<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR113128_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de logeer- en kamerverhuurinrichtingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Breda</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Breda</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Breda.nl, 16-03-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de logeer- en kamerverhuurinrichtingen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 168</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-02-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-03-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>26217</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bouwen en wonen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening op de brandveiligheid in gebouwen, welke worden gebruikt als logiesinrichtingen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de logeer- en kamerverhuurinrichtingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen; de vergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a)"><al>logeerinrichting: een gebouw of gedeelte(n) van een gebouw,
                                    waarin bij wijze van bedrijf of nevenbedrijf logies aan personen
                                    pleegt te worden verschaft, gepaard gaande met dienstverlening,
                                    al dan niet met verstrekking van een of meer maaltijden;</al></li><li nr="b)"><al> kamerverhuurinrichting: een gebouw of gedeelte(n) van een
                                    gebouw, waarin bij wijze van bedrijf of nevenbedrijf kamerruimte
                                    voor bewoning pleegt te worden verschaft, al dan niet gepaard
                                    gaande met dienstverlening en/of verstrekking van
                                    maaltijden;</al></li><li nr="c)"><al> vergunning; de schriftelijke vergunning, bedoeld in artikel
                                    3;</al></li><li nr="d)"><al> exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon, die de onder a
                                    en/of b bedoelde inrichting exploiteert;</al></li><li nr="e)"><al> beheerder: degene, die belast is met de dagelijkse leiding in
                                    de onder a en/of b bedoelde inrichting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Deze verordening is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a)"><al> inrichtingen, als bedoeld in artikel 1 onder a en/of b, waarin
                                    aan minder dan vijf personen logies en/of kamerruimte voor
                                    bewoning pleegt te worden verschaft;</al></li><li nr="b)"><al> logeerinrichtingen, waar in hoofdzaak en in de regel slechts
                                    voor één of enkele opeenvolgende nachten logies wordt
                                    verschaft;</al></li><li nr="c)"><al> vakantieverblijven, jeugdherbergen, ziekenhuizen,
                                    verpleeginrichtingen, internaten alsmede inrichtingen, waarop de
                                    wet op de bejaardenoorden van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Behoudens de gevallen, voorzien in artikel 37, 1e en 2e lid, is het
                                verboden zonder schriftelijke vergunning van burgemeester en
                                wethouders een logeer- en/of kamerverhuurinrichting te
                                exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene, die voornemens is een dergelijke exploitatie ter hand te
                                nemen, vraagt de vergunning schriftelijk aan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag moet vermelden:</al><lijst><li nr="a)"><al> de naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats,
                                        woonplaats, adres en beroep van de exploitant of - zo deze
                                        een rechtspersoon is - de statutaire naam en de plaats, waar
                                        de rechtspersoon gevestigd is en kantoor houdt;</al></li><li nr="b)"><al> de onder a bedoelde gegevens van de beheerder;</al></li><li nr="c)"><al> het adres van het gebouw, waarin de inrichting wordt
                                        gevestigd;</al></li><li nr="d)"><al> het gedeelte of de gedeelten van het gebouw, waarvoor de
                                        vergunning wordt gevraagd;</al></li><li nr="e)"><al> het aantal personen, aan wie, naar het oordeel van de
                                        aanvrager, logies en/of kamerruimte kan worden
                                        verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in het vorige lid is de aanvrager
                                gehouden het college alle informatie, stukken en tekeningen te
                                verschaffen, welke zij ter beoordeling van de aanvraag nodig achten.
                                Indien de aanvrager een rechtspersoon is, worden de statuten en een
                                lijst van de bestuursleden bij de aanvraag overgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Bericht van ontvangst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onmiddellijk na ontvangst van een aanvraag, als bedoeld in het
                                    vorig artikel, zendt het college een bericht van ontvangst aan
                                    de aanvrager, onder de mededeling van het bepaalde in de
                                    volgende leden en in artikel 34, lid 1 en 2.</al></li></lijst><al><vet>Beslissing</vet></al><lijst><li nr="2."><al>Het college beslist op de aanvraag binnen drie maanden na de
                                    dag, waarop deze is ontvangen. Zij kunnen deze termijn eenmaal
                                    met ten hoogste drie maanden verlengen. Van deze verlening wordt
                                    aan de aanvrager schriftelijk mededeling gedaan.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college niet binnen de in het vorig lid gestelde
                                    termijn hebben beslist, wordt de vergunning geacht te zijn
                                    geweigerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college weigert de vergunning:</al><lijst><li nr="a)"><al> indien de inrichting niet voldoet aan de eisen, bij of
                                        krachtens deze verordening of andere voorschriften met
                                        betrekking tot gebouwen gesteld, tenzij van de betreffende
                                        bepalingen ontheffing is verleend;</al></li><li nr="b)"><al> indien de aanvrager, c.q. de beheerder de leeftijd van 21
                                        jaren nog niet heeft bereikt, dan wel naar het oordeel van
                                        het college niet van zodanig levensgedrag is, dat hij
                                        geschikt is voor de exploitatie respectievelijk de
                                        dagelijkse leiding van de inrichting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de vergunning weigeren:</al><lijst><li nr="a)"><al> indien de aanvrager, c.q. de beheerder niet in het gebouw,
                                        waarin de inrichting is gevestigd, woont;</al></li><li nr="b)"><al> indien een huisgenoot van de aanvrager c.q. de beheerder
                                        van zodanig levensgedrag is, dat een behoorlijke exploitatie
                                        van de inrichting niet is gewaarborgd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een besluit tot weigering van een vergunning is met redenen omkleed
                                en wordt schriftelijk ter kennis van de aanvrager gebracht onder
                                mededeling van het bepaalde in artikel 34.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Inhoud vergunning</titel></kop><al>In de vergunning worden vermeld:</al><lijst><li nr="a)"><al> de datum waarop de aanvraag is ontvangen;</al></li><li nr="b)"><al> de exploitant en de beheerder;</al></li><li nr="c)"><al> het gebouw of de gedeelten van een gebouw, waarop de vergunning
                                    betrekking heeft, onder vermelding van het adres van dit
                                    gebouw;</al></li><li nr="d)"><al> de aard van de inrichting;</al></li><li nr="e)"><al> het aantal personen, dat ten hoogste in de inrichting kan
                                    worden ondergebracht;</al></li><li nr="f)"><al> de voorwaarden, waaronder de vergunning wordt verleend;</al></li><li nr="g)"><al> de bij de vergunning verleende ontheffingen, als bedoeld in
                                    artikel 28.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien ten aanzien van één of meer van de in artikel 6, onder b,
                                    c en de genoemde onderwerpen zich een wijziging voordoet,
                                    vervalt de vergunning van rechtswege, behoudens het bepaalde in
                                    lid 3.</al></li></lijst><al><vet>Overlijden van exploitant</vet></al><lijst><li nr="2."><al>Het overlijden van de exploitant heeft ten aanzien van het
                                    vervallen van de vergunning een opschortende werking tot zes
                                    maanden na dat overlijden, of, indien binnen die termijn een
                                    nieuwe vergunning is gevraagd, totdat de beslissing op die
                                    aanvraag onherroepelijk is geworden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Eisen, waaraan een logeerinrichting moet voldoen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Algemene eisen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De logeerinrichting en de inventaris ervan moeten in behoorlijke
                                staat van onderhoud en hygiëne verkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitatie en het beheer van de logeerinrichting moeten
                                geschieden in overeenstemming met normale eisen van openbare orde,
                                zedelijkheid, gezondheid en veiligheid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de logeerinrichting moet een goed geoutilleerde verbandtrommel
                                aanwezig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Slaapvertrekken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als slaapvertrek mogen niet worden gebruikt kelders, winkels,
                                werkplaatsen, keukens, schuren, garages, gemeenschappelijke gangen
                                en portalen zomede andere ruimten, welke naar hun aard niet voor
                                slaapvertrek zijn bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vloeroppervlakte en de hoogte van alsmede de lichttoetreding en
                                de ventilatie in elk slaapvertrek moeten voldoen aan de bepalingen
                                van de bouwverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elk slaapvertrek moet onafhankelijk van een ander slaapvertrek
                                bereikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Slaapvertrekken alsmede deuren, die de verbinding vormen tussen
                                slaapvertrekken onderling, mogen nummer worden afgesloten, indien
                                een vluchtweg alleen via die slaapvertrekken bereikbaar is, of
                                indien die slaapvertrekken deel uitmaken van een vluchtweg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In elk slaapvertrek moet voor één persoon een vloeroppervlakte van
                                ten minste 5 m² aanwezig zijn en voor iedere persoon méér een extra
                                vloeroppervlakte van ten minste 3 m².</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In of nabij elk slaapvertrek moet voor iedere persoon een
                                afsluitbare bergruimte van ten minste 0,3 m² moet een hoogte van ten
                                minste 1,60 m aanwezig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Slaapplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bedsteden mogen niet als slaapplaatsen worden ingericht of
                                gebruikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het aantal slaapplaatsen dient ten minste gelijk te zijn aan het
                                aantal personen, aan wie logies wordt verschaft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder elke slaapplaats moet een doorlopende, in haar geheel
                                gemakkelijk bereikbare ruimte aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Elke slaapplaats moet ten minste 1,50 meter zijn verwijderd van een
                                warmtebron, buizen en radiatoren van een centrale
                                verwarmingsinstallatie niet meegerekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al>Elke éénpersoonsslaapplaats dient ten minste 1,90 meter lang en 0,80
                            meter breed en elke tweepersoonsslaapplaats ten minste 1,90 meter lang
                            en 1,20 meter breed te zijn. Deze afmetingen gelden niet voor
                            kinderslaapplaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><al>Rijen van slaapplaatsen moeten zijn gescheiden door gangpaden van ten
                            minste 1 meter breedte; tussen de slaapplaatsen moet in elke rij een pad
                            van tenminste 0,70 meter breedte zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Wasgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Per elk vijftal personen of minder, tot verblijf van wie de
                                logeerinrichting strekt, dient ten minste één op de
                                drinkwaterleiding aangesloten wasgelegenheid aanwezig te zijn met
                                een steeds functionerende, op de riolering aangesloten inrichting
                                voor waterafvoer, welke wasgelegenheid zich niet buitenshuis mag
                                bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien zich geen wasgelegenheid, als in het eerste lid bedoeld,
                                buiten de slaapvertrekken bevindt, moet in elk slaapvertrek een
                                dergelijke wasgelegenheid aanwezig zijn per elk vijftal personen of
                                minder, tot verblijf van wie het vertrek strekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de logeerinrichting strekt tot verblijf van personen van
                                verschillend geslacht en de wasgelegenheden zich buiten de
                                slaapvertrekken bevinden, moeten deze wasgelegenheden voor mannen en
                                vrouwen gescheiden en afsluitbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In iedere logeerinrichting moet voor elk vijftiental personen of
                                minder, tot verblijf van wie de logeerinrichting strekt, een
                                behoorlijke bad- en/of douchegelegenheid voor gebruik beschikbaar
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Privaten</titel></kop><al>Op elke verdieping van de logeerinrichting en/of voor elk tiental
                            personen of minder, tot verblijf van wie de logeerinrichting strekt,
                            moet een op een gang of portaal uitkomend, geheel afgezonderd privaat
                            met waterspoeling, behoorlijke ventilatie en gelegenheid om de handen te
                            wassen aanwezig zijn, welk privaat buiten de voor de exploitant of de
                            beheerder bestemde woongelegenheid om bereikbaar moet zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In iedere logeerinrichting moet ten behoeve van de personen, die
                                daarin verblijven, een dagverblijf aanwezig zijn met behoorlijke
                                ventilatie direct op de buitenlucht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde dagverblijf moet een oppervlakte
                                hebben van ten minste 2 m² per persoon, berekend naar het aantal
                                personen, tot verblijf van wie de logeerinrichting strekt, met dien
                                verstande, dat dit verblijf ten minste een oppervlakte heeft van 16
                                m².</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Elektrische verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle voor één of meer personen, tot verblijf van wie de
                                logeerinrichting strekt, toegankelijke gangen, portalen, privaten,
                                was-, bad- en/of douchegelegenheden, slaapvertrekken en
                                dagverblijven moeten voorzien zijn van een goed functionerende
                                elektrische verlichting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle voor de in het eerste lid bedoelde personen toegankelijke
                                gangen, portalen en trappenhuizen, die deel uitmaken van
                                vluchtwegen, dienen voorzien te zijn van ene goed functionerende
                                elektrische waakverlichting, die moet branden gedurende de tijd, dat
                                in deze ruimten onvoldoende daglicht aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een logeerinrichting strekt tot verblijf van 12 of meer
                                personen, moet een goed functionerende noodverlichtingsinstallatie
                                aanwezig zijn. Deze noodverlichting mag met de in het tweede lid
                                bedoelde waakverlichting worden gecombineerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gehele elektrische installatie moet voldoen aan door of namens
                                het college gestelde of te stellen eisen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Keuken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van de personen, die in de logeerinrichting verblijven,
                                moet voor eventuele bereiding van maaltijden een keuken met
                                kookinstallatie, behoorlijke ventilatie zomede bergruimten voor
                                levensmiddelen aanwezig zijn, waardoor een hygiënisch verantwoorde
                                en veilige maaltijdbereiding wordt gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze keuken of in een bijkeuken moet een aanrecht met spoelbak en
                                stromen water aanwezig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Kook- en gastoestellen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Kooktoestellen mogen alleen in een keuken aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gastoestellen voor kook- en/of verwarmingsdoeleinden moeten zijn
                                aangesloten op het bestaande gasdistributienet overeenkomstig de
                                door of namens het college gestelde of te stellen eisen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met uitzondering van gevelkachels mogen gastoestellen voor
                                verwarmingsdoeleinden zonder gasafvoerkanalen niet aanwezig zijn in
                                de voor gebruik of medegebruik van personen, die in de
                                logeerinrichting verblijven, bestemde ruimten van de
                                inrichting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Verwarmingstoestellen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Verwarmingstoestellen mogen alleen worden gebruik, indien
                                opstelling en<vet>t </vet>inrichting der toestellen naar het oordeel
                                van het college een veilig gebruik waarborgen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>2.Verwarmingstoestellen, die in benedenwaartse richting warmte
                                kunnen uitstralen, moeten zijn geplaatst op een ondergrond van
                                onbrandbaar, hittebestendig en de warmte slecht geleidend
                                materiaal.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Oliekachels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Oliekachels voor verwarmingsdoeleinden zonder schoorsteenafvoer
                                mogen niet aanwezig zijn in de voor gebruik of medegebruik van de
                                personen, die in de logeerinrichting verblijven, bestemde ruimten
                                van de inrichting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een oliekachel voor verwarmingsdoeleinden moet door middel van een
                                metalen leiding op, naar het oordeel van het college, brandveilige
                                wijze zijn aangesloten op de brandstoftank.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De op de oliekachel aangesloten brandstoftank of -tanks mag/mogen
                                geen grote inhoud hebben dan 30 liter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Buiten de in het vorige lid bedoelde brandstoftanks mag in de
                                logeerinrichting ten hoogste 90 liter vloeibare brandstof in
                                bewaring worden gehouden, mits geborgen in goed gesloten metalen
                                vaten, welke ieder een inhoud van ten hoogste 30 liter mogen hebben.
                                Die vaten moeten veilig worden opgeslagen in een voor dit doel
                                bestemde ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel/></kop><al>De artikelen 23 tot en met 26 zijn vervallen bij raadsbesluit van 27
                            september 1990.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Eisen, waaraan een kamerverhuurinrichting moet voldoen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr></kop><al>Ten aanzien van een kamerverhuurinrichting zijn de voorschriften,
                            gesteld in de artikelen 9; 10, lid 1; 11, lid 1; 12; 13; 15; 16; 18 tot
                            en met 22, van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Ontheffing van eisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr></kop><al>Bij het verlenen van de vergunning kan het college, onder door hen te
                            stellen voorwaarden, al dan niet tijdelijk ontheffing verlenen van
                            eisen, gesteld in de artikelen 10, lid 1; 11, leden 1 en 2; 12, leden 3
                            en 4; 13; 14; 15, leden 1, 2 en 4; 16; 17, lid 2; 20, lid 2; 22 leden 3
                            en 4 en voor zover het alleen een kamerverhuurinrichting betreft, ook
                            aan de eis, gesteld in artikel 20, lid 1.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Schriftelijke waarschuwing; intrekking van de vergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Schriftelijke waarschuwing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien één of meer bepalingen, bij of krachtens deze verordening
                                gesteld, of andere voorschriften, met betrekking tot gebouwen, voor
                                zover daarvan geen ontheffing is verleend, dan wel voorwaarden, aan
                                de vergunning verbonden, naar het oordeel van het college niet of
                                niet behoorlijk worden nageleefd, kunnen zij de exploitant een
                                schriftelijke waarschuwing zenden, waarin een termijn van ten minste
                                3 dagen wordt gesteld, waar binnen aan de bepalingen, voorschriften
                                of voorwaarden alsnog moet worden voldaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien na het verstrijken van de krachtens lid 1 gestelde termijn de
                                bepalingen of voorwaarden naar het oordeel van het college nog niet
                                of niet naar behoren worden nageleefd, kunnen zij de vergunning
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 30, lid 1, sub a,
                                intrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vergunning kan door het college worden ingetrokken:</al><lijst><li nr="a)"><al> wanneer gehandeld wordt in strijd met een of meer
                                        bepalingen, bij of krachtens deze verordening gesteld, of
                                        met andere voorschriften met betrekking tot gebouwen, voor
                                        zover daarvan geen ontheffing is verleend, dan wel met
                                        voorwaarden aan de vergunning verbonden;</al></li><li nr="b)"><al> wanneer de exploitant gedurende ten minste zes maanden van
                                        de vergunning geen gebruik heeft gemaakt;</al></li><li nr="c)"><al> ingeval ten aanzien van de exploitant of de beheerder dan
                                        wel een hunner huisgenoten feiten of omstandigheden bekend
                                        worden, die, indien zij zich zouden hebben voorgedaan of
                                        zouden zijn bekend geworden vóór het tijdstip van de
                                        verlening van de vergunning, tot weigering van de vergunning
                                        zouden hebben geleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot intrekking van een vergunning is met redenen omkleed
                                en wordt schriftelijk ter kennis van de exploitant gebracht onder
                                mededeling van het bepaalde in artikel 35.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een zodanige intrekking gaat in, wanneer dertig dagen zijn
                                verstreken na de dag, waarop het daartoe strekkende besluit aan de
                                exploitant is toegezonden of uitgereikt, behoudens het bepaalde in
                                artikel 35, 2e lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>De sluiting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bij een met redenen omkleed besluit de sluiting van
                                een inrichting of een gedeelte daarvan bevelen:</al><lijst><li nr="a)"><al>indien een inrichting zonder de vereiste vergunning wordt
                                        geëxploiteerd;</al></li><li nr="b)"><al> voor zover een inrichting niet overeenkomstig de vergunning
                                        wordt geëxploiteerd;</al></li><li nr="c)"><al> voor zover een inrichting niet overeenkomstig de aan de
                                        vergunning verbonden voorwaarden wordt geëxploiteerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college deelt het besluit als bedoeld in het eerste lid
                                schriftelijk bij aangetekende brief mede aan:</al><lijst><li nr="a)"><al> de exploitant en de beheerder van de betreffende
                                        inrichting;</al></li><li nr="b)"><al> de blijkens een door de exploitant en/of de beheerder te
                                        verstrekken opgave van de in debetreffende inrichting of in
                                        het betreffende gedeelte daarvan verblijvende personen aan
                                        wie gelegenheid tot logeren- en/of kamerruimte wordt
                                        verschaft als bedoeld in het bepaalde in deze
                                        verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een besluit tot gehele of gedeeltelijke sluiting van een inrichting
                                treedt in werking dertig dagen na de dag, waarop dit besluit op de
                                in het tweede lid bedoelde wijze is medegedeeld en daartegen door de
                                in dat lid bedoelde belanghebbenden geen beroep is ingesteld als
                                bedoeld in artikel 36, eerste lid. In dat geval tegen een zodanig
                                besluit beroep wordt ingesteld wordt tot gehele of gedeeltelijke
                                sluiting van de betreffende inrichting niet overgegaan dan nadat
                                door de raad op een dergelijk beroep is beslist.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid in dringende
                                gevallen in het belang van de gezondheid en/of de veiligheid bij een
                                met redenen omkleed besluit de onmiddellijke sluiting van een
                                inrichting of een gedeelte daarvan bevelen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Van het besluit tot sluiting wordt door of vanwege het college op
                                een duidelijk zichtbare plaats een afschrift bevestigd bij de
                                hoofdtoegang van de betreffende inrichting dan wel bij de
                                toegang(en) van het gedeelte daarvan, alsmede in de betreffende
                                inrichting of het betreffende gedeelten daarvan. Het college brengt
                                op het betreffende besluit bovendien op de gebruikelijke wijze ter
                                openbare kennis voor de termijn, dan dit van kracht is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De rechthebbende(n) op de betreffende inrichting, de exploitant, de
                                beheerder en de in de inrichting verblijvende personen zijn
                                verplicht toe te laten, dat het afschrift van het besluit, waarbij
                                de sluiting wordt bevolen, overeenkomstig het bepaalde in het vijfde
                                lid wordt bevestigd en bevestigd blijft zo lang het betreffende
                                besluit van kracht is.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Gedurende de tijd, dat het besluit tot sluiting van kracht is, is
                                het de exploitant en de beheerder verboden om in de gesloten
                                inrichting aan niet tot het gezin van de exploitant en/of beheerders
                                behorende personen of aan hun buitenshuis wonende bloed- of
                                aanverwanten gelegenheid tot logeren en/of kamerruimte als bedoeld
                                in het bepaalde in deze verordening te verschaffen, te doen
                                verschaffen, zulks te gedogen of te doen gedogen, tenzij door het
                                college vooraf anders is bepaald. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Verzegeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval tot sluiting wordt overgegaan kunnen burgemeester en
                                wethouders, onverminderd het bepaalde in artikel 210, juncto artikel
                                152 van de gemeentewet, de op grond van het bepaalde in artikel 31
                                gesloten inrichting of het gesloten gedeelte daarvan doen verzegelen
                                en verzegeld houden gedurende de tijd, dat het besluit tot sluiting
                                van kracht is, met uitzondering van die ruimte(n) in de betreffende
                                inrichting of het gesloten gedeelte daarvan waarin de exploitant
                                en/of de beheerder dan wel de tot hun gezin behorende personen
                                woonachtig zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende(n) op de betreffende inrichting, de exploitant en
                                de beheerder zijn verplicht toe te laten, dat de verzegeling als
                                bedoeld in het eerste lid wordt aangebracht en aangebracht blijft
                                zolang het betreffende besluit tot sluiting van kracht is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een op grond van het bepaalde in dit artikel
                                aangebrachte verzegeling te verbreken of te doen verbreken, tenzij
                                het college:</al><lijst><li nr="a)"><al> de gehele of gedeeltelijke sluiting hebben opgeheven;</al></li><li nr="b)"><al> daartoe bij een vooraf schriftelijk mede te delen besluit
                                        ontheffing hebben verleend.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Treffen van voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Wanneer een inrichting geheel of gedeeltelijk is gesloten wordt
                                    de exploitant of diens rechtverkrijgende(n) in de gelegenheid
                                    gesteld zodanige voorzieningen te treffen of te doen treffen,
                                    dat de betreffende inrichting of het gedeelte daarvan
                                    overeenkomstig het bepaalde in deze verordening kan worden
                                    geëxploiteerd. In dat geval verleent het college daartoe een
                                    ontheffing als bedoeld in artikel 32, derde lid, onder b.</al></li></lijst><al><vet>Opheffing van sluiting</vet></al><lijst><li nr="2."><al>De gehele of gedeeltelijke sluiting wordt door het college bij
                                    aangetekende brief aan de exploitant en de beheerder van de
                                    betreffende inrichting schriftelijk en met redenen omkleed mede
                                    te delen besluit opgeheven, zodra:</al><lijst><li nr="a)"><al> Het college heeft vastgesteld, dat de betreffende
                                            inrichting niet meer onder de werking van deze
                                            verordening valt;</al></li><li nr="b)"><al> gebleken is, dat de betreffende inrichting dan wel het
                                            betreffende gedeelte daarvan overeenkomstig de
                                            vergunning of overeenkomstig de aan de vergunning
                                            verbonden voorwaarden zal kunnen worden
                                            geëxploiteerd;</al></li><li nr="c)"><al> voor de betreffende inrichting of het gesloten gedeelte
                                            daarvan vergunning is verleend;</al></li><li nr="d)"><al> de vergunning voor de betreffende inrichting of het
                                            gesloten gedeelte daarvan is vervallen op grond van het
                                            bepaalde in het derde lid van dit artikel.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Vervallen vergunning</vet></al><lijst><li nr="3."><al>De voor een inrichting verleende vergunning vervalt wanneer de
                                    betreffende inrichting of het betreffende gedeelte daarvan
                                    gedurende twaalf achtereenvolgende maanden gesloten is
                                    geweest.</al><al> Voor de toepassing van het bepaalde in dit lid neemt, ingeval
                                    de sluiting op grond van het bepaalde in artikel 31, vierde lid,
                                    met onmiddellijke ingang is bevolen, deze termijn eerst aanvang
                                    zodra door de raad op een daartegen ingesteld beroep is
                                    beslist.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VII</nr><titel>Van het beroep</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Beroep tegen weigering vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tegen een besluit tot weigering van een vergunning of tegen het
                                binnen de daarvoor in artikel 4 gestelde termijn achterwege blijven
                                van een besluit kan de aanvrager bij de raad in beroep komen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beroep moet schriftelijk en met redenen omkleed worden ingesteld
                                binnen 30 dagen na de dag, waarop het besluit is uitgereikt, c.q.
                                verzonden, of ingeval een besluit binnen de daarvoor in artikel 4
                                gestelde termijn achterwege is gebleven, binnen dertig dagen na het
                                verstrijken van die termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onmiddellijk na ontvangst van het beroepsschrift zendt de voorzitter
                                van de raad een berich van ontvangst aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad beslist binnen drie maanden na de dag, waarop het
                                beroepsschrift is binnengekomen.</al><al>Het besluit van de raad is met redenen omkleed en wordt toegezonden
                                of uitgereikt aan de aanvrager van de vergunning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de raad het beroep gegrond verklaart, verleent hij de
                                vergunning overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. Voor
                                de toepassing van deze verordening geldt die vergunning als een door
                                college verleende vergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Beroep tegen intrekking vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tegen een besluit tot intrekking van een vergunning kan de
                                exploitant bij de raad in beroep komen. Het bepaalde in de leden 1
                                tot en met 5 van artikel 34 is dan van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het instellen van een beroep, als in het 1e lid bedoeld, schorst de
                                intrekking van de vergunning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Strekt de beslissing omtrent een zodanig beroep tot handhaving van
                                de intrekking van de vergunning, dan gaat deze in op de dertigste
                                dag na die, waarop die beslissing aan de exploitant is toegezonden
                                of uitgereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Beroep tegen sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degenen, die door een besluit tot sluiting als bedoeld in artikel
                                31, eerste of vierde lid, rechtstreeks in zijn belangen is getroffen
                                kan daartegen binnen dertig dagen na de dag, waarop het besluit is
                                medegedeeld, schriftelijk en met redenen omkleed bij de raad beroep
                                instellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 34, derde tot en met vijfde lid, is van
                                overeenkomstige toepassing op de behandeling van een op grond van
                                het bepaalde in het eerste lid ingesteld beroep met dien verstande,
                                dat het door de raad op het beroep genomen besluit wordt medegedeeld
                                aan de exploitant en de beheerder van de betreffende inrichting en
                                aan degene, die het beroep heeft ingesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VIII</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening een logeer- en of kamerverhuurinrichting exploiteert,
                                mag gedurende twee maanden na dat tijdstip die exploitatie zonder
                                vergunning voortzetten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de exploitant, in het eerste lid bedoeld, binnen de daar
                                genoemde termijn een aanvraag om vergunning bij het college indient,
                                mag hij de exploitatie van de inrichting zonder vergunning
                                voorzetten, totdat de beslissing op die aanvraag onherroepelijk is
                                geworden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onmiddellijk na ontvangst van een aanvraag, als in het vorige lid
                                bedoeld, zend het college een bericht van ontvangst aan de
                                aanvrager. Voor het overige blijft het bepaalde in artikel 4 buiten
                                toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IX</nr><titel>Straf- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Hij die een bij of krachtens deze verordening gegeven voorschrift
                            overtreedt of niet nakomt wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
                            twee maanden of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38a</nr></kop><al>Het college kan ambtenaren aanwijzen welke worden belast met het
                            toezicht en de naleving op de bepalingen van deze verordening.
                            (ingevoegd bij wijzigingsbesluit van 22 oktober 1998).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Nakoming bepalingen; opsporing overtredingen</titel></kop><al>Met de zorg voor de nakoming van de bepalingen van deze verordening en
                            met de opsporing van overtredingen van het bepaalde in deze verordening
                            zijn naast de personen, genoemd in artikel 141 van het wetboek van
                            strafvordering, belast de daartoe door het college aangewezen ambtenaren
                            van de gemeente Breda.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Betreden van alle plaatsen</titel></kop><al>Teneinde de nakoming van de bepalingen van deze verordening te
                            verzekeren, zijn de in artikel 39 bedoelde personen, ieder voor zover
                            zijn eigen opsporingsbevoegdheid reikt, bevoegd om te allen tijde alle
                            plaatsen te betreden, doch ingeval het woningen betreft, met
                            inachtneming van de bepalingen der wet van 31 augustus 1853 (Staatsblad
                            nummer 83), zoals die wet sedert dien is gewijzigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Inwerkingtreding verordening</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "verordening op logeer-
                            en/of</al><al>kamerverhuurinrichtingen" en treedt in werking met ingang van de achtste
                            dag, volgende op die van haar afkondiging. Alsdan vervalt de verordening
                            op de brandveiligheid in gebouwen, welke worden gebruikt als
                            logiesinrichtingen, vastgesteld bij besluit van de raad der gemeente
                            Breda van 12 augustus 1964 (gemeenteblad nummer 1382).</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Korte samenvatting van de verordening</titel></kop><al><vet>Wat is een logeerinrichting en wet is een kamerverhuurinrichting (artikel
                        1)</vet></al><al>Een logeerinrichting verschaft slaapgelegenheid, terwijl daarnaast een aparte
                    gemeenschappelijke ruimte is, waar de gasten overdag kunnen verblijven. Een
                    kamerverhuurinrichting verhuurt kamers, die uitsluitend dienen voor bewoning
                    door degene, die de kamer gehuurd heeft. </al><al/><al><vet>Wie vallen onder de verordening? (artikel 2)</vet></al><al>Alle gebouwen, waarin bij wijze van bedrijf of nevenbedrijf aan 5 personen
                    logies wordt verschaft, dan wel een kamer wordt verhuurd. Dus ook bijvoorbeeld
                    particulieren, die bij wijze van bijverdienste aan 5 personen logies geven of
                    kamers verhuren.</al><al/><al><vet>Vergunning nodig (artikel 3)</vet></al><al>Iedereen, die een logeer- en/of kamerverhuurinrichting exploiteert heeft een
                    schriftelijke vergunning nodig van het college. Deze vergunning moet opnieuw
                    worden aangevraagd, wanneer er een andere exploitant komt of wanneer er
                    wijzigingen in het gebouw worden aangebracht dan wel de bestemming van het
                    gebouw verandert. </al><al/><al><vet>Beroepsmogelijkheid (artikel 31)</vet></al><al>Een beslissing op een aanvraag om een vergunning wordt binnen drie maanden
                    genomen. De termijn kan met drie maanden worden verlengd. Is er dan nog geen
                    beslissing, dan wordt de vergunning geacht te zijn geweigerd. Tegen een
                    weigering van de vergunning of tegen het uitblijven van de beslissing binnen de
                    aangegeven termijn is beroep mogelijk bij de raad binnen 30 dagen na het besluit
                    of na het verstrijken van de termijn, waarin de beslissing had moeten vallen. De
                    raad beslist binnen 3 maanden op het beroep. </al><al/><al><vet>Weigeringsgronden (artikel 5)</vet></al><al>- indien het gebouw niet aan de voorschriften en gestelde eisen voldoet; </al><al>- indien de aanvrager of beheerder nog geen 21 jaar is of door levensgedrag niet
                    geschikt om een pension te exploiteren of te beheren; </al><al>- indien de aanvrager of de beheerder niet zelf in het gebouw woont; </al><al>- indien het gedrag van een der huisgenoten van exploitant of beheerder geen
                    behoorlijke exploitatie waarborgt. </al><al/><al><vet>Intrekken van de vergunning (artikel 29, 30 en 32)</vet></al><al>Een eenmaal afgegeven vergunning kan worden ingetrokken, na schriftelijke
                    waarschuwing, wanneer niet voldaan wordt aan één of meer bepalingen van de
                    verordening, voor zover daarvan geen ontheffing is verleend of wanneer de aan de
                    vergunning verbonden voorwaarden niet behoorlijk worden nageleefd. </al><al>Ook kan de vergunning worden ingetrokken, wanneer de exploitant gedurende 6
                    maanden van de vergunning geen gebruik heeft gemaakt of wanneer feiten of
                    omstandigheden bekend worden over de exploitant, de beheerder of een van hun
                    huisgenoten, die, wanneer ze eerder bekend waren geweest, tot weigering van de
                    vergunning zouden hebben geleid. Tegen een besluit tot intrekking kan binnen 30
                    dagen beroep worden aangetekend bij de raad, die binnen 3 maanden een beslissing
                    neemt. Het instellen van een beroep schorst de intrekking van een
                    vergunning.</al><al/><al><vet>Eisen, waaraan een logeerinrichting en kamerverhuurinrichting moet voldoen
                        (artikelen 8-27)</vet></al><al>In hoofdstuk II en III van de verordening komen de eisen aan de orde, waaraan
                    een inrichting moet voldoen. </al><al/><al><vet>Eisen gesteld aan het slaapvertrek</vet></al><al>Wat mag als slaapvertrek gebruikt worden, de bereikbaarheid van een slaapvertrek
                    en de vereiste oppervlakte per persoon (artikelen 8-14). </al><al/><al><vet>Eisen gesteld aan de wasgelegenheid</vet></al><al>Per 5 personen een op waterleiding aangesloten wasgelegenheid met afvoer op
                    riolering en niet buitenshuis; gescheiden wasgelegenheid voor mannen en vrouwen;
                    voor elke vijftiental personen of minder een douche of badgelegenheid (artikel
                    15). </al><al/><al><vet>Toilet</vet></al><al>Voor elke 10 personen of minder moet een op de gang of portaal uitkomend toilet
                    met waterspoeling, ventilatie en handwasgelegenheid zijn (artikel 16).</al><al/><al><vet>Dagverblijf</vet></al><al>In een logeerinrichting, niet in een kamerverhuurinrichting moet een dagverblijf
                    aanwezig zijn voor de gasten van 2m² per persoon met een minimum van 16m². </al><al/><al><vet>Elektrische verlichting</vet></al><al>Eer moet in het gehele gebouw een goede elektrische verlichting zijn. Bovendien
                    moet er in gangen, trappen en portalen, die deel uitmaken van een vluchtweg, een
                    waakverlichting zijn indien er onvoldoende daglicht is. Indien een inrichting
                    bestemd is voor 12 of meer personen, moet een noodverlichtingsinstallatie
                    aanwezig zijn (artikel 18).</al><al/><al><vet>Keuken</vet></al><al>In elke inrichting dient een keuken te zijn met kooktoestellen, ventilatie,
                    bergruimte en een aanrecht met spoelbak en stromend water (artikel 19). </al><al/><al><vet>Brandveiligheidseisen</vet></al><al>De artikelen 20 tot en met 26 bevatten bepalingen in verband met
                    brandveiligheid: opstelling kachels en kooktoestellen, gebruik van deze
                    apparaten, brandblusmiddelen, vrije vluchtweg, tweede trap, materiaal van wanden
                    tussen slaapvertrekken en deuren, eventuele aansluiting op gemeentelijke
                    brandalarminstallatie en/of telefoonnet. </al><al/><al><vet>Ontheffingsmogelijkheid (artikel 28)</vet></al><al>Het college kan op vele punten ontheffing verlenen van de in de verordening
                    opgesomde bepalingen. Deze ontheffingsmogelijkheden zijn vooral bedoeld om
                    gelegenheid te bieden tot aanpassing van de gebouwen aan de bepalingen of om te
                    voorkomen, dat in bepaalde omstandigheden de opgesomde eisen onredelijk zouden
                    zijn.</al><al/><al><vet>Overgangsbepalingen (artikel 33)</vet></al><al>Degene, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de verordening een logeer-
                    of kamerverhuurinrichting exploiteert, mag nog twee maanden die exploitatie
                    zonder vergunning voortzetten. Dient hij binnen dit tijdstip een aanvraag om een
                    vergunning in, mag de exploitatie worden voortgezet, totdat de beslissing op de
                    aanvraag is genomen. </al><al/><al><vet>Controle (artikel 35 en 36)</vet></al><al>Er komt een inspectie, die de naleving van deze verordening controleert. </al><al/><al><vet>1 Inlichting</vet></al><al>De verordening op logeer- en/of kamerverhuurinrichting is op 8 september 1971 in
                    werking getreden. In 1972 werd deze verordening op enkele ondergeschikte punten
                    voor het laatst gewijzigd. Deze verordening stelt via een vergunningstelsel
                    eisen aan inrichtingen waar bedrijfsmatig logeer- en/of kamerruimte wordt
                    verschaft. Deze eisen hebben globaal betrekking op het gebouw waarin de
                    inrichting is gevestigd en het gebruik van de inrichting voor collectieve
                    huisvesting (voorzieningen). De voorschriften zijn gesteld om in de collectieve
                    huisvestingssfeer een situatie te scheppen of te waarborgen, welke voldoet aan
                    de gangbare normen die aan de huisvesting worden gesteld en misstanden op dit
                    vlak tegen te gaan of op te heffen. </al><al/><al>De werkingssfeer van onderhavige verordening is beperkt in die zin, dat deze
                    niet van toepassing is op inrichtingen waarin aan minder dan vijf personen
                    logies en/of kamerruimte voor bewoning pleegt te worden verschaft. </al><al/><al><vet>2 Waarom wijziging</vet></al><al>Gelet op de datum van vaststelling van deze verordening, alsmede op de
                    sedertdien met de toepassing van deze verordening opgedane ervaringen en de
                    problemen, welke zich hierbij hebben voorgedaan, is het gewenst om de huidige
                    verordening via een totale herziening aan te passen. </al><al>Daartoe zal worden uitgegaan van de verordening op de verblijfsgebouwen, zijnde
                    een door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (V.N.G.) opgesteld en
                    uitgegeven modelverordening. </al><al>Deze verordening sluit voor wat betreft de ten aanzien van deze inrichtingen te
                    stellen eisen aan op de gemeentelijke bouwverordening, welke eveneens is
                    ingericht naar het model van de V.N.G. en op de Bouwverordening logiesgebouwen.
                    De voorbereidingen om te komen tot de vaststelling van laatstgenoemde
                    bouwverordening, zijnde eveneens een model van de V.N.G., moeten nog ter hand
                    worden genomen. </al><al/><al> Daarbij is bovendien nog van belang de Brandbeveiligingsverordening, waarin ook
                    brandveiligheidsvoorschriften voor onderhavige inrichtingen zijn opgenomen. De
                    voorbereidingen tot het vaststellen van deze verordening verkeren thans in een
                    vergevorderd stadium. Door dit totale stelsel aan voorschriften zal het in de
                    nabije toekomst mogelijk zijn adequater op te treden tegen situaties, welke
                    terzake niet aan deze voorschriften voldoen. Hierdoor zal een betere
                    huisvestingssituatie voor de hierop aangewezen categorie bewoners kunnen worden
                    bewerkstelligd. </al><al>In bovengenoemde verordening op de verblijfsgebouwen zijn onder meer
                    verdergaande voorschriften opgenomen voor wat betreft de verplichtingen van een
                    exploitant en een beheerder van een dergelijke inrichting. Nieuw is als
                    voorbeeld de verplichting van de beheerder om de personalia van degene aan wie
                    in een verblijfsgebouw huisvesting wordt verleend in een register aan te
                    tekenen. </al><al>Deze verordening zal voorts worden aangepast aan de sedert de invoering van de
                    huidige verordening op logeer- en/of kamerverhuurinrichtingen opgedane
                    ervaringen. Met de hier bedoelde aanpassing van deze verordening zal naar het
                    zich laat aanzien nog wel enige tijd zijn gemoeid. Het streven is er op gericht
                    om een en ander nog voor het einde van dit jaar af te ronden. </al><al/><al> Een van de grootste problemen bij de uitvoering van de huidige verordening is
                    de toepassing van administratieve sancties bij niet naleving van het bepaalde in
                    deze verordening. In deze verordening ontbreken gedifferentieerde bepalingen op
                    het vlak van een sluitingsprocedure. </al><al>Als gevolg daarvan en tengevolge ook van het systeem van de verordening (de
                    vergunningsplicht begint eerst bij 5 personen) kan een totale sluiting van de
                    inrichting niet worden afgedwongen. </al><al>De consequenties daarvan zijn, dat in enkele gevallen na een (gedeeltelijke)
                    ontruiming van de inrichting het aantal personen weer wordt opgevoerd, waardoor
                    andermaal de verordening wordt overtreden en opnieuw via het middel van
                    politiedwang tot ontruiming zou moeten worden overgegaan. </al><al> Het zal duidelijk zijn, dat een dergelijke gang van zaken volstrekt
                    onaanvaardbaar is. Hierbij dient bovendien te worden gewezen op de problematiek
                    van het aanbieden van vervangende huisvesting bij ontruiming van een inrichting.
                    Enige verbetering hierin wordt bij ontruiming van een inrichting aan
                    buitenlanders tijdelijk onderdak aangeboden (doorgangsfunctie). </al><al>Het is met name de collectieve huisvestingssituatie van buitenlandse werknemers
                    die veel te wensen over laat. Als getracht wordt om van overheidswege hierin
                    verbetering aan te brengen dan is het vanzelfsprekend van het grootste belang,
                    dat een eenmaal ontruimde inrichting niet meer wordt bewoond voordat aan de
                    bepalingen in deze verordening is voldaan. Het kunnen beschikken over een
                    wettelijk instrumentarium om hieraan het hoofd te kunnen bieden is dan ook
                    alleszins urgent. </al><al>Dit is dan ook de reden waarom, vooruitlopend op de invoering van de Verordening
                    op de verblijfsgebouwen en overige voormelde verordeningen, nog een wijziging
                    van de huidige verordening wordt voorgestaan in die zin, dat daaraan een
                    sluitingsregime wordt toegevoegd. </al><al>Ter voorkoming van enig misverstand wordt nog opgemerkt, dat de verordening
                    evenzeer geldt voor de collectieve huisvestingssituaties van
                    niet-buitenlanders.</al><al/><al><vet>3 Wijziging</vet></al><al>Ter tegemoetkoming aan vorenomschreven problematiek is bijbehorende verordening
                    tot wijziging van de verordening op logeer- en/of kamerverhuurinrichtingen
                    ontworpen. </al><al>Afgezien van de vernummeringen en overige wetstechnische aanpassingen vangt deze
                    wijzigingsverordening aan met het vermelden van de gevallen waarin een gehele of
                    gedeeltelijke sluiting van een inrichting kan worden bevolen (artikel 31, eerste
                    lid). </al><al>Uiteraard dient daarbij een goede rechtsbescherming niet uit het oog te worden
                    verloren. Hierbij moet worden bedacht, dat het middel van sluiting ernstige en
                    ingrijpende consequenties kan hebben voor zowel de exploitant van een inrichting
                    als de daarin verblijvende personen. </al><al>De belanghebbenden dienen dan ook van een voorgenomen sluiting tevoren
                    schriftelijk op de hoogte te worden gesteld en de gelegenheid te hebben
                    daartegen beroep in te stellen, met daaraan vastgekoppeld de schorsende werking
                    van het besluit totdat in beroep is beslist. </al><al>Zie de artikelen 31, tweede en derde lid, alsmede artikel 36. </al><al/><al> Het kan in uitzonderingssituaties noodzakelijk zijn snel en doeltreffend op te
                    treden. Met name in gevallen waarbij de gezondheid en/of veiligheid van personen
                    in het geding zijn, zal niet altijd gewacht kunnen worden, totdat de
                    administratieve beroepsprocedures zijn voltooid. Daarop ziet het vierde lid van
                    artikel 31, op grond waarvan de onmiddellijke sluiting van een inrichting kan
                    worden bevolen. </al><al/><al> Het besluit tot sluiting zal bovendien buiten als in de inrichting worden
                    bevestigd (artikel 31, vijfde lid). Hierdoor kunnen ook op het moment van de
                    sluiting niet in de betreffende inrichting verblijvende personen hiervan kennis
                    nemen. Intern is voorts afgesproken, dat bij het in de inrichting aan te brengen
                    afschrift van het besluit tot sluiting tevens een lijst zal worden aangebracht
                    van de in de inrichting verblijvende personen (volgens de opgave als bedoeld in
                    artikel 31, tweede lid, onder b). Het spreekt voor zich, dat het bij een
                    ontruimingsaktie van groot belang is om vooraf te weten om hoeveel en om welke
                    personen het daarbij gaat. Zodra het besluit tot sluiting onherroepelijk is
                    geworden kan tot gehele of gedeeltelijke ontruiming van de inrichting worden
                    overgegaan. De bevoegdheid hiertoe is gebaseerd op het bepaalde in artikel 210,
                    juncto artikel 152 e.v. van de gemeentewet (politiedwang). Deze bevoegdheid
                    behoeft mitsdien niet in deze verordening te worden opgenomen. </al><al/><al> Teneinde bevolen sluiting te kunnen effectueren en een eenmaal gesloten
                    inrichting gesloten te houden, is het gewenst enkele bepalingen op te nemen die
                    daarvoor een instrument verschaffen, zoals het verbod om bepaalde personen tot
                    de inrichting toe te laten, alsmede de mogelijkheid om de inrichting of een
                    gedeelte daarvan te verzegelen. Zie hiervoor artikel 31, 5 tot en met 7e lid en
                    artikel 32. </al><al/><al> Tenslotte is een regeling getroffen, voor de situaties die zich na een sluiting
                    kunnen voordoen (artikel 33). Zodra een exploitant de voorzieningen heeft
                    getroffen en zijn inrichting overeenkomstig het bepaalde in de verordening in
                    werking zal hebben, kan de sluiting worden opgeheven. Tot zodanige opheffing zal
                    tevens kunnen worden besloten, indien is vastgesteld dat de inrichting niet meer
                    onder de werkingssfeer van de verordening valt. </al><al/><al>Het ligt vervolgens voor de hand, dat een bevolen sluiting niet te allen tijde
                    onbeperkt van kracht zal kunnen blijven. Met het oog hierop is in artikel 33,
                    derde lid, bepaalt, dat een voor een inrichting verleende vergunning vervalt
                    wanneer deze gedurende twaalf achtereenvolgende maanden gesloten is geweest. Het
                    als zodanig vervallen van de vergunning is vervolgens aanleiding om de sluiting
                    op te heffen (zie artikel 33, tweede lid, onder d). </al></bijlage></regeling></body></cvdr>