<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR112365_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Coordinatieverordening Gemeente Meerssen 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Meerssen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Meerssen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">de geulbode 22 juni 2011, nr. 25</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Coordinatieverordening Gemeente Meerssen 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20ruimtelijke%20ordening">Wet ruimtelijke ordening </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-06-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-06-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-11-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Coordinatieverordening Gemeente Meerssen 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>DE RAAD DER GEMEENTE MEERSSEN;</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 17 mei 2011;</al><al>Gelet op Afdeling 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht;</al><al>BESLUIT :</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Coördinatieverordening Gemeente Meerssen 2011</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>besluit: besluit als bedoeld in artikel 3:30, lid 1 van de Wet
                                    ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="b."><al>coördineren: het gelijktijdig en in samenhang voorbereiden van
                                    besluiten in één gezamenlijke procedure volgens de
                                    coördinatieregeling van Afdeling 3.6 van de Wet ruimtelijke
                                    ordening;</al></li><li nr="c."><al>bestemmingsplan: een plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet
                                    ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="d."><al>uitwerkingsplan, wijzigingsplan: een uitwerkingsplan
                                    respectievelijk wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6 van de
                                    Wet ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="e."><al>bouwen: bouwen als bedoeld in artikel 1 sub a van de Woningwet
                                    en artikel 1.1, lid 1 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="f."><al>omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2.1
                                    of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>aanvrager: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
                                    aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Reikwijdte van de verordening</titel></kop><al>Deze verordening, gebaseerd op artikel 3.30, eerste lid van de Wet
                            ruimtelijke ordening, is alleen van toepassing op het coördineren van de
                            voorbereiding van een besluit om een bestemmingsplan, een
                            uitwerkingsplan of een wijzigingsplan vast te stellen met het besluit
                            over één of meer daarmee samenhangende omgevingsvergunningen, al dan
                            niet met aan de omgevingsvergunning en/of het bestemmingsplan
                            gerelateerde vergunningen en ontheffingen als bedoeld in artikel 3.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Vergunningen en ontheffingen die naast de
                                omgevingsvergunning deel uit kunnen maken van de coördinatie met het
                                besluit om een bestemmingsplan, uitwerkingsplan of wijzigingsplan
                                vast te stellen</titel></kop><al>De voorbereiding van besluiten over onderstaande vergunningen of
                            ontheffingen kunnen gecoördineerd worden met de in artikel 2 genoemde
                            besluiten die de basis vormen voor de toepassing van de
                            coördinatieregeling op grond van deze verordening:</al><lijst><li nr="a."><al>een verkeersbesluit als bedoeld in de artikelen 15 en 18, lid 1
                                    van de Wegenverkeerswet en artikel 12 van de Administratieve
                                    Bepalingen voor het Wegverkeer;</al></li><li nr="b."><al>het besluit tot vaststelling van een hogere waarde
                                    (“ontheffing”) als bedoeld in artikel 45, 47, 55, 61, 83, 85 of
                                    100a van de Wet geluidhinder.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Coördinatie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4 Gevallen waarin besluiten worden gecoördineerd</titel></kop><al>In de volgende gevallen en onder de volgende condities kan het college
                            van burgemeester en wethouders overgaan tot een gecoördineerde
                            voorbereiding van besluiten als bedoeld in de artikelen 2 en 3:</al><lijst><li nr="a."><al>het besluit over een omgevingsvergunning die op het moment van
                                    indienen alleen op grond van artikel 2.10, lid 1, sub c of
                                    artikel 2.11, lid 1 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht geweigerd zou moeten worden en die slechts op
                                    grond van artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3° van de Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht kan worden verleend, en het
                                    besluit over het bestemmingsplan, het uitwerkingsplan of het
                                    wijzigingsplan dat de omgevingsvergunning mogelijk maakt, maken
                                    tenminste deel uit van de te coördineren besluiten en;</al></li><li nr="b."><al>een ander besluit dat, als dat bij de coördinatie wordt
                                    betrokken, genoemd is in artikel 3 en verband houdt met de
                                    aanvraag of met het bestemmingsplan als bedoeld onder a en;</al></li><li nr="c."><al>door of namens het college van burgemeester en wethouders is
                                    vastgesteld dat het besluit als bedoeld onder b gecoördineerd
                                    kan worden voorbereid en;</al></li><li nr="d."><al>door of namens het college van burgemeester en wethouders is
                                    vastgesteld dat zich geen belemmering voordoet, waarbij de
                                    gevallen genoemd in artikel 5 in ieder geval als een dergelijke
                                    belemmering gelden en;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de
                                    gecoördineerde voorbereiding en met de gevolgen die dat voor de
                                    aanvrager heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Gevallen waarin geen coördinatie op grond van deze
                                verordening plaatsvindt</titel></kop><al>In de volgende gevallen is een gecoördineerde voorbereiding op grond van
                            deze verordening niet mogelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>er moet op grond van artikel 7, lid 2 van de Wet milieubeheer
                                    een milieueffectrapport (MER) worden opgesteld en het betreft
                                    geen deelproject van een grotere ontwikkeling waarvoor al een
                                    milieueffectrapport is opgesteld;</al></li><li nr="b."><al>er moet op grond van artikel 6.12, lid 1 van de Wet ruimtelijke
                                    ordening een exploitatieplan worden opgesteld en er kan geen
                                    toepassing worden gegeven aan artikel 6.12, lid 2 van de Wet
                                    ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="c."><al>indien mogelijkerwijs als gevolg van de gecoördineerde
                                    besluitvorming schade kan ontstaan als bedoeld in artikel 6.1
                                    van de Wet ruimtelijke ordening en de aanvrager is niet bereid
                                    deze schade voor zijn rekening te nemen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Procedurebepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6 Procedureregeling</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een
                                    procedureregeling vaststellen ten behoeve van een goede
                                    uitvoering van de coördinatieregeling.</al></li><li nr="b."><al>De procedureregeling geeft in ieder geval aan binnen welke
                                    periode aanvragen ingediend moeten worden om voor coördinatie in
                                    aanmerking te kunnen komen; de procedure kan bepalen hoe het
                                    college van burgemeester en wethouders toepassing geeft aan
                                    artikel 3.20 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="c."><al>Zolang het college van burgemeester en wethouders geen regeling
                                    als bedoeld in lid a heeft vastgesteld, is, aanvullend op de
                                    artikelen 3.30 tot en met 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening
                                    en op deze verordening, § 3.5.3 van Afdeling 3.5 "Samenhangende
                                    besluiten" van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met
                                    uitzondering van de artikelen 3.28 en 3.29 van die wet.</al></li><li nr="d."><al>Bij de toepassing van lid c is het college van burgemeester en
                                    wethouders het aangewezen coördinerend orgaan als bedoeld in
                                    artikel 3.22 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="e."><al>Als de gemeenteraad besloten heeft dat het wenselijk is dat de
                                    coördinatieregeling wordt toegepast in een of meer andere
                                    gevallen dan de gevallen die op grond van deze verordening
                                    mogelijk zijn, dan zijn de leden a tot en met d van toepassing
                                    op de voorbereiding van de besluiten die behoren bij die
                                    gevallen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7 Inwerkingtreding en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt de dag na de dag van bekendmaking in
                                    werking.</al></li><li nr="2."><al>Op procedures die zijn gestart voor inwerkingtreding van deze
                                    verordening is deze verordening niet van toepassing, tenzij door
                                    of namens het bevoegd gezag en met schriftelijke instemming van
                                    de aanvrager anders is besloten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Coördinatieverordening Gemeente
                            Meerssen 2011.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de Raad van de Gemeente
                        Meerssen, gehouden op 9 juni 2011. </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting op de Coördinatieverordening Gemeente Meerssen 2011</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>In artikel 1 worden de belangrijkste begrippen beschreven.</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Artikel 2 benadrukt dat de coördinatieregeling ziet op het coördineren van de
                    procedure van de omgevingsvergunning met de bestemmingsplanprocedure of de
                    procedure van een uitwerkingsplan of van een wijzigingsplan. Dat is de
                    basis.</al><al>Daarbij kunnen vergunningen die een relatie hebben met de omgevingsvergunning
                    voor het bouwen van een bouwwerk en het bestemmingsplan ook betrokken worden bij
                    de coördinatie. Dat kunnen vergunningen zijn op basis van bijzondere wetten of
                    op basis van gemeentelijke verordeningen.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Artikel 3 geeft een opsomming van de vergunningen en ontheffingen die in
                    combinatie met de bestemmingsplanherziening / uitwerkingsplan / wijzigingsplan
                    en de omgevings-vergunning gecoördineerd kunnen worden voorbereid. Aangezien
                    door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht veel toestemmingen als zijn
                    geïntegreerd in de omgevings-vergunning, is het lijstje van de
                    coördinatieverordening relatief kort.</al><al>Vergunningen die niet door de gemeente worden verstrekt zijn buiten de
                    verordening gehouden om de uitvoering van de verordening niet onnodig
                    ingewikkeld te maken.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>In artikel 4 wordt aangegeven in welke gevallen het wenselijk is om de
                    coördinatie-regeling toe te passen. Elk lid wordt afgesloten met het woordje
                    “en” om duidelijk te maken dat de coördinatieregeling alleen toegepast mag
                    worden als aan alle voorwaarden is voldaan.</al><al>Onderdeel a vormt de basis van de coördinatieverordening: coördinatie op grond
                    van de coördinatieverordening is alleen mogelijk als tenminste het besluit over
                    een bestemmings-plan of over een uitwerkingsplan of over een wijzigingsplan en
                    het besluit over een omgevingsvergunning tot de te coördineren besluiten
                    behoren. De omgevingsvergunning moet een (bouw)plan betreffen dat in strijd is
                    met het geldende bestemmings-, uitwerkings of wijzigingsplan in de zin van
                    artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevings-recht. Het bestemmingsplan
                    dat meedoet in de coördinatieregeling moet die strijdigheid opheffen, zodat de
                    vergunning verleend kan worden.</al><al>Voor alle duidelijkheid: de coördinatieregeling mag op grond van deze
                    verordening dus niet toegepast worden als de bouwaanvraag past in het geldende
                    bestemmingsplan. In dat geval zou coördinatie met alleen een nieuw
                    bestemmingsplan neerkomen op het omzeilen van de gewone procedure van een
                    omgevingsvergunning.</al><al>Onderdeel b houdt in dat, als aan de voorwaarde van onderdeel a voldaan is, er
                    meer besluiten in de gecoördineerde voorbereiding mogen meedoen. Die besluiten
                    moeten dan wel genoemd zijn in artikel 3 van de verordening.</al><al>Het college van burgemeester en wethouders is het coördinerende orgaan dat
                    controleert of aan de wettelijke voorwaarden en aan de voorwaarden van de
                    verordening voldaan is.</al><al>Onderdeel c moet ruim geïnterpreteerd worden. Het gaat hier niet alleen om de
                    vaststelling dat aan de eisen van artikel 4 is voldaan, maar het college ziet
                    ook of aan de procedureeisen voldaan is. Het college kan ook afzien van
                    coördinatie, bijvoorbeeld wanneer het college constateert dat de gemeente geen
                    bestemmingswijziging wil.</al><al>Uit artikel 3.31 van de Wet ruimtelijke ordening blijkt dat het college niet
                    verplicht is om de coördinatieregeling toe te passen. De wet stelt dat het
                    college tot coördinatie “kan overgaan”. Uitgangspunt is dus dat het college,
                    waar dat op grond van deze verordening mogelijk is, een gecoördineerde
                    besluitvorming voorstaat.</al><al>Een ruime uitleg van onderdeel c kan er niet toe leiden dat het college gevallen
                    coördineert die niet onder de verordening vallen en waartoe de raad niet
                    expliciet heeft besloten. De wet staat delegatie van de raadsbevoegdheid om te
                    besluiten dat gecoördineerde besluitvorming wenselijk is niet toe.</al><al>Op grond van onderdeel d stelt het college van burgemeester en wethouders vast
                    of artikel 5 geen belemmering is voor het toepassen van de coördinatieregeling.
                    Onderdeel d moet beperkt uitgelegd worden: als er een belemmering is, dan is een
                    gecoördineerde besluitvorming niet mogelijk.</al><al>Uit onderdeel e blijkt dat de aanvrager en de gemeente samen de
                    coördinatieregeling moeten willen toepassen. Een aanvrager kan niet gedwongen
                    worden om mee te werken aan een gecoördineerde besluitvorming. Dat zou namelijk
                    inhouden dat de aanvrager gedwongen zou kunnen worden om een vergunning aan te
                    vragen. De aanvrager kan natuurlijk goede redenen hebben om af te zien van
                    coördinatie. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de aanvrager eerst zeker wil weten
                    dat de bestemmingsplanwijziging doorgevoerd is, voordat hij kosten wil maken
                    voor het maken van een bouwtekening.</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>In dit artikel staat in welke gevallen coördinatie niet mogelijk is. De
                    onderdelen a en b sluiten uit dat besluiten gecoördineerd worden voorbereid,
                    terwijl de uitkomst van de voorbereiding nog onzeker is.</al><al>Zolang geen MER is opgesteld, is ook niet duidelijk welke locatievariant of
                    welke inrichtingsvariant de voorkeur heeft. Ook de noodzaak tot het opstellen
                    van een exploitatieplan maakt de procedure ingewikkelder. Het feit dat een
                    exploitatieplan nodig is, betekent dat er met partijen geen overeenstemming is
                    over de financiering, wat geen goede basis is voor een gecoördineerde
                    voorbereiding. Er is tijd nodig om in zo’n geval te proberen om alsnog met
                    partijen overeenkomsten te sluiten, wat niet past bij de voortvarendheid waarmee
                    via de coördinatieregeling uitvoering kan worden voorbereid.</al><al>Bij mogelijke planschade moet de aanvrager zich bereid verklaren de kosten voor
                    zijn rekening te willen nemen. Als de aanvrager dat niet wil, dan zou het
                    financiële risico van het vaststellen van het bestemmingsplan bij de gemeente
                    liggen. De gemeente is in beginsel niet bereid tot een dergelijk risico.
                    Gecoördineerde besluitvorming is in zo’n geval dan ook niet wenselijk.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>De wet geeft geen aanwijzingen over de manier waarop de coördinatieregeling
                    uitgevoerd moet worden. Het is wel wenselijk dat de gemeente duidelijkheid geeft
                    over de uitvoering. Daarom draagt de gemeenteraad het college in dit artikel op
                    om een procedureregeling vast te stellen. Daarin kan bijvoorbeeld worden
                    aangegeven hoeveel tijd de aanvrager heeft om de te coördineren vergunningen aan
                    te vragen.</al><al>Ter zake heeft de wetgever hulp geboden met de Wet samenhangende besluiten Awb
                    die een coördinatieprocedure toevoegt aan de Algemene wet bestuursrecht. Dit
                    nieuwe onderdeel van de Algemene wet bestuursrecht (met name: § 3.5.3) werkt pas
                    als een wet of een gemeentelijke verordening de procedure van toepassing
                    verklaart.</al><al>Zolang het college nog geen procedureregeling heeft vastgesteld is op grond van
                    lid c de procedure van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dat is
                    handig, omdat het ook aan te bevelen is om die regeling pas op te stellen nadat
                    ervaring is opgedaan met het toepassen van de coördinatieregeling. Als het
                    college een procedureregeling vaststelt en bekend maakt, blijft lid c buiten
                    toepassing.</al><al>De Wet samenhangende besluiten Awb verplicht het college van burgemeester en
                    wethouders om een aanvrager in kennis te stellen van alle vergunningen die de
                    aanvrager voor zijn project nodig heeft.</al><al>Lid b geeft aan dat het wenselijk is dat het college in de procedureregeling
                    aangeeft hoe aan die verplichting vorm wordt gegeven.</al><al>Lid d is opgenomen voor alle duidelijkheid. Dat het college het “coördinerend
                    orgaan” is, blijkt ook al uit artikel 3.31, eerste lid Wro, dus feitelijk is dit
                    lid overbodig.</al><al>De procedureregeling moet uiteraard ook gelden als de raad in een bepaald geval
                    dat niet onder de coördinatieverordening valt heeft besloten tot coördinatie.
                    Lid 5 ziet hierop.</al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Dit artikel bevat onder meer de bepaling waardoor procedures die voor
                    inwerkingtreding van de verordening zijn gestart, rechtsgeldig voortgezet kunnen
                    worden. Heeft ter inzage legging nog niet plaats gevonden, dan kunnen aanvrager
                    en gemeente overeenkomen alsnog te coördineren.</al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>