<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR111141_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorziening huisvesting onderwijs 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-06-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentenieuws</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorziening huisvesting onderwijs 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-05-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-06-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorziening huisvesting onderwijs 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening voorziening huisvesting onderwijs gemeente Lingewaard 2008</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a"><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;</al></li><li nr="b"><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair
                                onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet
                                onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of
                                gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                                grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c"><al>school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d"><al>- school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school
                                voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het
                                primair onderwijs; </al><lijst><li nr="-"><al>school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor
                                        speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet
                                        speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                        expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet
                                        speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de
                                        expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal
                                        onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                        expertisecentra; </al></li><li nr="-"><al>school voor voortgezet onderwijs: school of
                                        scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                        onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                        onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                        praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van de
                                        Wet op het voortgezet onderwijs. </al></li></lijst></li><li nr="e"><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge
                                artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76a of
                                artikel 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel 75 van de
                                Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is
                                gebracht;</al></li><li nr="f"><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld
                                in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="g"><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                verordening;</al></li><li nr="h"><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in
                                artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="i"><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding van
                                een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een
                                voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft
                                ingediend;</al></li><li nr="j"><al>aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om
                                bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="k"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                                bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk
                                is;</al></li><li nr="l"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                                bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                noodzakelijk is;</al></li><li nr="m"><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en
                                de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren als
                                volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="n"><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp
                                en de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als
                                volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="o"><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                lichamelijke oefening;</al></li><li nr="p"><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel 95
                                van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de
                                expertisecentra, artikel 76f van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs;</al></li><li nr="q"><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                maatschappelijke of recreatieve doeleinden. </al></li><li nr="r"><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op
                                het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra,
                                artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="s"><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde
                                staten in een geschil als bedoeld in artikel 110 , tweede lid van de
                                Wet op het primair onderwijs, artikel 108 , tweede lid van de Wet op
                                de expertisecentra, artikel 76u , tweede lid van de Wet op het
                                voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="t"><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel
                                110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op
                                de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet
                                onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                        onderscheiden:</al><lijst><li nr="a"><al>de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                                bestaande uit:</al><lijst><li nr="1"><al>° nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                        rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel
                                        nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                        gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                        dezelfde locatie;</al></li><li nr="2"><al>° uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                        gehuisvest;</al></li><li nr="3"><al>° gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                        gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="4"><al>° verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten
                                        behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="5"><al>° terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder
                                        a sub 1o tot en met 4o omschreven voorziening;</al></li><li nr="6"><al>° inrichting met onderwijsleerpakket [invullen voor vwo, avo
                                        en vbo: of met leer- en hulpmiddelen] voor zover deze nog
                                        niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in
                                        aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="7"><al>° inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder
                                        voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                        gebracht;</al></li><li nr="8"><al>° medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een
                                        gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en
                                        medegebruik van een gymnastiekruimte [invullen voor bepaalde
                                        soorten (v)so: en een bad voor watergewenning of
                                        bewegingstherapie]; </al></li></lijst></li><li nr="b"><al>aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten
                                zoals onderscheiden in bijlage I ;</al></li><li nr="c"><al>onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een
                                school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bestaande uit een of
                                meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I;</al></li><li nr="d"><al>herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw
                                veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten
                                gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                                onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                                wanprestatie;</al></li><li nr="e"><al>herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                                onderwijsleerpakket of leer- en hulpmiddelen en meubilair ingeval
                                van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="f"><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd
                                gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten behoeve van het
                                onderwijs in lichamelijke oefening. </al></li></lijst><al>Artikel 3 Bouwvoorbereiding voorzieningen </al><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a1° en a2° kan
                        een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding. Hierop
                        is het bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing.</al><al>Artikel 4 Vaststelling vergoeding voorzieningen</al><lijst><li nr="1"><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                                toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de
                                vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde
                                bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per
                                geval. </al></li><li nr="2"><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                inachtneming van het bepaalde in bijlage IV , deel A. De
                                vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV,
                                deel B.</al></li><li nr="3"><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                bedoeld in artikel 2, onder a6°, a7°en a8° Deel B van bijlage IV is
                                van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder
                                a1° tot en met a5°, b tot en met f en bij toekenning van bekostiging
                                voor de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3.</al></li></lijst><al>Artikel 5 Informatieverstrekking</al><lijst><li nr="1"><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening. </al></li><li nr="2"><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                gegevensverstrekking.</al></li><li nr="3"><al>Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                                college vastgesteld formulier. </al></li></lijst><al>Hoofdstuk 2 Programma en overzicht</al><al>Paragraaf 2.1 Aanvragen programma</al><al>Artikel 6 Indiening aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma wordt
                                voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het betreffende
                                programma door het bevoegd gezag ingediend bij het college. Hierbij
                                wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid, neemt
                                het college niet in behandeling.</al></li><li nr="3."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan voor
                                onderhoudsaanvragen gebaseerd op het meerjarenonderhoudsprogramma in
                                overleg met de schoolbesturen een afwijkende procedure vaststellen,
                                mits de gemeenteraad voor deze aanvragen voldoende gelden in de
                                begroting heeft gereserveerd. </al></li></lijst><al>Artikel 7 Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                        behandelen onvolledige aanvraag</al><lijst><li nr="1"><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a"><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b"><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c"><al>de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                        gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d"><al>welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e"><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                        voorziening; </al></li><li nr="f"><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                        voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                aanvraag vergezeld van:</al><lijst><li nr="a"><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in
                                        artikel 2, onder a onderdelen 6° tot en met 8° en artikel 2,
                                        onder d, e en f; </al></li><li nr="b"><al>de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                        moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft
                                        als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1° tot en met
                                        4°;</al></li><li nr="c"><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt,
                                        indien het een voorziening betreft bestaande uit:</al><lijst><li nr="1"><al>° nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke
                                                vervanging van een gebouw;</al></li><li nr="2"><al>° onderhoud aan een gebouw van een school voor
                                                basisonderwijs of van een school voor (voortgezet)
                                                speciaal onderwijs, of;</al></li><li nr="3"><al>° herstel van een constructiefout.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
                        vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname'.</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="d"><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
                                        voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                        voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin van toepassing is;</al></li><li nr="e"><al>een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                        indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                        vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld
                                        in artikel 27.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Het college stelt de aanvrager voor <cursief>15 februari</cursief>
                                schriftelijk op de hoogte van het ontbreken van gegevens, als
                                bedoeld in het eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot
                                    <cursief>15 maart</cursief> in de gelegenheid gesteld de
                                ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de vereiste gegevens niet
                                voor <cursief>15 maart</cursief> zijn verstrekt, neemt het college
                                de aanvraag niet in behandeling.</al></li><li nr="4"><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van 1
                                oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt, dan
                                zendt de aanvrager het college onverwijld een afschrift van de
                                jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op
                                de wettelijke teldatum staat ingeschreven op de betrokken school.
                                Indien het college het afschrift niet binnen een week na de
                                wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit
                                schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de
                                gelegenheid gesteld het afschrift binnen drie dagen na de datum van
                                ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien het
                                afschrift niet binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is
                                verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst><al>Artikel 8 Opgave ingediende aanvragen</al><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de
                        ingevolge artikel 6 <cursief>en artikel 25</cursief> ingediende aanvragen en
                        geeft daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                        genomen.</al><al>Paragraaf 2.2 Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                        overzicht</al><al>Artikel 9 Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</al><lijst><li nr="1"><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe te
                                lichten.</al></li><li nr="2"><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de aanvraag
                                een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 4, derde lid,
                                laatste volzin van toepassing is en het college van oordeel is dat
                                de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting dient te worden
                                aangepast. Het college geeft in het voorstel tot vaststelling van
                                het bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in paragraaf
                                2.3, onder vermelding van de redenen, aan wanneer er in het overleg
                                geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde
                                bedrag. Het college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het
                                geraamde bedrag aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt
                                uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></li></lijst><al>Artikel 10 Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</al><lijst><li nr="1"><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden
                                de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld
                                hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar
                                voren te brengen.</al></li><li nr="2"><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken
                                voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis
                                gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud
                                van het voorstel. Zij worden hierbij tevens in kennis gesteld van de
                                voorgenomen inhoud van het voorstel. </al></li><li nr="3"><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde
                                datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het
                                college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis. </al></li><li nr="4"><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde
                                gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig
                                ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van de
                                reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag wordt
                                toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="5"><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de Onderwijsraad
                                over het voorstel met betrekking tot de voorgenomen inhoud van het
                                programma, in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid
                                van inrichting, maakt dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in
                                het eerste lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk
                                gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het advies van
                                de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het verband
                                aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de
                                vrijheid van inrichting.</al></li><li nr="6"><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het overleg
                                in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen over
                                een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het schriftelijke
                                verzoek om advies en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen
                                maken deel uit van het verslag van het overleg als bedoeld in het
                                vierde lid.</al></li><li nr="7"><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies bij
                                de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de Onderwijsraad alle
                                stukken ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek,
                                waaronder het schriftelijk verslag van het overleg.</al></li><li nr="8"><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk opvolgen
                                van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een of meer
                                inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het
                                programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij
                                de toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een
                                nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of
                                nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van het
                                afschrift van het advies van de Onderwijsraad. </al></li><li nr="9"><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee
                                weken plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan
                                de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt van dit overleg een
                                verslag en voegt dit toe aan het verslag als bedoeld in het vierde
                                lid.</al></li></lijst><al>Paragraaf 2.3 Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</al><al>Artikel 11 Tijdstip vaststelling</al><lijst><li nr="1"><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding
                                van de aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan
                                worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per
                                voorziening.</al></li><li nr="2"><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31
                                december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                valt.</al></li></lijst><al>Artikel 12 Inhoud programma</al><lijst><li nr="1"><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen
                                van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra
                                en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het programma.
                                Daarbij past het college de regels toe met betrekking tot: </al><lijst><li nr="a"><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I; </al></li><li nr="b"><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ; </al></li><li nr="c"><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in
                                        bijlage III. Van de voor plaatsing op het programma in
                                        aanmerking komende voorzieningen neemt het college, aan de
                                        hand van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V,
                                        uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover het
                                        bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste
                                        lid, toereikend zijn. </al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma af
                                te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage
                                V.</al></li><li nr="3"><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt,
                                voor zover van toepassing, door het college aangegeven: </al><lijst><li nr="a"><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A voor
                                        de betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld; </al></li><li nr="b"><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de
                                        voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin; </al></li><li nr="c"><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                        buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen. </al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 13 Inhoud overzicht</al><lijst><li nr="1"><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het
                                bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn
                                opgenomen.</al></li><li nr="2"><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen
                                wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen.
                            </al></li></lijst><al>Artikel 14 Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                        programma en overzicht</al><lijst><li nr="1"><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt binnen
                                twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het
                                college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de
                                bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling over de
                                besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="2"><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd met
                                de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></li></lijst><al>Paragraaf 2.4 Uitvoering programma</al><al>Artikel 15 Overleg wijze van uitvoering</al><lijst><li nr="1"><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering van
                                de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg wordt
                                alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de
                                voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing, afspraken
                                gemaakt over:</al><lijst><li nr="a"><al>het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                        onderwijs, <cursief>de Wet op de Expertisecentra en de Wet
                                            op het voortgezet onderwijs</cursief>;</al></li><li nr="b"><al>het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting
                                        door de aanvrager;</al></li><li nr="c"><al>een andere wijze van uitvoering van het besluit met
                                        inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag; </al></li><li nr="d"><al>de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing
                                        van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in
                                        verband met wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                        omstandigheden als bedoeld in artikel 16;</al></li><li nr="e"><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over de
                                        besteding van de beschikbaar te stellen middelen.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, dan
                                geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de
                                uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van
                                toepassing, gezien de aard van de voorziening, de gestelde
                                richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht genomen. </al></li><li nr="3"><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet
                                tot overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast
                                in een verslag, dat het binnen vier weken na afloop van het overleg
                                ter kennis van de aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk
                                instemt met het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet
                                schriftelijk heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud
                                van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                overeenstemming te zijn bereikt.</al></li><li nr="4"><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16,
                                vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan
                                nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="5"><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het derde
                                lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het
                                verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager.
                                Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de
                                voorziening geen aanvang zal nemen.</al></li></lijst><al>Artikel 16 Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                        bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                        omstandigheden; overlegging offertes </al><lijst><li nr="1"><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid, is
                                bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient
                                de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken, de
                                bouwplannen, de desbetreffende begroting en een aanduiding van het
                                tijdstip waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                                instemming in bij het college.</al></li><li nr="2"><al>Binnen <cursief>zes weken</cursief> na ontvangst van de stukken
                                beslist het college over de instemming met de bouwplannen, de
                                desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een
                                aanvang neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                                aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet binnen
                                deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend
                                met de bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan op
                                het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college deelt de
                                beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het
                                tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen twee weken
                                na de datum van de beslissing schriftelijk mee aan de
                                aanvrager.</al></li><li nr="3"><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college
                                eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school
                                verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van
                                de vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend zijn
                                gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het college ingrijpende
                                wijziging van de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog
                                niet voor bekostiging in aanmerking.</al></li><li nr="4"><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting, de
                                toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde
                                voorschriften, en de toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en
                                omstandigheden kunnen achterwege blijven als dat naar het oordeel
                                van het college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan mededeling
                                aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in artikel 15.</al></li><li nr="5"><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van een
                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. De
                                beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft dan
                                uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de
                                genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
                            </al></li><li nr="6"><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als bedoeld
                                in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft ingestemd, overlegt
                                de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken als
                                bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het college de aan de
                                aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de
                                voorziening. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van
                                de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld
                                voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee
                                weken na de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></li></lijst><al>Artikel 17 Aanvang bekostiging</al><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede lid of
                        artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                        neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling van de gelden in termijnen
                        plaatsvindt. De beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op
                        een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                        verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het programma
                        geplaatste voorziening. </al><al>Artikel 18 Vervallen aanspraak op bekostiging</al><lijst><li nr="1"><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de
                                aanvrager niet vóór <cursief>1 oktober</cursief> van het jaar
                                volgend op de vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft
                                verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft
                                gesloten en een afschrift hiervan niet voor <cursief>15
                                    oktober</cursief> daaropvolgend aan het college is gezonden. De
                                in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en
                                vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in
                                het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De
                                in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een
                                huur- of erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van
                                inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst. Een
                                koopovereenkomst vermeldt de datum van aankoop.</al></li><li nr="2"><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding
                                van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door
                                bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
                                rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk
                                gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn, als bedoeld in
                                het eerste lid, bij het college heeft ingediend.</al></li><li nr="3"><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot verlenging
                                van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het
                                besluit aangegeven tot welke datum de termijn als bedoeld in het
                                eerste lid wordt verlengd.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 3 Aanvragen met spoedeisend karakter</al><al>Paragraaf 3.1 Aanvraag</al><al>Artikel 19 Indiening aanvraag</al><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting die gelet
                        op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, kan worden
                        ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het
                        college vastgesteld aanvraagformulier.</al><al>Artikel 20 Inhoud aanvraag</al><lijst><li nr="1"><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de
                                volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a"><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de
                                        voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;</al></li><li nr="b"><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon
                                        worden aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen
                                        programma;</al></li><li nr="c"><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in
                                        artikel 2 onder a, onderdelen 6o tot en met 8o en artikel 2
                                        onder d, e en f;</al></li><li nr="d"><al>een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien
                                        het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde
                                        lid, laatste volzin.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na
                                datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de
                                aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de
                                ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag
                                niet te behandelen.</al></li></lijst><al>Paragraaf 3.2 Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</al><al>Artikel 21 Tijdstip beslissing</al><lijst><li nr="1"><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag
                                of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of
                                hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na de datum van de
                                beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld
                                door het college.</al></li><li nr="2"><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden gegeven,
                                stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij
                                een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
                                worden gezien.</al></li></lijst><al>Artikel 22 Inhoud beslissing</al><lijst><li nr="1"><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de
                                voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de
                                in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet
                                op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de regels toe
                                met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a"><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I ;</al></li><li nr="b"><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;</al></li><li nr="c"><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                        bijlage III .</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                omvatten. </al></li><li nr="3"><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde
                                in bijlage IV , deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar
                                wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een
                                voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                volzin. Bij de beschikking stelt het college vast voor welke datum
                                een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een
                                afschrift daarvan aan de raad moet zijn toegezonden. Binnen
                                    <cursief>vier</cursief> maanden na de datum van de beschikking
                                door het college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een
                                koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></li></lijst><al>Artikel 23 Uitvoering beslissing</al><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste lid,
                        waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk
                        in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van overeenkomstige
                        toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, genoemd in
                        artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een termijn van <cursief>drie
                            weken</cursief> geldt. Hiervoor moet worden gelezen drie weken.</al><al>Artikel 24 Vervallen aanspraak bekostiging</al><lijst><li nr="1"><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde tijdstippen
                                een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is
                                gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten
                                aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 18, eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2"><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding
                                van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die
                                niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk
                                vier weken voor het verstrijken van deze datum een schriftelijk
                                gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging
                                van de termijn.</al></li><li nr="3"><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging op
                                totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college het
                                verzoek inwilligt, noemt de raad een nieuwe datum waarop de
                                aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek
                                afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als
                                vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 4 Bekostiging bouwvoorbereiding</al><al>Artikel 25 Aanvraag</al><lijst><li nr="1"><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                                plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                                aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
                                college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                                aanbesteding van die voorziening. </al></li><li nr="2"><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand
                                aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt
                                gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></li><li nr="3"><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a"><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b"><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c"><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding
                                        wordt gewenst;</al></li><li nr="d"><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de
                                        gewenste locatie van de voorziening;</al></li><li nr="e"><al>het gewenste tijdstip van realisering van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f"><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten;</al></li><li nr="g"><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de
                                        vervanging blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter
                                        vervanging van een bestaand gebouw. Bij de rapportage wordt
                                        gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde
                                        formulier 'Bouwkundige opname';</al></li><li nr="h"><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid,
                                        indien de bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als
                                        een voorziening bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin.</al></li></lijst></li><li nr="4"><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                                lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                                aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de
                                gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is
                                daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 26 Toelichting en overleg aanvraag</al><lijst><li nr="1"><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                                overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige lid, is het
                                bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2"><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met
                                de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als
                                bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en
                                vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 27 Beschikking op aanvraag</al><lijst><li nr="1"><al>Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></li><li nr="2"><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a"><al>er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                        bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;</al></li><li nr="b"><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende
                                        vaststaat;</al></li><li nr="c"><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het
                                        gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging in aanmerking
                                        kan worden gebracht. </al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld,
                                echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn
                                financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft ingeschakeld
                                bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college
                                maken afspraken over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het
                                bedrag.</al></li><li nr="4"><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing
                                van de voorziening op enig toekomstig programma. </al></li></lijst><al>Artikel 28 Vervallen aanspraak bekostiging</al><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                        aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin
                        de beschikking is genomen, daadwerkelijk is gestart met de bouwvoorbereiding
                        en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft verstrekt aan het
                        college waaruit dit blijkt.</al><al>Hoofdstuk 5 Medegebruik en verhuur</al><al>Paragraaf 5.1 Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</al><al>Artikel 29 Aanduiding omstandigheden</al><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw of
                        terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a"><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en
                                het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel
                                6 of 19 voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="b"><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere
                                huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de
                                behoefte aan huisvesting kan worden voorzien;</al></li><li nr="c"><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
                                beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of
                                instelling gangbare berekeningswijze;</al></li><li nr="d"><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;</al></li><li nr="e"><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school.</al></li></lijst><al>Artikel 30 Omschrijving leegstand</al><lijst><li nr="1"><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a"><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                        basisonderwijs <cursief>of voor (voortgezet) speciaal
                                            onderwijs</cursief>, indien uit de vergelijking van het
                                        aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals
                                        berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit
                                        van het gebouw in vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                        zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A, blijkt
                                        dat er ten minste een aantal vierkante meters
                                        bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage III,
                                        deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de daar
                                        gevestigde school of scholen;</al></li><li nr="b"><al><cursief>wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                            voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de
                                            ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III,
                                            deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld
                                            op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een
                                            overschot is aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte
                                            tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of
                                            de lesroosters voor het lopende of eerstkomende
                                            schooljaar aantoont dat er binnen het overschot aan
                                            vierkante meters bruto-vloeroppervlakte geen sprake is
                                            van onderbenutting van de
                                        onderwijsruimten.</cursief></al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a"><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een
                                        of meer scholen voor basisonder-wijs of voor (voortgezet)
                                        speciaal onderwijs, indien de som van het aantal klokuren
                                        gebruik dat door het college wordt vergoed minder is dan 40
                                        klokuren; </al></li><li nr="b"><al>wanneer het een gebouw betreft van een school voor
                                        voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis van
                                        bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het gebouw
                                        lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis
                                        van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of
                                        eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval
                                        is;</al></li><li nr="c"><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een
                                        of meer scholen voor basisonderwijs, voor (voortgezet)
                                        speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, indien de som
                                        van de berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal
                                        klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 31 Nalaten vordering; volgorde van vorderen</al><lijst><li nr="1"><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van medegebruik
                                indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het
                                beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven
                                aan een andere school of scholen ten behoeve van het onderwijs aan
                                die school of scholen. </al></li><li nr="2"><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan
                                die scholen reeds ter beschikking staande huisvestingscapaciteit.
                            </al></li><li nr="3"><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:</al><lijst><li nr="a"><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in
                                        gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                        tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                        leegstand in een ander gebouw een betere oplossing
                                        biedt;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een
                                        school van dezelfde richting is gehuisvest en</al></li><li nr="c"><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het
                                        dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten
                                        behoeve waarvan de vordering plaatsvindt. </al></li></lijst></li><li nr="4"><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in
                                het derde lid opgenomen volgorde afwijken. </al></li></lijst><al>Artikel 32 Overleg en mededeling</al><lijst><li nr="1"><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van
                                leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het college
                                daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand
                                gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is
                                bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
                                artikel 10.</al></li><li nr="2"><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld
                                in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze
                                mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg
                                te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben. </al></li><li nr="3"><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in
                                het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert het
                                college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag
                                waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                huisvesting is bestemd. </al></li><li nr="4"><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid, doet
                                het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd
                                gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden
                                afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen
                                bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></li><li nr="5"><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a"><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve
                                        waarvan wordt gevorderd;</al></li><li nr="b"><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan
                                        gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in
                                        lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat gevorderd
                                        wordt;</al></li><li nr="c"><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking
                                        heeft;</al></li><li nr="d"><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat
                                        gevorderd wordt;</al></li><li nr="e"><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van
                                        het medegebruik. </al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 33 Vergoeding</al><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling overleg, met
                        inachtneming van de wettelijke bepalingen, een vergoeding voor het
                        medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, geldt
                        het bepaalde in bijlage IV , deel C.</al><al>Paragraaf 5.2 Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                        recreatieve doeleinden</al><al>Artikel 34 Aanduiding omstandigheden</al><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a"><al>er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte
                                zoals bedoeld in artikel 30;</al></li><li nr="b"><al>er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school
                                voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de school
                                of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst><al>Artikel 35 Overleg en mededeling</al><lijst><li nr="1"><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met
                                het bevoegd gezag. </al></li><li nr="2"><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a"><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></li><li nr="b"><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                        onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c"><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te
                                        voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde
                                        school hinder van het medegebruik ondervindt;</al></li><li nr="d"><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een
                                        redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e"><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang
                                        kan nemen.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Binnen <cursief>vier weken</cursief> na afloop van het overleg, als
                                bedoeld in het eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling
                                van de vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het
                                overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
                                geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot overeenstemming
                                heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college over
                                deze punten. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft
                                geen bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke
                                mededeling als hier bedoeld worden afgezien.</al></li></lijst><al>Paragraaf 5.3 Verhuur</al><al>Artikel 36 Toestemming college</al><lijst><li nr="1"><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                toestemming voor de verhuur aan het college.</al></li><li nr="2"><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een
                                aanduiding van de huurder, en de bestemming van de te verhuren
                                ruimte. </al></li><li nr="3"><al>Het college verleent geen toestemming indien:</al><lijst><li nr="a"><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                        bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs,
                                        Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs
                                        of;</al></li><li nr="b"><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                        school.</al></li></lijst></li></lijst><al>Hoofdstuk 6 Einde gebruik gebouwen en terreinen</al><al>Artikel 37 Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</al><lijst><li nr="1"><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                                voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo
                                spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de
                                door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte
                                of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de
                                beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                                gezamenlijke akte. </al></li><li nr="2"><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het
                                eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag
                                behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een
                                staat van onderhoud opgemaakt. </al></li><li nr="3"><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college
                                na overleg met het bevoegd gezag. </al></li><li nr="4"><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                                deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt
                                uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald
                                wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze gevolgd wordt. </al></li><li nr="5"><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is. </al></li></lijst><al>Hoofdstuk 7 Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet)
                        speciaal onderwijs</al><al>Artikel 38 Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                        inroostering gebruik</al><lijst><li nr="1"><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school
                                voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor
                                    <cursief>1 april</cursief> voorafgaande aan het volgende
                                schooljaar een opgave van de voor dat schooljaar voor de school
                                gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave
                                bevat de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a"><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in
                                        een aantal klokuren; </al></li><li nr="b"><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                        gebruik wordt gewenst; </al></li><li nr="c"><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een
                                        schoolweek wordt gewenst. </al></li></lijst></li><li nr="2"><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als
                                een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                                afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel
                                van toepassing is. </al></li><li nr="3"><al>Het college stelt jaarlijks voor <cursief>1 mei</cursief>
                                voorafgaande aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de
                                ingediende opgaven een voorstel tot inroostering vast van het
                                onderwijsgebruik door scholen voor basisonderwijs <cursief>en
                                    (voortgezet) speciaal onderwijs</cursief> van de op het
                                grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt
                                het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare
                                capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een
                                capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte. </al></li><li nr="4"><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                inroostering het volgende in acht: </al><lijst><li nr="a"><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen
                                        in bijlage I, deel B; </al></li><li nr="b"><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand
                                        gehouden school dat eige-naar is van een gymnastiekruimte
                                        wordt voor de betreffende school het eerste ingeroosterd
                                        voor die gymnastiekruimte; </al></li><li nr="c"><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één gymnastiekruimte. </al></li></lijst></li><li nr="5"><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                basisonderwijs <cursief>en (voortgezet) speciaal onderwijs</cursief>
                                de volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a"><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in
                                        een gymnastiekruimte; </al></li><li nr="b"><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                        gedurende welke het on-derwijsgebruik plaatsvindt; </al></li><li nr="c"><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                                        gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één
                                        gymnastiekruimte plaatsvindt; </al></li><li nr="d"><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het
                                        aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging
                                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs <cursief>en
                                            (voortgezet) speciaal onderwijs </cursief>voor
                                        bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt
                                        vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd
                                        gezag van de school. Het college neemt het aantal klokuren
                                        als bedoeld in dit lid onder d slechts op in het voorstel
                                        tot inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit
                                        beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale
                                        klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in
                                        aanmerking komt. </al></li></lijst></li><li nr="6"><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen
                                    <cursief>twee weken</cursief> na vaststelling toegezonden aan de
                                bevoegde gezagsorganen voor basisonderwijs<cursief> en (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs</cursief>. De bevoegde gezagsorganen worden
                                daarbij uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg
                                vindt plaats binnen <cursief>twee weken</cursief> na toezending van
                                het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de
                                bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                                voorstel tot inroostering. </al></li><li nr="7"><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                                het college voor <cursief>15 juni</cursief> volgend op de genoemde
                                datum in het derde lid, de definitieve inroostering vast van het
                                ge-bruik van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar.
                                Indien het college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg
                                als bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan
                                wordt dit gemotiveerd. </al></li><li nr="8"><al>Binnen <cursief>twee weken </cursief>na vaststelling van de
                                inroostering ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een
                                schriftelijke mededeling van het college over de inroostering in de
                                beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag staande
                                school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze mededeling is
                                te beschouwen als een beslissing in de zin van artikel 22 en, indien
                                van toepassing, een beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid.
                            </al></li></lijst><al>Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen</al><al>Artikel 40 Aanspraken op basis van deze verordening</al><al>De capaciteit van de schoolgebouwen in de gemeente Lingewaard worden geacht
                        ten tijde van het</al><al>vaststellen van deze verordening voldoende te zijn. Aanvullende
                        ruimtebehoefte op basis van het nieuwe ruimtebehoeftemodel wordt met ingang
                        van 2010 uitsluitend toegekend op basis van een toename van het aantal
                        leerlingen, als deze toename op basis van de oude verordening eveneens zou
                        leiden tot het toekennen van aanvullende capaciteit.</al><al>Artikel 41 Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                        voorziet</al><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                        verordening niet voorziet, beslist het college.</al><al>Artikel 42 Indexering</al><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde
                        normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in
                        bijlage IV , deel A opgenomen prijsindexen en systematiek van
                        prijsbijstelling.</al><al>Artikel 43 Citeertitel; inwerkingtreding</al><lijst><li nr="1"><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                huisvesting onderwijs gemeente Lingewaard 2009.</al></li><li nr="2"><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na
                                publicatie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al> Bijlagen<vet>, </vet></al><al><vet>behorende bij het besluit van de raad van Lingewaard d.d. 28 mei 2009
                            tot vaststelling van een nieuwe verordening</vet></al><al>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</al><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                        voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                        bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van
                        aangevraagde voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><lijst><li nr="·"><al>deel A: lesgebouwen;</al></li><li nr="·"><al>deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al></li></lijst><al>DEEL A Lesgebouwen</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2, en 1.9c worden niet
                        noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                        bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het
                        bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.</al><al>1.1<vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b"><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                                zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                                verwacht of</al></li></lijst><al>2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                        dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                        voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                        vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al><al>chet afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te
                        maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                        hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>1.2<vet>Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                                zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als
                                bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten
                                opzichte van de levensduurverlenging);</al></li><li nr="b"><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                                zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                                verwacht of 2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn
                                en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden
                                verwacht en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a"><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                                beoordeling van het college;</al></li><li nr="b"><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                                herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c"><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                                noodzakelijk is. </al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat
                        het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten
                        plaats.</al><al>1.3<vet>Uitbreiding</vet></al><al>1.3.1<vet>Uitbreiding algemeen</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                                zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage
                                III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond
                                van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C
                                genoemde drempelwaarde overschrijdt, en</al></li><li nr="b"><al>1 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    aaneengesloten jaren</cursief> voor een voor blijvend gebruik
                                bestemde uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of
                                2 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vier aaneengesloten
                                    jaren</cursief> voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                uitbreiding deze leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of 3 het
                                feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag
                                aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal
                                    <cursief>vier aaneengesloten jaren</cursief> binnen het gebouw
                                of de gebouwen kunnen worden gehuisvest en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen <cursief>2000 meter</cursief> hemelsbreed een
                                passende extra huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>1.3.2<vet>Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een
                                    speellokaal</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar
                                worden toegelaten;</al></li><li nr="b"><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de
                                vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien
                                jaren zal blijven bestaan en </al></li><li nr="c"><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is,
                                terwijl</al></li><li nr="d"><al>medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                                hemelsbreed niet mogelijk is en</al></li><li nr="e"><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het
                                college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand
                                verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de
                                genormeerde bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van
                                bijlage III, deel A, inpandig een speellokaal te maken.</al><al>1.4<vet>Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt of 2 het feit dat het huidige
                                gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt,
                                terwijl</al></li><li nr="b"><al>1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                                voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                                voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                                minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of 2 de
                                te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                                een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                                voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                                minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                                realiseren;</al></li><li nr="d"><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw
                                aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                                verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                                opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><al>1.5<vet>Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a"><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II
                                een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren
                                is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een
                                afstand van meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien,
                                terwijl</al></li><li nr="b"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                                en</al></li><li nr="c"><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten
                                van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen
                                en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al>1.6<vet>Terrein</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                        verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                        uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                        toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                        voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al>1.7<vet>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                        blijkt uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in
                        de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                        huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                        2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.</al><al><cursief>De noodzaak voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en
                            meubilair van een speellokaal blijkt uit het feit dat een school voor
                            speciaal basisonderwijs uitgebreid wordt met een
                        speellokaal.</cursief></al><al>1.8<vet>Medegebruik </vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                        leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond
                        van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op
                        grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C
                        genoemde drempelwaarde overschrijdt.</al><al>1.9<vet>Aanpassing </vet></al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                anders niet geschikt is voor het basisonderwijs, gelet op de eisen
                                gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b"><al>een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of
                                om, afgezien van een speellokaal, een gebouw van een speciale school
                                voor basisonderwijs geschikt te maken voor kinderen jonger dan zes
                                jaar;</al></li><li nr="c"><al>creëren speellokaal binnen het gebouw van een school voor speciaal
                                basisonderwijs;</al></li><li nr="d"><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                                regelgeving;</al></li><li nr="e"><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties; en</al></li><li nr="f"><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                                aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen;</al></li><li nr="g"><al>aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen.</al></li></lijst><al><vet>Ad a</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van
                        het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                        genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                        huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel
                        tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te
                        verwezenlijken zijn.</al><al><vet>Ad b</vet></al><al>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te
                        kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal
                        leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat
                        binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte
                        aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier-
                        en vijfjarigen of zes- tot twaalfjarigen. De noodzaak voor een
                        integratieverbouwing in een gebouw van een speciale school voor
                        basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger dan zes jaar
                        worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt is voor
                        het onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.</al><al><vet>Ad c</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale school
                        voor basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte
                        groter dan 56 m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een
                        speellokaal van een school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast is de
                        noodzaak afhankelijk van het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen
                        jonger dan zes jaar worden toegelaten. Indien het inpandig creëren van een
                        speellokaal meer kost dan een uitbreiding, zulks ter beoordeling van het
                        college, op grond van bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de
                        gevraagde voorziening is.</al><al><vet>Ad d</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                        gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte
                        termijn moet worden opgeheven.</al><al><vet>Ad e</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                        noodzakelijk is.</al><al><vet>Ad f</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                        gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                        voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                        traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige
                        organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op
                        de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn
                        en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                        dat gedurende ten minste <cursief>vijftien jaren</cursief> voldoende
                        leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                        Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang
                        van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                        verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere,
                        goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al><vet>Ad g </vet></al><al>De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a"><al>de aanpassing nog niet eerder is toegekend, en</al></li><li nr="b"><al>bij de bouw van het gebouw geen rekening is gehouden met
                                onderwijskundige vernieuwingen, en</al></li><li nr="c"><al>het een permanent gebouw betreft, en</al></li><li nr="d"><al>het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaat.</al><al>1.10<vet> Onderhoud</vet></al></li></lijst><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in
                                het overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b"><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                                hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c"><al>algehele vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor
                                centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat. Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.
                        Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                        II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                        indien:</al><lijst><li nr="a"><al>het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan de in
                                bijlage II gestelde vereisten, nog ten minste vier jaar voor de
                                school nodig is; en</al></li><li nr="b"><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                                medegebruik binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed.</al><al>1.11<vet> Herstel van constructiefouten</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout. </al><al><vet>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                            en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd. </al><al>2School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                        geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                        onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen.Slechts in
                        bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het
                        bevoegd gezag en ter beoordeling van het college. </al><al>2.1<vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging
                                voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; </al></li><li nr="b"><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                                zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                                verwacht of 2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn
                                of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen
                                kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren.</al><al>2.2<vet>Vervangende bouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                                zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals
                                bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten
                                opzichte van de verlenging van de levensduur);</al></li><li nr="b"><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen
                                zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                                verwacht of 2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn
                                en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden
                                verwacht en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a"><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                                beoordeling van het college;</al></li><li nr="b"><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                                herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c"><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                                noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat
                        het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten
                        plaats.</al><al>2.3<vet>Uitbreiding</vet></al><al>2.3.1<vet>Uitbreiding algemeen</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat er ten minste zoveel te huisvesten leerlingen aanwezig
                                zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van bijlage
                                III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond
                                van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C
                                genoemde drempelwaarde overschrijdt, en</al></li><li nr="b"><al>1 het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    aaneengesloten jaren</cursief> voor een voor blijvend gebruik
                                bestemde uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht of 2 het
                                feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                                aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vier aaneengesloten
                                    jaren</cursief> voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                uitbreiding deze leerlingen kunnen worden verwacht of 3 het feit dat
                                de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont, dat
                                er leerlingen aanwezig zijn die niet voor maximaal <cursief>vier
                                    aaneengesloten jaren</cursief> binnen het gebouw of de gebouwen
                                kunnen worden gehuisvest en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen <cursief>2000 meter</cursief> hemelsbreed een
                                passende extra huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>2.3.2<vet>Uitbreiding met een speellokaal</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar
                                worden toegelaten;</al></li><li nr="b"><al>het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de
                                vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien
                                jaren zal blijven bestaan en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is,
                                terwijl</al></li><li nr="d"><al>medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                                motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is
                                en,</al></li><li nr="e"><al>evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het
                                college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand
                                verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de
                                genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van
                                bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig een speellokaal
                                te maken.</al><al>2.4<vet>Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>1 het feit dat de minister de desbetreffende school of
                                nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt
                                of 2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of uitbreiding
                                in aanmerking komt, terwijl</al></li><li nr="b"><al>1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                                voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                                voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                                minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of 2 de
                                te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor
                                een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                                voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                                minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                                realiseren;</al></li><li nr="d"><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw
                                aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                                verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                                opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><al>2.5<vet>Verplaatsing bestaande noodlokalen </vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a"><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II
                                een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren
                                is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een
                                afstand van meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien,
                                terwijl</al></li><li nr="b"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                                en</al></li><li nr="c"><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten
                                voor een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal groepen
                                en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al>2.6<vet>Terrein</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                        verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                        uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                        toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                        voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D. </al><al>2.7<vet>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair
                        blijkt uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in
                        de huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                        huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                        2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden. <cursief>De noodzaak
                            voor eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een
                            speellokaal blijkt uit het feit dat de school uitgebreid wordt met een
                            speellokaal.</cursief></al><al>2.8<vet>Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                        leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond
                        van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op
                        grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C
                        genoemde drempelwaarde overschrijdt.</al><al>2.9<vet>Aanpassing </vet></al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                anders niet geschikt is voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                                gelet op de eisen als gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="b"><al>verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten;</al></li><li nr="c"><al>verbouwing van een dislocatie tot hoofdgebouw;</al></li><li nr="d"><al>functieverandering van vaklokalen als gevolg van de keuze voor een
                                ander vak (alleen voortgezet speciaal onderwijs);</al></li><li nr="e"><al>voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en
                                regelgeving; </al></li><li nr="f"><al>vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; en</al></li><li nr="g"><al>het terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het
                                aanbrengen van een traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.</al></li></lijst><al><vet>Ad a</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van
                        het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                        genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                        huisvestingseisen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel
                        tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te
                        verwezenlijken zijn. De noodzaak voor deze activiteit kan ook aanwezig zijn
                        indien een gebouw in gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort.
                        De voorzieningen die dan noodzakelijk zijn, zijn de specifieke voorzieningen
                        voor die onderwijssoort, die nog niet in het gebouw aanwezig zijn.</al><al><vet>Ad b</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal
                        leerlingen zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden
                        beëindigd omdat binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte aanwezig is,
                        terwijl dit gebouw niet is ingericht voor het desbetreffende onderwijs.</al><al><vet>Ad c</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer dan 60
                        leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens de prognose als
                        vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste <cursief>vijftien
                            jaren</cursief> aanwezig zullen zijn en de dislocatie voor
                            <cursief>vijftien jaren of meer</cursief> - gelet op de bouwkundige
                        staat - als hoofdgebouw kan dienen.</al><al><vet>Ad d</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor een
                        ander vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is
                        goedgekeurd.</al><al><vet>Ad e</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                        gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte
                        termijn moet worden opgeheven.</al><al><vet>Ad f</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                        noodzakelijk is.</al><al><vet>Ad g</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                        gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                        voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                        traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige
                        organisatorische maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op
                        de begane grond kan worden gevolgd, respectievelijk gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn
                        en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                        dat gedurende ten minste <cursief>vijftien jaren</cursief> voldoende
                        leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                        Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang
                        van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                        verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd als er geen andere,
                        goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al>2.10<vet> Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in
                                het overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b"><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                                hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c"><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                                centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat. Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.
                        Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                        gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig is.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking
                        indien:</al><lijst><li nr="a"><al>de noodlokalen op basis van een prognose, die voldoet aan de
                                vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaar
                                voor de school nodig zijn; en</al></li><li nr="b"><al>voor de aanwezige leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                                medegebruik elders.</al><al>2.11<vet> Herstel van constructiefouten</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout. </al><al><vet>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                            en meubilair in geval van </vet><vet>bijzondere
                        omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd. </al><al>3School voor voortgezet onderwijs</al><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht
                        voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere
                        omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag
                        en ter beoordeling van het college.</al><al>3.1<vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b"><al>1 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                                zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                                verwacht of 2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn
                                of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen
                                kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren.</al><al>3.2<vet>Vervangende bouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a"><al>voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de
                                bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c,
                                in zo'n slechte/matige conditie zijn dat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten ten
                                opzichte van de levensduurverlenging);</al></li><li nr="b"><al>1 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                                voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                                voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten
                                minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of 2 de
                                te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                                tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                                de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                                jaren dit aantal leerlingen kan worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><lijst><li nr="a"><al>vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                                beoordeling van het college;</al></li><li nr="b"><al>vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                                herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c"><al>vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                                noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat
                        het oude gebouw gesloopt wordt, vindt toekenning van sloopkosten
                        plaats.</al><al>3.3<vet>Uitbreiding</vet></al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de
                                met tien procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen,
                                vastgesteld volgens de regels in bijlage III, deel A - voor de
                                aanwezige capaciteit en bijlage III, deel B - voor de ruimtebehoefte
                                -, aangeeft en de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor
                                blijvend gebruik bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier
                                jaren voor uitbreiding met een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening deze aantallen leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                                geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                                medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting
                                voor de school te realiseren.</al><al>3.4<vet>Ingebruikneming van een bestaand gebouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt of 2 het feit dat het huidige
                                gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt,
                                terwijl</al></li><li nr="b"><al>1 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                                en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                                prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                                gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen
                                worden verwacht of 2 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig
                                zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen
                                leerlingen kunnen worden verwacht en</al></li><li nr="c"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                                realiseren;</al></li><li nr="d"><al>er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw
                                aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt en</al></li><li nr="e"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                                verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                                opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><al>3.5<vet>Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><lijst><li nr="a"><al>er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II
                                een tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren
                                is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een
                                afstand van meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien,
                                terwijl</al></li><li nr="b"><al>er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                                medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren
                                en</al></li><li nr="c"><al>de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte van de kosten
                                voor een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal
                                leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het
                                college.</al><al>3.6<vet>Terrein</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of
                        verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of
                        uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                        toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein
                        voldoet aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al>3.7<vet>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet></al><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair
                        bestaat wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                        huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                        huisvestingscapaciteit van de school. Tevens bestaat aanspraak op een
                        tegemoetkoming in de eerste inrichting- en hulpmiddelen en meubilair indien
                        door middel van een inpandige aanpassing een andere ruimtesoort wordt
                        gecreëerd. Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra
                        inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal leerlingen
                        na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijke
                        aan de fusie deelnemende scholen. </al><al>3.8<vet>Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                        leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit
                        is. De capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij
                        3.3.a.</al><al>3.9<vet>Herstel van constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout. </al><al>3.10<vet> Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen
                            en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al><al>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>1.1<vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed
                                bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                                en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen
                                leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal
                                klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al>1.2<vet>Vervangende bouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                                zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals
                                bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten
                                opzichte van de levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed
                                bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                                en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen
                                leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal
                                klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al>1.3<vet>Uitbreiding</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan
                                140 m2 en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor
                                belemmerd wordt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed
                                bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                                en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen
                                leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal
                                klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al>1.4<vet>Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging
                                in aanmerking brengt of 2 het feit dat het huidige gebouw voor
                                vervanging, conform het gestelde bij 1.2 onder a, in aanmerking komt
                                en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed
                                bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                                en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het
                                college vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                                verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                                opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al><al>1.5<vet>Terrein</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                        uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>1.6<vet>Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder eerste inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs
                                is verstrekt.</al><al>1.7<vet>Eerste inrichting meubilair</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs is
                                verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                                voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder (een deel van) het noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al><al>1.8<vet>Medegebruik</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                        vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen
                        de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al><al>1.9<vet>Aanpassing</vet></al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1"><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de
                                gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                                gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                                gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2"><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                                gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                                gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                                gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3"><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                anders niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen
                                gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4"><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al></li><li nr="5"><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><al><vet>Ad 1</vet></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al><vet>Ad 2</vet></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al><vet>Ad 3</vet></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                        gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                        noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                        gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                        kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al><vet>Ad 4</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                        gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit
                        verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al><vet>Ad 5</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                        noodzakelijk is. Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij
                        noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                        bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                        leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                        Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang
                        van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                        verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                        goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al>1.10<vet> Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in
                                het overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b"><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                                hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c"><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                                centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat. Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.
                        Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de in bijlage
                        II gestelde vereisten, het gebouw nog ten minste vier jaar voor de school
                        nodig is.</al><al><vet>1.11 Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout.</al><al><vet>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                            en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al><vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging
                                voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>1 km</cursief>
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                                speciaal onderwijs, <cursief>2 km</cursief>hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal
                                onderwijs, <cursief>3,5 km</cursief>hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of
                                    <cursief>7,5 km</cursief> hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                                door ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van
                                een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke
                                termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    jaren</cursief> de groepen leerlingen waarvoor het door het
                                college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                                (zullen) zijn.</al><al><vet>Vervangende bouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                                zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals
                                bedoeld in artikel 7, tweede lid onder d, dat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten
                                opzichte van de levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>1
                                km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                                minste 10 groepen speciaal onderwijs, <cursief>2 km</cursief>
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                                voortgezet speciaal onderwijs, <cursief>3,5
                                km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                                minste 6 groepen speciaal onderwijs of <cursief>7,5 km</cursief>
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen
                                speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer
                                gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                                beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    jaren</cursief> de groepen leerlingen waarvoor het door het
                                college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                                (zullen) zijn.</al><al><vet>Uitbreiding</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan
                                    <cursief>140 m2</cursief><cursief> en daardoor het effectief
                                    gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt
                                en</cursief></al></li><li nr="b"><al>h<cursief>et afwezig zijn van mogelijkheden om binnen
                                    </cursief><cursief>1 km</cursief> hemelsbreed bij noodzakelijk
                                gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, <cursief>2
                                    km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door
                                ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, <cursief>3,5
                                    km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door
                                ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of <cursief>7,5
                                km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                                minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer
                                gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                                beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    jaren</cursief> de groepen leerlingen waarvoor het door het
                                college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                                (zullen) zijn.</al><al><vet>Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>1 het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het
                                eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of 2 het feit dat het
                                huidige gebouw voor vervanging, conform het gestelde in 2.2 onder a,
                                in aanmerking komt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>1 km</cursief>
                                hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen
                                speciaal onderwijs, <cursief>2 km</cursief>hemelsbreed bij
                                noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal
                                onderwijs, <cursief>3,5 km</cursief> hemelsbreed bij noodzakelijk
                                gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of <cursief>7,5
                                    km</cursief>hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door
                                ten minste 3 groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of
                                meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                                beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    jaren</cursief> het door het college vastgestelde aantal
                                klokuren aanwezig (zullen) zijn en</al></li><li nr="d"><al>de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                                verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                                opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al><al><vet>Terrein</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                        uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al><vet>Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en
                            </al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder eerste onderwijsleerpakket is verstrekt.</al><al><vet>Eerste inrichting meubilair</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en
                            </al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder eerste inrichting meubilair is verstrekt.</al></li></lijst><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte
                                voor de desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt
                                goedgekeurd en </al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet
                                eerder het specifiek noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al><al><vet>Medegebruik</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                        getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                        huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><al><vet>Aanpassing</vet></al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1"><al>het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de
                                gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                                gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                                gymnastiekruimte;</al></li><li nr="2"><al>het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                                gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief
                                gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                                gymnastiekruimte;</al></li><li nr="3"><al>wijzigingen bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw
                                anders niet geschikt is voor het primair onderwijs gelet op de eisen
                                gesteld in bijlage III, delen A en D;</al></li><li nr="4"><al>voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;</al></li><li nr="5"><al>vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al></li></lijst><al><vet>Ad 1</vet></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al><vet>Ad 2</vet></al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al><vet>Ad 3</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van
                        het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                        genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                        inrichtingseisen voor gymnastiekruimten voor het (voortgezet) speciaal
                        onderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling
                        van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al><vet>Ad 4</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                        gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit
                        verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al><vet>Ad 5</vet></al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                        noodzakelijk is. Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij
                        noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                        bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                        leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                        Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang
                        van het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                        verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                        goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al><vet>Onderhoud</vet></al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit:</al><lijst><li nr="a"><al>onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw voorzover omschreven in
                                het overzicht 'onderhoud primair onderwijs';</al></li><li nr="b"><al>(algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren (inclusief
                                hang- en sluitwerk);</al></li><li nr="c"><al>algehele vervanging van radiatoren, convectors en leidingen voor
                                centrale verwarming.</al></li></lijst><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde
                        gebouwelement of een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                        verkeert volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                        lid, onder c, terwijl regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer
                        volstaat. Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.
                        Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                        aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                        gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste <cursief>vier
                            jaar</cursief> voor de school nodig is.</al><al><vet>2.11 Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout.</al><al><vet>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                            en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd. </al><al>3 <vet>School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al><vet>Nieuwbouw</vet></al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst
                                voor bekostiging in aanmerking brengt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>2000
                                    meter</cursief>hemelsbreed gebruik te maken van een of
                                meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                                beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    jaren</cursief> de leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs
                                noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.</al><al><vet>Vervangende bouw</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                                zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals
                                bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of
                                aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren (in kosten en ten
                                opzichte van de levensduurverlenging) en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen <cursief>2000
                                    meter</cursief>hemelsbreed gebruik te maken van een of
                                meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                                beschikbaar komende gymnastiekruimten en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste <cursief>vijftien
                                    jaren</cursief> de leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs
                                noodzakelijk is, aanwezig zijn.</al><al><vet>Uitbreiding</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan
                                140 m2 en daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte
                                belemmerd wordt en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                                en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen
                                waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig
                                zijn.</al><al><vet>Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging
                                in aanmerking brengt of 2 het feit dat het huidige gebouw voor
                                vervanging, conform het gestelde bij 3.2 onder a, in aanmerking komt
                                en</al></li><li nr="b"><al>het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed
                                gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van
                                binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                                en</al></li><li nr="c"><al>het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage
                                II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen
                                waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn
                                en</al></li><li nr="d"><al>het feit dat de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in
                                redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan
                                ten opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al><al><vet>Terrein</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein
                        blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de
                        uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al><vet>Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                                desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en </al></li><li nr="b"><al>het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog niet eerder
                                eerste inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al><vet>Medegebruik</vet></al><al><vet>Medegebruik gymnastiekruimte</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                        klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in
                        gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><al><vet>Huur van een sportterrein</vet></al><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit:</al><lijst><li nr="a"><al>het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het
                                bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en</al></li><li nr="b"><al>er geen mogelijkheden zijn tot gebruik van een sportveld van een
                                ander bevoegd gezag.</al><al><vet>Herstel constructiefouten</vet></al></li></lijst><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                        rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                        constructiefout.</al><al><vet>Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de
                        opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende
                        gebouw wordt gehinderd.</al><al><vet> I-1</vet></al><al><vet>Overzicht 'Onderhoud PO'</vet></al><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud:</al><lijst><li nr="·"><al>Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten</al></li><li nr="·"><al>Vervangen buitenberging c.q. dak buitenberging.</al></li><li nr="·"><al>Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.</al></li><li nr="·"><al>Vervangen brandtrap.</al></li><li nr="·"><al>Vervangen erfscheiding.</al></li><li nr="·"><al>Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.</al></li><li nr="·"><al>Vervangen binnenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                                (renovatie-activiteit).</al></li><li nr="·"><al>Vervangen buitenkozijnen inclusief hang- en sluitwerk
                                (renovatie-activiteit).</al></li><li nr="·"><al>Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen
                                (renovatie-activiteit).</al></li><li nr="·"><al>Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.</al></li><li nr="·"><al>Vervangen boeiboorden.</al></li></lijst><al>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van
                        leerlingprognoses</al><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als
                        bedoeld in artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en
                        artikel 25, derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste
                        vijftien jaren te starten met het gewenste jaar van bekostiging. In bijlage
                        I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van welke
                        prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat voor
                        (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                        terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk
                        zijn om het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                        korte-termijnprognose. </al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen
                        van de school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden
                        met:</al><lijst><li nr="a"><al>het voedingsgebied of de voedingsgebieden;</al></li><li nr="b"><al>de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c"><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele
                                uitbreiding van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d"><al>de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de
                                bevolking als gevolg van migratie, sterfte en geboorte;</al></li><li nr="e"><al>de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                                woningvoorraad;</al></li><li nr="f"><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor
                                de school en</al></li><li nr="g"><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>De prognose is niet meer dan twee jaar oud. De prognose omvat in elk geval
                        de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode van 6 jaar (de
                        analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de indiening
                        van de aanvraag. Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit
                        het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken:
                        zal zijn). Voor een basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een
                        beschrijving geleverd van het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een
                        speciale school voor basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en
                        het voortgezet onderwijs kan, indien het voedingsgebied zich over de
                        gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten
                        die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij aanlevering van een prognose
                        dienen de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en
                        prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt. Bij deze levering worden in elk
                        geval de gebruikte programmatuur en de aannames/assumpties met betrekking
                        tot het gestelde onder d tot en met g, waarop de prognose is gebaseerd,
                        aangegeven en onderbouwd. Het college is bevoegd onderscheiden naar
                        onderwijssoort nadere regels te stellen betreffende de criteria waaraan een
                        prognose moet voldoen. Voorafgaand aan de vaststelling door het college
                        vormen de nadere regels onderwerp van overleg aangaande het lokaal
                        onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder b van de
                        Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente Lingewaard. </al><al> Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling</al><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><lijst><li nr="·"><al>deel A: de bepaling van de capaciteit;</al></li><li nr="·"><al>deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte;</al></li><li nr="·"><al>deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;</al></li><li nr="·"><al>deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al></li></lijst><al><vet>DEEL A De bepaling van de capaciteit</vet></al><al>1 School voor basisonderwijs en speciale school voor basisonderwijs</al><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens
                        onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met
                        het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met
                        onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe
                        beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige,
                        culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) en recreatieve
                        doeleinden.</al><al>1.1<vet>Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en
                            B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard</vet></al><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de
                        bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie
                        voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in
                        het primair onderwijs'.</al><al><vet>Basisschool </vet></al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het
                        bruto vloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een
                        permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden
                        afzonderlijk vastgesteld.</al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                        overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt
                        dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                        geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                        oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                        schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling
                        van een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de
                        capaciteitsbepaling.</al><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al><cursief>Voor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde.
                            Echter, een eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de
                            capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Indien een speellokaal aanwezig is
                            èn de school voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel
                            A, paragraaf 1.3.2, wordt op het bruto vloeroppervlak
                            </cursief><cursief>90 m2</cursief><cursief> in mindering
                            gebracht.</cursief></al><al>1.2<vet>Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard
                        </vet></al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt
                        het gestelde onder 1.1.</al><al>1.3<vet>Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties </vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                        gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                        daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                        rangordenummer.</al><al>Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van
                        een school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer
                        dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de
                        rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het
                        ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde
                        opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden
                        toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw is het
                        gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het meest geschikt
                        is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het
                        grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                        doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te
                        beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de
                        dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                        grootste capaciteit. Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw
                        van de overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van
                        de bij de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van
                        de gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan
                        krijgen zij als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor
                        omschreven. De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het
                        vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het
                        college, het college anders beslist.</al><al>1.4<vet>Terrein</vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                        kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                        terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van
                        het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de
                        grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen
                        bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>1.5<vet>Inventaris </vet></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen
                        voor (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                        onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is
                        de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige
                        inventaris.</al><al>1.6<vet>Gymnastiekruimten </vet></al><al>1.6.1<vet>Gymnastiekruimte</vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                        klokuren.</al><al>1.6.2<vet>Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                        Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen
                        op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                        geregistreerd.</al><al>1.6.3<vet>Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                        zijn.</al><al>2School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                        onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan
                        in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot
                        vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit,
                        indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve
                        van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang)
                        of recreatieve doeleinden.</al><al>2.1<vet>Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard </vet></al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is
                        de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de
                        'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
                        schoolgebouwen in het primair onderwijs'. De capaciteit van een gebouw voor
                        (voortgezet) speciaal onderwijs wordt vastgelegd in de bruto
                        vloeroppervlakte van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een
                        permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden
                        afzonderlijk vastgesteld. Indien een speellokaal aanwezig is èn de school
                        voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf
                        2.3.2 sub a. en sub b, wordt op de bruto-vloeroppervlakte 90 m2 in mindering
                        gebracht. </al><al>Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                        overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt
                        dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                        geregistreerd.</al><al>Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het
                        oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde
                        schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling
                        van een fictief bruto/vloeroppervlakte als grondslag voor de
                        capaciteitsbepaling.</al><al>2.2<vet>Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een
                            tijdelijke bouwaard.</vet></al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor scholen voor
                        (voortgezet) speciaal onderwijs geldt het gestelde onder 2.1.</al><al>2.3<vet>Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                        gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                        daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                        rangordenummer. Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een
                        hoofdgebouw en een of meerdere dislocaties, wordt de rangorde tussen deze
                        gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de
                        gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                        Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, omdat
                        nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                        vastgesteld. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering
                        plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de
                        dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een
                        tijdelijk bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.
                        Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                        staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te
                        dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. De vaststelling van de
                        rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het
                        bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist.</al><al>2.4<vet>Terrein </vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                        kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                        terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van
                        het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de
                        grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen
                        bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>2.5<vet>Inventaris </vet></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen
                        voor (voortgezet) speciaal onderwijs in de gemeente zijn voorzien van
                        voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto-vloeroppervlakte van de
                        school is de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige
                        inventaris.</al><al>2.6<vet>Gymnastiekruimten </vet></al><al>2.6.1<vet>Gymnastiekruimte</vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal
                        onderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al>2.6.2<vet>Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                        Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen
                        op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                        geregistreerd.</al><al>2.6.3<vet>Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                        zijn.</al><al>3<vet>School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs
                        wordt vastgelegd in gegevens over:</al><lijst><li nr="·"><al>de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;</al></li><li nr="·"><al>het aantal specifieke ruimten;</al></li><li nr="·"><al>het aantal werkplaatsen;</al></li><li nr="·"><al>het aantal gymnastieklokalen.</al></li></lijst><al>Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school
                        besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde
                        capaciteit, indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet
                        ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><al>3.1<vet>Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of
                            een tijdelijke bouwaard</vet></al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is
                        de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de
                        'Meetinstructie voor het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het
                        voortgezet onderwijs'. Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven
                        'aantal gymnastieklokalen' moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven
                        'aantal specifieke ruimten en werkplaatsen' indien en voorzover deze
                        noodzakelijk zijn in het kader van aanvragen betreffende uitbreiding dan wel
                        medegebruik. Bij het gegeven 'aantal specifieke ruimten en werkplaatsen'
                        moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden zoals deze binnen het
                        ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van een gebouw is
                        gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet tot de
                        capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al>3.2<vet>Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk
                        gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een
                        daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste
                        rangordenummer. Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een
                        hoofdgebouw (of nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de
                        rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals
                        vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het ministerie van
                        Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden
                        vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de
                        rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens
                        vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard
                        te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de
                        dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                        grootste capaciteit. De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform
                        het bovenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en
                        het college, het college anders beslist.</al><al>3.3<vet>Terrein</vet></al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de
                        kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                        terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van
                        het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de
                        grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen
                        bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>3.4<vet>Inventaris</vet></al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle
                        instellingen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De
                        bruto vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                        werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang
                        van de aanwezige inventaris.</al><al>3.5<vet>Gymnastiekruimten</vet></al><al>3.5.1<vet>Gymnastiekruimte</vet></al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs
                        bedraagt 40 uur.</al><al>3.5.2<vet>Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                        Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen
                        op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                        geregistreerd.</al><al>3.5.3<vet>Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te
                        zijn.</al><al><vet>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet></al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al>1.1<vet>Lesgebouwen</vet></al><al><vet>Basisschool</vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend
                        voor de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte
                        wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                        nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt
                        voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school. De
                        ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in
                        verband met de gewichtensom. De basisruimtebehoefte van een basisschool
                        wordt berekend met de formule: B = 200 + 5,03 * L, waarbij B =
                        basisruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op
                        hele vierkante meters. , en L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober
                        voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school
                        zal zijn ingeschreven. De toeslag wordt berekend met de formule: T = 1,40 *
                        G, waarbij T=toeslag in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op
                        hele vierkante meters en G=gecorrigeerde gewichtensom. De gecorrigeerde
                        gewichtensom wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="·"><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle
                                gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="·"><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte
                                van 6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de
                                gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt
                                rekenkundig afgerond op een geheel getal;</al></li><li nr="·"><al>als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het
                                aantal ingeschre-ven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld
                                op 80 % van het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs </vet></al><al><cursief>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal
                            leerlingen bepalend voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de
                            huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen
                            BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer.
                            Zo’n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als
                            een afzonderlijke school.</cursief><cursief>De ruimtebehoefte van een
                            speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met de
                            formule:</cursief><cursief>R= 250+7,35*L, waarbij</cursief><cursief>R=
                            ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte,rekenkundig afgerond op hele
                            vierkante meters, en</cursief><cursief>L = het aantal leerlingen dat op
                            1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft
                            op de school zal zijn ingeschreven.</cursief><cursief>Een eventueel
                            speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van
                            </cursief><cursief>90 m2</cursief><cursief>.</cursief></al><al><vet>1.2 Gymnastiekruimten</vet></al><al><vet>Basisschool</vet></al><al>Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal
                        klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal
                        formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging
                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. Per
                        gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur gymnastiek.
                        Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                        voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal
                        leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                        bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven. </al><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al><cursief>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal
                            gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep
                            met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75
                            klokuur gymnastiek indien de school niet de beschikking heeft over een
                            speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt
                            uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek.</cursief><cursief>Het
                            aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door
                            de 'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De
                            N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het
                            verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer
                            achter de komma groter is dan </cursief><cursief>5.
                            In</cursief><cursief> het andere geval wordt het getal naar beneden
                            afgerond.</cursief><cursief>Voor de vaststelling van de structurele
                            noodzaak van een nieuwe gymaccommodatie voor een speciale school voor
                            basisonderwijs, wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de
                            prognose als bedoeld in bijlage II.</cursief></al><al>2<vet>School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>2.1<vet>Lesgebouwen</vet></al><al>Voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs is
                        de onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type
                        vestiging en het aantal leerlingen bepalend voor de huisvestingsbehoefte. De
                        ruimtebehoefte van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                        berekend met de formule: R=V+f*L, waarbij R = ruimtebehoefte in m2
                        bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante meters, en V
                        = vaste voet in m2 bruto-vloeroppervlakte. Voor hoofdvestigingen voor alle
                        onderwijssoorten 370 m2 behalve voor VSO-ZMLK. Voor VSO-ZMLK is de vaste
                        voet 250 m2 . Voor nevenvestigingen is de vaste voet niet van toepassing, en
                        f = factor (m2 bruto-vloeroppervlakte per leerling) volgens onderstaande
                        tabel, en L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk
                        jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.
                        De tabel geeft een overzicht van f (m2 bruto-vloeroppervlakte per leerling),
                        per onderwijssoort.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="85*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="7*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="8*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>SO</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>VSO</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Slechthorende kinderen (SH)/ Kinderen met ernstige
                                            spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot dove of
                                            slechthorende kinderen (ES)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Visueel gehandicapten (VISG)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Langdurig zieke kinderen (LZ)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Kinderen in scholen verbonden aan pedologische
                                            instituten (PI)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Dove kinderen (DO)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG)</al></entry><entry colname="col2"><al>13,8</al></entry><entry colname="col3"><al>15,5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)*</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>9,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en
                        Wetenschappen de N-factor anders dan 7 is vastgesteld. Voor SO-MG met N = 2
                        geldt 56,75, voor VSO-MG met N = 2 geldt 57,5, voor SO-MG met N = 3 geldt
                        56,75 en voor VSO-MG met N = 3 geldt 57,5. Voor een school met zowel SO als
                        VSO binnen een onderwijssoort, is de vaste voet slechts eenmaal van
                        toepassing. Voor een school met meer onderwijssoorten is voor elk van de
                        schoolsoorten de vaste voet van toepassing. De bepaling van de
                        ruimtebehoefte van een SOVSO-school of een SO-school waaraan een of meer
                        afdelingen zijn verbonden, vindt voor de verschillende onderwijssoorten
                        afzonderlijk plaats, waarna de afzonderlijk vastgestelde ruimtebehoeften
                        worden gesommeerd. Toekenning van een eventueel speellokaal geeft een
                        additionele ruimtebehoefte van 90 m2. <vet>2.2 Gymnastiekruimten </vet></al><al>Het aantal gymgroepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het
                        aantal gymgroepen wordt bepaald op basis van de modelbeleidsregel voor
                        bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                        onderwijs: Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van
                        maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school of nevenvestiging niet de
                        beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6
                        jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek. Voor de
                        vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie wordt
                        het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in
                        bijlage II. De bepaling van het aantal groepen van een SOVSO-school of een
                        SO-school waaraan een of meer afdelingen zijn verbonden, vindt voor de
                        verschillende schooltypen afzonderlijk plaats. </al><al>3<vet>School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>3.1<vet>Lesgebouwen</vet></al><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                        Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag
                        van een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee
                        componenten, te weten: </al><lijst><li nr="1"><al>een leerlinggebonden component;</al></li><li nr="2"><al>een vaste voet.</al></li></lijst><al><vet>Ad 1 Een leerlinggebonden component</vet></al><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de
                        leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen
                        bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                        leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort
                        onderwijs, leerweg of sector die de leerling volgt.</al><al><vet>Ad 2 Een vaste voet</vet></al><al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de
                        vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                        onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De
                        vaste voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het
                        onderwijsaanbod binnen de beroepsgerichte leerweg. Vermenigvuldiging van het
                        aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten en
                        verhoging met de vaste voet per instelling en, indien van toepassing, een
                        vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto vierkante meters, de totale
                        ruimtebehoefte van de instelling. Het RBM voorziet in een normering voor
                        praktijkonderwijs. Het RBM voorziet niet in een afzonderlijke normering voor
                        een orthopedagogisch didactisch centrum (OPDC). Het OPDC levert diensten ter
                        ondersteuning van leerlingen op de scholen die het samenwerkingsverband zijn
                        aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van de diensten van het OPDC zijn
                        derhalve in alle gevallen ingeschreven bij reguliere scholen voor voortgezet
                        onderwijs. Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen
                        bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage.
                        Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op
                        basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een
                        gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald. Tabel 7.1.a Berekening van
                        de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="19*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg </al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype </al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2) </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry colname="col2"><al>TLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>2,10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>4,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>4,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,53</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw </al></entry><entry colname="col2"><al>GLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,94</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BLW </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>2,34</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>LWOO </al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen </al></entry><entry colname="col4"><al>5,03</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek </al></entry><entry colname="col4"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda TLW = theoretische leerweg LWOO= leerwegondersteunend onderwijs GLW
                        = gemengde leerweg BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                        ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="63*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) De vaste voet per
                        instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt toegekend aan
                        de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die op grond
                        van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                        bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste
                        voet van 550 m2 BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij
                        die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op
                        de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens
                        geldt een vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor
                        praktijkonderwijs aanwezig is. </al><al>3.2<vet>Gymnastiekruimten</vet></al><al>De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
                        gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto
                        vloeroppervlakten vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de
                        voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs. </al><al>Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet
                        onderwijs</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="57*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="18*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg </al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- </al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Legenda TLW = theoretische leerweg LWOO = leerwegondersteunend onderwijs GLW
                        = gemengde leerweg BLW = beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) </al><al><vet> DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</vet> De bepaling
                        van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is noodzakelijk
                        om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                        consequenties vast te stellen.</al><al><vet>1 School voor (speciaal) basisonderwijs </vet></al><al>1.1<vet>Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening:</al><lijst><li nr="·"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="·"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                        noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                        wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van
                        bepalen van de ruimtebehoefte’. Er is sprake van een voorziening voor
                        blijvend gebruik als de hierboven genoemde ruimtebehoefte gedurende
                        tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is sprake van een
                        voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven ruimtebehoefte tenminste
                        vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven bestaan. De omvang van de
                        goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening:</al><lijst><li nr="·"><al><cursief>uitbreiding, dan wel </cursief></al></li><li nr="·"><al><cursief>uitbreiding ter vervanging van een bestaand
                                    gebouw</cursief>, dan wel</al></li><li nr="·"><al>ingebruikneming dan wel</al></li><li nr="·"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                        beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven
                        in deel B van deze bijlage.</al><al> Het verschil moet tenminste bedragen:</al><lijst><li nr="·"><al>55 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening basis-onderwijs;</al></li><li nr="·"><al>40 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik
                                bestemde voorziening basis-onderwijs;</al></li><li nr="·"><al><cursief>50 m2</cursief><cursief> bruto-vloeroppervlakte voor een
                                    voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzie-ning voor
                                    een school voor speciaal basisonderwijs.</cursief></al></li></lijst><al> Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven
                        genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er
                        is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven
                        genoemde verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal
                        blijven bestaan. <cursief>Voor een school voor speciaal basisonderwijs
                            bedraagt de bruto-vloeroppervlakte van een speellokaal
                            </cursief><cursief>90 m2</cursief><cursief> bvo.</cursief></al><al><vet>1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening <cursief>terrein, dan
                            wel uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door de
                        minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren
                        met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien
                        van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D. Voor een
                        basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                        bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            <cursief>eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket</cursief>, dan wel
                            <cursief>uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                            onderwijsleerpakket</cursief>, en meubilair wordt bepaald door de omvang
                        in m2 bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende)
                        nieuwbouw of uitbreiding. De omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                        gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening <cursief>onderhoud</cursief> wordt bepaald door de activiteiten
                        die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. De
                        omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                        bestemde voorziening <cursief>herstel van constructiefouten en herstel van
                            schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en
                            meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</cursief> wordt bepaald
                        door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                        het onderwijs. <vet>1.3 Gymnastiekruimten</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>nieuwbouw</cursief>, dan wel
                            <cursief>vervangende nieuwbouw</cursief>, wordt bepaald door de
                        minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze
                        bijlage. De omvang van de goedgekeurde <cursief>uitbreiding van een
                            gymnastiekruimte</cursief> wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen
                        zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in
                        lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I). De omvang van
                        de goedgekeurde <cursief>aanpassing</cursief> wordt bepaald door de
                        activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken
                        voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs. De omvang
                        van het goedgekeurde <cursief>terrein</cursief>, dan wel
                            <cursief>uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door de
                        minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de
                        uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de
                        bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de
                        terreinoppervlakte. De omvang van de goedgekeurde <cursief>aanvulling op de
                            eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of
                            uitbreiding van de gymnastiekruimte</cursief>, wordt bepaald door de
                        noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan
                        waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. De omvang van het
                        goedgekeurde <cursief>onderhoud</cursief> aan de gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                        voortgang van het onderwijs. De omvang van het goedgekeurde <cursief>herstel
                            van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw,
                            onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                            omstandigheden</cursief>, wordt bepaald door de activiteiten die
                        minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al><vet>Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening:</al><lijst><li nr="·"><al>nieuwbouw, dan wel</al></li><li nr="·"><al>vervangende nieuwbouw</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting
                        noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak
                        wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van
                        bepalen van de ruimtebehoefte’. Er is sprake van een voorziening voor
                        blijvend gebruik als de hierboven genoemde ruimtebehoefte gedurende
                        tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is sprake van een
                        voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven ruimtebehoefte tenminste
                        vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven bestaan. De omvang van de
                        goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening: </al><lijst><li nr="·"><al>uitbreiding, dan wel</al></li><li nr="·"><al>uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel</al></li><li nr="·"><al>ingebruikneming dan wel </al></li><li nr="·"><al>medegebruik</al></li></lijst><al>wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals
                        beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven
                        in deel B van deze bijlage. Het verschil moet tenminste 50 m2
                        bruto-vloeroppervlakte bedragen. Er is sprake van een voorziening voor
                        blijvend gebruik als het hierboven genoemde verschil gedurende tenminste
                        vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is sprake van een voorziening voor
                        tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde verschil tenminste vier jaar en
                        korter dan vijftien jaar zal blijven bestaan. Voor een school voor speciaal
                        onderwijs bedraagt de omvang van een speellokaal 90 m2 bvo. <vet>2.2 Overige
                            voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                        dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                            <cursief>terrein</cursief>, dan wel <cursief>uitbreiding van het
                            terrein</cursief>, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke
                        terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de
                        bij of krachtens de wet gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de
                        terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D. De omvang van de
                        goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorziening, <cursief>eerste aanschaf van het
                            onderwijsleerpakket en meubilair</cursief>, dan wel <cursief>uitbreiding
                            van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en
                            meubilair</cursief>, wordt bepaald door de omvang in m2 bruto-
                        vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw of
                        uitbreiding. De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                        voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            <cursief>aanpassing</cursief> wordt bepaald door de activiteiten die
                        minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het
                        onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. De
                        omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                        wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                            <cursief>onderhoud</cursief> wordt bepaald door de activiteiten die
                        minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. De omvang
                        van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening, <cursief>herstel van constructiefouten en herstel van schade
                            aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair
                            in geval van bijzondere omstandigheden</cursief> wordt bepaald door de
                        activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                        onderwijs. <vet>2.3 Gymnastiekruimten </vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>nieuwbouw</cursief>, dan wel
                            <cursief>vervangende nieuwbouw</cursief>, wordt bepaald door de
                        minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze
                        bijlage. De omvang van de goedgekeurde <cursief>uitbreiding</cursief> van
                        een gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals
                        aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in
                        lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I). De omvang van
                        de goedgekeurde <cursief>aanpassing</cursief> wordt bepaald door de
                        activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken
                        voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs. De omvang
                        van het goedgekeurde <cursief>terrein</cursief>, dan wel
                            <cursief>uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door de
                        minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de
                        uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de
                        bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de
                        terreinoppervlakte. De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de
                            <cursief>eerste aanschaf van het meubilair</cursief>, in geval van
                        ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door
                        de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen
                        dan voor wie de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. De omvang van
                        het goedgekeurde <cursief>onderhoud</cursief> aan de gymnastiekruimte wordt
                        bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                        voortgang van het onderwijs. De omvang van het <cursief>goedgekeurde herstel
                            van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw,
                            onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                            omstandigheden</cursief>, wordt bepaald door de activiteiten die
                        minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. </al><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al><vet>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                            <cursief>nieuwbouw</cursief>, dan wel <cursief>vervangende
                            nieuwbouw</cursief>, wordt bepaald aan de hand van het aantal
                        leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste <cursief>vijftien jaar</cursief>
                        noodzakelijk is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de
                        hand van het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van
                        deze bijlage. De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                        voorziening <cursief>uitbreiding</cursief>, dan wel <cursief>uitbreiding ter
                            vervanging van een bestaand gebouw</cursief> of uitbreiding door middel
                        van <cursief>ingebruikneming</cursief> wordt bepaald door het verschil
                        tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                        huisvesting ten minste <cursief>vijftien jaar</cursief> noodzakelijk is en
                        de huisvesting die aanwezig is. De omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                        gebruik bestemde voorziening <cursief>ingebruikneming</cursief> wordt
                        bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is
                        voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste
                            <cursief>vijftien jaar</cursief> noodzakelijk is. De ruimtebehoefte
                        wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van
                        deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. De omvang van de
                        goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                            <cursief>medegebruik</cursief> wordt bepaald door het verschil tussen de
                        ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst
                        bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent
                        verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het
                        feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare
                        onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in
                        te roosteren lessen. <vet>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            <cursief>nieuwbouw</cursief>, dan wel <cursief>vervangende
                            nieuwbouw</cursief>, wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                        huisvesting ten minste <cursief>vier jaar</cursief> doch korter dan
                            <cursief>vijftien jaar</cursief> noodzakelijk is. De ruimtebehoefte
                        wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in
                        deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. De
                        omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            <cursief>uitbreiding</cursief>, dan wel<cursief>uitbreiding ter
                            vervanging van een bestaand gebouw</cursief>, wordt bepaald door het
                        verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen
                        waarvoor huisvesting ten minste <cursief>vier jaar</cursief> doch korter dan
                            <cursief>vijftien jaar</cursief> noodzakelijk is en de met tien procent
                        verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. Het verschil is
                        minimaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte wordt bepaald met
                        behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze
                        bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. De omvang van de
                        goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                            <cursief>ingebruikneming</cursief> wordt bepaald door de omvang van het
                        gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen,
                        waarvoor huisvesting ten minste <cursief>vier jaar</cursief> en korter dan
                            <cursief>vijftien jaar</cursief> noodzakelijk is en de met tien procent
                        verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt
                        bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze
                        bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. De omvang van de
                        goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                            <cursief>medegebruik</cursief> wordt bepaald door het verschil tussen de
                        ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst
                        bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent
                        verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het
                        feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare
                        onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in
                        te roosteren lessen. De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening in de huisvesting <cursief>verplaatsing van
                            noodlokalen</cursief> wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                        huisvesting ten minste <cursief>vier jaar</cursief> doch korter dan
                            <cursief>vijftien jaar</cursief> noodzakelijk is en de met tien procent
                        verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt
                        bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B
                        van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'. </al><al><vet>3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening <cursief>terrein</cursief>, dan wel <cursief>uitbreiding van het
                            terrein</cursief>, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijk
                        oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of
                        krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte. De
                        omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                        wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening <cursief>eerste aanschaf van
                            leer- en hulpmiddelen en meubilair</cursief>, dan wel
                            <cursief>uitbreiding van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en
                            meubilair</cursief>, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende
                        voorziening in de huisvesting. De omvang van de tegemoetkoming in
                            <cursief>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</cursief>
                        als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke
                        ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt het
                        verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte
                        en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte. De omvang
                        van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening <cursief>herstel van constructiefouten en herstel van schade aan
                            het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in
                            geval van bijzondere omstandigheden</cursief> wordt bepaald door de
                        activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                        onderwijs. <vet>3.4 Gymnastiekruimten</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde <cursief>nieuwbouw</cursief>, dan wel
                            <cursief>vervangende nieuwbouw</cursief>, wordt bepaald aan de hand van
                        het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting bij deze
                        bijlage. De omvang van de goedgekeurde <cursief>uitbreiding</cursief> van
                        een gymnastiekruimte wordt bepaald door het verschil tussen de
                        ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                        gymnastiekruimte langer dan <cursief>vijftien jaar</cursief> noodzakelijk is
                        (te bepalen met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte
                        die aanwezig is. De omvang van het goedgekeurde <cursief>terrein</cursief>,
                        dan wel <cursief>uitbreiding van het terrein</cursief>, wordt bepaald door
                        de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel
                        de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de
                        bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de
                        terreinoppervlakte. De omvang van de goedgekeurde <cursief>aanvulling op de
                            eerste aanschaf van het meubilair</cursief>, in geval van
                        ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door
                        de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen
                        dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld. De omvang van
                        het goedgekeurde <cursief>herstel van constructiefouten en het herstel van
                            schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                            bijzondere omstandigheden</cursief>, wordt bepaald door de activiteiten
                        die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs. De
                        omvang van de goedgekeurde voorziening <cursief>medegebruik</cursief>
                        gymnastiekruimte wordt uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden
                        gymnastiek wordt bepaald met behulp van het lesrooster met als maximum het
                        met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal:
                        (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 460. Voor het Lwoo en
                        Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal
                        leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 322. Hierop wordt het aantal in eigen
                        accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel A,
                        paragraaf 3.5.1). De omvang van de goedgekeurde voorziening <cursief>huur
                            sportterrein</cursief> bedraagt ten hoogste acht weken per kalenderjaar.
                        Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt gegeven wordt bepaald aan de
                        hand van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van
                        het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo
                        gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule
                        gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 322. </al><al><vet> DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen
                        </vet></al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><lijst><li nr="·"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde
                                gedeelte: 3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200
                                leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="·"><al>minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</al></li><li nr="·"><al>voor het speciaal basisonderwijs geldt een minimum netto oppervlakte
                                van 84m2 voor een speellokaal.</al></li></lijst><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><lijst><li nr="·"><al>minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde
                                gedeelte: 3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200
                                leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto;</al></li><li nr="·"><al>een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84 m2;</al></li><li nr="·"><al>minimum oppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto.</al></li></lijst><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>theorielokaal: </al></entry><entry colname="col2"><al>42 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>theorievaklokaal: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal natuurkunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal biologie:</al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal scheikunde:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal handvaardigheid:</al></entry><entry colname="col2"><al>60 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>vaklokaal overig:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal lassen: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>specifiek vaklokaal meten: </al></entry><entry colname="col2"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>werkplaats:</al></entry><entry colname="col2"><al>115 m2 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>restaurant:</al></entry><entry colname="col2"><al>80 m2 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>4 Gymnastiekruimten</vet></al><al>De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.</al><al>·De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</al><al>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                        was-/douchegelegenheid. </al><al><vet>III-1</vet></al><al><vet>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                            bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs'
                        </vet> De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw
                        geschiedt voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN
                        2580, met de volgende aantekeningen: </al><lijst><li nr="·"><al>de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend
                                van buitenaf be-reikbaar zijn, worden niet tot de
                                bruto-vloeroppervlakte gerekend;</al></li><li nr="·"><al>de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige
                                gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw;</al></li><li nr="·"><al>bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen
                                gymnastiek-lokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het
                                hart van de scheidingsconstructie.</al></li><li nr="·"><al>bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als
                                onderwijsruimte of andere ruimte, wordt het bruto vloeroppervlak
                                bepaald door de nettovloeroppervlakte van het deel van de ruimte met
                                een vrije hoogte van ten minste 2,6 m te vermenigvuldigen met een
                                factor 1.1;</al></li><li nr="·"><al>voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als
                                berging, keuken, reproruimte of werkkast telt deze niet mee voor de
                                berekening van de bruto-vloeroppervlakte</al></li></lijst><al><vet>III-2</vet></al><al><vet>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                            bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet
                            onderwijs'</vet> Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten
                        van) gebouwen of voor situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen
                        van gegevens van het ministerie van OCenW. De bruto-oppervlakte van een
                        gebouw is de som van de bruto-vloeroppervlakte van alle tot het gebouw
                        behorende 'beloopbare' binnenruimten. De bruto-vloeroppervlakte wordt
                        gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande
                        buitenconstructies, die de ruimten omhullen. Tot de bruto-oppervlakte
                        behoort eveneens: </al><lijst><li nr="·"><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op
                                elk vloerniveau;</al></li><li nr="·"><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover
                                groter dan 0,5 m2.</al></li></lijst><al>Uitzonderingen: </al><lijst><li nr="·"><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                                omsloten ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend,
                                ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft
                                luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                                verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en
                                dergelijke.</al></li><li nr="·"><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden
                                bij de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="·"><al>- Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet
                                meegerekend.</al></li></lijst><al> Bijlage IV Financiële normering 2008</al><al>De financiële normering valt uiteen in drie delen:</al><lijst><li nr="·"><al>deel A: vergoeding op basis van normbedragen;</al></li><li nr="·"><al>deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;</al></li><li nr="·"><al>deel C: bepaling medegebruikstarief.</al></li></lijst><al><vet>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen</vet></al><al>In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is
                        tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding
                        omvat 8% (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2)
                        respectievelijk 5% (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag.
                        Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding van een op het programma
                        geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de
                        toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in
                        mindering gebracht. Alle in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl.
                        BTW.</al><al><vet>1 School voor basisonderwijs </vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><lijst><li nr="·"><al>nieuwbouw (paragraaf 1.1);</al></li><li nr="·"><al>uitbreiding (paragraaf 1.2);</al></li><li nr="·"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);</al></li><li nr="·"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                                1.4);</al></li><li nr="·"><al>aanpassing (paragraaf 1.5) en</al></li><li nr="·"><al>gymnastiek (paragraaf 1.6).</al></li></lijst><al><cursief>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten
                            behoeve van de vergoedingen voor 2009. De bedragen zijn gebaseerd op het
                            prijspeil van 1 juli 2008 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2009
                            (3% voor de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 3.75%
                            voor onderhoud, eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De
                            systematiek van prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk
                            4.</cursief></al><al>1.1<vet>Nieuwbouw (permanente bouwaard) </vet></al><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal
                        kostencomponenten, te weten:</al><lijst><li nr="·"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="·"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="·"><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                vervangende bouw;</al></li><li nr="·"><al>alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag voor een
                                speellokaal.</al></li></lijst><al> In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding
                        van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals
                        opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard). </al><al><vet>Kosten voor terreinen</vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                        gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop)
                        stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een
                        terrein dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden
                        gemaakt ten behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van
                        gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening
                        tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de
                        terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het
                        terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van
                        waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal benodigde oppervlakte van
                        het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D. In geval van
                        vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw) behoren de
                        kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen.
                            <vet>Bouwkosten</vet></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                        inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag,
                        waarin inbegrepen een aantel m2 en een bedrag per m2 voor de overige m2.bvo.
                        Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                        bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding voor een
                        basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350 m2
                                            bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 786.808,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.346,45</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="80*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670 m2
                                            bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.274.865,77</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                            speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.409, 91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120,961,80</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw op dezelfde plaats</vet></al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                        desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                        verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde
                        vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een
                        vast bedrag per m2 bvo, afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt
                        dient te worden. De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale
                        school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="76*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 54,58 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37,46 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>1.2<vet>Uitbreiding (permanente bouwaard)</vet></al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2
                        brutovloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven.
                        Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële
                        normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</al><al><vet>Kosten voor terrein</vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien
                        uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de
                        kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw
                        (paragraaf 1.1). </al><al><vet>Bouwkosten </vet></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en
                        inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                        startbedrag en een bedrag per m2 . Met deze vergoedingsbedragen kan en moet
                        de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De
                        vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of
                                            groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 115.220,19 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 76.813,46 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.534,85 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m2 bvo of
                                            groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 118,488,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 78.992,22</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet
                                            begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.565,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                            m2 bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 138.137,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal
                                            (90 m2 bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de
                                            school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 253,973,40</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw op dezelfde plaats</vet></al><al>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente
                        bouwaard).</al><al>1.3<vet>Tijdelijke voorziening </vet></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten
                        behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is
                        onderscheid gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of
                        uitbreiding van een permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een
                        bestaande tijdelijke voorziening.. Daarnaast wordt ingegaan op realisering
                        van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk
                        gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat
                        een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden
                        gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling
                        van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al><vet>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                            hoofdlocatie</vet></al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze
                        bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de
                        toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige
                        aansluitkosten op nutsvoorzieningen. De vergoeding voor zowel een
                        basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44,807,43</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 29.871,63</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.101,13</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</vet></al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze
                        bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de
                        toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.</al><al>De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                        basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.186,62</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.791,08 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.153,79</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</vet></al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                        gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een
                        noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden
                        vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten)</al><al>1.4<vet>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al><vet>Basisschool </vet></al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                        bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna opgenomen
                        bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2. Bij
                        uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het
                        verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder
                        uitbreiding. De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van
                        de volgende bedragen (in euro): </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 35.845,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 125.39 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 76.050,92 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 129.73 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van
                        een speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt €
                        6.939,99.</al><al>1.5<vet>Aanpassing</vet></al><al>Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B:
                        vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al>1.6<vet>Gymnastiek</vet></al><al><vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</vet></al><al>Nieuwbouw. De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een
                        gymnastiekzaal voor zowel een basisschool als een speciale school voor
                        basisonderwijs met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt €
                        827.134,08 (op het schoolterrein) respectievelijk € 843,863,35 (op
                        afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering
                        op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin
                        niet begrepen.</al><al>Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk
                        van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de
                        volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 15.636,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 22.934,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;20 meter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.210,94</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>UitbreidingBij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie
                        aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                        bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de
                        oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer
                        worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de
                        benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een basisschool als een
                        speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 192.174,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 233.614,08</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is,
                        wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</al><al>De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="43*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m2</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.448,05</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9.313,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.900,44</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16.121,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.090,80</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 26.363,50</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een
                        gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale school
                        voor basisonderwijs € 48.021,61. </al><al><vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al>In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor:</al><lijst><li nr="·"><al>nieuwbouw (paragraaf 2.1);</al></li><li nr="·"><al>uitbreiding (paragraaf 2.2); </al></li><li nr="·"><al>tijdelijke voorziening (paragraaf 2.3);</al></li><li nr="·"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf
                                2.4) en</al></li><li nr="·"><al>gymnastiek (paragraaf 2.5).</al></li></lijst><al><cursief>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten
                            behoeve van de vergoedingen voor 2009. De bedragen zijn gebaseerd op het
                            prijspeil van 1 juli 2008 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2009
                            (3% voor de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 3,75%
                            voor onderhoud, eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De
                            systematiek van prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk
                            4.</cursief></al><al><vet>Nieuwbouw (permanente bouwaard) </vet></al><al>De financiële normering valt uiteen in een vijftal kostencomponenten, te
                        weten:</al><lijst><li nr="·"><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="·"><al>bouwkosten;</al></li><li nr="·"><al>toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal;</al></li><li nr="·"><al>toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie;</al></li><li nr="·"><al>toeslag voor het herstel van terreinen en verhuiskosten bij
                                vervangende bouw.</al></li></lijst><al> In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding
                        van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw en in het geval van
                        nieuwbouw van een nevenvestiging, gelden de bedragen zoals opgenomen in de
                        financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard). </al><al><vet>Kosten voor terreinen</vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                        gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                        juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                        dient te worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt
                        ten behoeve van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                        terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                        gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen
                        zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt
                        aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van
                        terreinen. Voor de bepaling van de minimale omvang van het terrein wordt
                        verwezen naar bijlage III, deel D. In geval van vervangende nieuwbouw (op
                        dezelfde plaats als het oude gebouw) behoren de kosten voor het slopen van
                        het oude gebouw tot de kosten voor terreinen. </al><al><vet>Bouwkosten</vet></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                        inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag
                        waarin inbegrepen een aantel m2 en een bedrag per m2 voor de overige m2 bvo.
                        Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven
                        bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De vergoeding wordt bepaald op
                        basis van de volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 m2
                                            bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.226.852,15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel
                                            speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.401,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120.961,80</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor liftinstallatie </vet></al><al>Indien bij nieuwbouw van een school een liftinstallatie wordt aangebracht
                        geldt het volgende vergoedingsbedrag:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="67*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 118.892,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw op dezelfde plaats</vet></al><al>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het
                        desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te
                        verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde
                        vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een
                        vast bedrag per m2 bvo, afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt
                        dient te worden.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 62,60</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 31,32</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Uitbreiding (permanente bouwaard) </vet></al><al>Voor uitbreiding van de huisvesting in een permanente bouwaard tot 1000 m2
                        bruto-vloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven.
                        Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële
                        normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 2.1). Dit geldt
                        ook voor de nieuwbouw van een nevenvestiging.</al><al><vet>Kosten voor terreinen </vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien
                        uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de
                        kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw
                        (paragraaf 2.1). </al><al><vet>Bouwkosten </vet></al><al>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en
                        inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een
                        startbedrag, een bedrag per m2 .Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de
                        in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd. De
                        vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m2 bvo of
                                            groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 107.315,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 71.543,51</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet
                                            begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.568,54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90
                                            m2 bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 120.961,80</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal
                                            (90 m2 bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de
                                            school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 253.973,40</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag liftinstallatie </vet></al><al>Indien bij uitbreiding van het gebouw tevens een liftinstallatie wordt
                        aangebracht kan aanspraak worden gemaakt op de volgende vergoeding:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Lift, incl. aanbrengen schacht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 142.907,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw op dezelfde plaats</vet></al><al>Voor deze toeslag gelden dezelfde voorwaarden en bedragen als bij nieuwbouw
                        (permanente bouwaard).</al><al><vet>Tijdelijke voorziening </vet></al><al>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten
                        behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is
                        onderscheid gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of
                        uitbreiding van een permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een
                        bestaande tijdelijke voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering
                        van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijke
                        gebruik bestemde voorziening. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan
                        dat een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan
                        worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de
                        beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw
                        (paragraaf 2.1).</al><al><vet>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie
                        </vet></al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze
                        bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor herstel en inrichting
                        van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. De
                        vergoeding voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs wordt
                        bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46,962,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 31.735,68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.078,85</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                        alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                        worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij
                        nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al><vet>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</vet></al><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze
                        bedragen zijn begrepen de bouwkosten en de toeslag voor herstel en
                        inrichting van terreinen. De vergoeding wordt bepaald op basis van de
                        volgende bedragen (in euro):</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.538,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 17.025,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.140,65</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen
                        alsmede voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen kan een aparte toeslag
                        worden gegeven. Voor de bedragen wordt verwezen naar de toeslag bij
                        nieuwbouw (paragraaf 2.1).</al><al><vet>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</vet></al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                        gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een
                        noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden
                        vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten)</al><al><vet>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair </vet></al><al>Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen
                        bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna opgenomen
                        bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2 Bij
                        uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het
                        verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder
                        uitbreiding</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="56*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Basisbedrag</al></entry><entry colname="col3"><al>Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 128.138,54</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 223,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-sh</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 116.403,66</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 289,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 108.468,28</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 144,14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 153.938,08</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 275,12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lz</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 98.164,51</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 135,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 115.567,26</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 264,27</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 96.639,88</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 114,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 94.329,81</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 132,20</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 995.163,67</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 143,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 117.011,90</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 117,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van
                        een speellokaal bedraagt € 6.939,99.</al><al><vet>Gymnastiek</vet></al><al><vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</vet></al><al><cursief>Nieuwbouw</cursief></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met
                        een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 827.134,08 (op het
                        schoolterrein) en € 843.863,35 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding
                        omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het
                        terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen. Voor LG-scholen en
                        MG-scholen met een LG- of MLK/ZMLK-component is er een toeslag van 50 m2
                        (grotere entree en kleed- en doucheruimte). Met deze toeslag is een bedrag
                        gemoeid van € 82,973,51. Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een
                        toeslag gegeven. Indien extra ruimte voor LG en MG-scholen van 50 m2
                        beschikbaar is gesteld, geldt een hogere toeslag (tussen haakjes vermeld).
                        De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.636,89</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 20.976,74)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 22.934,81</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 229.051,15)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.210,94</al></entry><entry colname="col3"><al>(€ 41.809,49)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Uitbreiding</cursief></al><al>Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten
                        bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                        bruto-vloeroppervlakte van 455 m2. Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de
                        oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer
                        worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de
                        benodigde uitbreiding zien de bedragen er als volgt uit:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="77*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 192.174,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitbreiding met 120 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 233.614,08</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is,
                        wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De
                        vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="43*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>112-120m2</al></entry><entry colname="col3"><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.448,05</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 9.313,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20m </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 12.900,44</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 16.121,40</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21,090,80</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 26.363,50</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>OLP/meubilair </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="48*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Schoolsoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag in euro</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-doven </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.294,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-sh/esm </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.069,68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-visg </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.089,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lg/mg </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 50.486,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-lz/pi </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.211,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmlk </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.211,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO-zmok </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 36.137.16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-doven </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44,895,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-sh/esm </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.076,16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-visg </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 54.804,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lg/mg </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 56.224,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-lz/pi </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.246,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmlk </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 44.246,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VSO-zmok </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 39.498,67</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-doven </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46.492,90</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-sh/esm </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 49.839,61</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-visg </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 56.873,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lg/mg </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 57.754,91</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-lz/pi </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.018,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmlk </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 48.018,31</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SOVSO-zmok </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 39.946,87</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>3 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld
                        in:</al><lijst><li nr="·"><al>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);</al></li><li nr="·"><al>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);</al></li><li nr="·"><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf
                                3.3); en</al></li><li nr="·"><al>gymnastiek (paragraaf 3.4).</al></li></lijst><al><cursief>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten
                            behoeve van de vergoedingen voor 2009. De bedragen zijn gebaseerd op het
                            prijspeil van 1 juli 2008 en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2009
                            (3% voor de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 3,75%
                            voor onderhoud, eerste inrichting en klokuurvergoeding gymnastiek). De
                            systematiek van prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk
                            4.</cursief></al><al><vet>Nieuwbouw en uitbreiding</vet></al><al>Er bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en
                        uitbreiding. Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande
                        gebouw plaats (zie voor de vaststelling van het bedrag voor de component
                        'aanpassing' deel B). De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding
                        valt uiteen in een tweetal kostencomponenten:</al><lijst><li nr="·"><al>kosten van terreinen;</al></li><li nr="·"><al>bouwkosten.</al></li></lijst><al><vet>Kosten van terreinen</vet></al><al>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de
                        gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het
                        juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein
                        dient te worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt
                        ten behoeve van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke
                        terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de
                        gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen
                        zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt
                        aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van
                        terreinen. </al><al><vet>Bouwkosten</vet></al><al>Bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op
                        staal, alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag
                        voor de vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te
                        weten een vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding
                        voor de sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan
                        uit bedragen per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten
                        van een schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand
                        van de hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals
                        opgenomen in Bijlage III, deel B. De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor
                        projecten vanaf 460 m2 bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per
                        huisvestingsvoorziening, alsmede een vast bedrag per sectie. Voor kleinere
                        projecten worden geen sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze
                        kosten zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke
                        kosten per m2 bruto-vloeroppervlakte. De bedragen zijn opgenomen in de tabel
                        op de volgende bladzijde met vaste bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en
                        vaste bedragen per voorziening. Voor de berekening van de vergoeding voor de
                        ruimte-afhankelijke kosten worden de benodigde aantallen m2 per type ruimte
                        van de goedgekeurde huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage
                        III, Deel C, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort.
                        Berekening van de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt
                        door optelling van de algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene
                        sectie of de werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties
                        waaruit de op basis van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening
                        bestaat. De vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding
                        voor de sectie-afhankelijke kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor
                        de vaste normkosten. Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2
                        (in euro)</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>&lt;460m2</al></entry><entry colname="col3"><al>460&lt;2500m2</al></entry><entry colname="col4"><al>&gt;=25002</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Algemene en specifieke ruimte </al></entry><entry colname="col2"><al>2.106,53</al></entry><entry colname="col3"><al>1.250,16</al></entry><entry colname="col4"><al>1.220,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen </al></entry><entry colname="col2"><al>2.057,47</al></entry><entry colname="col3"><al>1.664,33</al></entry><entry colname="col4"><al>1.664,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen consumptief </al></entry><entry colname="col2"><al>2.498,40</al></entry><entry colname="col3"><al>2.105,26</al></entry><entry colname="col4"><al>2.105,26</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte:</al><lijst><li nr="·"><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                                gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="·"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                                etaleren.</al></li></lijst><al>Werkplaatsen:</al><lijst><li nr="·"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                                elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                                voertuigentechniek;</al></li><li nr="·"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="·"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="·"><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte. Bedragen voor de sectie-afhankelijke
                        kosten per voorziening (in euro)</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>&lt; 460 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 460 &lt; 2500 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>&gt;= 2500 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemeen </al></entry><entry colname="col2"><al>132.917,29</al></entry><entry colname="col3"><al>132.917,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet algemene sectie </al></entry><entry colname="col2"><al>260.906,59</al></entry><entry colname="col3"><al>364.285,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vaste voet werkplaatssectie </al></entry><entry colname="col2"><al>48.242,50</al></entry><entry colname="col3"><al>48.242,50</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek,
                        machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek,
                        grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en
                        motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de
                        algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen
                        en tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen.
                        Aanvullende normkostenBij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste
                        normkosten is uitgegaan van een standaardlocatie. Echter, als gevolg van
                        plaatselijke omstandigheden kunnen extra kosten optreden. Voor een beperkt
                        aantal omstandigheden wordt een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit
                        beperkt zich tot een tweetal aspecten, te weten fundering en bemaling. In de
                        hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal.
                        In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium
                        voor toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen
                        sonderingsrapport. De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte
                        en de omvang van de bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan
                        worden berekend aan de hand van de volgende formules:</al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &gt; 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 3.874,72</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 20,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.125,13</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 34,39</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.605,57</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 61,54</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2 </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1 tot 15 meter </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.731,73</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7.12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15 tot 20 meter </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 6.171,77</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 18,84</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 20 meter of langer </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 9.372,34</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 37.36</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de
                        grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter
                        onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2
                        goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 13,20
                        per m2 terrein.</al><al><vet>Tijdelijke voorziening</vet></al><al>Het vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet
                        onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type
                        voorziening. De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden
                        onderscheiden:</al><lijst><li nr="·"><al>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</al></li><li nr="·"><al>huur van tijdelijke lokalen.</al></li></lijst><al><vet>Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen</vet></al><al>Het bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met
                        tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: €
                        670,32 * A + € 46.085,63 A = het toegekende aantal m2 bruto-vloeroppervlakte
                        aan tijdelijke huisvesting. Voor de berekening van A wordt verwezen naar
                        bijlage III, deel C. Alle directe en indirecte kosten gemoeid met de
                        realisatie van de voorziening moeten worden bestreden uit het ter
                        beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder meer het
                        aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op nutsvoorzieningen,
                        de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief fundering voor de
                        te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening.</al><al><vet>Huur van tijdelijke lokalen</vet></al><al>Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden
                        gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een
                        noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden
                        vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten). </al><al><vet>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet></al><al>De toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris
                        (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de
                        huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw),
                        uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging
                        van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van
                        overheidswege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar
                        medegebruik is toekenning van inventaris slechts van toepassing indien
                        inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt dan wel niet
                        geschikt is.</al><al>De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat wordt
                        gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto
                        vloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto vloeroppervlakte
                        per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de
                        in onderstaande tabel genoemde bedragen. Normbedragen inventaris per
                        ruimtetype (in euro)</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="26*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="59*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Algemene ruimte </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>147.93</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Specifieke ruimte </al></entry><entry colname="col2"><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie
                                            Handel/verkoop/administratie Praktijkonderwijs </al></entry><entry colname="col3"><al>345.74 211,50 283,97</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Werkplaatsen </al></entry><entry colname="col2"><al>Techniek algemeen Consumptief Grafische techniek
                                            Landbouw </al></entry><entry colname="col3"><al>362,73 702,44 1.342,96 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Specifieke ruimte:</al><lijst><li nr="·"><al>(uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                                gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie;</al></li><li nr="·"><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk,
                                etaleren;</al></li><li nr="·"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken</al></li></lijst><al>Werkplaatsen:</al><lijst><li nr="·"><al>techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten,
                                elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal,
                                voertuigentechniek;</al></li><li nr="·"><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="·"><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek;</al></li><li nr="·"><al>landbouw: groen-praktijk;</al></li><li nr="·"><al>praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</al></li></lijst><al>De overige ruimte is algemene ruimte.</al><al><vet>Gymnastiek voortgezet onderwijs</vet></al><al><vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</vet></al><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met
                        een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 827.134,07 (op het
                        schoolterrein) respectievelijk € 843.863,35 (op afzonderlijk terrein). De
                        vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en
                        ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het
                        terrein. De kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen.
                        Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk
                        van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de
                        volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="79*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 1&lt;15 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 16.636,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte 15&lt;20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 22.934,81</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paallengte &gt;=20 meter:</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 32.210,94</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaal</vet></al><al>Naast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek
                        mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik
                        van een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een
                        commerciële exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is
                        de school voor voortgezet onderwijs de volgende vergoeding
                        verschuldigd:</al><lijst><li nr="a"><al>Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet
                                onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van
                                het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor
                                de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en
                                variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.
                                Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs
                                wordt gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het
                                klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de
                                gebruiksduur van de gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de
                                VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het
                                aantal uren dat boven de 26 klokuren ligt ook het vaste deel van het
                                klokuurbedrag te vergoeden. </al></li><li nr="b"><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is
                                de school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan
                                exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor
                                de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en
                                variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair
                                onderwijs.</al></li><li nr="c"><al>Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant
                                wordt gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de
                                huurprijs (stichtingskosten en materiële instandhouding). De
                                gemeente betaalt aan de school een stichtingskostenvergoeding als
                                onderdeel van de huur. De hoogte van deze stichtingskostenvergoeding
                                bedraagt het verschil tussen huurbedrag en het vaste en variabele
                                deel van het klokuurbedrag voor het aantal uren gebruik. Voor de
                                hoogte van het klokuurbedrag wordt aangesloten bij het vaste en
                                variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair
                                onderwijs.</al></li></lijst><al>Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c
                        wordt het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging
                        gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
                        onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van
                        het op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het
                        totale vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet
                        onderwijs moet vergoeden.</al><al><vet>Huur sportvelden</vet></al><al>Gedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een
                        vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten
                        bedraagt € 19,59 per klokuur.</al><al><vet>Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilair</vet></al><al>In geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en
                        ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand
                        gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is
                        bekostigd, bestaat aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer-
                        en hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en
                        medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en
                        hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende
                        gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in
                        euro):</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Meubilair</al></entry><entry colname="col3"><al>L.h.m</al></entry><entry colname="col4"><al>Totaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eerste lokaal </al></entry><entry colname="col2"><al>1.014.21</al></entry><entry colname="col3"><al>60.479,18</al></entry><entry colname="col4"><al>61.494,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweede lokaal </al></entry><entry colname="col2"><al>1.014.21</al></entry><entry colname="col3"><al>47.178,35</al></entry><entry colname="col4"><al>48,192,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Derde lokaal </al></entry><entry colname="col2"><al>1.014,21</al></entry><entry colname="col3"><al>20.510,94</al></entry><entry colname="col4"><al>21.525,15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 1 </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>13.356,72</al></entry><entry colname="col4"><al>13.356,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oefenplaats 2 </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>1.541,85</al></entry><entry colname="col4"><al>1.541,85</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>4 Indexering</vet></al><al>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn afgeleid van het prijspeil van
                        1 juli 1996. Jaarlijks worden door het college de werkelijke
                        prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling
                        ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar
                        van uitvoering van het programma bekendgemaakt.</al><al><vet>Werkelijke prijsontwikkeling</vet></al><al>Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke
                        prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk
                        jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli
                        het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. Voor de voorzieningen nieuwbouw
                        en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil
                        tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100
                        (inclusief btw)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek bouwnijverheid' van
                        het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het tweede kwartaal
                        van het daaraan voorafgaande jaar. Voor de voorzieningen onderhoud, eerste
                        inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoedingen
                        gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het CBS-indexcijfer
                        'Consumentenindex van alle huishoudens' (NR-reeks), gepubliceerd in de
                        'Maandstatistiek van de prijzen' van het CBS over de maand juli van het
                        lopende jaar en de maand juli van het daaraan voorafgaande jaar. Indien de
                        CBS-indexcijfers 'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100' over het tweede
                        kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de
                        CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal
                        van het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd. </al><al><vet>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</vet></al><al>Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het
                        programma wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken
                        van het werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma.
                        Dit is noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het
                        programma en het moment van vergoeding vast te stellen. Voor de
                        voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                        MEV-cijfer (Macro-economische verkenning) 'bruto investeringen door
                        bedrijven in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in
                        september. Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en
                        hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als
                        prijsindexcijfer het MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële
                        overheidsconsumptie', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september. </al><al><vet>DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet></al><al>In artikel 4 van deze verordening is aangegeven welke voorzieningen worden
                        vergoed op basis van normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op
                        basis van feitelijke kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen,
                        ingevolge artikel 4, 3e lid laatste volzin, worden vergoed op basis van
                        feitelijke kosten, dient aan de in dit deel van de bijlage opgenomen
                        aanbestedingsregels te worden voldaan. </al><al><vet>Europese aanbesteding</vet></al><al>Indien de omvang van een opdracht of contract boven een bepaald bedrag
                        uitkomt, worden ingevolge het Besluit overheidsaanbestedingen de richtlijnen
                        van de Europese Unie (2004/18/EG) toegepast. Deze richtlijnen gelden vanaf
                        de volgende bedragen: </al><lijst><li nr="·"><al>211.000 euro (exclusief BTW) voor leveringen en diensten; </al></li><li nr="·"><al>5.278.000 euro (exclusief BTW) voor werken. </al></li></lijst><al>Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen onder
                        de definitie 'werken'. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of
                        onderwijsleerpakket valt onder 'leveringen'. Bij aankoop van gebouwen en
                        terreinen is de richtlijn uiteraard niet van toepassing. </al><al><vet>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag</vet></al><al>Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen, zoals
                        vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing. Ingevolge
                        artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken gemaakt over de
                        wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat op basis van het
                        vastgestelde gemeentelijk beleid bepaald wordt op welke wijze een opdracht
                        wordt aanbesteed, tenzij het college na overleg anders beslist. </al><al><vet>DEEL C Bepaling medegebruikstarieven</vet></al><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs, voor (voortgezet)
                        speciaal onderwijs, voor voortgezet onderwijs alsmede een instelling als
                        bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs betaalt voor het
                        onderwijsgebruik van een lokaal, niet zijnde een gymnastiekruimte, een
                        vergoeding. Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij
                        meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de
                        groepsafhankelijke programma's van eisen voor het basisonderwijs, zoals
                        jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                        Wetenschap. </al><al> Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</al><al><vet>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</vet></al><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                        criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden
                        ter samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in
                        volgorde van prioriteit. Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar
                        hoofdprioriteit:</al><lijst><li nr="1"><al>voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van
                                bijlage III op te heffen;</al></li><li nr="2"><al>voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te
                                handhaven i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;</al></li><li nr="3"><al>voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                                gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze
                                geen capaciteitsuitbreiding inhouden;</al></li><li nr="4"><al>voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe
                                onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen
                                om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                                onderwijs.</al></li></lijst><al><vet>Ad 1</vet></al><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                        voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                        inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                        toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook
                        vergroting van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening
                        bijvoorbeeld door nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze
                        hoofdprioriteit. Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw
                        inclusief de noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze
                        hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan capaciteit op te
                        heffen.</al><al><vet>Ad 2</vet></al><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een
                        ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het
                        primair onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van
                        schade in bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een
                        oliegestookte verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de
                        tweede hoofdprioriteit.</al><al><vet>Ad 3</vet></al><al>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                        (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                        verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</al><al><vet>Ad 4</vet></al><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                        onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                        activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of
                        vervanging van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet
                        spoedeisend is. </al><al><vet>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                        subprioriteiten</vet></al><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit
                        de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten,
                        namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald
                        afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere
                        voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de
                        subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast. Onder lesruimten
                        vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en
                        gymnastiekruimten. Onder niet-lesruimten vallen: kabinetten,
                        personeelsruimten en overige nevenruimten binnen het gebouw. Onder het
                        begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen
                        aan het terrein. </al><al><vet>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als
                            bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op
                            het programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a"><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                                kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                                schoolgebouwen;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                                kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                                schoolgebouwen en</al></li><li nr="c"><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                                kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al></li></lijst><al><vet>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een
                            adequaat onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het
                            programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a"><al>als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het
                                bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                                laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij
                                volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2
                                onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="c"><al>vervolgens die voorziening aan een
                                vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte waarbij volgens het
                                bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                                laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="d"><al>vervolgens die voorziening aan een niet-lesruimte waarbij volgens
                                het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                                de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</al></li><li nr="e"><al>vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens
                                het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c,
                                de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</al></li></lijst><al><vet>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen
                            aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder
                            aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt
                            voor plaatsing op het programma in aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a"><al>als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de
                                wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                                rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste
                                is;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet
                                voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                                conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                                c, de minste is; </al></li><li nr="c"><al>vervolgens de voorziening aan een
                                vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte dat niet voldoet aan de wet-
                                en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het
                                rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;
                            </al></li><li nr="d"><al>vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet
                                aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                                volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                                minste is; en</al></li><li nr="e"><al>vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet
                                aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                                volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                                minste is.</al></li></lijst><al><vet>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als
                            gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                            aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                            onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in
                        aanmerking:</vet></al><lijst><li nr="a"><al>als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                                vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal
                                groepen leerlingen het hoogst is;</al></li><li nr="b"><al>vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het
                                percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid
                                geldt het hoogst is;</al></li><li nr="c"><al>vervolgens de voorziening voor
                                vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten waarbij het percentage
                                leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het
                                hoogst is;</al></li><li nr="d"><al>vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in
                                gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor
                                nieuw onderwijskundig beleid geldt het hoogst is;</al></li><li nr="e"><al>vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                                omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is;
                                en</al></li><li nr="f"><al>vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer
                                algemene aard, waarbij de ouderdom van het niet-aangepaste gebouw
                                het hoogst is.</al></li></lijst><al><vet>Formulier </vet><vet>voor aanvragen van voorzieningen in de
                            onderwijshuisvesting</vet></al><al>Per type aanvraag (programma, spoedeisende aanvraag of bouwvoorbereiding)
                        één formulier invullen</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="17*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="59*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>1 Bestuursgegevens van het bevoegd gezag</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Naam</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Adres</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Postcode en plaats</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Contactpersoon huisvestingszaken</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Telefoonnummer</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Faxnummer</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>2 Type aanvraag [1]</al><al>(aankruisen hetgeen van toepassing is)</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>De aanvraag betreft een</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al> opneming in het programma</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al> aanvraag op basis van de spoedprocedure</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al> aanvraag bouwvoorbereiding</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>Bij bouwvoorbereiding na invullen van 3a verder gaan met
                                            invullen van 5!</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>3 Gegevens over de gewenste voorziening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a</al></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>De aanvraag is bedoeld voor</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Schoolnaam</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>BRIN-nummer</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gebouw adres</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Plaats</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gebouw (deel)nummer</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Functie gebouw</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al> hoofdgebouw van hoofdvestiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al> hoofdgebouw van nevenvestiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al> dislocatie van de vestiging-/nevenvestiging [2]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="4*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="56*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>b</al></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>Gevraagde voorziening</al></entry><entry colname="col5"><al>Te overleggen gegevens </al><al>(codering zie hier onder)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Nieuwbouw</al></entry><entry colname="col5"><al>A, B of C, E, F, J</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>vervangende bouw</al></entry><entry colname="col5"><al>B of C, D, E, F, J</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>uitbreiding</al></entry><entry colname="col5"><al>B of C, D (alleen invullen bij vervanging van gebouw),
                                            E, F, J</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>ingebruikneming</al></entry><entry colname="col5"><al>A (alleen bij nieuwe bekostiging), B of C, E/F, J</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>verplaatsing noodlokalen</al></entry><entry colname="col5"><al>C, E, J</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>terrein</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>eerste inrichting olp (PO)</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>8a</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>eerste inrichting meubilair (PO)</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>8b</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>toeslag meubilair als gevolg van de
                                            groepsgrootteverkleining (PO)</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair
                                            (VO)</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>medegebruik</al></entry><entry colname="col5"><al>G</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>aanpassing</al></entry><entry colname="col5"><al>B, D (enkel voor VO), E, F, J</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>onderhoud (PO)</al></entry><entry colname="col5"><al>C, D, E, J</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>herstel van constructiefouten</al></entry><entry colname="col5"><al>D, E</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>herstel/vervanging van schade in geval van bijzondere
                                            omstandigheden</al></entry><entry colname="col5"><al>E, H</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>huur sportterrein VO</al></entry><entry colname="col5"><al>I</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Codering benodigde gegevens</al><al>A Beschikking van de minister inzake schikking van school of afdeling.</al><al>B Prognose voor ten minste 15 jaren bij permanente bouwaard.</al><al>C Prognose voor ten minste 4 jaren bij tijdelijke bouwaard.</al><al>D Bouwkundige opname volgens het formulier ‘bouwkundige opname’</al><al> a voor onderhoud en constructiefouten: desbetreffende element(en);</al><al> b voor vervangende bouw: alle gebouwelementen.</al><al>E Alleen indien de feitelijke kostensystematiek van toepassing is:
                        kostenraming.</al><al>F (Eventueel) na bouwvoorbereiding: bouwplan en bouwbegroting.</al><al>G Opgave van aantal groepen waarvoor medegebruik wordt gewenst en – indien
                        bekend – gebouw waarin medegebruik wordt gewenst.</al><al>H Aard van de schade, aard van de bijzondere omstandigheden en – bij inbraak
                        – aangifte bij politie.</al><al>I Opgave noodzaak en aantal lestijden gebruik.</al><al>J Indien van toepassing: opgave (voorgenomen) beschikkingen
                        (fusies/opheffingen/verplaatsingen en dergelijke.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="36*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="10*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>c</al></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>Gewenste omvang voorziening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al> bij voorziening 1/2/3/4/5/7/8A/8B/9/10/15:
                                            groepen/leerlingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al> bij voorziening 11/12/13/14 omschrijving
                                            werkzaamheden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d</al></entry><entry colname="col2"><al>Gewenste bouwaard voorziening</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al> tijdelijk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al> permanent</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e</al></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>Gewenste plaats voorziening (bij nieuwbouw/vervangende
                                            bouw ingebruikneming en verplaatsing noodlokalen)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f</al></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>Gewenste datum aanvang uitvoering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>4 Spoedprocedure</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a</al></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>Aanduiding omstandigheden spoedeisendheid</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b</al></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>Reden waarom voorziening niet kon worden aangevraagd in
                                            het kader van een nog vast te stellen programma</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>5 Bouwvoorbereiding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Te overleggen gegevens (codering zie blz. 2)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>nieuwbouw</al></entry><entry colname="col4"><al>A, B of C, E, J</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>vervangende bouw</al></entry><entry colname="col4"><al>B of C, D, E, J</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>uitbreiding</al></entry><entry colname="col4"><al>B of C, D (enkel bij vervanging van een gebouw), E,
                                            J</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Gewenste locatie van de voorziening</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Gewenst tijdstip realisering</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="10*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="10*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>6 Bijlagen</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Aantal bijlagen bij dit formulier</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>Omschrijving bijlagen</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2" nameend="col5" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2" nameend="col5" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2" nameend="col5" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2" nameend="col5" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2" nameend="col5" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2" nameend="col5" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>7 Ondertekening</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col5" namest="col1"><al>Ondergetekenden verklaren dat de aanvraag namens het
                                            bestuur van het bevoegd gezag is ingediend.</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>Plaats</al></entry><entry colname="col5"><al>Datum</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>De voorzitter</al></entry><entry colname="col5"><al>De secretaris</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>Handtekening voorzitter</al></entry><entry colname="col5"><al>Handtekening secretaris</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Toelichting</al><al>Het formulier is bedoeld om de werkzaamheden van de gemeente voor
                        onderwijshuisvesting zo effectief mogelijk gestalte te geven. Het formulier
                        ondersteunt de gemeente bij de verwerking en beoordeling van aanvragen voor
                        de huisvesting van het onderwijs. Essentiële gegevens over de aanvraag, de
                        gewenste voorziening en dergelijke kunnen op het formulier worden ingevuld.
                        Daarnaast zal een aantal gegevens worden geleverd in rapporten, formulieren
                        en dergelijke, die ook onderdeel uitmaken van de onderbouwing van de
                        noodzaak van de gewenste voorziening.</al><al>Aanvragen worden onderscheiden in aanvragen voor het programma, voor
                        spoedvoorzieningen en (eventueel afhankelijk van hetgeen opgenomen is in de
                        gemeentelijke verordening) voor bouwvoorbereiding. Per type aanvraag, als
                        hiervoor aangegeven, en per gebouw wordt gevraagd één formulier in te
                        dienen. Zo ontstaat voor de gemeente optimale duidelijkheid over hetgeen het
                        schoolbestuur in één bouwsituatie in of bij een gebouw wenst te realiseren
                        In het onderdeel ‘gevraagde voorziening’ kunnen verschillende – met elkaar
                        verband houdende – voorzieningen tegelijk worden aangekruist.</al><al>De formulieren maken het voor de gemeente mogelijk de aanvragen eenvoudig te
                        rubriceren voor de bekendmaking van ingediende aanvragen aan alle
                        schoolbesturen in de gemeente.</al><al>Het gebouw(deel)nummer wordt gevraagd in de veronderstelling dat veel
                        gemeenten de nummers van OCenW/Cƒi wensen te handhaven. Eventueel kan daar
                        een eigen nummer of in het geheel geen nummer ingevuld worden.</al><al>Achter elke gevraagde voorziening (ook bij de aanvraag voor
                        bouwvoorbereiding) is door middel van een codering aangegeven welke gegevens
                        overgelegd moeten worden. In de verordening is de verplichting de gegevens
                        te leveren vastgelegd. Voor de prognose kan afhankelijk van de bouwaard van
                        de voorziening (permanent of tijdelijk) of de prognosevereiste bij de
                        voorziening met name bij aanpassing en onderhoud worden gekozen voor een
                        kortetermijnprognose of een langetermijnprognose. Vanzelfsprekend dient de
                        prognose te voldoen aan het gestelde voor de desbetreffende onderwijssoort
                        in bijlage II.</al><al>Alleen indien de feitelijke kostensystematiek van toepassing is, moet de
                        begroting van de kosten worden ingediend. Indienen van een bouwplan en
                        bouwbegroting is slechts van toepassing bij een aanvraag nadat daaraan
                        voorafgaand bouwvoorbereiding heeft plaatsgevonden.</al><al>Om een goed oordeel over de aanvraag mogelijk te maken, moeten alle
                        relevante factoren worden vermeld, dus ook eventuele herschikkingen die het
                        bevoegd gezag voornemens is uit te voeren.</al><al>Indien de gemeente in de verordening bouwvoorbereiding voor andere
                        voorzieningen, zoals nieuwbouw en uitbreiding, mogelijk heeft gemaakt, kan
                        de gemeente bij bouwvoorbereiding het formulier uitbreiden met de
                        desbetreffende voorzieningen.</al><al> Formulier voor het verstrekken van informatie over lesgebouwen</al><al>Per gebouw 1 formulier invullen. Dit formulier is bedoeld voor 'turn
                        around'-gebruik: eenmalig worden alle noodzakelijke gegevens verstrekt.
                        Daarna worden de wijzigingen doorgegeven.</al><al>In te vullen door het bevoegd gezag</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="76*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Datum ingang wijzigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In te vullen door de gemeente</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="76*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Datum vastlegging gegevens</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="76*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisgegevens</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Huidig gegeven</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e wijzigen in </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="30*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="70*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>1 </vet>Bestuursgegevens van het bevoegd gezag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Naam</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Adres</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Postcode/plaats</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bestuursnummer</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Contactpersoon huisvestingszaken</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Correspondentieadres</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Telefoonnummer</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Telefaxnummer</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="56*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>2 </vet>Gegevens van het instituut of de
                                            instelling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Schoolnaam</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Denominatie(s):</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BRIN-nummer</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort en (eventueel) - afdelingen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al> Instituut bestaat enkel uit hoofdvestiging [3]</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al> Instituut bestaat uit hoofd- en nevenvestiging Aantal
                                            nevenvestigingen: waarvan in deze gemeente</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="7*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="38*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="8*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="48*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al><vet>3 </vet>Gegevens lesgebouw</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>a Status gebouw:</vet></al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al> hoofdgebouw van de hoofdvestiging</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al> hoofdgebouw van de nevenvestiging</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al> dislocatie van de hoofd-/nevenvestiging [4]</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>b Gebouwgegevens:</vet></al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Adres</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Bouwaard</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>permanent / noodbouw</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Brutovloeroppervlakte (BVO)</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>m2</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Bouwjaar</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>Bij gebouw dat in verschillende bouwjaren gebouwd
                                            is:</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al> Bouwjaar deel 1 BVO deel 1 m²</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al> Bouwjaar deel 2 BVO deel 2 m²</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al> Bouwjaar deel 3 BVO deel 3 m²</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Huidig gegeven</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Te wijzigen in</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>-PO: capaciteit feitelijk</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>groepen</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>groepen genormeerd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>groepen</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>groepen</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>c Additionele gegevens</vet></al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="44*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="56*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>4 </vet>Gegevens over medegebruik</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>(PO) aantal groepen medegebruik</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>(VO) brutovloeroppervlakte </al></entry><entry colname="col2"><al>m2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>5 Ondertekening</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Ondergetekenden verklaren namens het bevoegd gezag dat
                                            de doorgegeven wijzigingen in de gemeentelijke
                                            administratie nodig zijn om een juiste weergave van de
                                            gegevens van de vermelde school te continueren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Plaats</al></entry><entry colname="col2"><al>Datum</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>De voorzitter</al></entry><entry colname="col2"><al>De secretaris</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Handtekening voorzitter</al></entry><entry colname="col2"><al>Handtekening secretaris</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Toelichting</al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dit formulier is bedoeld voor zogenaamd 'turn around'-gebruik, dat wil
                        zeggen na de eerste opgave behoeft het formulier slechts indien er
                        wijzigingen zijn te worden ingezonden. Alleen de te wijzigen gegevens worden
                        dan door het bevoegd gezag vermeld. Bij elektronische uitwisseling van het
                        formulier kunnen slechts de van toepassing zijnde gegevens worden
                        afgedrukt.</al><al>Na verwerking zendt de gemeente een nieuw formulier met gegevens in de kolom
                        'huidig gegeven' toe aan het bevoegd gezag. Dit maakt het mogelijk voor het
                        bevoegd gezag te controleren of verwerking van de wijzigingen conform de
                        opgave is geschied.</al><al><vet>Basisgegevens</vet></al><al>Nauwkeurig vastleggen en bijhouden van de gegevens voorkomt dat gemeente en
                        schoolbestuur uitgaan van verschillende huisvestingsgegevens.</al><al>Er wordt gevraagd voor elk gebouw een formulier te verstrekken. Voor elk
                        gebouw wordt een aantal gegevens gevraagd. De meeste hiervan zijn al bekend
                        en liggen vast in de historische gegevens of BRHU voor het VO zoals C¦i die
                        heeft verstrekt.</al><al>Het kan voorkomen dat een gebouw bestaat uit gedeelten die elk in een
                        verschillend jaar zijn gebouwd. In dat geval dient elk van de bouwjaren
                        apart te worden vermeld tezamen met de brutovloeroppervlakte van het
                        desbetreffende deel.</al><al>Bij het verstrekken van de gegevens is in het formulier uitgegaan van de
                        beschrijving van de informatieverstrekking zoals opgenomen in de
                        verordening. Indien burgemeester en wethouders het noodzakelijk achten om
                        aanvullende gegevens te vervangen, dan kan in het formulier worden voorzien
                        in de mogelijkheid tot het verstrekken van deze informatie. Het kan dan gaan
                        om:</al><lijst><li nr="·"><al>gebouw(deel)nummer;</al></li><li nr="·"><al>aantal bouwlagen;</al></li><li nr="·"><al>kadastraal nummer;</al></li><li nr="·"><al>oppervlakte terrein;</al></li><li nr="·"><al>aanwezige lokalen, zo nodig te splitsen in:</al><lijst><li nr="o"><al>groepslokalen (PO)/theorie(vak)lokalen (VO);</al></li><li nr="o"><al>speellokaal (PO)/vaklokalen (VO);</al></li><li nr="o"><al>werkplaatsen (VO); aanwezige overige
                                        ruimten/nevenruimten;</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>aanwezigheid van voorzieningen voor gehandicapten;</al></li><li nr="·"><al>aanwezigheid van een rijwielberging.</al></li></lijst><al>Alvorens van deze mogelijkheid gebruik te maken, dient de gemeente wel
                        overleg te voeren met de schoolbesturen.</al><al><vet>Periodieke gegevens</vet></al><al>Het is niet mogelijk om met dit formulier te voorzien in verstrekking van
                        periodieke gegevens aan burgemeester en wethouders. Levering van periodieke
                        gegevens vindt op basis van de verordening plaats door een afschrift van het
                        leerlingtelformulier inclusief een opgave van het aantal leerlingen per
                        locatie naar burgemeester en wethouders te zenden.</al><al>Om als gemeente goed inzicht te hebben in de benutting van de
                        onderwijshuisvesting is het nodig steeds inzicht te hebben in de actuele
                        situatie. Gevraagd wordt daarom wijzigingen steeds zo spoedig mogelijk door
                        te geven. Bij wijzigingen dient het bevoegd gezag ook de datum van ingang
                        van de wijzigingen op te geven.</al><al>Formulier voor het verstrekken van informatie over eigen gymnastiekruimten
                        en jaarlijkse opgave gebruik gymnastiekruimten</al><al>Opgave eigen gymnastiekruimte eenmalig en bij wijzigingen verstrekken. </al><al>Opgave gewenst gebruik eerstvolgende schooljaar jaarlijks indienen per
                        instituut. </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="24*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="76*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>1 Opgave gymnastiekruimte [5]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Datum opgave</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a Gebouwgegevens</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Huidig gegeven</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Wijziging adres</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bouwjaar</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Oppervlakte oefenvloer m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b Additionele gegevens</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>2 Opgave gewenst gebruik gymnastieklokaal voor het
                                            komend schooljaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gebruiker (instituut)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aanduiding gymnastiekruimte waarvan het gebruik wordt
                                            gewenst</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Totaal aantal klokuren gewenst</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Opgave gewenste tijden [6]</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal klokuren</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> maandagochtend</al></entry><entry colname="col2"><al> maandagmiddag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> dinsdagochtend</al></entry><entry colname="col2"><al> dinsdagmiddag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> woensdagochtend</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al> donderdagochtend</al></entry><entry colname="col2"><al> donderdagmiddag</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> vrijdagochtend</al></entry><entry colname="col2"><al> vrijdagmiddag</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>3 Ondertekening</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Ondergetekenden verklaren dat de opgave namens het
                                            bestuur van het bevoegd gezag is ingediend.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Plaats</al></entry><entry colname="col2"><al>Datum</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>De voorzitter</al></entry><entry colname="col2"><al>De secretaris</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Handtekening voorzitter</al></entry><entry colname="col2"><al>Handtekening secretaris</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Toelichting</al><al>Dit formulier ondersteunt de gemeente bij de planning van het gebruik van de
                        gymnastieklokalen. Tevens biedt het formulier de mogelijkheid een (wijziging
                        van een) opgave te doen van noodzakelijke gegevens van een gymnastiekruimte
                        in eigendom van het schoolbestuur.</al><al><vet>Gegevens over de gymnastiekruimte</vet></al><al>Eenmalig, op basis van de situatie per 1 januari 1997, geeft het
                        schoolbestuur dat zelf eigenaar is van de gymnastiekruimte de gegevens op.
                        Bij wijzigingen in de gegevens - anders dan het gebruik - wordt hernieuwd
                        een opgave gedaan. Dit vorenstaande geldt zowel voor het primair onderwijs
                        als het voortgezet onderwijs.</al><al>Het formulier beperkt zich tot de gebouwgegevens opgenomen in de verordening
                        voorzieningen huisvesting onderwijs. Eventueel gewenste aanvullende gegevens
                        (over brutovloeroppervlakte, over aanwezigheid van was- en kleedgelegenheid
                        bijvoorbeeld) kan de gemeente vragen opnemen in het formulier. Voordat de
                        gemeente daartoe overgaat, is wel overleg met het bijzonder onderwijs
                        nodig.</al><al><vet>Opgave gewenst gebruik gymnastiekruimte</vet></al><al>Voor het inroosteren van gymnastiekruimten doet het bevoegd gezag voor elke
                        school in het primair onderwijs jaarlijks voor het volgende schooljaar een
                        opgave van het aantal klokuren gewenst gebruik. Daarbij geeft zij ook aan
                        welke gymnastiekruimte zij wenst te gebruiken en wanneer. Er is rekening
                        gehouden met opgave van gewenste dagdelen (ochtend en/of middag).</al><al>Indien de gemeente ook het voortgezet onderwijs wenst te betrekken bij het
                        inroosteren van gymnastiekruimten, dan neemt de gemeente het op in de
                        verordening. Ook de instellingen voor voortgezet onderwijs geven dan
                        jaarlijks een opgave van het gewenst gebruik van gymnastiekruimten in het
                        volgende schooljaar.</al><al>Berekeningsformulier prognosemodel huisvesting voortgezet onderwijs
                        (VO)</al><table><tgroup cols="16"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="26*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="8*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="1*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="7*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="1*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="6*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="2*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="6*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="3*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="5*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="3*"/><colspec colname="col12" colnum="12" colwidth="4*"/><colspec colname="col13" colnum="13" colwidth="4*"/><colspec colname="col14" colnum="14" colwidth="8*"/><colspec colname="col15" colnum="15" colwidth="8*"/><colspec colname="col16" colnum="16" colwidth="8*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col16" namest="col1"><al>Prognose voor huisvestingsvoorziening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Behoort bij de aanvraag voor</al></entry><entry colname="col2" nameend="col16" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Met als datum en kenmerk</al></entry><entry colname="col2" nameend="col16" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>School</al></entry><entry colname="col2" nameend="col16" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BRIN-nummer</al></entry><entry colname="col2" nameend="col16" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vestiging</al></entry><entry colname="col2" nameend="col16" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Straat</al></entry><entry colname="col2" nameend="col16" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Status vestiging</al></entry><entry colname="col2" nameend="col16" namest="col2"><al>hoofdvestiging/nevenvestiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Status hoofdgebouw</al></entry><entry colname="col2" nameend="col16" namest="col2"><al>hoofdgebouw/dislocatie</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col16" namest="col1"><al>Per gemeente onderstaande gegevens
                                            invullen/berekenen!</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col16" namest="col1"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col16" namest="col1"><al>Gegevens analyseperiode (zo mogelijk 6 jaar) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>t-6</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>t-5</al></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al>t-4</al></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al>t-3</al></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al>t-2</al></entry><entry colname="col11" nameend="col12" namest="col11"><al>t-1</al></entry><entry colname="col13" nameend="col16" namest="col13"><al>(t is gewenst jaar start bouw)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal 12-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al/></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al/></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al/></entry><entry colname="col11" nameend="col12" namest="col11"><al/></entry><entry colname="col13" nameend="col16" namest="col13"><al>= A</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal 13-jarigen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al/></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al/></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al/></entry><entry colname="col11" nameend="col12" namest="col11"><al/></entry><entry colname="col13" nameend="col16" namest="col13"><al>= B</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gemiddeld aantal</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al/></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al/></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al/></entry><entry colname="col11" nameend="col12" namest="col11"><al/></entry><entry colname="col13" nameend="col16" namest="col13"><al>(A + B) / 2 = C</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1e leerjaar school</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al/></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al/></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al/></entry><entry colname="col11" nameend="col12" namest="col11"><al/></entry><entry colname="col13" nameend="col16" namest="col13"><al>= D</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Belangstellingspercentage</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al/></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al/></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al/></entry><entry colname="col11" nameend="col12" namest="col11"><al/></entry><entry colname="col13" nameend="col16" namest="col13"><al>SD/SX * 100 = E</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Schoolbevolking</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al/></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al/></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al/></entry><entry colname="col11" nameend="col12" namest="col11"><al/></entry><entry colname="col13" nameend="col16" namest="col13"><al>= F</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vermenigvuldigingsfactor</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al/></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al/></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al/></entry><entry colname="col11" nameend="col12" namest="col11"><al/></entry><entry colname="col13" nameend="col16" namest="col13"><al>SF / SD = G</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col16" namest="col1"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col16" namest="col1"><al>Prognoseperiode </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>PRIMOS-raming</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>t</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>t+1</al></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al>t+2</al></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al>t+3</al></entry><entry colname="col10" nameend="col11" namest="col10"><al>t+4</al></entry><entry colname="col12" nameend="col13" namest="col12"><al>t+5</al></entry><entry colname="col14"><al>t+6</al></entry><entry colname="col15"><al>t+7</al></entry><entry colname="col16"><al>t+8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal 12-jarigen </al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10" nameend="col11" namest="col10"><al/></entry><entry colname="col12" nameend="col13" namest="col12"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal 13-jarigen </al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10" nameend="col11" namest="col10"><al/></entry><entry colname="col12" nameend="col13" namest="col12"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gemiddeld aantal </al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10" nameend="col11" namest="col10"><al/></entry><entry colname="col12" nameend="col13" namest="col12"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Belangstelling E </al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10" nameend="col11" namest="col10"><al/></entry><entry colname="col12" nameend="col13" namest="col12"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vermenigvuldiging G</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10" nameend="col11" namest="col10"><al/></entry><entry colname="col12" nameend="col13" namest="col12"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Schoolbevolking</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10" nameend="col11" namest="col10"><al/></entry><entry colname="col12" nameend="col13" namest="col12"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="9"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="8*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="8*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="8*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="8*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="8*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="8*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="8*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>t+9</al></entry><entry colname="col3"><al>t+10</al></entry><entry colname="col4"><al>t+11</al></entry><entry colname="col5"><al>t+12</al></entry><entry colname="col6"><al>t+13</al></entry><entry colname="col7"><al>t+14</al></entry><entry colname="col8"><al>t+15</al></entry><entry colname="col9"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal 12-jarigen </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>= H</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aantal 13-jarigen </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>= I</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gemiddeld aantal </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>(H + I) / 2 = J</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Belangstelling </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>E = K</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vermenigvuldiging</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>G = L</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Schoolbevolking</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>J * K * L = M</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Toelichting</al><al>In het voortgezet onderwijs bestaat er (nog) geen vastgesteld model dat ook
                        in de vorm van software beschikbaar is. Daarom zijn de rekenregels zoals
                        aangegeven in bijlage II onder 3 van de verordening voorzieningen
                        huisvesting onderwijs op dit formulier in schema gezet. Het is voor de
                        nauwkeurigheid van de prognose van belang dat het schema wordt ingevuld voor
                        alle gemeenten van waaruit leerlingen de vestiging waarvoor de prognose
                        wordt gemaakt bezoeken. Het uiteindelijke prognoseresultaat is dan de som
                        van de schoolbevolking (M) voor elk van de gemeenten in de jaren t tot en
                        met t+15.</al><al>In de analyseperiode worden feitelijke gegevens gebruikt: het aantal 12
                        jarigen en het aantal 13-jarigen per 1 januari van de afgelopen zes jaar (zo
                        mogelijk) en het aantal leerlingen in het eerste leerjaar en in de hele
                        vestiging per 15 september/1 oktober daaraan voorafgaand. Bij fusies
                        gedurende de analyseperiode wordt gehandeld, alsof de fusie aan het begin
                        van die periode heeft plaatsgevonden.</al><al>Door de leerlingen in het eerste leerjaar te sommeren (- D) en te delen door
                        de som van het gemiddelde aantal 12- en 13-jarigen (C) wordt het gemiddelde
                        belangstellingspercentage (E) berekend.</al><al>De som van de schoolbevolking (F) gedeeld door de som van de leerlingen in
                        het eerste leerjaar levert de gemiddelde vermenigvuldigingsfactor G op die
                        in de prognoseperiode moet worden gebruikt. Bij veranderingen in gedoceerd
                        onderwijs wordt de vermenigvuldigingsfactor over de drie meest recente jaren
                        berekend.</al><al>In de prognoseperiode wordt voor de 12- en 13-jarigen gebruikgemaakt van de
                        cijfers uit de meest recente PRIMOS-raming (die jaarlijks wordt
                        gemaakt).</al><al>De te verwachten schoolbevolking in de prognoseperiode ontstaat door het
                        gemiddeld aantal 12- en13-jarigen te vermenigvuldigen met het
                        belangstellingspercentage en de vermenigvuldigingsfactor.</al><al>NB</al><al>Mits gemeenten onderling niet te veel verschillen in toekomstige
                        ontwikkeling van de 12- en 13-jarigen, kunnen gemeenten van waaruit slechts
                        enkele leerlingen de vestiging bezoeken worden samengenomen (hetgeen het
                        rekenwerk enigszins beperkt).</al><al><vet>Formulier bouwkundige opname</vet></al><al>Per voorziening en per gebouw(gedeelte) één formulier invullen</al><table><tgroup cols="10"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="9*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="33*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="6*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="6*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="6*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="6*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="6*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="6*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col10" namest="col1"><al>1 School</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Naam</al></entry><entry colname="col4" nameend="col10" namest="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Adres</al></entry><entry colname="col4" nameend="col10" namest="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Postcode en plaats</al></entry><entry colname="col4" nameend="col10" namest="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>BRIN-nummer</al></entry><entry colname="col4" nameend="col10" namest="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Gebouw(deel)nummer</al></entry><entry colname="col4" nameend="col10" namest="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Gebouw(gedeelte)</al></entry><entry colname="col4" nameend="col10" namest="col4"><al>gehele
                                            gebouw/theorielokaal;leslokaal/vaklokaal;speellokaal/niet
                                            lesruimte/overige ruimte (doorhalen hetgeen niet van
                                            toepassing is) [7]</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col10" namest="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col10" namest="col1"><al>2 Opname</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Opnamedatum</al></entry><entry colname="col4" nameend="col10" namest="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Opname door</al></entry><entry colname="col4" nameend="col10" namest="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col10" namest="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col10" namest="col1"><al>3 Voorziening</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a</al></entry><entry colname="col2" nameend="col10" namest="col2"><al>(Elementnummers, zoals aangegeven onder 4,
                                            vermelden)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col10" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col10" namest="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b</al></entry><entry colname="col2" nameend="col10" namest="col2"><al> Noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te
                                            handhaven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col10" namest="col2"><al> Noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet
                                            gestelde eisen [8]</al><al>Doorhalen hetgeen niet van toepassing is (zie bijlage 5
                                            van de modelverordening, paragrafen 2.2 en 2.3).</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col10" namest="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col10" namest="col1"><al>4 Bouwkundige staat</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Element</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>Omschrijving gebouwonderdeel</al></entry><entry colname="col5" nameend="col10" namest="col5"><al>Conditie (in %)</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>PO VO</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry><entry colname="col6"><al>2</al></entry><entry colname="col7"><al>3</al></entry><entry colname="col8"><al>4</al></entry><entry colname="col9"><al>5</al></entry><entry colname="col10"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al><cursief>buitenwanden</cursief></al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al> vervangen/herstel buitenwanden</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al> herstel voegwerk</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al> vervangen buitenzonwering</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al><cursief>binnenwanden</cursief></al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al> vervangen binnenkozijnen</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="12*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="53*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="6*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="6*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="6*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="6*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="6*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="6*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><cursief>buitenwandopeningen</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen buitenkozijnen</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen buitenkozijnen</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al> herstel entreepui</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><cursief>dakafwerkingen</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen dakpannen, houtw.</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen dakbedekking. HWA</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen stenen dakbedekking</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><cursief>warmtedistributie</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>101</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen radiatoren, conv</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><cursief>transport(-install)</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen brandtrap</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen buitentrap</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><cursief>terrein(-afwerking)</cursief></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen rijwielstalling, st</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen erfafscheiding</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen/herstel riol./bestr</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>81</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen buitenberging</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen rioolloods</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen afrastering</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al> vervangen bestrating/riolering</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Indien vervangende nieuwbouw wordt gevraagd, dienen naast de voorgaande
                        elementen ook de onderstaande elementen te worden ingevuld. Indien het
                        herstel van constructiefouten wordt gevraagd, wordt het element aangevuld
                        waarop de aanvraag betrekking heeft.</al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="12*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="53*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="6*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="6*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="6*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="6*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="6*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="6*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Fundering</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Vloeren</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Dakconstructie</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Draagconstructie</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Vloerafwerkingen</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Plafondafwerkingen</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Warmteopwekking</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Waterleiding/riolering</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Luchtbehandeling</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Elektrotechniek</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>5 Ondertekening</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Ondergetekenden verklaren dat de opname van de
                                            bouwkundige staat van het betreffende gebouw namens het
                                            bestuur van het bevoegd gezag van de school is
                                            opgesteld</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Plaats</al></entry><entry colname="col2"><al>Datum</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>De voorzitter</al></entry><entry colname="col2"><al>De secretaris</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Handtekening voorzitter</al></entry><entry colname="col2"><al>Handtekening secretaris</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Toelichting</al><al>Algemeen</al><al>Voor de beoordeling van de bouwkundige staat van schoolgebouwen worden in
                        het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs vrijwel identieke methoden
                        gehanteerd. Het betreft een opnamemethodiek die is ontwikkeld door de
                        Rijksgebouwendienst (RGD).</al><al>De beoordeling van de bouwkundige staat van schoolgebouwen wordt gemeten aan
                        de hand van de navolgende gebouwonderdelen:</al><al>– fundering</al><al>– buitenwanden</al><al>– binnenwanden</al><al>– vloeren</al><al>– dakconstructie</al><al>– draagconstructie</al><al>– buitenwandopeningen</al><al>– vloerafwerkingen</al><al>– plafondafwerkingen</al><al>– dakafwerkingen</al><al>– warmteopwekking</al><al>– warmtedistributie</al><al>– luchtbehandeling</al><al>– elektrotechniek</al><al>– transportinstallatie</al><al>– terreinafwerkingen</al><al>In het primair onderwijs is ook het onderdeel ‘waterleiding/riolering’
                        opgenomen.</al><al>Op grond van de bij de Wet decentralisatie huisvestingsvoorzieningen (Stb.
                        1996, 402) gevoegde ‘kruisjeslijst’, is het mogelijk de elementen die zowel
                        voor het primaire onderwijs (P0) als voor het voortgezet onderwijs (VO) bij
                        de gemeente kunnen worden aangevraagd, te selecteren. De ‘kruisjeslijst’ is
                        het overzicht met de elementen die voor rekening van het bevoegd gezag dan
                        wel de gemeente komen.</al><al><vet>Onderhoud primair onderwijs en aanpassing voortgezet
                        onderwijs</vet></al><al>A Onderhoud dat kan worden aangevraagd bij de gemeente, PO</al><al> 1 – vervangen dakpannen, houtwerk, goten</al><al> 2 – vervangen rijwielstalling/-staanders</al><al> 3 – vervangen brandtrap</al><al> 4 – vervangen erfscheiding</al><al> 5 – vervangen/herstel riolering/bestrating</al><al> 6 – vervangen buitenkozijnen (inclusief hang- en sluitwerk)</al><al> 7 – vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer</al><al> 8 – vervangen buitenberging</al><al> 9 – vervangen binnenkozijnen (inclusief hang- en sluitwerk)</al><al> 10 – vervangen radiatoren, convectors, leidingen</al><al>B Aanpassing die kan worden aangevraagd bij de gemeente, VO</al><al> 11 – vervangen stenen dakbedekking, dakranden, dakvensters,
                        lichtkoepels</al><al> 12 – vervangen rijwielloods</al><al> 13 – vervangen buitentrap</al><al> 14 – vervangen afrastering</al><al> 15 – vervangen bestrating/buitenriolering</al><al> 16 – vervangen buitenkozijnen</al><al> 17 – vervangen/herstel buitenwanden</al><al> 18 – herstel voegwerk</al><al> 19 – herstel entreepui</al><al> 20 – vervangen buitenzonwering</al><al>Opmerking: indien in een gemeente geen voortgezet onderwijs voorkomt, kunnen
                        de elementen 11 tot en met 20 worden geschrapt uit het formulier.</al><al>Ten behoeve van een aanvraag voor onderhoud/aanpassing kan de noodzaak
                        worden vastgesteld met behulp van de beoordeling van de bouwkundige staat.
                        De elementen uit A en B zijn onder te brengen in de rubrieken van het
                        formulier dat wordt gehanteerd voor het vastleggen van de bouwkundige staat.
                        In het navolgend overzicht is aangegeven hoe de elementen die bij de
                        gemeente kunnen worden aangevraagd, zijn ondergebracht bij de
                        gebouwonderdelen van het formulier ter beoordeling van de bouwkundige
                        staat.</al><al>buitenwanden – 17 vervangen/herstel buitenwanden</al><al> – 18 herstel voegwerk</al><al> – 20 vervangen buitenzonwering</al><al>binnenwanden – 9 vervangen binnenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk)</al><al>buitenwandopeningen – 6 vervangen buitenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk)
                        (PO)</al><al> – 16 vervangen buitenkozijnen (VO)</al><al> – 19 herstel entreepui</al><al>dakafwerkingen – 1 vervangen dakpannen. houtwerk, goten (PO)</al><al> – 11 vervangen stenen dakbedekking, dakranden, dakvensters, </al><al> lichtkoepels</al><al> – 7 vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer</al><al>warmtedistributie – 1 vervangen radiatoren, convectors, leidingen</al><al>transport(-install.) – 3 vervangen brandtrap</al><al> – 13 vervangen buitentrap</al><al>terrein(-afwerking) – 2 vervangen rijwielstalling (-staanders) (PO)</al><al> – 4 vervangen erfscheiding (PO)</al><al> – 5 vervangen/herstel riolering/bestrating (PO)</al><al> – 12 vervangen rijwielloods (VO)</al><al> – 14 vervangen afrastering (VO)</al><al> – 15 vervangen bestrating/buitenriolering (VO)</al><al> – 8 vervangen buitenberging (PO)</al><al><vet>Vervangende nieuwbouw en herstel constructiefouten</vet></al><al>De overige onderdelen (blad 2 van het formulier) behoeven alleen te worden
                        ingevuld indien de gevraagde voorziening de vervanging van het gebouw of het
                        herstel van constructiefouten betreft. Indien de vervanging vanwege de
                        bouwkundige staat van het gebouw noodzakelijk is, moeten alle onderdelen
                        worden ingevuld. Indien het herstel van constructiefouten is gewenst, moet
                        alleen het element worden ingevuld waarop de constructiefout betrekking
                        heeft. Het betreft de navolgende gebouwonderdelen:</al><al>fundering 5</al><al>buitenwanden 13</al><al>binnenwanden 7</al><al>vloeren 10</al><al>dakconstructie 12</al><al>draagconstructie 6</al><al>buitenwandopeningen 12</al><al>vloerafwerkingen 5</al><al>plafondafwerking 4</al><al>dakafwerking 8</al><al>warmteopwekking 4</al><al>warmtedistributie 4</al><al>luchtbehandeling 3</al><al>elektrotechniek 4</al><al>transport 1</al><al>terrein 2</al><al>De conditie van een gebouwonderdeel bepaalt de mate waarin het wegingsgetal
                        meetelt in de totale afweging, volgens de volgende verdeling:</al><al>conditie 1 0%</al><al>conditie 2 10%</al><al>conditie 3 20%</al><al>conditie 4 40%</al><al>conditie 5 80%</al><al>conditie 6 100%</al><al>Voorbeeld:</al><al>buitenwandopeningen: 40% in conditie 3 en 60% in conditie 5</al><al> 40% * 20% + 60% * 80% = 56%</al><al> de score is derhalve 56% van 12 = 6.72</al><al>Op deze wijze kunnen de gebouwonderdelen in een onderlinge prioritering
                        worden gerangschikt. Indien de conditie van een gebouw ten opzichte van een
                        ander gebouw wordt afgewogen, bijvoorbeeld bij vervangende nieuwbouw,
                        bepaalt de som van de scores per gebouwonderdeel de totale conditie van het
                        gebouw ten opzichte van een ander gebouw.</al><al><vet>Toelichting specifiek</vet></al><al>Het formulier dient te zijn toegevoegd aan het formulier voor aanvragen van
                        voorzieningen in de onderwijshuisvesting indien bij de gevraagde voorziening
                        onder ‘te overleggen gegevens’ code D is vermeld. De invulling van het
                        formulier geschiedt door iemand met voldoende bouwkundige expertise om de
                        staat van de elementen van het gebouw te relateren aan de omschrijving van
                        de onderscheiden condities, zoals is weergegeven onder 4 (bouwkundige
                        staat).</al><al><vet>1. School</vet></al><al>Bij ‘school’ wordt, indien een gebouwnummer ontbreekt, de gebouwnaam
                        vermeld.</al><al>Bij ‘omvang’ kan worden aangegeven of het formulier betrekking heeft op het
                        gehele gebouw of op een van de onderscheiden gebouwgedeelten. Voor de
                        bouwbepalingen wordt verwezen naar bijlage V, hoofdstuk 2.2, van de
                        verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Indien de voorziening
                        betrekking heeft op het gehele gebouw of één gebouwgedeelte (bijvoorbeeld
                        alleen het speellokaal) kan worden volstaan met het formulier. </al><al>Indien de voorziening betrekking heeft op meerdere gebouwgedeelten moet voor
                        ieder gebouwgedeelte een apart formulier worden ingevuld. Dit is
                        noodzakelijk om op basis van bijlage V van de verordening voorzieningen
                        huisvesting onderwijs, de prioriteiten te kunnen stellen zoals deze zijn
                        aangegeven in hoofdstuk 2.2 en 2.3. Indien de gewenste voorziening
                        noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde
                        eisen, bijlage V hoofdstuk 2.3, kan in de meeste gevallen worden volstaan
                        met een rapportage waaruit blijkt dat de gewenste voorziening noodzakelijk
                        is.</al><al><vet>3. Voorziening</vet></al><al>Bij ‘voorziening’ wordt, onder a, het elementnummer aangegeven dat
                        overeenkomt met de voorziening zoals deze op de aanvraag bij de gemeente is
                        ingediend. Het betreft de elementnummers zoals deze zijn aangegeven onder
                        punt 4 (bouwkundige staat) van het formulier. Tevens dient, onder b, te
                        worden aangegeven of de gevraagde voorziening noodzakelijk is om een
                        adequaat onderhoudsniveau te handhaven (2.2) of dat de voorziening
                        noodzakelijk is om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde
                        voorlichting (2.3). Het onderdeel dat niet van toepassing is, kan worden
                        doorgehaald.</al><al><vet>4. Bouwkundige staat</vet></al><al>Bij ‘conditie’ wordt aangegeven welk percentage van een gebouwonderdeel in
                        welke conditie verkeert. Om te kunnen voldoen aan het in bijlage I van de
                        huisvestingsverordening aangegeven noodzakelijkheid-criterium dient het
                        gehele bouwelement of het in ogenschouw genomen gedeelte van het bouwelement
                        ten minste in conditie 3, 4 5 of 6 te verkeren. De invulling geschiedt
                        zodanig dat het totaal op 100% uitkomt. Om te kunnen voldoen aan het in
                        bijlage I van de huisvestingsverordening aangegeven percentage (75%), dient
                        ten minste dit percentage van het element in conditie 3, 4 of 5 te verkeren.
                        Het betreft het percentage dat als ondergrens wordt gehanteerd om te bepalen
                        of bijvoorbeeld de buitenkozijnen voor vervanging in aanmerking komen. In de
                        eerste plaats wordt de conditie van een gebouwonderdeel bepaald door de mate
                        waarin de functies van het onderdeel zijn aangetast. In de tweede plaats
                        wordt de conditie van een onderdeel bepaald door de mate van veroudering of
                        aantasting. De condities zoals deze per gebouwonderdeel worden aangetroffen,
                        zijn als volgt gedefinieerd.</al><al>Conditie 1</al><lijst><li nr="·"><al>Algemeen Nieuwbouwkwaliteit en/of met nieuwbouw vergelijkbare
                                kwaliteit.</al></li><li nr="·"><al>Functioneel Functionele gebreken veroorzaakt door veroudering van
                                materialen en constructies mogen niet voorkomen of voorgekomen zijn.
                                Wel kunnen functionele gebreken voorgekomen zijn na bijvoorbeeld een
                                calamiteit.</al></li><li nr="·"><al>Veroudering Tamelijk ernstige gebreken, ontstaan door veroudering,
                                mogen niet voorkomen. Zeer incidenteel kunnen lichte mechanische
                                beschadigingen voorkomen die niet bedreigend zijn voor het
                                functioneren van (het deel van) het gebouw.</al></li><li nr="·"><al>Basiskwaliteit Het werk is onder meer als goed en degelijk te
                                typeren. Zeer incidenteel kan een goed uitgevoerde en duurzame
                                reparatie aangetroffen worden.</al></li></lijst><al>Conditie 2</al><lijst><li nr="·"><al>Algemeen Nieuwbouwkwaliteit met eerste tekenen van feitelijke
                                veroudering.</al></li><li nr="·"><al>Functioneel Functionele gebreken kunnen zich incidenteel onder
                                ongunstige omstandigheden voordoen. Functionele gebreken die
                                onbruikbaarheid veroorzaken, mogen niet voorkomen.</al></li><li nr="·"><al>Veroudering Zeer incidenteel kan zich een ernstig gebrek in de vorm
                                van bijvoorbeeld materiaal- aantasting voordoen. Tamelijk ernstige
                                gebreken, zoals duidelijke verweringsverschijnselen, kunnen zich
                                incidenteel en plaatselijk voordoen.</al></li><li nr="·"><al>Basiskwaliteit Het werk is als redelijk tot goed te typeren.
                                Plaatselijk kunnen goed uitgevoerde en duurzame reparaties worden
                                aangetroffen.</al></li></lijst><al>Conditie 3</al><lijst><li nr="·"><al>Algemeen Het verouderingsproces is over de gehele linie duidelijk op
                                gang gekomen.</al></li><li nr="·"><al>Functioneel Functionele gebreken kunnen zich incidenteel en
                                plaatselijk onder normale omstandigheden voordoen. Functionele
                                gebreken die onbruikbaarheid veroorzaken, mogen niet voorkomen.</al></li><li nr="·"><al>Veroudering Plaatselijk kunnen zich ernstige gebreken aan materialen
                                en/of constructies voordoen zonder te resulteren in functionele
                                gebreken. Tamelijk ernstige gebreken, zoals een duidelijke
                                verwering, kunnen plaatselijk tot regelmatig voorkomen.</al></li><li nr="·"><al>Basiskwaliteit Het werk is als matig te typeren. Goed uitgevoerde en
                                duurzame reparaties kunnen regelmatig voorkomen. Anderzijds kunnen
                                ook plaatselijke reparaties worden aangetroffen die slecht zijn
                                uitgevoerd en/of zijn uitgevoerd met minder geschikte
                                materialen.</al></li></lijst><al>Conditie 4</al><lijst><li nr="·"><al>Algemeen Het verouderingsproces heeft het gebouwonderdeel duidelijk
                                in zijn greep.</al></li><li nr="·"><al>Functioneel Functionele gebreken kunnen zich plaatselijk tot
                                regelmatig voordoen onder normale omstandigheden. Functionele
                                gebreken die onbruikbaarheid veroorzaken, kunnen zich in de
                                afgelopen jaren incidenteel op beperkte schaal hebben voorgedaan
                                naar aanleiding van veroudering van materialen en/of
                                constructies.</al></li><li nr="·"><al>Veroudering Plaatselijk tot regelmatig kunnen zich ernstige gebreken
                                aan materialen en/of constructies voordoen (incidenteel kunnen zich
                                hierdoor functionele gebreken voordoen en/of hebben voorgedaan).
                                Tamelijk ernstige gebreken, zoals een duidelijke verwering, kunnen
                                algemeen voorkomen. Onderdelen die het directe functioneren van een
                                deel van een gebouw niet bedreigen, kunnen vrijwel volledig zijn
                                verdwenen.</al></li><li nr="·"><al>Basiskwaliteit Het werk is als zeer matig te typeren.</al></li></lijst><al>Conditie 5</al><lijst><li nr="·"><al>Algemeen Het verouderingsproces is min of meer onomkeerbaar geworden
                                c.q. heeft het deel van een gebouw zeer duidelijk in zijn
                                greep.</al></li><li nr="·"><al>Functioneel Functionele gebreken kunnen zich regelmatig voordoen.
                                Functionele gebreken die de onbruikbaarheid veroorzaken, kunnen zich
                                incidenteel plaatselijk voordoen en/of in de afgelopen jaren met
                                duidelijke regelmaat op beperkte schaal hebben voorgedaan.</al></li><li nr="·"><al>Veroudering Regelmatig kunnen zich ernstige gebreken aan materialen
                                en/of constructies voordoen (incidenteel kunnen zich hierdoor
                                functionele gebreken voordoen en/of met enige regelmaat voorgedaan
                                hebben). Tamelijk ernstige gebreken aan materialen en/of
                                constructies kunnen tamelijk algemeen in duidelijk gevorderde stadia
                                voorkomen. Onderdelen welke het directe functioneren (van het deel)
                                van het gebouw bedreigen, kunnen duidelijke gebreken vertonen</al></li><li nr="·"><al>Basiskwaliteit Het werk is als slecht te typeren.</al></li></lijst><al>Conditie 6</al><al>·Algemeen Een zodanig slechte toestand dat dit niet meer te classificeren is
                        onder conditie 5.</al><al>· Omschrijving gebreken:</al><al>·<vet> 1</vet><vet> ernstige gebreken:</vet></al><al>· – functionele gebreken zoals lekkage, vochtdoorslag, vochtoptrek, niet
                        beloopbaar zijn e.d.;</al><al>· – primaire constructieve gebreken: gebreken met betrekking tot
                        verankering, oplegging, houtrot, corrosie, betonschade, delaminatie
                        e.d.;</al><al>· – materiaalwezenlijke gebreken: houtrot, corrosie, betonschade,
                        delaminatie e.d</al><al>·<vet> 2</vet><vet> tamelijk ernstige gebreken</vet></al><al>· – materiaaloppervIakte-gebreken; verwering, erosie, afschilfering
                        e.d.;</al><al>· – secundaire constructieve gebreken: doorbuiging, scheuren, vervorming
                        e.d.;</al><al>· – gebreken aan beschermde afwerklagen.</al><al>·<vet> 3</vet><vet> geringe gebreken</vet></al><al>· – esthetische gebreken, verkleuring, bekladding, vervuiling;</al><al>· – defecten aan kleine en/of ondergeschikte onderdelen.</al><al><vet>Omschrijving gebouwonderdelen</vet></al><al>De in het opnameformulier weergegeven gebouwonderdelen moeten vrij ruim
                        worden geïnterpreteerd. In principe moet het weergegeven onderdeel in zijn
                        algehele verschijningsvorm worden beoordeeld</al><al>Bij de verschillende gebouwonderdelen is aangegeven welke elementen, zoals
                        deze kunnen worden aangevraagd bij de gemeente, behoren bij het
                        desbetreffende gebouwonderdeel. Indien een element wordt aangevraagd, dient
                        de conditie te worden ingevuld van het bijhorende deel van het gebouw.</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>Buitenwanden</cursief>: zowel dragende als niet-dragende
                                gevelwanden, inclusief isolatie en afwerking. maar zonder de
                                buitenwandopeningen.</al><al> Elementen: 17 vervangen/herstel buitenwanden (VO)</al><al> 18 herstel voegwerk (VO)</al><al> 20 vervangen buitenzonwering (VO)</al></li><li nr="-"><al><cursief>Binnenwanden</cursief>: zowel dragende als niet-dragende
                                binnenwanden, inclusief binnenwandopeningen, afwerkingen etc.</al><al> Elementen: 9 vervangen binnenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk)
                                (PO)</al></li><li nr="-"><al>Buitenwandopeningen: alle openingen voor uitzicht, ventilatie en
                                verkeer in een gevel.</al><al> Elementen: 6 vervangen buitenkozijnen (incl. hang- en sluitwerk)
                                (PO)</al><al> 16 vervangen buitenkozijnen (VO)</al><al> 19 herstel entreepui (VO)</al></li><li nr="-"><al><cursief>Dakafwerkingen</cursief>: de waterdichte laag inclusief de
                                direct onder of boven de laag aanwezige isolatie en inclusief
                                eventuele goten.</al><al> Elementen: 1 vervangen dakpannen. houtwerk, goten (PO)</al><al> 11 vervangen stenen dakbedekking, dakranden. dakvensters,
                                lichtkoepels (VO)</al><al> 7 vervangen dakbedekking (plat dak), hemelwaterafvoer (PO)</al></li><li nr="-"><al><cursief>Warmtedistributie</cursief>: verwarmingsleidingen.
                                radiatoren/convectors etc., koud- en warmwaterleidingen.</al><al> Elementen: 10 vervangen radiatoren, convectors, leidingen (PO)</al></li><li nr="-"><al><cursief>Transportinstallaties</cursief>: liftinstallaties,
                                buitentrappen.</al><al> Elementen: 3 vervangen brandtrap (PO)</al><al> 13 vervangen buitentrap (VO)</al></li><li nr="-"><al><cursief>Terrein(-afwerking)</cursief>: alle afwerkingen van het
                                terrein, bestrating en begroeiing.</al><al> Buitenbergingen en erfafscheiding.</al><al> Elementen: 2 vervangen rijwielstalling (-staanders) (PO)</al><al> 4 vervangen erfscheiding (PO)</al><al> 5 vervangen/herstel riolering/bestrating (PO)</al><al> 12 vervangen rijwielloods (VO)</al><al> 14 vervangen afrastering (VO)</al><al> 15 vervangen bestrating/buitenriolering (VO)</al><al> 8 vervangen buitenberging (PO)</al></li></lijst><al>De navolgende gebouwonderdelen worden slechts geïnventariseerd indien de
                        totale vervanging van het gebouw wordt gewenst.</al><lijst><li nr="·"><al>Fundering: dit onderdeel heeft zowel betrekking op de eventuele
                                dieptefundering (paalfundering), funderingsbalken, vloeren op
                                grondslag, etc.</al></li><li nr="·"><al>Vloeren: alle horizontale vloerdelen: op begane grond en
                                verdiepingen, exclusief de afwerking.</al></li><li nr="·"><al>Dakconstructie: de volledige opbouw van het dak, inclusief
                                dakbalken, dakplaten, exclusief de dakafwerking.</al></li><li nr="·"><al>Draagconstructie: voornamelijk kolommen en balken.</al></li><li nr="·"><al>Vloerafwerkingen: de toplaag van de vloer inclusief eventuele
                                deklagen.</al></li><li nr="·"><al>Plafondafwerkingen: systeemplafonds, stuclagen, sauswerk, etc.</al></li><li nr="·"><al>Warmteopwekking: verwarmingsketels en warmwaterboilers, geisers,
                                inclusief randapparatuur.</al></li><li nr="·"><al>Waterleiding/sanitair: warm- en koudwaterleidingen, toiletpotten,
                                wastafels etc.</al></li><li nr="·"><al>Luchtbehandeling: mechanische ventilatie; afzuiging/toevoer
                                luchtbehandelingkasten, randapparatuur, distributieleidingen.</al></li><li nr="·"><al>Elektrotechniek: alle elektrotechnische voorzieningen.</al></li></lijst><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet>1 Algemene toelichting</vet></al><al>1.1<vet>Inleiding</vet></al><al>Sinds de decentralisatie van onderwijshuisvesting hebben gemeenten de
                        opdracht te voorzien in adequate huisvesting voor het primair en het
                        voortgezet onderwijs, op basis van een verordening. In deze algemene
                        toelichting wordt ingegaan op de totstandkoming van de Verordening
                        voorzieningen huisvesting onderwijs. Er wordt een kort overzicht gegeven van
                        de overwegingen die tot de decentralisatie van de onderwijshuisvesting
                        hebben geleid, van het belang ervan en van de wet. Daarna wordt ingegaan op
                        het belangrijkste instrument dat gemeenten hebben om de nieuwe taak uit te
                        voeren: de verordening. Een ander belangrijk instrument voor het
                        gemeentelijk beleid is het overleg met het onderwijsveld. Op dat overleg, en
                        op de functie van de verordening daarin, wordt tot slot ingegaan. <vet>1.2
                            Het belang van de decentralisatie van de onderwijshuisvesting</vet></al><al>De samenleving heeft belang bij goed onderwijs. Goed onderwijs is mede
                        afhankelijk van een goede infrastructuur, waaronder begrepen de huisvesting
                        van de scholen. Bij de realisatie van die huisvesting is het van belang een
                        situatie te creëren die zo goed mogelijk op de omstandigheden van de school
                        is toegesneden, tegen een zo laag mogelijke prijs. Het gaat immers om de
                        aanwending van gemeenschapsgelden. Deze twee uitgangspunten, maatwerk en
                        efficiency, vormden de belangrijkste redenen voor decentralisatie van
                        onderwijshuisvesting. Veel meer dan de rijksoverheid is het immers voor
                        gemeenten mogelijk bij het huisvestingsbeleid rekening te houden met de
                        omstandigheden van de school en de overige lokale omstandigheden. De
                        decentralisatie van de onderwijshuisvesting is dus op de eerste plaats van
                        belang voor scholen. Ook voor gemeenten, in hun rol van overheid, is het
                        echter van belang. Op tal van gemeentelijke beleidsterreinen is immers
                        sprake van huisvestingsbehoefte. Gemeenten dienen de rol van beleidsbepalend
                        coördinator en financier te vervullen en zo een optimale afstemming tussen
                        huisvestingsbehoefte, beschikbare huisvestingscapaciteit en beschikbare
                        middelen te bewerkstelligen. Enerzijds wordt hierdoor meer efficiency
                        bereikt en anderzijds wordt de inhoud van het lokale onderwijsbeleid via de
                        huisvesting ondersteund. Zou de gemeente bijvoorbeeld in het kader van het
                        achterstandsbeleid besluiten dat extra aandacht (en geld) wordt besteed aan
                        een bepaalde categorie leerlingen, dan kan daaraan gekoppeld worden dat daar
                        ook in de sfeer van de huisvesting een mogelijkheid voor wordt gecreëerd.
                        Ook buiten de sfeer van het onderwijs heeft de nieuwe taak van gemeenten
                        inmiddels zijn vruchten afgeworpen. Zo worden nieuwe vormen van bouwen
                        gestimuleerd en heeft de groei van het aantal Brede Scholen een grote vlucht
                        genomen. Samenvattend kan gesteld worden dat niet alleen het onderwijs, maar
                        ook andere gemeentelijke beleidsterreinen kunnen profiteren van de
                        huisvestingsverantwoordelijkheid van gemeenten. Het spreekt voor zich dat
                        dit gebeurt in goed overleg met de betrokken schoolbesturen. <vet>1.3 De
                            wet</vet></al><al>De verordening voorzieningen huisvesting onderwijs stoelt op de Wet op het
                        primair onderwijs (WPO), de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en de Wet
                        op de expertisecentra (WEC). De belangrijkste elementen uit de wet
                        zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>de gemeenteraad heeft een zorgplicht voor alle
                                huisvestingsvoorzieningen op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="·"><al>de voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente
                                verantwoordelijk zijn benoemd in de onderwijswetgeving;</al></li><li nr="·"><al>de gemeenteraad heeft de plicht een verordening vast te stellen. In
                                die verordening moet onder andere worden geregeld welke criteria de
                                gemeente hanteert bij de beoordeling van verzoeken, hoe de bedragen
                                voor de huisvestingsvoorzieningen worden vastgesteld, aan welke
                                eisen schoolgebouwen moeten voldoen en welke procedures gelden voor
                                aanvragen van schoolbesturen. Voordat de verordening wordt
                                vastgesteld, wordt daarover overleg gevoerd met de
                                schoolbesturen;</al></li><li nr="·"><al>aan het college wordt opgedragen jaarlijks een bedrag vast te
                                stellen. Dit bedrag is bestemd voor de bekostiging van
                                huisvestingsvoorzieningen in het daaropvolgende jaar en moet zodanig
                                worden vastgesteld dat daarmee redelijkerwijs kan worden voorzien in
                                de huisvestingsbehoefte;</al></li><li nr="·"><al>als de huisvestingsverzoeken zijn beoordeeld dient een zogenoemd
                                programma te worden vastgesteld door de gemeenteraad. Dit programma
                                bevat alle aangevraagde voorzieningen die het jaar daarop voor
                                bekostiging door de gemeente in aanmerking komen. Verzoeken die
                                worden afgewezen komen op het zogenoemde overzicht te staan. De
                                afwijzingsgrond wordt daarbij vermeld;</al></li><li nr="·"><al>de wet regelt ook de weigeringsgronden. Een voorziening wordt
                                geweigerd indien:</al><lijst><li nr="o"><al>niet aan de formele eisen voor indiening is voldaan;</al></li><li nr="o"><al>de voorziening niet noodzakelijk is;</al></li><li nr="o"><al>op een andere wijze in de behoefte kan worden voorzien,
                                        bijvoorbeeld door medegebruik. Om dat medegebruik te kunnen
                                        realiseren heeft de gemeente het recht leegstaande ruimte te
                                        vorderen van een schoolbestuur;</al></li><li nr="o"><al>de voorziening noodzakelijk is als gevolg van verwijtbare
                                        nalatigheid van het schoolbestuur;</al></li><li nr="o"><al>het door de gemeenteraad vastgestelde budget niet toereikend
                                        is;</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>in afwijking van hetgeen in de wet geregeld wordt, kan een gemeente
                                met een schoolbestuur overeenkomen dat het schoolbestuur zelf
                                verantwoordelijk is voor de huisvestingsvoorzieningen en daarvoor
                                van de gemeente jaarlijks een bedrag ontvangt; de zogenaamde
                                doordecentralisatie. Dit kan gaan om alle huisvestingsvoorzieningen,
                                maar ook om een gedeelte daarvan. De gemeenteraad kan voorwaarden
                                stellen aan de doordecentralisatie.</al></li></lijst><al><vet>1.4 Het overleg met het lokale onderwijsveld; consensusmodel</vet></al><al>Alvorens in paragraaf 1.5 in te gaan op het formele instrument dat gemeenten
                        ter beschikking staat om de huisvestingstaak uit te voeren (de verordening),
                        wordt eerst ingegaan op het minstens zo belangrijke instrument van het
                        overleg. De wet schrijft een aantal malen overleg met bijzondere scholen of
                        hun vertegenwoordigers voor. Méér echter dan een wettelijke verplichting is
                        het overleg een instrument om lokaal onderwijs(huisvestings)beleid te
                        voeren. Het is niet alleen van belang om draagvlak te verkrijgen voor de
                        intenties van de gemeente, maar ook nuttig om inzicht te krijgen in de
                        wensen en mogelijkheden van schoolbesturen. Met name indien een gemeente de
                        onderwijshuisvesting wil inbedden in het bredere lokaal onderwijsbeleid, is
                        goed overleg onontbeerlijk. In paragraaf 1.5 wordt onder andere beschreven
                        wat het programma, het overzicht en de urgentiecriteria inhouden. De
                        toepassing van deze wettelijke instrumenten kàn ertoe leiden dat het
                        huisvestingsbeleid niet meer wordt dan het van jaar tot jaar toe- en
                        afwijzen van ingediende verzoeken. Op die wijze is het niet alleen
                        onmogelijk om integraal beleid te voeren; ook de ontwikkeling van een
                        meerjarenperspectief is dan niet aan de orde. Er kan echter, in overleg met
                        het onderwijsveld, gekomen worden tot een meerjarenplanning. Van de scholen
                        wordt dan gevraagd inzicht te geven in hun meerjarenplanning en de daaruit
                        voortvloeiende huisvestingswensen. De gemeente geeft aan wat, naar
                        verwachting, de financiële mogelijkheden zijn en of er ontwikkelingen op
                        andere gemeentelijke beleidsterreinen verwacht worden die mogelijk van
                        invloed zijn op de onderwijshuisvesting. Vervolgens wordt, in gezamenlijk
                        overleg, een planning voor de komende jaren vastgesteld. Op basis van deze
                        (jaarlijks te actualiseren) meerjarenplanning dienen de schoolbesturen hun
                        aanvragen in. Dit zogenaamde consensusmodel stelt eisen aan het overleg.
                        Daarbij gaat het zowel om de agenda als de deelnemers. Dit type overleg kan
                        alleen zinvol zijn als het niet wordt beperkt tot de 'techniek' van de
                        huisvesting, maar wordt verbreed tot de voornemens en wensen van alle
                        partijen op het brede onderwijsterrein. Dat stelt uiteraard ook eisen aan de
                        deelnemers. Overleg is alleen zinvol als men voldoende deskundigheid, maar
                        ook voldoende mandaat heeft. Bovendien geldt voor de gemeente dat het
                        noodzakelijk is een helder onderscheid aan te brengen tussen de lokale
                        overheidstaak en het bestuur van het openbaar onderwijs. Dat betekent bij
                        voorkeur dat aan het overleg een representant van de gemeente en een
                        representant van het openbaar onderwijs deelnemen. Afhankelijk van de mate
                        van verzelfstandiging van het openbaar onderwijs en de keuze van de
                        directiestructuur kan de representant van het openbaar onderwijs een
                        ambtenaar van de dienst onderwijs of een lid van de (centrale) directie
                        zijn. Het is uiteraard van belang dat deze personen kunnen rekenen op een
                        draagvlak binnen de scholen die zij representeren. Om hiervan verzekerd te
                        zijn kunnen bijvoorbeeld de medezeggenschapsraden vooraf geconsulteerd
                        worden. Als het openbaar onderwijs is verzelfstandigd, neemt uiteraard het
                        bevoegd gezag deel aan het overleg. Voor het bijzonder onderwijs betekent
                        dit deelname door het schoolbestuur zelf, een representant daarvan met
                        bestuurlijk mandaat of een vertegenwoordiger van een aantal schoolbesturen.
                        Met name in gemeenten met veel schoolbesturen zal een praktische keuze
                        gemaakt moeten worden, om het overleg niet op een 'Poolse landdag' te laten
                        uitlopen. Toepassing van het hiervoor beschreven consensusmodel betekent
                        niet dat er geen verordening behoeft te worden vastgesteld. Volgens de wet
                        dient iedere gemeente waar zich basis-, speciaal, of voortgezet onderwijs
                        bevindt een verordening te hebben. Ook al wordt die verordening niet strikt
                        toegepast, De uitkomsten van het consensusmodel zullen tot de vaststelling
                        van een programma (de beschikkingen) door de gemeenteraad moeten leiden. Ook
                        in het bovenbeschreven consensusmodel vormen de bepalingen in de verordening
                        de basis voor het onderwijshuisvestingsbeleid. Formeel gezien kunnen er geen
                        rechten ontleend worden aan de meerjarenplanning. Om het consensusmodel een
                        steviger juridische basis te geven kan worden aangesloten bij de
                        mogelijkheid die de onderwijswetten bieden om naast de verordening afspraken
                        te maken met een of meer schoolbesturen. <vet>1.5 De verordening</vet> De
                        wet geeft gemeenten een belangrijk instrument om de huisvestingstaak
                        gestalte te geven: de verordening. De verordening dient de uitwerking te
                        vormen van een aantal wettelijke bepalingen. De belangrijkste daarvan is dat
                        de verordening zodanig moet worden opgezet dat kan worden 'voldaan aan de
                        redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de
                        gemeente stelt'. In de VNG-modelverordening voorzieningen huisvesting
                        onderwijs, die door iedere gemeente op de gewenste lokale maat gesneden kan
                        worden, is dat principe uitgewerkt. Deze modelverordening is tot stand
                        gekomen met medewerking van een klankbordgroep, bestaande uit gemeentelijke
                        vertegenwoordigers, en na uitgebreid en constructief overleg met de
                        besturenorganisaties voor het bijzonder onderwijs. De verordening bestaat
                        voor het belangrijkste deel uit bepalingen die volgens de wet moeten worden
                        opgenomen. Daarnaast is een aantal facultatieve bepalingen opgenomen. Op het
                        eerste gezicht lijkt de verordening, en met name de bijlagen, vrij
                        omvangrijk. De redenen daarvoor zijn de volgende: alhoewel het sterk de
                        voorkeur heeft om in overleg met de schoolbesturen (zie hiervoor paragraaf
                        1.4) het huisvestingsbeleid gestalte te geven, dient de verordening zodanig
                        van inhoud te zijn dat die in juridische zin voldoende waarborgen biedt om,
                        ook in beroep, de gemeentelijke beslissingen te kunnen dragen. Dat gegeven
                        leidt tot meer bepalingen dan op het eerste gezicht wenselijk lijkt.</al><al>·Bovendien vervangt de modelverordening het grootste deel van het
                        omvangrijke scala aan rijksregelgeving en andere voorschriften. Gemeenten
                        hebben nu eenmaal niet dezelfde variëteit aan regelgevingsmogelijkheden die
                        het rijk heeft, dus alle regels moeten in de vorm van een verordening worden
                        gegoten.</al><al><vet>1.5.1 Uitgangspunten</vet> De modelverordening heeft de volgende
                        uitgangspunten:</al><lijst><li nr="·"><al>Integraal gemeentelijk huisvestingsbeleid;</al></li><li nr="·"><al>Efficiency;</al></li><li nr="·"><al>Maatwerk;</al></li><li nr="·"><al>Gelijke behandeling van openbaar en bijzonder onderwijs.</al></li></lijst><al><vet>Integraal gemeentelijk beleid</vet></al><al>In de modelverordening is uitgegaan van integraal gemeentelijk
                        huisvestingsbeleid. Dat betekent dat niet op voorhand een scheiding wordt
                        aangebracht tussen primair, speciaal en voortgezet onderwijs. Hieruit vloeit
                        niet alleen voort dat ervan uit wordt gegaan dat de gemeenteraad één budget
                        vaststelt voor alle mogelijke huisvestingsvoorzieningen, maar ook dat bij
                        het opstellen van de beoordelingscriteria waar mogelijk wordt uitgegaan van
                        één systematiek. Om het mogelijk te maken dat het
                        onderwijshuisvestingsbeleid zoveel mogelijk wordt ingebed in het totale
                        gemeentelijke beleid, wordt bij de aanvraag- en toekenningsprocedure de
                        gemeentelijke begrotingscyclus gevolgd. Op die wijze wordt bewerkstelligd
                        dat een brede lokale afweging wordt gemaakt binnen het totaal aan
                        beschikbare gemeentelijke middelen. Het programma met daarop de
                        huisvestingsvoorzieningen die door de gemeente worden vergoed, wordt in
                        principe dan ook gelijktijdig met de begroting vastgesteld. Op die wijze
                        zijn het bedrag op de begroting en de toegekende voorzieningen altijd met
                        elkaar in overeenstemming. Er is dus geen sprake van een vooraf vastgesteld
                        budget, waarna vervolgens zoveel voorzieningen worden toegekend als het
                        budget toelaat. Een dergelijke handelwijze kan ertoe leiden dat niet voldaan
                        wordt aan de opdracht tot adequate huisvesting, omdat absoluut noodzakelijke
                        voorzieningen niet aan bod komen. Evenzeer is het denkbaar dat voorzieningen
                        die niet absoluut noodzakelijk zijn worden toegekend, omdat er nu eenmaal
                        budget is. Dat 'overtollige' budget kan wellicht beter ingezet worden voor
                        andere gemeentelijke beleidsterreinen. <vet>Efficiency</vet></al><al>Het is belangrijk om zorgvuldig om te gaan met gemeenschapsgeld. Daarom
                        heeft dit item een groot accent gekregen in de verordening. De inzet is het
                        zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande huisvestingscapaciteit. Dat komt
                        tot uitdrukking in de beoordelingscriteria die worden toegepast bij
                        verzoeken om nieuwe huisvestingsvoorzieningen, maar bijvoorbeeld ook bij het
                        toekennen van ruimte voor gymnastiekonderwijs. Bij dat laatste wordt het
                        uitgangspunt verlaten dat bij een bepaalde omvang van het gebruik recht
                        bestaat op een 'eigen' gymlokaal, en wordt uitgegaan van gemeentelijke
                        accommodaties die beschikbaar worden gesteld voor het onderwijs.</al><al><vet>Maatwerk</vet></al><al>Het maatwerk komt onder andere tot uitdrukking in de mate van autonomie die
                        aan schoolbesturen wordt gegeven; er worden slechts minimale normen voor
                        huisvestigingsvoorzieningen vastgelegd. De modelverordening gaat ook niet
                        uit van een genormeerd systeem van periodieke toekenning van bedragen voor
                        groot onderhoud en renovatie. Als dergelijke voorzieningen gewenst zijn, dan
                        wordt de noodzaak ervan getoetst. Het maatwerk komt ook tot uitdrukking in
                        de wijze waarop de vergoeding van de kosten van bepaalde voorzieningen tot
                        stand komt. De wet schrijft voor dat de gemeenteraad daarvoor normen
                        vastlegt. In de modelverordening is ervoor gekozen de vergoeding voor alle
                        voorzieningen waarvoor dat mogelijk is, te normeren in de vorm van een soort
                        van programma van eisen. Voor de voorzieningen waarvoor dat niet mogelijk is
                        wordt uitgegaan van de offertelijn. Die houdt in dat een schoolbestuur bij
                        de aanvraag een begroting overlegt. Na eventuele bijstelling daarvan wordt
                        een voorlopig vergoedingsbedrag vastgesteld. Als de voorziening door het
                        college is goedgekeurd, vraagt het schoolbestuur een aantal offertes op. Op
                        basis daarvan wordt vervolgens het definitieve vergoedingsbedrag bepaald. Op
                        die wijze ontstaat ook in de vergoeding van de voorzieningen het benodigde
                        maatwerk. In de artikelsgewijze toelichting is aangegeven dat ook de
                        vergoedingsbedragen die genormeerd zijn, kunnen worden vervangen door de
                        offertelijn.</al><al><vet>Gelijkstelling onderwijs</vet></al><al>Als laatste, maar zeker niet onbelangrijkste uitgangspunt, kan de gelijke
                        behandeling van openbaar en bijzonder onderwijs genoemd worden.</al><al><vet>1.5.2 De structuur</vet></al><al>De modelverordening is opgesteld volgens het 'ladenkastprincipe'. Dit houdt
                        in dat de bepalingen voor de onderwijssoorten die in een gemeente niet
                        voorkomen, gemakkelijk verwijderd kunnen worden. Dat geldt ook voor
                        facultatieve bepalingen, zoals het toekennen van een vergoeding voor de
                        kosten van bouwvoorbereiding. Verder zijn alle bepalingen waar keuzen
                        gemaakt zijn op het gebied van termijnen duidelijk aangegeven. De gekozen
                        termijnen kunnen zodoende makkelijk vervangen worden. De modelverordening
                        bevat een aanzienlijk aantal vrij technische bepalingen. Dit geldt met name
                        voor de bouwkundige en financiële normering en de urgentie- en
                        prognosecriteria. Omwille van de inzichtelijkheid bestaat de
                        modelverordening daarom uit een zgn. rompverordening met bijlagen. In de
                        romp staan bepalingen die in hun algemeenheid voor iedere gemeente gelden,
                        zoals de begripsomschrijvingen, de aanvraagprocedure en de
                        competentieverdeling tussen raad en college van burgemeester en wethouders.
                        Verder is een aantal 'kapstokbepalingen' opgenomen. Deze maken het mogelijk
                        dat een nadere uitwerking plaatsvindt in de bijlagen. Romp en bijlagen
                        vormen overigens in juridische zin één geheel. De totstandkoming en
                        wijziging van de bijlagen zullen op dezelfde wijze dienen plaats te vinden
                        als die van de romp. Dat betekent overigens niet dat iedere wijziging tot
                        een nieuwe vaststelling door de gemeenteraad moet leiden. Wanneer het gaat
                        om zaken die jaarlijks bijgesteld moeten worden, zoals normbedragen, is die
                        bijstelling opgedragen aan het college.</al><al><vet>1.5.3 De procedures van aanvragen en afhandeling</vet></al><al>Wat de procedures betreft wordt aangesloten bij de gemeentelijke
                        begrotingscyclus. De totale cyclus, die start met vaststelling of (indien
                        noodzakelijk) wijziging van de verordening en eindigt met de uitvoering van
                        de huisvestingsvoorziening, vindt plaats in drie kalenderjaren. In het
                        schema op blz. 11 wordt geschetst welke activiteiten in welk jaar moeten
                        plaatsvinden, waarbij met jaar 't' het jaar van uitvoering van de
                        huisvestingsvoorziening door het schoolbestuur is bedoeld. De aangegeven
                        maanden zijn uiteraard indicatief. Er is bij de aanvraagprocedures geen
                        onderscheid gemaakt tussen voor blijvend en voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen. Beide worden op hetzelfde moment en voor hetzelfde programma
                        aangevraagd. Indien zich calamiteiten voordoen, waarbij de voortgang van het
                        onderwijs belemmerd wordt, kan een spoedprocedure gevolgd worden. Naar
                        verwachting zal hier weinig gebruik van hoeven te worden gemaakt. </al><al><vet>1.5.4 De normering</vet></al><al>De wet draagt gemeenten op om in de verordening bouwkundige en financiële
                        normen vast te leggen. Het vastleggen van financiële normen is volledig
                        overgelaten aan gemeenten. Deze vaststelling moet zodanig plaatsvinden, dat
                        een schoolbestuur vooraf weet waar het op kan rekenen. Voor de bouwkundige
                        normering is er wel sprake van centrale regelgeving. Met name in het
                        Bouwbesluit worden eisen aan gebouwen, waaronder schoolgebouwen, gesteld.
                        Ook zijn in het Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO
                        (Stb. 1997, 125) minimale oppervlaktenormen gegeven. Aanvullend daarop zijn
                        in de modelverordening enkele minimale eisen opgenomen. De bouwkundige
                        normering dient twee doelen. Enerzijds wordt daarmee bepaald aan welke eisen
                        nieuwe voorzieningen moeten voldoen. Anderzijds kan uit de bouwkundige
                        normering informatie worden ontleend over de capaciteit en de
                        functionaliteit van een bestaand gebouw. Deze informatie is belangrijk om te
                        beoordelen of er een nieuwe voorziening aan een gebouw getroffen moet
                        worden. Ten aanzien van de financiële normering zijn er twee opties: een
                        strikt genormeerde lijn en een offertelijn (deze opties worden in 1.5.1
                        onder maatwerk beschreven). Ook kan een combinatie van beide worden gekozen. </al><al>1.5.5<vet>Beoordelings- en urgentiecriteria</vet></al><al>Beoordelingscriteria zijn onontbeerlijk voor de vaststelling of een verzoek
                        in principe voor bekostiging in aanmerking komt. Als voldaan is aan de
                        beoordelingscriteria, wordt aan de hand van de urgentiecriteria en het
                        beschikbare budget vastgesteld of een voorziening daadwerkelijk bekostigd
                        wordt. Omdat één budget voor alle schoolsoorten het uitgangspunt is, gelden
                        de urgentiecriteria ook voor alle schoolsoorten. Dat betekent dat is gezocht
                        naar een methode om verzoeken van verschillende schoolsoorten onderling
                        vergelijkbaar te maken. De urgentiecriteria worden onderscheiden in vier
                        hoofdgroepen:</al><lijst><li nr="1"><al>voorzieningen die nodig zijn om een kwantitatief tekort op te heffen
                                (te weinig ruimte);</al></li><li nr="2"><al>voorzieningen die nodig zijn om een adequaat onderhoudsniveau te
                                handhaven;</al></li><li nr="3"><al>noodzakelijke aanpassingen aan gebouwen die voortkomen uit bij of
                                krachtens de wet gestelde verplichtingen;</al></li><li nr="4"><al>voorzieningen die wenselijk zijn om kwalitatieve tekorten op te
                                heffen die het gevolg zijn van nieuwe onderwijskundige inzichten
                                en/of gewenste bouwkundige aanpassingen (bijvoorbeeld andere
                                indeling gebouw), doch die als zodanig niet verplicht zijn.</al></li></lijst><al>De vier hoofdgroepen moeten vervolgens weer onderscheiden worden in een
                        aantal subgroepen. Voorbeeld: er zijn in een bepaald jaar drie verzoeken om
                        uitbreiding. Deze verzoeken vallen in hoofdgroep 1. Binnen die hoofdgroep
                        moet worden vastgesteld welke uitbreiding het meest urgent is. Dit kan
                        bijvoorbeeld door te bepalen dat de school waar relatief de grootste groei
                        plaatsvindt, de hoogste prioriteit heeft. Alle binnengekomen verzoeken
                        worden dus eerst beoordeeld aan de hand van wettelijke voorschriften en de
                        gemeentelijke beoordelingscriteria. De voorzieningen die deze toets niet
                        doorstaan, komen op het overzicht. De voorzieningen die overblijven worden
                        met behulp van de urgentiecriteria in volgorde van prioriteit geplaatst.
                        Vervolgens wordt aan de hand hiervan bepaald welke voorzieningen het
                        volgende jaar vergoed worden. Deze komen op het programma te staan. Op grond
                        van de bijbehorende normbedragen of de bedragen die op basis van de
                        offertelijn zijn vastgesteld, wordt vervolgens het bedrag bepaald dat de
                        gemeenteraad voor deze voorzieningen op de begroting voor het volgende jaar
                        opneemt. De voorzieningen die 'onder de streep' belanden, worden wegens
                        ontoereikendheid van het budget op het overzicht geplaatst. Als er voldoende
                        budget is, komen alle aanvragen op het programma. Zodoende worden op één
                        moment het bedrag, het programma en het overzicht vastgesteld. De
                        voorzieningen die het volgende jaar door de gemeente vergoed worden komen op
                        het programma; alle afgewezen verzoeken komen op het overzicht. </al><al>1.5.6<vet>Prognosecriteria</vet></al><al>In de modelverordening is vastgelegd dat voor de beoordeling van aanvragen
                        in de meeste gevallen een prognose van leerlingaantallen moet worden
                        overlegd. Prognoses gelden als één van de criteria voor bepaling van de
                        noodzaak van een aangevraagde voorziening. De verordening geeft het college
                        de bevoegdheid hiervoor nadere regels vast te stellen. Als model hiertoe is
                        in samenwerking met de besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder
                        onderwijs een uitgewerkt 'programma van eisen voor leerlingprognoses'
                        opgesteld. In dit programma van eisen is tot op het niveau van de vereiste
                        rekenregels uitgeschreven waaraan nieuwe prognoseprogrammatuur moet voldoen.
                        In het programma van eisen is een beschrijving gegeven van definities,
                        begrippen en formules die per onderwijssoort leiden tot het hanteren van de
                        juiste basisgeneraties en daarmee tot een geprognosticeerd aantal leerlingen
                        van de school. Maatwerk bij toepassing van de prognosemethodiek ligt voor de
                        hand wanneer de specifieke positie van enkele kleinere richtingen aan de
                        orde is. Het betreft hier met name gereformeerd-vrijgemaakte,
                        reformatorische en vrije scholen, waarbij de kerkelijke gebondenheid of het
                        uitermate grote voedingsgebied een wezenlijke rol spelen. Het maatwerk kan
                        hier getroffen worden door op onderdelen van de standaardsystematiek af te
                        wijken of door deze systematiek op een bepaalde manier toe te passen.</al><al>1.5.7<vet>Vaststelling van de verordening</vet></al><al>Op de vaststelling van de verordening zijn in algemene zin de betreffende
                        bepalingen uit de Gemeentewet van toepassing. Daarnaast zijn ook in de WPO,
                        de WEC en de WVO enkele bepalingen hieromtrent opgenomen. De grondslag voor
                        de regelgevende bevoegdheid van gemeenten ligt vast in de Grondwet. De
                        gemeenteraad staat aan het hoofd van de gemeente, en beschikt dientengevolge
                        over de bevoegdheid alles te regelen in het belang van de openbare orde, de
                        zedelijkheid, de gezondheid en andere zaken betreffende de huishouding van
                        de gemeente (artikel 150 Gemeentewet). Daarnaast is de raad op grond van
                        artikel 109, tweede lid Gemeentewet, verplicht die regelingen te treffen die
                        door hogere regelingen worden gevorderd. Daarvan is in het geval van de
                        Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs sprake. De onderwijswetten
                        kennen ook een aantal bepalingen omtrent de vaststelling van de
                        huisvestingsverordening. Zo bepalen de artikelen 102 WPO, 100 WEC en 76m WVO
                        dat de verordening niet vastgesteld of gewijzigd wordt dan nadat daarover op
                        overeenstemming gericht overleg is gevoerd met vertegenwoordigers van de
                        niet door de gemeente in stand gehouden scholen. Voor dat overleg moet de
                        gemeenteraad een procedure vaststellen.</al><al>1.6<vet>Rechtsbescherming</vet></al><al>De Awb-bepalingen die gelden voor de procedure voor de totstandkoming van
                        besluiten van de gemeente, hebben grotendeels een vertaling in de
                        modelverordening gekregen. Over de rechtsbescherming die van toepassing is
                        nadat de gemeente een besluit op grond van de verordening heeft genomen,
                        wordt in de modelverordening zelf niets bepaald; hier gelden onverkort de
                        bepalingen van de Awb. Daarnaast kent de verordening een andere vorm van
                        rechtsbescherming: advies van de Onderwijsraad. Zowel de gemeente als een
                        schoolbestuur kan een dergelijk advies vragen. Het advies van de
                        Onderwijsraad kan gevraagd worden in het kader van de vaststelling of
                        wijziging van de verordening, en in het kader van de vaststelling van het
                        jaarlijkse huisvestingsprogramma. Het advies wordt binnen vier weken
                        gegeven. Bij het definitieve besluit houdt de gemeente rekening met het
                        advies; een eventuele afwijking daarvan moet gemotiveerd worden.</al><al>1.7<vet>Ten slotte</vet></al><al>Hiervoor is weergegeven hoe gemeenten kunnen handelen bij de uitvoering van
                        de wettelijke opdracht om te voorzien in adequate huisvesting. Met name de
                        verordening is daarbij een belangrijk instrument. In paragraaf 1.4 is
                        verwoord dat er mogelijkheden zijn om, in afwijking van de verordening, in
                        overleg met de schoolbesturen het lokale huisvestingsbeleid gestalte te
                        geven. Daarbij kunnen dan aspecten van het lokale onderwijsbeleid en andere
                        gemeentelijke beleidsterreinen betrokken worden. De modelverordening is
                        geschreven voor alle Nederlandse gemeenten. Daarbij kan onmogelijk volledig
                        recht gedaan worden aan de verschillende lokale omstandigheden. Het is
                        daarom van groot belang de verordening te beschouwen als een dynamisch
                        beleidsinstrument, dat op de maat van de individuele gemeente gesneden wordt
                        en dat ook, waar nodig, regelmatig aangepast wordt. Naast de
                        modelverordening zijn er andere handreikingen bieden om het
                        huisvestingsbeleid gestalte te geve, zoals een handreiking omtrent
                        doordecentralisatie en het efficiënt omgaan met bestaande en nieuwe
                        gebouwen.</al><al><vet>2 Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Considerans</vet></al><al><vet>Reikwijdte verordening</vet></al><al>De verordening behoeft alleen maar bepalingen te bevatten over de
                        onderwijsvoorzieningen die zich op het grondgebied van de gemeente bevinden.
                        Zo kan bijvoorbeeld een gemeente met alleen maar basisonderwijs volstaan met
                        een verwijzing naar de WPO. Materieel betekent dit dat deze gemeente -
                        afgezien van de bepalingen en mogelijke bijlagen waarvoor het onderscheid
                        naar onderwijssoort niet relevant is - met minder bepalingen/bijlagen kan
                        volstaan dan een gemeente die beschikt over voorzieningen voor zowel
                        basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs als voortgezet onderwijs.
                        Indachtig het 'ladenkast-principe' kunnen uit de tekst van de
                        modelverordening en bijlagen passages worden geschrapt wanneer in een
                        gemeente een van de genoemde onderwijssoorten niet aanwezig is. Wanneer deze
                        situatie in de loop der tijd wijzigt, kan een gemeente de verordening alsnog
                        aanpassen (uitbreiden, maar eventueel ook inkorten bij het verdwijnen van
                        een onderwijssoort). In tijd bezien behoeft dit geen probleem te zijn, omdat
                        dergelijke veranderingen in het voorzieningenpatroon zich niet van de ene op
                        andere dag voltrekken. De hiervoor geschetste benadering kan in juridische
                        zin worden gebaseerd op de wettelijke bepaling dat 'de verordening zodanig
                        wordt vastgesteld dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het
                        onderwijs aan de huisvesting van de scholen in de gemeente stelt'. Met
                        andere woorden: wanneer er geen scholen voor voortgezet onderwijs (inclusief
                        nevenvestigingen/dislocaties) in de gemeente aanwezig zijn, dan is er ook
                        geen sprake van de (juridische) noodzaak om te voldoen aan de redelijke
                        eisen van de onderwijshuisvesting van de 'niet-aanwezige scholen'.</al><al><vet>Overleg voorafgaande aan vaststelling (wijziging)
                        verordening</vet></al><al>Het wettelijk voorgeschreven 'op overeenstemming gericht' overleg tussen de
                        gemeente en de schoolbesturen dat voorafgaat aan de vaststelling van de
                        verordening, is van groot belang met het oog op het streven om een zo breed
                        mogelijk draagvlak voor de verordening te bereiken binnen de
                        onderwijssector. Om dit belang te benadrukken is dit overleg in de
                        considerans aangehaald. </al></bijlage><bijlage><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Een belangrijk in de wet verankerd uitgangspunt bij de uitvoering van de aan
                        de gemeente overgedragen huisvestingstaak is dat het openbaar en bijzonder
                        onderwijs op gelijke voet worden behandeld. Dit uitgangspunt komt ook tot
                        uiting in de modelverordening. Het gemeentebestuur past bij de uiteindelijke
                        beslissingen over de huisvesting voor alle schoolbesturen dezelfde normen,
                        criteria etc. toe. Ook in procedurele zin is sprake van een volstrekt
                        gelijke behandeling. Als concreet voorbeeld kan genoemd worden dat de
                        indieningsdatum voor aanvragen en de voorwaarden waaraan deze moeten voldoen
                        voor alle schoolbesturen dezelfde zijn. Om de gelijke behandeling over de
                        volle breedte te waarborgen is ervoor gekozen om onder de
                        begripsomschrijving van 'bevoegd gezag' en 'aanvrager' alle schoolbesturen
                        te vatten die een volgens de wet bekostigde onderwijsvoorziening in stand
                        houden die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is op het grondgebied van de
                        gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, dislocatie). Er is dus geen
                        onderscheid gemaakt tussen openbaar (in welke bestuursvorm dan ook) en
                        bijzonder onderwijs. De aanduiding ‘‘op het grondgebied van de gemeente’’ is
                        overigens niet bedoeld om scholen uit te sluiten die weliswaar voor een
                        gemeente zijn opgenomen op een plan van scholen, maar nog niet daadwerkelijk
                        op het grondgebied van die gemeente zijn gevestigd. Een dergelijke uitleg
                        zou er toe leiden dat de stichting van nieuwe scholen onmogelijk zou worden.
                        In het geval dat het college bestuur is van een openbare school waarvoor een
                        huisvestingsvoorziening wordt gewenst, betekent dit dat het college dus
                        gehouden is aan dezelfde procedures en termijnen als een bestuur van een
                        bijzondere school, een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet
                        waaraan de schoolbestuurlijke zorg voor de huisvesting is overgedragen of
                        een openbaar lichaam dat krachtens een gemeenschappelijke regeling een
                        openbare school in stand houdt. Dit kan tot de op het eerste gezicht
                        wellicht wat wonderlijke situatie leiden dat het college voor de in de
                        verordening opgenomen indieningsdatum 'bij zichzelf' een aanvraag indient.
                        In de gemeentelijke bestuurspraktijk is dit geen novum. Zo komt het
                        bijvoorbeeld geregeld voor dat het college bij zichzelf een verzoek om een
                        bouwvergunning voor een gemeentelijk project indient. Dit alles vergt wel
                        dat het college hiermee zorgvuldig omgaan, in die zin dat men altijd aan
                        anderen (de raad, besturen van niet door de gemeente in stand gehouden
                        scholen) moet kunnen aantonen dat men de 'eigen' aanvragen ook daadwerkelijk
                        in alle opzichten gelijk behandelt ten opzichte van de andere
                        aanvragen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>De omschreven voorzieningen geven niet alleen aan wat kan worden
                        aangevraagd, maar ook wat er door de gemeente (anderszins) kan worden
                        toegewezen. Voorzieningen die worden gewenst, maar die niet onder de
                        omschrijving van dit artikel kunnen worden gebracht, vallen buiten het
                        bereik van deze verordening. Slechts op deze grond kan de gemeente een
                        dergelijke voorziening weigeren. Dit sluit ook aan op de in de wet opgenomen
                        weigeringsgrond dat een voorziening wordt geweigerd indien het geen
                        voorziening in de huisvesting is in de zin van de wet (zie bijvoorbeeld
                        artikel 100, eerste lid, onder a WPO). Voorbeeld: het buitenschilderwerk van
                        een basisschool wordt volgens de opsomming van de onderhoudsactiviteiten
                        (zie bijlage I, overzicht 'Onderhoud PO') niet gerekend tot de
                        huisvestingsvoorziening onderhoud als bedoeld in artikel 2, onder c. Reden
                        hiervoor is dat in deze bijlage buitenschilderwerk niet als voorziening in
                        de huisvesting is opgenomen. (Een vergoeding voor het buitenschilderwerk
                        vormt overigens een onderdeel van de vergoeding voor de materiële
                        instandhouding, welke een schoolbestuur rechtstreeks van het rijk ontvangt.)
                        De benoemde activiteiten die wel als zodanig zijn aangemerkt, hebben daarmee
                        een limitatief karakter. Uiteraard heeft iedere gemeente de vrijheid tot
                        verruiming van de opgesomde activiteiten over te gaan, maar dus niet tot
                        inperking. In artikel 2 zijn de in de wet globaal aangeduide voorzieningen
                        in de huisvesting (zie bijvoorbeeld artikel 92 WPO) nader gespecificeerd. Op
                        dit punt onderscheidt het zich van de in artikel 1 verklaarde begrippen. </al><al><vet>Ad a</vet></al><lijst><li nr="1"><al>° Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende
                                nieuwbouw.</al></li><li nr="2"><al>° Ingevolge het bepaalde in bijlage I gaat het bij uitbreiding in
                                het primair onderwijs om een noodzakelijke uitbreiding voor de
                                huisvesting van minimaal 55 m2 brutovloeroppervlakte.</al></li><li nr="3"><al>° Ingebruikneming komt als term voor een voorziening in de
                                huisvesting in de wet niet voor, maar wordt daar aangeduid met
                                'bestaand gebouw of een gedeelte daarvan'. Het kan daarbij gaan om
                                zowel een onderwijsgebouw dat geheel leegstaat als een
                                niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikneming worden de gebouwen bestemd
                                voor onderwijsdoeleinden. Bij gedeeltelijke leegstand in
                                schoolgebouw waarvan een andere school gebruikt maakt is er sprake
                                van medegebruik.</al></li><li nr="4"><al>° Vanwege de aard van een gebouw is verplaatsing beperkt tot
                                noodlokalen (men kan zich in de praktijk weinig voorstellen bij een
                                verplaatsing van een permanent gebouw, dan is er sprake van
                                vervangende nieuwbouw).</al></li><li nr="5"><al>° Toekenning van terrein voor de realisering van de bouw of
                                uitbreiding van een onderwijsgebouw is geen automatisme, zoals voor
                                de decentralisatie in het primair onderwijs het geval was. Een
                                toekenning van terrein vindt nu alleen nog maar plaats wanneer de
                                grond nodig is voor de feitelijke realisering van de
                                huisvestingsvoorziening.</al></li><li nr="6"><al>°/7° De handelwijze om bij fusies uit te gaan van de inbreng van het
                                bestaande meubilair en onderwijsleerpakket in de gefuseerde school
                                betekent een verscherping ten opzichte van het huidige
                                toekenningsbeleid, maar is in het kader van het bereiken van
                                efficiency en het leveren van maatwerk op lokaal niveau te
                                rechtvaardigen. De afwijkende terminologie voor het voortgezet
                                onderwijs (leer- en hulpmiddelen) vloeit voort uit de wet.</al></li><li nr="7"><al>° Medegebruik beperkt zich in principe tot schoolgebouwen die reeds
                                in gebruik zijn bij primair en voortgezet onderwijs. Onder
                                medegebruik valt tevens het gebruik van een gymnastiekaccommodatie
                                die niet in eigendom is van een school (bijvoorbeeld medegebruik in
                                een gemeentelijke accommodatie). De genoemde schoolsoorten in het
                                (v)so betreffen de volgende. Voor een bad voor bewegingstherapie:
                                een school voor lichamelijk gehandicapte kinderen of meervoudig
                                gehandicapte kinderen met een lichamelijke handicap. Voor een bad
                                voor watergewenning: een school voor zeer moeilijk lerende kinderen
                                of meervoudig gehandicapte kinderen.</al></li></lijst><al><vet>Ad b en c</vet></al><al>In bijlage I van de modelverordening is ter verduidelijking het overzicht,
                        dat ook onderdeel vormt van de toelichting op de wet, overgenomen. In dit
                        overzicht is aangegeven welke onderhoudsactiviteiten voor het primair
                        onderwijs (overzicht I-1) in beginsel voor rekening van de gemeente kunnen
                        worden gebracht. Daarnaast is in bijlage I verder de concrete inhoud van de
                        begrippen aanpassing en onderhoud aangegeven.</al><al><vet>Ad d</vet></al><al>Voor het begrip constructiefouten is een 'definitie' geformuleerd, gebaseerd
                        op hierover gevormde jurisprudentie. Als een constructiefout een directe
                        belemmering vormt voor de voortgang, kan het herstel van de fout op grond
                        van de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden aangevraagd. Kan het herstel
                        van de fout wel uitstel dulden dan is de mogelijkheid tot het aanvragen van
                        plaatsing van een voorziening op het programma de meeste geëigende
                        procedure. In dat laatste geval zijn de gewone urgentiecriteria alsmede de
                        financiële weigeringsgrond van toepassing. </al><al><vet>Ad e</vet></al><al>De bijzondere omstandigheden zoals genoemd in de wet zijn in de verordening
                        niet nader uitgewerkt, aangezien dergelijke omstandigheden zich niet
                        uitputtend laten beschrijven. Wel is in de wet bepaald dat de gemeente een
                        huisvestingsvoorziening kan weigeren indien de voorziening nodig is voor
                        herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd
                        gezag (zie bijvoorbeeld artikel 100, tweede lid WPO). De aanduiding in de
                        wet dat herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw geldt als
                        een huisvestingsvoorziening betekent dat de beoordeling van deze voorziening
                        dient te verlopen via de reguliere procedure van het programma of via de
                        spoedprocedure. De reguliere procedure zal niet altijd geschikt zijn voor de
                        afhandeling van dergelijke aanvragen. Het herstel van schade is meestal
                        spoedeisend. Daarbij komt dat zeker voor de kleine schadegevallen
                        (bijvoorbeeld glasschade) de reguliere procedure te zwaar en te omslachtig
                        is.</al><al><vet>Ad f</vet></al><al>Aan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs kan onder bepaalde
                        voorwaarden een vergoeding worden toegekend voor het huren van een
                        sportterrein voor buitensportactiviteiten gedurende een periode van maximaal
                        acht weken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>De wet biedt de gemeenteraad de mogelijkheid om, naast de toewijzing en
                        vergoeding van de huisvestingsvoorziening zelf, aan een bevoegd gezag dat
                        daarom verzoekt een vergoeding toe te kennen voor de kosten gemoeid met de
                        voorbereiding (van de aanvraag) van de huisvestingsvoorziening. Het betreft
                        een facultatieve bepaling. Een gemeente is, met andere woorden, niet
                        verplicht daadwerkelijk deze mogelijkheid te bieden. Uit oogpunt van
                        'kenbaar bestuur', waaronder het vooraf geven van duidelijkheid over het
                        gemeentelijk optreden, is ervoor gekozen om in de modelverordening een
                        bepaling op te nemen waarmee de lokale overheid aangeeft of, en zo ja ten
                        aanzien van welke soort van huisvestingsvoorzieningen, de gemeente de
                        mogelijkheid van een bouwvoorbereidingskrediet opent. In artikel 3 wordt
                        hiervoor de basis gelegd, waarbij het voor de hand ligt dat een gemeente de
                        mogelijkheid beperkt tot die huisvestingsvoorzieningen die naar aard en
                        (financiële) omvang belangrijk zijn. Hierbij kan vooral worden gedacht aan
                        voorzieningen zoals (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding. Deze
                        voorzieningen vergen doorgaans de meeste voorbereidingstijd en kosten het
                        meeste geld, in het kader van de bouwplanontwikkeling. In hoofdstuk 4 van de
                        modelverordening wordt de aanvraag- en besluitvormingsprocedure voor de
                        bouwvoorbereiding nader geregeld. Hierbij is uitgegaan van een - ook in tijd
                        bezien - gelijkschakeling met de aanvraagprocedure voor opneming van een
                        huisvestingsvoorziening in het programma. Formeel is het evenwel een
                        gescheiden traject, omdat de vergoeding voor de kosten van bouwvoorbereiding
                        in de zin van de wet géén voorziening in de huisvesting is en derhalve ook
                        geen onderdeel van het huisvestingsprogramma kan zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><al>Dit artikel vormt de 'kapstok' op basis waarvan de vergoeding wordt
                        vastgesteld voor de door de gemeente voor vergoeding in aanmerking gebrachte
                        huisvestingsvoorzieningen in het kader van de programmavaststelling, de
                        spoedprocedure, de bouwvoorbereiding of het overgangsrecht. Ten aanzien van
                        de in de artikelen 2 en 3 onderscheiden voorzieningen wordt hier de
                        grondslag van de vergoeding gelegd. Hierbij zijn twee benaderingen denkbaar:
                        een normatieve en een feitelijke bepaling van de kosten die vergoed worden.
                        Ook hier is uit oogpunt van 'kenbaar bestuur' ervoor gekozen om voorafgaande
                        aan de indiening van en besluitvorming over aanvragen, duidelijk per
                        voorziening aan te geven welke benadering ten aanzien van de vergoeding
                        geldt. Bij de vaststelling van de verordening dient per voorziening de
                        afweging te worden gemaakt welke benadering van toepassing is. Deze afweging
                        dient niet alleen te worden gemaakt ten aanzien van de voorzieningen in de
                        huisvesting, maar voor de vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding.
                        Dit vloeit ook voort uit het eerste lid van artikel 4 en uit artikel 25,
                        derde lid, onder h van de modelverordening. Bij de te maken afweging ligt
                        het voor de hand om in ieder geval voor niet of nauwelijks vooraf te
                        normeren kosten van bepaalde voorzieningen te kiezen voor een
                        vergoedingswijze die gebaseerd is op een individuele beoordeling van de
                        feitelijke kosten (de zgn. offertelijn). Uitgaande van de voorzieningen
                        waarvoor in bijlage IV, deel A, van de modelverordening gezien de aard van
                        de voorziening geen normvergoeding is bepaald, is de offertelijn in ieder
                        geval goed denkbaar bij de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="·"><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen;</al></li><li nr="·"><al>herstel van constructiefouten;</al></li><li nr="·"><al>herstel en vervanging in verband met schade;</al></li><li nr="·"><al>aanpassingen aan gebouwen;</al></li><li nr="·"><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                gebouw;</al></li><li nr="·"><al>aankoop van terreinen ten behoeve van de realisering van een
                                huisvestingsvoorziening;</al></li><li nr="·"><al>huur van bestaande andere, niet-onderwijsgebouwen</al></li><li nr="·"><al>kosten van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="·"><al>medegebruik of nieuwbouw van een bad voor watergewenning of
                                bewegingstherapie in het (v)so.</al></li></lijst><al>Uiteraard kan op basis van de afweging op lokaal niveau een andere keuze
                        worden gemaakt, die verankerd dient te worden in artikel 4 opdat de
                        potentiële aanvragers vooraf op de hoogte zijn van welke lijn van toepassing
                        is op een voorziening (de genormeerde of feitelijke kostenlijn). Het
                        onderbrengen van een van de hiervoor genoemde voorzieningen in een
                        genormeerde benadering brengt met zich mee dat daarvoor door de gemeente in
                        bijlage IV, deel A, een genormeerde vergoeding moet worden vastgesteld.
                        Anders dan bij de vooraf genormeerde vergoeding het geval is, begint de
                        offertelijn met een door de aanvrager bij de aanvraag van de gewenste
                        huisvestingsvoorziening over te leggen raming van de kosten. De gemeente
                        toetst deze raming en stelt deze zo nodig bij. Het bedrag van de al dan niet
                        bijgestelde raming is vervolgens een gegeven in het kader van de
                        vaststelling van het huisvestingsbudget en het programma. Bij een eventuele
                        uitvoering van de voorziening, die voortkomt uit een plaatsing op het
                        programma, kan de raming op basis van over te leggen offertes worden omgezet
                        in een definitieve vaststelling van de vergoeding die de gemeente ter
                        beschikking stelt van de aanvrager.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><al>Dit artikel is de concrete uitwerking van de informatiebepaling uit de wet.
                        Deze bepaalt dat een bevoegd gezag aan de gemeente alle inlichtingen dient
                        te verschaffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een adequate
                        uitvoering van de bevoegdheden terzake van de onderwijshuisvesting (zie
                        bijvoorbeeld artikel 112 WPO). In artikel 5 staat beschreven hoe en welke
                        informatie door het schoolbestuur aan het college moet worden verstrekt. Er
                        is voor gekozen om dit artikel een algemene invulling te geven: afhankelijk
                        van het moment en de situatie kan het college het schoolbestuur verzoeken de
                        benodigde informatie te verstrekken. Het informatieverkeer dient gekenmerkt
                        te worden door een zekere terughoudendheid bij de lokale overheid, in die
                        zin dat de te verstrekken informatie ook een aantoonbare functie vervult in
                        het licht van de gemeentelijke zorg voor de huisvesting. Het opvragen van
                        informatie waarbij een dergelijke functie niet kan worden aangetoond, dient
                        achterwege te blijven omdat het anders onnodige administratieve lasten
                        veroorzaakt .</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al><vet>(Indienings)termijnen</vet></al><al>In de algemene toelichting op de verordening is in paragraaf 1.5.3 de
                        procedure (koppeling aan gemeentelijke begrotingscyclus en het daaraan
                        ontleende tijdpad) uitgebreid beschreven. De in de verordening vermelde data
                        zijn zodanig gekozen, dat de gemeente voldoende voorbereidingstijd heeft om
                        te komen tot een zorgvuldige vaststelling van het programma. Dit sluit niet
                        uit dat naar gelang de lokale situatie (zoals de omvang van de
                        gebouwenvoorraad en de hiermee samenhangende omvang van het te verwachten
                        aantal aanvragen, de mogelijke aanwezigheid van een meerjarige planning en
                        hieraan gekoppelde afspraken over de huisvesting en de inrichting van de
                        eigen organisatie) de voorbereidingstijd wordt bekort en dus van een later
                        tijdstip van indiening wordt uitgegaan (1 maart of 1 april). </al><al>Voor aanvragen gebaseerd op de meerjarenonderhoudsplanning kan een
                        afwijkende regeling worden vastgesteld. Deze afwijking bestaat dan uit een
                        vereenvoudiging, inhoudende dat voor aanvragen gebaseerd op de
                        onderhoudsplanning geen aanvraag behoeft te worden ingediend en dat in
                        overleg met de schoolbesturen bezien kan worden welke zaken op basis van het
                        noodzakelijkheidscriterium uitgevoerd moeten worden. Een verlenging van de
                        periode door het vervroegen van de indieningsdatum ligt minder voor de hand.
                        Het tijdstip tussen indiening van de aanvraag en de beslissing daarop wordt
                        dan aan de lange kant. In de modelverordening is een sanctie verbonden aan
                        een te late indiening van de aanvraag: deze aanvraag neemt het college niet
                        in behandeling. Het buiten behandeling laten van de aanvraag betekent dat
                        het college de aanvraag niet verder betrekt bij de voorbereiding van het
                        programma en het overzicht en dus ook niet bij het uiteindelijke voorstel
                        daarover aan de raad. In artikel 6 is de mogelijkheid van indiening van
                        aanvragen beperkt tot die voor het programma. De reden hiervan is dat de
                        wetgeving slechts van deze mogelijkheid uitgaat. De wetgever heeft niet
                        voorzien in een mogelijkheid van indiening van een aanvraag voor het
                        overzicht. Dit hangt samen met de functie die de wetgever aan het overzicht
                        toekent (zie bijvoorbeeld artikel 96 WPO). Bij de parlementaire behandeling
                        is daarover het volgende opgemerkt: <cursief>'Het overzicht [...] bevat
                            slechts een verzameling van afgewezen aanvragen van niet door de
                            gemeente in stand gehouden scholen en gewenste huisvestingsvoorzieningen
                            van door de gemeente in stand gehouden scholen die niet in het eerste
                            jaar kunnen worden gerealiseerd. De plaatsing op het overzicht kan
                            bijvoorbeeld het gevolg zijn van het feit dat het voor nieuwe
                            voorzieningen vastgestelde budget niet toereikend is dan wel dat de
                            aangevraagde voorziening geen huisvestingsvoorziening in de zin van de
                            wet en/of gemeentelijke verordening is. De enige reden dat bedoeld
                            overzicht dient te worden gepubliceerd, is informatieverstrekking van
                            scholen om te kunnen inschatten of een aanvraag in een volgend jaar een
                            kans van slagen heeft. Het is derhalve niet bedoeld als
                            huisvestingsplan.'</cursief> (TK 1995-1996, 24 455, nr.7). Geconstateerd
                        kan worden dat de wetgever geen kaders heeft willen stellen of instrumenten
                        in de wet heeft opgenomen waarmee een gemeente schoolbesturen kan 'dwingen'
                        om ten aanzien van de huisvesting te handelen in het licht van een meerjarig
                        perspectief. Met dit laatste wordt bedoeld dat op lokaal niveau sprake is
                        van een voortschrijdende meerjarige planning van huisvestingsvoorzieningen,
                        waarbij een koppeling is gelegd met de gemeentelijke meerjarenbegroting.
                        Zo'n meerjarige planning kan gebaseerd zijn op:</al><lijst><li nr="·"><al>een inventarisatie van de wensen ten aanzien de huisvesting (op
                                basis van prognoses; woningbouwplanning; verschuiving in
                                leerlingstromen en voedingsgebieden; meerjarige onderhoudsplannen
                                e.d.);</al></li><li nr="·"><al>een aangebrachte prioritering in de wensen, tot uitdrukking komend
                                in het vermoedelijke tijdstip van daadwerkelijke bekostiging;</al></li><li nr="·"><al>een koppeling met de financiële mogelijkheden in het kader van de
                                meerjarenbegroting.</al></li></lijst><al>Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat zeker in het primair onderwijs
                        een dergelijk meerjarige aanpak op lokaal niveau steeds meer ingang vindt,
                        in de vorm van 'integrale huisvestingsplannen' en plannen voor het meerjarig
                        onderhoud. Niet verwonderlijk omdat:</al><lijst><li nr="·"><al>het een efficiënte aanwending van de gebouwenvoorraad bevordert
                                (saneren van zowel voor gemeente als schoolbesturen kostbare
                                leegstand; capaciteit creëren of in stand houden op die locaties
                                waar de behoefte aanwezig is);</al></li><li nr="·"><al>gemeente en schoolbestuur meer houvast wordt gegeven over de
                                richting van het huisvestingsbeleid. Behoudens onvoorziene
                                omstandigheden vormt het programma het (jaarlijkse) formele
                                sluitstuk van de bekostiging van voorzieningen die op zich reeds
                                enige tijd werden voorzien en waarmee rekening was gehouden.</al></li></lijst><al>Zoals gezegd kan een dergelijke benadering ingevolge de wet niet worden
                        afgedwongen. Er is van af gezien om in de modelverordening (facultatieve)
                        bepalingen op te nemen in het geval op lokaal niveau een planmatige aanpak
                        wordt overeengekomen. Dit is gedaan vanuit de notie dat wanneer men
                        overeenstemming weet te bereiken over een dergelijke aanpak, inclusief
                        afspraken over de effectuering in het kader van de vaststelling van het
                        programma, men ook zelf invulling geeft aan de vormgeving van deze
                        afspraken. Gezien het tweezijdige karakter van deze afspraken is het opnemen
                        van bepalingen in de verordening daarvoor niet de aangewezen weg. Daarbij
                        kan sterk getwijfeld worden aan de rechtskracht van dergelijke bepalingen,
                        indien (onverhoopt) een van de partijen af wil van de op vrijwillige basis
                        gemaakte afspraken en zich daarbij beroept op de formele wettelijke kaders.
                        Zoals gezegd bieden de onderwijswetten wel een aangrijpingspunt om de
                        verordening (op onderdelen) te passeren. Daarbij gaat het om het zogenoemde
                        doordecentralisatieartikel. Dat maakt het voor gemeente en schoolbestuur
                        mogelijk om, op basis van meerjarenbeleid, afspraken te maken die ook
                        wettelijk bindend zijn. </al><al><vet>Aanvraagformulier</vet></al><al>Zeker in grotere gemeenten kan een gestandaardiseerde wijze van indiening
                        van aanvragen zijn nut hebben. Zo kan het bijvoorbeeld de onderlinge
                        vergelijkbaarheid van aanvragen verbeteren, hetgeen van belang kan zijn
                        wanneer men vanwege een ontoereikend budget moet overgaan tot
                        prioritering.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen
                            onvolledige aanvraag</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit lid bevat een opsomming van enkele basisgegevens die bij elke aanvraag
                        moeten worden vermeld. Wanneer gewerkt wordt met een aanvraagformulier,
                        worden deze en de onder lid 2 opgenomen gegevens standaard opgenomen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In dit lid is een aantal specifieke aanvullende gegevens opgenomen dat,
                        afhankelijk van de voorziening die wordt aangevraagd, moet worden
                        overgelegd. Allereerst betreft het de leerlingprognose, die vrijwel bij
                        iedere aangevraagde voorziening moet worden ingediend. Hierop zijn enkele
                        uitzonderingen van toepassing. Het betreft de aanvragen 'sec' voor de eerste
                        aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair, dat wil zeggen zonder dat er
                        noodzaak is om de capaciteit van de bestaande huisvesting uit te breiden,
                        aanvragen voor herstel van constructiefouten en herstel van schade wegens
                        bijzondere omstandigheden en aanvraag voor de huur van een sportterrein voor
                        een school voor voortgezet onderwijs. In de praktijk is het echter goed
                        denkbaar dat in bepaalde situaties de prognose-eis te zwaar is of geen reëel
                        doel dient. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de aanvraag voor vervanging
                        van de dakbedekking van een (getalsmatig) gezonde, levensvatbare
                        basisschool. Overwogen kan worden hiervoor een aanvullende bepaling op te
                        nemen in de verordening waarbij het college de mogelijkheid hebben om op
                        verzoek van het schoolbestuur de prognose-eis te laten vallen, indien de
                        aard van de gevraagde voorziening daartoe aanleiding geeft. Aan de andere
                        kant is het ook denkbaar dat de gemeente in de verordening wel een
                        prognose-eis verbindt aan een voorziening die hiervan nu is uitgezonderd.
                        Hierbij kan worden gedacht aan de herbouw van een afgebrand schoolgebouw
                        (onderdeel van de voorziening herstel en vervanging in verband met schade).
                        Een prognose kan daarbij uitwijzen in hoeverre het noodzakelijk is de school
                        in haar oorspronkelijke omvang te herbouwen. Overigens is het ook mogelijk
                        de prognose-eis in zijn geheel te schrappen uit het model, wanneer op lokaal
                        niveau overeenstemming bestaat over de toepassing en het resultaat
                        (inclusief de jaarlijkse bijstelling) van een prognosemethodiek. Eén
                        instantie, bijvoorbeeld het onderdeel van het gemeentelijk apparaat dat
                        belast is met bevolkingsprognoses, is dan belast met de operationalisering
                        van de methodiek. Naast de prognose is de bouwkundige rapportage een in het
                        oog springend, aanvullend gegeven. Een bouwkundige opname is aan de orde
                        wanneer het relevant is om bij de beoordeling van een huisvestingsverzoek
                        vast te stellen of het gewenste onderhoud aan een gebouw inderdaad
                        noodzakelijk is. </al><al>De bouwkundige rapportage dient een tweeledig doel:</al><lijst><li nr="a"><al>vaststelling van de noodzaak voor dat onderhoud;</al></li><li nr="b"><al>vaststelling van de mate van urgentie.</al></li></lijst><al>De bouwkundige rapportage kan geschieden aan de hand van de invulling van
                        het door het college vast te stellen formulier 'Bouwkundige opname'. Bij de
                        opzet van dit formulier is aangesloten bij een reeds door de
                        Rijksgebouwendienst ontwikkelde schouwmethode voor schoolgebouwen, zoals
                        deze voor de decentralisatie zowel in het primair als voortgezet onderwijs
                        werd toegepast.</al><al><vet>Lid 3-4</vet></al><al>Met de in deze leden geformuleerde bepalingen wordt nader invulling gegeven
                        aan het bepaalde in artikel 4:5 Awb. De geboden mogelijkheid om aanvullend
                        gegevens aan te leveren gaat vooraf aan de in de Awb opgenomen mogelijkheid
                        om als bestuursorgaan (in casu het college) een aanvraag buiten behandeling
                        te laten in verband met onvoldoende verstrekte gegevens en bescheiden. De
                        Awb kent nadere bepalingen die het bestuursorgaan daarbij in acht moet
                        nemen. In de modelverordening is er voor gekozen om de concrete uitwerking
                        van de Awb in de verordening op te nemen, door de duur van termijnen die het
                        college kan hanteren in de verordening is vastgelegd. De bevoegdheid die het
                        college wordt toegekend om incomplete aanvragen niet te behandelen, heeft
                        als praktisch voordeel dat dergelijke aanvragen in een eerder stadium kunnen
                        worden afgehandeld. De gemeenteraad hoeft zich in het kader van de
                        vaststelling van het programma alleen te buigen over de inhoud van volledige
                        aanvragen en zich niet met vormfouten rond incomplete aanvragen bezig te
                        houden.</al><al><vet>Géén hardheidsclausule</vet></al><al>In de modelverordening is er van afgezien hier een hardheidsclausule op te
                        nemen, die het mogelijk maakt om in geval van overmacht aan de zijde van de
                        aanvrager af te wijken van de termijnen. Een gemeente kan zelf de afweging
                        maken of men een dergelijke clausule, die een zekere mate van vrijheid
                        toestaat bij het afwijken van de algemene regels, wenselijk vindt. Het
                        gevaar van een hardheidsclausule is dat er (relatief) vaak een beroep op
                        wordt gedaan. De behandeling vergroot de uitvoeringslast van het
                        bestuursorgaan en bekort bij toewijzing de beschikbare tijd voor de
                        (voorbereiding van de) besluitvorming. Daarnaast lijkt een hardheidsclausule
                        te veel van het goede tegen de achtergrond van de mogelijkheid om in
                        klemmende situaties een aanvraag met een spoedeisend karakter in te
                        dienen.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>In enkele specifieke gevallen is het noodzakelijk om het resultaat van de
                        wettelijke teldatum van 1 oktober 'onverwijld' door te geven aan de
                        gemeente. Dit omdat het resultaat - en de daarmee samenhangende behoefte aan
                        huisvesting(scapaciteit) - van direct belang is voor de beoordeling van de
                        noodzaak van een aangevraagde voorziening en daarmee van het al dan niet
                        opnemen van de voorziening op het programma. In concreto betreft het hier
                        aanvragen voor tijdelijke voorzieningen in de huisvesting in het
                        (school)jaar dat volgt op de programmavaststelling. Zo zal bijvoorbeeld de
                        noodzaak van een extra noodlokaal aan het begin van het schooljaar doorgaans
                        bepaald worden door het leerlingaantal en het daarmee samenhangende
                        'ruimtebeslag' op de teldatum van 1 oktober daarvoor. De noodzaak van de
                        tijdelijke voorziening is daarmee afhankelijk van het resultaat op de
                        teldatum. Aangezien dit essentieel is voor de uiteindelijke beoordeling door
                        het college, is de bepaling in het vierde lid opgenomen. Evenals het geval
                        is bij andere in de modelverordening opgenomen termijnen is ook hier gekozen
                        voor het werken met een fatale termijn. Er is nog een andere mogelijkheid
                        denkbaar, namelijk dat achteraf wordt geconstateerd dat uitvoering van de op
                        het programma geplaatste voorziening wegens gewijzigde omstandigheden (in
                        casu een tegenvallend resultaat van de leerlingtelling) geen doorgang vindt
                        (zie bijvoorbeeld artikel 16, derde lid). Met deze mogelijkheid moet men bij
                        voorkeur terughoudend omgaan, zeker wanneer de gewijzigde omstandigheid zich
                        nog aan de vooravond van de programmavaststelling manifesteert en er in
                        procedureel opzicht rekening kan gehouden met deze mogelijkheid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Dit artikel is een direct uitvloeisel van het wettelijk uitgangspunt om ook
                        in procedureel opzicht het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet
                        te behandelen. De opgave van de ingediende aanvragen geeft alle bevoegde
                        gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen ligt, zowel vanuit het
                        bijzonder als vanuit het openbaar onderwijs. Er kunnen daarmee niet
                        naderhand nog aanvragen worden toegevoegd. Bij het vooroverleg over de
                        vaststelling van de verordening kan met de schoolbesturen worden afgesproken
                        om deze informatieverstrekking per onderwijssector (primair, speciaal en
                        voortgezet onderwijs) te regelen. Zo zal een bestuur voor voortgezet
                        onderwijs niet altijd geïnteresseerd zijn in welke huisvestingswensen er
                        precies leven in het primair onderwijs.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Deze bepaling is met name opgenomen om de tijdsbesteding voor de behandeling
                        van de aanvragen te beperken. Dit gebeurt met het oog op een effectief
                        verloop van de verdere procedure op weg naar de vaststelling van het
                        programma.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Ten aanzien van een voorziening waarvan de uiteindelijke vergoeding
                        ingevolge artikel 4, derde lid, laatste volzin, gebaseerd wordt op de
                        werkelijke kosten zal in eerste instantie worden gewerkt met een raming van
                        de kosten. De bepaling in dit lid regelt dat er overleg plaatsvindt tussen
                        de aanvrager en het college indien de gemeente daartoe aanleiding ziet in de
                        door de aanvrager overgelegde begroting. Het college kan na toetsing van
                        deze raming van oordeel zijn dat de begroting op een of meer onderdelen
                        bijstelling behoeft. Uiteindelijk bepaalt het college de hoogte van de
                        geraamde kosten zoals deze, al dan niet bijgesteld, wordt voorgesteld in het
                        kader van de vaststelling van het gemeentelijk huisvestingsbudget en het
                        daaruit voortkomende programma.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><al><vet>Lid 1-4</vet></al><al>De wet schrijft voor dat de gemeente slechts na overleg met het
                        onderwijsveld overgaat tot de vaststelling van een huisvestingsprogramma.
                        Met deze leden wordt de in de wet opgenomen verplichting ingevuld. Het
                        overleg bevat tevens de hoorplicht van de aanvragers, in de zin van de Awb.
                        De aanvrager bepaalt hoe hij gehoord wil worden, daarom moet gelegenheid
                        worden gegeven om de standpunten ook schriftelijk kenbaar te maken. Gezien
                        het karakter van het overleg (met alle bevoegde gezagsorganen) moeten
                        degenen die aan het overleg deelnemen weten wat de schriftelijke standpunten
                        inhouden, zodat ze daar eventueel op kunnen reageren. Overigens verdient het
                        aanbeveling om in het overleg, dat voorafgaat aan de vaststelling van de
                        verordening, na te gaan hoe dit overleg praktisch het best kan worden
                        ingericht. Zo is het bijvoorbeeld denkbaar om voor gemeenten die beschikken
                        over een breed spectrum van onderwijssoorten, het overleg per sector in te
                        richten (primair en voortgezet onderwijs). Daarnaast kan worden vastgesteld
                        of het hier bedoelde overleg over de onderwijshuisvesting ingebed wordt in
                        een mogelijk breder gestructureerde overlegvorm in het kader van het lokaal
                        onderwijsbeleid.</al><al><vet>Lid 5-9</vet></al><al>De wet bepaalt dat de Onderwijsraad om advies wordt verzocht wanneer een
                        bevoegd gezag de gemeente daarom vraagt, dan wel wanneer de gemeente uit
                        eigen beweging hiertoe overgaat (zie bijvoorbeeld artikel 102, lid 6 WPO).
                        De Onderwijsraad brengt binnen vier weken zijn advies uit. Het advies wordt
                        tegelijkertijd met het programma bekend gemaakt. Op de advisering door de
                        Onderwijsraad is van toepassing hetgeen in algemene zin over advisering is
                        geregeld in de Awb. In dit verband is met name het bepaalde in artikel 3:6,
                        tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van
                        artikel 3:6, tweede lid de gemeenteraad het programma vaststellen indien de
                        Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken uitbrengt. Op grond van
                        artikel 3:7 is de gemeente gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens
                        beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen
                        van advies. Wanneer de raad afwijkt van het advies van de Onderwijsraad
                        worden ingevolge artikel 3:50 Awb de redenen daarvan vermeld in de
                        motivering. In de leden 5 t/m 9 is in procedurele zin aangegeven op welke
                        wijze de Onderwijsraad kan worden ingeschakeld voor het inwinnen van advies
                        over de vaststelling van het huisvestingsprogramma in relatie tot de
                        aspecten van de vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Hierbij is
                        aangesloten op de procedurele lijn zoals die van toepassing is op de
                        inschakeling van de Onderwijsraad bij de vaststelling of wijziging van de
                        huisvestingsverordening (zie artikel 7). In lid 6 is bepaald dat alle
                        deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze
                        te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de
                        Onderwijsraad. Dit tegen de achtergrond dat iedereen erbij gebaat is dat
                        duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle partijen
                        om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Deze gedachtewisseling laat
                        uiteraard het recht van een individueel schoolbestuur of van de gemeente om
                        de Onderwijsraad in te schakelen, ook wanneer de andere overlegpartners
                        daaraan geen behoefte hebben, onverlet. De zienswijzen van de schoolbesturen
                        dienen schriftelijk te worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij zijn
                        oordeelsvorming over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal
                        willen betrekken. Ingevolge de wettekst is het de gemeenteraad die in alle
                        gevallen de Onderwijsraad verzoekt om advies. In lid 7 wordt tot uiting
                        gebracht dat de raad - in navolging van het bepaalde in lid 5 - dit
                        overdraagt aan het college. Het is van belang dat het door het college
                        ingediende verzoek om advies goed gedocumenteerd is en vergezeld gaat van
                        alle stukken die relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 Awb).
                        De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn
                        van vier weken een aanvang neemt vanaf het moment waarop de Onderwijsraad
                        beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de advisering. Bij een
                        eventuele inschakeling van de Onderwijsraad is het van belang dat de
                        gemeente goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige
                        vertraging oploopt. Dit geldt zeker wanneer het overleg waarin kenbaar werd
                        gemaakt dat een of meer van de overlegpartners een advies van de
                        Onderwijsraad wenste, na de zomer plaatshad. Met het oog op het bepaalde in
                        artikel 11, lid 4 verdient het dan nadrukkelijk aanbeveling om zo spoedig
                        mogelijk tot de indiening van het advies over te gaan. Minstens zo
                        belangrijk is dat, zoals hiervoor is opgemerkt, hierbij de Onderwijsraad de
                        beschikking krijgt over alle relevante stukken.</al><al><vet>Lid 1-4</vet></al><al>Met deze leden wordt de in de wet opgenomen verplichting ingevuld dat de
                        gemeente niet dan na overleg met het onderwijsveld overgaat tot de
                        vaststelling van een huisvestingsprogramma. Onder het overleg is ook vervat
                        de hoorplicht ingevolge de Awb van de aanvragers. Omdat de aanvrager bepaalt
                        hoe hij gehoord wil worden, moet gelegenheid worden gegeven om de
                        standpunten ook schriftelijk kenbaar te maken. Gezien het karakter van het
                        overleg (met alle bevoegde gezagsorganen) moeten degenen die wel aan het
                        overleg deelnemen weten wat de schriftelijke standpunten inhouden, zodat ze
                        daar eventueel op kunnen reageren. Overigens verdient het aanbeveling om in
                        het overleg dat voorafgaat aan de vaststelling van de verordening na te gaan
                        hoe dit overleg praktisch het best kan worden ingericht. Zo is het
                        bijvoorbeeld denkbaar om voor gemeenten die beschikken over een breed
                        spectrum van onderwijssoorten, het overleg per sector in te richten (primair
                        en voortgezet onderwijs). Daarnaast kan worden vastgesteld of het hier
                        bedoelde overleg over de onderwijshuisvesting ingebed wordt in een mogelijk
                        breder gestructureerde overlegvorm in het kader van het lokaal
                        onderwijsbeleid.</al><al><vet>Lid 5-9</vet></al><al>De wet bepaalt dat de Onderwijsraad om advies wordt verzocht wanneer een
                        bevoegd gezag de gemeente daarom vraagt, dan wel wanneer de gemeente uit
                        eigen beweging hiertoe overgaat (zie bijvoorbeeld artikel 102, lid 6 WPO).
                        De Onderwijsraad brengt binnen vier weken zijn advies uit. Het advies wordt
                        tegelijkertijd met het programma bekend gemaakt. Op de advisering door de
                        Onderwijsraad is van toepassing hetgeen in algemene zin over advisering is
                        geregeld in de Awb. In dit verband is met name het bepaalde in artikel 3:6,
                        tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van
                        artikel 3:6, tweede lid de gemeenteraad het programma vaststellen indien de
                        Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken uitbrengt. Op grond van
                        artikel 3:7 is de gemeente gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens
                        beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen
                        van advies. Wanneer de raad afwijkt van het advies van de Onderwijsraad
                        worden ingevolge artikel 3:50 Awb de redenen daarvan vermeld in de
                        motivering. In de leden 5 t/m 9 is in procedurele zin aangegeven op welke
                        wijze de Onderwijsraad kan worden ingeschakeld voor het inwinnen van advies
                        over de vaststelling van het huisvestingsprogramma in relatie tot de
                        aspecten van de vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Hierbij is
                        aangesloten op de procedurele lijn zoals die van toepassing is op de
                        inschakeling van de Onderwijsraad bij de vaststelling of wijziging van de
                        huisvestingsverordening (zie artikel 7 met de daarbij behorende toelichting
                        van de VNG-modelverordening procedure overleg huisvesting). Volgens de wet
                        is het de gemeenteraad die tijdens het overleg over het programma kan
                        besluiten 'uit eigen beweging' een verzoek om advies in te dienen bij de
                        Onderwijsraad. Op grond van het vijfde en het zevende lid delegeert de raad
                        dit aan burgemeester en wethouders. Dit sluit ook aan op de (voor de hand
                        liggende) keuze om ook het voeren van het overleg over het programma over te
                        laten aan burgemeester en wethouders. In lid 6 is bepaald dat alle
                        deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze
                        te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de
                        Onderwijsraad. Dit tegen de achtergrond dat iedereen erbij gebaat is dat
                        duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle partijen
                        om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Deze gedachtewisseling laat
                        uiteraard het recht van een individueel schoolbestuur of van de gemeente om
                        de Onderwijsraad in te schakelen, ook wanneer de andere overlegpartners
                        daaraan geen behoefte hebben, onverlet. De zienswijzen van de schoolbesturen
                        dienen schriftelijk te worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij zijn
                        oordeelsvorming over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal
                        willen betrekken. Ingevolge de wettekst is het de gemeenteraad die in alle
                        gevallen de Onderwijsraad verzoekt om advies. In lid 7 wordt tot uiting
                        gebracht dat de raad - in navolging van het bepaalde in lid 5 - dit
                        overdraagt aan burgemeester en wethouders. Het is van belang dat het door
                        burgemeester en wethouders ingediende verzoek om advies goed gedocumenteerd
                        is en vergezeld gaat van alle stukken die relevant (kunnen) zijn voor de
                        adviseur (artikel 3:9 Awb). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het
                        standpunt dat de adviestermijn van vier weken een aanvang neemt vanaf het
                        moment waarop de Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij relevant
                        acht voor de advisering. Bij een eventuele inschakeling van de Onderwijsraad
                        is het van belang dat de gemeente goed in de gaten houdt dat hierdoor de
                        besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt. Dit geldt zeker wanneer het
                        overleg waarin kenbaar werd gemaakt dat een of meer van de overlegpartners
                        een advies van de Onderwijsraad wenste, na de zomer plaatshad. Met het oog
                        op het bepaalde in artikel 11, lid 4 verdient het dan nadrukkelijk
                        aanbeveling om zo spoedig mogelijk tot de indiening van het advies over te
                        gaan. Minstens zo belangrijk is dat, zoals hiervoor is opgemerkt, hierbij de
                        Onderwijsraad de beschikking krijgt over alle relevante stukken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het vaststellen van de begroting is een verantwoordelijkheid van de
                        gemeenteraad. De enkele vaststelling van het voor bekostiging beschikbare
                        budget in het kader van de begrotingsbehandeling is niet aan te merken als
                        een besluit, bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar
                        openstaat. Het vaststellen van het programma, het overzicht en een eventueel
                        budgetplafond is een bevoegdheid van het college. het besluit een
                        bekostigingsplafond in te stellen is aan te merken is als een besluit van
                        algemene strekking, niet zijnde een wettelijk voorschrift. Tegen zo’n
                        beslissing kan wel bezwaar en beroep worden gemaakt. Hoe de twee
                        verantwoordelijkheden (of eigenlijk de resultaten ervan) worden ‘gekoppeld’,
                        is een intern gemeentelijke (organisatorische) zaak die niet hoeft te worden
                        vastgelegd in een verordening. Het ligt voor de hand dat het college de voor
                        uitvoering van een programma benodigde gelden of een bekostigingsplafond
                        voor een van de onderdelen van dat programma laat vallen binnen het budget
                        dat de gemeenteraad daarvoor beschikbaar heeft gesteld. Als vooraf duidelijk
                        is dat de aanvragen blijven binnen het door de raad begrote bedrag, kunnen
                        programma en –overzicht eerder worden vastgesteld en weten alle partijen
                        eerder waar ze aan toe zijn. Verder wordt hier de mogelijkheid geopend om
                        desgewenst afzonderlijke bedragen vast te stellen voor specifiek
                        gemeentelijk beleid. Hierbij kan gedacht worden aan het treffen van bepaalde
                        huisvestingsvoorzieningen om bepaalde onderwijsinhoudelijke ontwikkelingen
                        te stimuleren, zoals bijvoorbeeld de integratie tussen het basisonderwijs en
                        delen van het speciaal onderwijs. Tevens kan een deel van het budget worden
                        geoormerkt voor de gerichte aanwending van middelen voor de uitvoering van
                        een meerjarige onderhoudsplanning van schoolgebouwen, die op lokaal niveau
                        is overeengekomen. Het afsplitsen van een bedrag voor een specifieke
                        categorie van voorzieningen kan een belangrijk instrument voor de gemeente
                        zijn om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van haar zorgplicht
                        voor een adequate onderwijshuisvesting. Teneinde dit instrument effectief te
                        kunnen inzetten is het wel noodzakelijk om voorafgaande aan het moment van
                        de indiening van huisvestingsverzoeken hierover aan alle schoolbesturen
                        duidelijkheid te bieden. Dit kan door bijvoorbeeld in de meerjarenbegroting
                        voor bepaalde huisvestingsvoorzieningen een apart budget op te nemen en
                        daarbij te waarborgen dat dit bedrag ook beschikbaar komt ten tijde van de
                        vaststelling van het programma. Een dergelijk deelbudget dient in combinatie
                        met de volgorde van de hoofd- en subprioriteiten zoals opgenomen in bijlage
                        V te worden bezien. Afhankelijk van de aard van de prioriteit kan een
                        wijziging in deze volgorde nodig zijn om te bewerkstelligen dat het
                        deelbudget ook daadwerkelijk kan worden aangewend voor de beoogde prioriteit
                        in het huisvestingsbeleid. Wordt de volgorde van de prioriteiten namelijk
                        niet aangepast aan de gewenste intensivering van bepaalde onderdelen van het
                        beleid, dan bestaat de kans dat de beschikbare middelen ingevolge de
                        niet-aangepaste volgorde van urgentiecriteria moeten worden aangewend voor
                        andere voorzieningen. Het is evident dat eventuele accenten binnen het
                        toekenningsbeleid altijd in het verlengde dienen te liggen van de
                        gemeentelijke zorgplicht voor een adequate huisvesting. Dergelijke accenten
                        mogen met andere woorden de reguliere noodzakelijke voorzieningen zoals
                        uitbreidingen en onderhoud niet onmogelijk maken. Voorts zullen de
                        beleidsaccenten en de daaruit voortvloeiende deelbudgetten in relatie tot
                        een bijstelling van de prioriteiten altijd in en na overleg met de
                        schoolbesturen moeten worden aangebracht. Zo is bijvoorbeeld een voorgenomen
                        wijziging in de urgentiecriteria (bijlage V) aan te merken als een wijziging
                        van de verordening, waaraan op overeenstemming gericht overleg vooraf moet
                        gaan met de schoolbesturen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Uitgangspunt van de modelverordening is de koppeling aan de
                        begrotingscyclus. Dat leidt ertoe dat gelijktijdig met de begroting ook het
                        programma en het daaruit voortvloeiende overzicht worden vastgesteld. Ter
                        bescherming van de aanvragers wordt een uiterste datum binnen het lopende
                        kalenderjaar gesteld. Het spreekt voor zich dat het college geen programma
                        hoeft vast te stellen, indien geen voorziening in de huisvesting nodig is
                        noch een aanvraag is ingediend. Dit is in de wet zelf geregeld (zie
                        bijvoorbeeld artikel 97 WPO). Hetzelfde geldt voor het overzicht, met dien
                        verstande dat de vaststelling van een overzicht achterwege kan blijven
                        wanneer alle aanvragen worden geplaatst op het programma of wanneer er geen
                        aanvragen zijn ingediend - en er dus ook geen kunnen worden afgewezen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In dit lid, dat een belangrijk onderdeel van de verordening betreft,
                        namelijk de inhoud van het huisvestingsprogramma, komt voor alle
                        duidelijkheid tot uitdrukking dat het college het programma vaststelt als
                        resultante van de toetsing aan de in de wet limitatief omschreven
                        weigeringsgronden (zie bijvoorbeeld artikel 95, derde lid WPO). Een deel van
                        deze weigeringsgronden wordt voor wat betreft hun feitelijke toepassing
                        geoperationaliseerd via de nadere regels die het college stelt op de
                        onderdelen, genoemd in de tweede volzin. Zo zijn de 'beoordelingscriteria'
                        een nadere invulling van de toets of de aangevraagde voorziening
                        noodzakelijk is en of de aanvraag een voorziening betreft als genoemd in
                        artikel 2 van de verordening. De criteria voor de prognose operationaliseren
                        de wettelijke weigeringsgrond 'dat de gewenste voorziening niet
                        gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal
                        leerlingen ...' De regels over de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen
                        doen ditzelfde ten aanzien van de weigeringsgrond '... dat de gewenste
                        voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en omvang van de
                        voorzieningen waarover de school reeds beschikt'. De concrete invulling van
                        deze regels wordt niet in de romp van de modelverordening uitgeschreven,
                        maar in de in artikel 12 genoemde bijlagen. Artikel 12 vormt daarmee, zoals
                        ook bij andere bepalingen uit de romp het geval is, de kapstok voor de
                        gedetailleerde uitwerkingen van bepaalde elementen in de bijlagen. De
                        urgentiecriteria zijn apart gepositioneerd, omdat deze - in tegenstelling
                        tot de andere regels in het eerste lid - niet noodzakelijk bij de
                        programmavaststelling behoeven te worden toegepast. De urgentiecriteria
                        komen pas in beeld wanneer er meer aanvragen liggen dan waarvoor er budget
                        beschikbaar is.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het college en schoolbesturen kunnen het wenselijk vinden om voorzieningen
                        op het programma op te nemen die volgens de criteria over de urgentie
                        (bijlage V) daar strikt genomen niet voor in aanmerking zouden komen. Indien
                        daarover consensus bestaat (uiteindelijk blijkend uit het bestuurlijk
                        overleg over het concept-programma als bedoeld in artikel 10, eerste lid van
                        de verordening), kan het college aan de raad verzoeken om af te mogen wijken
                        van de criteria zoals geformuleerd in bijlage V. Hoewel het bestuurlijk
                        overleg over het concept-programma geen 'op overeenstemming gericht overleg'
                        betreft, is de praktijk binnen veel gemeenten dat het overleg wel als
                        zodanig wordt gevoerd en beleefd. Er is van afgezien om een regeling te
                        treffen voor het stemmen over een alternatieve urgentievolgorde. Beoogd
                        wordt te komen tot een gezamenlijk gedragen voorstel. Finale besluitvorming
                        over de daadwerkelijke urgentievolgorde vindt niet plaats tijdens het
                        overleg. Uiteindelijk beslist de raad of hij wel of niet wenst af te wijken
                        van de systematiek en criteria van bijlage V..</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De zinsnede 'voor zover van toepassing' kan ook op de vergoeding betrekking
                        hebben. Zo zijn er voorzieningen denkbaar waarvoor het niet nodig is om een
                        bedrag beschikbaar te stellen. Hierbij kan worden gedacht aan medegebruik in
                        een (onderwijs)gebouw dat geschikt is en waaraan dus geen aanpassingen
                        hoeven plaats te vinden. Een aanvrager die een voorziening geplaatst ziet op
                        het programma, kan daaruit niet alleen afleiden dat de voorziening voor
                        bekostiging in aanmerking komt, maar ook welke eventuele nadere voorwaarden
                        er gelden rond ingebruikneming of buitengebruikstelling. Bijvoorbeeld: de
                        uitbreiding van een hoofdgebouw gaat gepaard met het afstoten van een
                        dislocatie. Wanneer de vergoeding van een op het programma geplaatste
                        voorziening op normatieve wijze is vastgesteld dan kan de aanvrager ook
                        rechtstreeks uit de opneming op het programma afleiden voor welk bedrag de
                        voorziening dient te worden gerealiseerd. Indien het gaat om een voorziening
                        waarvan de uiteindelijk vergoeding gebaseerd is op de feitelijke kosten, dan
                        vermeldt het programma van welke raming is uitgegaan. Deze raming zal
                        vervolgens als leidraad worden gehanteerd bij de vaststelling van het
                        definitief vergoedingsbedrag aan de hand van door de aanvrager in het kader
                        van de uitvoering te overleggen offertes.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Een verwijzing naar artikel 12, eerste lid volstaat, omdat uit de toepassing
                        van de daar genoemde criteria blijkt of een aangevraagde voorziening op het
                        programma dan wel op het overzicht terechtkomt. Ook aangevraagde
                        voorzieningen die geen voorzieningen zijn in de zin van artikel 2 van de
                        verordening komen op het overzicht te staan.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Deze bepaling is een direct uitvloeisel van het motiveringsbeginsel.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bedrag, programma en
                            overzicht</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Volgens de toelichting op de wet moeten het programma en het overzicht
                        worden opgevat als een bundel van beschikkingen. Deze beschikkingen moeten
                        uiteraard ter kennis van de aanvragers worden gebracht. De termijn van twee
                        weken is gekozen, omdat de wet bepaalt dat binnen vier weken na vaststelling
                        van het programma overleg over de uitvoering plaatsvindt met het college.
                        Ingevolge artikel 3:43 Awb dient de gemeente van het besluit mededeling toe
                        doen aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren
                        hebben gebracht. Gelet op het overleg met het totale scholenveld
                        voorafgaande aan de vaststelling van het programma is er echter voor gekozen
                        het besluit aan alle schoolbesturen toe te sturen. Hierbij doet dus niet
                        terzake of het betrokken schoolbestuur in een eerder stadium een zienswijze
                        naar voren heeft gebracht.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De wet bepaalt alleen iets over de terinzagelegging van het overzicht.
                        Vanwege de samenhang tussen bedrag, programma en overzicht ligt het voor de
                        hand het totaal ter inzage te leggen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven
                        overleg over de wijze van uitvoering. Met deze invulling wordt beoogd dat de
                        aanvrager en het college een aantal praktische afspraken maken over aspecten
                        die samenhangen met de realisering van de toegekende voorziening. Met
                        dergelijke afspraken kunnen onduidelijkheden en misverstanden in het verdere
                        uitvoeringstraject worden voorkomen. In ieder geval zal hierbij volstrekt
                        duidelijk moeten zijn wie als bouwheer optreedt. De wet (artikel 103 WPO,
                        artikel 101 WEC en artikel 76n WVO) gaat er weliswaar vanuit dat het bevoegd
                        gezag optreedt als bouwheer, maar biedt de mogelijkheid dat het bevoegd
                        gezag en het college overeenkomen dat de gemeente de voorziening tot stand
                        brengt. Het moet duidelijk vaststaan of al dan niet gebruik wordt gemaakt
                        van deze mogelijkheid. De termijn van vier weken waarbinnen het college met
                        het betrokken schoolbestuur in overleg treedt over de uitvoering vloeit
                        direct voort uit de wetgeving (artikel 95, lid 8 WPO; artikel 93, lid 8 WEC
                        en artikelen 76, lid 8 WVO). De passage 'voor zover van toepassing' is
                        opgenomen om niet alle voorkomende varianten op het bouwheerschap en de
                        eigendomssituatie te hoeven beschrijven. Daarnaast is het bijvoorbeeld
                        denkbaar dat geen nadere afspraken behoeven te worden gemaakt over het
                        tijdstip van indiening van het bouwplan en de desbetreffende begroting,
                        eenvoudigweg omdat het college in het kader van artikel 16, vierde lid heeft
                        besloten dat dit achterwege kan blijven. Hetzelfde kan gelden voor de
                        uitvoering van de toets of zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. In
                        het kader van de controle en het afleggen van verantwoording over de
                        besteding van de middelen kunnen nadere afspraken worden gemaakt over de
                        wijze en momenten waarop het college geïnformeerd wordt over de voortgang
                        van de uitvoering van de voorziening, alsmede over de wijze waarop de finale
                        verantwoording wordt afgelegd. Daarbij kan - zeker bij omvangrijke projecten
                        - ook aan de orde zijn dat dit gepaard gaat met een
                        accountantsverklaring.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wanneer de vergoeding van de uitvoering van de voorziening gebaseerd is op
                        de feitelijke kosten wordt in aanvulling op de afspraken die voortvloeien
                        uit het bepaalde in lid 1, ook expliciet in het overleg aan de orde gesteld
                        op welke wijze de aanvrager het werk wil gaan aanbesteden en wanneer de
                        gemeente zicht krijgt op de offertes die op de aanbesteding worden
                        uitgebracht (zie ook toelichting bij artikel 4). Bij de aanbesteding van het
                        werk dient de aanvrager, voor zo ver dit gezien de aard van de voorziening
                        nodig is, ingevolge het bepaalde in bijlage IV, deel B richtlijnen in acht
                        te nemen. Overigens kan de aanvrager eerst tot aanbesteding overgaan wanneer
                        het college heeft ingestemd met het bouwplan, tenzij een dergelijk plan naar
                        het oordeel van het college eveneens gezien de aard van de voorziening niet
                        vereist is (zie ook artikel 16, lid 4).</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden rijzen over de
                        afspraken over de uitvoering is bepaald dat deze schriftelijk worden
                        vastgelegd en ter instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Indien de
                        aanvrager zijn instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct
                        vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de wijze van uitvoering.
                        Mocht de aanvrager niet instemmen met het verslag, dan zal in de praktijk
                        meestal nader overleg plaatsvinden om alsnog overeenstemming te bereiken.
                        Blijken partijen het niet eens te kunnen worden over de uitvoering van de
                        voorziening dat wordt dit ook schriftelijk vastgelegd en van beide zijde
                        geconstateerd.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Hierin is bepaald dat het college de aanvrager uitsluitsel geeft wanneer de
                        bekostiging start, binnen vier weken nadat het overleg tot overeenstemming
                        heeft geleid, in geval in het overleg is medegedeeld dat de indiening van
                        een bouwplan en begroting achterwege kan blijven en/of er geen nadere
                        toetsing aan wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden hoeft
                        plaats te vinden (zie artikel 16, vierde lid). Het zal daarbij in de regel
                        voorzieningen betreffen waarvoor in een eerder stadium al een offerte is
                        overgelegd, die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergen. Hierbij kan
                        bijvoorbeeld worden gedacht aan de vervanging van de dakbedekking van een
                        basisschool (onderdeel van de huisvestingsvoorziening onderhoud).</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Wanneer uit het ingevolge het derde lid vastgestelde verslag blijkt dat het
                        overleg over de wijze van uitvoering uiteindelijk niet uitmondt in
                        overeenstemming tussen aanvrager en het college, dan is het college als
                        bestuursorgaan de instantie die dit constateert en meedeelt aan het
                        schoolbestuur. Hierbij deelt het college mee wat de overwegingen zijn om
                        niet in te stemmen met de door de aanvrager gewenste uitvoering. Deze
                        mededeling is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor
                        aanvrager de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging;
                            toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden;
                            overlegging offertes</titel></kop><al>Dit artikel is voor een belangrijk deel een nadere uitwerking van de
                        wettelijke bepaling, waarbij een schoolbestuur dat aanspraak heeft op een
                        vergoeding van een voorziening en bij de uitvoering van de voorziening als
                        bouwheer optreedt, een bouwplan en de daarbij behorende begroting ter
                        goedkeuring moet indienen bij het college (zie bijvoorbeeld artikel 103
                        WPO). Tevens geeft de aanvrager daarbij aan op welk moment de bekostiging
                        een aanvang dient te nemen. Indien in het overleg over de uitvoering (zie
                        artikel 15) in afwijking van het uitgangspunt dat de aanvrager optreedt als
                        bouwheer, wordt afgesproken dat de gemeente het bouwheerschap op zich neemt,
                        dan is het gestelde in het eerste lid uiteraard niet van toepassing. De
                        aanvrager moet alleen een begroting bij het bouwplan in te dienen wanneer
                        het een voorziening betreft waarvoor de vergoeding op basis van de
                        genormeerde benadering (bijlage IV, deel A) is vastgesteld. Deze begroting
                        zal marginaal getoetst worden zolang de geraamde kosten de genormeerde
                        vergoeding niet overschrijden. Met het oog op een goede voortgang van de
                        uitvoering en de duidelijkheid richting aanvrager is in het tweede lid
                        voorzien in een fatale termijn (maximaal beslaat deze termijn negen weken)
                        waarbinnen de gemeente het bouwplan en de begroting moet hebben goedgekeurd.
                        Bij goedkeuring van het bouwplan en begroting stelt het college ook het
                        tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt. Hiermee wordt
                        uitvoering gegeven aan de wettelijke opdracht om een dergelijk tijdstip vast
                        te stellen (zie bijvoorbeeld artikel 99, eerste lid WPO). Wanneer de fatale
                        termijn door het college wordt overschreden dan wordt het bouwplan en de
                        begroting geacht te zijn goedgekeurd en dient de bekostiging aan te vangen
                        op het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven. Het bepaalde in het
                        derde lid markeert in de procedure rond de uitvoering van het programma het
                        moment waarop wordt bezien of er zich na vaststelling van het programma
                        nieuwe omstandigheden hebben aangediend, die het rechtvaardigen om de
                        aanspraak op vergoeding te herzien. Het betreft hier een nadere invulling
                        van wederom een wettelijke bepaling (zie bijvoorbeeld artikel 101 WPO in
                        samenhang met artikel 99, eerste lid WPO). Het moment is zodanig gekozen dat
                        door de aanvrager nog geen onomkeerbare stappen zijn gezet, zoals
                        bijvoorbeeld het verlenen van een bouwopdracht. De leden 5 en 6 zien op de
                        besluitvorming over de uitvoering van aanvragen waarvoor de offertelijn
                        geldt, of anders gezegd, waarbij de feitelijke kosten bepalend zijn voor de
                        uiteindelijke vergoeding. Hierbij is geen sprake van een begroting, dus ook
                        niet van een toets daarvan. De begroting is namelijk al bij de indiening van
                        de aanvraag overgelegd en heeft toen alleen de functie gehad om te komen tot
                        een bedrag ten behoeve van de vaststelling van het programma. Bij de
                        uitvoering van een voorziening die volgens de offertelijn wordt
                        gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de begroting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Dit artikel is de uitwerking van de wettelijke opdracht zoals neergelegd in
                        bijvoorbeeld artikel 102, vierde lid WPO. Er is gekozen voor een globale
                        regeling waarin ruimte is voor variatie naargelang de concrete
                        omstandigheden. Door de bepaling op te nemen dat de aanvrager altijd aan
                        zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen, is de bescherming van de
                        aanvrager gewaarborgd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op vergoeding</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De data van 1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op de vaststelling van
                        de volgende gemeentebegroting. Het is van belang om op dat moment te weten
                        of een toegekende voorziening eventueel in een volgend begrotingsjaar
                        betaald moet worden. De bepaling over de toezending van onder meer de
                        bouwopdracht binnen twee weken berust niet op de wet. Het is echter van
                        belang om een dergelijke bepaling op te nemen, omdat de gemeente daarna
                        actie in de richting van de aanvrager kan ondernemen. De term 'door de
                        aanvrager' is opgenomen om duidelijk te maken dat, indien de gemeente
                        optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, er geen sprake is
                        van het vervallen van het recht op een vergoeding. De aanvrager heeft dan
                        immers recht op een voorziening.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Deze hardheidsclausule is, in aanvulling op de wet, opgenomen, omdat het
                        denkbaar is dat, bijvoorbeeld door ruimtelijke ordeningprocedures, de
                        termijn buiten de schuld van de aanvrager wordt overschreden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De datum van 15 september is gekozen opdat de aanvrager bij afwijzing van
                        het verzoek kan proberen voor 1 oktober alsnog een bouwopdracht etc. te
                        geven.</al><al><vet>Artikelen 19-24 Spoedprocedure</vet></al><al>In dit hoofdstuk van de modelverordening zijn nadere regels opgenomen over
                        de indiening en beoordeling van aanvragen met een spoedeisend karakter. Deze
                        aanvragen doorlopen niet de procedure die geldt voor het programma en zijn
                        daarom niet gebonden aan een bepaalde indieningsdatum. De aanvragen kunnen
                        dus het gehele jaar door worden ingediend. Het zou een misvatting zijn op
                        grond hiervan te veronderstellen dat de spoedprocedure als een soort
                        'ontsnappingsroute' kan worden gebruikt. Een ontsnappingsroute die zou
                        kunnen worden gevolgd wanneer een bevoegd gezag verzuimd tijdig - op grond
                        van artikel 6 van de modelverordening - een aanvraag in te dienen voor het
                        programma of wanneer een aanvraag niet op het programma is geplaatst wegens
                        toepassing van de financiële weigeringsgrond. In dit laatste geval kan een
                        bevoegd gezag in de verleiding komen de aanvraag opnieuw in te dienen via de
                        spoedprocedure, omdat de financiële weigeringsgrond bij deze procedure niet
                        kan worden gehanteerd door de gemeente. Een andere optie is dat een bevoegd
                        gezag op 'twee paarden wedt', namelijk: voor dezelfde voorziening een
                        aanvraag indient voor de opneming in het programma én een aanvraag indient
                        in het kader van de spoedprocedure. Al deze procedurele opties lopen echter
                        bij toepassing van de modelverordening spaak, omdat het uiteindelijk gaat om
                        de inhoud van de aanvraag. Er moet onomstotelijk blijken dat het bij een
                        aanvraag met een spoedeisend karakter gaat om een daadwerkelijke calamiteit
                        in : een calamiteit die onvoorzienbaar was en volgens de wetgever zodanig
                        moet zijn dat het treffen van een voorziening geen uitstel kan lijden, omdat
                        anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden. Het meest voor de
                        hand liggende voorbeeld daarbij is het afbranden van een schoolgebouw,
                        waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere accommodatie moet
                        doorgaan. Toepassing van de modelverordening leidt er toe dat het moment
                        tussen indiening van een reguliere aanvraag en de beoordeling in het kader
                        van het programma, aanzienlijk wordt bekort. Dit betekent dat het overgrote
                        deel van de aanvragen voor huisvestingsvoorzieningen via deze procedure op
                        adequate wijze kan worden afgehandeld. Ook de aanvragen die wellicht hoog
                        zouden scoren bij de toepassing van de urgentiesystematiek, maar waarvan op
                        moment van indiening en op het moment van programmavaststelling (nog) niet
                        kan worden gesproken over de noodzaak om onverwijld de voorziening te
                        treffen omdat anders het onderwijsproces stokt. Dit betekent ook dat mag
                        worden verwacht dat de aanvragen die in het kader van de spoedprocedure
                        worden ingediend ook écht spoedeisend zijn. Normaliter zal dit betekenen dat
                        de toepassing, maar zeker ook de toewijzing in het kader van de
                        spoedprocedure, eerder uitzondering dan regel zal zijn. In de bepalingen
                        over de procedure rondom aanvragen met een spoedeisend karakter wordt
                        aangesloten bij de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit
                        komt erop neer dat een aanvraag bij het college van burgemeester en
                        wethouders kan worden ingediend (artikel 19) en dat zij binnen een redelijke
                        termijn (artikel 4:13 Awb) een beschikking dient af te geven. Indien een
                        beschikking niet binnen een redelijke termijn kan worden gegeven, stelt het
                        college de aanvrager daarvan in kennis en wordt een redelijke termijn
                        genoemd waarbinnen hij de beschikking wel tegemoet kan zien (art. 4:14
                        Awb).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Het college is verantwoordelijk voor de ontvangst, beoordeling,
                        besluitvorming en uitvoering van een aanvraag met een spoedeisend karakter.
                        Artikel 4:4 van de Awb bepaalt dat het orgaan dat beslissingsbevoegd is een
                        formulier kan vaststellen. Deze taak ligt derhalve eveneens bij het
                        college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>In aanvulling op de basisgegevens die moeten worden overgelegd als het om
                        een reguliere aanvraag zou gaan, dient in de aanvraag ook duidelijk het
                        spoedeisende karakter (de calamiteit waardoor het onderwijsproces geen
                        voortgang kan vinden) te worden toegelicht. Evenals bij een aanvraag voor
                        het programma het geval is, kan ook bij de aanvragen voor spoedeisende
                        voorzieningen een keuze worden gemaakt ten aanzien van welke gewenste
                        voorzieningen in de huisvesting een prognose wel of niet vereist is.
                        Harmonisatie met de in dit verband in artikel 7, tweede lid, onder a van de
                        modelverordening gemaakte keuze ten aanzien van de prognoses is daarbij
                        vanzelfsprekend.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De termijnen voor het aanleveren van aanvullende gegevens zijn bewust kort
                        gehouden. Dit is gerechtvaardigd, omdat het gaat om het treffen van een
                        voorziening die eigenlijk geen uitstel kan dulden. Iedereen, en zeker de
                        school, is gebaat bij een snelle, maar zorgvuldige besluitvorming.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissingen</titel></kop><al>De procedure sluit aan op de bepalingen in artikel 4:13 en 4:14 van de Awb.
                        In beginsel beslist het college binnen vier weken op een aanvraag. Het
                        tweede lid geeft de mogelijkheid om op een later tijdstip te beslissen
                        indien het niet mogelijk is binnen vier weken te beslissen. Het college niet
                        in de dient de aanvrager hiervan op de hoogte te stellen en daarbij een
                        redelijke termijn te noemen waarbinnen wel een beschikking tegemoet kan
                        worden gezien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>– 4 Inhoud en uitvoering beschikking; vervallen aanspraak
                            vergoeding</titel></kop><al>Bij de besluitvorming en de uitvoering daarvan ten aanzien van aanvragen met
                        een spoedeisend karakter is, afgezien van de afwijkende termijnen, de lijn
                        gevolgd die ook van toepassing is ten aanzien van de vaststelling van
                        programma en overzicht. Dit betekent dat met inachtneming van de in de wet
                        opgenomen weigeringsgronden (zie bij voorbeeld artikel 100 WPO), de
                        toetsingscriteria worden toegepast overeenkomstig de bijlagen van de
                        verordening. Extra dimensie die ten opzichte van de 'reguliere lijn' aan
                        deze toetsing wordt toegevoegd is het element van de spoedeisendheid: het
                        treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in verband met de
                        voortgang van het onderwijs. Tevens komt in de modelverordening tot uiting
                        dat het college niet de financiële weigeringsgrond kan hanteren. Dit komt
                        tot uiting doordat de urgentiecriteria zoals opgenomen in bijlage V buiten
                        beschouwing blijven. Het college geeft bij de beschikking aan voor welke
                        datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                        erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, dit is geen onderwerp meer van het
                        gesprek dat zij voert over de uitvoering van de toegekende aanvraag. </al><al><vet>Artikelen 25-28 Vergoeding kosten bouwvoorbereiding</vet></al><al>Gemeenten die geen mogelijkheid willen bieden voor het aanvragen en daarmee
                        toekennen van vergoedingen voor de kosten van de bouwvoorbereiding, kunnen
                        bij de vaststelling van de verordening de artikelen 3 en 25 t/m 28
                        achterwege laten. Met nadruk zij opgemerkt dat de aanvraag om een vergoeding
                        van de kosten van bouwvoorbereiding van een andere orde is dan een aanvraag
                        voor plaatsing op het programma. Eerstbedoelde aanvraag is bedoeld om de weg
                        te plaveien naar de indiening van een aanvraag voor het programma. Het zal
                        daarbij in de regel gaan om huisvestingsvoorzieningen die als omvangrijk
                        moeten worden gekwalificeerd en die zich al enkele jaren van tevoren
                        aankondigen (de nieuwbouw van een school is daarbij het meest voor de hand
                        liggende voorbeeld). Met behulp van een bouwvoorbereidingskrediet kunnen de
                        aanvragen voor het programma goed worden voorbereid. Dit heeft als voordeel
                        dat wanneer dergelijke goed gedocumenteerde aanvragen verschijnen op het
                        programma, de uitvoering vrij snel na vaststelling van het programma ter
                        hand kan worden genomen. De gemeente heeft dan de zekerheid dat in het jaar
                        waarvoor de middelen beschikbaar worden gesteld, ook de besteding zal
                        plaatsvinden. Een bouwvoorbereidingskrediet is bedoeld voor de bestrijding
                        van salariskosten, die zijn gemoeid met de voorbereiding van een
                        bouwproject. Onder voorbereiding worden de werkzaamheden verstaan tot aan
                        het moment van aanbesteding. Het kan daarbij gaan om kosten van:</al><lijst><li nr="·"><al>architect;</al></li><li nr="·"><al>adviseur constructie;</al></li><li nr="·"><al>adviseur werktuigbouwkundige installatie;</al></li><li nr="·"><al>adviseur elektrotechnische installatie.</al></li></lijst><al>In bepaalde situaties kan het bovendien nuttig zijn adviseurs in te
                        schakelen voor bijvoorbeeld het programma van eisen, het projectmanagement,
                        de kostenbeheersing of de bouwfysica.Inschakeling van laatstgenoemde
                        adviseurs kan een beperking inhouden van de werkzaamheden van de architect
                        en de eerstgenoemde overige adviseurs. De bouwvoorbereiding is niet
                        aangemerkt als een voorziening in de huisvesting, omdat het dat volgens de
                        wet niet is. De toekenning van een vergoeding voor bouwvoorbereiding dient
                        daardoor buiten het programma te blijven. Het bedrag voor het programma is
                        immers bestemd voor huisvestingsvoorzieningen zoals bedoeld in de wet. Als
                        een zodanige voorziening niet wordt toegekend omdat het bedrag niet
                        voldoende is, en er wordt wel in dat kader bouwvoorbereiding toegekend (het
                        kan daarbij om aanmerkelijke bedragen gaan), dan heeft de aanvrager die
                        wordt afgewezen in beroep een gerede kans op succes. Het bedrag voor
                        bouwvoorbereiding dient dus als apart bedrag te worden opgenomen. Er is wel
                        alles voor te zeggen om, gezien de budgettaire gevolgen voor de
                        gemeentebegroting in het algemeen en voor de onderwijshuisvesting in het
                        bijzonder, de beoordeling en afhandeling van verzoeken om bouwvoorbereiding
                        in procedure gelijk te schakelen met die voor het programma. Voor deze
                        benadering is dan ook gekozen in hoofdstuk 4 van de modelverordening. Dit
                        betekent ook dat het college het orgaan is dat beslist over het inwilligen
                        van dergelijke verzoeken. Toekenning van een vergoeding voor
                        bouwvoorbereiding van een voorziening betekent niet dat de voorziening die
                        met behulp van deze vergoeding wordt voorbereid, per saldo meer kost dan een
                        soortgelijke voorziening, die zonder een dergelijke vergoeding geplaatst
                        wordt op het programma. In feite komt de toekenning van een vergoeding er op
                        neer dat een deel van de kosten gemoeid met de huisvestingsvoorziening naar
                        voren worden gehaald. Dit betekent ook dat wanneer een genormeerde
                        vergoeding wordt toegekend ter realisering van de huisvestingsvoorziening
                        zelf, de bouwvoorbereidingsvergoeding dan op de genormeerde vergoeding in
                        mindering wordt gebracht. Dit gebeurt omdat in de normatieve
                        vergoedingsbedragen voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in bijlage IV,
                        deel A, de kosten van voorbereiding zijn inbegrepen. De mogelijkheid om een
                        bouwvoorbereidingskrediet aan te vragen is een nadere concretisering van de
                        in de wet opgenomen mogelijkheid inhoudende dat het college een vergoeding
                        voor bouwvoorbereiding kan toekennen. Bij de bepalingen inzake de beslissing
                        op dergelijke verzoeken zijn de toetsingscriteria aangeduid, omwille van
                        kenbaar bestuur en gelijke behandeling (zie artikel 27). Daarbij is voorzien
                        in een financiële weigeringsgrond. Voorts spreekt het voor zich dat de
                        noodzaak van de voorziening waarvoor de bouwvoorbereiding is bestemd
                        aanwezig moet zijn. Daarnaast zal ook, uit oogpunt van een gerichte en
                        effectieve besteding van eventueel toe te kennen gelden voor de
                        bouwvoorbereiding, een duidelijk perspectief aanwezig moeten zijn: wanneer
                        de plannen zijn uitgewerkt, moet er ook binnen afzienbare termijn
                        daadwerkelijk een aanvang mee worden gemaakt. Dit is niet alleen afhankelijk
                        van de vraag of het bevoegd gezag in het beoogde jaar de opdracht tot
                        uitvoering kan verlenen, maar ook van een reële inschatting door de gemeente
                        of het beoogde project voor dat jaar op een nog vast te stellen programma
                        kan worden geplaatst. Het verstrekken van een bouwvoorbereidingskrediet
                        geeft hierop weliswaar geen recht, maar het is weinig zinvol een dergelijk
                        krediet toe te kennen en vervolgens bij de daarop volgende - met behulp van
                        het krediet voorbereide - aanvraag voor plaatsing op het programma te moeten
                        constateren dat de financiële ruimte niet aanwezig is voor de realisering
                        van de voorziening. Iets dat zich natuurlijk altijd kan voordoen in geval
                        van onvoorziene tegenvallers op de gemeentebegroting.</al><al><vet>Artikelen 29-36 Medegebruik en verhuur</vet></al><al>De artikelen 102 WPO, 100 WEC, 76m WVO geven de opdracht aan de gemeenteraad
                        om in de huisvestingsverordening een procedure voor het medegebruik en de
                        verhuur van onderwijsgebouwen op te nemen. Wat het medegebruik betreft houdt
                        de opdracht in feite in het vastleggen van de wijze waarop het college met
                        het recht tot het vorderen van leegstaande ruimten omgaat. Dit
                        vorderingsrecht kan betrekking hebben op medegebruik ten behoeve van
                        onderwijs en educatie, maar ook ten behoeve van culturele, maatschappelijke
                        of recreatieve doeleinden. Met nadruk zij gemeld dat het gaat om delen van
                        gebouwen die leegstaan. Indien het gaat om een gebouw dat in zijn geheel
                        leeg is of komt, is artikel 37(Tijdstip beëindiging gebruik gebouwen) van
                        toepassing.</al><al>Het vorderingsrecht met betrekking tot gebouwen kan betrekking hebben op
                        zowel het gebruik tijdens als na de schooltijden. Dit geldt ook voor
                        sportterreinen die in eigendom zijn van een schoolbestuur voor voortgezet
                        onderwijs. Het vorderingsrecht beperkt zich dan tot het vorderen ten behoeve
                        van ander gebruik dan onderwijsgebruik (bijvoorbeeld voor
                        sportverenigingen). Het recht van de gemeente om leegstand te bestemmen voor
                        ander gebruik strekt zich uit over de wel en de niet door de gemeente in
                        stand gehouden scholen. Het sluitstuk van de procedure - het vorderen -
                        vindt echter niet plaats als het leegstand betreft in een gebouw van een
                        school die de gemeente zelf in stand houdt. Dat neemt niet weg dat de
                        criteria die in deze artikelen worden geformuleerd uiteraard ook gelden voor
                        gebouwen van scholen die door de gemeente in stand worden gehouden. Er is
                        gekozen voor een iets verschillende benadering van medegebruik ten behoeve
                        van onderwijs en medegebruik ten behoeve van andere activiteiten. Voor
                        medegebruik ten behoeve van andere activiteiten mag van het college worden
                        verlangd dat in het overleg met het bevoegd gezag expliciet, en ten aanzien
                        van met name aangeduide onderwerpen, de gelegenheid wordt geboden om
                        eventuele wensen aangaande het medegebruik te uiten, mede gelet op de
                        vrijheid van richting en inrichting. Uiteraard bestaat die gelegenheid ook
                        in het overleg over het onderwijsmedegebruik. Aangezien het dan echter
                        altijd gaat om gebruik dat overeenkomt met de bestemming van het gebouw, zal
                        het overleg daarover meer een praktisch dan een principieel karakter kunnen
                        hebben. De artikelen 29 t/m 33 worden toegepast als er een aanvraag van een
                        bevoegd gezag voor plaatsing op het programma of voor de spoedprocedure is
                        gedaan. Dat kan een aanvraag om medegebruik zijn, maar het kan ook een
                        andere aanvraag zijn die wordt afgewezen en waarin door middel van
                        medegebruik wordt voorzien. Voorbeeld: er komt een aanvraag binnen om de
                        uitbreiding van een basisschool op het programma te plaatsen. De bepalingen
                        van artikel 12 (regels voor de vaststelling van het programma) zijn van
                        toepassing op die aanvraag. In artikel 12 wordt onder meer verwezen naar
                        bijlage I. In die bijlage is gesteld dat de uitbreiding niet wordt bekostigd
                        als er binnen 2.000 meter hemelsbreed sprake is van leegstand waar
                        medegebruik kan plaatsvinden. Binnen die afstand blijkt geschikte leegstand
                        aanwezig te zijn, hetgeen wordt geconstateerd aan de hand van artikel 30
                        (omschrijving leegstand). Tevens wordt geconstateerd dat de situatie als
                        bedoeld in artikel 31, lid 1 (de leegstand is al door het bevoegd gezag in
                        medegebruik gegeven aan een andere school) zich niet voordoet. Die
                        constatering kan plaatsvinden aan de hand van de gemeentelijke
                        gegevensadministratie; op grond van artikel 5 moet een bevoegd gezag immers
                        melden dat er sprake is van medegebruik. Het college deelt in het overleg
                        als bedoeld in artikel 10 (het overleg over het programma) mede dat zij
                        voornemens zijn om de wettelijke weigeringsgrond genoemd in artikel 100, lid
                        1d WPO toe te passen (de aanvraag wordt geweigerd als er door middel van
                        medegebruik in de huisvestingsbehoefte kan worden voorzien). Over dat
                        voornemen wordt op grond van artikel 32 overleg gevoerd met het bevoegd
                        gezag dat de aanvraag heeft ingediend en met het bevoegd gezag waarvan
                        leegstand gevorderd zal worden. Dat overleg maakt deel uit van het overleg
                        over het programma als bedoeld in artikel 10. Er wordt voorzien in de
                        aanvraag door toepassing te geven aan artikel 31 (volgorde van vorderen) en
                        32 (overleg en mededeling). De beschikking voor het bevoegd gezag dat de
                        uitbreiding heeft aangevraagd (onderdeel van het programma) luidt als volgt:
                        de aanvraag wordt afgewezen en in plaats daarvan wordt medegebruik in gebouw
                        [.....] toegekend. Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt krijgt op grond
                        van artikel 32 een vorderingsbeschikking, tenzij in het overleg is
                        aangegeven dat er tegen de vordering geen bezwaar bestaat. Wat de verhuur
                        betreft kan de regeling in de verordening beperkt zijn; de wet regelt immers
                        uitputtend wanneer wel en niet sprake kan zijn van verhuur.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>In dit artikel is aangegeven dat er, alvorens het college kan overgaan tot
                        vordering, eerst sprake moet zijn van een aanvraag (op grond van artikel 6
                        of 19) om een huisvestingsvoorziening voor een school, en dat er bij die
                        school ook een aantoonbaar tekort aan huisvesting is. Lid 1b ziet op de
                        situatie dat er bijvoorbeeld sprake is van een omvangrijke onderhouds- of
                        aanpassingsbehoefte, terwijl medegebruik daarvoor een alternatief vormt. De
                        leden 1d en e regelen dat er sprake dient te zijn van leegstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><al><vet>Lid 1a</vet></al><al>Door de capaciteit van het gebouw (als bepaald volgens bijlage III, deel A)
                        te relateren aan de behoefte volgens het ruimtebehoeftemodel ingevolge
                        bijlage III, deel B wordt bezien of er een overschot aan ruimte is Er word
                        uitgegaan van een genormeerde benadering: als het aantal vierkante meters
                        van een gebouw de drempelwaarde overschrijdt is er sprake van genormeerde
                        leegstand.. Bij de capaciteitsbepaling worden ruimten die een bevoegd gezag
                        eventueel voor eigen rekening heeft gerealiseerd en waar geen
                        (rijks)vergoeding voor wordt verstrekt wel geregistreerd, maar niet als
                        beschikbare capaciteit. Het vorderingsrecht strekt zich derhalve niet tot
                        dergelijke ruimten uit. Voor de goede orde: de zogenaamde eigendoms- en
                        huurscholen vallen dus wel onder het vorderingsrecht. Hiervoor wordt immers
                        wel een (rijks)vergoeding verstrekt. In tegenstelling tot de volledig voor
                        eigen rekening gefinancierde ruimten, strekt het vorderingsrecht zich wel
                        uit tot leegstaande ruimten waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming
                        (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven. Deze handelwijze
                        kan worden afgeleid uit de jurisprudentie onder de oude wetgeving waarin is
                        vastgelegd dat, indien er sprake is van genormeerde leegstand waaraan een
                        bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven, deze bestemming moet
                        wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</al><al><vet>Lid 1b</vet></al><al>Voor het voortgezet onderwijs kan niet van een zelfde, strikt genormeerde,
                        benadering worden uitgegaan als bij het primair onderwijs. Het vertrekpunt
                        is wel hetzelfde: door de capaciteit van het gebouw (als bepaald volgens
                        bijlage III, deel A) te relateren aan de behoefte volgens het
                        ruimtebehoeftemodel ingevolge bijlage III, deel B wordt bezien of er een
                        overschot aan vierkante meters is. Als dat overschot geconstateerd wordt,
                        behoeft dat niet automatisch te betekenen dat er dan ook een deel van het
                        gebouwvrij is op de gewenste tijd. Een bevoegd gezag van een school voor
                        voortgezet onderwijs heeft namelijk het recht, binnen de rijksbekostiging,
                        om meer of minder uren aan bepaalde vakken toe te delen. Deze keuzen hebben
                        consequenties voor het lesrooster en de omvang van de groepen, en daarmee
                        voor de beschikbaarheid van het gebouw. Daarom wordt bij een school voor
                        voortgezet onderwijs vervolgens aan de hand van het lesrooster bekeken of er
                        daadwerkelijk sprake is van leegstand. De verantwoordelijkheid om op basis
                        van lesroosters eventueel aan te tonen dat er geen sprake is van leegstand,
                        ligt bij het schoolbestuur. Achtergrond hiervan is dat gemeenten geen zicht
                        hebben op de lesroosters van scholen. Het gaat hier met nadruk om de
                        vrijheid binnen de rijksbekostiging. Indien een bevoegd gezag extra middelen
                        aanwendt en daarmee beslag op leegstand legt, is er sprake van eigen beleid
                        dat dient te wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</al><al><vet>Lid 2a</vet></al><al>Voor de beoordeling of er leegstand is in een gymlokaal dat gebruikt wordt
                        door het primair onderwijs wordt het aantal klokuren dat voor dat lokaal in
                        gebruik is en waarvoor de gemeente goedkeuring heeft verleend, bij elkaar
                        opgeteld. De capaciteit van het gebouw, verminderd met dit aantal, levert de
                        leegstand op. Voor de capaciteit van het gebouw wordt uitgegaan van het
                        maximum aantal uren dat een gebouw per week voor het onderwijs gebruikt kan
                        worden. Het aantal van 40 is dan reëel, gelet op de schooltijden voor het
                        voortgezet onderwijs die de maximumgrens vormen. Het getal van 40 betekent
                        uiteraard niet dat scholen voor primair onderwijs buiten hun reguliere
                        schooltijden verwezen kunnen worden naar een gymnastiekruimte die nog geen
                        40 klokuren in gebruik is. Verwijzing kan alleen maar plaatsvinden binnen de
                        voor de betreffende schoolsoort geldende reële schooltijden.</al><al><vet>Lid 2b</vet></al><al>De reden van de controle aan de hand van het lesrooster is dezelfde als bij
                        lid 1b.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Door opneming van deze bepaling wordt recht gedaan aan de autonomie van
                        scholen. Indien bevoegde gezagsorganen onderling medegebruik overeenkomen,
                        is er geen reden voor de gemeente om dat te doorkruisen. Deze bepaling kan
                        er mogelijk toe leiden dat in een enkel geval alsnog bijvoorbeeld een
                        uitbreiding moet worden toegestaan omdat door de bevoegde gezagsorganen niet
                        de meest optimale situatie is gecreëerd. Aangezien deze situatie
                        waarschijnlijk alleen bij hoge uitzondering zal voorkomen, is dit geen reden
                        om af te zien van deze bepaling. Overigens kan deze bepaling uitgebreid
                        worden naargelang de gemeente in het (brede) huisvestingsbeleid bepaalde
                        accenten wil leggen. Als voorbeeld kan genoemd worden het niet vorderen van
                        leegstand indien deze wordt benut als peuterspeelzaal.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Hierin is bepaald dat het onderling overeengekomen medegebruik alleen dan
                        een reden is om niet tot vordering over te gaan, indien de eigen gebouwen
                        van de school die medegebruikt, onvoldoende capaciteit hebben. Uiteraard
                        wordt ook hier uitgegaan van de bepaling van de capaciteit en van het aantal
                        groepen zoals bedoeld in bijlage III. Ook hier geldt dat eigen beleid van
                        bevoegde gezagsorganen, bijvoorbeeld het verkleinen van groepen zodanig dat
                        dit leidt tot een extra huisvestingsbehoefte, moet wijken voor noodzakelijk
                        ander onderwijsgebruik.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>De keuze voor deze volgorde van vorderen kan uiteraard gewijzigd worden. Het
                        verdient echter aanbeveling om deze keuze wel vast te leggen. Indien er
                        meerdere opties zijn moet immers gemotiveerd kunnen worden hoe het college
                        tot een bepaalde keuze is gekomen. Het gestelde in dit lid zijn bij uitstek
                        aangelegenheden die met de bevoegde gezagsorganen besproken moeten worden,
                        alvorens ze vast te leggen. Dat geldt uiteraard ook voor a, zoals dat voor
                        de hele verordening geldt. Uitgangspunt bij de vordering is dat een
                        schoolbestuur dat ruimtegebrek heeft bij een van zijn scholen, eerst gaat
                        kijken naar eventueel beschikbare ruimte binnen een van de onder zijn beheer
                        staande gebouwen. Indien deze aanwezig is, zal het in de regel nog geen eens
                        komen tot een aanvraag voor medegebruik bij de gemeente. Mocht dit wel zo
                        zijn dan is de kans groot dat ingevolge lid 3a de gemeente het bestuur
                        verwijst naar een van zijn eigen gebouwen. Voor a geldt echter ook dat het
                        financiële consequenties kan hebben om niet als eerste optie van de - qua
                        oppervlakte en indeling - geschiktste ruimte uit te gaan. Vandaar dat uit
                        hoofde van een doelmatiger oplossing kan worden voorbijgegaan aan aanwezige
                        leegstand in een van de gebouwen van het betrokken schoolbestuur. Het
                        gestelde onder b is minder relevant als het gaat om gymnastiekruimten. Om
                        redenen van eenvoud is er echter voor gekozen geen aparte volgorde voor
                        gymnastiekruimten op te nemen. Bij de toepassing van lid 3c dient het
                        openbaar onderwijs in dit verband ook als een richting te worden
                        aangemerkt.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Deze bepaling voorkomt dat de volgorde zoals opgenomen in het derde lid te
                        rigide gaat werken. Wanneer op lokaal niveau alle bij de vordering betrokken
                        partijen het eens zijn over een oplossing die niet direct voortvloeit uit
                        het derde lid, dan kan van de daarin neergelegde volgorde worden
                        afgeweken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het voeren van overleg is wettelijk verplicht. Om praktische redenen is
                        ervoor gekozen dit te koppelen aan het overleg over het programma. In het
                        kader van de vaststelling van het programma zal immers in de regel
                        geconstateerd worden of er van medegebruik sprake kan zijn. Ten aanzien van
                        het voorgenomen besluit in het kader van het programma (dat is niet het
                        besluit tot vordering maar het besluit om medegebruik toe te staan) is er
                        voor beide bevoegde gezagsorganen de mogelijkheid een advies van de
                        Onderwijsraad te vragen. Ook hebben zij beiden de mogelijkheid om bezwaar en
                        beroep tegen de vaststelling van het programma in te stellen. Dit heeft geen
                        opschortende werking.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De termijn van vier weken is uiteraard facultatief. Om een bevoegd gezag
                        waarvan gevorderd gaat worden de gelegenheid te geven desgewenst tijdig
                        (organisatorische) maatregelen te nemen, verdient het aanbeveling de termijn
                        zo kort mogelijk te houden. Het bevoegd gezag is overigens op grond van het
                        overleg ook al in de gelegenheid om zich voor te bereiden op het
                        medegebruik. De mededeling dient schriftelijk plaats te vinden. Er is sprake
                        van een beschikking waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing
                        is. Het instellen van bezwaar en/of beroep heeft geen opschortende werking.
                        De laatste volzin is toegevoegd om geen overbodige administratieve
                        handelingen te hoeven uitvoeren indien er in het overleg is komen vast te
                        staan dat er overeenstemming over de vordering bestaat.</al><al><vet>Leden 3 en 4</vet></al><al>In geval van een spoedprocedure is het niet goed mogelijk om termijnen op te
                        nemen voor het overleg. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich
                        meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden.
                        Uiteraard geldt ook hier dat het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs
                        de gelegenheid moet hebben om de nodige maatregelen te treffen.</al><al><vet>Lid 5</vet><vet><sup>e</sup></vet></al><al>De vordering geschiedt voor een bepaalde periode, zodat het bevoegd gezag
                        waarvan gevorderd wordt weet waar het aan toe is. Het ligt voor de hand de
                        periode te baseren op de uitkomst van de prognose. De periode van vordering
                        kan verlengd worden indien dat noodzakelijk is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>Voor het primair onderwijs is in de wet bepaald dat een bevoegd gezag dat
                        gebruik maakt van een gebouw van een andere bevoegd gezag, de daarvoor
                        ontvangen vergoeding doorbetaalt. Aangezien 'de ontvangen' vergoeding niet
                        eenduidig te definiëren valt - de vergoeding is namelijk mede afhankelijk
                        van de omvang van de school - dient daarover overleg tussen de bevoegde
                        gezagsorganen plaats te vinden. Voor het voortgezet onderwijs geldt niet een
                        dergelijke wettelijke bepaling, daar is overleg dus ook de aangewezen weg.
                        Omdat de belangen uiteenlopen, kan het voorkomen dat het overleg niet tot
                        overeenstemming leidt. Omdat er dan geen wettelijk geregelde
                        rechtsbescherming geldt, lijkt het verstandig om in de verordening een
                        bepaling ten aanzien van de vergoedingen op te nemen voor het geval men er
                        onverhoopt niet uitkomt. Een systematiek hiervoor is opgenomen in bijlage
                        IV, deel C, en is afgeleid van de rijksvergoeding voor de materiële
                        instandhouding voor de huisvesting van groepen in het basisonderwijs.
                        Uiteraard kunnen andere bedragen worden opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al><vet>Onderdeel a</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 30.</al><al><vet>Onderdeel b</vet></al><al>De sportvelden zijn hier opgenomen vanwege de bepaling in artikel 76r WVO
                        dat het vorderingsrecht zich ook daartoe uitstrekt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De reden dat hier expliciet is aangegeven wat in ieder geval in het overleg
                        aan de orde dient te komen is gelegen in het feit dat het gaat om gebruik
                        van een gebouw of terrein waarvoor het gebouw of terrein niet in eerste
                        instantie is bedoeld. Dat betekent dat de positie van het bevoegd gezag met
                        nog meer waarborgen omkleed moet worden dan wanneer het om
                        onderwijsmedegebruik gaat. Het bevoegd gezag moet in de gelegenheid gesteld
                        worden zich in het overleg een oordeel te vormen over de aard van de
                        activiteit en de invloed van die activiteit op het onderwijsproces. Als
                        gevolg daarvan kan ook afgesproken worden dat bepaalde maatregelen van de
                        zijde van de gemeente of de medegebruiker genomen worden om hinder te
                        voorkomen. Omdat het om verschillende vormen van medegebruik kan gaan is
                        niet eenduidig vast te stellen welke vergoeding daartegenover dient te
                        staan. Wel is het mogelijk om hierbij aan te sluiten op een
                        vergoedingsbedrag in het kader van de programma's van eisen materiële
                        instandhouding basisonderwijs door middel van een verwijzing naar bijlage
                        IV, deel C. Deze vergoeding dekt de variabele kosten en zal in het algemeen
                        voldoende zijn; het gaat immers niet om huur. Er is van afgezien de beoogde
                        gebruiker in het overleg te betrekken. Er wordt van uitgegaan dat deze door
                        het college vertegenwoordigd wordt. Desgewenst kan de beoogde gebruiker
                        natuurlijk wel in het overleg betrokken worden. Het verdient in ieder geval
                        aanbeveling dat het bevoegd gezag en de medegebruiker, voor de aanvang van
                        het medegebruik, schriftelijk een aantal (praktische) afspraken vastleggen.
                        Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het besluit tot vordering
                        door het college.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, neemt het college een
                        beslissing inzake de openstaande punten. Voor deze formulering is gekozen om
                        te voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet
                        geëffectueerd kan worden. De beslissing van het college is een beschikking,
                        waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><al><vet>Leden 2 en 3</vet></al><al>De aanduiding van de bestemming van de te verhuren ruimte is van belang voor
                        de toetsing door het college aan de wet- en regelgeving die bepaalde
                        bestemmingen niet toelaat. Zo is het bijvoorbeeld op grond van de
                        onderwijswetgeving niet toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te
                        verhuren als woon- of bedrijfsruimte. Ook een bestemming die zich niet
                        verdraagt met het onderwijs aan de school is in de onderwijswetgeving
                        uitgesloten. Er is echter voor gekozen die afweging aan het bevoegd gezag te
                        laten. Het college maakt wel de afweging of er een andere school is die
                        ruimte voor het onderwijs nodig heeft, op basis van eventueel binnengekomen
                        verzoeken. In dat verband is gekozen voor een onmiddellijke noodzaak. Indien
                        die noodzaak over enige tijd ontstaat, is dat geen reden voor weigering. Het
                        verdient wel aanbeveling, indien het college een indicatie heeft dat de
                        beoogde ruimte op korte termijn nodig zal zijn voor het onderwijs, dat zij
                        dit aan het bevoegd gezag mededeelt. Dat geldt evenzeer als het college
                        voornemens is de ruimte te vorderen voor ander gebruik. Het bevoegd gezag
                        kan dan een verantwoorde afweging maken of het wil overgaan tot verhuur. De
                        risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij
                        voortijdige opzegging van het contract omdat het college gebruik maakt van
                        haar vorderingsrecht ligt ingevolge de wet bij het bevoegd gezag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><al>Het eindigen van het recht op het gebruik van hoofdgebouwen is in de wet
                        gekoppeld aan de beëindiging van de bekostiging van de school, zie
                        bijvoorbeeld artikel 110 en 163 WPO. De WVO kent weliswaar niet zo'n
                        bepaling, maar het spreekt voor zich en het kan ook worden afgeleid uit
                        artikel 76u en 110a WVO jo artikel 24 Bekostigingsbesluit W.V.O. dat het
                        recht op het gebruik van een gebouw eindigt wanneer de school die het gebouw
                        gebruikt wordt opgeheven. De artikelen 102 WPO, 100 WEC en 76m WVO geven aan
                        de gemeente opdracht om in de verordening een termijn op te nemen gedurende
                        welke een gebouw nog ten hoogste kan worden gebruikt nadat, bij een
                        gezamenlijke akte of door gedeputeerde staten, is bepaald dat de school
                        heeft opgehouden of zal ophouden het gebouw te gebruiken. Tevens moet de
                        gemeente een procedure vaststellen voor een eventueel op te maken staat van
                        onderhoud ingeval van beëindiging van het gebruik. Artikel 37 van de
                        modelverordening voorziet in deze wettelijke opdracht. In het artikel wordt
                        geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties. Dat
                        onderscheid is in dit kader ook niet relevant; ten aanzien van alle gebouwen
                        moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet
                        worden. Het opmaken van de staat van onderhoud is gekoppeld aan de
                        beëindiging van het gebruik van een gebouw. De wettelijke bepalingen over de
                        beëindiging van het gebruik hebben alleen betrekking op niet door de
                        gemeente in stand gehouden scholen. In formele zin zijn de bepalingen over
                        het achterstallig onderhoud dus niet van toepassing op de scholen die door
                        de gemeente in stand worden gehouden. Vanuit het oogpunt van gelijke
                        behandeling is dit uiteraard in materiële zin wel het geval. Het volgen van
                        eenzelfde handelwijze ligt dan ook voor de hand.</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De datum van de beëindiging van het gebruik ligt in formele zin altijd na de
                        datum waarop toepassing is gegeven aan artikel 110 WPO, 108 WEC, of 76u WVO.
                        Aan die artikelen wordt toepassing gegeven doordat het college en het
                        bevoegd gezag in een gezamenlijke akte verklaren dat het gebruik van het
                        gebouw beëindigd wordt of, ingeval van een geschil daarover, indien
                        gedeputeerde staten daar een beslissing over nemen op verzoek van een van de
                        partijen. In materiële zin kan uiteraard sprake zijn van een beëindiging van
                        het gebruik op een tijdstip dat ligt voor toepassing van eerder genoemde
                        artikelen. Van belang is dan echter wel dat de eigendomsoverdracht dan nog
                        niet heeft plaatsgevonden en dat het bevoegd gezag als eigenaar nog steeds
                        verantwoordelijk is voor het gebouw. Als datum is gekozen de datum die in de
                        akte, die bevoegd gezag en gemeente opstellen, wordt genoemd. Als er een
                        geschil over de akte ontstaat zullen gedeputeerde staten een beslissing
                        nemen. In de meeste gevallen zal de datum aan het einde van het schooljaar
                        liggen. Om een en ander inderdaad aan het einde van het schooljaar te kunnen
                        realiseren, is het nodig dat het college in een vroegtijdig stadium
                        constateert dat een gebouw mogelijk niet meer nodig is voor een school. Die
                        constatering kan in de regel plaatsvinden aan de hand van de leerlingtelling
                        van 1 oktober. Als er sprake is van een voorgenomen fusie of opheffing, moet
                        een bevoegd gezag daarvan mededeling doen aan de gemeente ingevolge artikel
                        5 van de modelverordening. Direct na de telling van 1 oktober, of na de
                        mededeling van het bevoegd gezag, kan de procedure voor de vaststelling van
                        een gezamenlijke akte over het einde van het gebruik in gang worden gezet.
                        Mocht daarover een geschil ontstaan, dan kan gedeputeerde staten om een
                        beslissing worden verzocht. De beslissing van gedeputeerde staten is een
                        beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Of
                        het instellen van beroep in dit geval opschortende werking heeft, is niet
                        eenduidig aan te geven. In het algemeen geldt dat het instellen van beroep
                        geen opschortende werking heeft, tenzij de wet anders bepaalt. De wet
                        bepaalt dat de eigendomsoverdracht, die pas kan plaatsvinden nadat is komen
                        vast te staan dat de school het gebouw blijvend niet meer nodig heeft, niet
                        eerder kan plaatsvinden dan nadat de beslissing van gedeputeerde staten
                        onherroepelijk is geworden of nadat door de rechter in beroep is beslist.
                        Ten aanzien van de eigendomsoverdracht heeft het instellen van beroep dus
                        opschortende werking. Ten aanzien van de beslissing of een school heeft
                        opgehouden het gebouw te gebruiken sec, bepaalt de wet niets. Ten aanzien
                        van een mogelijk beroep tegen die beslissing zou dus gesteld kunnen worden
                        dat het geen opschortende werking heeft. Mocht blijken dat dat wel zo is,
                        dan kan overwogen worden een voorlopige voorziening bij de president van de
                        rechtbank te vragen indien er sprake is van spoedeisende omstandigheden.
                            <vet>Lid 2</vet> Met achterstallig onderhoud wordt in dit verband
                        bedoeld het onderhoud dat, met het oog op de onderhoudsplicht van een
                        bevoegd gezag, al uitgevoerd had moeten zijn. Het gaat er dus niet om dat
                        een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen alvorens het buiten
                        gebruik wordt gesteld. Als bijvoorbeeld de meerjarenonderhoudsplanning
                        aangeeft dat er een schilderbeurt gepland is over één jaar, en uit de
                        schouwing van het gebouw blijkt niet dat dit schilderwerk eigenlijk al had
                        moeten plaatsvinden, dan is er geen sprake van achterstallig onderhoud. Het
                        is van belang de staat van het onderhoud op te maken, voordat de
                        eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Alleen voor die tijd kan nog
                        eenduidig worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig onderhoud
                        is toe te rekenen. Het spreekt voor zich dat het opmaken van de staat van
                        onderhoud achterwege kan blijven indien er geen enkele aanleiding is om te
                        veronderstellen dat er sprake is van achterstallig onderhoud dat tot de
                        verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort. <vet>Lid 3</vet> De
                        staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college. Hiervoor
                        kan het college een ambtenaar met deskundigheid van bouwzaken aanwijzen of
                        een derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Over de inhoud van de opdracht
                        en over de persoon of instantie die dit uitvoert, heeft het college eerst
                        overleg met het betrokken bevoegd gezag. Hiermee wordt voorkomen dat
                        achteraf onnodige discussie c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud
                        van de opdracht en over de keuze van de uitvoerder. De positie van het
                        college is in dit kader vergelijkbaar met die van de verhuurder, die bij de
                        opzegging van de huur een inventarisatie maakt van datgene wat voor rekening
                        van de huurder hersteld moet worden. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde
                        inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd worden. Deze inlichtingen kunnen
                        bijvoorbeeld betrekking hebben op een meerjarenonderhoudsplanning (indien
                        aanwezig) of uit bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is uitgevoerd. Het
                        spreekt voor zich dat bij het opmaken van de staat van onderhoud overleg
                        plaatsvindt over het tijdstip waarop de schouwing plaatsvindt. <vet>Lid
                            4</vet> Het college voert overleg met het bevoegd gezag over de
                        uitkomsten van de staat van onderhoud. Het bevoegd gezag kan dan aangeven of
                        men het daar wel of niet mee eens is. Als er achterstallig onderhoud is
                        geconstateerd, geeft het bevoegd gezag in het overleg aan of het bereid is
                        dit alsnog uit te voeren. Er kan ook overeengekomen worden dat het bedrag
                        dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud wordt betaald aan de
                        gemeente. Indien partijen geen overeenstemming bereiken, bespreken ze hoe de
                        vervolgprocedure zal zijn. Er kan bijvoorbeeld arbitrage overeengekomen
                        worden, waarbij beide partijen afspreken zich te zullen neerleggen bij de
                        uitkomst daarvan. Burgemeester en wethouders kan zich ook wenden tot de
                        burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het bevoegd gezag een
                        onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan de wettelijke
                        opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te onderhouden. Gelet op
                        de kosten en de moeite die dergelijke procedures voor beide partijen met
                        zich meebrengen, verdient het veruit de voorkeur in gezamenlijk overleg een
                        oplossing te bereiken. <vet>Lid 5</vet> Deze bepaling is opgenomen voor de
                        situatie dat er weliswaar een vermoeden over achterstallig onderhoud
                        bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten uitvoeren. Daarvan is
                        bijvoorbeeld sprake als het gebouw gesloopt wordt. <vet>Artikel 38 Mutaties
                            aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroostering
                            gebruik</vet> In artikelen 38 is het gebruik van gymnastiekruimten voor
                        het primair onderwijs nader geregeld. Het college is bevoegd tot het
                        vaststellen van het aantal klokuur gymnastiek en de vergoeding daarvoor.
                        Voor de dualisering was het aan de raad om dergelijke regels te bepalen.
                        Omdat het aantal klokuur gymnastiek echter van direct belang is voor de
                        beopaling van de noodzaak voor nieuwbouw/ uitbreiding en medegebruik van
                        gymnastiekzalen (zaken waarover de raad moet beslissen) is er voor gekozen
                        om de tekstgedeelten uit de verordening die van toepassing waren op het
                        vaststellen van het aantal en de hoogte van de klokuurvergoeding uit de
                        modelverordening te halen en deze in een aparte, door het college vast te
                        stellen beleidsregel te plaatsen. Het gebruik door het primair onderwijs van
                        gymnastiekruimten vindt meestal plaats in gemeentelijke accommodaties.
                        Formeel beschouwd gaat het daarbij doorgaans om situaties van medegebruik en
                        daarmee om een voorziening in de huisvesting als bedoeld in artikel 2 van de
                        verordening. Aangezien de omvang van dit medegebruik, uitgedrukt in het
                        aantal klokuren, jaarlijks kan fluctueren door de veranderingen in het
                        aantal leerlingen van een school, zou dat jaarlijks kunnen leiden tot
                        aanvragen in het kader van het programma, dan wel spoedprocedure. Beide
                        procedures zijn te zwaar en te omslachtig om jaarlijkse mutaties in het
                        gebruik van gymnastiekaccommodaties aan te vragen. Dit geldt voor die
                        mutaties die binnen de bestaande capaciteit kunnen worden opgevangen en dus
                        niet leiden tot een uitbreiding of nieuwbouw van gymnastiekruimten. Zeker
                        wanneer daarbij wordt bedacht dat de gemeente ingevolge de wet en de eerder
                        genoemde modelbeleidsregel gehouden is tot bekostiging van het genormeerde
                        gymnastiekgebruik. Tegen deze achtergrond is in artikel 38 voor een
                        benadering gekozen waarbij de huisvestingsprocedures worden ontlast van
                        aanvragen die samenhangen met mutaties in klokuren, voor zover deze mutaties
                        binnen de voorhanden zijnde capaciteit kunnen worden ondergebracht. Formeel
                        worden de jaarlijkse opgaven van schoolbesturen van het gewenste gebruik van
                        de gymnastiekruimten weliswaar beschouwd als een aanvraag in het kader van
                        de spoedprocedure, materieel worden zij echter buiten deze procedure om
                        afgewikkeld. Hiervoor in de plaats komt de benadering uit artikel 38, die in
                        essentie op het volgende neerkomt.</al><al>·De gemeente heeft als lokale overheid zicht op het onderwijsgebruik van de
                        sportaccommodaties (welke school geeft gymnastiekonderwijs in welk gebouw,
                        wanneer en voor hoeveel uren, en wat is de capaciteit van het gebouw?).</al><al>Op basis van dit inzicht maakt de gemeente jaarlijks een voorstel tot
                        inroostering van het onderwijsgebruik, waarbij indien nodig ook wordt bezien
                        in hoeverre gebruik boven de norm kan plaatsvinden, gegeven de beschikbare
                        capaciteit. Dit voorstel wordt na overleg met de betrokken schoolbesturen
                        vastgesteld. De opgaven van het gewenste gebruik, het voorstel tot en het
                        vaststellen van de inroostering vinden relatief kort voor het nieuwe
                        schooljaar plaats. Dit omdat de meeste schoolbesturen over de exacte omvang
                        van het gymnastiekgebruik pas uitspraken kunnen doen wanneer zicht bestaat
                        op de omvang en inzet van de personeelsformatie voor het komende
                        schooljaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al> Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat de verordening jaarlijks
                        door de raad moet worden gewijzigd, alleen om de in artikel 4 gehanteerde
                        genormeerde vergoedingen aan de prijsontwikkeling aan te passen. Bijlage IV,
                        deel A, waar deze normen hun basis hebben, vormt namelijk - net als de
                        overige bijlagen - onderdeel van de verordening. Door de prijsbijstelling te
                        delegeren aan het college wordt een dergelijke relatief zware procedure via
                        de raad overbodig. Het wettelijk verplichte overleg met het onderwijsveld
                        dat voorafgaat aan wijzigingen van de verordening, kan plaatsvinden door
                        toezending van de voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de
                        mogelijkheid om hierop te reageren. </al><al><vet>TOELICHTING Bijlage I</vet><vet>Algemeen</vet> De wet geeft in artikel
                        100 WPO, 98 WEC en 76k WVO expliciet aan op grond waarvan een voorziening
                        kan worden geweigerd. Voor toepassing van de weigeringsgronden dienen deze
                        artikelen nog nader te worden uitgewerkt. Dat gebeurt in deze bijlage door
                        per voorziening de beoordelingscriteria te beschrijven. Ze hebben betrekking
                        op de aanwezigheid van leerlingen, prognoses, oppervlakten/capaciteit van
                        gebouwen, bouwkundige staat van een gebouw enzovoort. De noodzaak van de
                        aangevraagde voorziening(en) - of van mogelijke alternatieve voorzieningen -
                        voor de desbetreffende school wordt vastgesteld op basis van de
                        beoordelingscriteria. Na toepassing van de beoordelingscriteria kan er
                        antwoord worden gegeven op de vraag: 'Is de voorziening noodzakelijk?' De
                        noodzaak van een voorziening zal in het algemeen afhangen van:</al><lijst><li nr="·"><al>de capaciteit van het gebouw of de gebouwen die door de school
                                worden gebruikt;</al></li><li nr="·"><al>de (onderhouds)staat van het gebouw of de gebouwen;</al></li><li nr="·"><al>het leerlingaantal nu en op korte en/of lange termijn;</al></li><li nr="·"><al>de mogelijkheid via andere en eenvoudiger voorzieningen adequaat de
                                noodzaak van de gevraagde voorziening op te heffen.</al></li></lijst><al>Veel voorzieningen vragen een forse investering. Een gebruik gedurende ten
                        minste een bepaalde periode voorkomt dat de investering als desinvestering
                        gaat gelden. De minimaal gewenste termijn van zekerheid over het aantal
                        leerlingen en daarmee het gebruik van de voorziening, is evenredig met de
                        zwaarte van de voorziening in financiële zin. De prognose die wordt
                        gevraagd, dient ertoe het verwachte aantal leerlingen voor een aantal jaren
                        zo nauwkeurig mogelijk te voorspellen. Toekenning van
                        huisvestingsvoorzieningen - behalve bij medegebruik, bij constructiefouten
                        en bij vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere
                        omstandigheden - kan plaatsvinden, indien volgens de prognose, die voldoet
                        aan de prognosecriteria (in bijlage II), voldoende duidelijkheid bestaat
                        over het voortbestaan van het instituut of de nevenvestiging voor een
                        termijn van minimaal vier jaren. Indien de gevraagde voorziening een voor
                        blijvend gebruik bestemde voorziening (nieuwbouw, uitbreiding,
                        ingebruikneming of aanpassing) betreft, is de termijn voor de prognose in
                        elk geval vijftien jaren te rekenen vanaf het gewenste jaar van bekostiging.
                        Voor nieuwbouw en voor uitbreiding kan de voorziening - afhankelijk van de
                        verwachte duur van het gebruik en de mogelijkheden van medegebruik of
                        ingebruikname van een bestaand gebouw - in tijdelijke vorm (noodbouw en
                        dergelijke) of in permanente vorm worden gerealiseerd. Nieuwbouw is slechts
                        aan de orde indien het gaat om een nieuw instituut of om een nieuwe
                        afdeling. In alle andere gevallen gaat het om vervangende bouw, voor het
                        hele instituut of voor een deel daarvan, of om uitbreiding, bijvoorbeeld ter
                        vervanging van een bouwkundig slecht gebouw. Indien het huidige
                        leerlingaantal niet kan worden ondergebracht in de school (eventueel
                        gehuisvest in meerdere gebouwen), ontstaat er in principe aanspraak op een
                        voorziening waarmee het tekort aan huisvestingscapaciteit kan worden
                        opgeheven. In welke vorm de extra capaciteit voor het desbetreffende
                        instituut ter beschikking komt, hangt af van de mogelijkheden van het
                        college om gebruik te maken van beschikbare capaciteit bij andere scholen.
                        Dit beperkt zich in principe tot de gebouwen in gebruik bij het primair
                        onderwijs en het voortgezet onderwijs. Bij medegebruik is geen
                        langetermijnprognose nodig. Voor inzicht in de periode van medegebruik is
                        wel een indicatie van de duur nodig alsmede inzicht in de eventuele
                        ontwikkeling van de leegstand in het gebouw van de hoofdgebruiker. Bij
                        medegebruik van leegstand elders verdient het de voorkeur zoveel mogelijk de
                        leerlingen naar één ander gebouw te verwijzen om te voorkomen dat de school
                        over (te) veel locaties wordt verspreid. Overigens wordt het aantal locaties
                        vrijgelaten. De mogelijkheden voor benutting van de beschikbare capaciteit
                        hangen af van de ligging en de geschiktheid van de feitelijke leegstand. De
                        verwijsafstand - die de ligging ten opzichte van andere gebouwen aangeeft -
                        is hier vastgelegd door te werken met een vaste straal (een maximale
                        hemelsbrede afstand). Daar waar het verkeer geen verwijzing toelaat, is het
                        aan het aanvragende schoolbestuur daarvoor de argumenten op tafel te leggen.
                        De andere mogelijkheid om met de ligging van andere gebouwen rekening te
                        houden, is die van vaststelling van verwijsgebieden. Verwijsgebieden kunnen
                        worden bepaald door te letten op de wijkgebondenheid van scholen. De grenzen
                        van het verwijsgebied moeten - om gemakkelijk een prognose te kunnen maken -
                        samenvallen met de sociaal geografische grenzen. Eventueel kan dit per
                        onderwijssector. Binnen de gebieden kan wel worden verwezen, maar daarbuiten
                        niet. Bij het bepalen of leegstand geschikt is kan als uitgangspunt dienen
                        dat onderwijsruimte die niet gedurende de gehele werkweek in gebruik zijn
                        bij de school die (hoofd)gebruiker van het gebouw is, kunnen worden gebruikt
                        door scholen die onvoldoende ruimte hebben in hun eigen huisvesting. Voor
                        het primair onderwijs is leegstand binnen het primair onderwijs per
                        definitie geschikt. Voor het voortgezet onderwijs is het moeilijker
                        leegstand vast te stellen. Voor zover ruimte niet is, kunnen zij worden
                        gebruikt door andere scholen. Ruimte die een bevoegd gezag volledig met
                        eigen middelen heeft gerealiseerd en waarvoor geen (rijks)vergoeding wordt
                        genoten telt niet mee voor de mogelijkheden van medegebruik.. Hieronder
                        vallen dus niet de zogenaamde eigendoms- en huurscholen. Medegebruik is voor
                        gemeenten een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van de
                        benodigde doelmatigheid. Indien binnen redelijke termijn een ander geschikt
                        gebouw vrijkomt, kan worden bezien of gebruik maken van het vrijkomende
                        gebouw een goede oplossing biedt voor het huisvestingsprobleem. Ervan
                        uitgaande dat door toepassing van een meerjarenplanning samen met de
                        schoolbesturen er optimaal zicht bestaat op het vrijkomen van
                        (onderwijs)gebouwen, kan hergebruik voor andere scholen worden gekoppeld aan
                        de meerjarenplanning. Overigens kan de gemeente in het kader van ander
                        beleid beslissen dat een vrijkomend schoolgebouw niet opnieuw voor onderwijs
                        wordt gebruikt, maar bijvoorbeeld voor kinderopvang gaat dienen of wordt
                        afgebroken opdat aan die plaats een andere bestemming kan worden gegeven. De
                        minimaal benodigde gebruiksduur om in aanmerking te kunnen komen voor
                        (extra) huisvesting is in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs
                        hetzelfde. Voor een voor blijvend gebruik bestemde huisvesting is die
                        periode vijftien jaren. Voor tijdelijke huisvesting is deze periode vier
                        jaren of meer. Voor gebruik van minder dan vier jaren wordt uitgegaan van
                        opvang binnen het bestaande gebouw, bijvoorbeeld in de gemeenschapsruimte.
                        Slechts indien dit onmogelijk is, wordt een andere voorziening goedgekeurd.
                        Daartoe is onder uitbreiding in het basisonderwijs en in het (voortgezet)
                        speciaal onderwijs een beoordelingscriterium opgenomen.</al><al><vet>Deel A Lesgebouwen</vet><vet>(vervangende) nieuwbouw</vet> Vervangende
                        bouw komt in het algemeen voort uit de slechte conditie van een gebouw. Om
                        uitspraken te kunnen doen over de (slechte) bouwkundige staat en om
                        verschillen in de bouwkundige toestand van verschillende gebouwen in een
                        volgorde te kunnen plaatsen, is het noodzakelijk één techniek van schouwing
                        voor alle gebouwen te hebben, waaruit subjectieve factoren zo veel mogelijk
                        zijn geëlimineerd. Deze techniek, kan worden vastgesteld door het college.
                        Vervangende bouw om andere dan bouwkundige redenen kan betrekking hebben op
                        een budgettair neutrale oplossing, een herschikkingsoperatie of verband
                        houden met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. Budgettair neutrale
                        vervanging van een gebouw betekent dat daarvoor geen extra kosten worden
                        gemaakt. De kosten voor de gemeente mogen niet hoger zijn dan de huidige
                        kosten. Daarnaast kunnen - in overeenstemming met het aanvragende
                        schoolbestuur - eventuele gelden voor exploitatie, aanpassingen (VO) en
                        onderhoud (VO) van het schoolbestuur worden ingezet. Fusies kunnen
                        aanleiding geven tot een herschikkingsoperatie, maar ook bijvoorbeeld een
                        flink overschot aan gymnastiekruimten. Doel van een herschikkingsplan is in
                        elk geval het realiseren van een optimale huisvestingssituatie en een
                        grotere doelmatigheid. Bij de ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening valt
                        bijvoorbeeld te denken aan stadsvernieuwing en het realiseren van een
                        centrumplan, waarvoor het noodzakelijk is dat het gebouw vervangen wordt.
                            <vet>Uitbreiding</vet> In het voortgezet onderwijs bestaat pas de
                        noodzaak de capaciteit uit te breiden, als ook met een 10% hogere
                        gebruiksduur van de bestaande capaciteit er onvoldoende capaciteit voor de
                        school aanwezig is. De wijze waarop de voorziening - na goedkeuring - wordt
                        gerealiseerd, hangt af van de normering die in bijlage III, deel C, is
                        uitgewerkt. Het speellokaal is voor het primair onderwijs als aparte
                        voorziening verdwenen. Wel is in de oppervlaktenormering rekening gehouden
                        met deze vierkante meters brutovloeroppervlakte. Het is aan het
                        schoolbestuur om ervoor te kiezen deze vierkante meters ook in te zetten als
                        speellokaal. Daarbij zal het schoolbestuur zich moeten realiseren dat er
                        voor de leerlingen in deze leeftijdsgroep geen automatische aanspraak
                        bestaat op ruimte in een gymnastiekzaal. De mogelijkheid om een speciale
                        school voor basisonderwijs uit te breiden met een speellokaal is het gevolg
                        van de invoering van de WPO. De schoolsoorten so-lom en so-mlk zijn hierdoor
                        opgegaan in de speciale scholen voor basisonderwijs (sbo). Dit geldt ook
                        voor een groot deel van de voormalige afdelingen voor onderwijs aan in hun
                        ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk). Circa 80% van deze afdelingen was
                        verbonden aan een lom- of mlk-school. Aan lom- of mlk-scholen zonder een
                        dergelijke afdeling konden onder de ISOVSO alleen kinderen vanaf zes jaar
                        worden toegelaten. Onder de WPO is dit veranderd. Evenals het geval is bij
                        reguliere basisscholen kunnen tot een sbo kinderen vanaf vier jaar worden
                        toegelaten; dit voorzover de binnen het desbetreffende samenwerkingsverband
                        primair onderwijs werkzame 'permanente commissie leerlingenzorg' heeft
                        vastgesteld dat plaatsing van het jonge kind op een sbo noodzakelijk is.
                        Onder de WPO kan het dan ook voorkomen dat kinderen jonger dan zes jaar
                        worden geplaatst op een sbo die bouwkundig niet is berekend op onderwijs aan
                        de jongste kinderen. Het gaat hierbij om het ontbreken van een speellokaal,
                        maar ook om het realiseren van bouwkundige integratievoorzieningen (het
                        vervangen van hoge toiletpotten door kleine; het maken van een zgn. natte
                        hoek in de ruimten bestemd voor de jongste kinderen.). Aangezien het om
                        relatief dure voorzieningen gaat, dient uit oogpunt van een verantwoorde
                        besteding van de middelen een drempel te worden gesteld. Dit om te voorkomen
                        dat de voorzieningen moeten worden getroffen voor een zeer gering aantal
                        leerlingen. Deze drempel bestaat uit twee elementen:</al><lijst><li nr="·"><al>De sbo moet bezocht worden door minimaal 12 kinderen jonger dan zes
                                jaar. Dit aantal leerlingen is afgeleid van de groepsgrootte zoals
                                die gold voor iobk-leerlingen.</al></li><li nr="·"><al>Aan de hand van een prognose moet aannemelijk worden gemaakt dat de
                                sbo waarvoor de voorziening wordt getroffen, voor minimaal 15 jaar
                                levensvatbaar is.</al></li></lijst><al>De gemeente kan bij de toetsing van een aanvraag van een sbo ook
                        nadrukkelijk kijken naar de bepalingen over de opvang van de jonge risico
                        leerlingen in het zorgplan van het samenwerkingsverband wsns. De
                        samenwerkingsverbanden hebben in hun zorgplan namelijk opgenomen waar welke
                        zorg noodzakelijk wordt geacht. In aanvulling hierop kan gemeente over de
                        gebouwlijke consequenties van de WPO afstemming zoeken met de schoolbesturen
                        uit het samenwerkingsverband. <vet>Ingebruikneming</vet> Bij mogelijke
                        ingebruikneming van een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan spelen bij
                        de toekenning, naast de ligging, ook de omvang en de kwaliteit een
                        belangrijke rol. Voor de ligging zij verwezen naar hetgeen hiervoor is
                        gesteld. De omvang maakt een nauwkeurige beoordeling van de noodzakelijke
                        aanpassingen nodig (tenzij het een gebouw betreft dat reeds voor onderwijs
                        geschikt is). Indien de kosten samen met de (eventuele) verwervingskosten te
                        hoog zijn (het ministerie van OCenW hield daarvoor 70 procent van de kosten
                        van nieuwbouw aan), is de vraag gerechtvaardigd of vervangende bouw niet een
                        betere optie is. Natuurlijk staat het de gemeente vrij hiertoe te besluiten
                        (en daarmee af te wijken van dit percentage), bijvoorbeeld in verband met de
                        locatie, het (monumentale) gebouw of het ontbreken van alternatieve
                        mogelijkheden voor huisvesting binnen de wijk. Ook ontstaat hier - evenals
                        bijvoorbeeld bij het bijbouwen van noodlokalen - een
                        onderhandelingssituatie, waarbij alternatieven worden bezien en gewaardeerd.
                        Ingebruikneming is ook mogelijk bij de situaties waarbij vervanging van een
                        bestaand gebouw aan de orde is, namelijk als: </al><lijst><li nr="·"><al>dit per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al></li><li nr="·"><al>er sprake is van een herschikkingsoperatie; </al></li><li nr="·"><al>dit noodzakelijk is in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                                ordening.</al></li></lijst><al>Daarnaast is een ingebruikneming mogelijk als er uitbreiding van het huidige
                        schoolgebouw aan de orde is. Indien terrein noodzakelijk is, wordt daar bij
                        de eventuele toestemming voor een andere huisvestingsvoorziening rekening
                        mee gehouden. In de systematiek van de modelverordening is voor de
                        huisvestingsvoorziening 'ingebruikneming' op basis van artikel 7, tweede
                        lid, onder a, een prognose vereist. De toetsing van een prognose komt dan
                        ook tot uiting in de criteria voor de beoordeling van aangevraagde
                        voorziening tot ingebruikneming van een bestaand lesgebouw (zie bijvoorbeeld
                        b1 en b2 van paragraaf 1.4). <vet>Eerste inrichting</vet> De aanspraak op
                        eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair in het primair en
                        voortgezet onderwijs is gekoppeld aan de toekenning van een voorziening in
                        de huisvesting met dien verstande dat die voorziening een uitbreiding van de
                        totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg moet hebben.
                        Daarnaast geldt dat er niet eerder (voor de betreffende vierkante meters)
                        een vergoeding is gegeven voor deze voorziening.Indien artikel 7, vierde
                        lid, van de verordening ook van toepassing is verklaard op eerste inrichting
                        onderwijsleerpakket en meubilair, dan is de passage 'de laatste teldatum
                        voorafgaande aan de indiening van de aanvraag' vervangen door: 'de meest
                        recente teldatum'. <vet>Aanpassingen</vet> Aanpassingen komen voort uit
                        gewijzigde eisen of wensen. In elk geval zullen aanpassingen die
                        noodzakelijk zijn om te voldoen aan (nieuwe) wettelijke vereisten
                        (bijvoorbeeld volgend uit het Bouwbesluit of uit de regelgeving op het
                        gebied van de arbeidsomstandigheden) tot toekenningen leiden, voor zover
                        niet in overgangsbepalingen bij dergelijke regelingen een (tijdelijke)
                        vrijstelling is verleend. Voor het primair onderwijs zijn de aanpassingen
                        uitgezonderd waarvoor een schoolbestuur rechtstreeks van het rijk een
                        vergoeding ontvangt. Het betreft onder andere het aanbrengen van een
                        gehandicaptentoilet en het geschikt maken van het gebouw voor gehandicapten.
                        Onder aanpassing kunnen wel enkele benoemde voorzieningen worden aangevraagd
                        om het gebouw en/of het terrein toegankelijk te maken voor in hun bewegingen
                        beperkte gehandicapten. Het gaat hierbij om het terrein toegankelijk maken
                        tot en met de entree (met name het realiseren van een hellingbaan) en het
                        aanbrengen van een traplift bij een meerlaags schoolgebouw. Aanpassingen om
                        een gebouw (vaak de dislocatie) te kunnen afstoten, bestaan uit het
                        aanbrengen van die voorzieningen in het gebouw die niet aanwezig zijn, maar
                        wel aanwezig waren in de dislocatie en die noodzakelijk zijn om het
                        onderwijs aan de leerlingen uit het af te stoten gebouw te kunnen geven. Een
                        integratieverbouwing kan dan bijvoorbeeld bestaan uit:</al><lijst><li nr="·"><al>samenvoegen van twee lokalen of één lokaal en een aangrenzende
                                ruimte tot speellokaal inclusief berging;</al></li><li nr="·"><al>veranderen van leslokalen in werklokalen;</al></li><li nr="·"><al>plaatsen van kleutertoiletten en maken toezichtraam;</al></li><li nr="·"><al>maken zandbak en buitenberging;</al></li><li nr="·"><al>aanpassing deel van de buitenspeelplaats.</al></li></lijst><al>In het primair onderwijs is geen specifieke aanpassing opgenomen die het
                        mogelijk moet maken eenmaal in de levenscyclus van een permanent gebouw voor
                        primair onderwijs te besluiten de inrichting te optimaliseren. Ten eerste is
                        moeilijk een sluitende lijst van activiteiten hiervoor aan te geven en ten
                        tweede bieden de aanpassingen om te voldoen aan eisen voortkomend uit wet-
                        en regelgeving een kapstok om de noodzakelijke aanpassingen te kunnen
                        beoordelen. Het kan voorkomen dat kinderen jonger dan zes jaar worden
                        geplaatst op een speciale school voor basisonderwijs (sbo) die bouwkundig
                        niet is berekend op onderwijs aan de jongste kinderen. Het gaat hierbij om
                        het ontbreken van een speellokaal, maar ook om het realiseren van
                        bouwkundige integratievoorzieningen. Onder 1.3.2 wordt de mogelijkheid
                        geboden om een sbo uit te breiden met een speellokaal. Met deze wijziging
                        wordt voorzien in de mogelijkheid om het gebouw geschikt te maken voor
                        kinderen jonger dan 6 jaar. Het gaat hierbij om de volgende aanpassingen:
                        het vervangen van hoge toiletpotten door kleine, het maken van een zgn.
                        natte hoek in de ruimten bestemd voor de jongste kinderen. In het
                        voorkomende geval dient het gebouw hierop te worden aangepast. De hoogte van
                        de noodzakelijke investering is sterk afhankelijk van het gebouw en de
                        noodzakelijke aanpassingen. Gezien de verscheidenheid aan mogelijke
                        aanpassingen is een normvergoeding niet aan te geven; deze aanpassing wordt
                        (net als de overige soorten aanpassingen) bekostigd op basis van de
                        feitelijke kosten. Ook hier dient uit oogpunt van een verantwoorde besteding
                        van de middelen een drempel te worden gesteld. Dit om te voorkomen dat de
                        voorzieningen moeten worden getroffen voor een zeer gering aantal
                        leerlingen. De gestelde drempel is vergelijkbaar met de drempel voor het
                        toekennen van een speellokaal aan een sbo. <vet>Onderhoud</vet> Onderhoud is
                        conform de wet enkel een voorziening in het primair onderwijs. Ook hier
                        geldt dat door het bevoegd gezag moet worden aangetoond dat het onderhoud
                        noodzakelijk is en dat regulier onderhoud, waarvoor het bevoegd gezag in de
                        materiële instandhouding een vergoeding ontvangt, niet langer volstaat.
                        Voordat onderhoud aan noodlokalen of permanente gebouwen wordt toegekend,
                        zal worden nagegaan of de desbetreffende noodlokalen of gebouwen nog
                        noodzakelijk zijn voor in elk geval meer dan vier jaar. Indien de groepen
                        uit de noodlokalen elders in medegebruik kunnen worden ondergebracht, zal
                        voor die optie worden gekozen. <vet>Herstel van constructiefout</vet> Bij
                        herstel van constructiefouten is het van (groot) belang daadwerkelijk vast
                        te stellen dat het gaat om een constructiefout. Voor het begrip
                        constructiefout is een 'definitie' geformuleerd, gebaseerd op hierover
                        gevormde jurisprudentie. Uit artikel 2 van de verordening blijkt dat onder
                        constructiefout wordt verstaan: schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen
                        gebrek of eigen bederf en kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet
                        zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                        uitvoeringsfouten of wanprestatie <vet>Vervanging of herstel van schade in
                            geval van bijzondere omstandigheden</vet> Bij bepaling van de omvang van
                        de vervanging of het herstel van schade in geval van bijzondere
                        omstandigheden kan rekening worden gehouden met de situatie van de school.
                        Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school met
                        acht lokalen worden vervangen door een kleiner gebouw met zes lokalen, omdat
                        de school zes groepen leerlingen telt, terwijl uit de prognose blijkt dat
                        het onwaarschijnlijk is dat de school de eerste vijftien jaren meer dan zes
                        groepen zal krijgen. Indien de schade is verzekerd, doet de gemeente er
                        verstandig aan eerst na te gaan op welke basis de verzekeraar tot uitkering
                        overgaat. <vet>Deel B</vet><vet>Gymnastiekruimten</vet> Bij de voorzieningen
                        voor de lichamelijke oefening is steeds sprake van gymnastiekruimte. De
                        definitie van gymnastiekruimte omvat niet enkel het traditionele
                        gymnastieklokaal bij het schoolgebouw maar ook het gebruik van de
                        (gemeentelijke) sporthal. De verwijzing strekt zich niet enkel uit over de
                        aanwezige ruimten, maar ook over de ruimten die binnenkort worden
                        gerealiseerd. Zo kan bijvoorbeeld in een nieuwbouwwijk het aanvragende
                        schoolbestuur voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar de sporthal
                        die de gemeente daar op korte termijn gaat bouwen. Op deze wijze kan
                        optimaal gebruik worden gemaakt van de aanwezige ruimte. In feite wordt
                        voorafgaand aan elke beslissing - nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming
                        - bezien of niet door medegebruik de gevraagde voorziening overbodig is.
                        Overigens laat de praktijk zien dat - zeker in de plattelandsgemeenten -
                        eventueel vervoer naar een verder weg gelegen gymnastiekruimte een goed
                        alternatief kan zijn. Uiteraard is hiervoor overleg met het bevoegd gezag
                        noodzakelijk. Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt met
                        gymnastiekruimte tevens bedoeld een lokaal voor motorische therapie en een
                        schoolbad (watergewenningsbad of hydrotherapiebad). Vanzelfsprekend deze
                        laatste twee enkel voor de onderwijssoorten waarvoor een dergelijke ruimte
                        verplicht is. Een hydrotherapiebad is noodzakelijk voor een school voor
                        (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van lichamelijk gehandicapte
                        kinderen en voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve
                        van meervoudig gehandicapte kinderen met een lichamelijke handicap. Een
                        watergewenningsbad is noodzakelijk voor een school voor (voortgezet)
                        speciaal onderwijs ten behoeve van zeer moeilijk lerende kinderen en een
                        school voor (voortgezet) speciaal onderwijs ten behoeve van meervoudig
                        gehandicapten met zeer moeilijk lerende kinderen. Bij andere vormen van
                        (voortgezet) speciaal onderwijs worden deze baden niet noodzakelijk geacht
                        en komen ze niet voor. Om vast te stellen of er daadwerkelijk medegebruik
                        mogelijk is, wordt gekeken naar de klokuurnorm zoals het college die voor
                        het primair onderwijs heeft vastgesteld en naar het rooster. Voor het
                        voortgezet onderwijs is enkel het rooster van belang. Het maken van was- en
                        kleedgelegenheden in gymnastiekruimten wordt niet als uitbreiding gezien
                        maar als aanpassing. Dit ondanks het feit dat het maken van deze ruimtes
                        fysiek meestal een uitbreiding van het gebouw tot gevolg heeft. Het maken
                        van douches in plaats van wasbakken in gymnastiekruimten behoort ook tot de
                        aanpassingen, met name tot het voldoen aan wet- en regelgeving (eisen met
                        betrekking tot hygiëne). Aanvullend meubilair voor het bewegingsonderwijs
                        kan als eerste inrichting worden verstrekt, wanneer men gaat van een kleine
                        zaal (oefenvloer) naar een grote en wanneer nog niet eerder het complete
                        meubilair is verstrekt. </al><al><vet>TOELICHTING Bijlage II</vet> In veel gevallen moet voor de beoordeling
                        van een aanvraag voor een huisvestingsvoorziening een prognose van
                        leerlingenaantallen te worden overlegd. Prognoses gelden als één van de
                        criteria voor bepaling van de noodzaak van een aangevraagde voorziening. De
                        verordening geeft het college de bevoegdheid nadere regels vast te stellen.
                        Als model is hiertoe in samenwerking met de besturenorganisaties voor het
                        openbaar en bijzonder onderwijs een uitgewerkt Programma van eisen voor
                        leerlingprognoses opgesteld. In dit programma van eisen is tot op het niveau
                        van de vereiste rekenregels uitgeschreven waaraan nieuwe
                        prognoseprogrammatuur moet voldoen. In het programma van eisen is een
                        beschrijving gegeven van definities, begrippen en formules die per
                        onderwijssoort leiden tot het hanteren van de juiste basisgeneraties en
                        daarmee tot een geprognosticeerd aantal leerlingen van de school. Het
                        Programma van eisen voor leerlingprognoses dat in samenwerking met de
                        besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs is opgesteld,
                        is aan gemeenten gezonden als bijlage bij ledenbrief 99/136. Door het
                        vaststellen van dit programma van eisen geeft het college invulling aan de
                        bepaling dat het nadere regels kan stellen. Het programma van eisen dient
                        onderwerp te zijn van het op overeenstemming gericht overleg. Door geen
                        prognoseprogrammatuur maar rekenregels vast te stellen, wordt aan de markt
                        overgelaten elke programmatuur in de praktijk voor het prognosticeren van
                        leerlingenaantallen wordt gebruikt. </al><al><vet>TOELICHTING Bijlage III</vet><vet>Deel A De bepaling van de
                            capaciteit</vet><vet>1. School voor
                            basisonderwijs</vet><vet>Capaciteit van de gebouwen</vet> De
                        vaststelling van de capaciteit van de gebouwen, ten behoeve van de nulmeting
                        en later, is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen beoordelen
                        maar ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van mogelijk
                        medegebruik. De capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd in vierkante
                        meters brutovloeroppervlakte. De eerste keer geschiedt dit in de nulmeting.
                        De BVO is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van III-I, de
                        'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de
                        schoolgebouwen in het primair onderwijs'. Door de bepaling dat het college
                        in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school kan bepalen dat de
                        capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar beneden wordt bijgesteld, is
                        het mogelijk om op eenvoudige wijze lokalen/ruimten in te zetten binnen het
                        bredere gemeentelijke (onderwijs)beleid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
                        gedacht aan brede schoolfaciliteiten, verhuur aan een
                        kinderopvangorganisatie, ICT-ruimten, een peuterspeelzaal, een uitleenpost
                        van de openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een dergelijke
                        vermindering van de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar
                        komende ruimten kan alleen in overeenstemming met het schoolbestuur worden
                        doorgevoerd. Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen - juridisch
                        eigenaar van het schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun leegstaande
                        lokalen worden ingezet. Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze
                        ondervangen dat de algemene regel 'eigen gebruik voor medegebruik'
                        veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd optredende - medegebruik wordt
                        beëindigd bij groei van de school (of ingebruikname als gevolg van de
                        grotere ruimtebehoefte door de groepsgrootteverkleining). Overigens betekent
                        een verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking kan
                        komen voor een uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of
                        te maken krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen
                        elders. <vet>Rangordebepaling</vet> Indien de school beschikt over meerdere
                        gebouwen, een hoofdgebouw en dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld
                        voor het geval dat het leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet
                        worden bepaald of en zo ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het
                        hoofdgebouw heeft vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste
                        afgestoten. De dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later
                        afgestoten dan dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de
                        kleinste gebouwen het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen
                        kunnen worden afgestoten dan grotere gebouwen. Er zijn redenen denkbaar om
                        voor een andere rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld een kleinere dislocatie kan
                        structureel voldoende huisvesting bieden en door de rangorde aan te passen
                        kan de grotere dislocatie worden afgestoten. In een dergelijk geval stelt
                        het college, na overleg met het bevoegd gezag, een andere volgorde van de
                        dislocaties vast. <vet>Terrein</vet> De terreinoppervlakte in het
                        basisonderwijs wordt voor de eerste keer geregistreerd. De
                        terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van
                        het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de
                        grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het openbaar onderwijs het
                        geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar groen en andere openbare
                        gebouwen tezamen met het schoolterrein als een geheel is geregistreerd, dan
                        wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte
                        vastgelegd. <vet>Inventaris</vet> De hoeveelheid inventaris die is verstrekt
                        is van belang voor het moment dat uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Ten
                        aanzien van de inventaris is bepaald dat deze op 1-1-2009 wordt geacht
                        voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren
                        ruimte een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en
                        meubilair kan worden toegekend.. Als in het verleden voor meer vierkante
                        meters bvo eerste inrichting is toegekend wordt dat vastgelegd.
                            <vet>Gymnastiekruimten</vet> De vaststelling van de capaciteit van de
                        gymnastiekruimten is van belang vanwege aanvragen voor uitbreiding van het
                        aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van een gymnastiekruimte maar ook
                        vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                        capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in een aantal klokuren.
                        Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor basisonderwijs kan 40
                        klokuren worden gebruikt. Een school voor het basisonderwijs kan gezien de
                        schooltijden van de school echter niet meer dan 26 klokuren gebruik maken
                        van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak maakt (kan maken) op
                        klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende bij de school
                        dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten behoeve van de
                        betreffende school bepaald door het aantal uren dat deze gymnastiekruimte
                        beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor de klokuren
                        noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere
                        school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de
                        gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden. De terreinoppervlakte
                        van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is geregistreerd bij
                        het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen zijn op het
                        terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de terreinoppervlakte
                        van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de terreinoppervlakte
                        voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat bij een eventuele
                        aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de gymnastiekruimte,
                        bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een kleedruimte, de
                        totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de gymnastiekruimte wordt
                        bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding van het terrein.
                        In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk terrein is
                        gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de terreinoppervlakte
                        geregistreerd. Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is
                        bepaald dat deze wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts
                        voor nieuw te realiseren gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf
                        van het onderwijsleerpakket en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het
                        enkele geval dat voor de invulling van het noodzakelijke aantal klokuren
                        gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik van een beschikbare
                        gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair niet geschikt is
                        voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik gaat nemen,
                        aanvullend meubilair worden verstrekt. <vet>2. (Voortgezet) speciaal
                            onderwijs</vet><vet>Capaciteit van de gebouwen</vet> De vaststelling van
                        de capaciteit van de gebouwen is van belang om aanvragen voor uitbreiding te
                        kunnen beoordelen maar ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van
                        mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gebouwen wordt bepaald aan de
                        hand van het aantal vierkante meter brutovloeroppervlakte (bvo). De eerste
                        keer geschiedt dit in de nulmeting. De BVO is een gegeven dat wordt bepaald
                        aan de hand van III-I, de 'Meetinstructie voor het vaststellen van de
                        bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs'. Door
                        de bepaling dat het college in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                        school kan bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar
                        beneden wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze
                        lokalen/ruimten in te zetten binnen het bredere gemeentelijke
                        (onderwijs)beleid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan brede
                        schoolfaciliteiten, verhuur aan een kinderopvangorganisatie, ICT-ruimten,
                        een peuterspeelzaal, een uitleenpost van de openbare bibliotheek, of zelfs
                        een politiepost. Een dergelijke vermindering van de capaciteit en de inzet
                        van de hierdoor beschikbaar komende ruimten kan alleen in overeenstemming
                        met het schoolbestuur worden doorgevoerd. Schoolbesturen zijn immers - over
                        het algemeen - juridisch eigenaar van het schoolgebouw en bepalen zelf op
                        welke wijze hun leegstaande lokalen worden ingezet. Met de bepaling wordt op
                        een eenvoudige wijze ondervangen dat de algemene regel 'eigen gebruik voor
                        medegebruik' veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd optredende -
                        medegebruik wordt beëindigd bij groei van de school. Overigens betekent een
                        verlaging van de capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking kan komen
                        voor een uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of te
                        maken krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen elders.
                            <vet>Rangordebepaling</vet> Indien de school beschikt over meerdere
                        gebouwen, een hoofdgebouw en dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld
                        voor het geval dat het leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet
                        worden bepaald of en zo ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het
                        hoofdgebouw heeft vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste
                        afgestoten. De dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later
                        afgestoten dan dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de
                        kleinste gebouwen het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen
                        kunnen worden afgestoten dan grotere gebouwen. Er zijn redenen denkbaar om
                        voor een andere rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld: kan een kleinere
                        dislocatie structureel voldoende huisvesting bieden en kan door de rangorde
                        aan te passen de grotere dislocatie worden afgestoten? In een dergelijk
                        geval stelt het college, na overleg met het bevoegd gezag, een andere
                        volgorde van de dislocaties vast. <vet>Terrein</vet> De terreinoppervlakte
                        in het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt voor de eerste keer
                        geregistreerd. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                        kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen
                        niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, of wat soms bij het
                        openbaar onderwijs het geval is als de terreinoppervlakte van het openbaar
                        groen en andere openbare gebouwen tezamen met het schoolterrein als een
                        geheel is geregistreerd, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel
                        van de terreinoppervlakte vastgelegd. <vet>Inventaris</vet> De hoeveelheid
                        inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat uitbreiding
                        hiervan wordt gevraagd. Ten aanzien van de inventaris is bepaald dat deze op
                        1-1-2009 wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor
                        nieuw te realiseren ruimte een aanvraag voor eerste aanschaf van het
                        onderwijsleerpakket en meubilair kan worden toegekend.. Als in het verleden
                        voor meer vierkante meters bvo eerste inrichting is toegekend wordt dat
                        vastgelegd. <vet>Gymnastiekruimten</vet> Het is van belang de capaciteit van
                        de gymnastiekruimten vast te stellen vanwege aanvragen voor uitbreiding van
                        het aantal klokuren gebruik van een gymnastiekruimte maar ook vanwege de
                        bepaling van leegstand ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit
                        van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in een aantal klokuren. Een
                        gymnastiekruimte behorende tot een school voor (voortgezet) speciaal
                        onderwijs kan 40 klokuren worden gebruikt. Een school voor het (voortgezet)
                        speciaal onderwijs kan gezien de schooltijden van de school echter niet meer
                        dan 26 klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien een school
                        aanspraak maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere
                        gymnastiekruimte dan behorende bij de school wordt de capaciteit van deze
                        gymnastiekruimte ten behoeve van de desbetreffende school bepaald door het
                        aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de
                        schooltijden van de school waarvoor de klokuren noodzakelijk zijn. Het
                        betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair
                        of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een
                        accommodatie beheerd door derden. De terreinoppervlakte van een
                        gymnastiekruimte betreft de oppervlakte zoals deze is geregistreerd bij het
                        Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen zijn op het
                        terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de terreinoppervlakte
                        van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de terreinoppervlakte
                        voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat bij een eventuele
                        aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de gymnastiekruimte,
                        bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een kleedruimte, de
                        totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de gymnastiekruimte wordt
                        bekeken. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk
                        terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de
                        terreinoppervlakte geregistreerd. Ten aanzien van de inventaris van de
                        gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt geacht voldoende te zijn. Dit
                        impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren gymnastiekruimten een
                        aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair kan
                        worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de invulling van het
                        noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik van
                        een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair
                        niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik
                        gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt. </al><al><vet>3. Voortgezet onderwijs</vet> De bruto-vloeroppervlakte van een
                        schoolgebouw voor het voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van
                        III-2, de 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte
                        van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'. Door de bepaling dat
                        burgemeester en wethouders in overeenstemming met het bevoegd gezag van de
                        school kunnen bepalen dat de capaciteit van het gebouw of de gebouwen naar
                        beneden wordt bijgesteld, is het mogelijk om op eenvoudige wijze
                        lokalen/ruimten in te zetten binnen het bredere gemeentelijke
                        (onderwijs)beleid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan brede
                        schoolfaciliteiten, ICT-ruimten, een studiehuis-ruimte, een uitleenpost van
                        de openbare bibliotheek, of zelfs een politiepost. Een dergelijke
                        vermindering van de capaciteit en de inzet van de hierdoor beschikbaar
                        komende ruimten kan alleen in overeenstemming met het schoolbestuur worden
                        doorgevoerd. Schoolbesturen zijn immers - over het algemeen - juridisch
                        eigenaar van het schoolgebouw en bepalen zelf op welke wijze hun leegstaande
                        lokalen worden ingezet. Met de bepaling wordt op een eenvoudige wijze
                        ondervangen dat de algemene regel 'eigen gebruik voor medegebruik'
                        veroorzaakt dat het - vaak al geruime tijd optredende - medegebruik wordt
                        beëindigd bij groei van de school. Overigens betekent een verlaging van de
                        capaciteit wel dat de school eerder in aanmerking kan komen voor een
                        uitbreiding bij eventuele groei van het aantal leerlingen, of te maken
                        krijgt met een eventuele verwijzing naar leegstaande lokalen elders.
                            <vet>Terrein</vet> De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de
                        registratie in de kadastrale registratie van het Kadaster. Indien de
                        kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                        schoolterrein, of wat soms bij het openbaar onderwijs het geval is als de
                        terreinoppervlakte van het openbaar groen en andere openbare gebouwen
                        tezamen met het schoolterrein als een geheel is geregistreerd, dan wordt het
                        met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.
                            <vet>Inventaris</vet> De toekenning van inventaris is in het voortgezet
                        onderwijs vanaf de invoeringsdatum van de decentralisatie gekoppeld aan de
                        toekenning van een voorziening in de huisvesting. Bij de start van de nieuwe
                        systematiek wordt ervan uitgegaan, dat alle scholen voor voortgezet
                        onderwijs zijn voorzien van inventaris. <vet>Gymnastieklokalen</vet> Het
                        gegeven 'aantal gymnastieklokalen in eigendom' heeft de gemeente nodig om
                        bij een aanvraag voor toewijzing van klokuren gymnastiek door een
                        VO-instelling te kunnen beoordelen hoeveel uren de school in de eigen
                        huisvesting kan verzorgen. De vaststelling van de capaciteit van de
                        gymnastiekruimten is van belang vanwege aanvragen voor uitbreiding van het
                        aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van een gymnastiekruimte maar ook
                        vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van mogelijk medegebruik. De
                        capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in een aantal lesuren.
                        Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor voortgezet onderwijs kan
                        40 lesuren worden gebruikt. Indien een school aanspraak maakt (kan maken)
                        gedurende een aantal lesuren op het gebruik van een andere gymnastiekruimte
                        dan behorende bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte
                        het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de
                        schooltijden van de school waarvoor de lesuren noodzakelijk zijn. Het
                        betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair
                        of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een
                        sportaccommodatie beheerd door derden. De terreinoppervlakte van een
                        gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is geregistreerd bij het
                        Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen zijn op het
                        terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de terreinoppervlakte
                        van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de terreinoppervlakte
                        voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat bij een eventuele
                        aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de gymnastiekruimte,
                        bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een kleedruimte, de
                        totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de gymnastiekruimte wordt
                        bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding van het terrein.
                        In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk terrein is
                        gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de terreinoppervlakte
                        geregistreerd. Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is
                        bepaald dat deze wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts
                        voor nieuw te realiseren gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf
                        van leer- en hulpmiddelen en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het
                        enkele geval dat voor de invulling van het noodzakelijke aantal lesuren
                        gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik van een beschikbare
                        gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair niet geschikt is
                        voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik gaat nemen,
                        aanvullend meubilair worden verstrekt. </al><al><vet>Deel B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet><vet>1. School voor
                            (speciaal) basisonderwijs</vet> Het bepalen van de ruimtebehoefte van
                        een basisschool houdt in dat wordt bezien hoe groot de capaciteitsbehoefte
                        van de desbetreffende school is in relatie tot de eventueel reeds aanwezige
                        capaciteit. De omvang van de noodzakelijke capaciteit of uitbreiding van de
                        capaciteit wordt uitgedrukt in vierkante meter brutovloeroppervlakte. Voor
                        de scholen in het basisonderwijs gelden in de nieuwe situatie de volgende
                        waarden: een vaste voet van 200 m2 bvo en een bvo per leerling van 5,03 m2.
                        Daarnaast geldt een toeslag als een school (voldoende) ‘gewichtenleerlingen’
                        heeft. De huisvestingscomponent van gewichtenkinderen wordt toegekend in de
                        vorm van een toeslag bovenop de m2 bvo per leerling die hoort bij reguliere
                        leerlingen. Voor de bepaling van de toeslag worden in de nieuwe situatie de
                        volgende stappen doorlopen: </al><lijst><li nr="1"><al>De gewichtensom van de school wordt bepaald;</al></li><li nr="2"><al>Deze gewichtensom wordt verminderd met 6,0 % van het totaal aantal
                                ongewogen leerlingen;</al></li><li nr="3"><al>De gewichtensom wordt gemaximeerd op 80 % van het aantal ongewogen
                                leerlingen.</al></li></lijst><al>De toeslag op de ruimtebehoefte bedraagt 1,40 m2 bvo * (gecorrigeerde)
                        gewichtensom. Er wordt geen additionele vaste voet toegekend. De aparte
                        normen in de verordening voor het realiseren van een (eerste of tweede)
                        speellokaal in het reguliere basisonderwijs zijn komen te vervallen. Hiermee
                        sluit de verordening (weer) aan op het gewijzigde Bouwbesluit 2003. De
                        vierkante meters brutovloeroppervlakte (bvo) zijn echter niet verdwenen. In
                        de waarde van 5,03 m2 bvo per leerling zijn de vierkante meters voor het
                        eerste en tweede speellokaal verwerkt. Op deze manier wordt het
                        schoolbesturen mogelijk gemaakt om de hen ter beschikking staande vierkante
                        meters bvo al dan niet in te zetten als speellokaal. De vaste voet staat in
                        de nieuwe methodiek voor voorzieningen die minder of niet afhankelijk zijn
                        van het leerlingenaantal. Voorbeelden hiervan zijn de staf- en
                        dienstruimten, directieruimte, administratie, teamkamer en spreekkamer.
                        Verder de facilitaire ruimten als reprografie, entree en bergingen. Voor de
                        scholen voor het speciaal basisonderwijs (SBO) gelden in de nieuwe situatie
                        de volgende waarden: een vaste voet van 250 m2 bvo en een bvo per leerling
                        van 7,35 m2. In de 7,35 m2 bvo per leerling is de (voormalige) extra ruimte
                        bij de 12e groep verwerkt door te lineariseren. De ruimte voor een eventueel
                        speellokaal is (in tegenstelling tot het reguliere basisonderwijs) niet
                        meegenomen omdat er voor gekozen is om de ruimtebehoeftesystematiek voor het
                        sbo (en het so) voor wat betreft het speellokaal ongewijzigd te laten (zie
                        paragraaf 2.2.5.6). Dat betekent dat indien sprake is van een speellokaal
                        voor een school voor speciaal basisonderwijs, daarvoor als ruimtebehoefte
                        steeds 90 m2 bvo wordt aangehouden. <vet>2. School voor (voortgezet)
                            speciaal onderwijs</vet> Het bepalen van de ruimtebehoefte van een
                        school voor (voortgezet) speciaal onderwijs houdt in dat wordt bezien hoe
                        groot de capaciteitsbehoefte van de desbetreffende school is in relatie tot
                        de eventueel reeds aanwezige capaciteit. De omvang van de noodzakelijke
                        capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt uitgedrukt in vierkante
                        meter brutovloeroppervlakte. Bij de normoppervlakte wordt onderscheid
                        gemaakt tussen:</al><lijst><li nr="·"><al>De zwaarte van de handicap(s) van de kinderen (onderwijssoort), tot
                                uitdrukking gekomen in een grotere of kleinere ruimtebehoefte; </al></li><li nr="·"><al>Onderscheid oudere en jongere kinderen, tot uitdrukking komend in
                                het verschil tussen SO en VSO.</al></li></lijst><al>Er is geen één op één verband tussen de oppervlaktenormen voor het (V)SO en
                        de bestaande clusterindeling in clusters 1-4 ten behoeve van de
                        indicatiestelling van de kinderen. Per onderwijssoort worden de volgende
                        aantallen vierkante meter bvo per leerling gebruikt: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="45*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>schoolsoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>SO jong</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>VSO oud</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>sh/esm, visg, lz, zmok, pi</al></entry><entry colname="col2"><al>8,7 m2 bvo/lln</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2 m2 bvo/lln</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>8,7 m2 bvo/lln</al></entry><entry colname="col3"><al>9,2 m2 bvo/lln</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>doven, lg, mg</al></entry><entry colname="col2"><al>13,8 m2 bvo/lln</al></entry><entry colname="col3"><al>15,5 m2 bvo/lln</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Tabel. Leerling-afhankelijke ruimtenormering (V)SO </cursief> Eind
                        2005 is door het Kabinet een motie aangenomen om de groepsgrootte in het
                        voortgezet speciaal onderwijs voor zeer moeilijk lerende kinderen (vso-zmlk)
                        te verkleinen van twaalf naar zeven leerlingen. Vso-zmlk scholen krijgen
                        vanaf 1 januari 2006 extra formatie van het Rijk om de
                        groepsgrootteverkleining mogelijk te maken. Hiermee kunnen scholen meer
                        personeel in dienst nemen. Daartoe is het Besluit bekostiging WEC aangepast
                        (KB van 9 mei 2006, Stb.2006, 283). Schoolbesturen hebben hierdoor meer geld
                        voor personeel gekregen. Gemeenten hebben, na agendering van dit onderwerp
                        door de VNG een (kleine) toevoeging in het gemeentefonds gekregen om die
                        kleinere groepen te huisvesten. Volledige doorvoering in de huisvesting van
                        de groepsgrootteverkleining vergt extra geld. Daarom is voor dit type
                        speciaal onderwijs uitgegaan van de beschikbare middelen en is de
                        groepsgrootteverkleining (noodgedwongen) niet geheel doorgevoerd. De
                        bvo/leerling-norm blijft daarmee afwijkend van de andere normen, zodat hier
                        sprake blijft van een status aparte voor VSO-zmlk. Daarnaast geldt een vaste
                        voet. Deze is voor alle onderwijssoorten binnen SO en VSO bepaald op 370 m2
                        bvo (met uitzondering van VSO-zmlk, waarvoor een vaste voet van 250 m2
                        geldt). Het gaat hierbij overigens om een vaste voet zonder onderwijsruimten
                        zoals groepslokalen. De vaste voet staat in de nieuwe methodiek voor
                        voorzieningen die minder of niet afhankelijk zijn van het leerlingenaantal
                        en van de specifieke schoolsoort. Voorbeelden hiervan zijn de staf- en
                        dienstruimten, directieruimte, administratie, teamkamer, spreekkamer,
                        behandelkamers, rustruimten. Verder de facilitaire ruimten als reprografie,
                        entree en bergingen. De vaste voet voor een school met zowel SO als VSO
                        binnen hetzelfde schooltype is slechts eenmaal van toepassing. Om dezelfde
                        reden is voor een scholengemeenschap met meer schooltypen de vaste voet voor
                        elk afzonderlijk schooltype van toepassing. Evenals in de oude situatie
                        geldt dat de vaste voet alleen voor een hoofdvestiging van toepassing is en
                        niet voor een nevenvestiging. Bij de berekeningen voor (V)SO zijn
                        speellokalen niet meegenomen. In de bvo/lln-getallen zijn de extra ruimten
                        (ER) bij de 12e of 13e groep verwerkt door te lineariseren. Indien sprake is
                        van een speellokaal, wordt daarvoor als ruimtebehoefte steeds 90 m2 bvo
                        aangehouden. Voor SO-mg en VSO-mg kunnen bij ministeriële beschikking
                        kleinere n-factoren dan 7 worden vastgesteld. Voor instellingen waarvoor dit
                        van toepassing is, wordt een vaste voet en een omvang bvo/lln berekend op
                        dezelfde wijze als is toegepast voor de andere n-factoren. (Toevoegen bedrag
                        m2). Voor het (V)SO-mg met n-factor kleiner dan 7 geldt onderstaande. </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="45*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="19*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>schoolsoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>SO jong</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>VSO oud</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>vaste voet</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>mg doven en visg, n=2</al></entry><entry colname="col2"><al>56,75 m² bvo/lln </al></entry><entry colname="col3"><al>57,5 m² bvo/lln</al></entry><entry colname="col4"><al>370 m² bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>mg doven en zmlk, n=3</al></entry><entry colname="col2"><al>56,75 m² bvo/lln</al></entry><entry colname="col3"><al>57,5 m² bvo/lln</al></entry><entry colname="col4"><al>370 m² bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>mg visg en een andere handicap, n=3</al></entry><entry colname="col2"><al>56,75 m² bvo/lln</al></entry><entry colname="col3"><al>57,5 m² bvo/lln</al></entry><entry colname="col4"><al>370 m² bvo</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><cursief>Tabel. Leerlingafhankelijke ruimtenormering (V)SO-mg N-factor &lt;
                            7 leerlingen.</cursief><vet>3. School voor voortgezet onderwijs</vet>
                        Het bepalen van de ruimtebehoefte in het voortgezet onderwijs gaat aan de
                        hand van het ruimtebehoeftemodel. In dit model wordt op basis van een
                        tweetal componenten de ruimtebehoefte bepaald. De ruimtebehoefte is
                        enerzijds afhankelijk van het aantal leerlingen dat de school bezoekt en
                        anderzijds afhankelijk van kenmerken van de school (zoals de aard van de
                        vestiging en het onderwijsaanbod). Met behulp van tabel 7.1.a kan op basis
                        van het aantal leerlingen per onderwijssoort de zogenaamde leerlinggebonden
                        component worden bepaald. Een voorbeeld: Het Lokale Lyceum</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="15*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="27*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="13*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="14*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="10*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Ruimtesoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/II</al></entry><entry colname="col5"><al>aantal II</al></entry><entry colname="col6"><al>BVO</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>onderbouw </al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al>618</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>avo/vwo</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry><entry colname="col5"><al>200</al></entry><entry colname="col6"><al>1170</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>totaal</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>300</al></entry><entry colname="col6"><al>1788</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Daarna wordt de vaste voet van de instelling berekend aan de hand van tabel
                        7.1.b. De school uit het voorbeeld, Het Lokale Lyceum is een hoofdvestiging
                        en heeft geen afdeling waarin de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden.
                        De vaste voet van Het Lokale Lyceum bedraagt dus 980 vierkante meter
                        Algemene Ruimte. Het totale ruimtebeslag van Het Lokale Lyceum komt dus op
                        2768 m² bruto vloeroppervlakte Algemene Ruimte. Een school komt in
                        aanmerking voor een vaste voet per afdeling als op deze school de
                        beroepsgerichte leerweg voor deze afdeling wordt aangeboden. Uitgangspunt
                        daarbij is dat de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden
                        zo veel mogelijk wordt gefaciliteerd ten behoeve van het beroepsgericht
                        onderwijs. Pas als op de instelling de beroepsgerichte leerweg van een
                        bepaalde afdeling of sector wordt aangeboden, mag voor die afdeling of
                        sector ook de leerwegondersteunende of de gemengde leerweg worden
                        aangeboden. </al><al><vet>Deel C De bepaling van de omvang van de toekenning</vet><vet>1. School
                            voor basisonderwijs</vet><vet>Voor blijvend gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet> De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding
                        is afhankelijk van het aantal vierkante meter zoals vastgesteld volgens de
                        berekeningswijze voor permanente voorzieningen. In het geval van uitbreiding
                        is de reeds beschikbare huisvesting van belang voor het bepalen van de
                        omvang van de capaciteitsvermeerdering. De omvang van de ingebruikneming is
                        eveneens afhankelijk van het aantal vierkante meter bvo zoals vastgesteld
                        volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen. Afhankelijk van
                        de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in
                        gebruik worden gegeven. De omvang van medegebruik wordt bepaald door het
                        aantal vierkante meter bvo waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het
                        aantal vierkante meter bvo waarvoor huisvesting aanwezig is. Zowel voor
                        uitbreiding, ingebruikneming als medegebruik geldt in het primair onderwijs
                        een drempelwaarde van 55 m2 bvo. Pas wanneer deze drempel overschreden is,
                        ontstaat aanspraak op een van de bovengenoemde voorzieningen. Voor het
                        speciaal basisonderwijs geldt in de bovengenoemde gevallen een drempelwaarde
                        van 50 m2 bvo. <vet>Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet> De
                        omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                        aantal vierkante meter bvo zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze
                        voor tijdelijke voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds
                        beschikbare huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                        capaciteitsvermeerdering. De omvang van medegebruik wordt bepaald door het
                        aantal vierkante meterbvo waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal
                        vierkante meter bvo waarvoor huisvesting aanwezig is. De omvang van de
                        verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal vierkante meter
                        bvo waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in verhouding tot
                        de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden van
                        medegebruik aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden verwezen.
                        Zowel voor uitbreiding, ingebruikneming als medegebruik van voor tijdelijk
                        gebruik bestemde voorzieningen geldt in het primair onderwijs een
                        drempelwaarde van 40 m2 bvo. Pas wanneer deze drempel overschreden is,
                        ontstaat aanspraak op een van de bovengenoemde voorzieningen. Voor het
                        speciaal basisonderwijs geldt in de bovengenoemde gevallen een drempelwaarde
                        van 40 m2 bvo. <vet>Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik
                            bestemde voorzieningen</vet> De omvang van (de uitbreiding van) het
                        terrein wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke oppervlakte op grond
                        van de daartoe in bijlage III, deel D, gestelde eisen met inachtneming van
                        de bij of krachtens de wet gestelde eisen. De situatie op zich zal ook van
                        invloed zijn op de omvang van de terreinoppervlakte ten behoeve van het
                        schoolgebouw. De voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en
                        meubilair is rechtstreeks gekoppeld aan de toekenning van voorzieningen in
                        de huisvesting, die een vergroting van de totale capaciteit tot gevolg
                        hebben. De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                        strikt noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van
                        onderwijs. Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor bekostiging in
                        aanmerking komen die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het
                        geven van onderwijs niet overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn
                        omdat een gebouw in gebruik wordt genomen. of omdat de capaciteit van het
                        gebouw van een school voor speciaal basisonderwijs moet worden vergroot voor
                        het creëren van een extra speellokaal. Activiteiten die noodzakelijk zijn
                        als gevolg van specifieke wet- en regelgeving kunnen eveneens voor
                        bekostiging in aanmerking komen. Als een oliegestookte
                        verwarmingsinstallatie moet worden vervangen door een gasgestookte
                        installatie komen de meerkosten ten opzichte van het vervangen van een
                        gasgestookte installatie door een gasgestookte installatie voor bekostiging
                        in aanmerking. De meerkosten zullen in de meeste gevallen betrekking hebben
                        op de noodzakelijke verplaatsing van de installatie. De omvang van het
                        onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die noodzakelijk zijn aan de
                        buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn omschreven in het overzicht
                        'onderhoud primair onderwijs', door de vervanging van de binnenkozijnen en
                        binnendeuren of door de vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen
                        voor de centrale verwarming of door het totaal van verschillende van deze
                        activiteiten. <vet>2. School voor (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</vet><vet>Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet>
                        De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het
                        aantal vierkante meter zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor
                        permanente voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds
                        beschikbare huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de
                        capaciteitsvermeerdering. De omvang van de ingebruikneming is eveneens
                        afhankelijk van het aantal groepen zoals vastgesteld volgens de
                        berekeningswijze voor permanente voorzieningen. Afhankelijk van de benodigde
                        capaciteit kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden
                        gegeven. De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen
                        waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor
                        huisvesting aanwezig is. <vet>Voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet> De omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding
                        is afhankelijk van het aantal vierkante meter bvo zoals vastgesteld volgens
                        de berekeningswijze voor tijdelijke voorzieningen. In het geval van
                        uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting van belang voor het bepalen
                        van de omvang van de capaciteitsvermeerdering. De omvang van medegebruik
                        wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is
                        en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. De omvang van de
                        verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                        de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in verhouding tot de verwachte
                        gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden van medegebruik aanwezig
                        zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden verwezen. <vet>Overige voor
                            blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet> De
                        omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de minimaal
                        noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III, deel D,
                        gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde
                        eisen. De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang van de
                        terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw. De voorziening eerste
                        aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair is rechtstreeks gekoppeld
                        aan de toekenning van voorzieningen in de huisvesting, die een vergroting
                        van de totale capaciteit tot gevolg hebben. De omvang van de aanpassing
                        wordt bepaald door de activiteiten die strikt noodzakelijk zijn om het
                        gebouw geschikt te maken voor het geven van onderwijs. Dit houdt in dat
                        slechts die activiteiten voor bekostiging in aanmerking komen die de normale
                        eisen te stellen aan het gebouw voor het geven van onderwijs niet
                        overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn omdat een gebouw in
                        gebruik wordt genomen. De aanpassing kan ook noodzakelijk zijn omdat een
                        dislocatie wordt afgestoten en specifieke voorzieningen die in de dislocatie
                        aanwezig waren in het hoofdgebouw moeten worden gerealiseerd. Ook kan het
                        zijn dat een dislocatie, als gevolg van een stijging van het aantal
                        leerlingen, de status hoofdgebouw krijgt en als gevolg hiervan moet worden
                        aangepast. Indien de school een ander vak opneemt in het schoolwerkplan en
                        het schoolwerkplan wordt als zodanig door de inspectie goedgekeurd, dan kan
                        een noodzakelijke aanpassing van een lokaal tot het desbetreffende vaklokaal
                        worden goedgekeurd. Activiteiten die noodzakelijk zijn als gevolg van
                        specifieke wet- en regelgeving kunnen eveneens voor bekostiging in
                        aanmerking komen. In het geval dat een oliegestookte verwarmingsinstallatie
                        moet worden vervangen door een gasgestookte installatie komen de meerkosten
                        van het vervangen van de oliegestookte installatie ten opzichte van het
                        vervangen van een oliegestookte installatie door een gasgestookte
                        installatie voor bekostiging in aanmerking. De meerkosten zullen in de
                        meeste gevallen betrekking hebben op de noodzakelijke verplaatsing van de
                        installatie. De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten
                        die noodzakelijk zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn
                        omschreven in het overzicht 'onderhoud primair onderwijs', door de
                        vervanging van de binnenkozijnen en binnendeuren of door de vervanging van
                        radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming of door het
                        totaal van verschillende van deze activiteiten. <vet>3. School voor
                            voortgezet onderwijs</vet><vet>Voor blijvend gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet> De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet
                        onderwijs wordt bepaald met behulp van het Ruimtebehoeftemodel, dat staat
                        beschreven in deel B van deze bijlage en het bijbehorende gedeelte van de
                        toelichting. In de toekenningscriteria (Bijlage I) is bepaald, dat voor de
                        beoordeling of een instelling voor een voor blijvend gebruik bestemde
                        voorziening in aanmerking komt de beschikbare capaciteit met tien procent
                        wordt verhoogd. Vervolgens wordt bezien of de ruimtebehoefte op basis van de
                        leerlingprognose voor langer dan vijftien jaar deze verhoogde capaciteit
                        overschrijdt. Indien zulks het geval is wordt de omvang van de voorziening
                        bepaald door vaststelling van het verschil tussen de werkelijk beschikbare
                        capaciteit (100%) en de uitkomst van het ruimtebehoeftemodel (tabellen 7.1.a
                        en 7.1.b). Met behulp van het RBM kan geen normatief lokalenplan worden
                        opgesteld. Om te bepalen wat de leegstand binnen de onderwijsruimten is, zal
                        een toets moeten plaatsvinden of er binnen het huidige lesrooster sprake is
                        van onderbezetting. In geval van medegebruik door een andere school voor
                        voortgezet onderwijs moet bekeken worden of de lesroosters van de scholen zo
                        op elkaar kunnen worden afgestemd dat overschotten en tekorten elkaar
                        opheffen. In geval van medegebruik door een school voor primair onderwijs
                        zal gekeken moeten worden of binnen het lesrooster een of meer lokalen
                        leeggeroosterd kunnen worden. Het lesrooster en het feitelijke lokalenplan
                        zijn bepalend bij de bepaling van de leegstand. Het is nu van belang om
                        enerzijds te toetsen of het lesrooster redelijk is. Is het aantal
                        ingeroosterde lessen bijvoorbeeld niet hoog in verhouding tot het aantal
                        leerlingen? Aan de hand van een aantal criteria kan het lesrooster getoetst
                        worden, bijvoorbeeld dat het gemiddeld aantal lessen in de week niet boven
                        de 29 uur uitkomt en dat een theorielokaal minimaal voor 32 uur in de week
                        ingeroosterd kan worden. Aan de hand van het lokalenplan (bij voorkeur een
                        plattegrond van de school) kan bepaald worden of alle lokalen wel
                        ingeroosterd zijn of waarom in bepaalde lokalen de bezetting maximaal 16 is
                        in plaats van 26 leerlingen. Om nu te bezien of het feitelijk lesrooster
                        redelijk is, in verhouding tot de bepaling van de ruimtebehoefte van de
                        instelling, wordt het aan de hand van de volgende criteria getoetst:</al><lijst><li nr="·"><al>aantal lessen per week komt niet boven de 29 lesuur per week (excl.
                                gym);</al></li><li nr="·"><al>het aantal lessen lichamelijke oefening komt niet boven de 3 lesuur
                                per week;</al></li><li nr="·"><al>de gemiddelde groepsgrootte is 26 leerlingen. Uitzondering vormen
                                het praktijkonderwijs (14 leerlingen en het leerwegondersteunend
                                onderwijs 16 leerlingen);</al></li><li nr="·"><al>het normatieve gebruik per week ligt voor algemene ruimten op 32 uur
                                per week. Voor specifieke lokalen en werkplaatsen ligt het
                                normatieve gebruik op 24 uur per week;</al></li><li nr="·"><al>gemiddeld past een hele groep (klas) in een onderwijsruimte. Alleen
                                ruimten voor machinale houtbewerking en de lasserij zijn geschikt
                                voor maximaal 8 leerlingen;</al></li><li nr="·"><al>een lesuur duurt 50 minuten. Wordt uitgegaan van lesuren van 45
                                minuten dan wordt het aantal lessen per week naar rato
                                verhoogd.</al></li></lijst><al>Voor de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde
                        voorziening ingebruikneming, medegebruik en verplaatsing van noodlokalen
                        wordt de beschikbare capaciteit verhoogd met tien procent. <vet>Voor
                            tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet> Met behulp van het
                        Ruimtebehoeftemodel (tabel 7.1) wordt op basis van het leerlingenaantal, dat
                        voortvloeit uit de leerlingprognose voor een periode langer dan vier jaar en
                        korter dan vijftien jaar de ruimtebehoefte bepaald. Vergelijking van deze
                        ruimtebehoefte met de met tien procent verhoogde beschikbare capaciteit
                        geeft als resultaat de omvang van de goedgekeurde tijdelijke voorziening,
                        uitgedrukt in m² bruto vloeroppervlakte. Voor tijdelijke voorzieningen wordt
                        deze oppervlakte niet naar lokaalsoort toegedeeld. De toekenning vindt
                        plaats op het niveau bruto m²'s lesruimte per instelling. Als drempel voor
                        toekenning wordt 1 lokaal gehanteerd, dat wil zeggen dat het geconstateerde
                        ruimtetekort minimaal 100 m² bruto moet bedragen om voor toekenning van een
                        voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in aanmerking te komen. Voor de
                        bepaling van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening ingebruikneming,
                        medegebruik en verplaatsing van noodlokalen wordt de beschikbare capaciteit
                        verhoogd met tien procent. <vet>Overige voor blijvend gebruik dan wel voor
                            tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet> De voorziening eerste
                        aanschaf van leer- en hulpmiddelen is rechtstreeks gekoppeld aan de
                        toekenning van voorzieningen in de huisvesting, die een vergroting van de
                        totale capaciteit tot gevolg hebben (zie ook bijlage I, paragraaf 3.7).
                            <vet>Gymnastiekruimten</vet> De bepaling van de omvang van de
                        verschillende voorzieningen in de huisvesting, die gymnastiekruimte
                        betreffen, verloopt, onder toepassing van het Ruimtebehoeftemodel, analoog
                        aan de bepaling van de omvang van toekenningen voor lesgebouwen. Voor de
                        bepaling van het aantal in medegebruik te geven lessen gymnastiek is het
                        lesrooster maatgevend. Het maximale aantal lestijden gymnastiek kan met de
                        in paragraaf 3.4 gegeven formule worden berekend. </al><al><vet>Deel D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</vet> De
                        wet geeft de opdracht aan gemeenten om in de verordening bepalingen op te
                        nemen met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen.
                        In de modelverordening is gekozen voor een beperkt aantal bepalingen.
                        Enerzijds omdat op die wijze de autonomie van een schoolbestuur zo groot
                        mogelijk is, anderzijds omdat het Bouwbesluit reeds een aantal centrale
                        eisen aan schoolgebouwen gesteld stelt. Ook de minister van OCenW heeft,
                        door middel van een Algemene maatregel van bestuur, enkele minimale
                        oppervlakte-eisen gesteld. Deze betreffen echter niet de specifieke ruimten,
                        maar het totale gebouw, dan wel alle bij een school in gebruik zijnde
                        gebouwen. Deze normen zijn gepubliceerd in het Uitvoeringsbesluit
                        voorzieningen in de huisvesting PO/VO (Stb. 1997, 125). In aanvulling op de
                        centrale eisen bepaalt de modelverordening alleen iets over de oppervlakte
                        en de indeling uit het oogpunt van functionaliteit van ruimten, met name in
                        verband met de mogelijkheden voor medegebruik. </al><al><vet>TOELICHTING BIJLAGE IV</vet> In deze bijlage is de systematiek
                        opgenomen op basis waarvan toegekende voorzieningen worden bekostigd. De
                        bijlage valt uiteen in twee mogelijke vergoedingsmethoden, namelijk:</al><lijst><li nr="·"><al>vergoeding op basis van normbedragen (deel A);</al></li><li nr="·"><al>vergoeding op basis van feitelijke kosten (deel B).</al></li></lijst><al>In deel C is vervolgens de systematiek weergegeven op basis waarvan
                        medegebruikstarieven kunnen worden vastgesteld. De keuze tussen vergoeding
                        op basis van normbedragen en vergoeding op basis van feitelijke kosten dient
                        vooraf te worden vastgelegd in artikel 4 van de verordening. In deze
                        modelverordening zijn zoveel mogelijk vergoedingen genormeerd. Slechts
                        indien normering niet mogelijk is, dan wel tot irreële uitkomsten leidt, is
                        afgezien van normering. Afhankelijk van de lokale situatie kan de keuze
                        tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten een andere zijn. <vet>Deel A Vergoeding op basis van
                            normbedragen</vet><vet>Procentuele normvergoeding voor
                            bouwvoorbereiding</vet> In de artikelen 3, 4 en 25 t/m 28 van de
                        modelverordening is een aantal regels gegeven voor het toekennen van een
                        vergoeding voor bouwvoorbereiding. In de toelichting bij deze artikelen is
                        aangegeven dat de vergoeding voor bouwvoorbereiding is opgenomen in de
                        genormeerde bedragen in Deel A van Bijlage IV. Dit betekent dat, indien een
                        genormeerde vergoeding voor bouwvoorbereiding (uitgedrukt in een percentage
                        van de bouwkosten) wordt verstrekt, deze vergoeding in mindering moet worden
                        gebracht op de genormeerde vergoeding voor de uiteindelijke realisering van
                        de voorziening. Het hiervoor genoemde percentage is gebaseerd op de
                        veronderstelling dat de aanvrager de bouw voorbereidt tot aan het moment van
                        aanbesteding (dus inclusief de opstelling van het bestek,
                        bouwvoorbereidingstekeningen en de begroting). <vet>1 School voor
                            basisonderwijs</vet> In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen
                        nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke voorziening, eerste inrichting met
                        onderwijsleerpakket/meubilair, onderhoud en gymnastiek genormeerde bedragen
                        opgenomen. <vet>Nieuwbouw/uitbreiding</vet> Voor nieuwbouw en uitbreiding
                        van een permanent gebouw is zoveel mogelijk genormeerd op een startbedrag en
                        een bedrag per vierkante meter. Hiernaast kunnen, afhankelijk van de
                        beoordeling, toeslagen worden gegeven voor de inrichting van het terrein,
                        het realiseren van een speellokaal (in het geval van een school voor
                        speciaal basisonderwijs) en verhuiskosten. Kosten voor de verwerving van een
                        terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met de ligging sterk
                        kunnen variëren. </al><al><vet>Tijdelijke voorziening</vet> Een tijdelijke voorziening kan worden
                        gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van noodaccommodatie, uitbreiding van
                        een bestaande noodaccommodatie dan wel door middel van huur van een
                        noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging tussen aankoop en huur
                        van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving
                        van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol spelen. Bij de verwerving
                        van tijdelijke lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke lokalen
                        als eerste voorziening (nieuwbouw), het uitbreiden van een permanent
                        hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen en uitbreiding van een
                        bestaande noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen als eerste voorziening is
                        er geen permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er extra kosten gemaakt moeten
                        worden voor het realiseren van voorzieningen als directieruimten,
                        lerarenkamer, conciërgeruimte en dergelijke . Indien tijdelijke voorziening
                        voor een kortere periode nodig is, kan het aantrekkelijk zijn om in plaats
                        van een investeringsvergoeding voor een noodlokaal een huurvergoeding te
                        geven. Met de huurvergoeding kan een schoolbestuur een noodlokaal huren dan
                        wel ruimte in een bestaand gebouw huren. Beide soorten huur worden op basis
                        van de feitelijke huurprijs vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten). <vet>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                            meubilair</vet> Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en
                        meubilair tezamen bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. Deze
                        normbedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2.
                        Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het
                        verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder
                        uitbreiding. Voor alle duidelijkheid: het basisbedrag wordt dus niet bij
                        elke uitbreiding toegekend. <vet>Gymnastiek</vet> De vergoeding voor
                        gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en uitbreiding van een
                        gymnastiekaccommodatie en eerste inrichting met
                        onderwijsleerpakket/meubilair. De bedragen voor de klokuurvergoeding
                        (materiële exploitatie), welke van toepassing zijn bij gebruik van een
                        'eigen' gymnastiekzaal en bij medegebruik/huur van een
                        gymnastiekaccommodatie zijn opgenomen in de modelbeleidsregel bekostiging
                        gymnastiekruimte. <vet>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet>
                        In dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding,
                        tijdelijke voorziening, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair
                        en gymnastiek genormeerde bedragen opgenomen.
                            <vet>Nieuwbouw/uitbreiding</vet> Voor nieuwbouw en uitbreiding van een
                        permanent gebouw is zoveel mogelijk genormeerd op een bedrag voor een vaste
                        voet en een bedrag per groep. Hiernaast kunnen, afhankelijk van de
                        beoordeling, toeslagen worden gegeven voor de inrichting van het terrein,
                        het realiseren van een speellokaal, verhuiskosten en een liftinstallatie.
                        Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien
                        deze kosten met de ligging sterk kunnen variëren. <vet>Tijdelijke
                            voorziening</vet> Tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de
                        vorm van nieuwbouw van noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande
                        noodaccommodatie dan wel door middel van huur van een noodlokaal of
                        bestaande huisvesting. Bij de afweging tussen aankoop en huur van een
                        noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van
                        eigendom en multifunctioneel gebruik een rol spelen. Bij de verwerving van
                        tijdelijke lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke lokalen als
                        eerste voorziening (nieuwbouw), het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw
                        door middel van tijdelijke lokalen en uitbreiding van een bestaande
                        noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen als eerste voorziening is er geen
                        permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er extra kosten gemaakt moeten worden
                        voor het realiseren van voorzieningen als directieruimten, lerarenkamer,
                        conciërgeruimte en dergelijke. Indien tijdelijke voorziening voor een
                        kortere periode nodig is, kan het aantrekkelijk zijn om in plaats van een
                        investeringsvergoeding voor een noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met
                        de huurvergoeding kan een schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte
                        in een bestaand gebouw huren. Beide soorten huur worden op basis van de
                        feitelijke huurprijs vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke
                        kosten). <vet>Gymnastiek</vet> De vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in
                        bedragen voor nieuwbouw en uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie,
                        eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair en onderhoud. Voor LG-
                        en MG-scholen is er een extra toeslag voor het vergroten van de entree en de
                        was- en kleedruimte. Bij de voorziening 'bad voor watergewenning en
                        bewegingstherapie' is slechts medegebruik van toepassing. Indien nieuwbouw
                        van een dergelijke voorziening noodzakelijk is vindt vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten plaats (zie deel B). De bedragen voor de klokuurvergoeding
                        (materiële exploitatie), welke van toepassing zijn bij gebruik van een
                        'eigen' gymnastiekzaal en bij medegebruik/huur van een
                        gymnastiekaccommodatie zijn opgenomen in de modelbeleidsregel bekostiging
                        gymnastiekruimte. <vet>3 Voortgezet onderwijs</vet> In dit hoofdstuk zijn
                        voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke voorziening, eerste
                        inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair en gymnastiek genormeerde
                        bedragen opgenomen. <vet>Nieuwbouw/uitbreiding</vet> De kosten voor
                        nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw zijn genormeerd. Er wordt
                        onderscheid gemaakt tussen ruimte-afhankelijke kosten (lokaalspecifiek) en
                        sectie-afhankelijke kosten (sectie-specifiek). Hiernaast kan, afhankelijk
                        van de beoordeling, een vergoeding voor aanvullende normkosten (fundering en
                        bemaling) worden gegeven. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn
                        niet opgenomen, aangezien deze kosten met de ligging sterk kunnen variëren.
                        Om de normvergoeding van de investeringskosten te kunnen berekenen is het
                        noodzakelijk te weten met hoeveel vierkante meters BVO de verschillende
                        ruimtesoorten moeten worden uitgebreid of teruggebracht. Het huidige gebouw
                        zal daarom eerst moeten worden opgemeten. Dit kan in drie stappen
                        gebeuren:</al><lijst><li nr="1"><al>Opmeten van de netto vierkante meters van de specifieke ruimten.
                                Door vermenigvuldiging van de netto vierkante meters van deze
                                ruimten met de bruto/netto factor van 1,67 wordt de BVO van deze
                                ruimten verkregen.</al></li><li nr="2"><al>Opmeten van de netto vierkante meters van de werkplaatsen. Ter
                                verkrijging van de BVO van deze werkplaatsen kunnen deze netto
                                vierkante meters worden vermenigvuldigd met de bruto/netto factor
                                van 1,38.</al></li><li nr="3"><al>De vierkante meters BVO van de algemene ruimte zijn nu: BVO van het
                                gebouw minus BVO specifieke ruimten en BVO werkplaatsen.
                                Oftewel:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="87*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bestaande BVO totaal </al></entry><entry colname="col2"><al>... m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BVO specifieke ruimte (netto m² x 1,67)</al></entry><entry colname="col2"><al>.. m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>BVO werkplaatsen consumptief (netto m² x 1,38)</al></entry><entry colname="col2"><al>... m²</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>= Algemene ruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>... m²</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het tekort of overschot per ruimtesoort wordt daarop vermenigvuldigd met het
                        bedrag per vierkante meter BVO. Door sommering van deze positieve en
                        negatieve bedragen wordt het totaal bedrag aan normvergoeding voor
                        investeringskosten/inventaris verkregen. Dit bedrag per vierkante meter BVO
                        verschilt overigens per omvang van de goed te keuren uitbreiding of
                        nieuwbouw (zie deel A, 3.1 van bijlage IV). Bij het in de vorige alinea
                        berekende bedrag moeten vervolgens ook nog de vergoedingen voor de
                        sectie-afhankelijke en de aanvullende kosten worden opgeteld.
                            <vet>Tijdelijke voorziening</vet> Tijdelijke voorziening kan worden
                        gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van noodaccommodatie, uitbreiding van
                        een bestaande noodaccommodatie dan wel door middel van huur van een
                        noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging tussen aankoop en huur
                        van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving
                        van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol spelen. Bij de verwerving
                        van tijdelijke lokalen wordt geen onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw van
                        tijdelijke lokalen als eerste voorziening en uitbreiding van een bestaande
                        noodaccommodatie. Met de op basis van bijlage III goedgekeurde oppervlakte
                        kan door middel van de formule het investeringsbedrag worden berekend. Dit
                        investeringsbedrag omvat tevens alle bijkomende kosten, zoals eventuele
                        kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke.
                        Indien een tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het
                        aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een
                        noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een
                        schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw
                        huren. Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke huurprijs
                        vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten). <vet>Eerste
                            inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</vet> De normvergoeding
                        voor inventaris wordt berekend door het tekort of overschot per ruimtesoort
                        te vermenigvuldigen met het normatieve bedrag per m² wat voor deze ruimten
                        is opgenomen. Hierbij gaat de vergelijking echter iets verder: Bestaande BVO
                        totaal ... m²</al><lijst><li nr="·"><al>BVO specifieke ruimte Handel/verkoop administratie (netto m² x 1,67)
                                ... m²</al></li><li nr="·"><al>BVO specifieke ruimte (uiterlijke) verzorging/mode en commercie ...
                                m² (netto m² x 1,67) </al></li><li nr="·"><al>BVO werkplaatsen Techniek Algemeen (netto m² x 1,38) ... m²</al></li><li nr="·"><al>BVO werkplaatsen Grafische Techniek (netto m² x 1,38) ... m²</al></li><li nr="·"><al>BVO werkplaatsen Landbouw (netto m² x 1,38) ... m²</al></li><li nr="·"><al>BVO werkplaatsen AMVB (netto m² x 1,67) ... m²</al></li><li nr="·"><al>BVO werkplaatsen consumptief (netto m² x 1,38) ... m²</al></li></lijst><al>= Algemene ruimte ... m² Het bovenstaande betekent voor inventaris dat als
                        een school goedkope ruimte moet ombouwen voor dure ruimte, het verschil in
                        inventariskosten wordt gecompenseerd. Dit kan gebeuren als algemene ruimte
                        verbouwd wordt tot werkplaats of specifieke ruimte. Andersom kan ook
                        voorkomen, dat de school gekort wordt op het bedrag voor inventaris als
                        werkplaatsen of specifieke ruimte wordt verbouwd tot algemene ruimte. Bij
                        dit laatste kan het in uitzonderlijke gevallen voorkomen dat het
                        totaalbedrag negatief wordt. In dit uitzonderlijke geval wordt het bedrag
                        voor inventaris op nul gezet. </al><al><vet>Gymnastiek</vet> Voor gymnastiek wordt een aparte vergelijking gemaakt
                        tussen het aantal gymzalen waar normatief recht op bestaat en het aantal
                        aanwezige zalen. Bij uitbreiding van een oefenvloer tot 252 m² kan het
                        normbedrag aan inventaris/investeringskosten worden berekend door: </al><lijst><li nr="·"><al>vermenigvuldiging van de netto m² met 1,3 tot BVO;</al></li><li nr="·"><al>door vermenigvuldiging van deze BVO met het aantal normbedrag per
                                vierkante meter voor inventaris/investeringskosten.</al></li></lijst><al><vet>4 Indexering</vet> Op grond van artikel 102, derde lid WPO; artikel
                        100, derde lid WEC en artikel 76m, derde lid WVO, is de gemeente verplicht
                        normen vast te stellen aan de hand waarvan bedragen kunnen worden
                        vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting. Een aantal
                        voorzieningen, zoals aanpassing en onderhoud, zal worden bekostigd nadat een
                        offerte is uitgebracht en beoordeeld. Deze voorzieningen zijn gezien de
                        enorme verscheidenheid niet of nauwelijks zinvol te normeren. Voorzieningen
                        als nieuwbouw en uitbreiding kunnen op basis van normbedragen worden
                        bekostigd. De vastgestelde normbedragen zullen jaarlijks moeten worden
                        aangepast aan het geldende prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een
                        indexcijfer wordt het normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. Ten
                        behoeve van bijvoorbeeld de begrotingsvoorbereiding kan dan worden uitgegaan
                        van vaststaande cijfers in het volgende jaar door met behulp van zogenaamde
                        MEV-cijfers het prijspeil voor een volgend jaar te prognosticeren. Door deze
                        methodiek van toepassing te verklaren, liggen de vergoedingen voor de
                        voorzieningen vast.. Jaarlijks wordt het prijsniveau gepubliceerd van het
                        daaropvolgende jaar. Voor iedere volgende prijsbijstelling zal het
                        gepubliceerde prijsniveau eerst moeten worden herleid naar het werkelijk
                        prijspeil, dus een 'terugcorrectie' met het MEV-cijfer. De keuze van
                        indexcijfer is vrij. Het is echter wel van belang deze keuze in de
                        verordening vast te leggen. De vaststelling van de index is jaarlijks. De
                        vaststelling kan tegelijkertijd plaatsvinden met de vaststelling van het
                        programma en het overzicht. Gezien het tijdstip van vaststellen van het
                        programma en het overzicht kan zonder problemen ook het MEV-cijfer worden
                        gehanteerd omdat dit cijfer definitief bekend wordt gemaakt op de derde
                        dinsdag in september. Een alternatief voor het hanteren van de MEV-cijfers
                        is het gebruik maken van een inflatiecomponent zoals deze wordt gehanteerd
                        ten behoeve van de gemeentebegroting; ook kan het percentage waarmee het
                        Gemeentefonds wordt aangepast van toepassing worden verklaard bij de
                        bijstelling van de normbedragen. <vet>Deel B Vergoeding op basis van
                            feitelijke kosten</vet> In deze modelverordening is getracht zoveel
                        mogelijk vergoedingen te normeren (deel A). Voor een beperkt aantal
                        voorzieningen is echter geen genormeerde vergoeding opgenomen. Deze
                        voorzieningen dienen derhalve op basis van feitelijke kosten te worden
                        vergoed. Uiteraard kan op lokaal niveau een andere scheiding tussen de
                        genormeerde vergoeding en vergoeding op basis van feitelijke kosten worden
                        gemaakt. Deze keuze dient echter wel vastgelegd te worden in artikel 4 van
                        de verordening. In aanvulling op deel A is vergoeding op basis van
                        feitelijke kosten, volgens deze modelverordening, van toepassing op de
                        volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="·"><al>verplaatsing van noodlokalen c.q. sloop van noodlokalen;</al></li><li nr="·"><al>nieuwbouw van een bad voor watergewenning of bewegingstherapie
                                (V)SO;</al></li><li nr="·"><al>aanpassingen aan gebouwen (in het primair en speciaal
                                onderwijs);</al></li><li nr="·"><al>onderhoud aan gebouwen (in het primair en speciaal onderwijs);</al></li><li nr="·"><al>herstel van constructiefouten;</al></li><li nr="·"><al>herstel van schade;</al></li><li nr="·"><al>kosten van bouwvoorbereiding; alsmede </al></li><li nr="·"><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand
                                gebouw;</al></li><li nr="·"><al>aankoop van terreinen;</al></li><li nr="·"><al>huur van gymnastiekruimten van derden;</al></li><li nr="·"><al>huur van bestaande gebouwen.</al></li></lijst><al>Bij vergoeding op basis van feitelijke kosten zijn de aanbestedingsregels,
                        zoals vastgelegd in deze verordening, van toepassing. Dit geldt uiteraard
                        niet voor aankoop c.q. huur van gebouwen en terreinen. Voor deze
                        voorzieningen worden de overeengekomen aankoop- of huurprijs vergoed.
                            <vet>Procedure vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet>
                        Vergoeding op basis van feitelijke kosten betekent dat de hoogte van de
                        vergoeding wordt gebaseerd op de daadwerkelijke geoffreerde prijs van de uit
                        te voeren voorziening. Omdat offertes over het algemeen een beperkte
                        geldigheidsduur hebben moet in de procedure voor de vaststelling van het
                        programma worden gewerkt met een kostenraming. In eerste instantie dient de
                        aanvrager deze kostenraming bij de aanvraag te voegen. Ten behoeve van de
                        vaststelling van het bedrag en het programma wordt deze kostenraming
                        beoordeeld en zonodig door de gemeente bijgesteld c.q. geactualiseerd. Dit
                        bedrag wordt na vaststelling van het programma in de beschikking voor de
                        aanvrager vermeld. Dit bedrag is echter geen taakstellend budget (er kunnen
                        derhalve geen rechten aan worden ontleend). De daadwerkelijke hoogte van de
                        vergoeding wordt bepaald aan de hand van de laagste geoffreerde prijs. Dat
                        kan derhalve leiden tot meer- of minderkosten ten opzichte van de raming.
                        Deze meer- of minderkosten hebben geen invloed meer op de voorzieningen, die
                        op het reeds vastgestelde programma en overzicht zijn geplaatst.
                            <vet>Aanbestedingsregels¹</vet> Het schoolbestuur is bij de realisering
                        van de diverse onderwijshuisvestingsvoorzieningen bouwheer, tenzij
                        schoolbestuur en college anders overeenkomen. Dit vloeit voort uit de
                        diverse onderwijswetten (artikel 103 van de Wet op het Primair Onderwijs,
                        artikel 101 van de Wet op de Expertisecentra en artikel 76n. van de Wet op
                        het Voortgezet Onderwijs). Hieruit vloeit voort dat als het schoolbestuur
                        als bouwheer optreedt, het ook de aanbesteding regelt en zich dient te
                        houden aan de van toepassing zijnde aanbestedingsregels. <vet>Type
                            voorziening van belang bij aanbesteding</vet> Voor wat betreft de
                        aanbesteding maakt de (model-) verordening voorzieningen huisvesting
                        onderwijs onderscheid tussen onderwijshuisvestingsvoorzieningen die worden
                        vergoed op basis van normbedragen en voorzieningen die worden vergoed op
                        basis van feitelijke kosten (artikel 4 van de (model-) verordening).
                            <vet>Vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet> Aangezien de
                        daadwerkelijke hoogte van de vergoeding van dit type voorzieningen wordt
                        gebaseerd op de laagst geoffreerde prijs is het van belang dat het vragen
                        van offertes door middel van een aanbestedingsprocedure op zeer zorgvuldige
                        wijze gebeurt. Alhoewel het schoolbestuur in principe bouwheer is, mag de
                        gemeente, met het oog op de gewenste zorgvuldigheid en de prijsvorming,
                        eisen stellen aan de te volgen aanbestedingsprocedure. In het overleg tussen
                        aanvrager en gemeente ingevolge artikel 15 van de (model-) verordening
                        worden nadere afspraken gemaakt over de te volgen aanbestedingsprocedure.
                        Als uitgangspunt hierbij geldt dat op basis van het vastgestelde
                        gemeentelijk beleid wordt bepaald op welke wijze een opdracht wordt
                        aanbesteed, tenzij het college na overleg anders beslist. Indien de omvang
                        van een opdracht of contract boven een bepaald drempelbedrag uitkomt, worden
                        ingevolge het Besluit overheidsaanbestedingen de richtlijnen van de Europese
                        Unie (2004/18/EG) toegepast. Op opdrachten onder het Europees drempelbedrag
                        zijn de richtlijnen uit het Besluit overheidsaanbestedingen, van toepassing.
                            <vet>Vergoeding op basis van normbedragen</vet> Voor voorzieningen die
                        op basis van een normbedrag worden vergoed, geldt het gestelde in Bijlage
                        IV, Deel B in mindere mate. De reden hiervoor is het feit dat het normbedrag
                        gezien moet worden als een voor het schoolbestuur taakstellend budget,
                        waarbinnen de voorziening moet worden gerealiseerd. Daardoor is het
                        financiële risico voor de gemeente beperkter. Desondanks is het
                        schoolbestuur voor wat betreft de besteding van het normbedrag ook voor dit
                        type voorzieningen gebonden aan de bepalingen in het eerder genoemde Besluit
                        overheidsaanbestedingen. Een schoolbestuur wordt namelijk aangemerkt als een
                        ‘publiekrechtelijke instelling’. De reden hiervoor is dat het gaat om de
                        inzet van publieke middelen. Zowel voor voorzieningen die beschikbaar worden
                        gesteld op basis van normbedragen als voorzieningen op basis van feitelijke
                        kosten gelden de van toepassing zijnde aanbestedingsregelgeving. Voor de
                        laatstgenoemde categorie gaat de betrokkenheid van de gemeente verder omdat
                        het financiële risico daar groter is. Het is zaak om hierover in het
                        uitvoeringsoverleg ingevolge artikel 15 van de modelverordening vooraf goede
                        afspraken te maken. <vet>Deel C Bepaling medegebruikstarieven</vet>
                        Medegebruik is in eerste instantie de competentie van de schoolbesturen.
                        Indien medegebruik plaatsvindt maken de schoolbesturen onderling afspraken
                        over een aantal zaken, waaronder de vergoeding die de medegebruikende school
                        aan de eigenaar geeft. Mocht hierover geen overeenstemming ontstaan, kan de
                        gemeente de hoogte van de vergoeding bepalen. Het medegebruikstarief
                        voorziet in een vergoeding voor de gebouwafhankelijke kosten, zoals gas,
                        water, licht en dergelijke. In het bekostigingsstelsel voor de materiële
                        instandhouding voor het basisonderwijs is dit bedrag vormgegeven in het
                        bedrag dat voor elke groep meer dan zes groepen ter beschikking wordt
                        gesteld. Dit bedrag is tevens van toepassing voor medegebruik in het
                        (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs. Voor 2008 was
                        de vergoeding € 4.285,- (zie PvE 2004) </al><al><vet>TOELICHTING BIJLAGE V</vet> Voor de vaststelling van het programma moet
                        in de situatie dat het beschikbaar gestelde of beschikbaar te stellen budget
                        onvoldoende is voor alle potentiële toekenningen - alle aanvragen voor
                        voorzieningen die voldoen aan de beoordelingscriteria en die niet een
                        spoedeisend zijn - een nadere en eenduidige volgorde worden vastgesteld. De
                        urgentiecriteria zijn dan nodig om te bepalen welke voorzieningen
                        achtereenvolgens als eerste in aanmerking komen voor bekostiging. Indien het
                        budget ruim genoeg is, behoeven de urgentiecriteria niet te worden toegepast
                        en volstaat het toepassen van de beoordelingscriteria en de toekenning van
                        een bedrag, dus de beschreven regels in de bijlagen I tot en met IV. Indien
                        het vast te stellen budget onvoldoende ruimte biedt, ontkomt het college
                        niet aan toepassing van de urgentiecriteria. Exacte en daarmee correcte
                        toepassing is zeer belangrijk, omdat de aandacht van het college zeker zal
                        uitgaan naar de voorzieningen waarvoor geen budget meer is. Voor het staande
                        houden van een budgettaire afwijzing in beroep is het nodig de criteria die
                        de volgorde bepalen, eenduidig vast te leggen en in de uitvoering daaraan
                        strikt de hand te houden. Met de hieronder gehanteerde indeling in hoofd- en
                        subprioriteiten is dit mogelijk. De zorg voor adequate huisvesting betekent
                        concreet dat het vastgestelde bedrag voor het programma minimaal zo groot
                        dient te zijn dat:</al><lijst><li nr="a"><al>elke groep een dak boven het hoofd kan worden geboden (medegebruik/
                                nieuwbouw/uitbreiding; blijvend of tijdelijk); </al></li><li nr="b"><al>vervanging en onderhoud/aanpassing (bouwkundige calamiteiten,
                                constructiefouten, herstel en vervanging van schade in verband met
                                bijzondere omstandigheden) absoluut noodzakelijk om de voortgang van
                                het onderwijs niet in gevaar te brengen, worden vergoed;</al></li><li nr="c"><al>voor alle aanwezige leerlingen eerste aanschaf van
                                onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair wordt
                                vergoed.</al></li></lijst><al>Deze voorzieningen zullen altijd moeten worden toegekend los van het feit of
                        het budget het op dat moment toelaat of niet. Dat kan invloed hebben op het
                        budget voor de volgende programma's en op de mogelijkheden andere, minder
                        urgente voorzieningen toe te kennen. Bij twee of meer aanvragen die in één
                        categorie voor bekostiging in aanmerking komen, dient in de hoofdprioriteit
                        nadere invulling plaats te vinden om te bepalen welke aanvraag steeds als
                        eerste op het programma wordt geplaatst. De volgorde van subprioriteit is
                        bepalend voor de volgorde van de lijst van goed te keuren voorzieningen. In
                        de subprioriteiten is met enkelvoudige criteria gewerkt om de bewerkingen
                        niet nodeloos gecompliceerd te maken. De gemeente kan één integraal budget
                        vaststellen voor alle drie de onderwijssectoren tezamen. Dit zorgt voor een
                        integrale afweging. Van die systematiek is in de modelverordening uitgegaan.
                        De gemeente kan ook deelbudgetten vaststellen. Dat dient dan echter vóór de
                        beoordeling van de voorzieningen plaats te vinden. Indien een gemeente een
                        bepaald beleid wil prioriteren, dan dient dit in de systematiek van de
                        modelverordening te geschieden door een wijziging van de urgentiecriteria,
                        en dus door een wijziging van de verordening. De voorzieningen die in het
                        kader van dat beleid aan de orde zijn worden opgenomen als hoofdprioriteit
                        1. Desgewenst kunnen daarbinnen nog subprioriteiten worden onderscheiden.
                        (Eerste) nieuwbouw, ingebruikneming, uitbreidingen en aanpassingen die
                        capaciteitstoevoegingen inhouden voor hetzelfde relatieve aandeel, worden
                        gelijkgeschakeld qua prioriteit ongeacht de onderwijssector, de benodigde
                        oppervlakte en de kosten. De prioriteit is hier dus hoger naarmate de
                        voorziening bestemd is voor een groter deel van de school (de prioriteit
                        wordt dus in een percentage uitgedrukt). Herschikking levert altijd een
                        extra waarde op ten opzichte van de som van individuele nieuwbouw en
                        uitbreidingen. In de fase van de beoordeling moet scherp gelet worden op de
                        noodzakelijkheid van elk van de in de herschikking gevraagde voorzieningen
                        om te voorkomen dat er een sluiproute ontstaat voor individuele aanvragen.
                        De afweging van de volgorde bij de voorzieningen voor een adequaat
                        onderhoudsniveau wordt op basis van de conditie van het onderdeel of de
                        onderdelen gemaakt. Er wordt gewerkt met scores van het bouwkundig onderzoek
                        en de hoogte van de scores bepaalt de volgorde. De slechtste conditie wordt
                        als eerste gehonoreerd. In de subprioriteit bij de hoofdprioriteiten 2 en 3
                        is een volgorde qua gewicht bepaald: eerst voorzieningen als het hele gebouw
                        een zekere mate van onderhoud/aanpassingen nodig heeft; vervolgens
                        voorzieningen voor (bepaalde) lesruimten en eindigend met overige
                        ruimten/niet-lesgebouwen. De aanpassingen om te voldoen aan wettelijke
                        verplichtingen vallen onder hoofdprioriteit 3. Voor zover sancties dreigen,
                        die leiden tot sluiting van het schoolgebouw op korte termijn indien niet
                        aan het vereiste wordt voldaan, is er sprake van een voorziening die
                        spoedeisend is.</al><al> Samenvatting urgentiecriteria:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdprioriteiten</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Subprioriteiten</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Rangorde bepaling door:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 capaciteitstekorten</al></entry><entry colname="col2"><al>a met herschikking</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage capaciteitstekort </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>b zonder herschikking</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>c bij gymnastiekruimten</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage capaciteitstekort</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 adequaat onderhoudsniveau</al></entry><entry colname="col2"><al>a gebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>b theorie-/leslokaal</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>c vak-/speellokaal/ gymnastiekruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>d niet-lesruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>e overige ruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 voldoen aan wettelijke verplichtingen</al></entry><entry colname="col2"><al>a gebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>b theorie-/leslokaal</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>c vak-/speellokaal/ gymnastiekruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>d niet-lesruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>e overige ruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>score bouwkundige kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 nieuwe onderwijskundige inzichten c.a.</al></entry><entry colname="col2"><al>a voor theorie-/leslokalen</al></entry><entry colname="col3"><al>percentage leerlingen waar voor nieuw onderwijskundig
                                            beleid geldt</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b voor vak-/speellokalen/ gymnastiekruimten</al></entry><entry colname="col2"><al>percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig
                                            beleid geldt</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>c overige (toekomstige) onderwijsruimten percentage
                                            leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid
                                            geldt</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>d herstel/vervanging schade in bijzondere
                                            omstandigheden,voor zover niet spoedeisend mate van
                                            ernst van de schade</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e overige activiteiten</al></entry><entry colname="col2"><al>ouderdom van het gebouw </al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Voorbeeld: Na toepassing van de beoordelingscriteria blijken er in de
                        gemeente X zeven aanvragen te zijn, die potentieel voor goedkeuring in
                        aanmerking komen. Het totale bedrag, dat hiermee gemoeid is bedraagt €
                        730.000,-. Het gaat om de volgende aanvragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="53*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwerp:</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedrag:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a Aanpassingen t.b.v. studiehuis V.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>220.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b wettelijke aanpassing lokaal B.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>10.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c wettelijke aanpassing lokaal B.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>40.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d Uitbreiding 1 groep</al></entry><entry colname="col2"><al>50.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e Uitbreiding oefenvloer</al></entry><entry colname="col2"><al>300.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f Vervangen dak B.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>30.000,-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g Vervangen erfscheiding V.S.O.</al></entry><entry colname="col2"><al>80.000,-</al></entry><entry colname="col3"><al>TOTAAL: </al></entry><entry colname="col4"><al>730.000,-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Deze zeven aanvragen worden allereerst ingedeeld in hoofd- en
                        subprioriteiten, vervolgens voorzien van de score en ten slotte in volgorde
                        van de urgentiecriteria gezet. Daar waar meerdere aanvragen in dezelfde
                        hoofd- en subprioriteit voorkomen komt als eerste de aanvraag met de hoogste
                        score. De score wordt als volgt bepaald:</al><lijst><li nr="·"><al>Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 1 door het relatieve tekort aan
                                capaciteit. Bij aanvraag d is het tekort bijvoorbeeld 1 groepsruimte
                                op een aanwezige capaciteit voor 8 groepen. De 55%-score bij
                                aanvraag e komt tot stand omdat de bestaande oefenvloer van 140 m²
                                wordt uitgebreid tot 252 m²; </al></li><li nr="·"><al>Voor de aanvragen in de hoofdprioriteiten 2 en 3 door de uitkomst
                                van de bouwtechnische opname. Hoe hoger de score hoe meer noodzaak
                                het probleem aan te pakken;</al></li><li nr="·"><al>Voor de aanvragen in hoofdprioriteit 4 door het relatieve gebruik
                                van de onderwijskundige vernieuwing. </al></li></lijst><al>Bij aanvraag a is de score bijvoorbeeld 33%, omdat de vernieuwing voor de
                        bovenste twee leerjaren van een zes leerjaren tellende opleiding is
                        bedoeld.</al></divisie></bijlage></regeling></body></cvdr>