<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR112110_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Legesverordening 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.zandvoorstecourant.nl">Zandvoortse Courant </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Legesverordening 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Artikel 216 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Artikel 229 eerste lid aanhef en onderdeel b Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/09/001429</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt de ''Legesverordening 2010-2''</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Legesverordening 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld door de gemeenteraad van Zandvoort : d.d. 09 november 2010 </al><al>Gepubliceerd in de Zandvoortse Courant : d.d. 16 december 2010 </al><al>Inwerkingtreding : d.d. 01 januari 2011 </al><al>Registratienr: Z2010-005786 / 2010/09/001429 </al><al>Gemeente Zandvoort</al><al/><al/><al><vet>1 DE VERORDENING </vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Zandvoort: </al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28
                        september 2010, nr. 2010/09/1280; </al><al/><al>gelet op artikel 216 en 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de
                        Gemeentewet; </al><al/><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te stellen: </al><al>Legesverordening 2011. </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>BEGRIPSBEPALINGEN </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>Deze verordening verstaat onder: </al><al>a. ‘college’: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente </al><al>Zandvoort; </al><al>b. ‘raad’: de gemeenteraad van Zandvoort. </al><al>c. ‘dag’: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte
                            van een dag als een hele dag wordt aangemerkt; </al><al>d. ‘week’: een aaneengesloten periode van zeven dagen; </al><al>e.‘maand’: het tijdvak dat loopt van ne dag in een kalendermaand tot en
                            met de (n-1)e dag in de volgende kalendermaand; </al><al>f. ‘jaar’: het tijdvak dat loopt van de ne dag in een kalenderjaar tot
                            en met de (n-1)e dag in het volgende kalenderjaar; </al><al>g. ‘kalenderjaar’: de periode van 1 januari tot en met 31 december. </al><al>h. ‘ambtenaar belast met de heffing’: de gemeenteambtenaar die door het </al><al>college is aangewezen als ambtenaar belast met de heffing van de </al><al>gemeentelijke belastingen. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>NORMSTELLING </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2 Belastbaar feit</label></kop><al>Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor het genot van door of </al><al>vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze
                            verordening en de daarbij behorende tarieventabel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Belastingplicht </label></kop><al>Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten
                            behoeve van wie de dienst is verleend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Vrijstellingen </label></kop><al>Leges worden niet geheven voor: </al><al>a. diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet
                            ruimtelijke ordening (grondexploitatie) zijn of worden verhaald; </al><al>b. diensten met betrekking tot een aanvraag tot verlening of gehele of </al><al>gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging
                            van</al><al>voorschriften van een omgevingsvergunning, voor zover die aanvraag </al><al>betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als </al><al>bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene
                            bepalingen </al><al>omgevingsrecht; </al><al>c. het in behandeling nemen van aanvragen van verklaringen omtrent </al><al>inkomen en vermogen; </al><al>d. nasporingen verricht c.q. stukken afgegeven in het persoonlijk belang
                            van hen die onvermogend zijn; </al><al>e. attestatie de vita ten dienste van de uitbetaling van pensioenen,
                            lijfrenten </al><al>en andere periodieke uitkeringen; </al><al>f. vergunningen voor muziek-en/of zanguitvoeringen, welke op de openbare </al><al>weg, het strand daaronder begrepen, worden gegeven anders dan ter </al><al>uitoefening van een beroep; </al><al>g. vergunningen, verleend aan maatschappelijke instellingen of
                            natuurlijke </al><al>personen die zonder winstbejag een liefdadig, sociaal-cultureel of </al><al>maatschappelijk doel nastreven en die een activiteit organiseren welke
                            zich </al><al>verhoudt tot de doelstelling van die instelling dan wel personen. </al><al>Betreffende instellingen dienen grotendeels of geheel te bestaan uit
                            leden, </al><al>ingezetenen van de gemeente Zandvoort, resp. de personen dienen </al><al>ingezetenen van de gemeente Zandvoort te zijn. De te organiseren </al><al>activiteit dient geheel in handen van vrijwilligers te zijn; </al><al>h. de stukken en legalisaties van handtekeningen op stukken betreffende </al><al>militaire zaken; </al><al>i. het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een </al><al>vergunning tot het organiseren van een buurtfeest op grond van artikel </al><al>2.1.4.1, eerste lid sub c van de APV. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven </label></kop><al>1. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in
                            de bij deze verordening behorende tarieventabel. </al><al>2. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een </al><al>projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis-en
                            herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van
                            deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen
                            van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing,
                            vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en
                            verwezenlijking van het project, voor zover het
                            projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten,
                            zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis-en herstelwet </al><al>3. Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de </al><al>tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Wijze van heffing </label></kop><al>De leges worden geheven door middel van een mondelinge dan wel een </al><al>gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen
                            een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Het gevorderde
                            bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de
                            schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Termijnen van betaling </label></kop><al>1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in
                            artikel 6: </al><al>a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de
                            kennisgeving; </al><al>b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de
                            kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 14 dagen
                            na de dagtekening van de kennisgeving. </al><al>2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste
                            lid </al><al>gestelde termijnen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Kwijtschelding </label></kop><al>Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Vermindering of teruggaaf </label></kop><al>1. Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges voor een
                            in de bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst
                            wordt verleend overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in die
                            tarieventabel opgenomen bepaling. </al><al>2. Voor de toepassing van artikel 28, vierde lid, van de Invorderingswet
                            1990 wordt de teruggaaf van leges, bedoeld in het eerste lid, aangemerkt
                            als een vermindering van de belastingaanslag. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Overdracht van bevoegdheden </label></kop><al>n.v.t. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders </label></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met </al><al>betrekking tot de heffing en de invordering van de leges. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>OVERGANGS-EN SLOTBEPALINGEN </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 12 Bevoegdheden </label></kop><al>De ‘ambtenaar belast met de heffing’ is belast met de uitvoering van
                            deze </al><al>verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel </label></kop><al>a. De 'Legesverordening 2010-2 vastgesteld bij raadsbesluit van 7
                            september 2010 wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid
                            genoemde datum van inwerkingtreding, met dien verstande dat zij van
                            toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                            voorgedaan. </al><al>b. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2011. </al><al>c. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2011. </al><al>d. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Legesverordening 2011'.
                        </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 november 2010. </ondertekening><ondertekening>De griffier, </ondertekening><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TARIEVENTABEL, BEHORENDE BIJ DE LEGESVERORDENING 2011 </titel></kop><divisie><kop><label>Titel 1 Algemene dienstverlening </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1 Burgerlijke stand </label></kop><al>1.1.1 Het tarief bedraagt voor de voltrekking van een huwelijk of
                        registratie van een partnerschap op het raadhuis op: </al><al>1.1.1.1 Maandag t/m vrijdag van 9.00 uur tot 12.00 uur en om 14.00 uur en
                        15.00 uur € 372,50 </al><al>Op maandag om 9:00 uur en 9:30 uur wordt de mogelijkheid geboden voor het
                        kosteloos voltrekken van huwelijken/geregistreerd partnerschappen op het
                        Raadhuis. </al><al>1.1.1.2 Zaterdag om 14.00 uur en 15.00 uur € 913,10 </al><al>1.1.1.3 1e Zondag van de maand om 14.00 uur en 15.00 uur € 1.218,60 </al><al/><al>1.1.2 Het tarief bedraagt voor de voltrekking van een huwelijk of
                        registratie van een partnerschap op een locatie buiten het raadhuis op: </al><al>1.1.2.1 Maandag t/m vrijdag van 9.00 uur tot en met 22.00 uur € 470,60 </al><al>1.1.2.2 Zaterdag van 9.00 uur tot en met 22.00 uur € 996,70 </al><al>1.1.2.3 Zondag van 9.00 uur tot en met 22.00 uur € 1.209,40 </al><al/><al>1.1.3 Het tarief bedraagt voor het omzetten van een geregistreerd
                        partnerschap in een huwelijk indien daarbij niet gebruik gemaakt wordt van
                        de trouwzaal of een andere door de gemeente hiertoe aangewezen ruimte op
                        afspraak zonder getuigen, zonder toespraak en alleen de betrokken partijen
                        voor de ambtenaar van de burgerlijke stand verschijnen: </al><al>1.1.3.1 alle weekdagen en openingsuren € 35,70 </al><al>1.1.3.2 n.v.t. </al><al/><al>1.1.4 Het tarief bedraagt voor de voltrekking van een huwelijk of
                        registratie van een partnerschap in een bijzonder huis op grond van artikel
                        54, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek de onder 1.1.1.1. tot en met 1.1.2.3
                        genoemde tarieven, verhoogd met 10,00% </al><al/><al>1.1.5 Ter zake van het door middel van een ceremonie omzetten van een
                        geregistreerd partnerschap in een huwelijk zijn de tarieven zoals bepaald in
                        artikel 1.1.1.1 tot en met 1.1.2.3 en 1.1.4 en 1.1.6 tot en met 1.1.13.5 van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al/><al>1.1.6 Het tarief bedraagt voor het verstrekken van: </al><al>1.1.6.1 een trouwboekje of partnerschapboekje in een normale uitvoering €
                        13,20 </al><al>1.1.6.2 een trouwboekje of partnerschapboekje in een luxe uitvoering n.v.t. </al><al/><al>1.1.7 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        het verstrekken van een lijst waarop zijn vermeld: </al><al>1.1.7.1 alle op één dag, in één week of in één maand geborenen en
                        overledenen, voor zover voor plaatsing op die lijst toestemming is verleend,
                        voor elk op die lijst vermelde aangifte n.v.t. </al><al>1.1.7.2 alle op één dag, in één week of in één maand ondertrouwde en
                        getrouwde paren of geregistreerde partners, als voor plaatsing op die lijst
                        toestemming is verleend, voor elk op die lijst vermeld paar n.v.t. </al><al/><al>1.1.8 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        het afsluiten van een abonnement op het verstrekken van lijsten als in
                        1.1.7.1 en 1.1.7.2 bedoeld: n.v.t. </al><al>1.1.8.1 voor de periode van een maand n.v.t. </al><al>1.1.8.2 voor de periode van drie maanden n.v.t. </al><al>1.1.8.3 voor de periode van zes maanden n.v.t. </al><al>1.1.8.4 voor de periode van een jaar n.v.t. </al><al/><al>1.1.9 Het tarief bedraagt voor het doen van naspeuringen in de registers van
                        de burgerlijke stand, voor ieder daaraan besteed kwartier € 11,70 </al><al/><al>1.1.10 Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken
                        van een stuk als bedoeld in artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand
                        geldt het tarief zoals dat is opgenomen in het Legesbesluit akten
                        burgerlijke stand. </al><al/><al>1.1.11 Het tarief bedraagt voor het van gemeentewege beschikbaar stellen van
                        getuigen, per getuige € 17,30 </al><al/><al>1.1.12 Het tarief bedraagt voor het benoemen van een buitengewoon ambtenaar
                        van de burgerlijke stand (babs) éénmalig tot babs van de gemeente Zandvoort:
                        € 81,10 </al><al>1.1.12.1 Van maandag tot en met vrijdag en zaterdag en zondag op het
                        Raadhuis en van maandag tot en met vrijdag op een locatie buiten het
                        Raadhuis. Artikel vervalt.</al><al>1.1.12.2 Op zaterdag op een locatie buiten het Raadhuis. Artikel vervalt. </al><al>1.1.12.3 Op zondag op een locatie buiten het Raadhuis. Artikel vervalt. </al><al/><al>1.1.13 Het tarief bedraagt ter zake van het gekalligrafeerd inschrijven in
                        het trouwboekje/partnerschapboekje van: </al><al>1.1.13.1 De gegevens van de huwelijksvoltrekking cq geregistreerd
                        partnerschap € 11,80 </al><al>1.1.13.2 De gegevens van de kerkelijke inzegeningen € 7,00 </al><al>1.1.13.3 De gegevens van een geboorte € 7,00 </al><al>1.1.13.4 De gegevens van de getuigen, per getuige € 2,20 </al><al>1.1.13.5 Het tarief bedraagt voor het annuleren of wijzigen van de
                        vastgestelde trouwdatum of registratiedatum c.q. tijdstip per opgegeven
                        wijziging € 20,50 </al><al/><al>1.1.14 Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van een
                        aanvraag tot het verstrekken van een uittreksel uit de gemeentelijke
                        basisadministratie persoonsgegevens ten dienste van de huwelijks – c.q.
                        geregistreerd partnerschapaangifte € 12,70 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2 Reisdocumenten </label></kop><al>1.2.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.2.1.1 tot het verstrekken van een nationaal paspoort, een reisdocument
                        voor vluchtelingen of een reisdocument voor vreemdelingen € 52,10 </al><al>1.2.1.2 tot het verstrekken van een nationaal paspoort, een groter aantal
                        bladzijden bevattende dan een nationaal paspoort als bedoeld in 1.2.1.1
                        (zakenpaspoort) € 58,20 </al><al>1.2.1.3 tot het verstrekken van een reisdocument ten behoeve van een persoon
                        die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander
                        wordt behandeld (faciliteitenpaspoort) € 52,10 </al><al>1.2.1.4 tot het bijschrijven van een kind in een reisdocument als bedoeld in
                        1.2.1.1, 1.2.1.2 en 1.2.1.3 direct bij de aanvraag van dit nieuwe
                        reisdocument € 9,20 </al><al>1.2.1.5 tot het bijschrijven van een kind door middel van een
                        bijschrijvingsticker in een al uitgegeven reisdocument als bedoeld in
                        1.2.1.1, 1.2.1.2 en 1.2.1.3 € 21,50 </al><al>1.2.1.6 tot het aanbrengen van een wijziging anders dan bedoeld in 1.2.1.5
                        in een reisdocument als bedoeld in 1.2.1.1, 1.2.1.2 en 1.2.1.3 n.v.t. </al><al>1.2.1.7 tot het verstrekken van een Nederlandse identiteitskaart (NIK) aan
                        personen in de leeftijd tot en met dertien jaar € 9,20 </al><al>1.2.1.8 tot het verstrekken van een Nederlandse identiteitskaart (NIK) aan
                        personen in de leeftijd van veertien jaar en ouder € 43,85 </al><al/><al>1.2.2 De tarieven genoemd in de onderdelen 1.2.1.1 tot en met 1.2.1.3
                        alsmede in 1.2.1.7 en 1.2.1.8 worden bij een spoedlevering vermeerderd met
                        een bedrag van € 45,00 </al><al/><al>1.2.3 Het tarief genoemd in 1.2.2 wordt bij een gecombineerde spoedlevering
                        van een nieuw reisdocument als bedoeld in 1.2.1.1, 1.2.1.2 en 1.2.1.3 en het
                        bijschrijven van één of meer kinderen als bedoeld in 1.2.1.4, slechts één
                        keer per reisdocument berekend. </al><al/><al>1.2.4 Het tarief genoemd in onderdeel 1.2.1.5 wordt bij een spoedlevering
                        vermeerderd met een bedrag per bijschrijvingsticker van € 21,40 </al><al/><al>1.2.5 Het tarief genoemd in onderdeel 1.2.1.1, 1.2.1.2, 1.2.1.3 of 1.2.1.8
                        wordt bij vermissing en het ontbreken van een geldige legitimatie
                        vermeerderd met 50,00% </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 3 Rijbewijzen </label></kop><al>1.3.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        het afgeven, vernieuwen of omwisselen van een rijbewijs € 42,90 </al><al/><al>1.3.2 Het tarief genoemd in onderdeel 1.3.1 wordt bij een spoedlevering
                        vermeerderd met € 33,50 </al><al/><al>1.3.3 Het tarief genoemd in onderdeel 1.3.1 wordt bij vermissing en het
                        ontbreken van een geldige legitimatie vermeerderd met 50,00% </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 4 Verstrekkingen uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens </label></kop><al>1.4.1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk, met uitzondering van de
                        onderdelen 1.4.3 en 1.4.4, wordt onder één verstrekking verstaan één of meer
                        gegevens omtrent één persoon waarvoor de gemeentelijke basisadministratie
                        persoonsgegevens moet worden geraadpleegd. </al><al/><al>1.4.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.4.2.1 tot het verstrekken van gegevens, per verstrekking € 8,60 </al><al>1.4.2.2 tot het afsluiten van een abonnement op het verstrekken van gegevens
                        gedurende de periode van één jaar: </al><al>1.4.2.2.1 voor 100 verstrekkingen n.v.t. </al><al>1.4.2.2.2 voor 500 verstrekkingen n.v.t. </al><al>1.4.2.2.3 voor 1.000 verstrekkingen n.v.t. </al><al>1.4.2.2.4 voor 5.000 verstrekkingen n.v.t. </al><al>1.4.2.2.5 voor 10.000 verstrekkingen n.v.t. </al><al>1.4.2.3 tot het afsluiten van een abonnement op het [wekelijks] verstrekken
                        van een opgave van verhuizingen binnen de gemeente, vertrekken uit de
                        gemeente en vestigingen in de gemeente n.v.t. </al><al/><al>1.4.3 Voor de toepassing van onderdeel 1.4.4 wordt onder één verstrekking
                        verstaan één of meer gegevens omtrent één persoon die niet zijn opgenomen in
                        de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. </al><al>1.4.4 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.4.4.1 tot het verstrekken van gegevens: per verstrekking € 8,60 </al><al>1.4.4.2 tot het afsluiten van een abonnement op het verstrekken van gegevens
                        gedurende de periode van één jaar: </al><al>1.4.4.2.1 voor 100 verstrekkingen n.v.t. </al><al>1.4.4.2.2 voor 500 verstrekkingen n.v.t. </al><al>1.4.4.2.3 voor 1.000 verstrekkingen n.v.t. </al><al>1.4.4.2.4 voor 5.000 verstrekkingen n.v.t. </al><al>1.4.4.2.5 voor 10.000 verstrekkingen n.v.t. </al><al>1.4.5 In afwijking van de voorgaande onderdelen bedraagt het tarief voor het
                        in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van gegevens als
                        bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het Besluit gemeentelijke
                        basisadministratie persoonsgegevens n.v.t. </al><al>1.4.6 Het tarief bedraagt voor het op verzoek doornemen van de gemeentelijke
                        basisadministratie, voor ieder daaraan besteed kwartier €11,70 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 5 Verstrekkingen uit het Kiezersregister </label></kop><al>1.5 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        het verstrekken van een inlichting betreffende de registratie van de
                        aanvrager als kiezer bedoeld in artikel D4 van de Kieswet n.v.t. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 6 Verstrekkingen op grond van Wet bescherming persoonsgegevens </label></kop><al>1.6.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag
                        voor een bericht als bedoeld in artikel 35 van de Wet bescherming
                        persoonsgegevens: </al><al>1.6.1.1 bij verstrekking op papier, indien het afschrift bestaat uit: </al><al>1.6.1.1.1 ten hoogste 100 pagina’s, per pagina n.v.t. met een maximum per
                        bericht van n.v.t. </al><al>1.6.1.1.2 meer dan 100 pagina’s n.v.t. </al><al>1.6.1.2 bij verstrekking anders dan op papier n.v.t. </al><al>1.6.1.3 dat bestaat uit een afschrift van een, vanwege de aard van de
                        verwerking, moeilijk toegankelijke gegevensverwerking n.v.t. </al><al/><al>1.6.2 Indien voor hetzelfde bericht op grond van de onderdelen 1.6.1.1,
                        1.6.1.2 en 1.6.1.3 meerdere vergoedingen kunnen worden gevraagd, wordt
                        slechts de hoogste gevraagd. n.v.t. </al><al>1.6.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een verzet als
                        bedoeld in artikel 40 van de Wet bescherming persoonsgegevens n.v.t. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 7 Bestuursstukken </label></kop><al>1.7.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        het verstrekken van: </al><al>1.7.1.1 een afschrift van de gemeentebegroting n.v.t. </al><al>1.7.1.2 een afschrift van de gemeenterekening n.v.t. </al><al>1.7.1.3 een afschrift van het burgerjaarverslag n.v.t. </al><al/><al>1.7.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.7.2.1 tot het verstrekken van: </al><al>1.7.2.1.1 een afschrift van het verslag van een raadsvergadering, per pagina
                        n.v.t. </al><al>1.7.2.1.2 een afschrift van de stukken behorende bij een raadsvergadering,
                        per pagina n.v.t. </al><al>1.7.2.2 tot het afsluiten van een abonnement voor een kalenderjaar: n.v.t. </al><al>1.7.2.2.1 op de verslagen van de raadsvergaderingen n.v.t. </al><al>1.7.2.2.2 op de stukken behorende bij de raadsvergaderingen n.v.t. </al><al/><al>1.7.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.7.3.1 tot het verstrekken van: </al><al>1.7.3.1.1 een afschrift van het verslag van een vergadering van een
                        raadscommissie, per pagina n.v.t. </al><al>1.7.3.1.2 een afschrift van de stukken behorende bij een vergadering van een
                        raadscommissie, per pagina n.v.t. </al><al>1.7.3.2 tot het afsluiten van een abonnement voor een kalenderjaar: </al><al>1.7.3.2.1 op de verslagen van de vergaderingen van een raadscommissie n.v.t. </al><al>1.7.3.2.2 op de stukken behorende bij de vergaderingen van een
                        raadscommissie n.v.t. </al><al/><al>1.7.4 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.7.4.1 tot het verstrekken van het gemeenteblad n.v.t. </al><al>1.7.4.2 tot het afsluiten van een abonnement voor een kalenderjaar op het
                        gemeenteblad n.v.t. </al><al>1.7.5 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        het verstrekken van: </al><al>1.7.5.1 een afschrift van de ....... verordening n.v.t. </al><al>1.7.5.2 enz. n.v.t. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 8 Vastgoedinformatie </label></kop><al>1.8.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.8.1.1 tot het verstrekken van een fotokopie of afdruk van een
                        (bouw)tekening, kaart of een plan, zoals bestemmingsplan,
                        voorbereidingsbesluit, streekplan, wegenkaart behorende bij de legger
                        bedoeld in artikel 28 van de Wegenwet, structuurplan of
                        stadsvernieuwingsplan: </al><al>1.8.1.1.1 in formaat A4 of kleiner, per bladzijde € 2,00 </al><al>1.8.1.1.2 in formaat A3 € 3,90 </al><al>1.8.1.1.3 in formaat A2 € 7,30 </al><al>1.8.1.1.4 in formaat A1 € 13,90 </al><al>1.8.1.1.5 in formaat A0 € 26,50</al><al>1.8.1.1.6 in formaat groter dan A0 € 32,60 </al><al>1.8.1.2 De tarieven onder 1.8.1.1 zijn gebaseerd op basis van zwart-wit
                        afdrukken. Indien de afdrukken in kleur vervaardigd worden, worden de
                        tarieven overeenkomstig </al><al>1.8.1.1 verhoogd met 100% </al><al/><al>1.8.2. Onder een inlichting in dit hoofdstuk wordt verstaan een of meer
                        gegevens omtrent een onroerende zaak, een kadastraal perceel of een persoon,
                        waarvoor de bij de gemeente in gebruik zijnde geografische informatie
                        systemen moeten worden geraadpleegd. </al><al>1.8.2.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag
                        tot het verstrekken van mondelinge inlichtingen uit de geografische
                        informatie systemen (GIS);: </al><al>1.8.2.1.1 voor het verstrekken van één inlichting € 6,60 </al><al>1.8.2.1.2 voor het verstrekken van meerdere inlichtingen, </al><al>1.8.2.1.2.1 voor de eerste inlichting € 6,60 </al><al>1.8.2.1.2.2 voor elke volgende inlichting € 4,10 </al><al/><al>1.8.3.1 </al><al>Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het </al><al>verstrekken van inlichtingen op papier uit de geografische informatie
                        systemen (GIS);: </al><al>1.8.3.1.1 voor het verstrekken van één inlichting € 10,70 </al><al>1.8.3.1.2 voor het verstrekken van meerdere inlichtingen, </al><al>1.8.3.1.2.1 voor de eerste inlichting € 10,70 </al><al>1.8.3.1.2.2 voor elke volgende inlichting € 8,10 </al><al/><al>1.8.4 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        het verstrekken van inlichtingen in digitale vorm uit de geografische
                        informatie systemen (GIS); </al><al>1.8.4.1 Voor digitale gebieden tot en met een hectare € 66,10 </al><al>1.8.4.2 voor digitale gebieden groter dan een hectare wordt het tarief
                        berekend als volgt: v(aantal hectare) x EUR 66,10 </al><al/><al>1.8.5 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        het verstrekken van een voor eensluidend afschrift van of uittreksel uit: </al><al>1.8.5.1 de gemeentelijke basisregistratie adressen of de gemeentelijke
                        basisregistratie gebouwen, bedoeld in artikel 2 van de Wet basisregistraties
                        adressen en gebouwen de tarieven vermeld onder 1.8.1 t/m 1.8.3.2 vermeerderd
                        met € 6,60 </al><al>1.8.5.2 de legger bedoeld in artikel 28 van de Wegenwet de tarieven vermeld
                        onder 1.8.1. t/m 1.8.3.2 vermeerderd met € 6,60 </al><al>1.8.5.3 de inschrijving in het register bedoeld in artikel 6, eerste lid,
                        van de </al><al>Monumentenwet 1988 de tarieven vermeld onder 1.8.1. t/m 1.8.3.2 vermeerderd
                        met € 6,60 </al><al>1.8.5.4 het openbare register van beschermde monumenten bedoeld in artikel
                        20 van de Monumentenwet 1988 de tarieven vermeld onder 1.8.1. t/m 1.8.3.2
                        vermeerderd met € 6,60 </al><al>1.8.5.5 het gemeentelijke beperkingenregister of de gemeentelijke
                        beperkingenregistratie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet
                        kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen, dan wel tot het verstrekken van
                        een aan die registratie ontleende verklaring, als bedoeld in artikel 9,
                        eerste lid, onder c, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen
                        de tarieven vermeld onder 1.8.1. t/m 1.8.3.2 vermeerderd met € 6,60 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 9 Overige publiekszaken </label></kop><al>1.9 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.9.1 tot het verkrijgen van een verklaring omtrent het gedrag € 30,05 </al><al>1.9.2 tot het verkrijgen van een attestatie de vita € 6,60 </al><al>1.9.3 tot het verkrijgen van een legalisatie van een handtekening € 8,50
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 10 Gemeentearchief </label></kop><al>1.10.1 Het tarief bedraagt voor het op verzoek doen van naspeuringen in de
                        in het gemeentearchief berustende stukken, voor ieder daaraan besteed
                        kwartier € 11,80 </al><al>1.10.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag
                        tot het verkrijgen van: </al><al>1.10.2.1 een afschrift of fotokopie van een in het gemeentearchief berustend
                        stuk, per pagina € 0,80 </al><al>1.10.2.2 een uittreksel uit een in het gemeentearchief berustend stuk n.v.t.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 11 Huisvestingswet </label></kop><al>1.11Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.11.1tot het verkrijgen van een huisvestingsvergunning als bedoeld in
                        artikel 7, eerste lid, van de Huisvestingswet € 45,50 </al><al/><al>1.11.2 tot het inschrijven in een register van woningzoekenden als bedoeld
                        in artikel 14 van de Huisvestingswet n.v.t. </al><al/><al>1.11.3 tot het verstrekken van gegevens uit het register van woningzoekenden
                        als bedoeld in artikel 14 van de Huisvestingswet, voor elke in dat register
                        vermelde woningzoekende n.v.t. </al><al/><al>1.11.4 tot het verkrijgen van een vergunning tot gehele of gedeeltelijke
                        onttrekking van woonruimte aan de bestemming tot bewoning als bedoeld in
                        artikel 30, eerste lid, onderdeel a, van de Huisvestingswet € 52,60 </al><al/><al>1.11.5 tot het verkrijgen van een vergunning tot samenvoeging van woonruimte
                        met andere woonruimte als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b,
                        van de Huisvestingswet € 52,60 </al><al/><al>1.11.6 tot het verkrijgen van een vergunning tot omzetting van zelfstandige
                        woonruimte in onzelfstandige woonruimte als bedoeld in artikel 30, eerste
                        lid, onderdeel c, van de Huisvestingswet € 52,60 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 12 Leegstandwet </label></kop><al>1.12 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.12.1 tot het verkrijgen van een vergunning tot tijdelijke verhuur van
                        leegstaande woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de
                        Leegstandwet € 104,20 </al><al>1.12.2 tot verlenging van een vergunning tot tijdelijke verhuur van
                        woonruimte als bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de Leegstandwet €52,10
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 13 Gemeentegarantie </label></kop><al>1.13 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.13.1 tot het verkrijgen van een gemeentegarantie n.v.t. </al><al>1.13.2 tot het instemmen met het wijzigen of omzetten van een door de
                        gemeente gegarandeerde hypothecaire geldlening n.v.t. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 14 Marktstandplaatsen </label></kop><al>1.14 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om: </al><al>1.14.1 een standplaatsvergunning als bedoeld in &lt;artikel 5 van de
                        Marktverordening 2008 (individuele vergunning)&gt; n.v.t. </al><al>1.14.2 inschrijving op de wachtlijst als bedoeld in &lt;artikel 4 van het
                        Marktreglement 2008&gt; n.v.t. </al><al>1.14.3 verlenging van de inschrijving als bedoeld in onderdeel 1.14.2 n.v.t. </al><al>1.14.4 doorhaling van de inschrijving op de wachtlijst bedoeld in
                        &lt;artikel 5, aanhef en onder b, van het Marktreglement 2008&gt; n.v.t. </al><al>1.14.5 overschrijving van de standplaatsvergunning op naam van een ander als
                        bedoeld in &lt;artikel 7 van het Marktreglement 2008&gt; n.v.t</al><al>1.14.6 vergunning om zich op de standplaats te laten vervangen als bedoeld
                        in &lt;artikel 12, tweede lid, van het Marktreglement 2008&gt; n.v.t. </al><al>1.14.7ontheffing om de standplaats tot de sluitingstijd van de markt te
                        blijven innemen als bedoeld in &lt;artikel 14, tweede lid, van het
                        Marktreglement 2008&gt; n.v.t. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 15 Winkeltijdenwet </label></kop><al>1.15Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.15.1 voor een ontheffing in het kader van de Winkeltijdenwet of het
                        Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet € 40,80 </al><al>1.15.2 tot het verlenen van toestemming om een in onderdeel 1.15.1 bedoelde
                        ontheffing over te dragen aan een ander € 40,80 </al><al>1.15.3 tot het intrekken of wijzigen van een in onderdeel 1.15.1 bedoelde
                        ontheffing € 40,80 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 16 Kansspelen </label></kop><al>1.16.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag
                        tot het verkrijgen van een aanwezigheidsvergunning als bedoeld in artikel
                        30b van de Wet op de kansspelen: </al><al>1.16.1.1voor een periode van twaalf maanden voor één (eerste)
                        kansspelautomaat € 57,50 </al><al>1.16.1.2 voor een periode van twaalf maanden voor iedere volgende
                        kansspelautomaat € 34,60 </al><al>1.16.1.3voor een periode van drie jaar voor één (eerste) kansspelautomaat €
                        172,90 </al><al>1.16.1.4voor een periode van drie jaar voor iedere volgende kansspelautomaat
                        € 104,00 </al><al>1.16.1.5voor onbepaalde tijd voor één (eerste) kansspelautomaat € 230,50 </al><al>1.16.1.6voor onbepaalde tijd voor iedere volgende kansspelautomaat € 138,40 </al><al/><al>1.16.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag
                        tot het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Wet op
                        de kansspelen (loterijvergunning) € 19,70 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 17 Kinderopvang </label></kop><al>1.17 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        het verstrekken van: </al><al>1.17.1 een uittreksel uit het register bedoeld in artikel 46 van de Wet
                        kinderopvang, per uittreksel n.v.t. </al><al>1.17.2 inlichtingen over gegevens die zijn opgenomen in het register bedoeld
                        in artikel 46 van de Wet kinderopvang, per verstrekking n.v.t. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 18 Telecommunicatie </label></kop><al>1.18.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een melding in
                        verband met het verkrijgen van instemming omtrent plaats, tijdstip en wijze
                        van uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van
                        de Telecommunicatiewet € 176,50 </al><al>1.18.1.1 indien het betreft werkzaamheden in tegel-, klinker-en
                        sierbestratingen, alsmede gesloten verhardingen, voor zover de werkzaamheden
                        plaatsvinden in of op openbare gemeentegrond, per strekkende meter sleuf
                        verhoogd met n.v.t. </al><al>1.18.1.2 indien het betreft werkzaamheden in bermen, groenstroken en
                        dergelijke, voor zover de werkzaamheden plaatsvinden in of op openbare
                        gemeentegrond, per strekkende meter sleuf verhoogd met n.v.t. </al><al>1.18.1.3indien met betrekking tot een melding overleg moet plaatsvinden
                        tussen gemeente, andere beheerders van openbare grond en de aanbieder van
                        het netwerk, verhoogd met € 485,20 </al><al>1.18.1.4 indien de melder verzoekt om een inhoudelijke afstemming bij de
                        beoordeling van aanvragen als bedoeld in artikel 5.5 van de
                        Telecommunicatiewet, verhoogd met n.v.t. </al><al>1.18.1.5 indien met betrekking tot een melding onderzoek naar de status van
                        de kabel plaatsvindt, verhoogd met het bedrag van de voorafgaand aan het in
                        behandeling nemen van de melding aan de melder meegedeelde kosten, blijkend
                        uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is
                        opgesteld. n.v.t. </al><al/><al>1.18.2 Indien een begroting als bedoeld in 1.18.1.5 is uitgebracht, wordt
                        een melding in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de
                        begroting aan de melder ter kennis is gebracht, tenzij de melding voor deze
                        vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. n.v.t. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 19 Verkeer en vervoer </label></kop><al>1.19 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.19.1 tot het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 87 van
                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 € 53,10 </al><al/><al>1.19.2 tot het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 7.1 van
                        de </al><al>Voertuigenreglement € 45,50 </al><al/><al>1.19.3 tot het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in
                        artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer
                        (BABW) € 67,10 </al><al/><al>1.19.4 tot het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in
                        het Besluit niet aangewezen luchtvaartterreinen, </al><al>1.19.4.1 bij afwijzing € 210,10 </al><al>1.19.4.2 bij toewijzing € 88,00 </al><al/><al>1.19.5 tot het verkrijgen van een vergunning voor de aanleg van een </al><al>gehandicaptenparkeerplaats met kenteken € 715,60 </al><al>1.19.5.1 indien de aangevraagde vergunning als bedoeld onder 1.19.5 dient te
                        worden geweigerd, wordt het onder 1.19.5 berekende legesbedrag verlaagd tot
                        een bedrag van € 268,90 </al><al>1.19.5.2 voor het wijzigen van een kenteken ten behoeve van de onder 1.19.5
                        bedoelde parkeerplaats € 170,80 </al><al>1.19.6 indien een verleende vergunning, als bedoeld in de Verordening </al><al>parkeerbelastingen, als gevolg van verlies, diefstal, mutatie in de </al><al>kentekengegevens of om een andere reden, in het lopende kalenderjaar </al><al>vervangen dient te worden, is hiervoor een tarief verschuldigd van € 20,20 </al><al>1.19.7 verhuizing van een Gereserveerde Gehandicapten Parkeerplaats (GGP) op
                        kenteken € 354,90 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 20 Algemeen </label></kop><al>1.20.1Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>1.20.1.1voor een andere, in deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing
                        of andere beschikking € 71,50 </al><al/><al>1.20.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag
                        tot het verstrekken van: </al><al>1.20.2.1 gewaarmerkte afschriften van stukken, voor zover daarvoor niet
                        elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is
                        opgenomen, per pagina € 6,60 </al><al>1.20.2.2 afschriften, doorslagen of fotokopieën van stukken, voor zover
                        daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een
                        tarief is opgenomen: </al><al>1.20.2.2.1 per pagina op papier van A4-formaat € 0,80 </al><al>1.20.2.2.2 per pagina op papier van een ander formaat € 1,50 </al><al>1.20.2.3 kaarten, tekeningen en lichtdrukken, al dan niet behorend bij de in
                        de onderdelen 1.20.2.1 en 1.20.2.2 genoemde stukken, voor zover daarvoor
                        niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is
                        opgenomen, per kaart, tekening of lichtdruk n.v.t. vermeerderd met n.v.t.
                        voor elke dm2 waarmee de oppervlakte van de kaart, tekening of lichtdruk de
                        [...] dm2 te boven gaat; </al><al>1.20.2.4 een beschikking op aanvraag, voor zover daarvoor niet elders in
                        deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen
                        €51,00 </al><al>1.20.2.5 stukken of uittreksels, welke op aanvraag van de aanvrager moeten
                        worden opgemaakt, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een
                        andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen, per pagina € 8,60 </al><al>1.20.2.6 De tarieven onder 1.20.2.1 tot en met 1.20.2.5 zijn gebaseerd op
                        basis van zwartwit afdrukken. Indien de afdrukken in kleur vervaardigd
                        worden, worden de tarieven overeenkomstig 1.20.2.1 tot en met 1.20.2.5
                        verhoogd met 50%. </al><al>1.20.2.7 In afwijking van hetgeen onder 1.20.1 en 1.20.2 is vermeld bedraagt
                        het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het afgeven
                        van stukken die op grond van de Wet openbaarheid van bestuur worden
                        verstrekt: </al><al>a. Voor de eerste vijf kopieën van één origineel, per kopie € 0,80</al><al>b. Voor iedere volgende kopie van het origineel € 0,40</al><al/><al>20.3 Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van een
                        aanvraag:</al><al>20.3.1 tot het verkrijgen van een vergunning voor het aanbrengen aan de
                        openbare weg van richting en/of aanduidingborden € 56,10 </al><al>1.20.4 Tot het verkrijgen van een standplaatsvergunning anders dan op het
                        daartoe aangewezen marktterrein € 53,60 </al><al>1.20.5 Tot het verkrijgen van een ontheffing voor het gebruik van de weg of
                        een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan als
                        bedoeld in de APV Zandvoort (art.2:10) € 53,60 </al><al>1.20.6 Voor het verkrijgen van een ontheffing van het verbod om een voertuig
                        dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren
                        met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken als bedoeld in de
                        APV Zandvoort € 25,50 </al><al/><al>20.7 tot het verkrijgen van een ventvergunning als bedoeld in de APV
                        Zandvoort € 53,60</al><al>20.8 tot het verkrijgen van een ontheffing tot het verspreiden van gedrukte
                        of beschreven stukken, monsters en/of andersoortig materiaal gebruikt voor </al><al>promotionele doeleinden onder publiek € 112,20 </al><al>1.20.9 Tot het verkrijgen van een ontheffing tot het rijden op het strand,
                        dan wel een voertuig op het strand mee te voeren, te plaatsen of te laten
                        staan, hetzij tot het rijden of hebben van een rij-of trekdier of het rijden
                        of hebben van een zeilvoertuig op het strand als bedoeld in de APV Zandvoort
                        € 52,00 </al><al>1.20.10 Tot het verkrijgen van een vergunning tot het hebben of brengen van
                        een vaartuig op dan wel daarmee af te varen van of aan te landen op het
                        strand, dan wel binnen 300 meter uit de laagwaterlijn voor anker te gaan als
                        bedoeld in de APV-Zandvoort € 52,00 </al><al>1.20.11 Benevens de verschuldigde leges als bedoeld in artikel 1.20.10
                        bedraagt het tariefvoor het bij de vergunning behorende sticker, per
                        vaartuig € 7,60 </al><al>1.20.12 Benevens de verschuldigde leges als bedoeld in artikel 1.20.9
                        bedraagt het tariefvoor het bij de vergunning behorende vignet, per voertuig
                        € 7,60 </al><al>1.20.13 Tot het verkrijgen van een vergunning tot het voortslepen van
                        voorwerpen achtereen vaartuig € 56,10 </al></divisie><divisie><kop><label>TITEL 2 DIENSTVERLENING VALLEND ONDER FYSIEKE LEEFOMGEVING / OMGEVINGSVERGUNNING</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen </label></kop><al>2.1.1 Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder: </al><al>2.1.1.1 aanlegkosten: de aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in
                        paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de
                        uitvoering van werken 1989 (UAV), voor het uit te voeren werk, of voor zover
                        deze ontbreekt, een raming van de aanlegkosten, de omzetbelasting niet
                        inbegrepen. Indien de werken of werkzaamheden geheel of gedeeltelijk door
                        zelfwerkzaamheid geschieden wordt in deze titel onder aanlegkosten verstaan:
                        de prijs die aan een derde in het </al><al>economisch verkeer zou moeten worden betaald voor de werken of </al><al>werkzaamheden waarop de aanvraag betrekking heeft; </al><al>2.1.1.2 bouwkosten: de aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in
                        paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de
                        uitvoering van werken 1989 (UAV 1989), voor het uit te voeren werk, of voor
                        zover deze ontbreekt een raming van de bouwkosten, exclusief omzetbelasting,
                        bedoeld in het normblad NEN 2631, uitgave 1979, of zoals dit normblad
                        laatstelijk is vervangen of gewijzigd. Indien het bouwen geheel of
                        gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid geschiedt wordt in deze titel onder
                        bouwkosten verstaan: de prijs die aan een derde in het economisch verkeer
                        zou moeten worden betaald voor het tot stand </al><al>brengen van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; </al><al>2.1.1.3 sloopkosten: de aannemingssom exclusief omzetbelasting,, bedoeld in
                        paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de
                        uitvoering van werken 1989 (UAV), voor het uit te voeren werk, of voor zover
                        deze ontbreekt, een raming van de sloopkosten, de omzetbelasting niet
                        inbegrepen. Indien het slopen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid
                        geschiedt wordt in deze titel onder sloopkosten verstaan: de prijs die aan
                        een derde in het economisch verkeer zou </al><al>moeten worden betaald voor het slopen van het bouwwerk waarop de aanvraag
                        betrekking heeft; </al><al>2.1.1.4 Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al><al/><al>2.1.2 In deze titel voorkomende begrippen die in de Wabo zijn omschreven,
                        hebben dezelfde betekenis als bij of krachtens de Wabo bedoeld. </al><al>2.1.3 In deze titel voorkomende begrippen die niet nader in de Wabo zijn
                        omschreven en die betrekking hebben op activiteiten waarvoor het
                        toetsingskader in een ander wettelijk voorschrift is uitgewerkt, hebben
                        dezelfde betekenis als in dat wettelijk voorschrift bedoeld. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2 Vooroverleg/beoordeling conceptaanvraag </label></kop><al>2.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>2.2.1 om vooroverleg in verband met het verkrijgen van een indicatie of een
                        voorgenomen project in het kader van de Wabo vergunbaar is (beoordeling
                        schetsplan of principeverzoek) € 331,50 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning </label></kop><al>2.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                        een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges
                        voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel
                        of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de
                        verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag
                        moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het
                        bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel. In afwijking van de
                        vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een
                        legesbedrag worden gevorderd. </al><al>2.3.1 Bouwactiviteiten </al><al>2.3.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op
                        een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de
                        Wabo, bedraagt het tarief: </al><al>2.3.1.1.1 indien de bouwkosten minder dan € 15.000 bedragen: 2,20% </al><al>van de bouwkosten, met een minimum van € 244,20 </al><al>2.3.1.1.2 indien de bouwkosten € 15.000 tot € 50.000 bedragen: € 325,60 </al><al>vermeerderd met 2,1% van de bouwkosten &gt; € 15.000 </al><al>2.3.1.1.3 indien de bouwkosten € 50.000 tot 100.000 bedragen: € 1.073,50 </al><al>vermeerderd met 2% van de bouwkosten &gt; € 50.000 </al><al>2.3.1.1.4 indien de bouwkosten € 100.000 tot € 200.000 bedragen: € 2.091,00
                        vermeerderd met 1,8% van de bouwkosten &gt; € 100.000 </al><al>2.3.1.1.5 indien de bouwkosten € 200.000 tot € 500.000 bedragen: € 3.922,50
                        vermeerderd met 1,6% van de bouwkosten &gt; € 200.000 </al><al>2.3.1.1.6 indien de bouwkosten meer dan € 500.000 bedragen € 8.806,50 </al><al>vermeerderd met 1,4% van de bouwkosten boven de € 500.000 Extra
                        welstandstoets </al><al>2.3.1.2 Onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1.1 bedraagt het tarief,
                        indien zich tijdens de beoordeling van de in dat onderdeel bedoelde aanvraag
                        wijzigingen voordoen in het bouwplan en daarvoor een nieuwe welstandstoets
                        noodzakelijk is: € 45,90 Beoordeling bodemrapport </al><al>2.3.1.3 Onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1.1 bedraagt het tarief,
                        indien krachtens wettelijk voorschrift voor de in dat onderdeel bedoelde
                        aanvraag een bodemrapport wordt beoordeeld: </al><al>2.3.1.3.1 voor de beoordeling van een milieukundig bodemrapport € 244,20 </al><al>2.3.1.3.2 voor de beoordeling van een archeologisch bodemrapport € 244,20
                        Verplicht advies agrarische commissie </al><al>2.3.1.4 Onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1.1 bedraagt het tarief,
                        indien krachtens wettelijk voorschrift voor de in dat onderdeel bedoelde
                        aanvraag een advies van de agrarische commissie wordt beoordeeld: </al><al>de kosten die voor de te voeren procedure aan de aanvrager zijn medegedeeld
                        en blijken uit een begroting van het college. </al><al/><al>Achteraf ingediende aanvraag </al><al>2.3.1.5 Onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1.1 bedraagt het tarief,
                        indien de in dat onderdeel bedoelde aanvraag wordt ingediend na aanvang of
                        gereedkomen van de bouwactiviteit: 25,00% van de op grond van dat onderdeel
                        verschuldigde leges. </al><al/><al>Seizoensgebonden strandgebouw </al><al>2.3.1.6 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag
                        tot het </al><al>behandelen van een bouwaanvraag voor een seizoensgebonden strandgebouw en
                        een seizoensgebonden strandgebouw voor watersportactiviteiten per m2
                        brutovloeroppervlakte, inclusief overkappingen, met dien verstande dat per
                        eenheid van 10m2 naar beneden wordt afgerond € 10,20 De bouwvergunning van
                        een seizoensgebonden bouwwerk wordt verleend voor een periode van 10 jaar. </al><al/><al>2.3.2 Aanlegactiviteiten </al><al>2.3.2.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op
                        een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de
                        Wabo, bedraagt het tarief: € 325,60 </al><al/><al>Beoordeling bodemrapport </al><al>2.3.2.2 Onderdeel 2.3.1.3.1 vindt overeenkomstige toepassing met betrekking
                        tot de in onderdeel 2.3.2.1 bedoelde aanvraag, tenzij onderdeel 2.3.1.3.2
                        zelf toepassing vindt. </al><al>2.3.3 Planologisch strijdig gebruik waarbij tevens sprake is van een bouw-of </al><al>aanlegactiviteit Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking
                        heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van
                        de Wabo, en tevens sprake is van een bouwactiviteit of een aanlegactiviteit
                        als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk b, van de
                        Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de onderdelen 2.3.1
                        en 2.3.2: </al><al>2.3.3.1 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder
                        1º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is
                        afgeweken (binnenplanse afwijking): € 407,00 </al><al>2.3.3.2 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder
                        2º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is
                        afgeweken (kleine buitenplanse afwijking): € 407,00 </al><al>2.3.3.3 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder
                        3º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is
                        afgeweken (buitenplanse afwijking): € 5.087,50 </al><al>2.3.3.4 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder b van de
                        Wabo van het exploitatieplan is afgeweken (afwijking exploitatieplan):
                        €407,00 </al><al>2.3.3.5 indien de aanvraag een project van provinciaal belang betreft en met
                        toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wabo van de
                        krachtens artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening bij of
                        krachtens provinciale verordening gegeven regels is afgeweken: € 407,00 </al><al>2.3.3.6 indien de aanvraag een project van nationaal belang betreft en met
                        toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wabo van de
                        krachtens artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening bij of
                        krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven regels is afgeweken: €
                        407,00 </al><al>2.3.3.7 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder d van de
                        Wabo van een voorbereidingsbesluit is afgeweken (afwijking
                        voorbereidingsbesluit): € 407,00 </al><al>2.3.3.8 indien met toepassing van artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo voor
                        een bepaalde termijn van het bestemmingsplan of de beheersverordening is
                        afgeweken (tijdelijke afwijking): € 407,00 </al><al>2.3.4 Planologisch strijdig gebruik waarbij geen sprake is van een bouw-of </al><al>aanlegactiviteit. Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking
                        heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van
                        de Wabo, en niet tevens sprake is van een bouwactiviteit of een
                        aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,
                        onderscheidenlijk b, van de Wabo, bedraagt het tarief: </al><al>2.3.4.1 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder
                        1º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is
                        afgeweken (binnenplanse afwijking): € 407,00 </al><al>2.3.4.2 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder
                        2º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is
                        afgeweken (kleine buitenplanse afwijking): € 407,00 </al><al>2.3.4.3 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder
                        3º, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is
                        afgeweken (buitenplanse afwijking): € 5.087,50 </al><al>2.3.4.4 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder b van de
                        Wabo van het exploitatieplan is afgeweken (afwijking exploitatieplan):
                        €407,00 </al><al>2.3.4.5 indien de aanvraag een project van provinciaal belang betreft en met
                        toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wabo van de
                        krachtens artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening bij of
                        krachtens provinciale verordening gegeven regels is afgeweken: € 407,00 </al><al>2.3.4.6 indien de aanvraag een project van nationaal belang betreft en met
                        toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder c, van de Wabo van de
                        krachtens artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening bij of
                        krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven regels is afgeweken:
                        €407,00 </al><al>2.3.4.7 indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder d van de
                        Wabo van een voorbereidingsbesluit is afgeweken (afwijking
                        voorbereidingsbesluit): € 407,00 </al><al>2.3.4.8 indien met toepassing van artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo voor
                        een bepaalde termijn van het bestemmingsplan of de beheersverordening is
                        afgeweken (tijdelijke afwijking): € 407,00 </al><al>2.3.5 In gebruik nemen of gebruiken bouwwerken in relatie tot
                        brandveiligheid </al><al>2.3.5.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op
                        een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo,
                        bedraagt het tarief: € 436,80 Het onder 2.3.5.1 genoemde bedrag wordt (bij
                        onderstaande vloeroppervlaktes) </al><al>verhoogd met: </al><al>0 – 100 m² € 253,40 </al><al>100 – 500 m² vermeerderd met € 2,32 per m² &gt; 100 m² € 253,40 </al><al>500 – 2.000 m² vermeerderd met € 1,29 voor elke m² &gt; 500 m² € 1.200,00 </al><al>2.000 – 5.000 m² vermeerderd met € 0,78 voor elke m² &gt; 2.000 m² €
                        3.173,80</al><al>5.000 – 50.000 m² vermeerderd met € 0,06 voor elke m² &gt; 5000 m² €
                        5.560,70</al><al>boven 50.000 m² € 8.314,80 </al><al/><al>2.3.6 Activiteiten met betrekking tot monumenten of beschermde stadsof </al><al>dorpsgezichten. Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking
                        heeft op een activiteit met betrekking tot een beschermd monument als
                        bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, of op een
                        activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo met
                        betrekking tot een krachtens provinciale verordening of de gemeentelijke
                        verordening aangewezen monument, waarvoor op grond van die provinciale
                        verordening of artikel 10 van die gemeentelijke verordening een vergunning
                        of ontheffing is vereist, bedraagt het tarief: </al><al>2.3.6.1.1 voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht
                        wijzigen van een provinciaal of gemeentelijk monument 1% van de sloopkosten
                        met een minimum van en € 162,80 maximum van € 488,40 </al><al>2.3.6.1.2 voor het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een
                        provinciaal of gemeentelijk monument op een wijze waardoor het wordt
                        ontsierd of in gevaar gebracht 1% van de sloopkosten met een minimum van en
                        € 162,80 maximum van € 488,40 </al><al/><al>2.3.6.2 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op
                        het slopen van een bouwwerk in een krachtens provinciale verordening of een
                        aangewezen stads-of dorpsgezicht, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                        c, van de Wabo, waarvoor op grond van die provinciale verordening of van die
                        gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, bedraagt
                        het tarief 1% van de sloopkosten met een minimum van € 162,80 en maximum van
                        € 162,80 € 488,40 </al><al/><al>2.3.7 Sloopactiviteiten anders dan bij monumenten of in beschermd stadsof </al><al>dorpsgezicht.</al><al>2.3.7.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op
                        het slopen van een bouwwerk bedraagt het tarief 1% van de sloopkosten met
                        een minimum van € 162,80 en maximum van € 488,40 </al><al>2.3.7.3 Beoordeling bodemrapport </al><al>Onderdeel 2.3.1.3.1 vindt overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
                        in de onderdelen 2.3.7.1 of 2.3.7.2 bedoelde aanvraag, tenzij de onderdelen
                        2.3.1.3.2 of 2.3.2.2 zelf toepassing vinden. </al><al/><al>Asbesthoudende materialen </al><al>2.3.7.4 Onverminderd het bepaalde in de onderdelen 2.3.7.1 of 2.3.7.2
                        bedraagt het tarief, indien de in die onderdelen bedoelde aanvraag
                        betrekking heeft op een bouwwerk waarin asbest of een asbesthoudend product
                        aanwezig is: € 46,80 </al><al/><al>2.3.8 Aanleggen of veranderen weg </al><al>Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het </al><al>aanleggen van een weg of verandering brengen in de wijze van aanleg van een
                        weg waarvoor ingevolge een bepaling in een provinciale verordening of de
                        Algemene plaatselijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist,
                        als bedoeld in artikel 2.2, aanhef en eerste lid, onder d, van de Wabo,
                        bedraagt het tarief: € 162,80 </al><al/><al>2.3.9 Uitweg/inrit </al><al>Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het maken,
                        hebben, veranderen of veranderen van het gebruik van een uitweg waarvoor
                        ingevolge een bepaling in een provinciale verordening of van de Algemene
                        plaatselijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist, als
                        bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, bedraagt
                        het tarief: € 250,90 </al><al/><al>2.3.10 Kappen </al><al>Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het vellen
                        of doen vellen van houtopstand, waarvoor ingevolge een bepaling in een
                        provinciale verordening of de Algemene plaatselijke verordening een
                        vergunning of ontheffing is vereist, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                        aanhef en onder g, van de Wabo, bedraagt het tarief: € 53,60 </al><al/><al>Handelsreclame </al><al>2.3.11 Indien de activiteit bestaat uit het maken of voeren van
                        handelsreclame bedoeld in artikel 2.2, aanhef en eerste lid, onder g van de
                        Wabo, bedraagt het tarief € 104,20 </al><al/><al>Opslag van roerende zaken </al><al> 2.3.12 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op de
                        opslag van roerende zaken in een bepaald gedeelte van de provincie of de
                        gemeente, waarvoor ingevolge een bepaling in een provinciale verordening of
                        de Algemene plaatselijke verordening een vergunning of ontheffing is
                        vereist, bedraagt het tarief: </al><al>2.3.12.1 indien de activiteit bestaat uit het daar opslaan van roerende
                        zaken, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j, van de Wabo:€
                        104,20</al><al>2.3.12.2 indien de activiteit bestaat uit het als eigenaar, beperkt
                        gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toestaan of gedogen dat
                        daar roerende zaken worden opgeslagen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                        onder k, van de Wabo: € 104,20 </al><al>2.3.13 Projecten of handelingen in het kader van de Natuurbeschermingswet
                        1998 </al><al>2.3.13.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op
                        handelingen in een beschermd natuurgebied die schadelijk kunnen zijn voor
                        het natuurschoon, de natuurwetenschappelijke betekenis of voor de dieren of
                        planten, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet
                        1998 bedraagt het tarief: € 325,60 </al><al>2.3.13.2 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op
                        het realiseren van projecten of andere handelingen met gevolgen voor
                        habitats en soorten in een door de minister van Landbouw, Natuur en
                        Voedselkwaliteit aangewezen gebied als bedoeld in artikel 19d, eerste lid,
                        van de Natuurbeschermingswet 1998:€ 325,60 </al><al/><al>2.3.14 Handelingen in het kader van de Flora-en Faunawet </al><al>Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een </al><al>handeling waarvoor op grond van artikel 75, derde lid, van de Flora-en
                        Faunawet ontheffing nodig is, bedraagt het tarief € 325,60 </al><al/><al>Andere activiteiten </al><al>2.3.15 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het
                        verrichten van een andere activiteit of handeling dan in de voorgaande
                        onderdelen van dit hoofdstuk bedoeld en die activiteit of handeling: </al><al>2.3.15.1 behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
                        categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke
                        leefomgeving, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo,
                        bedraagt het tarief: € 104,20 </al><al>2.3.15.2.1 als het een gemeentelijke verordening betreft€ 104,20 </al><al>2.3.15.2.2 als het een provinciale of waterschapsverordening betreft €104,20 </al><al/><al>2.3.16 Omgevingsvergunning in twee fasen </al><al>Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning op verzoek in twee fasen </al><al>plaatsvindt, als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van de Wabo, bedraagt
                        het tarief: </al><al>2.3.16.1 voor het in behandeling nemen van de aanvraag voor een beschikking
                        met betrekking tot de eerste fase: het bedrag dat voortvloeit uit toepassing
                        van de tarieven in dit hoofdstuk voor de activiteiten waarop de aanvraag
                        voor de eerste fase betrekking heeft; </al><al>2.3.16.2 voor het in behandeling nemen van de aanvraag voor een beschikking
                        met betrekking tot de tweede fase: het bedrag dat voortvloeit uit toepassing
                        van de tarieven in dit hoofdstuk voor de activiteiten waarop de aanvraag
                        voor de tweede fase betrekking heeft. </al><al/><al>2.3.17 Advies </al><al>2.3.17.1 Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen van dit
                        hoofdstuk bedraagt het tarief, indien een daartoe bij algemene maatregel van
                        bestuur, provinciale of gemeentelijke verordening aangewezen bestuursorgaan
                        of andere instantie advies moet uitbrengen over de aanvraag of het ontwerp
                        van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in
                        artikel 2.26, derde lid, van de Wabo: het bedrag van de voorafgaand aan het
                        in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning aan de
                        aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het
                        college van burgemeester en wethouders is opgesteld. </al><al/><al>2.3.17.2 Indien een begroting als bedoeld in 2.3.17.1 is uitgebracht, wordt
                        een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de
                        begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor
                        deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. </al><al>2.3.18 Verklaring van geen bedenkingen</al><al>2.3.18.1 Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen van dit
                        hoofdstuk bedraagt het tarief, indien een daartoe bij wet of algemene
                        maatregel van bestuur aangewezen bestuursorgaan een verklaring van geen
                        bedenkingen moet afgeven voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend,
                        als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo:</al><al>2.3.18.1.1 </al><al>indien de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven: </al><al>2.3.18.1.2 indien een ander bestuursorgaan een verklaring van geen
                        bedenkingen moet afgeven: het bedrag van de voorafgaand aan het in
                        behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning aan de
                        aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het
                        college van burgemeester en wethouders is opgesteld. € 407,00 </al><al>2.3.18.2 Indien een begroting als bedoeld in 2.3.18.1.2 is uitgebracht,
                        wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag
                        waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de
                        aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 4 Vermindering </label></kop><al>2.4.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning is voorafgegaan door een
                        aanvraag om vooroverleg of beoordeling van een conceptaanvraag als bedoeld
                        in hoofdstuk 2, waarop de eerstgenoemde aanvraag betrekking heeft, worden de
                        ter zake van het vooroverleg of de beoordeling van de conceptaanvraag c.q.
                        principeverzoek geheven leges in mindering gebracht op de leges voor het in
                        behandeling nemen van de aanvraag om de omgevingsvergunning bedoeld in
                        hoofdstuk 3. </al><al>2.4.2 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op meer
                        dan vijf activiteiten, bestaat aanspraak op vermindering van leges, met
                        uitzondering van het legesdeel in verband met adviezen of verklaringen van
                        geen bedenkingen als bedoeld in de onderdelen 2.3.16 en 2.3.17. De
                        vermindering beloopt: </al><al>2.4.2.1 bij 5 tot 10 activiteiten: </al><al>van de voor die activiteiten verschuldigde leges; [2%]</al><al>2.4.2.2 bij 10 tot 15 activiteiten: </al><al>van de voor die activiteiten verschuldigde leges;[4%] </al><al>2.4.2.3 bij 15 of meer activiteiten: </al><al>van de voor die activiteiten verschuldigde leges.[5%] </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 5 Teruggaaf </label></kop><al>2.5.1 </al><al>Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning voor bouw-,
                        aanleg-of sloopactiviteiten. Als een aanvrager zijn aanvraag om een
                        omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit
                        bouw-, aanleg-of sloopactiviteiten, als bedoeld in de onderdelen 2.3.1,
                        2.3.2, 2.3.6 en 2.3.7, intrekt terwijl deze reeds in behandeling is genomen
                        door de gemeente, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges.
                        De teruggaaf bedraagt: </al><al>2.5.1.1 indien de aanvraag wordt ingetrokken binnen een termijn van twee
                        weken na het in behandeling nemen ervan van de op grond van die onderdelen
                        voor de betreffende activiteit verschuldigde leges; 75%</al><al>2.5.1.2 indien de aanvraag wordt ingetrokken na twee weken en binnen zes
                        weken na het in behandeling nemen ervan van de op grond van die onderdelen
                        voor de betreffende activiteit verschuldigde leges; 50%</al><al/><al> 2.5.2 Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning
                        voor bouw-, aanleg-of sloopactiviteiten Als de gemeente een verleende
                        omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit
                        bouw-, aanleg-of sloopactiviteiten als bedoeld in de onderdelen 2.3.1,
                        2.3.2, 2.3.6 en 2.3.7, intrekt op aanvraag van de vergunninghouder, bestaat
                        aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges, mits deze aanvraag is
                        ingediend binnen 12 maanden na verlening van de vergunning en van de
                        vergunning geen gebruik is gemaakt. De teruggaaf bedraagt: 50% </al><al>van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit
                        verschuldigde leges. </al><al/><al> Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor
                        bouw, aanleg-of sloopactiviteiten ,</al><al>5.2.3 Als de gemeente een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of
                        gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg-of sloopactiviteiten als bedoeld in
                        de onderdelen 2.3.1, 2.3.2, 2.3.6 of 2.3.7 weigert, bedraagt de teruggaaf
                        automatisch: 50% </al><al>van de op grond van die onderdelen voor de betreffende activiteit
                        verschuldigde leges. </al><al/><al>Minimumbedrag voor teruggaaf </al><al>2.5.4 Een bedrag minder dan € 80,00 wordt niet teruggegeven. </al><al>Geen teruggaaf legesdeel advies of verklaring van geen bedenkingen</al><al>2.5.5 Van de leges verschuldigd op grond van de onderdelen 2.3.16 en 2.3.17
                        wordt geen teruggaaf verleend. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 6 Intrekking omgevingsvergunning is niet van toepassing </label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 7 Wijziging omgevingsvergunning als gevolg van wijziging project</label></kop><al>2.7 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        wijziging van een omgevingsvergunning als gevolg van een, naar de
                        omstandigheden beoordeeld, geringe wijziging in het project: € 162,80 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 8 Bestemmingswijzigingen zonder activiteiten </label></kop><al>2.8.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        het vaststellen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste
                        lid, van de Wet ruimtelijke ordening € 599,20 </al><al>2.8.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        het wijzigen van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
                        onder a, van de Wet ruimtelijke ordening € 599,20 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 9 Sloopmelding </label></kop><al>2.9 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een sloopmelding
                        alsbedoeld in de Bouwverordening € 35,10 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 10 In deze titel niet benoemde beschikking </label></kop><al>2.10 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                        eenandere, in deze titel niet benoemde beschikking: € 104,20 </al></divisie><divisie><kop><label>Titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1 Horeca </label></kop><al>3.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag: </al><al>3.1.1 tot het verkrijgen van een vergunning op grond van artikel 3 van de
                        Drank-en Horecawet € 204,00 </al><al>3.1.2 Vervallen n.v.t. </al><al>3.1.3 tot het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de
                        Drank-en Horecawet € 56,10 </al><al>3.1.4 tot het verkrijgen van een vergunning ingevolge artikel 3 van de
                        Drank-en Horecawet, n.a.v. een wijziging in de personen van leidinggevende €
                        112,20 </al><al>3.1.5 tot het verkrijgen van een verlof om in besloten ruimte bedrijfsmatig
                        alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken € 56,10 </al><al>3.1.6 tot het verkrijgen van een vergunning sluitingsuur t.b.v. een
                        inrichting als bedoeld in de APV-Zandvoort: </al><al>a.Voor een vergunning voor een jaar € 484,50 </al><al>b.Voor een vergunning voor onbepaalde tijd€ 847,90 </al><al>3.1.7 Tot het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in de APV Zandvoort
                        voor het inrichten of drijven van een recreatie-inrichting behorende tot één
                        van de categorieën g t/m i van het Inrichtingenbesluit €234,60 </al><al>3.1.7.1 Tot het wijzigen van een vergunning als bedoeld onder 3.1.7 € 48,40 </al><al>3.1.8 Tot het verkrijgen van een vergunning exploitatie horecabedrijf zonder
                        terras € 112,20 </al><al>3.1.8.1 Tot het wijzigen van een vergunning als bedoeld onder 3.1.8 € 55,10 </al><al>3.1.9 tot het verkrijgen van een vergunning exploitatie horecabedrijf met
                        terras € 229,50 </al><al>3.1.9.1 Tot het wijzigen van een vergunning als bedoeld onder 3.1.9 €114,80
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2 Organiseren evenementen of markten </label></kop><al>3.2.1 </al><al>Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                        vergunning voor het organiseren van een evenement als bedoeld in de Algemene
                        plaatselijke verordening (evenementenvergunning), indien het betreft: </al><al>3.2.1.1 een grootschalig evenement € 307,60 </al><al>een terugkerend grootschalig evenement voor 2 of meer jaren of voor
                        onbepaalde tijd € 538,30 </al><al>3.2.1.2 een middelgroot evenement € 165,50 </al><al>een terugkerend middelgroot evenement voor 2 of meer jaren of voor
                        onbepaalde tijd € 290,00 </al><al>3.2.2 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een vergunning
                        voor het organiseren van een snuffelmarkt als bedoeld in &lt;artikel 5:23
                        van de Algemene plaatselijke verordening&gt; € 53,60 </al><al>3.2.3 n.v.t. </al><al>3.2.4 Het tarief bedraagt ter zake van het in behandeling nemen van een
                        aanvraag: </al><al>3.2.4.1 n.v.t. </al><al>3.2.4.2 n.v.t. </al><al>3.2.4.3 tot het verkrijgen van een ontheffing van overige geluidhinder als
                        bedoeld in </al><al>&lt;artikel 4:6 van de Algemene plaatselijke verordening&gt;. € 0,00 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 3 Prostitutiebedrijven </label></kop><al>3.3 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om: </al><al>3.3.1 een exploitatievergunning of wijziging van een exploitatievergunning
                        als bedoeld in &lt;artikel 3.4, eerste lid, van de Algemene plaatselijke
                        verordening&gt; </al><al>3.3.1.1 voor een seksinrichting € 1.173,10 </al><al>3.3.1.2 voor een escortbedrijf € 306,00 </al><al>3.3.2 wijziging van een exploitatievergunning in verband met uitsluitend een
                        wijziging van het beheer in een seksinrichting of escortbedrijf, als bedoeld
                        in &lt;artikel 3.15, tweede lid, van de Algemene plaatselijke
                        verordening&gt;: </al><al>3.3.2.1 voor een seksinrichting € 188,70 </al><al>3.3.2.2 voor een escortbedrijf € 188,70 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 4 Splitsingsvergunning woonruimte </label></kop><al>3.4 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        het verkrijgen van een splitsingsvergunning als bedoeld in artikel 33 van de </al><al>Huisvestingswet € 392,70 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 5 Leefmilieuverordening </label></kop><al>3.5 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                        een ontheffing of vergunning als bedoeld in de &lt;Leefmilieuverordening …
                        [naam gebied]&gt;: </al><al>3.5.1 indien het betreft &lt;activiteit vermelden&gt; n.v.t. n.v.t.</al><al>3.5.2 enz. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 6 Brandbeveiligingsverordening </label></kop><al>3.6 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        het verkrijgen van een vergunning met betrekking tot het brandveilig gebruik
                        van een inrichting, als bedoeld in &lt;artikel 2, eerste lid, van de </al><al>Brandbeveiligingsverordening&gt; € 93,30 </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 7 In deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking </label></kop><al>3.7 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                        een andere, in deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere
                        beschikking n.v.t. </al><al>Behoort bij raadsbesluit van 9 november 2010 </al><al>De griffier van Zandvoort </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING LEGESVERORDENING 2011 </titel></kop><divisie><kop><label>A Algemeen </label></kop></divisie><divisie><kop><label>1 Wettelijke basis </label></kop><al>De leges worden geheven op basis van artikel 229, eerste lid, aanhef en
                        onderdeel b, van de Gemeentewet. Vanaf 1 januari 1995 komt het begrip
                        ‘leges’ niet meer voor in de Gemeentewet. De reden hiervan is dat er geen
                        wezenlijke verschillen bestaan tussen leges en andere rechten. Het begrip
                        ‘rechten’ in artikel 229 van de Gemeentewet omvat mede de leges. </al><al>In de verordening is ervoor gekozen de rechten ‘leges’ te blijven noemen,
                        omdat het hier gaat om een ingeburgerd en herkenbaar begrip. Bovendien gaat
                        het in vrijwel alle gevallen om het in behandeling nemen van aanvragen en
                        vergunningen e.d. en om het verstrekken van documenten. Het staat gemeenten
                        vrij de rechten anders te noemen. Gekozen is voor een zogenaamd ‘aangekleed’
                        model, dat wil zeggen dat de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar
                        nodig voor de duidelijkheid, is overgenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>2 Opzet </label></kop><al>De verordening leges bestaat uit twee gedeelten, namelijk de verordening
                        zelf met de formele en materiële bepalingen en de tarieventabel met een
                        omschrijving van de belastbare feiten, de heffingsmaatstaven en de tarieven.
                        Voordeel van deze opzet is dat wijzigingen van tarieven op eenvoudige wijze
                        in de tarieventabel zijn te verwerken zonder dat de onderlinge samenhang van
                        de artikelen in de verordening verloren gaat. </al><al>De volgorde van de VNG modelverordening is aangehouden, waarbij die </al><al>artikelonderdelen en tarieven welke niet voorkomen zijn aangegeven met
                        ‘n.v.t.’. </al></divisie><divisie><kop><label>3 Geen voorbeelden van tarieven </label></kop><al>In de tarieventabel is geen vergelijking gemaakt met de tarieven van andere
                        gemeenten. Dit heeft een aantal redenen. Allereerst kunnen de te maken
                        kosten voor de verschillende diensten sterk verschillen per gemeente.
                        Bovendien is het afhankelijk van het beleid van de raad van iedere gemeente
                        of al of niet kostendekkende tarieven worden gehanteerd. Ten slotte zouden
                        voorbeelden van tarieven zeer tijdgebonden bedragen kunnen zijn, die snel
                        aan veroudering onderhevig zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>4 Het begrip ‘dienst’ </label></kop><al>Artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bepaalt dat
                        gemeenten onder andere rechten kunnen heffen voor het genot van door of
                        vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Leges kunnen dus
                        uitsluitend geheven worden voor door of vanwege het gemeentebestuur
                        verstrekte diensten. Dit blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 9
                        december 1987 (nr. 24.892, BNB 1988/117, </al><al>Belastingblad 1988, blz. 65). Het begrip ‘dienst’ is niet nader gedefinieerd
                        in de wet. Wel is in de jurisprudentie invulling gegeven aan het begrip
                        ‘dienst’. Op grond van de jurisprudentie komen wij tot het oordeel dat voor
                        de vraag of er sprake is van een dienst doorslaggevend is of degene te wiens
                        behoeve de dienst wordt verleend een individueel belang heeft bij </al><al>de dienst. Dit individuele belang is in beginsel altijd aanwezig indien de </al><al>dienstverlening wordt gevraagd. Indien de dienst ambtshalve wordt verleend,
                        is er naar het oordeel van de wetgever </al><al>geen sprake van een dienst (Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 21 591,
                        nr. 3, blz. 78). Dit betekent dat vanaf 1 januari 1995 voor het ongevraagd
                        verlenen van diensten geen legesheffing meer mogelijk is. Is het algemene
                        belang groter dan het individuele belang van de aanvrager dan wel degene te
                        wiens behoeve de dienst wordt verleend, dan is er geen sprake van een dienst
                        die legesheffing rechtvaardigt. Ten slotte merken wij op dat het ‘verlenen’
                        van een dienst, zoals geformuleerd in de modelverordening, uitsluitend
                        betrekking heeft op het in gang zetten van de </al><al>dienstverlening. Er is dus sprake van een inspanningsverplichting en niet
                        van een resultaatsverplichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Jurisprudentie over het begrip dienst </label></kop><al>Hieronder een – chronologisch aflopend – overzicht van de jurisprudentie,
                        dat meer inzicht geeft of in een concreet geval sprake is van verlening van
                        diensten bedoeld in artikel 229b, eerste lid, onderdeel b, van de
                        Gemeentewet. </al><al>-HR 23 maart 2007, nr. 40664, LJN: BA1262 (Velsen)</al><al>Bij een bouwaanvraag die incompleet is en door de gemeente op grond van
                        artikel 4:5 van de Awb ‘verder buiten behandeling is gelaten’ is voldaan aan
                        het belastbaar feit voor heffing van leges ‘het in behandeling nemen van een
                        aanvraag’. Deze uitspraak is het vervolg op Gerechtshof Amsterdam 23 januari
                        2004, nr. 02/06849, LJN: AO3409, dat anders oordeelde, ook in: Gerechtshof
                        Amsterdam 26 september 2003, nr. 03/01041, LJN: AN7885 (Haarlemmermeer) </al><al>-HR 13 augustus 2004, nr. 37863, LJN: AI0408</al><al>Bij de behandeling van aanvragen voor planschade is sprake van een publieke
                        taakuitoefening door de gemeente en niet van een individualiseerbaar belang,
                        zodat geen sprake is van verlening van een dienst in de zin van artikel 229
                        van de Gemeentewet (zie voor planschadevergoeding ook verderop in deze
                        toelichting). </al><al>-HR 11 juni 1997, nr. 31253, BNB 1997/271</al><al>Bij de werkzaamheden die voor gedeputeerde staten verbonden zijn aan het in
                        behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van
                        geen bezwaar op grond van -onder meer -artikel 19 van de (oude) Wet op de
                        Ruimtelijke Ordening, gaat het rechtstreeks en vooral om het dienen van het
                        publieke belang. Er is wel indirect een particulier belang van de
                        ‘achterliggende’ aanvrager -in voorkomende gevallen de gemeente zelf, maar
                        gelet op het preventief bestuurstoezicht van de provincie, niet rechtstreeks
                        en in overheersende mate. Bij het in behandeling nemen van een aanvraag tot
                        afgifte van een verklaring van geen bezwaar is derhalve niet, ook niet
                        gedeeltelijk, sprake van een rechtstreeks aan de gemeente dan wel aan de
                        ‘achterliggende’ aanvrager verrichte dienst. </al><al>-HR 7 mei 1997, nr. 31845, Belastingblad 1997, blz. 586</al><al>Duikwerkzaamheden van de brandweer (het betrof het opduiken van een auto)
                        kunnen worden aangemerkt als het verlenen van een dienst ‘indien het gaat om
                        werkzaamheden die niet alleen liggen buiten het gebied van brand-en
                        rampenbestrijding alsmede van beperking en bestrijding van gevaar voor mens
                        en dier bij ongevallen, maar bovendien rechtstreeks en in overheersende mate
                        verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar
                        belang’. </al><al>-HR 13 april 1994, nr. 28887, Belastingblad 1994, blz. 431</al><al>Het door de politie op verzoek van belanghebbende, in verband met een door
                        deze gemelde aansluiting op een stil alarmsysteem, opstellen van een
                        aanvalsplan, dient voornamelijk om een efficiënt politieoptreden ter
                        handhaving van de rechtsorde mogelijk te maken en om de veiligheid van de
                        bij dat optreden betrokken politieagenten te verhogen. De desbetreffende
                        werkzaamheden houden in het algemeen niet rechtstreeks en voornamelijk
                        verband met een dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar
                        particulier belang. Er is geen sprake van een </al><al>dienst in de zin van artikel 229 Gemeentewet. </al><al>-HR 11 december 1992, nr. 14484, RvdW 1993, nr. 6 (Vlissingen/Rize)</al><al>Met betrekking tot het nablussen van een brand op een schip is kostenverhaal
                        niet mogelijk. </al><al>-HR 14 oktober 1992, nr. 27804, BNB 1993/24, Belastingblad 1993, blz.
                        165</al><al>Melding ex artikel 2a van de (toenmalige) Hinderwet is geen dienst. </al><al>-Koninklijk Besluit van 2 oktober 1990, nr. 90.001535, Belastingblad 1991,
                        blz. 285Goedkeuring onthouden aan de Legesverordening van de gemeente Delft
                        omdat die verordening een bepaling bevatte op grond waarvan leges geheven
                        konden worden van overheidsorganen voor diensten die worden verricht ter
                        uitvoering van bepaalde medebewindstaken, zoals het verstrekken van gegevens
                        aan het CBS, het afgeven van verklaringen omtrent het gedrag etc. </al><al>-Koninklijk Besluit van 24 augustus 1990, nr. 89.030275, Belastingblad 1990,
                        blz.668 Goedkeuring onthouden aan de Legesverordening van de gemeente Horst,
                        omdat in de verordening een tarief was opgenomen voor een melding ex artikel
                        2a van de (toenmalige) Hinderwet. Geen dienstverlening. </al><al>-Koninklijk Besluit van 28 december 1988, nr. 13 (Belastingblad 1989, blz.
                        123)Goedkeuring onthouden aan de Legesverordening van de gemeente Schoorl,
                        omdat in die verordening een tarief was opgenomen voor het behandelen van
                        een kennisgeving in de zin van artikel 1a van het Hinderbesluit. Geen
                        dienstverlening. </al><al>-Koninklijk Besluit van 28 december 1988, nr. 12, Belastingblad 1989, blz.
                        126Goedkeuring onthouden aan de Legesverordening van de gemeente
                        Geldermalsen, omdat in de verordening een tarief was opgenomen voor het
                        bevestigen van een ingevolge artikel 7c van de Wet op de kansspelen gedane
                        mededeling omtrent een te houden klein kansspel. Geen dienstverlening. </al><al>-Hoge Raad 9 december 1987, nr. 24892, Belastingblad 1988, blz. 65</al><al>Voor legesheffing moet de voorwaarde worden gesteld dat sprake is van door
                        of vanwege het gemeentebestuur verleende diensten. Bij een aanschrijving tot
                        woningverbetering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de (oude)
                        Woningwet, welke op grond van artikel 25, vierde lid, van die wet nodig is
                        om de verplichtingen van degene tot wie zij is gericht te doen ontstaan, is
                        geen sprake van het verlenen van een dienst aan de betrokkene in deze zin. </al><al>-HR 1 juli 1969, nr. 16165, BNB 1969/185</al><al>Voor het in behandeling nemen van aanvragen tot het verkrijgen van een </al><al>bouwvergunning kunnen leges worden geheven. In het algemeen worden met de
                        term leges niet slechts heffingen aangeduid, die gericht zijn op de
                        vergoeding van de kosten verbonden aan het op schrift stellen van bij
                        bepaalde administratieve diensten behorende stukken, maar mede heffingen,
                        welke op de vergoeding van die diensten zelf zijn gericht. </al><al>-Hoge Raad 4 december 1963, nr. 15069, BNB 1964/45</al><al>De leges kunnen betrekking hebben op aanvragen van kampeervergunningen, de
                        behandeling en de verlening daarvan en daarnaast op de kosten die het
                        kamperen voor de gemeente meebrengt. Daarbij doet niet ter zake of degene
                        aan wie de dienst wordt verleend daarop al of niet aanspraak kan maken.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>B Artikelsgewijze toelichting </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 1 Begripsomschrijvingen </label></kop><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de
                        tarieventabel voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in
                        artikel 1. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2 Belastbaar feit </label></kop><al>De verordening kent zeer uiteenlopende diensten waarvoor leges worden
                        geheven. Daarom is naast de in artikel 2 opgenomen algemene omschrijving van
                        het belastbare feit voor iedere dienst afzonderlijk een verdere omschrijving
                        van het belastbare feit in de tarieventabel opgenomen. Dat is dan ook de
                        reden dat in artikel 2 wordt gesproken van ‘diensten, bedoeld in deze
                        verordening en de daarbij behorende tarieventabel’. Omdat artikel 217 van de
                        Gemeentewet bepaalt dat het </al><al>voorwerp van de belasting en het tarief moeten zijn vermeld in de </al><al>belastingverordening, mag er geen twijfel over bestaan dat de tarieventabel
                        deel uitmaakt van de verordening. Vandaar dat de woorden ‘daarbij behorende’
                        zijn gebruikt. In de tarieventabel en in de bij de verordening en de
                        tarieventabel behorende bijlagen wordt dit eveneens uitdrukkelijk
                        aangegeven. De omschrijving van het belastbare feit is van belang voor de
                        vraag of de materiële belastingschuld ontstaat en het tijdstip waarop die
                        belastingschuld ontstaat. Het belastbare feit zou op verschillende manieren
                        omschreven kunnen worden. Zo kan bijvoorbeeld worden gekozen voor ‘het
                        verlenen van een vergunning’ maar ook kan worden gekozen voor ‘het in
                        behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning’. </al><al>In de verordening is gekozen voor de laatste formulering. Dit heeft als
                        voordeel dat leges al verschuldigd zijn op het moment van het in behandeling
                        nemen van de aanvraag en dat niet bepalend is het moment waarop de
                        vergunning wordt verleend. Ook is niet van belang of de vergunning wordt
                        verleend of geweigerd. Zou het belastbare feit zijn ‘het verlenen van de
                        vergunning’ dan heeft op het moment van het in behandeling nemen van de
                        aanvraag het belastbare feit zich nog niet </al><al>voorgedaan en is dus de materiële belastingschuld nog niet ontstaan. </al><al>Vooruitbetaling voor het moment van het ontstaan van de materiële
                        belastingschuld is niet mogelijk. Ook kan dan niet worden geheven als de
                        vergunning wordt geweigerd, hoewel de gemeente wel de kosten van behandeling
                        heeft gemaakt. Overigens kan op grond van wettelijke bepalingen niet in alle
                        gevallen het belastbare feit worden omschreven als ‘het in behandeling nemen
                        van een aanvraag’. Zo kunnen alleen voor het voltrekken van een huwelijk, en
                        niet voor het in behandeling nemen van de aanvraag daarvan, leges geheven
                        worden, dit op grond van de Wet rechten burgerlijke stand (Stb. 1879, 72).
                        Wij merken nog op dat de Hoge Raad de uitdrukking 'in behandeling nemen'
                        uitlegt tegen de achtergrond van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder
                        letter b, Gemeentewet. In dat artikel is de bevoegdheid gegeven rechten te
                        heffen ter zake van het genot van door de gemeente verstrekte diensten. Als
                        een besluit wordt genomen om een aanvraag niet verder te behandelen (artikel
                        4:5 Algemene wet </al><al>bestuursrecht), kunnen er volgens de Hoge Raad al diensten zijn verstrekt
                        die de heffing van leges rechtvaardigen (Hoge Raad 21 december 2007, nr.
                        41303, LJN: BC0652). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3 Belastingplicht </label></kop><al>De belastingverordening moet vermelden wie de belastingplichtige is (artikel
                        217 van de Gemeentewet). Vanwege het uiteenlopende karakter van de
                        verschillende diensten is gekozen voor een ruime omschrijving van de
                        belastingplicht, om te voorkomen dat in bepaalde situaties geen
                        belastingplichtige aangewezen zou kunnen worden. Het gebruik van de woorden
                        ‘dan wel’ is bedoeld om te voorkomen dat voor dezelfde dienst van twee
                        belastingplichtigen, te weten de aanvrager en degene te </al><al>wiens behoeve de dienst wordt verricht, leges zullen worden geheven. </al><al>Vanuit de systematiek van de verordening ligt het voor de hand in eerste
                        instantie de aanvrager van de dienst in de heffing te betrekken. Als het
                        niet mogelijk is een aanvrager als belastingplichtige aan te wijzen,
                        bijvoorbeeld als de aanvrager duidelijk niet de belanghebbende is, dan kan
                        degene ten behoeve van wie de dienst wordt verleend als belastingplichtige
                        aangemerkt worden. Dit laatste zal zich niet snel voordoen omdat, zoals al
                        eerder is geconstateerd, de aanvrager per definitie een belang heeft bij de
                        dienstverlening. Er kan zich bij het aanwijzen van de belastingplichtige
                        geen keuzesituatie voordoen. In verband hiermee is het stellen van
                        beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige niet nodig.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4 Vrijstellingen </label></kop><al>Onderdeel a </al><al>In onderdeel a hebben wij een (verplichte) vrijstelling opgenomen voor
                        diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 (grondexploitatie) van de
                        Wet ruimtelijke ordening zijn of worden verhaald. Deze vrijstelling houdt
                        verband met de zogenaamde Grondexploitatiewet (Stb. 2007, 271) die op 1 juli
                        2008 in werking is getreden en onderdeel uitmaakt van de nieuwe Wet
                        ruimtelijke ordening (afdeling 6.4). </al><al>Uitgangspunt van de Grondexploitatiewet vormt een verplichting tot
                        kostenverhaal. Deze verplichting houdt in, dat een gemeente de gemaakte
                        kosten op de particuliere grondeigenaar moet verhalen in het geval deze
                        eigenaar tot een ontwikkeling van de gronden overgaat. De gemeente mag hier
                        bovendien niet meer van afzien, zoals vóór 1 juli 2008 nog wel het geval kon
                        zijn. Indien er sprake is van een bouwplan zoals omschreven in artikel 6.2.1
                        van het Besluit ruimtelijke ordening moeten de kosten (zoals opgenomen op de
                        limitatieve kostensoortenlijst van artikel 6.2.4 van het Besluit ruimtelijke
                        ordening) worden verhaald op de particuliere ontwikkelaar. Deze kosten
                        kunnen niet nogmaals via de leges in rekening worden gebracht. Dit zou
                        namelijk betekenen, dat de aanvrager van de omgevingsvergunning voor de
                        bouwactiviteit bepaalde kosten twee keer zou gaan betalen. Het verplichtende
                        karakter van het kostenverhaal op grond van de Grondexploitatiewet houdt ook
                        in, dat het niet toegestaan is voor de gemeente om af te zien van het
                        kostenverhaal van verleende diensten via het stelsel van de
                        Grondexploitatiewet, om deze kosten vervolgens alsnog via de leges te
                        verhalen. De gemeente heeft dus geen keuzevrijheid om het kosten voor
                        verleende diensten via de grondexploitatiewet, dan wel via de leges te
                        verhalen, maar moet verplicht het stelsel van de Grondexploitatiewet
                        gebruiken. </al><al>De Grondexploitatiewet legt allereerst een nieuwe basis voor
                        privaatrechtelijke overeenkomsten over grondexploitatie tussen gemeenten en
                        particuliere eigenaren die tot ontwikkeling van hun grondeigendom willen
                        overgaan (artikel 6.24 van de Wet ruimtelijke ordening). Deze
                        privaatrechtelijke overeenkomst biedt de gemeente de mogelijkheid om met een
                        particuliere eigenaar afspraken te maken over het kostenverhaal van de
                        betreffende bouwlocatie, over eventuele planschade en over bijdragen aan
                        ruimtelijke ontwikkelingen buiten de locatie. De gemeente kent voor deze
                        privaatrechtelijke overeenkomst een volledige contractsvrijheid, met
                        inachtneming van wet-en regelgeving en de algemene rechtsbeginselen. </al><al>Verder omvat de wet een publiekrechtelijk spoor voor situaties, waarin de
                        partijen binnen de privaatrechtelijke onderhandelingen geen onderlinge
                        overeenkomst over het kostenverhaal hebben bereikt (artikel 6.12 tot en met
                        artikel 6.22 van de Wet ruimtelijke ordening). Van centrale betekenis binnen
                        dit publiekrechtelijke spoor is het exploitatieplan, waarin de gemeente de
                        uitgangspunten voor de grondexploitatie kan vastleggen. Dit exploitatieplan
                        moet tegelijkertijd worden vastgesteld en bekendgemaakt met het
                        bestemmingsplan, het wijzigingsbesluit of de omgevingsvergunning. Bij de
                        aanvraag van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit zal vervolgens
                        via de toetsing aan het vigerende ruimtelijke plan en het bijbehorende
                        exploitatieplan de bijdrage van de particuliere ontwikkelaar aan het
                        kostenverhaal worden vastgesteld en in de voorschriften bij de
                        omgevingsvergunning worden opgenomen. In artikel 6.2.4 van het Besluit
                        ruimtelijke ordening is een limitatieve lijst opgenomen met kosten die
                        moeten worden verhaald binnen het publiekrechtelijke spoor van de
                        Grondexploitatiewet. Deze lijst omvat onder meer de kosten van het
                        verrichten van onderzoek, waaronder in ieder geval begrepen grondmechanisch
                        en milieukundig bodemonderzoek, akoestisch onderzoek, ander milieukundig
                        onderzoek, archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek (artikel 6.2.4, sub
                        a), de kosten van het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen ten
                        behoeve van het exploitatiegebied (artikel 6.2.4, sub i) en de kosten van
                        andere door het gemeentelijk apparaat of in opdracht van de gemeente te
                        verrichten werkzaamheden, voor zover deze werkzaamheden rechtstreeks verband
                        houden met de in het besluit bedoelde voorzieningen, werken, maatregelen en
                        werkzaamheden (artikel 6.2.4, sub j). </al><al/><al>Onderdeel b </al><al/><al>Onderdeel b heeft betrekking op het oprichten, het veranderen of veranderen
                        van de werking of het in werking hebben van een (milieu-)inrichting of
                        mijnbouwwerk (artikel </al><al>2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht(Wabo). Hiervoor kunnen geen leges worden geheven op grond van
                        artikel 2.9, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                        (Wabo) dat luidt: ‘1. Voor zover aanvragen tot verlening of gehele of
                        gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van
                        voorschriften van een omgevingsvergunning betrekking hebben op een
                        activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1,
                        eerste lid, onder e, worden geen rechten geheven.’ </al><al>Dit is dus ook een wettelijke vrijstelling, die wij voor een goed begrip
                        hebben opgenomen in de Legesverordening. Deze vrijstelling geldt ook als de
                        gemeente deze niet opneemt in de Legesverordening. Het is van belang, omdat
                        de gemeente de kosten die met de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor
                        deze milieuactiviteiten gepaard gaan, niet langs een omweg kan verhalen via
                        de leges voor bijvoorbeeld een bouw-of aanlegactiviteit. Een nauwkeurige,
                        controleerbaar vastgelegde kostentoerekening is dus noodzakelijk. Zoals
                        bekend zijn de milieuleges met ingang van 1 januari 1998 wettelijk
                        onmogelijk geworden (artikel 15.34a Wet milieubeheer en artikel 86a Wet
                        bodembescherming). Dat is in de Wabo dus doorgetrokken. Gemeenten zijn /
                        worden gecompenseerd via </al><al>het gemeentefonds. </al><al/><al>Andere wettelijke vrijstellingen </al><al>In artikel 4 zijn niet vermeld de vrijstellingen die voorkomen in andere
                        hogere wettelijke regelingen. Overigens kan de Legesverordening geen inbreuk
                        maken op of bepaalde beperkingen opnemen met betrekking tot de bij wet
                        verleende vrijstellingen. Die vrijstellingen zijn onder meer: </al><al>-De diplomatieke en internationale vrijstellingen. Op grond van artikel 243
                        van deGemeentewet kunnen de ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën
                        vrijstelling van gemeentelijke belastingen verlenen indien het volkenrecht
                        dan wel het internationale gebruik daartoe noopt. Van deze mogelijkheid is
                        gebruik gemaakt, althans voor zover voor de leges van belang, in de
                        ‘Regeling diplomatieke en internationale vrijstellingen gemeentelijke
                        belastingen 1997’ (Regeling van 20 december 1996, FO96/ U2383, Stcrt. 1996,
                        249, Belastingblad 1997, blz. 91, nadien gewijzigd). </al><al>-De vrijstelling voor het doen van naspeuringen (door de aanvrager zelf) in
                        degemeentearchieven bedoeld in de Archiefwet 1995, dit vanwege het openbare
                        karakter van archiefbewaarplaatsen (artikel 14 van de Archiefwet 1995). </al><al>-De vrijstellingen opgenomen in de artikelen 2 en 4 van de Wet rechten
                        burgerlijkestand 1879, Stb. 72, laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 27
                        november 2008, Stb. 500 (inwerkingtreding 1 maart 2010). </al><al>-De ‘vrijstelling’ met betrekking tot de verlening, wijziging of intrekking
                        van eenvergunning of ontheffing krachtens de Wet milieubeheer (artikel
                        15.34a Wet milieubeheer). </al><al>-De ‘vrijstelling’ voor beschikkingen krachtens de Wet bodembescherming
                        (artikel</al><al>86a Wet bodembescherming). </al><lijst><li nr="-"><al>De vrijstellingen (‘kosteloze verstrekkingen’), genoemd in onder
                                andere:</al></li><li nr="-"><al>artikel 55 van de AWR;</al></li><li nr="-"><al>artikel 32a van de Wet waardering onroerende zaken;</al></li><li nr="-"><al>artikel 93 van de Pensioenwet;</al></li><li nr="-"><al>artikel 111 van de Pensioenwet politieke ambtsdragers;</al></li><li nr="-"><al>artikelen 78, eerste lid, 79, eerste en tweede lid, 95 en 99, tiende
                                lid, van de Wetgemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens;
                            </al></li><li nr="-"><al>artikel 41 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
                                1940-1945;</al></li><li nr="-"><al>artikel 52 van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers
                                1940-1945;</al></li><li nr="-"><al>artikel 55, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten.</al></li></lijst><al>Vrijstellingen passen in beginsel niet bij de aard van de legesheffing: een
                        heffing voor dienstverlening die op verzoek plaatsvindt en dient ter
                        bestrijding van de gemeentelijke kosten. Vanaf onderdeel c zijn facultatieve
                        vrijstellingen opgenomen. </al><al/><al>Onderdeel g </al><al>Tot en met 2005 wordt leges in rekening gebracht voor diverse activiteiten
                        die voor en door Zandvoorters op vrijwillige basis worden georganiseerd.
                        Voorbeelden hiervan zijn: het jaarlijks jeu de boulestoernooi, de jaarlijkse
                        zwem-, wandel-en fietsvierdaagse. Omdat de gemeente aan het houden van deze
                        activiteiten veel waarde hecht, verleent het hiervoor ook subsidie.
                        Aangezien leges in rekening worden gebracht door de gemeente, worden bij de
                        subsidieaanvraag ook deze kosten door de organisatie opgevoerd. Op deze
                        wijze vergoedt de gemeente dus zelf de door haar opgelegde legeskosten. Om
                        dit te voorkomen is lid g van artikel 4 zodanig geredigeerd dat voor de
                        organisatie van dit soort activiteiten geen leges meer verschuldigd is. </al><al/><al>Onderdeel i </al><al>Buurtfeesten zijn goed voor de sociale contacten en bovendien worden </al><al>burgerinitiatieven toegejuicht. Om te voorkomen dat voor het in behandeling
                        nemen van een vergunning tot het organiseren van een buurtfeest op niet
                        commerciële basis zoals bijvoorbeeld een straat BBQ legeskosten in rekening
                        gebracht worden is in lid i een vrijstellingsbepaling opgenomen. </al><al>Facultatieve vrijstelling voor ANBI’s of non-profitinstellingen </al><al>Veel gemeenten overwegen vrijstelling van leges voor bepaalde vergunningen
                        op grond van de Algemene plaatselijke verordening (APV) ten behoeve van
                        algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) of non-profitinstellingen,
                        bijvoorbeeld een vrijstelling van de leges voor een collectevergunning
                        waarbij de opbrengst is bestemd voor een ideëel doel of een vrijstelling van
                        de leges voor een evenementenvergunning voor het houden van een straatfeest
                        door een buurtvereniging. Daarbij moet worden bedacht dat het grond van de
                        APV mogelijk is voor bepaalde aangelegenheden vrijstelling te verlenen van
                        de vergunningplicht. In </al><al>dat verband kan gewezen worden op de ledenbrief van de VNG Lbr. 06/77 –
                        Model-APV supplement 13 (6 juni 2006). Hierbij is een
                        vrijstellingsmogelijkheid gecreëerd voor categorieën van evenementen en
                        wordt een eenmalige verlening van een (doorlopende) collectevergunning aan
                        CBF-instellingen mogelijk gemaakt. Deregulering leidt ertoe dat geen
                        vergunning nodig is, waardoor ook geen legesplicht kan ontstaan. </al><al>Een andere optie is de tegemoetkoming aan bedoelde ideële instellingen op
                        een andere wijze vorm te geven, bijvoorbeeld door middel van
                        subsidieverlening. Om de legesheffing ‘zuiver’ te houden, gaat onze voorkeur
                        daarom uit naar het verlenen van vrijstelling van de vergunningplicht. Dat
                        neemt niet weg dat vrijstelling van legesheffing voor algemeen nut beogende
                        of non-profitinstellingen niet op voorhand onverdedigbaar is voor de
                        belastingrechter. Er zijn gelet op de aard van </al><al>de heffing wel risico’s. De Gemeentewet (artikel 229) maakt geen verschil in
                        de persoon van de belastingplichtige. Essentieel voor de vrijstelling voor
                        een bepaalde groep lijkt op grond van de huidige wetgeving en jurisprudentie
                        te zijn dat de gemeente een objectieve rechtvaardigingsgrond voor de
                        verschillende behandeling heeft in het gevoerde gemeentelijke beleid. </al><al>Een tweede element is dat de verschillende behandeling niet zodanig mag zijn
                        dat er sprake is van een willekeurige en onredelijke heffing. Geen erg
                        concrete kaders dus en gezien de aard van de heffing (verhaal van gemaakte
                        kosten) ook niet zonder risico bij toetsing door de belastingrechter. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven </label></kop><al>In de memorie van toelichting van de Wet materiële belastingbepalingen wordt
                        als voorbeeld van tariefdifferentiatie genoemd dat de huwelijksleges voor
                        mensen van buiten de gemeente hoger mogen zijn dan voor inwoners van de
                        gemeente. </al><al>Eerste lid </al><al>Voor de maatstaven van heffing en tarieven wordt in dit artikel verwezen
                        naar de bij de verordening behorende tarieventabel die, zoals in de
                        toelichting op artikel 2 reeds is opgemerkt, deel uitmaakt van de
                        verordening. </al><al>Tweede lid </al><al>Voor woningbouwprojecten en voor bij algemene maatregel van bestuur </al><al>aangewezen projecten kan de gemeenteraad op verzoek of ambtshalve een </al><al>projectuitvoeringsbesluit nemen (artikel 2.9 en 2.10 Crisis-en herstelwet).
                        Het projectuitvoeringsbesluit vervangt de bestaande vergunningen,
                        ontheffingen, vrijstellingen of andere besluiten die zonder de Crisis-en
                        herstelwet (CHW) voor de ontwikkeling en verwezenlijking voor het project
                        nodig zouden zijn. In veel gevallen zal sprake zijn van grondexploitatie,
                        waarop afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing is.
                        Een groot aantal kostencomponenten moet in deze gevallen via het
                        exploitatieplan worden verhaald (afdeling 6.4 Wro; artikel 6.2.4 </al><al>Besluit ruimtelijke ordening). De gemeente zal alleen overgaan tot het nemen
                        van een projectuitvoeringsbesluit als dit kostenverhaal verzekerd is. </al><al>Als een verzoek tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit wordt
                        gedaan, kan de gemeente voor de (administratieve) behandeling van dat
                        verzoek leges heffen. Het tweede lid voorziet hierin. Het
                        projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van de bestaande
                        vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en andere benodigde </al><al>besluiten. De toetsingskaders blijven echter van kracht, tenzij het </al><al>projectuitvoeringsbesluit op grond van wet of verordening anders bepaalt
                        (artikel 2.10, vijfde lid, CHW). In verband hiermee hebben wij bij de
                        tariefstellingaangesloten bij de in de tarieventabel opgenomen tarieven die
                        voor de vergunningen, ontheffingen en dergelijke verschuldigd zouden zijn
                        geweest als de CHW niet zou gelden. Voor de overzichtelijkheid hebben wij de
                        tariefbepaling in artikel 5 opgenomen. Bij die keuze hebben de volgende
                        overwegingen meegespeeld: </al><al>-De CHW is eerder in werking getreden dan de Wet algemene bepalingen</al><al>omgevingsrecht (omgevingsvergunning). In de legesverordening was nog </al><al>overgangsrecht opgenomen totdat de Wabo in werking trad (oude hoofdstuk 5,
                        bouwgerelateerde leges, van de tarieventabel was nog van toepassing tot 1
                        oktober 2010; daarna is titel 2 van de tarieventabel van toepassing). </al><al>-De CHW geldt voor het grootste deel tot 1 januari 2014.</al><al>Derde lid </al><al>In het tweede lid van dit artikel is een regeling opgenomen voor die
                        diensten, waarbij als maatstaf van heffing het aantal uren, bladzijden en
                        dergelijke is gehanteerd. Door deze bepaling behoeft in de tarieventabel
                        niet steeds te worden vermeld dat gedeelten van bijvoorbeeld uren of
                        bladzijden voor een geheel uur of een gehele bladzijde zullen worden
                        gerekend. </al><al>Tariefstelling en kostendekkendheid; kruissubsidiëring; profijtbeginsel </al><al>Het is constante jurisprudentie dat de hoogte van de tarieven niet ter
                        beoordeling van de belastingrechter staat, tenzij de verordening zou leiden
                        tot strijd met wettelijke regels of tot een willekeurige en onredelijke
                        belastingheffing, waarop de wetgever met het toekennen van de
                        heffingsbevoegdheid niet het oog kan hebben gehad. Tussen de hoogte van de
                        leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte
                        diensten dan wel de voor de dienst door de gemeente </al><al>gemaakte kosten anderzijds is geen rechtstreeks verband vereist (zie onder
                        meer: Hoge Raad 18 september 1991, nr. 27457, BNB 1991/351; Hoge Raad 24
                        december 1997, nr. 32569, LJN AA3345, BNB 1998/70). </al><al>Op grond van artikel 229b van de Gemeentewet mag de Legesverordening als
                        geheel bezien maximaal kostendekkend zijn. Ook de belastingrechter heeft
                        zich op dit standpunt gesteld (zie onder meer: Hoge Raad 4 februari 2005,
                        nr. 38860; LJN:AP1951; Hoge Raad 14 augustus 2010, nr. 43120, LJN: BI1943).
                        Niet elke post zal dus afzonderlijk op zijn kostendekkendheid worden
                        beoordeeld. Dit laatste zou ook moeilijk realiseerbaar zijn gezien het feit
                        dat de kosten voor de individuele diensten moeilijk zijn te bepalen. Dat
                        neemt niet weg dat een gemeente wel een kostendekkendheid per dienst of per
                        samenhangende groep van diensten mag nastreven, als de gemeente in dit
                        opzicht maar een consequente lijn volgt (vergelijk </al><al>Hof ’s-Hertogenbosch 3 oktober 2002, nr. 99/30246, LJN: AE9620). </al><al>Op grond van het bovenstaande is het mogelijk om kruissubsidiëring toe te
                        passen. Onder kruissubsidiëring wordt verstaan: het hoger stellen van
                        tarieven van leges voor sommige diensten om daarmee de tarieven voor andere
                        diensten laag te kunnen houden. Daarnaast kan bij de tariefstelling
                        uitdrukking worden gegeven aan het profijtbeginsel. Dat is een aparte
                        beleidsmatige afweging. Onderlinge verschillen in -op zichzelf geoorloofde
                        -kostendekkingspercentages tussen groepen van diensten zijn niet in strijd
                        met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel. Een motivering voor die
                        verschillen is niet vereist (Hoge Raad 14 augustus 2010, nr. 43120, LJN:
                        BI1943). </al><al>Europese Dienstenrichtlijn en Wabo doorkruisen artikel 229b Gemeentewet </al><al>De mogelijkheden tot kruissubsidiëring zijn door de komst van de Europese </al><al>Dienstenrichtlijn (EDR) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                        beperkter geworden. De EDR maakt kruissubsidiëring binnen een cluster van
                        samenhangende vergunningstelsels mogelijk. Dit betreft alleen de diensten
                        aan dienstverrichters waarop de EDR van toepassing is. De wetgever heeft
                        hierin geen aanleiding gezien om artikel 229b van de Gemeentewet te
                        wijzigen. Bij de introductie van de Wabo (omgevingsvergunning) gaat de
                        wetgever ervan uit dat kruissubsidiëring tussen het cluster
                        omgevingsvergunning en andere in de </al><al>Legesverordening opgenomen dienstverleningen niet mogelijk is (Kamerstukken
                        29515 2005/2006, nr. 140, pag. 26; Kabinetsplan aanpak administratieve
                        lasten). De Wabo en de EDR doorkruisen daarmee de wettelijke regeling van
                        artikel 229b Gemeentewet. Dat is de reden dat de tarieventabel in drie
                        titels is verdeeld. Soms alleen kopieerkosten door te berekenen Soms mogen
                        slechts bepaalde kosten voor een dienst worden doorberekend. Zie
                        bijvoorbeeld de artikelen 2:11, tweede lid, 3:11, derde lid, en 7:4, vierde
                        lid, van de Algemene wet bestuursrecht en </al><al>artikel 19.1b van de Wet milieubeheer. Een aantal van deze artikelen is aan
                        de orde geweest in de uitspraken van Hof Amsterdam 21 december 2001, nr.
                        00/2665, Belastingblad 2002, blz. 959, en van Hof Arnhem van 27 augustus
                        2002, nr. 01/01610, LJN: AE8932. Een redelijke uitleg van deze wettelijke
                        bepalingen leidt naar het oordeel van de hoven tot de conclusie dat voor het
                        verstrekken van kopieën als de onderhavige uitsluitend de kosten van het
                        vervaardigen van kopieën, afschriften etc. in enge zin door middel van het
                        heffen van leges in rekening mogen worden gebracht. Tot de kosten die in dat
                        geval in rekening mogen worden gebracht behoren onder meer wel de
                        arbeidskosten van het kopiëren zelf, maar niet de </al><al>kosten van het opzoeken en weer opbergen van de desbetreffende originelen.
                        Het kosteloos ter inzage leggen c.q. geven, zoals de wet dat in deze
                        gevallen voorschrijft, impliceert eventuele opzoek-en opbergwerkzaamheden en
                        de daaraan te besteden tijd. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6 Wijze van heffing </label></kop><al>Op grond van artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                        op andere wijze. In de verordening is in beginsel gekozen voor de heffing op
                        andere wijze, omdat deze wijze van heffing wordt gekenmerkt door een grote
                        mate van vormvrijheid, wat goed aansluit bij het karakter van de heffing van
                        leges. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7 Termijnen van betaling </label></kop><al>Eerste lid </al><al>In de praktijk zullen aanvragers van diensten waarvoor leges geheven worden
                        vaak aan het loket verschijnen. Kan de aanvraag onmiddellijk in behandeling
                        worden genomen dan ligt het voor de hand dat de leges onmiddellijk worden
                        betaald. Hierin voorziet het bepaalde in het eerste lid. Als de kennisgeving
                        mondeling wordt gedaan, dan dient er betaald te worden op het moment van het
                        doen van de kennisgeving. Wordt de kennisgeving (bijvoorbeeld een nota)
                        uitgereikt, dan dient er betaald te worden op het moment van het uitreiken
                        van de kennisgeving. Wordt de kennisgeving toegezonden, dan is in het eerste
                        lid, onderdeel b, bepaald </al><al>dat binnen 14 dagen betaald moet worden. De dagtekening van de kennisgeving
                        (bijvoorbeeld een stempelafdruk) is onder andere van belang voor de
                        belastingplichtige in verband met de termijn waarbinnen hij bezwaar kan
                        maken tegen het van hem gevorderde bedrag. Het tijdstip waarop </al><al>uiterlijk betaald moet worden is van belang voor het eventueel in gang
                        zetten van de dwanginvordering. Het ontstaan van de (materiële)
                        belastingschuld is overigens niet in de verordening geregeld. Dit hangt
                        samen met het feit dat bij de leges het ontstaan van de belastingschuld
                        samenvalt met het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet. </al><al/><al>Dienstverlening afhankelijk stellen van betaling? </al><al>De vraag is of het al of niet verlenen van de dienst afhankelijk gesteld kan
                        worden van het al of niet betalen van de leges. De Invorderingswet 1990 gaat
                        uit van een open systeem van invorderingsmaatregelen. Dit betekent dat de
                        belastingontvanger (invorderingsambtenaar) dezelfde bevoegdheden heeft als
                        andere schuldeisers. Daarnaast beschikt hij over bijzondere bevoegdheden op
                        grond van de Invorderingswet 1990. </al><al>Niet uitgesloten is dat dit open systeem van de Invorderingswet 1990 het
                        mogelijk maakt het verlenen van de dienst afhankelijk te stellen van de
                        betaling van de leges. Voor dit standpunt is steun te vinden in de
                        parlementaire behandeling van Invorderingswet 1990. Door de vaste Commissie
                        voor Financiën werd de regering onder andere gevraagd in te gaan op de
                        stelling van de Unie van Waterschappen dat het uit overwegingen van
                        behoorlijk bestuur niet mogelijk is om de afgifte van </al><al>een vergunning afhankelijk te maken van het betaald zijn van leges. Het
                        antwoord van de regering luidde: ‘De door de Unie geponeerde stelling kunnen
                        wij in haar algemeenheid niet onderschrijven. Veelal zal het juist passend
                        zijn dat een prestatie door een overheidsorgaan wordt verricht als er
                        zekerheid is dat ervoor betaald wordt. Dit is ook in het merendeel van de
                        gevallen de praktijk. Men denke bijvoorbeeld aan de afgifte van paspoorten’
                        (Kamerstukken II 1990-1991, 20588, nr. 34). Ook artikel 4:85, tweede lid,
                        Awb gaat ervan uit dat zich bij de leges situaties kunnen voordoen, dat bij
                        niet of niet-tijdige betaling een aanvraag niet in </al><al>behandeling wordt genomen. Dit kan uitsluitend in het geval de gemeente niet
                        verplicht is een aanvraag te behandelen zolang het verschuldigde geldbedrag
                        niet is betaald. Dan zijn bepalingen over invordering en dergelijke immers
                        niet nodig. Zie de toelichting daarop in Kamerstukken II 2003–2004, 29702,
                        nr. 3, pag. 31, Vierde tranche Awb. Als de aanvraag wel in behandeling wordt
                        genomen en bij apart besluit leges worden geheven, geldt de uitzondering
                        niet en is titel 4.4 van de Awb van toepassing. Wij wijzen verder op de
                        uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29
                        juli 1999, LJN: AA3777, (JG 99.0184). De bestuursrechter besliste dat de
                        gemeente een marktvergunning mocht intrekken voor iemand die al gedurende
                        langere tijd niet aan zijn uit de geldende heffingsverordening
                        voortvloeiende betalingsverplichtingen had voldaan. De gemeente had die
                        mogelijkheid tot intrekking in haar verordening op de straathandel
                        opgenomen. Bij dit alles merken wij nog op dat de dienstverlening soms niet
                        afhankelijk kan worden gesteld van de betaling. De wet bepaalt bijvoorbeeld
                        dat alleen voorwaarden aan de vergunningverlening kunnen worden verbonden
                        die strekken tot bescherming van de belangen, waarop de voorschriften
                        waarvoor de vergunning wordt verleend, betrekking hebben. Het stellen van
                        een financiële voorwaarde is dan niet mogelijk. Zie bijvoorbeeld artikel 8,
                        eerste lid, en artikel 11, derde lid, van de Woningwet. </al><al>Tweede lid </al><al>Deze bepaling is van belang voor het einde van betaaltermijnen. Als de
                        laatste dag voor de betaling een algemeen erkende feestdag, zondag of
                        zaterdag is, schuift deze laatste betaaldag door het bepaalde in het tweede
                        lid niet op naar de eerstvolgende werkdag. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8 Kwijtschelding </label></kop><al>In de verordening is gekozen voor een bepaling in de verordening die regelt
                        dat in het geheel geen kwijtschelding van leges wordt verleend. Reden
                        hiervan is dat het heffen van leges als een betaling voor een bepaalde
                        prestatie van de gemeente is aan te merken. Om die reden wordt geen
                        kwijtschelding van leges verleend. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9 Vermindering of teruggaaf </label></kop><al>De tarieventabel kent een aantal vermindering-en teruggaafbepalingen. Zo
                        zijn in hoofdstuk 5 teruggaafbepalingen opgenomen voor de situaties dat de </al><al>vergunningaanvraag voor een bouw-, aanleg-of sloopactiviteit tijdens de </al><al>behandeling wordt ingetrokken, de vergunning op verzoek wordt ingetrokken
                        zonder dat deze is gebruikt of de vergunning wordt geweigerd of door de
                        rechter wordt vernietigd. De vermindering of teruggaaf kan ambtshalve worden
                        toegepast (artikel 65 AWR) of op aanvraag worden verleend (artikel 242
                        Gemeentewet). De verminderingsbeschikking leidt tot een
                        verlaging/neerwaartse aanpassing van de legesschuld. De teruggaafbeschikking
                        laat de legesbeschikking intact, maar leidt er </al><al>ook toe dat men een deel van de leges terugkrijgt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10 Overdracht van bevoegdheden </label></kop><al>Bij wijzigingen in rijksregelgeving die gevolgen hebben voor de leges, kan
                        de besluitvormingsprocedure voor belastingverordeningen (van ambtelijke </al><al>voorbereiding tot en met raadsbesluit) belemmerend werken. Ook kan het
                        gewenst zijn een redactionele wijziging op korte termijn door te voeren. Om
                        de gewenste flexibiliteit en de te betrachten spoed te bereiken, kan de raad
                        de bevoegdheid tot vaststelling van de Legesverordening aan het college
                        overdragen (delegeren). Artikel 156, tweede lid, aanhef en onder h, van de
                        Gemeentewet maakt dit mogelijk. In artikel 10 van de verordening is deze
                        beperkte overdracht van die vaststellingsbevoegdheid aan het college niet
                        van toepassing verklaard. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 11 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders </label></kop><al>Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de
                        invordering van gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing. De
                        heffingsbevoegdheden komen toe aan de daartoe aangewezen heffingsambtenaar
                        en de invorderingsbevoegdheden aan de daartoe aangewezen
                        invorderingsambtenaar. De AWR en de Invorderingswet 1990 kennen ook
                        bepalingen op grond waarvan de minister van Financiën de bevoegdheid wordt
                        toegekend nadere regels te geven over bepaalde heffings-en
                        invorderingsaangelegenheden. Voor de gemeentelijke </al><al>belastingen komt die bevoegdheid op grond van artikel 231 toe aan het
                        college. Verder is het college als bestuursverantwoordelijke voor de
                        heffings-en invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen
                        (artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel
                        160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet is het college eveneens
                        bevoegd beslissingen van de raad (lees: belastingverordeningen) uit te
                        voeren. Met het oog hierop kan het college over uitvoeringsaangelegenheden
                        regels stellen. Te denken valt hierbij aan </al><al>het vaststellen van de modellen voor het formulier van de onderscheiden </al><al>aangiftebiljetten. Met de inwerkingtreding van de derde tranche Awb op 1
                        januari 1998 is een aantal bevoegdheden van de raad op belastinggebied
                        overgegaan op het college. In verband hiermee is in elke
                        belastingverordening een bepaling opgenomen dat het college nadere regels
                        kan geven met betrekking tot de heffing en invordering van de </al><al>betreffende belasting. Op deze wijze is het voor de belastingplichtigen
                        duidelijk dat er nog nadere regels kunnen gelden. In de
                        (uitvoerings)regeling gemeentelijke belastingen is een en ander uitgewerkt.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel </label></kop><al>In het eerste lid wordt de oude verordening ingetrokken, in het tweede lid
                        wordt de inwerkingtreding geregeld, in het derde lid de datum van ingang van
                        de heffing en in het vierde lid de citeertitel. </al><al>Eerste lid </al><al>Deze overgangsbepaling bewerkstelligt dat de oude verordening blijft gelden
                        voor de belastbare feiten waarvan de heffing plaatsvindt in de periode
                        tussen de datum </al><al>van ingang van de heffing en de daarna gelegen datum van inwerkingtreding. </al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang
                        van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft van
                        toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                        voorgedaan. Voor die belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis
                        van de oude verordening, ook al is die </al><al>verordening ingetrokken. </al><al>Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet moeten gemeenten de besluiten tot
                        het vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen bekend
                        maken. Het niet voldoen aan de bekendmakingsplicht kan leiden tot
                        onverbindendheid van de belastingverordening (HR 31 maart 1993, nr. 28.034,
                        BNB 1993/182, Belastingblad 1993, blz. 274; Hoge Raad 10 augustus 1998, nr.
                        33.632). Op het voorblad is aangegeven waar en wanneer deze verordening is
                        bekend gemaakt. </al><al>Tweede lid </al><al>Het feit dat de belastingverordening pas in werking treedt na bekendmaking,
                        houdt slechts in dat de gemeente voor dat tijdstip geen belastingaanslagen
                        kan opleggen. De aanslagen kunnen echter wel betrekking hebben op de periode
                        vanaf de datum van ingang van de heffing. </al><al>Derde lid </al><al>In het derde lid is de datum van ingang van de heffing opgenomen. </al><al>Vierde lid </al><al>In het vierde lid is in de citeertitel een jaartal opgenomen. Dit jaartal
                        wordt </al><al>opgenomen, omdat de gemeente ieder jaar een nieuwe verordening vaststelt.
                        Door het jaartal op te nemen is duidelijk voor welk jaar de verordening
                        bedoeld is. </al><al>Ondertekening </al><al>Alle stukken die van de raad uitgaan moeten sinds 19 februari 2003 c.q. 7
                        maart 2003 worden ondertekend door de burgemeester (artikel 75, eerste lid,
                        Gemeentewet) en griffier (artikel 107c Gemeentewet). </al></divisie><divisie><kop><label>TOELICHTING OP DE TARIEVENTABEL </label></kop></divisie><divisie><kop><label>ALGEMEEN </label></kop></divisie><divisie><kop><label>1 Inleiding </label></kop><al>De tarieventabel maakt deel uit van de verordening. In de tarieventabel zijn
                        diensten opgenomen waarvoor door de gemeente leges worden gevraagd. </al></divisie><divisie><kop><label>2 Indeling van de tarieventabel </label></kop><al>Gelet op artikel 229b van de Gemeentewet en de (on)mogelijkheden tot </al><al>kruissubsidiëring als gevolg van de Europese Dienstenrichtlijn en de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht (zie de toelichting op artikel 5 van de
                        verordening) hebben wij de tarieventabel in drie titels onderverdeeld: </al><lijst><li nr="-"><al>titel 1 Algemene dienstverlening;</al></li><li nr="-"><al>titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke
                                leefomgeving/omgevingsvergunning;</al></li><li nr="-"><al>titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese
                                Dienstenrichtlijn.</al></li></lijst><al>De nummering van de onderdelen in de tarieventabel is als volgt: </al><al>titel.hoofdstuk.onderdeel.subonderdeel.subsubonderdeel. </al><al>Deze indeling ligt het meest voor de hand omdat een afdeling die belast is
                        met het verlenen van bepaalde diensten, veelal ook de leges ter zake van die
                        diensten in rekening zal brengen. Er is getracht diensten die door een
                        zelfde afdeling worden verricht zoveel mogelijk in een zelfde hoofdstuk
                        onder te brengen. </al><al>Kruissubsidiëring </al><al>Binnen titel 1 is kruissubsidiëring mogelijk tussen de verschillende
                        hoofdstukken. Hetzelfde geldt voor titel 2. Op basis van artikel 13, tweede
                        lid, van de Europese Dienstenrichtlijn geldt voor titel 3 dat slechts
                        kruissubsidiëring binnen elk hoofdstuk mogelijk is. Een hoofdstuk in titel 3
                        betreft een individueel vergunningstelsel dan wel een cluster van
                        samenhangende vergunningstelsels. Elk hoofdstuk van titel 3 dient </al><al>de gemeente te controleren op kostendekkendheid. Indien uit controle blijkt
                        dat er op het betreffende vergunningstelsel of samenhangende
                        vergunningstelsels winst wordt gemaakt, dienen de tarieven te worden
                        aangepast tot of onder 100% kostendekkendheid. Een en ander betekent dat
                        (ook) bij de leges een nauwkeurige, op controleerbare wijze vastgelegde
                        kostentoerekening nodig is. Voor de tariefstelling moet de </al><al>gemeente nagaan wat de kostprijs van de verschillende diensten is.
                        Vervolgens kan de gemeente een beslissing nemen over de mate van
                        kruissubsidiëring (voor zover mogelijk) tussen de verschillende diensten en
                        de mate waarin zij het profijtbeginsel </al><al>wil laten doorwerken in het tarief. </al></divisie><divisie><kop><label>3 Belastbare feit </label></kop><al>In de toelichting op artikel 2 van de verordening staat dat is gekozen voor
                        het omschrijven van het belastbare feit als ‘het in behandeling nemen van
                        een aanvraag tot het verlenen van een vergunning’ en niet als ‘het afgeven
                        van een vergunning’. Dit heeft namelijk als voordeel dat de leges al
                        verschuldigd zijn op het moment van het in behandeling nemen van de
                        aanvraag. </al></divisie><divisie><kop><label>4 Hoogte van de tarieven </label></kop><al>In de toelichting op de verordening is reeds aandacht besteed aan de
                        tariefstelling en de kostendekkendheid van de leges. Voor een aantal
                        diensten is de hoogte van het te heffen legesbedrag wettelijk geregeld. Dit
                        geldt onder andere voor de diensten opgenomen in het Legesbesluit akten
                        burgerlijke stand. Voor een aantal andere diensten is wettelijk geregeld dat
                        de tarieven niet boven een bepaald bedrag </al><al>uit mogen gaan. </al><al>Stukken die worden verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van bestuur
                        (Stb. 1991, 703) behoeven niet gratis of tegen een gelimiteerd bedrag
                        verstrekt te worden. Voor het door het rijk verstrekken van fotokopieën van
                        schriftelijke stukken kunnen op grond van artikel 12 van de Wet openbaarheid
                        van bestuur bij of krachtens algemene maatregel van bestuur tarieven
                        vastgesteld worden. Deze tarieven binden gemeenten echter niet. </al></divisie><divisie><kop><label>5 Te heffen bedrag moet blijken uit de verordening </label></kop><al>Een belastingplichtige moet uit de (leges)verordening de hoogte van het van
                        hem te heffen bedrag kunnen afleiden. Dit vloeit voort uit het bepaalde in
                        artikel 217 van de Gemeentewet. Dit artikel bepaalt dat de
                        belastingverordening onder andere het </al><al>tarief moet vermelden. Dit wil niet zeggen dat de verordening het bedrag van
                        de belasting moet vermelden. In zijn arrest van 22 juli 1985 (nr. 22.780,
                        BNB 1985/259, Belastingblad 1985, blz. 493, gemeente IJlst) overwoog de Hoge
                        Raad namelijk dat de verordening niet het bedrag van de belasting behoeft te
                        vermelden, maar dat ook op andere wijze kan worden aangegeven tot welke
                        belastingverplichtingen het belastbare feit leidt, mits daarbij op voldoende
                        duidelijke wijze aan de belastingplichtige inzicht wordt gegeven in het
                        beloop van het van hem te heffen bedrag. De bepaling in de verordening van
                        de gemeente IJlst op grond waarvan bepaalde legesbedragen konden worden
                        verhoogd met de kosten van door de </al><al>gemeente in te winnen externe adviezen, gaf de belastingplichtige naar het
                        oordeel van de Hoge Raad onvoldoende inzicht in het beloop van het van hem
                        te heffen bedrag, en was zodoende onverbindend. Het komt bij gemeenten
                        regelmatig voor dat voor het in behandeling nemen van aanvragen tot het
                        verkrijgen van een vergunning (bijvoorbeeld een bouwvergunning het advies
                        van een extern bureau gevraagd wordt. Om de kosten van die externe
                        adviesverlening toch te kunnen doorberekenen staat de gemeenten na het
                        hiervoor genoemde arrest een aantal oplossingen ter beschikking. Allereerst
                        kan ervoor worden gekozen de externe advieskosten in de bestaande tarieven
                        te verwerken. Nadeel hiervan is dat de kosten niet individueel aan de
                        aanvragers van de dienst kunnen worden toegerekend. </al><al>Verder lijkt het opnemen van een maximumtarief voor het doorberekenen van
                        externe advieskosten in bepaalde gevallen toelaatbaar te zijn. In het arrest
                        van de Hoge Raad van 1 maart 1989 (nr. 25.996, BNB 1989/127, Belastingblad
                        1989, blz. 320, gemeente Zoetermeer) wordt het vermelden van een maximum van
                        ƒ 250.000,-niet toelaatbaar geacht omdat dit maximum zo hoog is dat het
                        behoudenszeer uitzonderlijke gevallen geen wezenlijke functie vervult.
                        Zodoende laat de bepaling naar het oordeel van de Hoge Raad de
                        belastingplichtige in het onzekere omtrent de omvang van het van hem te
                        heffen bedrag. De formulering van de Hoge Raad geeft aanleiding te
                        veronderstellen dat indien een bepaling een maximumtarief bevat en de hoogte
                        van dat tarief een wezenlijke functie vervult, de belastingplichtige op
                        voldoende duidelijke wijze inzicht heeft in het </al><al>beloop van het van hem te heffen bedrag. Toekomstige jurisprudentie zal
                        nader invulling moeten geven omtrent de vraag in welke gevallen er sprake is
                        van een maximumtarief dat een wezenlijke functie vervult. In verband met
                        deze onzekerheid omtrent het al of niet toelaatbaar zijn van </al><al>het hanteren van een maximumtarief is in de verordening geen gebruik gemaakt
                        van deze wijze van doorberekenen van externe advieskosten. </al><al>Ten slotte bestaat de mogelijkheid in de verordening van de zogenaamde </al><al>'begrotingsconstructie'. De systematiek van deze constructie is als volgt.
                        Is voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een
                        vergunning een extern advies noodzakelijk dan wordt door de externe adviseur
                        opgaaf aan de gemeente gedaan omtrent de hoogte van de door hem ter zake van
                        de aanvraag in rekening te brengen kosten. Deze kosten worden voor het in
                        behandeling nemen van de aanvraag aan de aanvrager van de vergunning
                        meegedeeld middels een door of vanwege het college van burgemeester en
                        wethouders opgestelde begroting. Gedurende een periode van vijf dagen na het
                        overleggen van de begroting kan de aanvrager van de vergunning de aanvraag
                        nog intrekken. Reageert de aanvrager niet binnen genoemde vijf dagen dan
                        geldt als dag van het </al><al>in behandeling nemen van de aanvraag de vijfde werkdag na de dag waarop de
                        begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht. De begrotingsconstructie
                        is door het Hof 's-Gravenhage aanvaard in zijn uitspraak van 12 juli 1989
                        (nr. 2995/88, Belastingblad 1990, blz. 307, gemeente Zoetermeer). Zoals
                        reeds eerder is opgemerkt kan de begrotingsconstructie worden gehanteerd bij
                        het doorberekenen van de externe advieskosten bij aanvragen tot het
                        verkrijgen van bouwvergunningen. Ook bij het doorberekenen van
                        publicatiekosten kan deze constructie gebruikt worden. Overigens heeft de
                        minister van Binnenlandse Zaken zich in het kader van het (inmiddels
                        afgeschafte) preventief toezicht op belastingverordeningen op het standpunt
                        gesteld dat het hanteren van de begrotingsconstructie uitsluitend
                        toelaatbaar is voor het doorberekenen van externe advieskosten, en niet voor
                        het doorberekenen van interne advieskosten. </al></divisie><divisie><kop><label>TOELICHTING PER HOOFDSTUK </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Titel 1 </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Algemene dienstverlening </label></kop><al>Algemeen Deze titel hebben wij ‘algemene dienstverlening’ genoemd ter
                        onderscheiding van de twee andere titels. Binnen deze titel bestaat
                        beleidsruimte om kruissubsidiëring of het profijtbeginsel toe te passen.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1 Burgerlijke stand </label></kop><al>Kosteloze voltrekking huwelijk, registratie partnerschap en omzetting </al><al>In artikel 4 van de Wet rechten burgerlijke stand is geregeld dat gemeenten </al><al>gelegenheid moeten geven tot een kosteloze huwelijksvoltrekking, registratie
                        van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een
                        huwelijk. </al><al>De ambtenaar van de burgerlijke stand bepaalt de daarvoor bestemde dagen en
                        uren. Sinds 1 maart 2010 is het niet meer mogelijk een huwelijk om te zetten
                        in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en
                        zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). </al><al>Voor het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een
                        partnerschap of omzetten van een geregistreerd partnerschap is het voldoende
                        als gelegenheid wordt gegeven tot het kosteloos voltrekken van een huwelijk,
                        registreren van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd
                        partnerschap op het gemeentehuis. Er bestaat geen wettelijke verplichting
                        tot het kosteloos voltrekken van een huwelijk, registreren van een
                        partnerschap of omzetten van een geregistreerd partnerschap in een bijzonder
                        huis als bedoeld in de onderdelen 1.1.3 of 1.1.4 van de tarieventabel. </al><al>Onderdelen 1.1.1 en 1.1.2 Huwelijksvoltrekking, registratie partnerschap en
                        omzetting </al><al>Artikel 5, tweede lid, van de Wet rechten burgerlijke stand schept de
                        mogelijkheid leges te heffen voor het voltrekken van een huwelijk,
                        registratie van een </al><al>partnerschap of omzetting van een partnerschap op andere dagen en uren dan
                        waarop is bepaald dat dit kosteloos kan (zie Kosteloze voltrekking huwelijk,
                        registratie partnerschap en omzetting). </al><al>De onderdelen 1.1.1 en 1.1.2 van de tarieventabel hebben dus betrekking op
                        de huwelijken of registraties van partnerschappen, onderscheidenlijk
                        omzettingen van partnerschappen die niet kosteloos geschieden. Daarbij is de
                        hoogte van de te heffen leges afhankelijk gesteld van de dag en het uur
                        waarop het huwelijk of de registratie van het partnerschap wordt voltrokken
                        of de omzetting van het geregistreerd partnerschap plaatsvindt. </al><al>Ook andere vormen van differentiatie zijn denkbaar. Daarbij valt te denken
                        aan het al of niet uitleggen van een loper (zie 1.1.13) of het gebruik maken
                        van een grote of van een kleine zaal etc. Vanaf de inwerkingtreding van de
                        Wet materiële belastingbepalingen (1 januari 1995) zijn
                        tariefdifferentiaties anders dan op grond van de mate van dienstverlening
                        mogelijk. In de memorie van toelichting van die wet wordt als voorbeeld
                        gegeven het hanteren van een hoger tarief voor huwelijksvoltrekkingen van
                        niet-ingezetenen van een gemeente, om te voorkomen dat het gemeentehuis
                        wordt overstroomd met trouwlustigen die geen binding met de gemeente hebben.
                        In afwijking van andere bepalingen in de tarieventabel is in de onderdelen
                        1.1.1 en 1.1.2 niet gekozen voor de omschrijving van het belastbare feit als
                        ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het sluiten van een
                        huwelijk’. Reden hiervan is het volgende. Artikel 1 van de Wet rechten
                        burgerlijke stand staat uitsluitend legesheffing toe in de gevallen waarin
                        de wet voorziet. Artikel 5, tweede lid, bepaalt vervolgens dat legesheffing
                        gerechtvaardigd is voor een ‘huwelijksvoltrekking, registratie van een
                        partnerschap of omzetting van een geregistreerd partnerschap’. Daarom is in
                        de tarieventabel het belastbare feit het </al><al>voltrekken van een huwelijk, de registratie van een partnerschap of de
                        omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk. Dit laat
                        onverlet dat bij het vaststellen van de tarieven de kosten van
                        voorbereidende werkzaamheden in aanmerking genomen kunnen worden. </al><al>Niet is in de tabel opgenomen een afzonderlijke regeling voor de gevallen
                        waarin de huwelijksvoltrekking, registratie van een partnerschap of
                        omzetting van een partnerschap in een huwelijk niet in het gemeentehuis maar
                        in een andere ruimte plaatsvindt, anders dan op grond van artikel 64 van het
                        Burgerlijk wetboek (zie daarvoor onderdelen 1.1.3 en 1.1.4). </al><al>Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het voltrekken van een huwelijk, de </al><al>registratie van een partnerschap of omzetting van een geregistreerd
                        partnerschap in een in de gemeente gelegen fraai kasteel. Daarvoor kan in de
                        verordening uiteraard wel een afzonderlijke bepaling opgenomen worden,
                        waarbij wederom een differentiatie naar dagen en uren mogelijk is, indien de
                        dienstverlening op die dagen en uren anders is. </al><al>De kosten die verband houden met het opstellen van een omzettingsakte kunnen
                        op grond van het Besluit rechten burgerlijke stand niet in rekening worden
                        gebracht bij de aanvragers. Indien aanvragers de omzetting willen laten
                        geschieden door middel van een ceremonie (gelijk te stellen met een
                        huwelijksvoltrekking) is het wel mogelijk om de kosten van gebruik van de
                        zaal e.d. in rekening te brengen. Bij de tariefstelling kan dezelfde
                        differentiatie worden toegepast als bij het sluiten van een huwelijk of
                        registreren van een partnerschap is gebeurd. </al><al>Onderdelen 1.1.3 en 1.1.4 Voltrekking huwelijk etc. in bijzonder huis </al><al>De onderdelen 1.1.3 en 1.1.4 hebben betrekking op huwelijken of registraties
                        van partnerschappen, onderscheidenlijk omzettingen van geregistreerde
                        partnerschappen die ingevolge artikel 64 van het Burgerlijk wetboek niet
                        plaatsvinden op het gemeentehuis maar in een bijzonder huis. Artikel 64 ziet
                        op de gevallen dat een der partijen uit hoofde van een behoorlijk bewezen
                        wettig beletsel </al><al>verhinderd wordt zich naar het gemeentehuis te begeven. Voor een toelichting
                        op de omschrijving van het belastbare feit verwijzen wij naar de toelichting
                        op de onderdelen 1.1.1 en 1.1.2. </al><al>Onderdeel 1.1.6 Trouwboekje of partnerschapsboekje </al><al>In dit onderdeel van de tarieventabel is een tarief opgenomen voor het
                        verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje, waarbij een
                        onderscheid wordt gemaakt tussen een trouwboekje of partnerschapsboekje in
                        een normale uitvoering en een trouwboekje of partnerschapsboekje in een luxe
                        uitvoering. De leges genoemd in dit onderdeel kunnen worden geheven naast de
                        leges die ingevolge onderdeel 1.1.1 t/m 1.1.4 geheven worden. Ook in het
                        geval van een kosteloos huwelijk of registreren van een partnerschap is
                        legesheffing voor het verstrekken van een trouwboekje of partnerschapsboekje
                        toegestaan. Het betreft hier een dienst van de gemeente die wordt verleend
                        naast het voltrekken van het huwelijk of de registratie van een partnerschap
                        zelf. Een verplichting tot het verstrekken van een trouwboekje of
                        partnerschapsboekje bestaat immers niet. </al><al>Onderdelen 1.1.7 en 1.1.8 Lijsten van geboorten etc; abonnement </al><al>In deze onderdelen kunnen tarieven opgenomen worden voor het verstrekken van
                        lijsten waarop zijn vermeld degenen die in een bepaalde periode zijn
                        geboren, overleden, gehuwd of in ondertrouw zijn gegaan. Het verstrekken van
                        dergelijke lijsten en ook het in onderdeel 1.1.8 opgenomen tarief voor het
                        doen van naspeuringen is geen verrichting van de ambtenaar van de
                        burgerlijke stand. Opneming van deze tarieven in dit hoofdstuk ligt echter
                        voor de hand, gezien de nauwe samenhang ervan met de registers van de
                        burgerlijke stand. De gemeenten zijn niet verplicht dergelijke lijsten te
                        verstrekken. Zandvoort doet dit ook niet. De Wet bescherming
                        persoonsgegevens (Stb. 2000, 302) verzet zich niet tegen het </al><al>verstrekken van de hiervoor genoemde lijsten nu het gaat om openbare
                        gegevens. Wel is in de bepaling over het tarief voor lijsten van geborenen
                        en overledenen vermeld dat in die lijsten uitsluitend zijn opgenomen de
                        geborenen en overledenen waarvoor toestemming is verleend voor opneming in
                        de lijsten door de gerechtigden. De lijsten bevatten dus niet alle geborenen
                        en overledenen. Deze redactie is ook gevolgd voor lijsten van getrouwde en
                        ondergetrouwde paren. Het blijft echter een keuze van gemeenten om te
                        bepalen onder welke voorwaarden gegevens in lijsten zullen worden opgenomen. </al><al>Onderdeel 1.1.8 bevat geen tarief voor het verstrekken van lijsten bij
                        abonnement. </al><al>Onderdeel 1.1.9 Naspeuringen in registers burgerlijke stand </al><al>In dit onderdeel is een tarief opgenomen voor het op verzoek doen van </al><al>naspeuringen in de registers van de burgerlijke stand. Gekozen is voor een </al><al>tariefstelling per daaraan besteed kwartier. </al><al>Onderdeel 1.1.10 Verrichtingen ambtenaren van de burgerlijke stand </al><al>De mogelijkheden tot het heffen van leges voor verrichtingen van ambtenaren
                        van de burgerlijke stand zijn geregeld in de Wet rechten burgerlijke stand
                        (Stb. 1879, 72). Artikel 1 van deze wet luidt: </al><al>’Geene gelden mogen worden geheven ter zake van het opmaken van akten of
                        andere verrigtingen van den ambtenaar van den burgerlijken stand, behalve in
                        de gevallen en op de wijze bij of krachtens deze wet voorzien.’ </al><al>In artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand is geregeld voor welke </al><al>verrichtingen leges geheven kunnen worden. De hoogte van die leges is
                        vastgesteld in het Legesbesluit akten burgerlijke stand (Stb. 1969, 36). De
                        daarin genoemde bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. Veel gemeenten heffen
                        de hiervoor genoemde leges rechtstreeks op basis van het Legesbesluit. De
                        Werkgroep is echter van oordeel dat het zinvol is hiervoor bepalingen op te
                        nemen in de Legesverordening. De wettelijke bepalingen verschaffen namelijk
                        geen duidelijkheid over de vraag of, indien rechtstreeks op basis van het
                        Legesbesluit wordt geheven, de Invorderingswet 1990 en de AWR van toepassing
                        zijn. Nadeel van het opnemen van de tarieven in de Legesverordening is dat
                        de Legesverordening aangepast moet worden zodra de tarieven in het
                        Legesbesluit wijzigen, wat dus elkaar jaar gebeurt door indexering van de
                        tarieven. De bedragen worden jaarlijks door de minister van Binnenlandse
                        Zaken en Koninkrijksrelaties vóór 1 september in de Staatscourant </al><al>bekendgemaakt. Om een jaarlijkse aanpassing van de Legesverordening te </al><al>voorkomen is in onderdeel 1.1.9 bepaald dat de tarieven gelden die zijn
                        opgenomen in het Legesbesluit akten burgerlijke stand. </al><al>De tarieven bedragen: per 1-1-2011 (Stcrt. 25 juni 2010 nr.2010-422685) </al><al>a. voor elk afschrift van een akte van de burgerlijke stand € 11,50</al><al>b. voor elk uittreksel van een akte van geboorte, van huwelijk, van
                        registratie vaneen partnerschap, van omzetting van een huwelijk in een
                        registratie van een partnerschap*, van omzetting van een registratie van een
                        partnerschap in een huwelijk of van overlijden € 11,50 </al><al>c.voor elke verklaring van huwelijksbevoegdheid als bedoeld in artikel 49a
                        vanBoek 1 van het Burgerlijk Wetboek (een Nederlander wenst buiten Nederland
                        een huwelijk aan te gaan) € 20,70 </al><al>d.voor elk meertalig uittreksel uit een akte van de burgerlijke stand €
                        11,50</al><al>* Het feit dat omzetting van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap
                        sinds 1 maart 2010 niet meer mogelijk is, laat onverlet de mogelijkheid om
                        van bestaande aktes een afschrift of uittreksel te krijgen. </al><al/><al>Artikel 2 van het Legesbesluit bepaalt dat afschriften van of uittreksels
                        uit </al><al>huwelijksakten en akten voor omzetting van een geregistreerd partnerschap in
                        een huwelijk ten behoeve van het kerkelijk huwelijk kosteloos worden
                        uitgegeven, mits van de bestemming uit het stuk zelf blijkt en zij aldus tot
                        geen ander doel kunnen worden gebruikt. Artikel 2 bepaalt ook wie
                        vrijgesteld zijn van het betalen van deze leges. Het gaat daarbij om hen die
                        financieel onvermogend zijn en om ambtenaren, besturen en instellingen die
                        in het openbaar belang bepaalde afschriften vragen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2 Reisdocumenten </label></kop><al>Op grond van de Paspoortwet (Stb. 1991, 498), laatstelijk gewijzigd bij
                        Rijkswet van 28 juni 2010, Stb. 252, is vastgesteld het Besluit
                        paspoortgelden. In het Besluit paspoortgelden zijn maxima gesteld aan de
                        leges die gemeenten kunnen heffen voor alle reisdocumenten. Gemeenten kunnen
                        ook minder dan de maximumtarieven van de leges berekenen. Een verhoging van
                        de maximumleges door gemeenten is </al><al>echter niet toegestaan. Aangezien gemeenten verplicht zijn voor geleverde </al><al>reisdocumenten en voor spoedleveringen de vastgestelde bedragen aan het Rijk
                        af te dragen, gaat een verlaging van de gemeentelijke leges vanzelfsprekend
                        ten koste van de hoogte van het gemeentelijk deel in de leges. De
                        maximumtarieven worden jaarlijks geïndexeerd. </al><al/><al>In hoofdstuk 2 hebben wij slechts tarieven opgenomen voor het verstrekken
                        van reisdocumenten waarvoor het rijk aan de gemeente kosten in rekening
                        brengt. De sinds 1 januari 2006 geldende (wettelijke) vrijstelling van de
                        leges voor een Nederlandse identiteitskaart voor een persoon die binnen acht
                        weken 14 jaar wordt of al 14 jaar is, vervalt met ingang van 1 januari 2011
                        (artikel 2, vijfde lid, en artikel 6, derde lid, van het Besluit
                        paspoortgelden vervallen). Vanaf 1 januari 2011 geldt voor kinderen tot en
                        met 13 jaar voor de Nederlandse identiteitskaart (NIK) een verlaagd tarief
                        (jeugdtarief; onderdeel 1.2.1.7). Op de maandelijkse factuur voor de </al><al>gemeenten zal dit als volgt worden verrekend. De gemeente ontvangt per
                        document het verschil tussen de maximumleges en het maximum gemeentelijke
                        deel van de leges van het Agentschap BPR. Voor deze documenten worden door
                        het Agentschap BPR geen rijkskosten bij de gemeente in rekening gebracht. De
                        korting ten opzichte van de ‘normale’ NIK komt dus volledig ten laste van
                        het Rijk. </al><al>In verband met Europese regelgeving vervalt vanaf 26 juni 2012 de
                        mogelijkheid om kinderen in de paspoorten van de ouder(s) of voogd bij te
                        schrijven. De geldigheid van alle bijschrijvingen en kinderstickers vervalt
                        op 26 juni 2012. Het vervallen van de geldigheid van de bijschrijvingen op
                        26 juni 2012 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van het paspoort van de
                        ouder(s) of voogd waarin ze staan bijgeschreven. </al><al>Tariefdifferentiaties </al><al>Gemeenten kunnen tariefdifferentiaties aanbrengen. Artikel 7, tweede lid,
                        van de Paspoortwet luidt: </al><al>’Het tarief van de gemeentelijke rechten kan verschillen al naar gelang de
                        leeftijd van de persoon op wiens naam het reisdocument wordt gesteld, het
                        soort reisdocument en de geldigheidsduur van het reisdocument’. </al><al>Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat gemeenten lagere tarieven
                        vaststellen voor reisdocumenten aan personen jonger dan 16 jaar. Wij wijzen
                        erop dat de kosten die het rijk aan de gemeente in rekening brengt niet
                        anders zijn dan voor de gevallen dat reisdocumenten worden verstrekt aan
                        personen ouder dan 16 jaar. Daarnaast kan een gemeente andere tarieven
                        opnemen indien de dienstverlening anders is. Zo kan een gemeente hogere
                        tarieven hanteren indien aan de aanvrager al eerder een </al><al>reisdocument werd verstrekt terwijl hij bij de aanvraag dit
                        (oude)reisdocument niet kan overleggen (Hoge Raad 8 februari 1995, nr 30064,
                        Belastingblad 1995, blz. 271). In een dergelijke situatie moet de aanvrager
                        bij de aanvraag een schriftelijke verklaring afleggen over de vermissing </al><al>(artikel 31 van de Paspoortwet). De verwerking hiervan betekent dat de
                        gemeente extra werkzaamheden moet verrichten, wat in die situatie een hoger
                        tarief rechtvaardigt. Dit hogere tarief moet wel in relatie staan tot de
                        meerkosten als gevolg van de extra door de gemeente te verrichten
                        werkzaamheden, om te voorkomen dat de verhoging een strafkarakter krijgt. In
                        het kader van de (in 1996 afgeschafte) goedkeuring van
                        belastingverordeningen werd een verhoging van maximaal 50% aanvaardbaar
                        geacht. Bij een hoger percentage dan 50 moest de </al><al>gemeente nader onderbouwen dat de verhoging diende ter compensatie van extra
                        kosten. In hoofdstuk 2 is geen tarief opgenomen voor het verlengen van een
                        reisdocument. Dit hangt samen met het feit dat de Paspoortwet niet de
                        mogelijkheid tot het verlengen van een reisdocument kent. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 3 Rijbewijzen </label></kop><al>De bevoegdheid tot het afgeven, vernieuwen of omwisselen van een rijbewijs
                        berust bij de gemeente. Hiervoor kunnen leges in rekening gebracht worden.
                        De procedure is een beetje vergelijkbaar met die voor reisdocumenten. Het
                        rijbewijs wordt aangevraagd bij de gemeente en, net zoals al het geval is
                        bij paspoort en identiteitskaart, centraal geproduceerd en gepersonaliseerd.
                        De kosten bestaan uit een rijksdeel en een gemeentelijk deel. De rijkskosten
                        bestaan onder andere uit: </al><lijst><li nr="-"><al>de kosten voor de te vervaardigen gepersonaliseerde
                                rijbewijzen;</al></li><li nr="-"><al>de voor rekening van de RDW in te richten backofficecomputer bij de
                                gemeente;</al></li><li nr="-"><al>het beheer van de bij de RDW aanwezige registers.</al></li></lijst><al>De rijkscomponent voor reguliere rijbewijzen bedraagt voor 2011 € 9,75. </al><al>Gemeenten moeten zelf de eigen kostprijs berekenen. </al><al>De gemeentelijke kosten bestaan onder andere uit de tijd die nodig is voor: </al><lijst><li nr="-"><al>het innemen van de aanvraag van het rijbewijs aan het loket;</al></li><li nr="-"><al>het scannen van het aanvraagformulier;</al></li><li nr="-"><al>het ontvangen en inklaren van het gepersonaliseerde rijbewijs;</al></li><li nr="-"><al>het uitreiken van het rijbewijs aan het loket.</al></li></lijst><al>Daarnaast kunnen de indirecte kosten worden doorberekend voor zover deze
                        kosten nog wel in enig verband met de behandeling van aanvragen voor een
                        rijbewijs staan, zoals de kosten van: </al><lijst><li nr="-"><al>huisvesting;</al></li><li nr="-"><al>het beheer van het GBA;</al></li><li nr="-"><al>de opslag en het beheer van de ingeklaarde rijbewijzen;</al></li><li nr="-"><al>de maandelijkse controle van de fysieke voorraad;</al></li><li nr="-"><al>het onttrekken van rijbewijzen aan de voorraad;</al></li><li nr="-"><al>andere ondersteunende diensten.</al></li></lijst><al>Het Rijks-en gemeentelijk deel vormen samen het legestarief (onderdeel
                        1.3.1). Daarnaast is een spoedlevering mogelijk. Het spoedtarief betreft
                        alleen een rijkskostendeel en bedraagt vanaf 1 januari 2011 € 33,25 (was €
                        30,00). Daarnaast is voor een spoedlevering het normale tarief verschuldigd.
                        Wij hebben daarom in onderdeel 1.3.2 het spoedtarief als verhoging op het
                        normale tarief opgenomen. Het rijkskostendeel voor de spoedlevering bedraagt
                        in totaal € 43,00 (€ 9,75 rijkskostendeel en € 33,25 spoedtarief). De
                        gemeente moet het rijkskostendeel en in voorkomend geval het spoedtarief
                        afdragen aan de Dienst Wegverkeer (RDW). Zie </al><al>voor de wettelijke regeling artikel 111, vijfde lid, en artikel 121 van de </al><al>Wegenverkeerswet 1994, artikel 1 van de Regeling vergoeding afdracht afgifte
                        rijbewijzen en artikel 123 van het Reglement Rijbewijzen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 4 Verstrekkingen uit de Gemeentelijke basisadministratie </label></kop><al>persoonsgegevens </al><al>De bevoegdheid tot het heffen van leges voor het verstrekken van </al><al>persoonsgegevens uit de gemeentelijke basisadministratie is geregeld in de </al><al>artikelen 98, 100 en 101 van de Wet Gemeentelijke basisadministratie </al><al>persoonsgegevens (hierna: Wet GBA). De Wet GBA onderscheidt drie groepen
                        waaraan een gemeente gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie
                        verstrekt: </al><al>a Afnemers </al><al>Hieronder wordt verstaan een orgaan van het rijk, een provincie, een
                        gemeente of een ander openbaar lichaam met inbegrip van daaronder
                        ressorterende diensten, </al><al>instellingen en bedrijven, alsmede een orgaan van een bij AMvB aangewezen
                        instelling die met de uitvoering van publiekrechtelijke taken is belast. Een
                        gemeente kan van afnemers geen leges heffen, ongeacht de wijze waarop de
                        gegevensverstrekking plaatsvindt, systematisch via het netwerk of
                        incidenteel (artikel 95 van de Wet GBA). Voor de levering van gegevens op
                        papier aan afnemers: zie de toelichting op onderdeel 1.4.5. </al><al>b Ingeschrevenen </al><al>Dit zijn personen van wie gegevens in de administratie zijn opgenomen. Een </al><al>gemeente kan voor het verstrekken van gegevens aan de ingeschrevene zelf in
                        beginsel leges heffen. Een uitzondering geldt voor het toezenden van de
                        gegevens bij de eerste inschrijving in een gemeentelijke basisadministratie
                        (artikel 78 van de Wet GBA). Ook het op verzoek inzien van de eigen gegevens
                        door een ingeschrevene dient kosteloos te geschieden (artikel 79 van de Wet
                        GBA). </al><al>c Derden </al><al>Een derde is elke andere persoon of instelling dan een afnemer of een </al><al>ingeschrevene. Van derden kunnen in beginsel leges worden geheven voor het
                        verstrekken van persoonsgegevens. Uitzonderingen gelden voor zogenaamde
                        bijzondere derden die op basis van een AMvB systematisch via het netwerk of
                        alternatieve media gegevens ontvangen. De systematische verstrekking van
                        gegevens aan deze aangewezen instellingen moet eveneens kosteloos
                        plaatsvinden. Zie echter onderdeel 1.4.5. </al><al/><al>Als de gegevens op verzoek op een andere manier worden verstrekt, kan een
                        gemeente in beginsel wel leges heffen, tenzij de bijzondere derden in een
                        andere wettelijke regeling worden vrijgesteld van het betalen van leges. </al><al>Onderdelen 1.4.1 en 1.4.2 Verstrekkingen aan derden; abonnementen </al><al>In onderdeel 1.4.1 van de tarieventabel is geregeld wat voor de toepassing
                        van hoofdstuk 4 onder één verstrekking moet worden verstaan. Doel hiervan is
                        problemen omtrent de invulling van dat begrip te voorkomen. Van belang
                        hierbij is dat tot één verstrekking wordt gerekend alle verstrekte gegevens
                        omtrent één </al><al>persoon. In onderdeel 1.4.2.1 is voor het verstrekken van gegevens een
                        tarief opgenomen per verstrekking. Er zijn geen tarieven opgenomen voor het
                        doen van meer dan één verstrekking. Onderdelen 1.4.3 en 1.4.4 Verstrekken
                        van aangehaakte gegevens In onderdeel 1.4.4 zijn tarieven opgenomen voor het
                        verstrekken van persoonsgegevens die niet zijn opgenomen in de gemeentelijke
                        basisadministratie persoonsgegevens zelf. Het betreft de zogenaamde
                        aangehaakte gegevens. In onderdeel 1.4.3 is aangegeven wat in dit verband
                        onder één verstrekking moet </al><al>worden verstaan. Een gemeente kan voor het op verzoek verstrekken van </al><al>aangehaakte gegevens leges heffen, tenzij de aanvrager op grond van
                        bijzondere wetgeving recht heeft op kosteloze inlichtingen. Dit laatste
                        geldt bijvoorbeeld voor de Belastingdienst op grond van artikel 55 van de
                        Algemene wet inzake rijksbelastingen. </al><al>Onderdeel 1.4.5 Verstrekkingen op papier aan afnemers en bijzondere derden
                        In onderdeel 1.4.5 zijn leges opgenomen voor het verstrekken van gegevens op
                        papier aan afnemers en bijzondere derden. Sinds 1 oktober 2000 kan hiervoor
                        een bedrag van € 2,27 in rekening worden gebracht (zie artikel 4, onderdeel
                        f en artikel 6, zevende lid, van het Besluit GBA en artikel 37a, tweede lid,
                        van de Regeling GBA). De vergoeding ziet slechts op de transportkosten die
                        gemeenten maken om verstrekking op papier mogelijk te maken. De Hoge Raad
                        heeft geoordeeld dat dit tarief moet wijken voor de vrijstelling van artikel
                        41 van de Wet Uitkeringen vervolgingsslachtoffers en artikel 52 van de Wet
                        uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers, waarin staat dat de gevraagde
                        inlichtingen </al><al>kosteloos moeten worden verstrekt. In dat geval kunnen deze leges dus niet
                        worden geheven (Hoge Raad 10 juni 2005, nr. 39814, LJN: AT7214). </al><al>In de toelichting op het Besluit GBA staat dat kan worden bepaald dat voor </al><al>bepaalde arbeidsintensieve zoekactiviteiten in het GBA of andere
                        gemeentelijke administraties aanvullende leges verschuldigd zijn. Dit wordt
                        ondervangen door onderdeel 1.4.6. Zie voor de wijzigingen in de
                        GBA-regelgeving de VNG ledenbrief van 28 augustus 2000, nr. Lbr. 00/129,
                        BJZ/2000003418. De in onderdeel 1.4.6 opgenomen regeling is bedoeld voor
                        gevallen waarin aan de gemeente wordt verzocht de gemeentelijke
                        basisadministratie, inclusief de aangehaakte gegevens, door te nemen voor
                        het verkrijgen van bepaalde inlichtingen, bijvoorbeeld hoeveel
                        geregistreerde honden er in de gemeente zijn. Deze bepaling geeft de
                        mogelijkheid leges te heffen naar rato van de tijd die met het </al><al>doornemen is gemoeid, ongeacht of dit leidt tot het daadwerkelijk
                        verschaffen van de gevraagde inlichtingen. Naast een bedrag voor het
                        doornemen van de basisadministratie is de verzoeker eventueel een bedrag
                        verschuldigd ingevolge onderdeel 1.4.2, 1.4.4 of 1.4.5 als vervolgens
                        persoonsgegevens worden verstrekt. Dit vloeit voort uit het feit dat
                        onderdeel 1.4.6 een afzonderlijk belastbaar feit vormt. Onder het doornemen
                        van de basisadministratie wordt niet verstaan het verrichten </al><al>van uitzoekwerk ter verhoging van de kwaliteit van de persoonsgegevens. </al><al>Bijvoorbeeld het op verzoek controleren van een adresgegeven dat wellicht
                        onjuist of onvolledig is. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en
                        Koninkrijksrelaties stelt zich op het standpunt dat het heffen van leges
                        voor het doornemen van de basisadministratie slechts in bepaalde gevallen
                        mogelijk is. Als een legesvrijstelling geldt voor het verstrekken van
                        persoonsgegevens kan een gemeente volgens het ministerie voor het doornemen
                        van de basisadministratie alleen leges heffen als dit </al><al>leidt tot het verstrekken van statistische informatie of aangehaakte
                        gegevens, bijvoorbeeld hoeveel 65-plussers er in een gemeente wonen. Leidt
                        het doornemen tot het verstrekken van GBA-gegevens, dan is legesheffing niet
                        mogelijk. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 5 Verstrekkingen uit het Kiezersregister </label></kop><al>Op grond van de Kieswet (Stb. 1989, 423) is het niet toegestaan inlichtingen
                        over de kiesgerechtigdheid van bepaalde ingezetenen aan derden ter
                        beschikking te stellen. De gemeente kan op grond van artikel D 4 van de
                        Kieswet alleen inlichtingen verstrekken over de kiesgerechtigdheid van de
                        aanvrager zelf. Daarvoor kunnen leges geheven worden. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 6 Verstrekkingen op grond van de Wet bescherming </label></kop><al>persoonsgegevens </al><al>Hoofdstuk 6 heeft betrekking op het verstrekken van gegevens op grond van de
                        Wet bescherming persoonsgegevens (Stb. 2000, 302; hierna: Wbp). Op grond van
                        artikel 35 Wbp is het mogelijk gegevens te verstrekken. Artikel 39 Wbp
                        voorziet in de mogelijkheid om voor een verstrekking op grond van artikel 35
                        een vergoeding te vragen. Het bedrag is sinds 26 maart 2008 gesteld op
                        maximaal € 5,00. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in bijzondere
                        gevallen andere bedragen </al><al>worden gesteld. Dat is gebeurd in het Besluit kostenvergoeding rechten
                        betrokkene Wbp (Besluit van 13 juni 2001, Stb. 305). </al><al>In de tarieventabel zijn echter geen bedragen opgenomen. </al><al>Als gegevens het voorwerp zijn van verwerking omdat deze noodzakelijk zijn
                        voor de goede vervulling van de publiekrechtelijke taak van een
                        bestuursorgaan of voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de
                        verantwoordelijke voor de verwerking of van een derde aan wie de gegevens
                        worden verstrekt, kunnen betrokkenen vanwege hun bijzondere persoonlijke
                        omstandigheden verzet tegen de verwerking aantekenen bij de
                        verantwoordelijke (artikel 40 Wbp). Voor de behandeling van een verzet mogen
                        leges worden geheven. Onderdeel 1.6.3 voorziet hierin. </al><al>Ook hiervoor zijn in de tarieventabel echter geen bedragen opgenomen. </al><al>De in het kader van de Wbp geheven leges moeten worden teruggegeven indien
                        verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming plaatsvindt, dan wel
                        het verzet gegrond wordt bevonden (artikel 39, tweede lid, en artikel 40,
                        derde lid, Wbp). </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 7 Bestuursstukken </label></kop><al>In dit hoofdstuk kunnen bedragen worden opgenomen voor het verstrekken van
                        de volgende stukken: </al><al>- de begroting en de rekening;</al><al>- het burgerjaarverslag;</al><al>- de raadsstukken en de raadsverslagen, waarbij naast de afgifte van
                        een</al><al>afzonderlijk afschrift tevens de mogelijkheid is gegeven een abonnement af
                        te sluiten; </al><al>-de stukken van de raadscommissies en de verslagen van de vergaderingen
                        vandie commissies. Ook hier bestaat de mogelijkheid tot het afsluiten van
                        een abonnement; </al><al>- het gemeenteblad, per los nummer en bij abonnement;</al><al>- gemeentelijke verordeningen.</al><al>In de tarieventabel zijn echter geen bedragen opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 8 Vastgoedinformatie </label></kop><al>Voor het verstrekken van informatie omtrent onroerende zaken en dergelijke,
                        waaronder die uit gemeentelijke vastgoedbestanden is het mogelijk leges te
                        heffen. In dit hoofdstuk hebben wij tarieven opgenomen voor het verstrekken
                        van afschriften en kopieën uit deze bestanden. Ook zijn tarieven opgenomen
                        voor verstrekking in digitale vorm van die bestanden zelf. </al><al>Onderdeel 1.8.1 Fotokopieën of lichtdrukken </al><al>In onderdeel 18.1 hebben wij tariefbepalingen opgenomen voor het verstrekken
                        van een fotokopie of lichtdruk van een plan, zoals bestemmingsplan,
                        voorbereidingsbesluit, streekplan, wegenkaart behorende bij de legger
                        bedoeld in artikel 27 van de Wegenwet, structuurplan of
                        stadsvernieuwingsplan. </al><al>Onderdeel 1.8.2 tot en met 1.8.4. Inlichtingen uit Geografische
                        informatiesystemen, waartoe bijvoorbeeld ook de gemeentelijke
                        basisadministratie adressen en gebouwen (BAG) en het Wkpb-register behoren.
                        De gemeente Zandvoort beschikt over diverse Geografische informatie systemen
                        (GIS). Een GIS is een informatiesysteem waarmee (ruimtelijke)
                        gegevens/informatie over geografische objecten kan worden opgeslagen,
                        beheerd, bewerkt, geanalyseerd en/of gepresenteerd. </al><al>GIS-informatie kan dus bestaan uit kaart-en datamateriaal. </al><al>Onderdeel 1.8.5.1 Verstrekking uit de gemeentelijke basisregistratie
                        adressen en basisregistratie gebouwen (BAG) </al><al>De genoemde basisregistratie adressen en basisregistratie gebouwen (BAG) </al><al>omvatten het gemeentelijk adressenregister, de gemeentelijke
                        adressenregistratie, het gemeentelijk gebouwenregister en de gemeentelijke
                        gebouwenregistratie (artikel 2 Wet basisregistraties adressen en gebouwen
                        (BAG), Stb. 2008, 39). In de wet staan hiervan de volgende definities: </al><al>-adressenregister: gemeentelijk register dat brondocumenten met betrekking
                        totwoonplaatsen, openbare ruimten en nummeraanduidingen bevat (artikel 1,
                        onderdeel b, Wet BAG); -adressenregistratie: gemeentelijke registratie van
                        alle woonplaatsen, openbare ruimten en nummeraanduidingen op het grondgebied
                        van de gemeente (artikel 1, onderdeel c, Wet BAG); </al><al>-gebouwenregister: gemeentelijk register dat brondocumenten met betrekking
                        totpanden, verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen bevat (artikel 1,
                        onderdeel h, Wet BAG) ; </al><al>-gebouwenregistratie: gemeentelijke registratie van alle panden,
                        verblijfsobjecten,standplaatsen en ligplaatsen op het grondgebied van de
                        gemeente (artikel 1, onderdeel i, Wet BAG). </al><al>Afschriften uit deze registraties kunnen tegen verstrekkingskosten
                        beschikbaar worden gesteld. Daarvoor is in onderdeel 1.8.5.1 een tarief
                        opgenomen. Dit tarief geldt bovenop de tariefbepalingen van de onderdelen
                        1.8.2 tot en met 1.8.4. </al><al>Onderdeel 1.8.5.2 Verstrekkingen uit Wegenlegger </al><al>Onderdeel 1.8.5.2 betreft de zogenaamde ‘wegenlegger’. Op grond van artikel
                        27 van de Wegenwet (Stb. 1930, 342) is iedere gemeente verplicht een legger
                        op te maken van buiten de bebouwde kom of kommen gelegen wegen en van
                        toegangswegen naar stations als bedoeld bij artikel 26, tweede lid, van de
                        Spoorwegwet, ook al zijn deze binnen een bebouwde kom gelegen. Van wegen
                        welke deels binnen en deels buiten de bebouwde kom of kommen van de gemeente
                        zijn gelegen, wordt ook het binnen een bebouwde kom gelegen deel op de
                        legger gebracht, indien en voor zover dat deel niet door de gemeente wordt
                        onderhouden (artikel 28). Op de voorbereiding van het ontwerp van de legger
                        is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb van
                        toepassing. De legger </al><al>wordt in het provinciaal en gemeentearchief bewaard (artikel 38 van de
                        Wegenwet). </al><al>Onderdeel 1.8.5.2 betreft het geval dat de wegenlegger (ook) op het
                        gemeentehuis wordt aangehouden. Voor het gemeentearchief geldt hoofdstuk 10
                        van de tarieventabel. </al><al>Onderdeel 1.8.5.3 Verstrekkingen uit Rijksmonumentenregister Dit onderdeel
                        betreft het register van beschermde (Rijks-)monumenten, bedoeld in artikel
                        6, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 (Stb. 1988, 639). Het register
                        wordt door de minister van Onderwijs, </al><al>Cultuur en Wetenschappen aangehouden. De gemeente krijgt een afschrift van
                        de inschrijving in dit register. Artikel 6, derde lid, van de Monumentenwet
                        1988 bepaalt dat dit afschrift op de gemeentesecretarie ter inzage wordt
                        neergelegd en dat een ieder zich aldaar op zijn kosten afschriften kan doen
                        verstrekken. Onderdeel 1.8.5.4 Verstrekkingen uit gemeentelijk
                        vergunningenregister monumenten </al><al>In onderdeel 1.8.5.4 is een tarief opgenomen voor het verstrekken van
                        afschriften uit het openbare register van beschermde monumenten bedoeld in
                        artikel 20 van de Monumentenwet 1988. </al><al>In dit register worden de omgevingsvergunningen (artikel 2.1, eerste lid,
                        onder f, Wabo) en vergunningen voor beschermde archeologische monumenten
                        (artikel 11, tweede lid, Monumentenwet 1988) geregistreerd, die zijn of
                        worden geacht te zijn verleend voor het: </al><lijst><li nr="-"><al>slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van het
                                monument; of</al></li><li nr="-"><al>herstellen, gebruiken of laten gebruiken van het monument op een
                                wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. </al></li></lijst><al>Onderdeel 1.8.5.5 Verstrekkingen uit gemeentelijk beperkingenregister of
                        registratie In onderdeel 1.8.5.5 is een tarief opgenomen voor informatie uit
                        de gemeentelijke beperkingenregistratie en het gemeentelijke
                        beperkingenregister. Volgens de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                        beperkingen onroerende zaken (Wkpb; Stb. 2004, 331) is de inzage van de
                        gemeentelijke beperkingenregistratie en van documenten uit het gemeentelijke
                        beperkingenregister kosteloos. Alleen voor het verstrekken van een
                        afschrift, uittreksel of verklaring als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                        van de Wkpb mag de gemeente kostendekkende leges heffen (artikel 9, derde
                        lid, Wkpb). Het gaat dan om: </al><al>a.een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van een in het gemeentelijke</al><al>beperkingenregister ingeschreven beperkingenbesluit, beslissing in
                        administratief beroep of rechterlijke uitspraak, dan wel vervallenverklaring
                        van een publiekrechtelijke beperking; </al><al>b.een gewaarmerkt afschrift of uittreksel van in de gemeentelijke</al><al>beperkingenregistratie opgenomen gegevens, of; </al><al>c.een schriftelijke verklaring dat er blijkens de in de gemeentelijke</al><al>beperkingenregistratie opgenomen gegevens geen publiekrechtelijke beperking
                        van kracht is ten aanzien van de daarbij aangegeven onroerende zaak of
                        zaken.</al><al>Inzage in vastgoedregistraties kosteloos </al><al>Voor de inzage in de gemeentelijke vastgoedregistraties hebben wij geen </al><al>modelbepalingen opgenomen. De gemeentelijke bemoeienis daarmee zal gering
                        zijn. Bovendien lijken enkele van de hierboven genoemde wetten ervan uit te
                        gaan dat inzage kosteloos plaatsvindt. In de Wkpb is dat ook expliciet
                        opgenomen (artikel 9, eerste lid, Wkpb). </al><al>Gemeentelijke kadastrale balie: tarieven centraal vastgesteld </al><al>Op grond van artikel 105 van de Kadasterwet (laatstelijk integraal
                        gepubliceerd in Stb. 1996, 473; daarna gewijzigd) is het voor gemeenten
                        mogelijk, onder gebruikmaking van een permanente aansluiting op de
                        basisregistratie kadaster (‘Kadaster-on-line), een loketfunctie namens het
                        Kadaster te vervullen (gemeentelijke kadastrale balie). De door de gemeenten
                        namens het Kadaster te verstrekken kadastrale informatie valt onder de
                        vigeur van de Kadasterwet. Het door gemeenten aan derden in rekening te
                        brengen tarief voor het verstrekken van </al><al>informatie namens het Kadaster is het tarief genoemd in de Regeling tarieven
                        Kadaster (Stcrt. 2003, nr. 244, pag. 17). In de overeenkomst met het
                        Kadaster zal zijn opgenomen dat een deel van het voor de informatie
                        verschuldigde kadastraal tarief door de gemeente kan worden behouden. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 9 Overige publiekszaken </label></kop><al>Op grond van hoofdstuk 9 kunnen leges geheven worden voor het verstrekken
                        van een verklaring omtrent het gedrag, een attestatie de vita of een
                        legalisatie van een handtekening. Er is geen aanvulling met andere
                        dienstverlening die niet in deze tarieventabel zijn genoemd en tot de
                        overige publiekszaken kunnen worden gerekend. </al><al/><al>Onderdeel 1.9.1 Verklaring omtrent het gedrag </al><al>Sinds 1 april 2004 beslist niet langer de burgemeester, maar de minister van
                        Justitie over het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag. De maximale
                        hoogte van de hiervoor te heffen leges wordt door het Rijk vastgesteld.
                        Vanaf 1 januari 2006 bedraagt die maximale vergoeding € 30,05. De gemeente
                        moet hiervan € 22,55 aan het Rijk afdragen. Het verschil is een vergoeding
                        die de gemeente krijgt voor de </al><al>werkzaamheden die zij voor de behandeling van een dergelijke aanvraag moet
                        uitvoeren (Regeling leges en afdracht vergoeding afgifte verklaring omtrent
                        het gedrag voor natuurlijke personen en rechtspersonen; Stcrt. 2005, 242,
                        pag. 23, en Stcrt. 2008, 23, pag. 12. Lbr. 06/170 – nabetaling Verklaring
                        Omtrent Gedrag (VOG) (22-11-2006)). Aangezien het Rijk een maximaal te
                        heffen bedrag vaststelt, is het noodzakelijk dat de gemeente een tarief in
                        de Legesverordening opneemt. </al><al>Onderdeel 1.9.2 Attestatie de vita </al><al>Een attestatie de vita is een bewijs van in leven zijn. Het is een
                        uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie (GBA) waarin staat
                        vermeld dat een bepaalde persoon in leven is. Hiervoor is in onderdeel 1.9.2
                        een tariefbepaling opgenomen. De attestatie de vita is gratis als iemand kan
                        aantonen dat het voor pensioen is. Onderdeel 1.9.3 Legalisatie van een
                        handtekening Bij legalisatie van een handtekening verklaart de burgemeester
                        dat een handtekening op een bepaald document 'echt' is. Dat wil zeggen dat
                        deze overeenkomt met de handtekening op uw legitimatiebewijs. De
                        handtekening moet aan de balie gezet worden. Legalisatie van een
                        handtekening kan bijvoorbeeld nodig zijn als iemand een persoon in het
                        buitenland schriftelijk wil machtigen. Voor de legalisatie kunnen leges
                        worden geheven. Onderdeel 1.9.3 voorziet hierin. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 10 Gemeentearchief </label></kop><al>Gemeentearchieven kunnen worden onderscheiden in archiefbewaarplaatsen in de
                        zin van de Archiefwet 1995 (Stb. 276) en andere archieven. Op grond van
                        artikel 14 van de Archiefwet 1995 zijn de archiefbescheiden die in een
                        archiefbewaarplaats berusten openbaar (behoudens het bepaalde in de
                        artikelen 15, 16 en 17), en kunnen deze archiefbescheiden kosteloos
                        geraadpleegd worden. Als iemand zelf de archiefbescheiden raadpleegt, kunnen
                        dus geen leges geheven </al><al>worden. Met betrekking tot andere archieven dan archiefbewaarplaatsen is in
                        de Archiefwet 1995 niet geregeld dat deze openbaar zijn en dat deze
                        kosteloos geraadpleegd kunnen worden. In beginsel zou daarvoor, indien
                        raadpleging wordt toegestaan, dus legesheffing mogelijk zijn. In de
                        modelverordening zijn hiervoor geen tarieven opgenomen. Als iemand zelf de
                        archieven raadpleegt, zullen er immers nauwelijks kosten voor de gemeente
                        zijn. </al><al/><al>Onderdeel 1.10.1 Doen van naspeuringen </al><al>In onderdeel 1.10.1 een tarief opgenomen voor het doen van naspeuringen in
                        het gemeentearchief. Het gaat hierbij dus uitsluitend om het van
                        gemeentewege doen van naspeuringen. Het tarief is afhankelijk gesteld van de
                        tijd die de ambtenaar van het gemeentearchief aan het doen van de
                        naspeuringen heeft besteed. Ook indien het doen van de naspeuringen niet
                        heeft geleid tot het gewenste resultaat zijn de leges verschuldigd. </al><al/><al>Onderdeel 1.10.2 Verstrekken van kopieën of uittreksels uit gemeentearchief </al><al>In onderdeel 1.10.2 zijn tarieven opgenomen voor het verstrekken van kopieën
                        of uittreksels uit de in het gemeentearchief berustende stukken. Ook met
                        betrekking tot archiefbewaarplaatsen is een dergelijk tarief toelaatbaar.
                        Dit blijkt uit het bepaalde in artikel 14 van de Archiefwet 1995. </al><al>De onderdelen 1.10.1 en 1.10.2 kunnen cumuleren. </al><al>In hoofdstuk 10 is een onderscheid gemaakt tussen het verkrijgen van
                        afschriften (onderdeel 1.10.2.1) en uittreksels (1.10.2.2). De werkzaamheden
                        in verband met het verstrekken van deze stukken zijn uiteenlopend van aard,
                        zodat het voor de hand ligt daarvoor verschillende tarieven in rekening te
                        brengen. In hoofdstuk 10 is niet voorzien in een differentiatie naar gelang
                        de soort van de afschriften. Het zal duidelijk zijn dat afschriften in zeer
                        verschillende vormen mogelijk zijn. </al><al>Daarbij valt te denken aan fotokopieën, foto’s, afdrukken in kleur, dia’s
                        etc. Uiteraard staat het gemeenten vrij daarvoor verschillende tarieven in
                        de verordening op te nemen. </al><al>Ook kan het tarief gedifferentieerd worden naar de grootte van het
                        afschrift, wat vooral voor de verstrekking van kaarten van belang kan zijn.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 11 Huisvestingswet </label></kop><al>De Huisvestingswet geeft in artikel 5 aan gemeenten de mogelijkheid, niet de
                        verplichting, een huisvestingsverordening vast te stellen waarin de
                        (soorten) woonruimten worden aangewezen waarvoor het vergunningvereiste
                        geldt. Het gaat hierbij om een vergunning in de zin van artikel 7, eerste
                        lid, van de Huisvestingswet (huisvestingsvergunning). </al><al>Een gemeente die gebruik maakt van de mogelijkheid van artikel 5 van de </al><al>Huisvestingswet kan voor het verhaal van de met de vergunningprocedure </al><al>samenhangende kosten een tarief in de Legesverordening opnemen. Onderdeel
                        1.11.1 van de tarieventabel bevat daarvoor een bepaling.</al><al>De gemeenteraad kan in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige </al><al>verdeling van woonruimte in de huisvestingsverordening bepalen dat het
                        college van burgemeester en wethouders een register van woningzoekenden
                        bijhoudt (artikel 14 van de Huisvestingswet). Aan het inschrijven van
                        woningzoekenden zijn voor de gemeente kosten verbonden. Verhaal kan
                        plaatsvinden door het heffen van leges. Er is daarvoor niet gekozen. De
                        gemeente kan aan derden gegevens uit het register van woningzoekenden
                        verstrekken, dit met inachtneming van de voorwaarden van artikel 15 van de
                        Huisvestingswet. Voor het verhaal van kosten bevat onderdeel 1.11.3 van de
                        tarieventabel een bepaling. Er is voor gekozen om daarvoor geen tarief op te
                        nemen. </al><al>De gemeenteraad kan (op grond van artikel 30 van de Huisvestingswet) in de
                        huisvestingsverordening woonruimten aanwijzen die met het oog op het behoud
                        of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet zonder vergunning van het
                        college van burgemeester en wethouders: </al><al>-geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning onttrokken mogen
                        worden(artikel 30, eerste lid, onderdeel a); </al><al>-met andere woonruimte samengevoegd mogen worden (artikel 30, eerste
                        lid,onderdeel b); </al><al>-van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte omgezet mogen worden (artikel
                        30,eerste lid, onderdeel c). </al><al>Op grond van de onderdelen 1.11.4 tot en met 1.11.6 van de tarieventabel kan
                        de gemeente de kosten van de vergunningprocedures verhalen. </al><al>Het in behandeling nemen van een aanvraag om een splitsingsvergunning op
                        grond van artikel 33 van de Huisvestingswet is opgenomen in hoofdstuk 4 van
                        titel 3 van de tarieventabel. Screening van de
                        model-Huisvestingsverordening, waarin de vergunningen zijn uitgewerkt, heeft
                        uitgewezen dat die vergunning onder de Europese Dienstenrichtlijn valt.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 12 Leegstandwet </label></kop><al>Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet kan het college van
                        burgemeester en wethouders de eigenaar van een woning of een gebouw
                        vergunning verlenen tot tijdelijke verhuur van woonruimte. De verwachting is
                        dat in verband met de economische crisis meer van de mogelijkheid van
                        tijdelijke verhuur gebruik zal worden gemaakt. Op grond van artikel 15,
                        vierde lid, van de Leegstandwet wordt de vergunning ten </al><al>aanzien van hetzelfde gebouw of dezelfde woning slechts eenmaal verleend en
                        wel voor een duur van ten hoogste twee jaren. Op verzoek van de eigenaar
                        kunnen burgemeester en wethouders deze duur telkens met ten hoogste een jaar
                        verlengen. De gehele duur van de vergunning kan maximaal vijf jaren zijn.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 13 Gemeentegarantie </label></kop><al>Op grond van hoofdstuk 13 kunnen leges geheven worden voor het verstrekken
                        van een gemeentegarantie. Overigens verstrekken de meeste gemeenten sinds 1
                        januari 1995 geen gemeentegaranties meer als borgstelling voor hypotheken
                        van huiseigenaren. In veel gemeenten is per die datum de gemeentegarantie
                        volledig vervangen door de Nationale hypotheekgarantie (NHG) die wordt
                        verstrekt door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW). Uiterlijk 1
                        januari 2011 </al><al>beëindigen gemeenten beëindigen hun achtervangovereenkomsten met de WEW.
                        Gemeentegaranties kunnen echter op grond van gemeentelijk beleid nog in
                        andere gevallen worden verstrekt, bijvoorbeeld aan instellingen die, zonder
                        winstoogmerk, uitsluitend een publieke taak of ideëel doel dienen. </al><al>Voor het wijzigen of omzetten van een door de gemeente (in het verleden) </al><al>gegarandeerde hypothecaire geldlening is eveneens legesheffing mogelijk. </al><al>Onderdeel 1.13.2 voorziet hierin. Het gaat daarbij onder andere om het
                        omzetten van de financieringsvorm (bijvoorbeeld het omzetten van een
                        lineaire hypotheek in een spaarhypotheek. Omdat dit niet in de gemeente
                        voorkomt zijn er geen tarieven benoemd. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 14 Marktstandplaatsen </label></kop><al>Het gaat in hoofdstuk 14 om de dienstverleningen om: </al><lijst><li nr="-"><al>een standplaatsvergunning (onderdeel 1.14.1);</al></li><li nr="-"><al>inschrijving op de wachtlijst voor een standplaatsvergunning
                                (onderdeel 1.14.2);</al></li><li nr="-"><al>verlenging of doorhaling van de inschrijving (onderdelen 1.14.3 en
                                1.14.4);</al></li><li nr="-"><al>overschrijven van de standplaatsvergunning op naam van een ander
                                (onderdeel 1.14.5);</al></li><li nr="-"><al>een vervangingsvergunning (onderdeel 1.14.6);</al></li><li nr="-"><al>een ontheffing om de standplaats tot de sluitingstijd van de markt
                                te blijveninnemen (onderdeel 1.14.7). </al></li></lijst><al>Voor deze aanvragen om vergunningen zijn geen tariefbepalingen opgenomen. In
                        de Marktgeldverordening zijn alleen tarieven opgenomen voor het
                        daadwerkelijk gebruiken van de als marktterrein aangewezen gemeentegrond.
                        Ook voor de in hoofdstuk 2 van titel 3 opgenomen vergunning voor de
                        organisatie van een markt, welke vergunningprocedure valt onder de Europese
                        Dienstenrichtlijn, is geen tarief opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 15 Winkeltijdenwet </label></kop><al>Op grond van de Winkeltijdenwet (Stb. 1996, 182) is opening van winkels op </al><al>werkdagen toegestaan tussen 06.00 en 22.00 uur. Daaraan kunnen gemeenten
                        geen beperkingen stellen. De Winkeltijdenwet biedt de mogelijkheid om ook
                        buiten de wettelijke tijden winkelopening toe te staan. Daarvoor kunnen bij
                        verordening vrijstellingen van bepaalde in de Winkeltijdenwet opgenomen
                        verboden worden verleend. Het is ook mogelijk dat de raad bij verordening
                        bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders vrijstelling of
                        ontheffing van bepaalde verboden kan verlenen. In de modelverordening
                        winkeltijden is zoveel mogelijk gekozen voor een </al><al>bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Daarbij verdient
                        opmerking dat de Winkeltijdenwet en het Vrijstellingenbesluit
                        Winkeltijdenwet (Stb. 1996, 183) spreken over vrijstellingen, indien een
                        regeling bij of krachtens een verordening (de verordening winkeltijden) is
                        of zal worden getroffen voor de hele gemeente, een deel van de gemeente of
                        groepen van gevallen. Van een ontheffing wordt gesproken indien een aanvraag
                        wordt gedaan om ‘individuele vrijstelling’ van een verbod. Het college van
                        burgemeester en wethouders is bevoegd ontheffing te </al><al>verlenen. In onderdeel 1.15.1 hebben wij een tariefbepaling voor deze
                        ontheffingen opgenomen. Wij zijn er daarbij van uit gegaan dat de met de
                        aanvragen voor de verschillende ontheffingen gepaard gaande werkzaamheden
                        ongeveer gelijk zijn. De modelverordening winkeltijden voorziet in artikel 3
                        in de mogelijkheid de ontheffing na verkregen toestemming van het college
                        van burgemeester en wethouders over te dragen aan een ander. Onderdeel
                        1.15.2 maakt het mogelijk </al><al>daarvoor leges te heffen. Op grond van artikel 4 van de modelverordening </al><al>winkeltijden is het mogelijk in bepaalde gevallen een verleende ontheffing
                        in te trekken of te wijzigen. Onderdeel 1.15.3 voorziet erin daarvoor leges
                        te heffen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 16 Kansspelen </label></kop><al>Onderdeel 1.16.1 Aanwezigheidsvergunning </al><al>Voor de aanwezigheid van speelautomaten als bedoeld in artikel 30b van de
                        Wet op de kansspelen (Stb. 1964, 483) is een aanwezigheidsvergunning
                        vereist, af te geven door de burgemeester. De aanwezigheidsvergunning kan op
                        grond van artikel 30d, tweede lid, voor bepaalde of onbepaalde tijd worden
                        afgegeven. In artikel 30d, derde lid, is bepaald dat bij algemene maatregel
                        van bestuur regels worden vastgesteld betreffende de hoogte van de voor het
                        afgeven van deze vergunningen te hanteren tarieven. Deze nadere regels zijn
                        opgenomen in artikel 3 van het Speelautomatenbesluit 2000 (Stb. 2000, 223).
                        De in dat artikel opgenomen </al><al>bedragen vormen voor gemeenten maximum te heffen legesbedragen. De tarieven
                        zijn afhankelijk gesteld van de periode waarvoor de vergunning wordt
                        afgegeven en het aantal speelautomaten. De maximumleges voor een
                        aanwezigheidsvergunning zijn: </al><al>looptijd vergunning maximumleges </al><al>- 12 maanden € 22,50 + (aantal speelautomaten x € 34,-) </al><al>- &lt;12 maanden { € 22,50 + (aantal speelautomaten x € 34,-)} x (looptijd
                        /12) </al><al>- &gt; 12 maanden &lt; 4 jaar { € 22,50 + (aantal speelautomaten x € 34,-)}
                        x (looptijd /12) </al><al>- &gt; 4 jaar of onbepaalde tijd € 90,50 + (aantal speelautomaten x € 136,-) </al><al>De onderdelen 1.16.1.1 en 1.16.1.2 hebben betrekking op een vergunning voor
                        een periode van twaalf maanden. De onderdelen 1.16.1.3 en 1.16.1.4 hebben
                        betrekking op een vergunning voor onbepaalde tijd of voor een aantal jaren
                        mits dit aantal ten minste vier bedraagt. Het opnemen van langere of kortere
                        tijdvakken waarvoor de vergunning zal gelden is mogelijk, zij het dat dan
                        een tijdsevenredige herberekening </al><al>van de in het Speelautomatenbesluit opgenomen maxima moet plaatsvinden.
                        Artikel 3, tweede lid, van dat besluit bepaalt namelijk dat voor
                        aanwezigheidsvergunningen die gelden voor een tijdvak korter dan twaalf
                        maanden of langer dan twaalf maanden doch ten hoogste vier jaar, de in het
                        eerste lid van artikel 3 genoemde maximumbedragen naar evenredigheid van het
                        verschil in looptijd van de vergunning moeten worden verlaagd
                        onderscheidenlijk verhoogd. In hoofdstuk 16 is geen tarief opgenomen voor
                        het wijzigen van een vergunning zodat een aan te brengen wijziging alleen
                        via de afgifte van een nieuwe vergunning mogelijk is. </al><al>Door de Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in
                        verband met lastenverlichting voor burgers en bedrijfsleven (Stb. 2010, 205
                        en 206), is er sinds 1 juli 2010 alleen nog een aanwezigheidsvergunning
                        nodig voor kansspelautomaten. Voor behendigheidsautomaten is de
                        vergunningplicht vervallen. Ook de prijsvraagvergunning van artikel 28 van
                        de Wet op de kansspelen is vervallen. </al><al>Onderdeel 1.16.2 Loterijvergunning </al><al>In onderdeel 1.16.2 is een tarief opgenomen voor zogenaamde
                        ‘loterijvergunningen’. Op grond van artikel 3 van de Wet op de kansspelen
                        kan het college van burgemeester en wethouders een vergunning verlenen tot
                        het geven van gelegenheid om mede te dingen naar prijzen of premies
                        uitsluitend om met de opbrengst daarvan enig algemeen belang te dienen. Het
                        college van burgemeester en wethouders kan uitsluitend de vergunning
                        verlenen als de gezamenlijke waarde van de prijzen minder bedraagt dan €
                        4.500. In andere gevallen verleent de minister van Justitie de vergunning. </al><al>Indien het gezamenlijke bedrag van de prijzen en premies geen hogere waarde
                        heeft dan € 4.500 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot
                        verlening van de loterijvergunning (artikel 3 Wet op de kansspelen). Bij
                        hogere waarden is de minister van Justitie bevoegd. Voor de gevallen waarin
                        de minister van Justitie bevoegd is, zijn de tarieven voor het behandelen
                        van de vergunningaanvragen opgenomen in artikel 3a van het Kansspelenbesluit
                        (Stb. 1997, 616). Dit besluit bevat geen tariefbepalingen voor de gevallen
                        dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is voor het
                        behandelen van de aanvraag </al><al>om een loterijvergunning. Dat betekent dat de gemeente zelf de hoogte van
                        het legestarief kan vaststellen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 17 Kinderopvang </label></kop><al>In hoofdstuk 17 zijn geen tarieven opgenomen voor het verstrekken van een
                        uittreksel of inlichtingen uit het kinderopvangregister. </al><al>In artikel 45 Wet kinderopvang (Stb. 2004, 455) staat dat degene die
                        voornemens is een kindercentrum of gastouderbureau in exploitatie te nemen,
                        daarvan melding doet aan het college van de gemeente van vestiging. De Wet
                        kinderopvang bepaalt in artikel 46 dat het college een register bijhoudt van
                        gemelde kindercentra en gastouderbureaus en dat het register kosteloos ter
                        inzage moet liggen. In de uitvoeringsregeling is geregeld dat het college
                        een ieder op aanvraag uittreksels uit het register en inlichtingen over in
                        het register opgenomen gegevens verstrekt. </al><al>Een uittreksel kan als bewijs dienen dat een kindercentrum of
                        gastouderbureau ingeschreven is (geweest) in het register. Een uittreksel of
                        inlichting uit het register wordt tegen betaling van de werkelijke kosten
                        verstrekt. Het gaat dan om kosten die direct of indirect door de
                        dienstverlening zijn veroorzaakt. Overigens kunnen geen andere kosten voor
                        melding en registratie bij derden, zoals bijvoorbeeld de houders, in
                        rekening worden gebracht. Voor gemeentelijke taken onder de Wet kinderopvang
                        is via het gemeentefonds een bedrag aan gemeenten </al><al>ter beschikking gesteld. Dit zijn met name middelen voor subsidiekosten van
                        de wettelijke doelgroepen en voor de uitvoering van het toezicht door de
                        GGD’en. Daarnaast zijn deze middelen bedoeld voor “organisatorische taken”.
                        Zie in dit verband de toelichting in de junicirculaire 2004 Gemeentefonds
                        (paragraaf 3.10). De gemeentelijke taken met betrekking tot melding en
                        registratie van kinderopvangondernemers vallen onder deze laatste noemer.
                        Aangezien de kosten voor gemeenten via het gemeentefonds worden vergoed, is
                        legesheffing voor het in behandeling nemen van de melding -daaronder
                        begrepen de registratie en eerste </al><al>(kwaliteits)controle door de GGD -niet aan de orde. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 18 Telecommunicatie </label></kop><al>Hoofdstuk 18 ziet op de gevallen dat graafwerkzaamheden in openbare grond
                        nodig zijn voor het leggen of verleggen van telecomleidingen door aanbieders
                        van een openbaar elektronisch communicatienetwerk in het kader van de
                        Telecommunicatiewet. Deze wet geeft aan het college van burgemeester en
                        wethouders een coördinerende rol met betrekking tot deze graafwerkzaamheden
                        teneinde deze wat betreft plaats, tijdstip en wijze van uitvoering op elkaar
                        af te stemmen. In verband hiermee is in artikel 5.4, eerste lid, van de
                        Telecommunicatiewet geregeld dat genoemde aanbieders het voornemen tot het
                        verrichten van werkzaamheden melden aan het college van burgemeester en
                        wethouders van de betreffende gemeente en niet overgaan tot uitvoering dan
                        nadat zij van het college instemming hebben verkregen over plaats, tijdstip
                        en wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Bij gelegenheid van de
                        herziening van hoofdstuk </al><al>5 van de Telecommunicatiewet die 1 februari 2007 in werking is getreden, is </al><al>opgemerkt dat de melding kan worden gezien als een aanvraag in de zin van de
                        Algemene wet bestuursrecht om in te stemmen met het voorstel van de
                        aanbieder met betrekking tot de plaats, het tijdstip en de wijze van
                        uitvoering van de werkzaamheden (Kamerstukken II 2004–2005, 29834, nr. 3,
                        blz. 52), Het verdient aanbeveling de tariefbepalingen af te stemmen op de
                        Richtlijn Tarieven (graaf)werkzaamheden. Zie de VNG ledenbrief 04/26
                        -Richtlijn Tarieven (graaf)werkzaamheden telecom (29 maart 2004). Deze
                        tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. In deze richtlijn is onder meer een
                        beheerkostenvergoeding geregeld. Onder beheerkosten worden verstaan de
                        kosten van toezicht op de uitvoering van het herstel, ongeacht of de
                        uitvoering van dit herstel is gedaan door de telecomaanbieder of de
                        gemeente. </al><al>Werkzaamheden die vallen onder de beheerkosten zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>toezicht op de verkeersveiligheid bij herstel;</al></li><li nr="-"><al>toezicht op kwaliteit van aanleg, verdichting en bestrating van
                                herstel;</al></li><li nr="-"><al>monitoring onderhoud inclusief klachtenafhandeling tijdens de
                                onderhoudsperiode;</al></li><li nr="-"><al>administratiekosten die niet bij de leges in rekening zijn
                                gebracht;</al></li><li nr="-"><al>eerste en tweede oplevering van herstelwerkzaamheden.</al></li></lijst><al>De werkzaamheden die de gemeente verricht en waarvoor bij het verlenen van
                        het instemmingbesluit leges worden geheven, vallen niet onder de berekening
                        van de beheerkosten in deze richtlijn. De berekening van de beheerkosten is
                        gebaseerd op een strikte scheiding van werkzaamheden die onder de leges
                        vallen en werkzaamheden die onder de beheerkosten vallen. </al><al>De richtlijn geldt niet voor gesloten verhardingen zoals asfalt en
                        cementbeton, grootschalige en kleinschalige verhardingselementen,
                        gefundeerde verharding, plantsoenen en bomen. Dit betekent dat hiervoor geen
                        tarieven zijn opgenomen in de richtlijn. Over een en ander dienen tussen de
                        gemeente en de aanbieder op projectniveau, of indien mogelijk generiek,
                        afspraken gemaakt te worden, waarbij wordt afgestemd met de tariefbepaling
                        in de Legesverordening. Bovengenoemde beheerkosten dienen dus niet in de
                        leges te worden verdisconteerd. De kosten van de volgende activiteiten
                        zouden onder de legesheffing kunnen worden gebracht: </al><lijst><li nr="-"><al>overleg met aanvrager over tijd, plaats en werkwijze van de
                                werkzaamheden;</al></li><li nr="-"><al>opstellen (verkeerskundige) adviezen;</al></li><li nr="-"><al>(technisch) beoordelen van het werk;</al></li><li nr="-"><al>beoordelen overige (bovengrondse of maaiveld) voorzieningen;</al></li><li nr="-"><al>eventueel overleg met andere grondeigenaren en toets van de
                                bereikte</al><al>overeenstemming met die grondeigenaren door de aanvrager;</al></li><li nr="-"><al>onderzoek naar de status van het werk;</al></li><li nr="-"><al>aanwijzen van de plaats van de aan te leggen (ondergrondse)
                                infrastructuur;</al></li><li nr="-"><al>indien eigen gemeentelijk registratiesysteem van kabels en
                                leidingen, verstrekkengegevens aan de aanvrager, beoordelen van het
                                grondgebruik, afstemming met andere kabel-en leidingbeheerders,
                                maken van revisietekeningen en updaten van digitale of analoge
                                bestanden; </al></li><li nr="-"><al>coördinatie en afstemming met overige werken in de openbare ruimte;
                                beoordelenen sturen van het werk uit oogpunt van stedelijke
                                bereikbaarheid; </al></li><li nr="-"><al>publiceren van meldingen en/of (concept-)instemmingsbesluiten;</al></li><li nr="-"><al>administratieve handelingen van de gemeente en overige kosten
                                (vergaderkosten,reiskosten, personele kosten, kosten van bijhouden
                                van (geautomatiseerde) bestanden, uitwerken alternatieve plannen
                                e.d.). </al></li></lijst><al>In onderdeel 1.18.1 hebben wij gekozen voor een vast bedrag dat wordt </al><al>vermeerderd met een bedrag per strekkende meter sleuflengte. Meer
                        sleuflengte betekent meer meters kabels of leidingen, wat de complexiteit
                        van de coördinatie zal verhogen. In verband met dit laatste is geen
                        tariefonderscheid gemaakt tussen graafwerkzaamheden in verhard oppervlak
                        (1.18.1.1: tegel-, klinker-en sierbestratingen, gesloten verhardingen) en
                        onverhard oppervlak (1.18.1.2: bermen, groenstroken en dergelijke).
                        Aangezien de hierboven genoemde richtlijn niet geldt voor gesloten
                        verharding moet, indien de tariefbepaling in de Legesverordening ook voor
                        gesloten verharding geldt, bij het maken van nadere afspraken over de
                        beheerkosten hiermee rekening worden gehouden. Dit kan aanleiding zijn het
                        tarief voor gesloten verharding af te </al><al>splitsen van het tarief voor klinkerverharding e.d., zoals nu nog als één
                        tarief is opgenomen in onderdeel 1.18.1.1. </al><al>Vanzelfsprekend kan ook alleen voor het vaste bedrag worden gekozen . </al><al>Het tarief per strekkende meter sleuf is alleen van toepassing voor zover de </al><al>werkzaamheden niet plaatsvinden in grond van andere overheden, zoals </al><al>waterschappen en provincies. In deze situaties zijn de werkzaamheden voor de
                        gemeente minder ingrijpend dan wanneer de werkzaamheden in gemeentegrond of
                        particuliere grond plaatsvinden. Indien de werkzaamheden in waterschaps-of
                        provincie-of rijksgronden plaatsvinden, geldt het bepaalde in onderdeel
                        1.18.1.3. Het tarief van onderdeel 1.18.1 kan eventueel ook worden
                        gedifferentieerd naar gebied waarbinnen de graafwerkzaamheden zullen
                        plaatsvinden. Deze differentiatie </al><al>gaat ervan uit dat in bijvoorbeeld het centrum de coördinerende taak meer
                        kosten oproept, dan wel dat de kosten toenemen naarmate het graaftraject
                        groter is. Onderdeel 1.18.1.3 ziet op de gevallen dat er andere beheerders
                        van het openbaar gebied in het geding zijn. </al><al>De in onderdeel 1.18.1.4 genoemde situatie dat de aanvrager van een </al><al>instemmingsbesluit ook nog een vergunning, al dan niet van een ander </al><al>bestuursorgaan, nodig heeft en daarvoor het college kan verzoeken bij de </al><al>beoordeling van de aanvragen een inhoudelijke afstemming te bevorderen
                        (artikel 5.5 Telecommunicatiewet), komt niet voor. Er is dan ook geen tarief
                        opgenomen.Onderdeel 1.18.1.5 heeft betrekking op de incidentele gevallen dat
                        een nader onderzoek naar de status van de kabel plaatsvindt. Het zal dan
                        vooral gaan om onbekende aanbieders. Onderdeel 1.18.1.5 maakt het mogelijk
                        zowel de eigen kosten als de eventuele externe advieskosten door te
                        berekenen. Voor de mededeling van deze, bij het indienen van de melding vaak
                        nog onbekende kosten, hebben wij gekozen voor de zogenaamde
                        begrotingsconstructie. De melder dient op de hoogte te worden gesteld van
                        deze kosten en gelegenheid te krijgen zijn aanvraag in te trekken voordat de
                        aanvraag in behandeling wordt genomen. </al><al>Onderdeel 1.18.2 voorziet daarin. De Hoge Raad heeft de
                        begrotingsconstructie aanvaard in zijn uitspraak van 2 december 2005, nr.
                        40079, LJN: AR7769. De Hoge Raad oordeelt daarin bovendien dat als de
                        meerdaagse bedenktijd in de verordening ontbreekt, dit niet leidt tot </al><al>onverbindendheid. In voorkomend geval kan de belastingplichtige de heffing </al><al>bestrijden op de grond dat de gemeente de aanvraag in behandeling neemt </al><al>(waarmee het belastbare feit plaatsvindt) zonder voldoende zeker te zijn of
                        de kostenopgaaf de aanvrager al dan niet aanleiding geeft de aanvraag in te
                        trekken. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 19 Verkeer en vervoer </label></kop><al>Onderdeel 1.19.1 </al><al>Op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                        1990 (RVV 1990, Stb. 459) kan het bevoegde gezag ontheffing verlenen van het
                        bepaalde in een aantal in artikel 87 genoemde artikelen. Het college van
                        burgemeester en wethouders, de door hem ingestelde bestuurscommissie of het
                        dagelijks bestuur van een deelgemeente, is het bevoegde gezag voor het
                        verkeer op wegen die niet in beheer zijn bij het rijk, de provincie of het
                        waterschap (artikel 1, onder h, RVV 1990 in samenhang met artikel 18, eerste
                        lid, Wegenverkeerswet </al><al>1994). Onderdeel 1.19.1 heeft betrekking op de hiervoor genoemde
                        ontheffingen. Daarbij kan gedacht worden aan ontheffingen die worden
                        verleend bij wielerwedstrijden of straatfeesten. </al><al>Onderdeel 1.19.2 </al><al>De Dienst voor het wegverkeer (RDW) is sinds 1 januari 2006 bevoegd voor het
                        in behandeling nemen van een aanvraag en de afgifte van een ontheffing voor
                        exceptionele transporten voor alle wegbeheerders in heel Nederland (artikel
                        149a, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 en het Besluit ontheffingverlening
                        exceptionele transporten (Stb. 2005, 438). Op grond van artikel 9.1 van de
                        Regeling voertuigen (Stcrt. Suppl. 2010, 81) kan het bevoegde gezag echter
                        ontheffing verlenen voor bijzondere transporten van ongekentekende
                        voertuigen, zoals landbouwvoertuigen (vóór 1 mei 2010 was die bevoegdheid
                        gebaseerd op artikel 7.1 van het Voertuigreglement, dat per die datum is
                        vervallen; Stb. 2010, 184). De ontheffingsbevoegdheid betreft de ontheffing
                        van bepalingen en voorwaarden waaraan een voertuig moet voldoen om daarmee
                        te mogen rijden. De ontheffingen kunnen niet alleen betrekking hebben op
                        wegen gelegen binnen, maar ook op </al><al>wegen buiten de bebouwde kom. Aanvragen voor ontheffingen voor </al><al>ongekentekende voertuigen kunnen bij de gemeente worden ingediend als zij
                        wegbeheerder is (zie bij onderdeel 1.19.1). </al><al>Artikel 9.4, eerste lid, van de Regeling voertuigen bepaalt dat het bevoegde
                        gezag tarieven kan vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot
                        ontheffing. Onderdeel 15.1.2 voorziet hierin. Artikel 9.4, tweede lid, van
                        de Regeling voertuigen bepaalt verder dat het bevoegde gezag kan bepalen dat
                        in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel
                        van het voldane tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager. Het spreekt voor
                        zich dat een dergelijke bepaling niet voorbehouden behoeft te blijven aan de
                        ontheffing als bedoeld in artikel 9.1 van de Regeling voertuigen. Wij hebben
                        -gelet op de hoogte van de tarieven -alleen bij </al><al>de omgevingsvergunningen voor bouw-, aanleg-en sloopactiviteiten </al><al>teruggaafbepalingen wenselijk geoordeeld (zie hoofdstuk 5 van titel 2 van de
                        tarieventabel). De gemeentelijke wegbeheerder kan haar
                        ontheffingsbevoegdheid mandateren aan de RDW (die dan dus het gemeentelijk
                        tarief moet hanteren). Als de ontheffingverlening is gemandateerd aan de
                        RDW, moet ook de heffing van de leges via mandaatverlening (door de
                        heffingsambtenaar) worden geregeld. </al><al>De heffingsbevoegdheden kunnen daarbij bijvoorbeeld worden beperkt tot het
                        vaststellen van het verschuldigde bedrag. De invordering (in eerste aanleg)
                        kan door middel van een machtiging aan de directeur van de RDW worden
                        opgedragen (door de invorderingsambtenaar). </al><al/><al>Onderdeel 1.19.3 </al><al>Onderdeel 1.19.3 heeft betrekking op het verstrekken van </al><al>gehandicaptenparkeerkaarten. Op grond van artikel 49 van het Besluit </al><al>administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte
                        die zich niet of nauwelijks te voet kan voortbewegen door de raad of,
                        krachtens besluit van de raad, door het college van burgemeester en
                        wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene in de basisadministratie
                        persoonsgegevens is ingeschreven, een gehandicaptenparkeerkaart worden
                        verstrekt. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 20 Algemeen </label></kop><al>Onderdeel 1.20.1 Overige vergunningen </al><al>In onderdeel 1.20.1 kunnen tarieven opgenomen worden voor vergunningen,
                        vrijstellingen of ontheffingen die op grond van bepalingen in de
                        gemeentelijke verordeningen van Zandvoort worden verleend. Hiernaar zal
                        nader onderzoek plaatsvinden. Om die reden is nog geen tarief opgenomen. </al><al/><al>Onderdeel 1.20.2 ‘Vangnetbepaling’ </al><al>Onderdeel 1.20.2 heeft tot doel te dienen als een vangnet voor situaties
                        waarin niet elders in de tarieventabel of in een wettelijke regeling een
                        tarief is opgenomen. Op grond van de bepalingen van dit onderdeel kunnen
                        voor bepaalde diensten dan toch leges geheven worden. Het gaat daarbij met
                        name om het verstrekken van stukken. De stukken zijn te onderscheiden in een
                        vijftal categorieën, namelijk gewaarmerkte stukken (1.20.2.1), niet
                        gewaarmerkte stukken (1.20.2.2), kaarten, tekeningen en lichtdrukken
                        (1.20.2.3), beschikkingen op aanvraag (1.20.2.4) en stukken of uittreksels
                        die op verzoek van de aanvrager worden gemaakt (1.20.2.5). Onderdeel
                        1.20.2.4 is zodanig geredigeerd dat de heffing van leges zich niet </al><al>beperkt tot de gevallen waarin op gunstige wijze op de aanvraag wordt
                        beslist. Immers, het behandelen van een aanvraag brengt voor de gemeente
                        werkzaamheden met zich mee, zowel in het geval dat de aanvraag wordt
                        gehonoreerd als in het geval dat de aanvraag wordt afgewezen. Uiteraard kan
                        een gemeente onderdeel 1.20.2.4 zodanig aanpassen dat de heffing van leges
                        zich beperkt tot de gevallen dat op gunstige wijze op de aanvraag wordt
                        beschikt. Stukken die worden verstrekt op grond van de Wet openbaarheid van
                        bestuur (Stb. 1991, 703) hoeven niet gratis of tegen een gelimiteerd bedrag
                        verstrekt te worden. </al><al>Voor het door het rijk verstrekken van fotokopieën van schriftelijke stukken
                        kunnen op grond van artikel 12 van de Wet openbaarheid van bestuur bij of
                        krachtens algemene maatregel van bestuur tarieven vastgesteld worden. Deze
                        tarieven binden gemeenten echter niet. Gemeenten moeten hiervoor dus zelf
                        een regeling treffen, bijvoorbeeld in de Legesverordening. De gemeente kan
                        hiervoor de in onderdeel 1.20.2 genoemde tarieven toepassen of kiezen voor
                        een afzonderlijke tariefstelling. Soms leges beperkt tot kopieerkosten. Als
                        een belanghebbende in het kader van bezwaar of administratief beroep of in
                        verband met een anderszins op grond van de wet kosteloos verleende inzage,
                        afschriften van stukken opvraagt moet erop worden toegezien dat het
                        verstrekken hiervan tegen een vergoeding van ten hoogste de kosten van het
                        kopiëren in enge </al><al>zin mag geschieden. Tot de kosten die in dat geval in rekening mogen worden
                        gebracht behoren onder meer wel de arbeidskosten van het kopiëren zelf, maar
                        niet de kosten van het opzoeken en weer opbergen van de desbetreffende
                        originelen (zie bijvoorbeeld de artikelen 3:22, derde lid, 3:44, zesde lid,
                        en 7:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht, alsmede de uitspraken van
                        Hof Arnhem van 23 december 1997, nr. 96/1577, Belastingblad 1998, blz. 742,
                        van Hof Amsterdam van 21 december 2001, nr. 00/2665, Belastingblad 2002,
                        blz. 959 en van Hof Arnhem van 27 augustus 2002, nr. 01/01610). </al><al/><al>Milieu-informatie </al><al>Voor stukken die betrekking hebben op milieu-informatie kan worden
                        aangesloten bij de tarieven die zijn opgenomen in onderdeel 1.20.2. Sinds 14
                        februari 2005 is de Nederlandse regelgeving over openbaarheid van
                        milieu-informatie vastgelegd in de Wet openbaarheid van bestuur (hierna te
                        noemen WOB) en de Wet milieubeheer. Deze regelgeving is een gevolg van het
                        Verdrag van Aarhus uit 1998 en de daarmee samenhangende Europese richtlijn
                        inzake toegang tot milieu-informatie. De regelgeving staat toe dat gemeenten
                        een redelijke vergoeding vragen voor het verstrekken van milieu-informatie.
                        De VNG gaat er van uit dat maximaal een kostendekkende vergoeding als
                        redelijk moet worden aangemerkt. De toegang en het raadplegen van de lijsten
                        of registers van milieu-informatie is altijd kosteloos. Vergunningen op
                        grond van de Wet </al><al>milieubeheer kunnen ook altijd kosteloos worden ingezien. In verband met </al><al>bovengenoemde jurisprudentie impliceert het kosteloos ter inzage geven
                        eventuele opzoekwerkzaamheden en de daaraan te besteden tijd. Er moet op
                        worden gelet dat indien de tarieven van onderdeel 1.20.2 ook van toepassing
                        zijn op de hier bedoelde milieu-informatie, deze niet meer dan kostendekkend
                        mogen zijn. Is dat gelet op het algemene karakter van de tarieven wel het
                        geval, dan verdient het aanbeveling een apart hoofdstuk Milieu-informatie in
                        titel 1 van de tarieventabel op te nemen of deze afzonderlijk in hoofdstuk
                        20 (diversen) te benoemen. Zie over het </al><al>verstrekken van milieu-informatie de VNG ledenbrief Lbr. 04/139 – het nieuwe
                        openbaarheidsregime voor milieu-informatie (1 december 2004). </al></divisie><divisie><kop><label>Titel 3 </label></kop><al>Dienstverlening vallend onder Europese Dienstenrichtlijn </al><al>Europese Dienstenrichtlijn </al><al>Algemeen </al><al>Ter bevordering van de vrijheid van vestiging en de vrije verrichting van </al><al>grensoverschrijdende diensten streeft de Europese Dienstenrichtlijn (EDR)
                        naar: </al><lijst><li nr="-"><al>vereenvoudiging van administratieve procedures</al></li><li nr="-"><al>de opheffing van belemmeringen voor dienstenactiviteiten en</al></li><li nr="-"><al>vergroting van het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten onderling
                                en van dienstverrichters en consumenten in de interne markt. </al></li></lijst><al>(Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de </al><al>Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne
                        markt (PbEU L 376.) Eind 2006 is de EDR in werking getreden. Deze moet 28
                        december 2010 geïmplementeerd zijn in de Nederlandse regelgeving. De EDR
                        heeft consequenties voor de legesheffing voor die vergunningstelsels die
                        onder haar reikwijdte vallen. </al><al>Wanneer valt vergunningstelsel onder de EDR? </al><al>Een vergunningstelsel valt alleen onder de EDR als het vergunningstelsel
                        specifiek is gericht op dienstverrichters of dienstverleners. Een algemeen
                        vergunningstelsel (bijv. de omgevingsvergunning voor bouw-of
                        aanlegactiviteiten) valt niet onder de EDR omdat dit zich niet uitsluitend
                        richt op dienstverrichters/dienstverleners, maar ook op particuliere
                        burgers. Ook bevat de EDR een aantal uitgezonderde gebieden. Alle
                        modelverordeningen zijn gescreend op toepassing van de EDR. Daaruit is een
                        aantal vergunningstelsels naar voren gekomen, die onder de EDR vallen. Wij </al><al>hebben die ‘afgezonderd’ in titel 3 van de tarieventabel leges. Als een
                        gemeente nog andere vergunningstelsels kent dan die in de modelverordeningen
                        zijn opgenomen, zal zij deze zelf moeten toetsen aan de EDR. Als het
                        vergunningstelsel daaronder valt en de gemeente heft hiervoor leges, dan
                        moet deze ook in titel 3 van de tarieventabel worden opgenomen. </al><al/><al>EDR en leges </al><al>De EDR heeft geen betrekking op belastingen. Artikel 13, tweede lid, EDR
                        bepaalt dat eventuele kosten voor de aanvragers in verband met hun
                        vergunningaanvraag redelijk zijn en evenredig met de kosten van de
                        vergunningsprocedures in kwestie en de kosten van de procedures niet mogen
                        overschrijden. Dit betekent dat legesheffing mogelijk is. De
                        kostentoerekening hoeft niet op individuele basis plaats te vinden. De EDR
                        laat toe dat vaste (forfaitaire) bedragen voor dienstverlening in verband
                        met vergunningprocedures worden gehanteerd, mits die forfaitaire kosten </al><al>zijn gebaseerd op gemiddelde kosten. EDR en kruissubsidiëring </al><al>Door de formulering van de artikel 13, tweede lid, van de EDR is
                        kruissubsidiëring alleen nog toegestaan binnen clusters van sterk
                        samenhangende vergunningstelsels. Dit betreft alleen de diensten aan
                        dienstverrichters waarop de EDR van toepassing is. Wij hebben die in titel 3
                        opgenomen. Elk hoofdstuk van titel 3 dient de gemeente te controleren op
                        kostendekkendheid. </al><al>Indien uit controle blijkt dat er op het betreffende vergunningstelsel of </al><al>samenhangende vergunningstelsels winst wordt gemaakt, dienen de tarieven te
                        worden aangepast tot of onder 100% kostendekkendheid. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1 Horeca </label></kop><al>Op grond van artikel 3 van de Drank-en Horecawet (Stb. 2000, 185) is het </al><al>verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders
                        een horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen. Het gaat dan om het
                        bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank
                        voor gebruik ter plaatse (horecabedrijf) of voor gebruik elders dan ter
                        plaatse (slijtersbedrijf). Voor het afgeven van dergelijke vergunningen
                        kunnen gemeenten leges heffen en </al><al>daarbij zelf de hoogte van de te heffen leges vaststellen. In onderdeel
                        3.1.1 is hiervoor een tariefbepaling opgenomen. Indien een inrichting een
                        zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met
                        de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht
                        bedoelde wijziging binnen één maand bij burgemeester </al><al>en wethouders te melden. Burgemeester en wethouders verstrekken, indien nog
                        aan de ten aanzien van de inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een
                        gewijzigde vergunning, waarin de omschrijving is aangepast aan de nieuwe
                        situatie. Onderdeel 3.1.3 bevat een tariefbepaling voor ontheffingen als
                        bedoeld in artikel 35 van de Drank-en Horecawet. Hiervoor kan de gemeente
                        zelf de hoogte van de leges bepalen met inachtneming van het uitgangspunt
                        van maximale kostendekking. Het Algemeen uitvoeringsbesluit Drank-en
                        Horecawet, waarin voorheen de tarieven voor ontheffingen stonden is op 1
                        november 2000 ingetrokken. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2 Organiseren van evenementen of markten </label></kop><al>Dit hoofdstuk bevat een evenementenvergunning, een snuffelmarktvergunning en
                        een vergunning voor het organiseren van een markt (vergunning organisatie).
                        Het expliciet noemen van deze vergunningen houdt verband met de Europese
                        Dienstenrichtlijn, waaronder deze vergunningstelsels vallen. Wij beschouwen
                        deze vergunningen als samenhangende vergunningstelsels. Daarom zijn ze in
                        één hoofdstuk geplaatst. Onderdeel 3.2.1 is afgestemd op de verschillende
                        evenementen die in de APV worden genoemd. Hierin komt de omvang van het
                        evenement tot uitdrukking, wat een tariefdifferentiatie mogelijk maakt. Voor
                        een </al><al>verwijzing naar de jaarlijkse evenementenlijst is afgezien, hoewel dit de
                        duidelijkheid in de regelgeving ten goede zou komen. </al><al>In dit verband wordt nog verwezen naar de toelichting op artikel 4 van de </al><al>verordening, waarin is ingaan op de opname van de vrijstelling en de </al><al>(on)mogelijkheid van een vrijstelling voor ANBI’s. De ultieme (rechterlijke)
                        toets is of de verordening niet leidt tot een onredelijke en willekeurige
                        heffing die de wetgever bij het geven van de bevoegdheid tot heffen niet
                        bedoeld kan hebben. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 3 Prostitutiebedrijven </label></kop><al>Indien een gemeente een vergunningstelsel kent voor prostitutiebedrijven,
                        kan ze hiervoor deze tariefbepalingen opnemen. Ook dit vergunningstelsel
                        valt onder de Europese Dienstenrichtlijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 4 Splitsingsvergunning woonruimte </label></kop><al>De gemeenteraad kan gebouwen aanwijzen waarvoor in bepaalde gevallen het
                        verbod geldt om het recht op het gebouw te splitsen in appartementsrechten,
                        zonder een daartoe strekkende vergunning (de splitsingsvergunning van
                        artikel 33 van de </al><al>Huisvestingswet). Hiervoor is in hoofdstuk 4 een tarief opgenomen. Screening
                        van de model-Huisvestingsverordening, waarin de vergunningen zijn
                        uitgewerkt, heeft uitgewezen dat die vergunning onder de Europese
                        Dienstenrichtlijn valt. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 5 Leefmilieuverordening </label></kop><al>In dit hoofdstuk kunnen voor een ontheffing of vergunning op grond van een
                        in de gemeente geldende leefmilieuverordening worden opgenomen. Omdat de
                        gemeente geen leefmilieuverordening kent, is afgezien van het opnemen van
                        een tarief. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 6 Brandbeveiligingsverordening </label></kop><al>De Brandbeveiligingsverordening regelt de brandveiligheid die niet op een
                        andere manier wettelijk is geregeld. De gebruiksvergunning op grond van het
                        Besluit brandveilig gebruik bouwwerken gaat op in de omgevingsvergunning
                        (artikel 2.1, eerste lid, onder d, Wabo). Gemeenten kunnen in een
                        brandbeveiligingsverordening regelen dat het gebruik van inrichtingen die
                        niet vallen onder de omgevingsvergunning uitsluitend is toegestaan indien
                        daarvoor een vergunning is verleend. Bij het gebruiksvergunningensysteem van
                        de brandbeveiligingsverordening gaat het om 'niet-bouwwerken'. Het kan gaan
                        om bijvoorbeeld een omheind weiland of een los met de wal verbonden drijvend
                        hotel of discotheek. In de meeste gevallen zal de gebruiksvergunning worden
                        aangevraagd door dienstverrichters of dienstverleners in de zin van de EDR.
                        In verband hiermee is de gebruiksvergunning in deze titel geregeld. </al><al>Op grond van hoofdstuk 6 is voor het in behandeling nemen van de aanvraag
                        voor deze vergunningen een vast bedrag aan leges verschuldigd. Het is
                        mogelijk om naast een vast tarief een opslag per m² te rekenen. Hiermee kan
                        bereikt worden dat het tarief meer afgestemd is op de hoeveelheid werk die
                        verricht moet worden om de gevraagde vergunning te verlenen. Van die
                        mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 7 In deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking</label></kop><al>In hoofdstuk 7 zijn (nog) geen tarieven opgenomen voor diensten die niet in
                        één van de eerdere hoofdstukken van deze titel afzonderlijk zijn benoemd.
                    </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>