<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR113197_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Regeling Bezwaren Advies Commissie personele- en functiewaarderingsaangelegenheden gemeente Waalwijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-09-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Waalwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 22-09-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regeling Bezwaren Advies Commissie personele- en functiewaarderingsaangelegenheden gemeente Waalwijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-09-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011/023</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Regeling Bezwaren Advies Commissie personele- en functiewaarderingsaangelegenheden gemeente Waalwijk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Regeling
                        Bezwaren Advies Commissie</vet></al><al><vet>personele- en functiewaarderings-aangelegenheden van</vet></al><al><vet> Het College en de Raad van Waalwijk; </vet></al><al><vet>gelet op de bepalingen van de </vet><vet>Algemene wet
                        bestuursrecht</vet><vet> (Awb) en</vet><vet>de
                        </vet><vet>Gemeentewet</vet></al><al><vet>besluiten – ieder voorzover zijn bevoegheid reikt - vast te stellen
                        de volgende :</vet></al><al><vet>Regeling Bezwaren Advies Commissie personele- en
                        functiewaarderingsaangelegenheden</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>Verwerend orgaan: het betrokken bestuursorgaan, dat het
                                    bestreden besluit heeft genomen;</al></li><li nr="2."><al>Commissie: vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften
                                    inzake personele- en functiewaarderingsaangelegenheden;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                                tegen besluiten van de Raad of het College van Waalwijk inzake
                                personele aangelegenheden van rechtspositionele aard en
                                functiewaarderingsaangelegenheden</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die
                                zijn ingediend tegen besluiten anders dan onder het eerste lid
                                vermelde zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie wordt samengesteld als volgt:</al><lijst><li nr="a."><al>twee leden op voordracht van de vakorganisaties van
                                        overheidspersoneel, zoals deze zijn vertegenwoordigd in de
                                        Commissie voorGeorganiseerd Overleg;</al></li><li nr="b."><al>twee gewone leden, waarvan één tevens plaatsvervangend
                                        voorzitter;</al></li><li nr="c."><al>een lid, tevens voorzitter. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onder 1a. en b. genoemde leden hebben ieder afzonderlijk een
                                verregaande expertise op gebied van personele aangelegenheden van
                                rechtspositionele aard en/of functiewaarderingsaangelegenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Per zitting bepaalt de (plv.) voorzitter van de commissie in overleg
                                met de secretaris de paritaire samenstelling van de commissie nl.
                                één lid namens de vakorganisaties, één gewoon lid en de voorzitter
                                of de plv. voorzitter, mede afhankelijk van het onderwerp van het
                                ingediende bezwaar in relatie tot de deskundigheid van de benoemde
                                leden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De (plv.) voorzitter en de leden worden door het college mede namens
                                de raad benoemd, geschorst en ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De (plv.) voorzitter en de leden kunnen geen deel uitmaken van of
                                werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van één van de
                                bestuursorganen van de gemeente Waalwijk</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris van de commissie is een door het
                                bestuursorgaanaangewezen functionaris.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het betrokken bestuursorgaan wijst tevens een of meer
                                plaatsvervangers van de secretaris aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de plv. voorzitter en de leden van de commissie
                                treden af op de dag dat de landelijke gemeenteraadsverkiezingen
                                plaatsvinden. De voorzitter, de plv. voorzitter en de leden kunnen
                                worden herbenoemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter, de plv. voorzitter en de leden van de commissie
                                kunnen op elk moment ontslag nemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aftredende voorzitter, de aftredende plv. voorzitter en de
                                aftredende leden van de commissie blijven hun functie vervullen
                                totdat in de opvolging is voorzien.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien tussentijds aftreden dat noodzakelijk maakt, kan het college
                                voorzien in tijdelijke invulling van de betreffende vacature.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt namens het bestuursorgaan de
                                datum van ontvangst aangetekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken, en de overige
                                op de zaak betrekking hebbende stukken worden zo spoedig mogelijk in
                                handen van de commissie gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Algemene
                            wet bestuursrecht (Awb) worden voor de toepassing van deze regeling
                            uitgeoefend door de (plv.) voorzitter van de commissie:</al><lijst><li nr="1."><al>artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="2."><al>artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een
                                    termijn;</al></li><li nr="3."><al>artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken betreft
                                    tijdens de behandeling door de commissie;</al></li><li nr="4."><al>artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="5."><al>artikel 7:6, vierde lid</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De (plv.) voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle
                                gewenste inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De (plv.) voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de
                                commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo
                                nodig uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien
                                daaraan kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het
                                betrokken bestuursorgaan vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De (plv.) voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van
                                de zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de
                                gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten
                                horen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De (plv.) voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3
                                Awb.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de (plv.) voorzitter op grond van het tweede lid besluit af
                                te zien van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de
                                belanghebbenden en het verwerend orgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De (plv.) voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend
                                orgaan ten minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen drie werkdagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of
                                het verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de (plv.) voorzitter
                                verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing van de (plv.) voorzitter op dit verzoek wordt
                                uiterlijk één week voor het tijdstip van de zitting aan de
                                belanghebbenden en het verwerend orgaan meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De (plv.) voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te
                                wijken of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn
                                in het eerste tot en met het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat twee leden, onder wie in
                            elk geval de voorzitter of diens plaatsvervanger, aanwezig zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De (plv.) voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                            behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in
                            het geding kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><al>De zitting van de commissie is niet openbaar. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verslag als bedoeld in <onderstreept>artikel 7:7
                                    Awb</onderstreept> vermeldt de namen van de aanwezigen en hun
                                hoedanigheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer
                                is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belanghebbenden, respectievelijk hun gemachtigden niet in
                                elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt het verslag hiervan
                                melding.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden,
                                die aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de (plv.) voorzitter en de
                                secretaris van de commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt
                                opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de (plv.)
                                voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de andere
                                commissieleden dit onderzoek houden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift
                                aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden toegezonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de nadere
                                informatie aan de (plv.) voorzitter van de commissie een verzoek
                                richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De (plv.)
                                voorzitter beslist op zo'n verzoek. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze regeling die
                                betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het
                                door haar uit te brengen advies. </al><lijst><li nr="a."><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het
                                        uit te brengen advies. </al></li><li nr="b."><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem
                                        van de (plv.) voorzitter. </al></li><li nr="c."><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding
                                        gemaakt indien die minderheid dat verlangt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor
                                                de te nemen beslissing op het bezwaarschrift.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het advies wordt door de (plv.) voorzitter en de
                                                secretaris van de commissie ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld in
                                artikel 14 en eventueel door de commissie ontvangen nadere
                                informatie en een nader verslag, tijdig uitgebracht aan het
                                bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van de (plv.) voorzitter van de commissie de
                                termijn als bedoeld in de Awb, ontoereikend is voor achtereenvolgens
                                het uitbrengen van een advies en het nemen van een beslissing,
                                verzoekt hij het verwerend orgaan tijdig de beslissing te verdagen.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                                belanghebbenden een afschrift. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekking oude regelingen</titel></kop><al>De artikelen 10 t/m 15 in de Verordening regeling functiewaardering
                            Waalwijk 1998 vastgesteld door het college d.d. 26 januari 2003, worden
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>1.Deze regeling is van toepassing op bezwaarschriften welke worden
                            ingediend na het van kracht worden daarvan.</al><al>2.Indien de bezwaarmaker daarmee instemt, kan deze regeling van
                            overeenkomstige toepassing worden verklaard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking op de achtste dag, nadat deze is bekendgemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Bezwaren Advies Commissie
                            personele- en functiewaarderingsaangelegenheden.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al> Vastgesteld door de het College en de Raad van Waalwijk in hun
                        vergaderingen van: </al></slotformulering><ondertekening>Het College van Waalwijk,</ondertekening><ondertekening>De secretaris De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>Drs. A. de Wit Drs. A.M.P. Kleijngeld</ondertekening><ondertekening>De Raad van Waalwijk,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>G.H. Kocken Drs. A. M. P. Kleijngeld</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><tussenkop>Toelichting op de regeling Bezwaren Advies Commissie
                    personele- en functiewaarderingsaangelegenheden.</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Besluiten omtrent personele- en
                    functiewaarderingsaangelegenheden vallen onder de bevoegdheid van het betrokken
                    bestuursorgaan c.q. het orgaan door wie het bezwaarmakend personeelslid is
                    aangesteld. Met deze regeling regelt het betrokken bestuursorgaan de behandeling
                    van bezwaarschriften gericht op deze bevoegdheden. </tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de Awb
                    voorkomen. Zo ontbreekt er een omschrijving van het begrip “bestuursorgaan”
                    hoewel dat op meerdere plaatsen in de regeling voorkomt. Het bestuursorgaan dat
                    het bestreden besluit heeft genomen, wordt in de regeling aangeduid als
                    “verwerend orgaan”. Dit betreft bij een gemeente in principe het betrokken
                    bestuursorgaan van burgemeester en wethouders, in de situatie van de griffie
                    betreft het de Raad.</al><tussenkop>Artikel 2 Inleidende bepaling commissie</tussenkop><al>In deze inleidende bepaling wordt de commissie als zodanig geïntroduceerd. In
                    artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat onder het maken van bezwaar dient te
                    worden verstaan.</al><tussenkop>Artikel 3 Samenstelling van de commissie</tussenkop><al>In dit artikel is de paritaire samenstelling van de commissie geregeld. </al><al>De werving vindt plaats middels het doen van voordrachten vanuit de
                    vakorganisaties van overheidspersoneel, zoals deze zijn vertegenwoordigd in de
                    onderscheidene Commissies voorGeorganiseerd Overleg en andere voordrachten
                    vanuit de betrokken bestuursorganen.</al><tussenkop>Artikel 4 Secretaris</tussenkop><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                    gebruikelijk dat een commissie en haar kamers beschikken over een ambtelijk
                    secretaris ter ondersteuning van de werkzaamheden. Blijkens de jurisprudentie is
                    de secretaris voor de uitoefening van zijn functie slechts verantwoording
                    verschuldigd aan de commissie. De (plv.) secretaris wordt geleverd ter
                    ondersteuning van de commissie door het desbetreffende bestuursorgaan waar het
                    bezwaar is ingediend. Ook de invulling van de secretariswerkzaamheden worden
                    door het betrokken bestuursorgaan zelf bepaald.</al><tussenkop>Artikel 5 Zittingsduur</tussenkop><al>De voorzitter, plv. voorzitter en de (gewone) leden van de commissie treden af
                    op de dag van de landelijke gemeenteraadsverkiezingen.</al><al>Deze bepaling kan eventueel worden aangevuld met een lid waarin tot uitdrukking
                    wordt gebracht dat leden van een commissie die daarin zijn benoemd in verband
                    met een bepaalde hoedanigheid, aftreden indien zij deze hoedanigheid verliezen.
                    Uiteraard is het mogelijk voor een ander moment van aftreden te kiezen dan
                    bedoeld in het eerste lid. </al><al>De (plv.) voorzitter heeft als taak om tenminste 6 maanden vóór beëindiging van
                    de benoemingstermijnen van de leden van de commissie de secretarissen van de
                    commissie te informeren over deze beëindiging. De secretarissen zullen z.s.m.
                    afstemmen over de samenstelling van een wervings- en selectie-commissie i.v.m.
                    het werven en selecteren van te benoemen commissieleden.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat een lid bij zijn eigen ontslag zelf het
                    tijdstip van dat ontslag kan bepalen. Hij kan ook een later tijdstip kiezen om
                    zodoende eventueel nog bij de afhandeling van lopende zaken betrokken te kunnen
                    zijn. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie
                    te blijven vervullen.</al><tussenkop>Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een
                    bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                    ontvankelijkheidsvragen. </al><al>Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend
                    bezwaarschrift door de commissie gestart. In verband met de voor de afhandeling
                    geldende termijn is het noodzakelijk aan het hier gestelde (zo spoedig mogelijk,
                    lees onmiddellijk na ontvangst van het bezwaarschrift) ook daadwerkelijk te
                    voldoen. </al><al>De in artikel 7:13, tweede lid, Awb bepaalde melding dat een commissie over het
                    bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn van zes
                    weken wordt verlengd tot <vet>12</vet> weken met een verdagingsmogelijkheid van
                        <vet>6 </vet>weken (artikel 7:10 Awb). Wellicht ten overvloede wordt hier
                    opgemerkt dat het aanbeveling verdient indieners al in een zo vroeg mogelijk
                    stadium op de hoogte te brengen van de te volgen procedure.</al><tussenkop>Artikel 7 Uitoefening bevoegdheden</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de toepassing
                    van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit uitdrukkelijke voorschrift
                    maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de (plv.) voorzitter (of een
                    ander lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde
                    bepalingen zijn in dit artikel dan ook niet genoemd. De in dit artikel
                    aangehaalde bepalingen of artikelleden van de Awb luiden als volgt:</al><tussenkop>Artikel 2:1, tweede lid</tussenkop><al>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                    verlangen.</al><al><cursief>Toelichting: </cursief>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de
                    (plv.) voorzitter is dan ook vrij al dan niet van deze bevoegdheid gebruik te
                    maken.</al><tussenkop>Artikel 6:6</tussenkop><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of enig ander bij de wet gesteld vereiste
                    voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit
                    niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad
                    het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</al><al><cursief>Toelichting: </cursief>De termijn waarbinnen het verzuim dient te
                    worden hersteld, wordt vastgesteld door de (plv.) voorzitter. Er is van afgezien
                    in de regeling een vaste termijn daarvoor op te nemen omdat het niet goed
                    mogelijk is in algemene zin voor alle gevallen aan te geven hoe lang deze
                    termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel dat er sprake moet zijn van een
                    redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met een termijn van vier weken
                    worden volstaan). Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden
                    geboden het geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo
                    zijn dat door een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Uit
                    jurisprudentie over belastingen valt af te leiden dat na het bieden van een
                    hersteltermijn, bij of na afloop van die termijn ook nog gerappelleerd dient te
                    worden.</al><al>Een zorgvuldige formulering van de brief waarin gewezen wordt op het verzuim en
                    waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, is
                    noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven moeten worden welke consequentie
                    verbonden is aan het niet-voldoen aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de
                    facultatieve wijze waarop artikel 6:6 is geformuleerd voor het gevolg van het in
                    verzuim zijn: het bezwaarschrift “kan” niet-ontvankelijk worden verklaard. De
                    uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan. Overigens zal niet
                    zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo’n situatie sprake is van een
                    kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift waardoor – ingevolge artikel 7:3 Awb
                    – van het horen kan worden afgezien. Ten slotte wordt hier gewezen op artikel
                    7:10 van de Awb waarin voorschriften zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen
                    op een ingediend bezwaarschrift dient te worden beslist. De beslistermijn wordt
                    namelijk opgeschort met ingang van de dag na die waarop de indiener is verzocht
                    een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te herstellen, tot de dag waarop het
                    verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                    verstreken.</al><tussenkop>Artikel 6:17</tussenkop><al>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op
                    het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval
                    aan de gemachtigde.</al><al><cursief>Toelichting: </cursief>Deze bepaling spreekt voor zich. Voor zover het
                    de behandeling door de commissie betreft, ligt deze taak bij de (plv.)
                    voorzitter. </al><al>(CRvB 24 juni 1997, JB 1997/196). Artikel 7:4, vierde lid Awb staat toe om leges
                    te heffen voor het verstrekken van afschriften van de desbetreffende stukken aan
                    de gemachtigde van een belanghebbende (HR 20 september 2000, JG 2001/30).</al><tussenkop>Artikel 7:4, tweede lid</tussenkop><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage. Indien alle stukken door het betrokken
                    bestuursorgaan worden toegestuurd aan belanghebbenden hoeft ter inzage legging
                    niet plaats te vinden.</al><tussenkop>Toelichting:</tussenkop><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                    verlopende</al><al>bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van hoor en
                    wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet gehoord,
                    dan is er ook geen sprake van een verplichte ter inzage legging. Stukken
                    toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende stukken in te zien
                    mag niet beperkt blijven tot de termijn van ter inzage legging (Rb. Amsterdam, 8
                    augustus 1995, Awb katern 1996, 19).</al><tussenkop>Artikel 7:6, vierde lid</tussenkop><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het artikel 7: 6 derde lid achterwege laten, voor zover
                    geheimhouding om gewichtige redenen is geboden (…..). Het derde lid van dit
                    artikel luidt:”Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder
                    van hen op de hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                    afwezigheid. “</al><tussenkop>Artikel 8 Vooronderzoek</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat de (plv.) voorzitter van de commissie er zorg voor
                    dient te dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                    bezwaarschrift genoegzaam voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                    gemeente – hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen –
                    als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de klager in contact te treden om
                    nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar (plv.) voorzitter bij de voorbereiding
                    van de te behandelen zaken kunnen kosten meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten meebrengen. Deze kosten komen ten laste van de
                    gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien in de
                    normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om bijzondere
                    kosten gaat. Aangezien het betrokken bestuursorgaan belast is met de uitvoering
                    van de begroting, ligt het voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt
                    worden voordat dat betrokken bestuursorgaan de gelegenheid heeft gehad dit te
                    toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is in deze bepaling voor de kosten
                    voor getuigen of deskundigen een machtiging vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag
                    het niet zo zijn dat het betrokken bestuursorgaan door zo’n toetsing het werk
                    van de commissie frustreert en haar onafhankelijke positie daardoor aantast. In
                    dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak. Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter
                    beoordeling van het bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de
                    aard van het advies van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de
                    zaak betrekking hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen
                    afgewogen oordeel kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><tussenkop>Artikel 9 Hoorzitting</tussenkop><al>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 11 van deze
                    regeling</al><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                    belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="b."><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                            recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="d."><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                            geschaad.</al></li></lijst><tussenkop>Ad d.</tussenkop><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van
                    appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de de
                    commissie contact opneemt.</al><al>In dit verband wordt ook gewezen op artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18
                    gaat het over het tijdens het aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen
                    van het bestreden besluit. In artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een
                    bestuursorgaan zo’n intrekkings- of wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar
                    geacht wordt mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit
                    geheel tegemoetkomt aan het bezwaar.</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de regeling toegekend aan
                    de (plv.) voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is
                    bepaald dat de commissie, voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is
                    bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3. Daarnaast zal in het
                    uiteindelijk uit te brengen advies hier nogmaals op teruggekomen moeten worden.
                    Dat is noodzakelijk omdat ingevolge artikel 7:12 Awb bij de beslissing op een
                    bezwaarschrift, indien van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op
                    welke grond dat is geschied.</al><tussenkop>Artikel 10 Uitnodiging zitting</tussenkop><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. </al><al>Voorts is het voor een externe commissie van groot belang om van bestuurlijke
                    zijde te vernemen hoe een beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor
                    de commissie moeilijk worden om een goede afweging te maken. Het verdient
                    aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de oproeping en de
                    zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een zodanige termijn dat
                    de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende gelegenheid krijgen om zich
                    behoorlijk op de zitting voor te bereiden. Bezwaarden kunnen geattendeerd worden
                    op de mogelijkheid om hun verweer op schrift te stellen dat bij het verslag
                    wordt gevoegd. Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met
                    de termijn van <vet>twaalf</vet> weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het
                    bezwaar moet zijn beslist (zie artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4
                    Awb (zie hierna). Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen
                    van het tijdstip van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden
                    verleend. Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel
                    te krijgen. Een verzoek om uitstel moet niet automatisch gehonoreerd worden. Een
                    gemotiveerd</al><al>verzoek om uitstel kan ingewilligd worden, maar dient dan wel te worden beperkt
                    tot een eenmalig uitstel omdat anders de afwikkeling van het bezwaarschrift een
                    te grote vertraging kan ondervinden.</al><al>De toelichting op dit artikel van deze regeling is ook de plaats om te wijzen op
                    het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8 van de Awb. Het verdient aanbeveling om van
                    de inhoud van deze artikelen bij de uitnodiging van de hoorzitting mededeling te
                    doen. Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan de
                    tekst ervan hier integraal op te nemen (zie ook de toelichting bij artikel
                    8).</al><tussenkop>Artikel 7:4</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                            indienen.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak
                            betrekking hebbende stukken, voorafgaand aan het horen, gedurende ten
                            minste één week voor belanghebbenden ter inzage.</al></li><li nr="3."><al>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het
                            eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                            liggen.</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste
                            de kosten afschriften verkrijgen.</al></li><li nr="5."><al>Voor zover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van het
                            tweede lid achterwege worden gelaten.</al></li><li nr="6."><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                            toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten, voor zover
                            geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van
                            deze bepaling wordt mededeling gedaan.</al></li><li nr="7."><al>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voor zover ingevolge
                            de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een verzoek om
                            informatie, vervat in deze stukken, in te willigen.</al></li><li nr="8."><al>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                            lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan
                            inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                            gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij arts is.</al></li></lijst><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de WOB
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43). In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding
                    van stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><tussenkop>Artikel 7:8</tussenkop><al>1.Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte getuigen en
                    deskundigen worden gehoord.</al><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG 2000/122).</al><tussenkop>Artikel 11 Quorum</tussenkop><al>Er wordt gehoord door ten minste twee leden van de commissie onder wie in elk
                    geval de voorzitter of diens plaatsvervanger. Er is namelijk geen wettelijk
                    bezwaar tegen het horen in het kader van de bezwaarprocedure door de (plv.)
                    voorzitter en één lid van de commissie. Echter, advisering moet door de
                    voltallige commissie plaatsvinden (ABRS 2 maart 2000, GS 2000/7119, 3).</al><tussenkop>Artikel 12 Niet-deelneming aan de behandeling</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb.</al><al>Ook al is de (plv.) voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet
                    vast dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake
                    is (Rb Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100).</al><tussenkop>Artikel 13 Openbaarheid zitting</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voor zover
                    niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar
                    plaatsvindt. Hier wordt per definitie bepaald dat de zittingen niet openbaar
                    zijn omdat het hier altijd gaat om persoonlijke zaken van familiaire, medische
                    of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk karakter. </al><tussenkop>Artikel 14 Schriftelijke verslaglegging</tussenkop><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt
                    gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijke vereisten aan het verslag worden
                    niet door de Awb geregeld. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat in de
                    regeling een vaste procedure wordt opgenomen. Het bepaalde in het eerste lid
                    hoeft niet zo ver te strekken dat van al het aanwezige publiek naam en
                    hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag duidelijk moeten blijken
                    wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen naar voren is gebracht.
                    Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de
                    bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de Awb)
                    dat het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op
                    bezwaar aan belanghebbende wordt toegezonden. Ook is het mogelijk het verslag
                    van de hoorzitting vóór het nemen van het bestreden besluit aan de
                    belanghebbenden te zenden. Hierdoor krijgen belanghebbenden de gelegenheid te
                    reageren indien het verslag een onjuiste weergave bevat van de hoorzitting. Uit
                    oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding zal dit vaak de voorkeur genieten
                    (ABRS 12 juni 1997, JB 1997/188). Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer
                    en bij het advies. Als een lid afwezig is geweest bij het horen en de stemmen
                    staken in de adviescommissie, hoeft bij de hernieuwde behandeling in de
                    commissie niet opnieuw gehoord te worden (CRvB, 2 april 1996, AB 1997/23).</al><tussenkop>Artikel 15 Nader onderzoek</tussenkop><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                    nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat indien het in het
                    hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te
                    nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden
                    wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                    gehoord (rechtsbeginsel van hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van
                    aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de
                    gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden
                    telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek (Nationale ombudsman
                    9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat het
                    bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder
                    dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt
                    dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                    1999/311).</al><tussenkop>Artikel 16 Raadkamer en advies</tussenkop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 13. De hoorzitting is niet openbaar; de hier
                    bedoelde</al><al>beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats. </al><al>Het tweede lid, onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het
                    vergaderquorum wel aanwezig is, maar dat één van de leden zich onthoudt van
                    stemming en de andere leden niet een eensluidend standpunt innemen. In een
                    dergelijk geval is het standpunt van de (plv.) voorzitter bepalend. </al><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet voltallige commissie (zie onder 11); de
                    advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan de eisen
                    van artikel 7:13, eerste lid, onder a. Hoe het advies tot stand komt, is niet
                    voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober 1999, AB
                    2000/42 en Rb. Haarlem, 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb 00/8620
                    en 00/8621). Advisering door de (plv.) voorzitter en één lid van de
                    hoorcommissie is in strijd met artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van
                    State, Afdeling bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Dus er moet voor
                    advisering altijd sprake zijn van een commissie bestaande uit drie
                    personen.Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen
                    (gedelegeerde) beslisbevoegdheid krijgen (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 06-01-1997).</al><tussenkop>Artikel 17 Uitbrengen advies</tussenkop><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                    verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt het
                    schriftelijk uitgebracht. De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van
                    de Awb <vet>12</vet> weken, behoudens in het geval van opschorting of met
                    gebruikmaking van de mogelijkheid van verdaging. De onderhavige bepaling
                    verlangt van de (plv.) voorzitter van de commissie dat indien hij voorziet dat
                    de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald, hij tijdig het
                    bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te verdagen. Verdagen kan
                    voor ten hoogste 6 weken. Het besluit tot verdaging is een beschikking.
                    Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze
                    van bekendmaking en mededeling van besluiten regelen, in dit geval niet van
                    toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een
                    besluit niet in werking treedt voordat het bekend gemaakt is. Het ligt voor de
                    hand in verband hiermee ook belanghebbenden een afschrift van het
                    verdagingsbesluit toe te zenden. Ten slotte moet worden opgemerkt dat bij het
                    overschrijden van genoemde beslistermijnen door het betrokken bestuursorgaan de
                    Wet Dwangsom en Beroep van toepassing is.</al><tussenkop>Artikel 18 Intrekken oude regelingen</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 19 Overgangsbepaling</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 20 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze regeling treedt in werking op de achtste dag, nadat deze is bekend gemaakt. </al><tussenkop>Artikel 21 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>