<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR111764_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Begraafplaatsrechten dierenbegraafplaats 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.zandvoorstecourant.nl">Zandvoortse Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Begraafplaatsrechten dierenbegraafplaats 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Artikel 216 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Artikel 229 eerste lid aanhef en onderdelen a en b Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z2010-005786</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt de ''Verordening Begraafplaatsrechten dierenbegraafplaats 2010''</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Begraafplaatsrechten dierenbegraafplaats 2011 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zandvoort: </al><al>gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 28
                        september 2010, nummer 2010/09/1280; </al><al/><al>gelet op de overwegingen van de integrale commissie Planning en Control van
                        13 oktober 2010; </al><al/><al>gelet op artikel 216 en 229, eerste lid , aanhef en onderdelen a en b van de </al><al>Gemeentewet; </al><al/><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting en tarieventabel,
                        vast te stellen: </al><al/><al>Verordening Begraafplaatsrechten dierenbegraafplaats 2011 </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>1 DE VERORDENING </label></kop><paragraaf><kop><label>1.1 BEGRIPSBEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 </label></kop><al>Begripsbepalingen </al><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a. dierenbegraafplaats: de algemene dierenbegraafplaats Zandvoort; </al><al>b. huurgraf: voor het doen begraven van een huisdier </al><al>c. algemeen dierengraf: een graf waarin aan een ieder gelegenheid
                                wordt </al><al>geboden tot het doen begraven van kleinere huisdieren; </al><al>d. asbus: een bus ter berging van as van een huisdier; </al><al>e. urn: een voorwerp ter berging van één of meer asbussen; </al><al>f. het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de </al><al>gemeente Zandvoort; </al><al>g. ambtenaar belast met de heffing: de gemeenteambtenaar die door
                                het </al><al>college is aangewezen als ambtenaar belast met de heffing van de </al><al>gemeentelijke belastingen. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.2 NORMSTELLING</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2</label></kop><al>Belastbaar feit </al><al>Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het
                                gebruik van de dierenbegraafplaats, en voor het door de gemeente
                                verlenen van diensten in verband met de dierenbegraafplaats. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 </label></kop><al>Belastingplicht </al><al>De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten
                                behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de
                                bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 </label></kop><lid><lidnr/><al>Maatstaf van heffing en belastingtarief </al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven,
                                    opgenomen inde bij deze verordening behorende tarieventabel.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in
                                    de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid
                                    aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 </label></kop><lid><lidnr/><al>Belastingjaar </al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met betrekking tot de rechten die per jaar worden geheven is het
                                    belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met betrekking tot de rechten genoemd in hoofdstuk 1, hoofdstuk
                                    3 onderdeel 3.2 en 3.3 van de tarieventabel is het
                                    belastingtijdvak gelijk aan de periode waarvoor wordt afgekocht.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 </label></kop><al>Wijze van heffing </al><al>De rechten genoemd in de tarieventabel worden geheven bij wege van
                                aanslag met dien verstande dat per belastbaar feit een afzonderlijke
                                aanslag kan worden opgelegd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 </label></kop><lid><lidnr/><al>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
                                </al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderhoudsrechten, als bedoeld in hoofdstuk 3 onderdeel 3.2
                                    van de</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>tarieventabel zijn verschuldigd op 1 januari van het jaar
                                    volgend op dat, waarin het voorwerp werd geplaatst. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak
                                    eindigt, bestaat geenaanspraak op ontheffing voor de rechten
                                    bedoeld in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 3 onderdeel 3.2 en 3.3 van
                                    de tarieventabel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 </label></kop><al>Ontstaan van de belastingschuld voor de overige rechten </al><al>Andere rechten als die bedoeld in hoofdstuk 3 onderdeel 3.2 van de
                                tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de
                                dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de
                                bezittingen, werken of inrichtingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 </label></kop><lid><lidnr/><al>Termijnen van betaling </al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet
                                    1990 moeten deaanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste
                                    dag van de tweede maand volgend op de maand die in de
                                    dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid,
                                    onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 met een
                                    belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een
                                    bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige
                                    toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de voorgaande
                                    leden gestelde termijnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 </label></kop><al>Nadere regels door het college </al><al>Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en
                                de invordering van de Begraafplaatsrechten dierenbegraafplaats.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 </label></kop><al>Kwijtschelding </al><al>Bij de invordering van de Begraafplaatsrechten dierenbegraafplaats
                                wordt geen kwijtschelding verleend. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.3 OVERGANGS-EN SLOTBEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 12 </label></kop><al>Bevoegdheden </al><al>De ‘ambtenaar belast met de heffing’ is belast met de uitvoering van
                                deze </al><al>verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 </label></kop><lid><lidnr/><al>Inwerkingtreding en citeertitel </al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De 'Verordening Begraafplaatsrechten dierenbegraafplaats 2010’
                                    vastgesteld bij raadsbesluit van 8 december 2009 wordt
                                    ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum
                                    van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van
                                    toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die
                                    datum hebben voorgedaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verordening treedt in werking op 1 januari 2011;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2011;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening
                                    Begraafplaatsrechten dierenbegraafplaats 2011’. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 november 2010. </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>8. De griffier, De voorzitter, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Bijlage 1 - Tarieventabel behorende bij de “Verordening
                            Begraafplaatsrechten Dierenbegraafplaats 2011''.</label></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1 Verlenen van rechten </label></kop><al>1.1 Voor het verlenen van het uitsluitend recht op een</al><al>huisdierengraf van 0.7 x 0.9 meter voor een periode van 5 jaar </al><al>wordt geheven € 85,30 .</al><al>1.2 Voor het verlenen van het uitsluitend recht op een</al><al>huisdierengraf van 1.2 x 0.9 meter voor een periode van 5 jaar </al><al>wordt geheven € 156,00 .</al><al>1.3 Voor het verlengen van het uitsluitend recht op een</al><al>huisdierengraf van 0.7 x 0.9 meter voor een periode van 5 jaar </al><al>wordt geheven € 85,30 .</al><al>1.4 Voor het verlengen van het uitsluitend recht op een</al><al>huisdierengraf van 1.2 x 0.9 meter voor een periode van 5 jaar </al><al>wordt geheven € 156,00 .</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2 Begraven </label></kop><al>1 Voor het begraven van een klein huisdier wordt geheven € 85,30.</al><al>2 Voor het begraven van een groot huisdier wordt geheven € 126,90.</al><al>3 Voor het bijzetten van een asbus/urn met hierin de as van een</al><al>huisdier wordt geheven € 62,10 .</al><al>2.4 Voor het begraven van een kleiner huisdier in een algemeen</al><al>graf wordt geheven € 14,60 </al><al>2.5 Voor het begraven op een buitengewoon uur wordt geheven € 56,70</al><al>2.5.1 Onder buitengewone uren wordt verstaan: </al><al>het begraven van een huisdier buiten de normale uren tussen </al><al>09.00 en 17.00 uur, van maandag t/m vrijdag.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 3 Grafbedekking en onderhoud </label></kop><al>3.1 Voor het afgeven van een vergunning ter zake van het plaatsen</al><al>of vernieuwen van de voorwerpen, bedoeld in artikel 15 van de </al><al>Beheersverordening dierenbegraafplaats Zandvoort 2007 wordt </al><al>geheven: </al><al>3.1.1 Voor het plaatsen van voorwerpen op een dierengraf, het </al><al>aanbrengen van een inscriptie € 14,60.</al><al>3.2 Voor het door of vanwege de gemeente onderhouden van de</al><al>voorwerpen, wordt geheven per 5 jaar: voor een </al><al>staande/liggende steen </al><al>€ 41,60.</al><al>3.3 Voor het door of vanwege de gemeente verrichten van</al><al>algemeen onderhoud aangaande de dierenbegraafplaats, over </al><al>de periode van 5 jaar wordt een recht geheven van </al><al>€ 41,60 .</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 4 Inschrijven en overboeken van de dierengraven </label></kop><al>4.1 Voor de administratie, inschrijven en overboeken in een daartoe</al><al>bestemd register wordt geheven € 6,50 </al><al/><al>Hoofdstuk 5 Opgraven, ruimen. </al><al>5.1 Voor het opgraven van de stoffelijke resten van een huisdier</al><al>wordt geheven € 69,60.</al><al>5.2 Voor het opgraven en weer opnieuw begraven van de stoffelijke</al><al>resten van een huisdier wordt geheven € 85,30.</al><al>5.3 Voor het opgraven of verwijderen van een asbus wordt geheven €
                        56,70.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>2 TOELICHTING OP DE VERORDENING </label></kop><divisie><kop><label>2.1 ALGEMEEN</label></kop><al>Wettelijke basis </al><al>De Begraafplaatsrechten dierenbegraafplaats worden geheven op basis van
                        artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b en tweede lid van de
                        Gemeentewet. De verschillende rechten dragen zowel kenmerken van gebruik-als
                        genotsretributies in zich en op sommige punten hebben de rechten kenmerken
                        van leges (overigens een begrip dat vanaf de inwerkingtreding van de Wet
                        materiële belastingbepalingen niet meer in de Gemeentewet voorkomt). Sommige
                        rechten, zoals het recht voor het inschrijven van dierengraven, hebben het
                        karakter van leges. Ondanks dat karakter is gemeend uit een oogpunt van
                        overzichtelijkheid, die rechten te moeten opnemen in de verordening. Alle
                        heffingen voor het gebruik van de dierenbegraafplaats en voor de daarmee
                        samenhangende diensten worden zodoende in één verordening geregeld. </al></divisie><divisie><kop><label>2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 1 </label></kop><al>Begripsbepalingen </al><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de verordening </al><al>voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 1.
                        Veel begrippen zullen ook gedefinieerd zijn in de beheersverordening </al><al>dierenbegraafplaats. De omschrijving van gelijkluidende begrippen uit beide </al><al>verordeningen dient identiek te zijn. Ad g Artikel 231 lid 2 sub b van de
                        Gemeentewet regelt dat de bevoegdheden en verplichtingen die op rijksniveau
                        gelden voor de inspecteur overeenkomstig gelden </al><al>voor de ambtenaar die belast is met de heffing van de gemeentelijke
                        belastingen. Deze ambtenaar wordt op grond van artikel 232 lid 2 sub a van
                        de Gemeentewet aangewezen door het college. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2 </label></kop><al>Belastbaar feit </al><al>De verordening kent zeer uiteenlopende diensten waarvoor rechten worden </al><al>geheven. Er is voor gekozen om in artikel 2 een zeer algemene omschrijving
                        van het belastbaar feit op te nemen. Naast deze algemene omschrijving is
                        voor iedere dienst afzonderlijk een verdere omschrijving van het belastbare
                        feit opgenomen in de tarieventabel. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3 </label></kop><al>Belastingplicht </al><al>Vanwege het uiteenlopende karakter van de verschillende diensten is gekozen
                        voor een ruime omschrijving van de belastingplicht om te voorkomen dat in
                        bepaalde situaties geen belastingplichtige aangewezen zou kunnen worden.
                        Aannemelijk is dat de aanvrager van het gebruik van de dierenbegraafplaats
                        en van de diensten, verleend bij het begraven, belastingplichtig is. De
                        kring van belastingplichtigen omvat onder meer de belanghebbende,
                        uitvaartondernemers en instellingen van weldadigheid welke zich, behoudens
                        vrijstelling ter zake, belasten met dierenuitvaart. Ten tweede is er de
                        belastingplicht voor rechten voor het gebruik van de dierenbegraafplaats en
                        de diensten verleend na de voltooiing van de </al><al>begrafenis. Dit zijn met name de vijfjaarlijks terugkerende
                        onderhoudsrechten. Belastingplichtig is de belanghebbende, omdat ten behoeve
                        van hen de dienst wordt verleend. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4 </label></kop><al>Maatstaf van heffing en belastingtarief </al><al>Voor de maatstaf van heffing en de belastingtarieven is verwezen naar de </al><al>tarieventabel. De reden waarom voor een tarieventabel is gekozen is gelegen
                        in het feit dat het eenvoudiger is om de verordening aan te passen aan de
                        omstandigheden. </al><al>Kostendekkendheid </al><al>Op 1 januari 1990 is in werking getreden de Wet van 3 juli 1989 (Stb. 1989,
                        302) tot wijziging van de gemeentewet op het stuk der belastingen
                        (limitering onroerendgoedbelastingen, leges en rechten). Deze wet had tot
                        gevolg dat vanaf 1 januari 1990 een verordening Begraafplaatsrechten
                        dierenbegraafplaats niet wordt goedgekeurd indien de geraamde baten van die
                        rechten uitgaan boven de geraamde gemeentelijke lasten ter zake. Het maken
                        van een matige winst is daarmee niet langer toegestaan. Dit is geregeld in
                        artikel 229b van de Gemeentewet. Tot 1 januari 1994 gold een
                        overgangsregeling. Vanaf die datum mag de verordening dus maximaal
                        kostendekkend zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5 </label></kop><al>Belastingjaar </al><al>Eerste lid </al><al>Voor zover in de verordening tarieven zijn opgenomen die per jaar worden
                        geheven is het belastingtijdvak gelijk aan het kalenderjaar. Het betreft
                        hier bijvoorbeeld de rechten voor het plaatsen van voorwerpen op een
                        dierengraf. </al><al>Tweede lid </al><al>De rechten als bedoeld in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 3 onderdeel 3.2. en 3.3.
                        van de tarieventabel worden afgekocht voor een periode van vijf jaar. De
                        regeling heeft daarmee een fiscaal gelegitimeerd karakter. Er is geen sprake
                        van een vooruitbetaling van onderhoudsrechten, omdat in het fiscale geen
                        betaling mogelijk is voor belastbare feiten die zich kunnen voordoen in
                        belastingtijdvakken die nog niet zijn aangevangen. Derhalve was een regeling
                        noodzakelijk waarin het belastingtijdvak wordt afgestemd op de periode
                        waarvoor wordt afgekocht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6 </label></kop><al>Wijze van heffing </al><al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                        op andere wijze. In de verordening is gekozen voor de heffing bij wege van
                        aanslag. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7 </label></kop><al>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang </al><al>Eerste lid </al><al>Blijkens de redactie van het eerste lid zijn de rechten verschuldigd bij het
                        begin van het belastingjaar volgend op dat, waarin het voorwerp werd
                        geplaatst. </al><al>Tweede lid </al><al>In lid twee zijn regels gegeven die betrekking hebben op wijzigingen
                        gedurende het belastingtijdvak in de belastingplicht. Geen ontheffing wordt
                        verleend indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak
                        eindigt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8 </label></kop><al>Ontstaan van de belastingschuld voor de overige rechten </al><al>De overige rechten van de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van
                        de dienstverlening dan wel bij de aanvang van het gebruik van de
                        bezittingen, werken of inrichtingen. Dit betekent dat op dat moment tot
                        heffing wordt overgegaan. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9 </label></kop><al>Termijnen van betaling </al><al>Eerste lid </al><al>Er bestaat een wettelijke regeling omtrent de betaaltermijnen. Deze is
                        opgenomen in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Op grond van artikel 250
                        van de Gemeentewet kan hiervan in de belastingverordening worden afgeweken.
                        In het eerste lid van artikel 9 is afgeweken van de wettelijke
                        betalingstermijn om doelmatigheidsredenen ten aanzien van de invordering. Er
                        is voor gekozen dat de aanslagen betaald worden uiterlijk op de laatste dag
                        van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                        aanslagbiljet is vermeld. </al><al>Tweede lid </al><al>Met betrekking tot de bij het vaststellen van een belastingaanslag op te
                        leggen boete zijn de betaaltermijnen gelijk aan die voor de
                        belastingaanslag, ook indien in de belastingverordening van artikel 9 van de
                        Invorderingswet 1990 afwijkende betaaltermijnen zijn opgenomen. Dit volgt
                        uit artikel 9, derde lid, van de Invorderingswet 1990. Het is dus niet nodig
                        om in de belastingverordening betaaltermijnen voor bestuurlijke boeten op te
                        nemen. </al><al>Derde lid </al><al>De Algemene termijnenwet (ATW) is van toepassing op in een wet gestelde </al><al>termijnen (artikel 1). Hiermee wordt een wet in formele zin bedoeld. Artikel
                        9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 bepaalt echter dat de ATW niet
                        van toepassing is op de in de leden 1 tot en met 9 gestelde termijnen.
                        Indien gemeenten afwijkende termijnen in de belastingverordening hebben
                        opgenomen en dus artikel 9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 niet
                        geldt, is voor de betaling van de definitieve aanslag de ATW wel van
                        toepassing. Dit volgt ook uit artikel 145 van de Gemeentewet, waarin is
                        bepaald dat de ATW van toepassing is op in een verordening gestelde
                        termijnen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Indien voor de
                        betaling van aanslagen een regeling is getroffen in de belastingverordening
                        en voor voorlopige aanslagen, navorderingsaanslagen of naheffingsaanslagen
                        niet, betekent dit dat voor de laatste drie genoemde aanslagen artikel 9 van
                        de Invorderingswet 1990 geldt. In dat geval is de ATW wel van toepassing op
                        de betaaltermijnen voor aanslagen en niet van toepassing op de
                        betaaltermijnen voor voorlopige aanslagen, navorderingsaanslagen en
                        naheffingsaanslagen. Teneinde te voorkomen dat voor de verschillende
                        belastingaanslagen een verschillend juridisch regime geldt, is in artikel 9
                        derde lid, overeenkomstig artikel 9, tiende lid, van de Invorderingswet – de
                        ATW buiten toepassing verklaard. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10 </label></kop><al>Nadere regels door het college </al><al>Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de
                        invordering van gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing. De
                        heffingsbevoegdheden komen toe aan de daartoe aangewezen heffingsambtenaar
                        en de invorderingsbevoegdheden aan de daartoe aangewezen
                        invorderingsambtenaar. De AWR en de Invorderingswet 1990 kennen ook
                        bepalingen op grond waarvan de minister van Financiën de bevoegdheid wordt
                        toegekend nadere regels te geven over bepaalde heffings-en
                        invorderingsaangelegenheden. Voor de gemeentelijke belastingen komt die
                        bevoegdheid op grond van artikel 231 toe aan </al><al>het college. Verder is het college als bestuursverantwoordelijke voor de
                        heffings-en invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen
                        (artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel
                        160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet is het college eveneens
                        bevoegd beslissingen van de raad (lees:belastingverordeningen) uit te
                        voeren. Met het oog hierop kan het college over uitvoeringsaangelegenheden
                        regels stellen. Te denken valt hierbij aan het vaststellen van de modellen
                        voor het formulier van de onderscheiden </al><al>aangiftebiljetten. Met de inwerkingtreding van de derde tranche Awb op 1
                        januari 1998 is een aantal bevoegdheden van de raad op belastinggebied
                        overgegaan op het college. In verband hiermee is in elke
                        belastingverordening een bepaling opgenomen dat het college nadere regels
                        kan geven met betrekking tot de heffing en invordering van de betreffende
                        belasting. Op deze wijze is het voor de belastingplichtigen duidelijk dat er
                        nog nadere regels kunnen gelden. In de (uitvoerings)regeling gemeentelijke
                        belastingen is een en ander uitgewerkt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 11</label></kop><al>Kwijtschelding </al><al>Op grond van artikel 255 van de Gemeentewet volgen gemeenten het </al><al>kwijtscheldingsbeleid van de rijksoverheid zoals dat is geregeld in de </al><al>Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Indien gemeenten niets regelen
                        geldt deze ministeriële regeling automatisch voor alle gemeentelijke
                        belastingen. Artikel 255 van de Gemeentewet biedt echter de mogelijkheid om
                        van de ministeriële regeling af te wijken. Omdat geen kwijtschelding bij de
                        invordering van Begraafplaatsrechten dierenbegraafplaats wordt verleend is
                        dit expliciet opgenomen in artikel 11. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12 </label></kop><al>Inwerkingtreding en citeertitel </al><al>In het eerste lid wordt de oude verordening ingetrokken, in het tweede lid
                        wordt de inwerkingtreding geregeld, in het derde lid de datum van ingang van
                        de heffing en in het vierde lid de citeertitel. </al><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang
                        van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft van
                        toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                        voorgedaan. Voor die belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis
                        van de oude verordening, ook al is die verordening ingetrokken. </al><al>Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet moeten gemeenten de besluiten tot
                        het vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen bekend
                        maken. Het niet voldoen aan de bekendmakingsplicht kan leiden tot
                        onverbindendheid van de belastingverordening (HR 31 maart 1993, nr. 28.034,
                        BNB 1993/182, Belastingblad 1993, blz. 274; Hoge Raad 10 augustus 1998, nr.
                        33.632). Deze verordening is bekend gemaakt in de Zandvoortse Courant. De
                        belastingverordening treedt in werking op 1 januari van het betreffende
                        belastingjaar waarop de verordening betrekking heeft. Als voorbeeld: Op 1
                        november 2007 stelt de gemeenteraad de verordening vast met als datum van
                        inwerkingtreding 1 januari 2008 (tweede lid) en als tijdstip van ingang van
                        de heffing eveneens 1 januari 2008 (derde lid). In het vierde lid is in de
                        citeertitel een jaartal opgenomen. Dit jaartal wordt opgenomen, omdat de
                        gemeente ieder jaar een nieuwe verordening vaststelt. Door het jaartal op te
                        nemen is duidelijk voor welk jaar de verordening bedoeld is. </al></divisie><divisie><kop><label>Ondertekening </label></kop><al>Alle stukken die van de raad uitgaan moeten sinds 19 februari 2003 c.q. 7
                        maart 2003 worden ondertekend door de burgemeester (artikel 75, eerste lid,
                        Gemeentewet) en griffier (artikel 107c Gemeentewet). </al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>TOELICHTING OP DE TARIEVENTABEL </label></kop><divisie><kop><label>TOELICHTING PER HOOFDSTUK </label></kop></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 1 Verlenen van rechten </label></kop><al>In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen voor het verlenen van een
                        uitsluitend recht op een huisdiergraf. Een recht op een huisdiergraf kan
                        ingevolge de Beheersverordening algemene dierenbegraafplaats van Zandvoort
                        2007 en de Regels voor de graven en asbezorging algemene dierenbegraafplaats
                        Zandvoort gevestigd worden, voor de tijd van minstens 5 jaren. Een voor
                        bepaalde tijd verleend uitsluitend recht op een huisdiergraf kan worden
                        verlengd voor ten hoogste 5 jaren. Het verlenen van het recht om met
                        uitsluiting van anderen dieren in een bepaald huisdiergraf te doen begraven
                        en begraven te houden is de belaste dienst </al><al>en niet het begraven zelf. De Beheersverordening algemene
                        dierenbegraafplaats van Zandvoort 2007 noemt niet met zoveel woorden de
                        mogelijkheid om een uitsluitend recht te vestigen op de ruimte waar een
                        asbus is bijgezet of de plaats waarop as wordt verstrooid. Dit is de reden
                        dat de term 'uitsluitend recht' is gereserveerd voor dierengraven. Het
                        verstrooien van as is alleen mogelijk op een permanent daartoe aangewezen
                        terrein of plaats. Het verstrooien van as in een huisdiergraf is dus alleen
                        mogelijk als dat huisdiergraf is gelegen op een (deel van </al><al>een) dierenbegraafplaats dat daartoe permanent is aangewezen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 2 Begraven </label></kop><al>In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen voor het begraven van huisdieren.
                        Voor het begraven op buitengewone uren is een apart tarief opgenomen. Gezien
                        de extra kosten, zoals gemaakte overuren door het gemeentepersoneel, is het
                        mogelijk hiervoor een hoger recht te heffen. Wat onder buitengewone uren
                        wordt verstaan is in de tabel ingevuld. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 3 Grafbedekking en onderhoud </label></kop><al>De regeling in dit hoofdstuk maakt het mogelijk rechten te heffen voor het
                        afgeven van vergunningen voor gedenktekenen, het plaatsen en het onderhoud
                        hiervan voor zoveel de algemene dierenbegraafplaats betreft. Hiervoor zijn
                        in de plaatselijke beheersverordening voorschriften gegeven. De kosten van
                        het onderhoud van de algemene voorzieningen van de begraafplaats mogen in
                        aanmerking worden genomen voor de heffing van onderhoudsrechten. Deze
                        voorzieningen staan mede ten dienste van de graven, door onder andere bezoek
                        te faciliteren en ongewenst </al><al>bezoek te weren (Hof Leeuwarden 24-12-1999 nr. 391/99). Het is volgens de
                        Hoge Raad niet mogelijk om voor het algemene onderhoud aan de begraafplaats
                        alleen te heffen bij eigen graven en niet bij algemene graven. Het karakter
                        van het Grafrecht laat een differentiatie in het tarief voor het algemene
                        onderhoud van de begraafplaats slechts toe indien die differentiatie zich
                        richt naar het genot dat een rechthebbende tot een graf heeft van dit
                        onderhoud (Hoge Raad 28 februari 2003, </al><al>nr. 37716, LJN: AF5108, VN 2003/15.31). Dit arrest wijkt af van de uitspraak
                        van de Hoge Raad van 25 oktober 2002, nr. 36638, LJN: AD8499, Belastingblad
                        2002, blz. 1226 (Spijkenisse), inzake rioolrecht. Daarin heeft de Hoge Raad
                        beslist dat het karakter van een retributie zich niet verzet tegen een
                        differentiatie van het tarief anders dan naar het genot. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 4 Inschrijven en overboeken van de dierengraven
                                </label></kop><al>Een gemeente kan ook voor het inschrijven en het overboeken van eigen graven
                        in een daartoe bestemd register rechten heffen. Met eigen dierengraven wordt
                        bedoeld: graven waarvoor op grond van de Beheersverordening algemene
                        dierenbegraafplaats van Zandvoort 2007 en de Regels voor de graven en
                        asbezorging algemene dierenbegraafplaats Zandvoort het uitsluitend recht is
                        verleend. Wat over het inschrijven of overboeken van eigen graven is
                        opgemerkt geldt tevens voor het inschrijven of overboeken van eigen
                        urnengraven en urnennissen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk 5 Opgraven en ruimen </label></kop><al>Algemeen </al><al>In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen voor het opgraven van van een
                        huisdier of asbus en het eventueel opnieuw begraven. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>