<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR111890_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB/WIJ Schiedam</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, eerste lid onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 12, eerste lid, onderdeel e, en artikel 35, eerste lid van de Wet investeren in jongeren;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>VR 100/2009</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>het vertrekken van een toeslag op de basisnorm en het verlagen van de norm bij lagere bestaanskosten</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Bijstandsverordening Nieuwe Waterweg Noord 2004</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>WWB: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>WIJ: de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende: de belanghebbende bedoeld in artikel 1:2, eerste
                                    lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met een WWB- of
                                    WIJ-voorziening;</al></li><li nr="d."><al>gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 21 onderdeel c van de
                                    WWB of artikel 28, eerste lid, onderdeel d van de WIJ.</al></li><li nr="e."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op
                                    de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld
                                    in artikel 3, zesde lid WWB.</al></li><li nr="f."><al>woonkosten:</al><lijst><li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                            geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d
                                            van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="2."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                            per maand omgerekende som van de ten behoeve van de
                                            financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente,
                                            de in verband met het in eigendom hebben van de woning
                                            te betalen zakelijke lasten (het rioolrecht, het
                                            eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, de
                                            opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de
                                            waterschapslasten en de erfpachtcanon), en een bedrag
                                            voor onderhoud;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>beroepsmatige verzorging: verzorging of verpleging in een
                                    inrichting zoals bedoeld in de WWB en WIJ.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>– Reikwijdte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 21 jaar tot 65 jaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening
                                alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar of ouder doch jonger dan 65
                                jaar zijn. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder wordt verhoogd
                                met een toeslag van 20% van de gehuwdennorm indien in dezelfde
                                woning geen anderen hun hoofdverblijf hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De norm wordt verhoogd met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm
                                bij de alleenstaande en de alleenstaande ouder die met één of meer
                                anderen het hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van lid 2 wordt de norm verhoogd met een toeslag van
                                20% indien:</al><lijst><li nr="a."><al>als gevolg van de medebewoning beroepsmatige verzorging
                                        volledig of in belangrijke mate achterwege blijft, dan wel
                                        wordt voorzien in de zorgbehoefte van een bloedverwant in de
                                        tweede graad;</al></li><li nr="b."><al>het uitsluitend één of meer kinderen jonger dan 21 jaar
                                        betreft;</al></li><li nr="c."><al>het uitsluitend één of meer kinderen van 21 jaar of ouder
                                        betreft, die onderwijs of een beroepsopleiding volgen zoals
                                        bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4
                                        van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                        schoolkosten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van de vorige leden wordt de norm niet verhoogd met een
                                toeslag indien er sprake is van samenloop van een WWB-uitkering en
                                een WIJ-inkomensvoorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>– Verlagingen gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm wordt verlaagd met 10% van de gehuwdennorm bij gehuwden die
                                met één of meer anderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning
                                hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt de norm niet met 10% verlaagd
                                wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>als gevolg van de medebewoning beroepsmatige verzorging
                                        volledig of in belangrijke mate achterwege blijft;</al></li><li nr="b."><al>het één of meer kinderen jonger dan 21 jaar betreft;</al></li><li nr="c."><al>het uitsluitend één of meer kinderen betreft, die onderwijs
                                        of een beroepsopleiding volgen zoals bedoeld in de Wet
                                        studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet
                                        tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>– Verlaging ontbreken woonkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Gehuwden: de norm wordt verlaagd met 20% van de gehuwdennorm indien
                                de gehuwden geen woonkosten hebben als gevolg van het bewonen van
                                een woning, waaraan voor hen geen woonkosten zijn verbonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alleenstaande of alleenstaande ouder: de norm wordt niet verhoogd
                                met een toeslag indien de alleenstaande of alleenstaande ouder geen
                                woonkosten heeft als gevolg van het bewonen van een woning, waaraan
                                voor hem geen woonkosten zijn verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>– Verlaging schoolverlaters</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 28 WWB en artikel 33 WIJ voor
                            schoolverlaters bedraagt 20% van de gehuwdennorm voor een periode van
                            zes maanden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>– Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 of 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 29 WWB en artikel 34 WIJ
                                bedraagt voor een alleenstaande van 21 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>12,5%, indien in dezelfde woning geen anderen hun
                                        hoofdverblijf hebben;</al></li><li nr="b."><al>2,5% indien in dezelfde woning een of meer anderen het
                                        hoofdverblijf hebben;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 29 WWB en artikel 34 WIJ
                                bedraagt voor een alleenstaande van 22 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>5% indien in dezelfde woning geen anderen hun hoofdverblijf
                                        hebben;</al></li><li nr="b."><al>0% indien in dezelfde woning een of meer anderen het
                                        hoofdverblijf hebben;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een jongere
                                op wie artikel 6 van toepassing is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>– Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat
                                de toepasselijke norm:</al><lijst><li nr="a."><al>minimaal 50% en maximaal 70% van de gehuwdennorm bedraagt
                                        voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>minimaal 70% en maximaal 90% van de gehuwdennorm bedraagt
                                        voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>minimaal 80% en maximaal 100% van de gehuwdennorm bedraagt
                                        voor gehuwden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien de toepassing
                            hiervan leidt tot bijzonder onredelijke gevolgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2010 onder
                            gelijktijdige intrekking van de Bijstandsverordening Nieuwe Waterweg
                            Noord 2004.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als de Toeslagenverordening
                            WWB/WIJ Schiedam. </al><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Schiedam in zijn openbare
                        vergadering van 17 december 2009.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, J. Gordijn</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, W.M. Verver-Aartsen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><tussenkop>Toelichting Toeslagenverordening</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Zowel de bijstandsnorm (op grond van de WWB) als de inkomensvoorziening (op
                    grond van de WIJ) bestaat uit een rijksgeregeld deel dat binnen bepaalde grenzen
                    verhoogd of verlaagd kan worden op grond van gemeentelijk beleid (toeslag en
                    verlaging). Dit gemeentelijk beleid moet door de gemeenteraad in een verordening
                    worden vastgelegd. </al><al>De landelijke (bijstands- of WIJ)norm bedraagt voor de alleenstaande, de
                    alleenstaande ouder en de gehuwden respectievelijk 50%, 70% en 100% van het
                    wettelijk minimumloon. De hier gehanteerde term “gehuwdennorm” bedraagt 100% van
                    het wettelijk minimumloon. De alleenstaande en alleenstaande ouder kunnen in
                    aanmerking komen voor een toeslag van ten hoogste 20% van de gehuwdennorm. De
                    norm voor gehuwden kan in bepaalde omstandigheden worden verlaagd.</al><al>Uitgangspunt is dat in gevallen waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kan
                    worden, de verlaging met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. Dit in
                    acht nemend kan de hoogte van de normuitkering als volgt worden berekend:</al><lijst><li nr="1."><al>Norm;</al></li><li nr="2a."><al>Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                            ouders)</al></li></lijst><al>OF</al><lijst><li nr="2b."><al>Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen (alleen
                            bij gehuwden)</al></li><li nr="3."><al>Korten met verlaging wegens ontbreken woonkosten;</al></li><li nr="4a."><al>Korten met verlaging wegens schoolverlater</al><al>OF </al></li><li nr="4b."><al>Korten met verlaging voor 21- en 22-jarigen op (het restant van) de
                            toeslag</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 – Begrippen</tussenkop><al>De begrippen die in de verordening zijn gehanteerd hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijvingen in de WWB en de WIJ. </al><al>Het begrip woonkosten is nader gedefinieerd omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 7 (verlaging als gevolg van ontbreken woonkosten). Deze
                    omschrijving is nog altijd ontleend aan de oude Algemene Bijstandswet. </al><al>Met beroepsmatige verzorging wordt gedoeld op verzorging of verpleging in een
                    inrichting. Indicatiestelling vindt plaats door onderzoek van een medische
                    adviseur, tenzij een en ander genoegzaam uit de feitelijke omstandigheden
                    afgeleid kan worden. </al><tussenkop>Artikel 2 - Reikwijdte</tussenkop><al>Voor de leeftijdscategorieën jonger dan 21 jaar en ouder dan 65 jaar gelden
                    aparte wettelijke regels. Deze leeftijdgrenzen zijn overigens niet relevant voor
                    medebewoners. </al><tussenkop>Artikel 3 - Toeslagen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Bij de vaststelling van de landelijke norm voor de alleenstaande en de
                    alleenstaande ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat
                    belanghebbende de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet
                    het geval is, wordt de norm verhoogd met een toeslag. Artikel 30, tweede lid WWB
                    en artikel 35, tweede lid WIJ schrijven voor dat de toeslag voor de
                    alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn kinderen in wiens woning geen
                    ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag, genoemd in
                    respectievelijk artikel 25 lid, tweede lid 2 WWB en artikel 30, tweede lid WIJ.
                    De maximale toeslag komt neer op 20% van de gehuwdennorm. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het geval dat in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt
                    verondersteld dat de noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden.
                    Om die reden is de toeslag gesteld op 10%. Op welke wijze de voordelen van het
                    delen van de bestaanskosten exact doorwerken tussen de verschillende
                    medebewoners onderling is hierbij niet van belang. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Dit lid geeft een aantal uitzonderingen op de regel van het eerste lid dat
                    alleen recht op de maximale toeslag bestaat, indien alleen de belanghebbende
                    zijn hoofdverblijf in zijn woning heeft. De bedoeling van de eerste uitzondering
                    is te voorkomen, dat men als gevolg van financiële consequenties zou afzien van
                    het in huis nemen van een zorgbehoevende of dat de belanghebbende als
                    zorgbehoevende zou afzien van het in huis nemen van een ander als verzorgende.
                    De belanghebbende of de ander zou dan op verzorging in een verzorgingstehuis,
                    verpleeginrichting of andere inrichting zijn aangewezen. Dit komt niet overeen
                    met het streven om zorgbehoevenden zo lang en zoveel als mogelijk zelfstandig te
                    laten functioneren en wonen. Dat de zorgbehoevende ondanks de medebewoning
                    aangewezen blijft of wordt op professionele thuiszorg, die de zorgverlenende
                    medebewoner ondersteunt, doet niet af aan het recht op een toeslag. Een
                    uitzondering op de hoofdregel wordt ook gemaakt, wanneer bij de beoordeling van
                    het recht op bijstand vastgesteld is dat sprake is van twee bloedverwanten in de
                    tweede graad en één van hen behoefte heeft aan zorg. </al><al>De toeslag blijft eveneens 20%, indien uitsluitend één of meer kinderen jonger
                    dan 21 jaar hun hoofdverblijf hebben bij de ouder(s). Veelal hebben deze
                    jongeren een laag inkomen zoals studiefinanciering, een gesubsidieerde
                    dienstbetrekking of een bijstandsuitkering. Als gevolg daarvan gaat het delen
                    van de bestaanskosten vaak moeizaam. Wanneer kinderen van 21 jaar of ouder hun
                    hoofdverblijf op hetzelfde adres als hun ouder(s) hebben en een opleiding volgen
                    zoals bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 (WTOS) of hoofdstuk 4 van de Wet
                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, wordt ook de maximale toeslag
                    van 20 % toegekend. Deze kinderen ontvangen immers een tegemoetkoming voor
                    studiekosten of studiefinanciering, waarvan de hoogte is afgestemd op de
                    omstandigheid dat zij inwonend zijn bij hun ouder(s). Wanneer in dergelijke
                    situaties een lagere toeslag zou worden verstrekt, treden er dubbele, ongewenste
                    effecten op. Dat deze kinderen eventueel nog andere inkomsten hebben, heeft geen
                    invloed op het recht op de maximale toeslag.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Als de jongere een partner heeft die 27 jaar of ouder is, kan er een samenloop
                    van de algemene bijstand op grond van de WWB en een inkomensvoorziening op grond
                    van de WIJ ontstaan. In zo’n situatie worden beiden aangemerkt als alleenstaande
                    of één van hen als alleenstaande en de ander als alleenstaande ouder. Als er
                    geen ten laste komende kinderen zijn, is voor beiden de norm voor een
                    alleenstaande van toepassing. Omdat de norm alleenstaanden 50% bedraagt van het
                    wettelijk minimumloon, garanderen beide normen samen het normbedrag voor een
                    gezin. In die situatie is daarom geen ruimte voor het verstrekken van een
                    toeslag. Als er wel ten laste komende kinderen zijn, wordt de WIJ-norm ontleend
                    aan de gehuwdennorm (artikel 28, vierde lid WIJ). De partner ontvangt dan de
                    alleenstaande oudernorm WWB. Ook in dit geval heeft het weinig zin om aan die
                    partner een toeslag te verlenen, want de algemene bijstand van die partner wordt
                    in mindering gebracht op de WIJ-norm voor een gezin. </al><tussenkop>Artikel 4 – Verlagingen gehuwden</tussenkop><al>Dit artikel is in feite het spiegelbeeld van artikel 3. Zie de toelichting
                    aldaar. Wanneer één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben in de woning van de
                    gehuwden, wordt verondersteld dat zij de kosten kunnen delen. Een verlaging is
                    daarom op zijn plaats. </al><tussenkop>Artikel 5 – Ontbreken woonkosten</tussenkop><al>Als aan een woning geen woonkosten zijn verbonden, is er sprake van lagere
                    bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 27 WWB en artikel 32 WIJ bieden
                    de mogelijkheid om de norm of toeslag in dergelijke gevallen te verlagen.
                    Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om “krakers”, maar ook om de situatie dat de
                    woonkosten worden betaald door een derde, bijvoorbeeld de ouders of de
                    ex-partner. Wordt voor de gehuwden de norm verlaagd met 20%, voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder geldt dat in dat geval de norm niet wordt
                    verhoogd met een toeslag. </al><tussenkop>Artikel 6 - Schoolverlaters</tussenkop><al>De verlaging voor schoolverlaters is een bevoegdheid die voortvloeit uit artikel
                    28 WWB en artikel 33 WIJ. De bedoeling van de verlaging is om de schoolverlater
                    gedurende het eerste half jaar niet in een veel betere financiële positie te
                    brengen als toen hij nog aangewezen was op de studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming krachtens de WTOS. Uitgangspunt van de verlaging is de relatie
                    met het bedrag dat in de toelage studiefinanciering zit voor de kosten van
                    levensonderhoud. Omgerekend naar een percentage van de uitkering zou dit een
                    verlaging van 25% van de gehuwdennorm inhouden. Aangezien de situatie van
                    studerenden in de praktijk enigszins afwijkt van de positie van schoolverlaters
                    - de mogelijkheden tot het hebben van bijverdiensten zijn bijvoorbeeld voor
                    studerenden aanzienlijk ruimer - is de verlaging vastgesteld op 20%. </al><tussenkop>Artikel 7 - Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 of 22
                    jaar</tussenkop><tussenkop>Eerste en tweede lid</tussenkop><al>Artikel 29 WWB en 34 WIJ geven het college de bevoegdheid om een verlaging toe
                    te passen indien het van oordeel is dat, gezien de hoogte van het minimum
                    jeugdloon, er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het
                    minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan voor een 22-jarige ligt het
                    voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor
                    een 22-jarige. De toepassing van artikel 3 en artikel 7 leidt tot de volgende
                    toeslagen. De totale toeslag voor een 21-jarige is 12,5% (zonder medebewoner)
                    dan wel 7,5% (met medebewoner). De toeslag voor een 22-jarige zonder een
                    medebewoner komt uit op 15%. De toeslag voor een 22-jarige met een medebewoner
                    blijft gehandhaafd op 10%. Er geldt geen extra verlaging. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Met het derde lid is voldaan aan de verplichting in artikel 30, tweede lid onder
                    b WWB en artikel 35, tweede lid sub b WIJ. Hierin is namelijk bepaald dat in de
                    Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlaterskorting (artikel 28
                    WWB en 33 WIJ) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB en artikel 34 WIJ) niet
                    gelijktijdig mogen worden toegepast. Voor het met voorrang toepassen van de
                    schoolverlaterskorting is gekozen, zodat op grond van deze verordening een
                    21-jarige of 22-jarige schoolverlater niet beter af is dan een 23-jarige
                    schoolverlater. </al><tussenkop>Artikel 8 – Anti-cumulatiebepaling</tussenkop><al>In deze bepaling worden garanties gegeven met betrekking tot de minimale en
                    maximale hoogte van de bijstandsnorm en inkomensvoorziening. Cumulatie van
                    toeslagen en/of verlagingen kan er namelijk toe leiden dat de uitkering hoger
                    wordt dan wettelijk toegestaan of te laag wordt om in de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan te voorzien. </al><tussenkop>Artikel 9 - Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid tot individualiserend handelen als strikte
                    toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt. </al><tussenkop>Artikel 10 - Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 11 - Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>