag
                        van de suppletie.</al><al>2 Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden
                        worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een
                        onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.</al><al><vet>Artikel 11a:8</vet></al><al>1Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie,
                        ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op suppletie is ontstaan,
                        een werkloosheidsuitkering, een Waz-uitkering dan wel een
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het bedrag van de genoemde
                        uitkering of uitkeringen in mindering gebracht op het bedrag van de
                        suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer
                        dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering,
                        wordt die uitkering voor de toepassing van de eerste volzin, toegekend aan
                        de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend,
                        naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de
                        desbetreffende dienstbetrekkingen.</al><al>2 Indien de betrokkene recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                        die kan worden toegerekend aan een dienstbetrekking, waaruit hij is
                        ontslagen op een datum, gelegen vóór de datum van ontslag uit de
                        dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend welk
                        recht voortduurt na laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging
                        van de mate van de arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het bedrag van
                        die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht
                        op het bedrag van de suppletie.</al><al>Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen
                        als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering
                        voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend aan de in die volzin
                        eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten
                        uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekking.</al><al>3 Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een individueel
                        geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot een kennelijk
                        onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het bestuursorgaan ten gunste
                        van die betrokkene tot een wijze van toerekenen besluiten die met de
                        strekking van dit artikel overeenkomt.</al><al><vet>Artikel 11a:9</vet></al><al>1 Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie
                        inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan
                        bedoeld in artikel 11a:8, wordt de berekeningsgrondslag van de suppletie
                        verminderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al><al>2 Onder inkomsten uit of in verband met bedrijf , bedoeld in het eerste lid,
                        worden begrepen inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die zijn
                        ontstaan:</al><al> a met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake waarvan de
                        betrokkene suppletie is toegekend, hem is aangezegd;</al><al> b gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk voorafgaande
                        aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend;</al><al> c vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is
                        toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en b, en artikel 11a:8, tweede
                        lid, voor zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die dag inkomsten of meer
                        inkomsten worden genoten door de betrokkene, terwijl die inkomsten of die
                        meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn van een
                        verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met het ontslag.</al><al>3 In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van betrokkene
                        afwijken van het tweede lid.</al><al><vet>Artikel 11a:10</vet></al><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds
                        geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van
                        handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of meer
                        werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                        arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan
                        wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde
                        uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft: </al><al>a vermindering ondergaan;</al><al>b blijvend geheel geweigerd worden;</al><al>c tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden, dan wel</al><al>d in uitkeringsduur beperkt worden.</al><al><vet>Artikel 11a:11</vet></al><al>1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een
                        suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit, gelijk aan
                        de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene over een tijdvak van
                        drie maanden.</al><al>2 Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><al> a aan de langstlevende der echtgenoten indien de overledene niet duurzaam
                        van de andere echtgenoot gescheiden leefde;</al><al> b bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige
                        wettige of natuurlijke kinderen;</al><al> c bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten
                        aanzien van wie de overledene grotendeels de kosten van het bestaan voorzag
                        en met wie hij in gezinsverband leefde.</al><al>3 Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot of
                        geregistreerd partner aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of
                        gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het
                        betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad
                        bestaat.</al><al>4 Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan slechts
                        sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in
                        huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de
                        huishouding dan wel op ander wijze in elkaars verzorging voorzien.</al><al>5 Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering
                        gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de
                        betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde
                        van een of meer werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                        uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en
                        strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene
                        recht had.</al><al>Betaling van de suppletie</al><al><vet>Artikel 11a:12</vet></al><al>1 Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie
                        bestaat.</al><al>2 Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het bestuursorgaan
                        beschikbaar gesteld formulier.</al><al>3 Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit, doch
                        uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die suppletie heeft
                        vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de regel per maand
                        achteraf.</al><al>4 De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen 3
                        maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. Het
                        bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste van betrokkene afwijken
                        van de eerste volzin.</al><al><vet>Artikel 11a:13</vet></al><al>1 Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te
                        stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid bestaat
                        omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent het van de suppletie aan de
                        betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen van een verplichting als
                        bedoeld in artikel 11a:3.</al><al>2 Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar redelijkheid
                        vast te stellen voorschot op en suppletie betalen indien onzekerheid bestaat
                        omtrent het recht op suppletie.</al><al>3 Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd als
                        een suppletie.</al><al>Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</al><al><vet>Artikel 11a:14</vet></al><al>1 Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die regels
                        aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels te stellen
                        beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan een opleiding of
                        scholing in dagonderwijs.</al><al>2 Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan een
                        voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijke opleiding of
                        scholing, blijft volgens door het bestuursorgaan te stellen regels het recht
                        op suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is geëindigd.</al><al>3 In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het tweede
                        lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met
                        betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de in het tweede lid
                        bedoelde opleiding of scholing.</al><al><vet>Artikel 11a:15</vet></al><al>1 De betrokkenen die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht daarvan
                        mededeling te doen aan het bestuursorgaan.</al><al>2 De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van
                        onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het bestuursorgaan
                        nodig.</al><al><vet>Uitvoeringsvoorschriften</vet></al><al><vet>Artikel 11a:16</vet></al><al>1 Het bestuursorgaan stelt nader regels vast met betrekking tot:</al><al> a de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;</al><al> b het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie;</al><al>2 het bestuursorgaan kan nader regels stellen met betrekking tot artikel
                        11a:15.</al><al><vet>Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering wegens
                            ziekte</vet></al><al><vet>Artikel 11a:17</vet></al><al>1 Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de sector
                        gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel
                        K4, tweede lid, juncto artikel K6 van de Algemene burgerlijke pensioenwet,
                        zoals die wet luidde op die datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog
                        niet is verstreken, heeft recht op suppletie.</al><al>2 het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op 31
                        december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld van:</al><al> 1 maand: gedurende de eerste 27 maanden 80% vervolgens 33 maanden 70%;</al><al> 2 maanden: " " " 26 " 80% " 33 " 70%;</al><al> 3 maanden: " " " 25 " 80% " 33 " 70%;</al><al> 4 maanden: " " " 24 " 80% " 33 " 70%;</al><al> 5 maanden: " " " 22 " 80% " 33 " 70%;</al><al> 6 maanden: " " " 21 " 80% " 33 " 70%;</al><al> 7 maanden: " " " 20 " 80% " 33 " 70%;</al><al> 8 maanden: " " " 19 " 80% " 33 " 70%;</al><al> 9 maanden: " " " 18 " 80% " 33 " 70%;</al><al>10 maanden: " " " 17 " 80% " 33 " 70%;</al><al>11 maanden: " " " 16 " 80% " 33 " 70%;</al><al>12 maanden: " " " 15 " 80% " 33 " 70%;</al><al>13 maanden: " " " 14 " 80% " 33 " 70%;</al><al>14 maanden: " " " 13 " 80% " 33 " 70%;</al><al>15 maanden: " " " 12 " 80% " 33 " 70%;</al><al>16 maanden: " " " 11 " 80% " 33 " 70%;</al><al>17 maanden: " " " 10 " 80% " 33 " 70%;</al><al>18 maanden: " " " 9 " 80% " 33 " 70%;</al><al>19 maanden: " " " 9 " 80% " 33 " 70%;</al><al>20 maanden: " " " 8 " 80% " 33 " 70%;</al><al>21 maanden: " " " 7 " 80% " 33 " 70%;</al><al>22 maanden: " " " 6 " 80% " 33 " 70%;</al><al>23 maanden: " " " 5 " 80% " 33 " 70%;</al><al>24 maanden: " " " 4 " 80% " 33 " 70%;</al><al>25 maanden: " " " 3 " 80% " 33 " 70%;</al><al>26 maanden: " " " 2 " 80% " 33 " 70%;</al><al>27 maanden: " " " 1 maand 80% " 33 " 70%;</al><al>28 maanden: gedurende 33 maanden 70%;</al><al>29 maanden: " 32 maanden 70%;</al><al>30 maanden: " 31 maanden 70%;</al><al>31 maanden: " 30 maanden 70%;</al><al>32 maanden: " 29 maanden 70%;</al><al>33 maanden: " 28 maanden 70%;</al><al>34 maanden: " 27 maanden 70%;</al><al>35 maanden: " 26 maanden 70%;</al><al>36 maanden: " 25 maanden 70%;</al><al>37 maanden: " 24 maanden 70%;</al><al>38 maanden: " 23 maanden 70%;</al><al>39 maanden: " 22 maanden 70%;</al><al>40 maanden: " 21 maanden 70%;</al><al>41 maanden: " 20 maanden 70%;</al><al>42 maanden: " 19 maanden 70%;</al><al>43 maanden: " 18 maanden 70%;</al><al>44 maanden: " 17 maanden 70%;</al><al>45 maanden: " 16 maanden 70%;</al><al>46 maanden: " 15 maanden 70%;</al><al>47 maanden: " 14 maanden 70%;</al><al>48 maanden: " 13 maanden 70%;</al><al>49 maanden: " 11 maanden 70%;</al><al>50 maanden: " 10 maanden 70%;</al><al>51 maanden: " 9 maanden 70%;</al><al>52 maanden: " 8 maanden 70%;</al><al>53 maanden: " 7 maanden 70%;</al><al>54 maanden: " 6 maanden 70%;</al><al>55 maanden: " 5 maanden 70%;</al><al>56 maanden: " 4 maanden 70%;</al><al>57 maanden: " 3 maanden 70%;</al><al>58 maanden: " 2 maanden 70%;</al><al>59 maanden: " 1 maand 70%;</al><al>3 De artikelen 11a:3 tot en met 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7 tot en met
                        11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met 11a:16 zijn van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>4 Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer als
                        bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met inachtneming van
                        het in dit artikel bepaalde.</al><al>5 Artikel 11a:16, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien
                        verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag voor de
                        betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde
                        en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van de maximumloongrens van
                        artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen.</al><al>6 Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                        herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden afgerond
                        op een hele maand.</al><al><vet>Artikel 11a:18</vet></al><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1 januari
                        1996 gedurende een periode van 52 weken of langer onafgebroken
                        arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19, eerste lid, van de
                        Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn algemene
                        invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld op ten minste
                        15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de
                        ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene
                        Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op tenminste 25 procent, binnen een
                        periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene, geldt voor hem als
                        dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39, vierde en vijfde lid, van
                        de WPA, zonder toepassing van de maximum dagloongrens van artikel 9, eerste
                        lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al><al><vet>Overige en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 11a:19</vet></al><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf 9
                        van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze
                        neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen
                        zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is
                        gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie
                        doorgevoerd vanaf de in het staatsblad vermelde datum van invwerkingtreding
                        van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het
                        Staatsblad. </al><al>Artikel 11a:20</al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1999.</al><al><vet>Artikel 11a:21</vet></al><al>1 Dit hoofdstuk niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag
                        van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari
                        2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen,
                        met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een
                        WAO-uitkering. </al><al>2 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste
                        dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1
                        januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op grond van 8:5 is
                        ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is, met uitzondering van de
                        ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.
                            <vet>HOOFDSTUK 12. OVERLEG MET ORGANISATIES VAN
                        OVERHEIDSPERSONEEL</vet></al><al><vet>Artikel 12:1</vet></al><al>1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al><vet>a</vet><vet> de commissie:</vet> de in artikel 12:2 bedoelde commissie
                        voor georganiseerd overleg;</al><al><vet>b</vet><vet> de ambtenaren:</vet> de ambtenaren in de zin van de
                        collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die werkzaam zijn op
                        basis van een arbeidsovereenkomst;</al><al><vet>c</vet><vet> de organisaties:</vet> de plaatselijk werkende
                        groeperingen van de landelijke verenigingen van overheidspersoneel,
                        aangesloten bij de centrales welke zijn toegelaten tot het centraal overleg
                        met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                        Gemeenten.</al><al>2 Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld uit
                        een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een vertegenwoordiging van
                        de toegelaten organisaties.</al><al>3 Onder toegelaten organisaties worden verstaan de Algemene centrale van
                        overheidspersoneel (ACOP), de Christelijke Centrale van overheids- en
                        onderwijzend personeel (CCOOP) en de Centrale van middelbare en hogere
                        functionarissen (CMHF) bij de overheid, dan wel een van de bij deze
                        centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales of bonden voldoende
                        representatief geacht kunnen worden.</al><al>4 De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in de
                        commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens ABVAKABO of NOVON
                        behouden hun zetels als vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVABABO
                        FNV/NOVON.</al><al> Indien deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden ze niet
                        vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON in
                        overeenstemming is met het aantal als genoemd in de bepaling van de
                        samenstelling van de commissie.</al><al> Uiterlijk 1 juli 2002 wordt het aantal leden in overeenstemming gebracht
                        met de hier geldende bepalingen.</al><al>5 Andere organisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen toegelaten worden,
                        indien zij representatief geacht worden. Een betreffend verzoek wordt in het
                        georganiseerd overleg besproken.</al><al>6 Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten, verliezen
                        hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende representatief
                        geacht worden.</al><al><vet>Artikel 12:1:1</vet></al><al>1Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie, bedoeld
                        in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of meer
                        vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan.</al><al>De aanwijzing geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en
                        voorts telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college te
                        zijn. </al><al>2Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de commissie,
                        bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in artikel 12:1, derde
                        lid, twee leden en hun plaatsvervangers aangewezen. Deze aanwijzing
                        geschiedt door en uit de organisaties, welke een minimaal aantal ambtenaren
                        tot haar leden tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van
                        een zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze
                        organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het
                        bedoeld minimum aantal ambtenaren bepaald.</al><al><vet>Artikel 12:1:2</vet></al><al>1 Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in
                        artikel 12:1:1, tweede lid, aan het college opgaaf van het aantal der op 1
                        januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.</al><al>2 Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is
                        aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de organisatie of
                        geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie schriftelijk aan
                        burgemeester en wethouders doet weten dat zijn aanwijzing als
                        vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt
                        zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.</al><al><vet>Artikel 12:1:3</vet></al><al>1 Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                        vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al><al>2 Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de vertegenwoordiging
                        van de organisaties, tot secretaris van de commissie aan, alsmede diens
                        plaatsvervanger. Zo nodig stellen het college verder personeel voor het
                        secretariaat ter beschikking.</al><al>3 De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al><al><vet>Artikel 12:1:4</vet></al><al>1 Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging
                        van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel leidt tot
                        overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de CAR wijzigt, doet het
                        college daarvan mededeling aan de commissie voor georganiseerd overleg.</al><al>2 Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat,
                        ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot overeenstemming, als
                        gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het college daarvan mededeling
                        doet aan de commissie voor georganiseerd overleg.</al><al><vet>Artikel 12:1:5</vet></al><al>1 Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld verandering te
                        brengen in de inrichting van enig dienstonderdeel, wijziging in de behoefte
                        aan arbeidskrachten daaronder begrepen, stelt het college het overleg als
                        bedoeld in artikel 12:2 hiervan op de hoogte.</al><al>2 Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de
                        inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende:</al><al> a de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als bedoeld in
                        artikel 12:2 wordt gevoerd;</al><al> b de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering betrokken
                        ambtenaren worden gehoord;</al><al> c de personele gevolgen van die verandering.</al><al>3 Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid, vast te
                        stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel 12:2.</al><al><vet>Artikel 12:2</vet></al><al>1 De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen belang
                        voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels
                        volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet
                        overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA-overleg
                        tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                        Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.</al><al>2 Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie voor
                        georganiseerd overleg.</al><al>3 De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling hoe
                        moet worden gehandeld indien een geschil niet tot overeenstemming
                        leidt.</al><al><vet>Artikel 12:2:1</vet></al><al>Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid,
                        worden door het college en de raad niet genomen, noch voorstellen
                        daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen over de
                        concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar gemaakt.</al><al><vet>Artikel 12:2:2</vet></al><al>1 De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is
                        bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde onderwerpen
                        voorstellen te doen aan het college.</al><al>2 Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen, behorende tot de bevoegdheid
                        van het college, dan neemt het college daaromtrent een beslissing. Behoort
                        het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan legt het college het
                        voorstel, voorzien van zijn advies ter besluitvorming voor aan de raad.</al><al>3 De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen van de
                        commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de organisaties
                        en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde organisaties.</al><al><vet>Artikel 12.2.3</vet></al><al>1 De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar aan
                        te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling van een
                        bepaald onderwerp nodig wordt geacht.</al><al>2 De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de subcommissie.
                        Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen die ingevolge artikel
                        12:1:3, tweede lid, ter beschikking staan.</al><al>3 Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 12:2:4</vet></al><al>1 De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op door hem
                        te bepalen tijdstippen.</al><al>2 Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie leden
                        van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen verzoeken en
                        wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.</al><al><vet>Artikel 12:2:5</vet></al><al>1 De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter
                        vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk de te
                        behandelen onderwerpen.</al><al>3.Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de vertegenwoordiging van
                        het gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de helft van de organisaties is
                        vertegenwoordigd. Wanneer de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur
                        bestaat uit twee of meer leden van het college kan de vergadering slechts
                        plaatshebben in dien ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het
                        gemeentebestuur aanwezig is en ten minste de helft van de organisaties is
                        vertegenwoordigd.</al><al>3 Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een vergadering
                        niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde onderwerpen door de
                        voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen 14 dagen te houden nieuwe
                        vergadering, in welke vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden
                        behandeld.</al><al><vet>Artikel 12:2:6</vet></al><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door
                        deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen
                        zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de orde.</al><al><vet>Artikel 12:2:7</vet></al><al>1 De vergaderingen zijn niet openbaar.</al><al>2 De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de vergadering
                        laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen deelnemen.</al><al>3 De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan door
                        een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie; zij zijn
                        voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de grenzen van een
                        doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken aan voorbespreking in
                        eigen kring te onderwerpen.</al><al>4 De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de
                        inhoud van aan de commissie overgelegde stukken geheimhouding opleggen. Deze
                        geheimhouding geldt niet ten opzichte van het college en van de raad,
                        alsmede niet tegenover de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende
                        organisaties.</al><al><vet>Artikel 12:2:8</vet></al><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij
                        dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen
                        tijd.</al><al><vet>Artikel 12:2:9</vet></al><al>1 Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke
                        vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem uit.</al><al>2 De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt bepaald
                        door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of buiten de
                        vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.</al><al>3 De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald door
                        stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor iedere
                        organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij haar zijn
                        aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar, met dien verstande, dat
                        voor een organisatie niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal
                        aantal stemmen min één, dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt
                        uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging geacht
                        tegen te hebben gestemd.</al><al>4 Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt vertegenwoordigd,
                        geldt voor de toepassing van het derde lid het aantal aangesloten ambtenaren
                        op dat tijdstip.</al><al><vet>Artikel 12:2:10</vet></al><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen,
                        welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij
                        in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is bepaald.</al><al><vet>Artikel 12:2:11</vet></al><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt
                        vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.</al><al>Advies- en arbitragecommissie</al><al>Artikel 12:3:1</al><al>De artikelen 12:3:2 tot en met 12:3:8 zijn slechts van toepassing in die
                        gemeenten die zijn aangesloten bij de advies- en arbitragecommissie.</al><al><vet>Artikel 12:3:2</vet></al><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 wordt verstaan
                        onder:</al><al>a deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur
                        en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd in artikel 12:1, derde
                        lid;</al><al>b advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie ingesteld
                        door het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                        Gemeenten.</al><al><vet>Artikel 12:3:3</vet></al><al>De artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 zijn slechts van toepassing op
                        geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, voor
                        zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren
                        betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd.</al><al><vet>Artikel 12:3:4</vet></al><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot
                        het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de
                        instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat
                        oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben
                        gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het
                        overleg.</al><al><vet>Artikel 12:3:5</vet></al><al>1 Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4, schrijft
                        de voorzitter een vergadering uit van de commissie voor georganiseerd
                        overleg. De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze
                        is uitgeschreven.</al><al>2 Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten het
                        overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering
                        nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de
                        inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden
                        gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is
                        ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping
                        van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.</al><al>3 Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de vertegenwoordiging
                        van het gemeentebestuur en een meerderheid van alle toegelaten organisaties
                        als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid. </al><al>4 Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming vereist
                        tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de toegelaten
                        organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde
                        in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.</al><al><vet>Artikel 12:3:6</vet></al><al>1 Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5, wordt het
                        verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie.</al><al> Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich
                        voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het
                        onderwerp en de inhoud van het geschil.</al><al> Indien in de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is
                        bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het
                        onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan
                        het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens
                        binnen zes dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter
                        van de advies- en arbitragecommissie.</al><al>2 Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt het
                        verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en
                        arbitragecommissie.</al><al> Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers aan het overleg
                        en dient ten minste te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b."><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp
                                en inhoud van het geschil.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 12:3:7</vet></al><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het
                        geschil voortgezet.</al><al><vet>Artikel 12:3:8</vet></al><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende
                        kracht.</al><al><vet>Artikel 12:3:9</vet></al><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college, na
                        overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</al><al><vet>HOOFDSTUK 13. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 13:1</vet></al><al>1 Deze regeling treedt in werking per 1 januari 1996.</al><al>2 Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, vervallen
                        de bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die
                        verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de
                        bepalingen van deze regeling.</al><al>3 Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen
                        uit het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen, waardoor aanspraken
                        van individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden
                        bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.</al><al>4 In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de
                        artikelen 10:1, 10:6, 10:15, eerste en tweede lid, 10:19, 10:23, tweede lid,
                        11:1, 11:6, zevende en achtste lid, 11:13, eerste en tweede lid, 11:23,
                        11:24 en artikel 11:27, tweede lid, terugwerkende kracht tot en met 1
                        augustus 1993.</al><al><vet>Artikel 13:2</vet></al><al> Ten aanzien van degene die op 31 december 1996 geen volledige betrekking
                        bekleedt, geldt dat de omvang van deze betrekking per 1 januari 1997 naar
                        rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft verzocht om handhaving van
                        het aantal uren van de betrekking per 31 december 1996 en dit verzoek niet
                        is afgewezen.</al><al><vet>Artikel 13:3</vet></al><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en uitkeringen
                        ingevolge hoofdstuk 11 die voorduren tot na 1 januari 1977 geldt dat de
                        artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5, eerste lid,
                        terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.</al><al><vet>HOOFDSTUK 14 MEDEZEGGENSCHAP</vet></al><al><vet>Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers</vet></al><al><vet>Artikel 14:1</vet></al><al>Aan het begin Van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en
                        de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet voor
                        het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal
                        zittingstermijnen.</al><al><vet>Artikel 14:1:1</vet></al><al>Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de
                        Ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of onderdelen
                        daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een ondernemingsraad
                        in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35
                        personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de
                        WOR.</al><al><vet>HOOFDSTUK 15 OVERIGE RECHTEN EN VERPLICHTINGEN</vet></al><al><vet>Verplichtingen</vet></al><al><vet>Artikel 15:1.</vet></al><al>De ambtenaar is gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen
                        en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.</al><al><vet>Artikel 15:1a.</vet></al><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
                        instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.</al><al><vet>Persoonlijk gebruik van goederen of diensten</vet></al><al><vet>Artikel 15:1b.</vet></al><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens
                        het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><al>a diensten te laten verrichten door personen in gemeentedienst;</al><al>b aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al><al>c gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn betrekking ter
                        kennis is gekomen.</al><al><vet>Aannemen van geschenken en gelden</vet></al><al><vet>Artikel 15:1c.</vet></al><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><al>a in verband met zijn betrekking vergoedingen, beloningen, giften of
                        beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, anders dan
                        met toestemming van het college;</al><al>b steekpenningen aan te nemen.</al><al><vet>Artikel 15:1d.</vet></al><al>1 De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde
                        die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen of op andere
                        arbeidsterreinen zijn vastgesteld.</al><al>2 Indien de ambtenaar verhinderd is zijn betrekking te vervullen is hij
                        verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen mededelen.</al><al><vet>Nevenwerkzaamheden</vet></al><al><vet>Artikel 15:1e.</vet></al><al>1 De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te
                        bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of
                        voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover
                        deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.</al><al>2 Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het eerste lid
                        gedane opgaven.</al><al>3 Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de
                        goede vervulling van zijn funktie of de goede functionering van de openbare
                        dienst, voorzover deze in verband met zijn functievervulling, niet in
                        redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nader regels
                        worden gesteld.</al><al>4.Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid bedoelde
                        nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren van
                        gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere ambtenaren
                        aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de
                        openbare dienst openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al><al><vet>Artikel 15:1f.</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie
                                waarin in het bijzonder het risico van financiële
                                belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van </al><al> koersgevoelige informatie verbonden is.</al></li><li nr="2"><al>De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een
                                door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen
                                respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de
                                belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de
                                functievervulling, kunnen raken.</al></li><li nr="3"><al>Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het
                                tweede lid.</al></li><li nr="4"><al>Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten
                                te bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de
                                goede vervulling van zijn functie of de </al><al> goede functionering </al><al> van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn
                                functievervulling, niet in </al><al> redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere
                                regels worden gesteld.</al></li></lijst><al><vet>Aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst</vet></al><al>Artikel 15:1g.</al><al>1 Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan
                        aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst.</al><al>2 Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de
                        ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten
                        behoeve van anderen.</al><al><vet>Artikel 15:1:9</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 15:1:10</vet></al><al>1 De ambtenaar is verplicht - nadat hij is gehoord - een andere betrekking
                        te aanvaarden voor de vervulling waarvan hij in het belang van de dienst is
                        aangewezen, indien deze betrekking hem redelijkerwijs in verband met zijn
                        persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten
                        kan worden opgedragen.</al><al>2 Indien het college of het hoofd van dienst dit in het dienstbelang nodig
                        achten is de ambtenaar verplicht om:</al><al> a tijdelijk niet tot zijn betrekking behorende werkzaamheden te verrichten,
                        dan wel tijdelijk een andere betrekking waar te nemen;</al><al> b tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde
                        werktijden;</al><al> c zich buiten de voor zijn betrekking vastgestelde werktijden ter
                        beschikking te houden. Voor het gedurende onbepaalde tijd periodiek
                        verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk
                        aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig
                        kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden
                        verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.</al><al>3 Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en
                        omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs
                        niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij - onverminderd zijn
                        verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen - daarvan door
                        tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, die zo
                        spoedig mogelijk een beslissing terzake nemen.</al><al>4 De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier
                        werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats heeft, ter
                        vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of
                        werknemers bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij
                        naar het oordeel van het college zulks met het oog op de openbare veiligheid
                        of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst
                        der gemeente noodzakelijk is.</al><al>5 Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het vierde lid wordt zo
                        spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in artikel 12:1
                        tweede lid.</al><al><vet>Aanvaarden andere werkzaamheden</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:11</vet></al><al>1 De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het college
                        wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone
                        omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij
                        gewoonlijk verricht, mits die werkzaamheden strekken ter uitvoering van de
                        taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe
                        strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te
                        verzekeren.</al><al>2 De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt
                        aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet rampen en zware
                        ongevallen.</al><al>3 Ingeval van een ramp of zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1, sub b, Wet
                        rampen en zware ongevallen, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van
                        het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van de Wet
                        rampen en zware ongevallen te verrichten onder leiding en toezicht van het
                        college waar de ramp of het zware ongeval plaatsvindt.</al><al> 4 De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is te
                        allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen welke
                        verband houden met zijn in dat lid aangeduide taak.</al><al> 5 De aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt slechts,
                        indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar zulks redelijkerwijs
                        toelaten.</al><al><vet>Vergoeding van schade</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:12</vet></al><al>1 De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding
                        van door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of
                        nalatigheid is te wijten.</al><al>2 Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan op
                        zijn bezoldiging worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de
                        gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en
                        terzake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te maken. </al><al><vet>Plichten rekenplichtige ambtenaar</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:13</vet></al><al>1 De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot aanzuivering
                        van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer
                        nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de
                        bewaring van gelden en geldswaardige papieren.</al><al>2 Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een
                        aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien in
                        aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat personeel
                        deugdelijk toezicht heeft gehouden.</al><al>3 De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid ontheven
                        gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige afwezigheid zijn beheer
                        niet persoonlijk heeft gevoerd, indien gedurende die tijd zijn betrekking
                        wordt waargenomen krachtens aanwijzing door of namens het college.</al><al><vet>Artikel 15:1:14</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Beoordeling van de ambtenaar</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:15</vet></al><al>1 Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door hen te stellen
                        regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt uitgebracht
                        omtrent de wijze waarop hij zijn betrekking vervult en omtrent zijn
                        gedragingen tijdens de uitoefening van die betrekking.</al><al>2 Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar zijn
                        gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn betrekking of de wijze
                        waarop hij zijn betrekking vervult, voor zover deze aanleiding geven tot
                        aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop
                        het gedrag of de wijze waarop hij zijn betrekking vervult naar het oordeel
                        van het college verbeterd kan worden.</al><al><vet>Dragen van uniform of dienstkleding</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:16</vet></al><al>1 De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn betrekking de
                        door het college voor die betrekking of voor bepaalde werkzaamheden
                        voorgeschreven kleding of uniform en onderscheidingstekenen te dragen.</al><al>2 Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven uniform is
                        de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of namens het college
                        toestemming is gegeven.</al><al>3 Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes of
                        andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken te dragen,
                        een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn verstrekt of
                        voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het college vergunning is
                        verleend. Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen tot
                        het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan verlof is
                        verleend.</al><al>4 Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende de
                        verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid bedoelde
                        kleding.</al><al><vet>Standplaats</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:17</vet></al><al>1 Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting worden
                        opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen.</al><al>2 Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met name
                        genoemde gedeelte van de gemeente, waar belanghebbende gewoonlijk zijn
                        werkzaamheden verricht.</al><al>3 Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde nadere
                        regels stellen.</al><al><vet>Dienstwoning</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:18</vet></al><al>1 De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een dienstwoning is
                        aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het
                        gebruik te gedragen naar de voorschriften die daaromtrent zijn gesteld.</al><al>2 Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk
                        gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij terzake een
                        afwijkende regeling is vastgesteld.</al><al><vet>Verbod betreden arbeidsterrein</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:19</vet></al><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de kantoren,
                        werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden
                        ontzegd.</al><al><vet>Infectieziekten</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:20</vet></al><al>1 De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een
                        persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de
                        Infectieziekenwet bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn
                        betrekking niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen,
                        -lokalen en -terreinen voor zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van
                        het staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het
                        gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij
                        verdacht moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.</al><al>2 De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is
                        verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het college.</al><al> Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege het college
                        gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een
                        geneeskundig onderzoek.</al><al>3 De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem overeenkomstig
                        het bepaalde in dit artikel verboden is zijn betrekking te vervullen, zijn
                        volledige bezoldiging.</al><al><vet>Artikel 15:1:21</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Reis- en verblijfkosten</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:22</vet></al><al>1 De ambtenaar heeft recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten ter
                        zake van reizen in het belang van de dienst.</al><al>2 Deze vergoeding wordt vastgesteld en uitgekeerd overeenkomstig de daarvoor
                        door het college gestelde regelen.</al><al><vet>Vergoeden van schade</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:23</vet></al><al>1 Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en
                        uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet
                        aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed welke hij
                        buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling van
                        zijn betrekking, voor zover die schade niet bestaat uit normale slijtage
                        dier goederen.</al><al>2.Aan de ambtenaar wordt de schade vergoed aan een aan hem toebehorend
                        motorvoertuig in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering
                        motorvoertuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn
                        betrekking, tenzij:</al><al>2. a de schade bestaat uit normale slijtage of</al><al>2. b er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende
                        verwijtbaarheid of</al><al>2. c de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt ten
                        behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt gelijk aan of
                        hoger dan het belastingvrije bedrag per kilometer.</al><al><vet>Artikel 15:1:24</vet></al><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in
                        de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de
                        vervulling van zijn betrekking te gebruiken, indien en voor zover hem
                        daartoe door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze
                        toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al><al><vet>Artikel 15:1:25</vet></al><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                        schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.</al><al><vet>Volgen van een opleiding</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:26</vet></al><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het
                        volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig ander
                        door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen
                        van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste
                        van de gemeente.</al><al><vet>Artikel 15:1:27</vet></al><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst
                        en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten,
                        gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van bezoldiging
                        verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet,
                        herhalings-of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije
                        jeugd.</al><al><vet>Bijzondere prestaties</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:28</vet></al><al>Wegens buitengewone toewijding of bijzondere loffelijke vervulling van de
                        betrekking kan aan de ambtenaar, naast een tevredenheidsbetuiging, een
                        bijzondere beloning worden toegekend in de vorm van:</al><al>a extra verlof;</al><al>b gratificatie.</al><al><vet>Artikel 15:1:29</vet></al><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen
                        worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen
                        onthouden of nadelen toegebracht.</al><al><vet>Borstvoeding</vet></al><al><vet>Artikel 15:1:30</vet></al><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten
                        hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind
                        te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.</al><al><vet>Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg</vet></al><al>Artikel 15:1:31</al><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of plaatsvervangend
                        lid door een organisatie is aangewezen voor de commissie als bedoeld in
                        artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor hij
                        krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit hoofde
                        van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie in de
                        gemeentelijke organisatie.</al><al><vet>Klokkenluiders</vet></al><al><vet>Artikel 15:2</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens
                                van misstanden.</al></li><li nr="2."><al>Ambtenaren en door het college aangewezen interne
                                vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen
                                regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden
                                ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld
                                worden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 15:3</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>HOOFDSTUK 16 DISCIPLINAIRE STRAFFEN</vet></al><al><vet>Plichtsverzuim</vet></al><al><vet>Artikel 16:1:1</vet></al><al>1 De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich
                        overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding
                        geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag
                        of korting, als bedoeld in de tweede titel der Ambtenarenwet 1929, kan
                        deswege disciplinair worden gestraft.</al><al>2 Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het
                        doen of nalaten van iets hetwelk een goed ambtenaar in gelijke
                        omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al><al><vet>Disciplinaire straffen</vet></al><al><vet>Artikel 16:1:2</vet></al><al>1 Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de volgende
                        disciplinaire straffen worden toegepast:</al><al> a schriftelijke berisping;</al><al> b arbeid buiten de voor de betrekking van de ambtenaar vastgestelde
                        werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale vergoeding
                        voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag en met dien
                        verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op de voor
                        de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen;</al><al> c vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal dagen waarop
                        de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft;</al><al> d geldboete tot ten hoogste 1 % van het bedrag van het salaris per
                        jaar;</al><al> e niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag
                        overeenkomende met het salaris over een halve maand;</al><al> f stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van verhogingen als
                        gevolg van algemene loonmaatregelen, een herwaardering van de betrekking
                        daaronder begrepen, voor ten hoogste vier jaren;</al><al> g vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste twee
                        periodieke verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar beklede
                        betrekking geen schaal is verbonden, vermindering van het salaris met ten
                        hoogste 5 %, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaren;</al><al> h plaatsing in een andere betrekking, al of niet in een ander onderdeel van
                        de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder vermindering
                        van bezoldiging;</al><al> i schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot van
                        bezoldiging;</al><al>2 De straffen genoemd in het eerste lid onder a en b worden opgelegd door
                        het college; de straffen genoemd onder c t/m g worden opgelegd door het
                        college; de straffen genoemd onder h t/m i, alsmede de straf genoemd in
                        artikel 8:13, worden opgelegd door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot
                        aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar vervulde betrekking.</al><al>3 Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet ten
                        uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de
                        bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan
                        soortgelijk plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf
                        eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.</al><al><vet>Verantwoording</vet></al><al><vet>Artikel 16:1:3</vet></al><al>1 De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet
                        schriftelijk plaatsvindt ten overstaan van het college of ten overstaan van
                        een door het college aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt
                        niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats. Op
                        verzoek van de ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken.</al><al>2 Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur
                        proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens
                        overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de
                        ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo
                        mogelijk met vermelding der redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het
                        proces-verbaal wordt de ambtenaar uitgereikt.</al><al>3 Indien de ambtenaar zulks verlangt worden hij en zijn raadsman in de
                        gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere
                        bescheiden welke op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.</al><al><vet>Artikel 16:1:4</vet></al><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                        schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al><al><vet>Artikel 16:1:5</vet></al><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer
                        gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de
                        strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.</al><al> HOOFDSTUK 17 OPLEIDING EN ONTWIKKELING</al><al><vet>Persoonlijk ontwikkelingsplan</vet></al><al>Artikel 17:1:1</al><lijst><li nr="1"><al>Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk
                                ontwikkelingsplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en
                                de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar, alsmede een in
                                dat kader door hem te volgen opleiding en de te ondernemen
                                activiteiten.</al></li><li nr="2"><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer per drie
                                jaar opgesteld en door het college vastgesteld.</al></li><li nr="3"><al>Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten passen in
                                de doelstelling, criteria en budgettaire voorwaarden van het
                                gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het door het
                                college vastgestelde opleidingsplan.</al></li><li nr="4"><al>De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het
                                persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en activiteiten
                                worden door het college vergoed.</al></li><li nr="5"><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                                betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van
                                de zijde van de werkgever die de ambtenaar in staat moeten stellen
                                de gemaakte afspraken uit te voeren.</al></li><li nr="6"><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken vastgelegd met
                                betrekking tot een of meer van de volgende onderwerpen:</al></li><li nr="·"><al>de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de redelijkerwijs
                                te maken kosten;</al></li><li nr="·"><al>de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden;</al></li><li nr="·"><al>de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;</al></li><li nr="·"><al>de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden
                                onderbroken of gestopt;</al></li><li nr="·"><al>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding
                                bij het voortijdig afbreken van een studie door de ambtenaar;</al></li><li nr="·"><al>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten vergoeding
                                bij het verlaten van de gemeentelijke dienst binnen een te bepalen
                                periode na afronding van de studie;</al></li><li nr="·"><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                                uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst><al><vet>Loopbaanadvies</vet></al><al><vet>Artikel 17.2</vet></al><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij
                        een door het college aangewezen interne of externe deskundige.</al><al><vet>Artikel 17:3</vet></al><lijst><li nr="1"><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het
                                functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt
                                het college zijn belasting en belastbaarheid aan de orde. Zonodig
                                worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen
                                in het individuele takenpakket.</al></li><li nr="2"><al>Het college past voor de ambtenaar van 62 tot 65 jaar, binnen de
                                mogelijkheden van de fiscale wetgeving, een ‘premiekorting in dienst
                                hebbende oudere werknemers’ toe. </al></li></lijst><al>Het bedrag van de korting wordt gebruikt voor verhoging van de inzetbaarheid
                        van de ambtenaar. Het college en de ambtenaar bepalen in overleg de
                        besteding van het bedrag.</al><al><vet>HOOFDSTUK 18 VERPLAATSINGSKOSTEN</vet></al><al><vet>Begripsomschrijving</vet></al><al><vet>Artikel 18:1:1</vet></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>1 <vet>a</vet><vet>betrokkene:</vet> de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de
                        zin van de CAR;</al><al><vet>b woongebied:</vet> een door het college aan te wijzen gebied
                        aansluitend aan het grondgebied van de gemeente;</al><al><vet>c </vet><vet>standplaats:</vet> de gemeente of het met name genoemde
                        deel daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht;</al><al><vet>d </vet><vet>gezinsleden:</vet> de echtgenoot, geregistreerde partner
                        van de betrokkene en de kinderen, stief- en pleegkinderen van hemzelf en/of
                        van de echtgenoot, geregistreerd partner,voor zover zij samenwonen;</al><al><vet>e</vet><vet>eigen huishouding voeren:</vet> het zelfstandig en voor
                        eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen meubilair en
                        stoffering, een en ander ter beoordeling van het bestuursorgaan;</al><al><vet>f</vet><vet>berekeningsbasis:</vet> het twaalfvoud van de bezoldiging -
                        in de zin van artikel 3:1, dan wel hetgeen daarmede overeenkomt ingeval dat
                        artikel niet op hem van toepassing is - die betrokkene geniet op het
                        berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de vakantie-uitkering
                        en in voorkomende gevallen vermeerderd met:</al><al> 1 genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 11 of een
                        genoten werkloosheidsuitkering krachtens de WW en eventueel hoofdstuk
                        10a;</al><al> 2 genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig hoofdstuk 9 of het
                        FPU- reglement basis- en aanvullende uitkering;</al><al> 3 genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12 van het
                        pensioenreglement.</al><al><vet>g</vet><vet>berekeningstijdstip:</vet> 1 datum waarop de betrokkene
                        verhuist;</al><al> 2 indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de functie feitelijk
                        wordt vervuld, de datum van ingang van de functievervulling;</al><al> 3 bij het overlijden of ontslag van de betrokkene, de datum waarop
                        laatstelijk bezoldiging werd genoten;</al><al><vet>h</vet><vet>verplaatsen en verplaatsing</vet>: veranderen
                        onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de betrokkene in
                        opdracht van het bestuursorgaan;</al><al><vet>i</vet><vet>verplaatsingskostenvergoeding:</vet> tegemoetkoming in de
                        kosten van een verplaatsing, dan wel een verhuizing voortvloeiende uit
                        indiensttreding of ontslag, ofwel een tegemoetkoming in reis- en
                        pensionkosten voor de periode dat de verhuizing nog niet heeft
                        plaatsgevonden;</al><al><vet>j</vet><vet>dienstwoning:</vet> de door het bevoegde gezag aan de
                        betrokkene in verband met de uitoefening van zijn functie aangewezen
                        woning;</al><al> 2 Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2: in acht
                        genomen.</al><al><vet>Tegemoetkoming verhuiskosten</vet></al><al><vet>Artikel 18:1:2</vet></al><al>1 De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om
                        in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als bedoeld in artikel
                        15.1.17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten
                        verleend.</al><al>2 De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is verhuisd en aan
                        wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek wordt verleend of die
                        ten gevolge van aan hem te wijten feiten of omstandigheden binnen twee jaren
                        na de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in
                        verhuiskosten terug te betalen. Overgang zonder onderbreking naar een andere
                        tak van dienst van dezelfde gemeente of naar een van haar bedrijven of
                        instellingen wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd.</al><al>3 De tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die in
                        verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts verleend, indien
                        hij schriftelijk heeft verklaard dat een verplichting tot terugbetalen als
                        bedoeld in het vorige lid hem bekend is.</al><al><vet>Artikel 18:1:3</vet></al><al>1 De betrokkene, die in opdracht van het bestuursorgaan, anders dan in
                        verband met een verplaatsing of indiensttreding, een dienstwoning betrekt of
                        verlaat, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.</al><al>2 Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een ontslag op
                        verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht op uitkering voor
                        vervroegd uittreden, of met een ontslag als gevolg van aan betrokkene te
                        wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet ingaat binnen twee jaren
                        nadat de dienstwoning is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in
                        verhuiskosten worden verleend.</al><al>3 Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het overlijden
                        van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in verhuiskosten verleend aan de
                        nagelaten gezinsleden.</al><al>4 Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding in de
                        verhuiskosten bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, verleend, met dien
                        verstande dat deze vergoeding niet meer bedraagt dan die waarop aanspraak
                        zou bestaan bij verhuizing binnen het woongebied.</al><al><vet>Artikel 18:1:4</vet></al><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en 18:1:3
                        wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee
                        jaren nadat de verplichting tot verhuizen is opgelegd dan wel na de datum
                        van het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.</al><al><vet>Artikel 18:1:5</vet></al><al>1 De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:</al><al> a een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van de inboedel
                        van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder
                        begrepen de kosten van het in- en uitpakken van breekbare zaken;</al><al> b een bedrag voor dubbele woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk te maken
                        kosten, met een maximum van € 282,43 per maand met dien verstande dat de
                        tegemoetkoming ten hoogste vier maanden wordt verleend;</al><al> c een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing voortvloeiende
                        koste, met een maximum van € 5.648,10.</al><al>2 Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen huishouding
                        voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, voor zover
                        bij of krachtens dit artikel niet anders is bepaald, gesteld op een
                        tegemoetkoming van 3 % van de berekeningsbasis voor ieder woon- of
                        slaapvertrek, tot een maximum van vier van deze vertrekken, die de
                        achtergelaten woning telt, met dien verstande dat het maximum bedrag genoemd
                        in het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.</al><al>3 Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de echtgenoten,
                        geregistreerde partners beiden betrokkene zijn in de zin van dit hoofdstuk
                        en afzonderlijke opdracht hebben om te verhuizen of zijn verplaatst, wordt
                        voor beide betrokkenen de berekeningsbasis vastgesteld. Ingeval beide
                        betrokkenen een deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een
                        deeltijdbetrekking bij een andere werkgever die aanspraak geeft op een
                        tegemoetkoming in de verhuiskosten, wordt de berekeningbasis vastgesteld als
                        ware er sprake van een voltijd betrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend
                        op grond van de hoogste berekeningsbasis.</al><al>4 Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen
                        tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend. Indien
                        bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan voor deze kosten
                        niettemin een tegemoetkoming worden verleend van 3 % van de
                        berekeningsbasis.</al><al><vet>Tegemoetkoming woon- werkverkeer</vet></al><al><vet>Artikel 18:1:6</vet></al><al>1 De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is opgelegd om
                        in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen zoals bedoeld in artikel
                        15.1.17 en daarin, ondanks alle pogingen daartoe, niet slaagt, heeft
                        aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor het dagelijks reizen
                        tussen de woning en de plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de
                        verhuizing in aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de
                        verhuiskosten. </al><al>2 Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het oordeel van het
                        bestuursorgaan niet dagelijks heen en weer kan reizen, heeft, tenzij van
                        gemeentewege al dan niet tegen betaling in huisvesting wordt voorzien,
                        aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een
                        pension in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15.1.17, benevens een
                        tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de reiskosten naar de
                        plaats waar hij metterwoon nog gevestigd is. </al><al>3 Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid, naar het
                        oordeel van het bestuursorgaan niet alles, wat redelijkerwijs van hem mag
                        worden verwacht, heeft gedaan om zo spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij
                        niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en
                        tweede lid.</al><al>4 Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur bekleedt of
                        voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en als gevolg daarvan niet
                        behoeft te verhuizen kan een tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in
                        het eerste lid worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig
                        het tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het bestuursorgaan
                        niet dagelijks heen en weer kan reizen.</al><al><vet>Hoogte tegemoetkoming</vet></al><al><vet>Artikel 18:1:7</vet></al><al>1 De tegemoetkoming in reiskosten als bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en
                        vierde lid, is gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer op basis van
                        het tarief van de tweede klasse.</al><al>2 De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is voor dat deel
                        dat gebruik wordt gemaakt van de trein gemaximeerd op het bedrag van €
                        3.503,-- per jaar.</al><al>3 De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het pension met
                        het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het eerst mogelijke station
                        kan reizen maar van dit openbaar vervoer geen gebruik maakt en in plaats
                        daarvan met eigen vervoer naar dat station reist, ontvangt een
                        tegemoetkoming van € 94,40 op jaarbasis.</al><al>4 De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6, eerste en
                        vierde lid is, indien het college de plaats van tewerkstelling van een
                        betrokkene heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet door
                        openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een
                        aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen
                        werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken, € 0,15 per kilometer
                        met een maximum van 20 kilometer enkele reis.</al><al>5 De betrokkene die naar het oordeel van het college de plaats van
                        tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar daarvan geen
                        gebruik maakt, heeft aanspraak op een tegemoetkoming van 25% van de
                        tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid. </al><al><vet>Artikel 18:1:7a </vet>(vervallen<vet>)</vet></al><al>Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming woon- werkverkeer</al><al><vet>Artikel 18:1:8</vet></al><al>Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een betrokkene
                        die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is, heeft aangewezen als
                        een plaats van tewerkstelling die niet met het openbaar vervoer is te
                        bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie
                        de plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per
                        openbaar vervoer is te bereiken, wordt aan betrokkene voor de gehele duur
                        van het dienstverband een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De
                        hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.</al><al><vet>Pensionkosten</vet></al><al><vet>Artikel 18:1:9</vet></al><al>1 De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel 18:1:6, tweede
                        lid, bedraagt voor de betrokkenen die gewoonlijk met gezinsleden samenwoont
                        90 % en voor de overige betrokkenen 60 % van de betaalde pensionkosten, voor
                        zover deze kosten niet uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk
                        geoordeelde pensionkosten.</al><al>2 De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor het
                        bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is gelijk aan de
                        kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en wel naar het tarief van
                        de laagste klasse.</al><al><vet>Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten</vet></al><al><vet>Artikel 18:1:10</vet></al><al>1 De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7, eerste
                        lid, en 18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes maanden
                        verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek van betrokkene
                        telkens voor niet langer dan zes maanden verlengen.</al><al>2 Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfskosten bestaat
                        indien de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten conform
                        artikel 18:1:7 eerste lid en artikel 18:1:14, in geval wordt gekozen voor
                        het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór 1 juli 2004 niet binnen drie
                        maanden na die kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend.</al><al>3 Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen
                        vastgesteld op basis van artikel 18:1:7 eerste lid en artikel 18:1:14
                        maandelijks zonder declaratie wordt uitbetaald met inachtneming van een
                        korting op de bedragen van 6%. </al><al><vet>Procedure tegemoetkoming verhuiskosten</vet></al><al><vet>Artikel 18:1:11</vet></al><al>1 De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor de datum
                        van de verhuizing bij het bestuursorgaan te zijn ingediend.</al><al>2 Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen zes
                        maanden daarna doet de betrokkene bij het bestuursorgaan opgave van de
                        kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid, onder b.</al><al><vet>Voorschot</vet></al><al><vet>Artikel 18:1:12</vet></al><al>Het bestuursorgaan kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde
                        tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</al><al><vet>Slotbepaling</vet></al><al><vet>Artikel 18:1:13</vet></al><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit
                        hoofdstuk gestelde regelen beslissen in individuele gevallen, waarin deze
                        regelen naar het oordeel van het college niet of niet naar redelijkheid
                        voorzien.</al><al>Overgangsrecht</al><al>Artikel 18:1:14</al><al>De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming woon-werkverkeer
                        op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat luidde voor 1 juli 2004,
                        is toegekend, heeft gedurende de periode van maximaal twee jaar, welke
                        ingaat op het moment van toekenning, recht op een tegemoetkoming
                        woon-werkverkeer conform de vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1
                        juli 2004. Indien de vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli
                        2004 financieel voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op
                        een tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien
                        de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan vervalt de
                        tegemoetkoming woon-werkverkeer. </al><al><vet> HOOFDSTUK 21 RECHTSPOSITIONELE ERKENNING VAN ALTERNATIEVE
                            SAMENLEVINGSVORMEN</vet></al><al><vet>Artikel 21:1:1</vet></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner
                        verstaan:</al><al>een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont en - met het
                        oogmerk duurzaam samen te leven - een gemeenschappelijke huishouding voert,
                        hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het
                        college nader te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als
                        levenspartner worden aangemerkt.</al><al>Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot</al><al><vet>Artikel 21:1:2</vet></al><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige
                        wijze van toepassing op de ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze
                        bepalingen staat “echtgenoot” moet tevens worden gelezen
                        “levenspartner”.</al><al><vet>Artikel 21:1:3</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 21:1:4</vet></al><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid voorziet,
                        treft het college een passende voorziening.</al><al><vet> HOOFDSTUK 22 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 22:1:1</vet></al><al>1 Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari
                        1996.</al><al>2 Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, dan wel
                        gedeelten daarvan in werking treden, vervallen de bepalingen van het
                        geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die
                        tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze
                        regeling.</al><al>3 Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen
                        uit het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel uit verordeningen
                        vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of
                        opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg </al><al> plaats over de gevolgen daarvan.</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Valkenburg aan de Geul, 15 juli 2008.</ondertekening><ondertekening>Burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul,</ondertekening><ondertekening>w.g.w.g.</ondertekening><ondertekening>Ir. J.F. de Groot, J.I.M. Kleijnen,</ondertekening><ondertekening>gemeentesecretaris, l.s. loco-burgemeester.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><vet> Bijlage I </vet></al><al>In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde
                        bezoldigingsregeling worden:</al><al>Met ingang van 1 april 1993 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd
                        met2%.</al><al>Met ingang van 1 januari 1995 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd
                        met 0,5%.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1995 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd
                        met 1,25%.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1996 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd
                        met 1,25%.</al><al>Vanaf 1997 wordt een structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3%van
                        het jaarsalaris.</al><al>Met ingang van 1 juni 1997 de daarin opgenomen schaalbedragen met 3,0%
                        verhoogd.</al><al>Met ingang van 1 april 1998 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd met
                        2,25%.</al><al>Met ingang van 1 april 1999 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd met
                        2,0%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 1999 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd
                        met 1,0%.</al><al>Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van ƒ 350,– bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 augustus 2000 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd
                        met 1,5%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2000 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd
                        met 1,5%.</al><al>Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% structureel verhoogd naar
                        1,75%.Tevens wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd met ƒ 400,-- naar
                        ƒ 1.125,-- bruto. In 2001 wordt deze minimale uitkering eenmalig opgehoogd
                        met ƒ 50,-- naar ƒ 1.175,-- bruto.</al><al>Met ingang van 1 januari 2001 de daarin opgenomen schaalbedragen gebruteerd
                        met 1,9% tot een maximum van ƒ 1.745,00 per jaar in verband met afschaffing
                        van de overhevelingstoeslag.</al><al>Met ingang van 1 mei 2001 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd met
                        3,3%.</al><al>Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        3%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,5%.</al><al>Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1% verhoogd met
                        2,75%. Tevens wordt vanaf 2002 het minimale bedrag verhoogd van € 511,00
                        naar € 611,00 bruto. Vanaf 2002 is de grondslag van de eindejaarsuitkering
                        het jaarsalaris.</al><al>De vergoedingsbedragen vrijwilligers gemeentelijke brandweer worden per 1
                        februari 2002 verhoogd met 3% en per 1 oktober 2002 met 0,5%.</al><al>Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2%. Vanaf
                        2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25% verhoogd naar 3%.
                        Tevens wordt vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd van € 611,00 naar €
                        836,00 bruto.</al><al>Diegenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van € 200,00 bruto bij een volledige
                        betrekking. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld. De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de
                        uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid, zowel wat betreft opbouw
                        als indexatie. </al><al>De vergoedingsbedragen vrijwilligers gemeentelijke brandweer worden per 1
                        april 2003 verhoogd met 2%.</al><al>Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%. De
                        vergoedingsbedragen van de vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer
                        worden eveneens per 1 juni 2005 aangepast.</al><al>Met ingang van 1 februari 2006 worden de salarisbedragen verhoogd met
                        1,6%.</al><al>Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,8%.</al><al>Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%.</al><al>Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%.</al><al>In 2007 wordt de eindejaarsuitkering verhoogd met 0,5% naar 3,5%.</al><al>In 2008 wordt de eindejaarsuitkering verhoogd met 3,5% naar 5%</al><al>Met ingang van 2010 wordt de eindejaarsuitkering verhoogd met 0,5%, van 5%
                        naar 5,5%</al><al>De bodem in de eindejaarsuitkering wordt met ingang van 2010 verhoogd van €
                        836,-- </al><al>naar € 1.750,--.</al><al>Met ingang van 1 januari 2011 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5%. </al><al>De eindejaarsuitkering wordt met ingang van 1 januari 2011 verder verhoogd
                        met 0,5% van 5,5% naar 6%.</al><al>bijlage IIa salaristabel gemeenteambtenaren per 1 juni 2008, nieuwe
                        structuur</al><table><tgroup cols="10"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="11*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="9*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="10*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="10*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="9*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="9*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="10*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="10*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="10*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="10*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al><vet>schaal</vet></al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>periodiek</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>9</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>0</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1351</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1383</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1419</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1461</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1505</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>1608 </vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>1810</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2079</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2312</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1383</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1431</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1480</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1528</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1579</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>1683</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>1888</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2165</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2413</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1418</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1479</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1540</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1596</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1653</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>1759</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>1967</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2251</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2513</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1453</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1527</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1601</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1663</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1727</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>1834</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2045</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2337</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2614</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1488</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1575</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1661</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1730</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1801</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>1910</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2123</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2423</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2714</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1523</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1623</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1722</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1798</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1875</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>1986</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2202</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2509</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2815</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1558</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1671</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1783</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1865</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1949</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>2060</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2280</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2596</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2916</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1593</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1719</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1843</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1932</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2023</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>2136</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2358</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2682</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>3016</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1628</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1767</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1904</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>2000</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2097</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>2212</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2437</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2768</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>3117</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1663</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1815</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1964</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>2067</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2172</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>2287</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2515</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2855</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>3217</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1698</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1863</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>2025</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>2134</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2245</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>2363</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2594</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2941</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>3318</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1733</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1911</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>2085</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>2202</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2320</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>2438</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2672</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>3027</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>3418</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet> 10</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>10a</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet> 11</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>11a </vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>12 </vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 14</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>0</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2497</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2758</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3001</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>3309</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>3616</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4042</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 4297</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2616</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2880</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3127</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>3435</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>3742</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4166</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 4447</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2734</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3001</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3254</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>3561</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>3867</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4290</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 4596</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2853</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3122</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3380</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>3686</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>3990</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4413</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 4745</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2971</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3244</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3506</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>3812</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4114</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4537</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 4895</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3090</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3365</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3632</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>3936</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4238</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4661</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5044</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3208</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3487</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3759</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4060</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4361</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4785</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5194</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3327</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3608</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3883</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4183</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4485</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4908</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5343</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3445</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3729</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>4007</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4307</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4609</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>5032</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5493</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3564</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3850</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>4131</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4430</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4732</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>5155</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5642</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3682</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3969</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>4254</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4554</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4856</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>5279</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5791</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3800</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>4088</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>4378</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4678</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4980</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>5403</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5941</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bijlage IIa salaristabel gemeenteambtenaren per 1 januari 2011, nieuwe
                        structuur</al><table><tgroup cols="10"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="11*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="9*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="10*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="10*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="9*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="9*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="10*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="10*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="10*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="10*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al><vet>schaal</vet></al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>periodiek</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>9</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>0</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1357 </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1390</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1426</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1468</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1512</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>1616</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>1819</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2089</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2324</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1390</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1438</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1487</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1536</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1587</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>1692</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>1898</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2176</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2425</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1425</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1487</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1548</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1604</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1661</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>1768</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>1977</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2262</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2526</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1460</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1535</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1609</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1671</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1736</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>1844</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2055</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2349</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2627</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1495</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1583</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1670</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1739</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1810</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>1920</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2134</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2435</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2728</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1530</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1631</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1731</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1807</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1884</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>1995</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2213</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2522</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2829</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1566</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1679</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1792</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1874</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>1959</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>2071</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2292</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2609</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>2930</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1601</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1727</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1852</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>1942</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2033</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>2147</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2370</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2696</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>3031</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1636</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1776</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1913</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>2010</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2108</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>2223</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2449</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2782</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>3132</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1671</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1824</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>1974</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>2077</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2182</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>2299</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2528</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2869</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>3233</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1706</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1872</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>2035</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>2145</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2256</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>2374</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2607</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>2956</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>3335</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>1741</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>1921</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>2096</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>2213</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>2331</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>2450</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet>2685</vet></al></entry><entry colname="col9"><al><vet>3042</vet></al></entry><entry colname="col10"><al><vet>3436</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet> 10</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>10a</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet> 11</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>11a </vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>12 </vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>13</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 14</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>0</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2510</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2772</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3016</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>3325</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>3634</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4063</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 4319</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2629</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2894</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3143</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>3452</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>3761</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4187</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 4469</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2748</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3016</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3270</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>3579</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>3886</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4311</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 4619</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2867</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3138</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3397</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>3705</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4010</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4435</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 4769</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2986</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3260</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3523</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>3831</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4135</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4560</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 4919</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3105</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3382</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3650</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>3956</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4259</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4684</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5070</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3224</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3504</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3778</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4080</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4383</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4808</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5220</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3343</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3626</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>3903</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4204</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4507</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>4933</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5370</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3463</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3748</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>4027</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4329</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4632</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>5057</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5520</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3582</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3869</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>4151</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4453</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4756</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>5181</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5670</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3700</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>3989</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>4276</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4577</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>4880</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>5305</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5820</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>3819</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>4109</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>4400</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>4701</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>5005</vet></al></entry><entry colname="col7"><al><vet>5430</vet></al></entry><entry colname="col8"><al><vet> 5970</vet></al></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 1</vet><vet> Algemene bepalingen.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 2</vet><vet> Aanstelling en
                    Arbeidsovereenkomst.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 3</vet><vet> Salaris en
                    Vergoedingsregeling.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 4</vet><vet> Arbeidsduur en werktijden.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 4a</vet><vet> Uitwisselen van Arbeidsvoorwaarden</vet></al><al><vet>Hoofdstuk </vet><vet> 5</vet><vet> Seniorenmaatregelen.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 5a</vet><vet> FPU Gemeenten.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 6</vet><vet> Vakantie, vakantietoelage en
                    (zwangerschap - en bevallings)verlof.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 6a De gemeentelijke levensloopregeling</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 7</vet><vet> Aanspraken bij ongeschiktheid wegens
                    ziekte of gebre</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 8</vet><vet> Ontslag.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 10</vet><vet> Wachtgeld.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 10a</vet><vet> Bovenwettelijke
                    Werkloosheidsuitkering.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk </vet><vet> 10d</vet><vet> Voorzieningen bij
                    werkloosheid</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 10e</vet><vet> Bijzondere bovenwettelijke
                    werkloosheidsuitkering voor de ambtenaar</vet></al><al><vet> Met op 1 januari 2008 20 dienstjaren of meer</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 11</vet><vet> Uitkeringsregeling
                    ontslag.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 11a</vet><vet> Suppletie.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk </vet><vet> 12</vet><vet> Overleg met organisaties van
                    overheidspersoneel.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk </vet><vet> 13</vet><vet> Overgangs- en
                    slotbepalingen.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 14</vet><vet> Medezeggenschap.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 15</vet><vet> Overige rechten en
                    verplichtingen.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 16</vet><vet> Disciplinaire straffen.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 17</vet><vet> Opleiding en
                    ontwikkeling.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk </vet><vet> 18</vet><vet> Verplaatsingskosten.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 21</vet><vet> Rechtspositionele erkenning van
                    alternatieve samenlevingsvormen.</vet></al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 22</vet><vet> Overgangs – en
                    slotbepalingen.</vet></al></bijlage></regeling></body></cvdr>