<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR111140_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Inburgering 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-07-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Uitkijkpost, 27-07-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening inburgering gemeente Heiloo 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0020611">Wet inburgering, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0020611">Wet inburgering, art. 19, lid 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0020611">Wet inburgering, art. 23, lid 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0020611">Wet inburgering, art. 24a, lid 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0020611">Wet inburgering, art. 24f</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0020611">Wet inburgering, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0020674">Besluit inburgering, art. 4.27</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-07-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>11-10090</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verordening Inburgering 2011</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De verordening Inburgering zoals vastgesteld op 2 april 2007 wordt ingetrokken.</al><al>Artikel 14 bevat een hardheidsbepaling.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Inburgering 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeenteHeiloo;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering;</al></li><li nr="c."><al>voorziening: een (duale) inburgeringsvoorziening of
                                        taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>inburgeraar: de persoon die op grond van de artikelen 3, 5
                                        en 6 van de Wet inburgering inburgeringplichtig is, alsmede
                                        de personen als bedoeld in artikel 3 van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="e."><al>uitkering: algemene bijstand of een uitkering op grond van
                                        bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen sociale
                                        zekerheidswetten of sociale zekerheidsregelingen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeraars</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeraars op een
                                doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun
                                rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en
                                de toegang tot de voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college richt ten behoeve van de informatieverstrekking aan
                                inburgeraars in ieder geval een gemeentelijk informatiepunt in.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college zal inburgeraars actief benaderen met informatie over de
                                wet en daarmee samenhangende aspecten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college beoordeelt tenminste eens per jaar de doeltreffendheid
                                en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de inburgeraars
                                en rapporteert daarover aan de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de voorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan aan inburgeraars een voorziening aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Naast de persoon die op grond van de artikelen 3, 5 en 6 van de Wet
                                inburgering inburgeringsplichtig is, kan het college een aanbod doen
                                aan inburgeraars met een uitkering op grond van de wet werk en
                                bijstand (WWB).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stemt de voorziening, met uitzondering van de
                                voorziening aan geestelijke bedienaren, af op het startniveau en de
                                vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke
                                positie van de inburgeraar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de inburgeraar een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                                wordt aangeboden, draagt het college er zorg voor dat de
                                inburgeringsvoorziening op de voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt afgestemd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een voorziening kan, naast datgene dat in de wet is geregeld, een of
                                meer van de volgende onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr=""><al>voortgangsgesprekken</al></li><li nr=""><al>stageperiode</al></li><li nr=""><al>trajectbegeleiding</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in ten hoogste zes termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot vaststelling van de
                                voorziening de termijnen van betaling vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een inburgeraar bij beschikking één of meer van de
                                volgende verplichtingen opleggen:</al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                        staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een
                                        tijdstip dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                        omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking
                                        kan worden voldaan;</al></li><li nr="f."><al>overige verplichtingen die het bereiken van het doel van de
                                        voorziening kunnen ondersteunen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In aanvulling op het eerste lid geldt voor de inburgeraar dat
                                hij/zij het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede
                                taal I of II moet behalen op een tijdstip dat door het college wordt
                                bepaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Het aanbod van een voorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                                adres waar de inburgeraar in de gemeentelijke basisadministratie is
                                ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de voorziening die
                                wordt aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die
                                aan de voorziening worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De inburgeraar aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt binnen 2 weken
                                het college schriftelijk mee of hij het aanbod al dan niet
                                aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Wanneer de inburgeraar het aanbod aanvaardt, neemt het college
                                binnen 4 weken na ontvangst van deze mededeling het besluit tot
                                vaststelling van de voorziening overeenkomstig het gedane
                                aanbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het besluit tot vaststelling van de voorziening bevat in ieder
                                geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                        inburgeraar;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                        Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen
                                        bijdrage;</al></li><li nr="e."><al>de voorwaarden voor aanspraak op een premie; en</al></li><li nr="f."><al>ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                        handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26
                                        van de wet, aanvangt. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Persoonlijk inburgeringsbudget</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Doelgroepen persoonlijk inburgeringsbudget</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op verzoek van de inburgeraar kan het college de voorziening
                                aanbieden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget aan
                                inburgeraars die:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van het inburgeringsexamen al beheersen en met
                                        een individueel traject sneller kunnen opgaan voor het
                                        inburgeringsexamen of het staatsexamen, of sneller een
                                        taalkennisvoorziening kunnen afronden;</al></li><li nr="b."><al>heel specifieke wensen hebben ten aanzien van hun
                                        voorziening welke niet passen binnen het reguliere aanbod.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan aan andere inburgeraars dan bedoeld onder a en b van
                                het eerste lid een persoonlijk inburgeringsbudget aanbieden, indien
                                daartoe naar het oordeel van het college aanleiding bestaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overeenkomst met de inburgeringsinstantie</titel></kop><al>Na goedkeuring door het college van het voorstel van de inburgeraar met
                            betrekking tot de keuze van de inburgeringsinstantie en het
                            inburgeringsprogramma, sluiten het college en de inburgeraar tezamen een
                            overeenkomst met betrekking tot de inburgering en de
                            inburgeringsinstantie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste 20 % van de bijstandsnorm
                                per maand die voor de inburgeraar geldt of zou gelden als hij
                                belanghebbende in de zin van de Wet werk en bijstand zou zijn,
                                indien de inburgeraar of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste 20 % van de bijstandsnorm
                                per maand die voor de inburgeraar geldt of zou gelden als hij
                                belanghebbende in de zin van de Wet werk en bijstand zou zijn,
                                indien de inburgeraar geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde voorziening, bedoeld in
                                artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de verplichtingen, bedoeld
                                in artikel 6 van deze verordening</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 500,- indien de inburgeraar niet
                                binnen de in artikel 7, eerste lid, van de wet bedoelde termijn of
                                binnen de door het college op grond van artikel 31, tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet verlengde termijn het inburgeringsexamen
                                heeft behaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, wordt geen bestuurlijke
                                boete opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 11,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste 40% van de bijstandsnorm per maand
                                die voor de inburgeraar geldt of zou gelden als hij belanghebbende
                                in de zin van de Wet werk en bijstand zou zijn, indien de
                                inburgeraar zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar
                                aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde
                                overtreding.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 11,
                                tweede lid, bedraagt ten hoogste 40% van de bijstandsnorm per maand
                                die voor de inburgeraar geldt of zou gelden als hij belanghebbende
                                in de zin van de Wet werk en bijstand zou zijn, indien de
                                inburgeraar zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar
                                aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde
                                overtreding.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 1000,- indien de inburgeraar niet
                                binnen de door het college op grond van artikel 32 van de wet
                                vastgestelde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt € 1000,- indien de inburgeraar niet
                                binnen de door het college op grond van artikel 33 van de wet
                                vastgestelde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Beslissing van het college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na
                                bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De verordening Inburgering zoals vastgesteld op 2 april 2007 wordt
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als de Verordening inburgering gemeente
                            Heiloo 2011.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Algemene en Artikelgewijze toelichting</titel></kop><al><vet>1. Inleiding</vet></al><al>De Wet inburgering (WI) is op 1 januari 2007 in werking
                    getreden en is in de plaats gekomen van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN) en
                    de verschillende oudkomersregelingen. De WI regelt de inburgeringsplicht voor in
                    beginsel alle onderdanen van derdelanden van 16 tot 65 jaar die duurzaam in
                    Nederland willen en mogen verblijven. Sinds de invoering van de wet hebben er
                    vele wetwijzigingen plaatsgevonden. Het gaat om de volgende wijzigingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het college van burgemeester en wethouders krijgt de bevoegdheid om aan
                            iedere inburgeraar een voorziening aan te bieden. Deze wijziging heeft
                            terugwerkende kracht tot en met 1 november 2007.</al></li><li nr="b."><al>Het college krijgt de mogelijkheid om een inburgeringsprogramma aan te
                            bieden dat gericht is op het staatsexamen Nederlands als tweede taal.
                            Deze wijziging heeft terugwerkende kracht tot en met 1 januari
                            2008.</al></li><li nr="c."><al>Het college krijgt de bevoegdheid om in plaats van een voorziening een
                            taalkennisvoorziening aan te bieden aan een inburgeraar die een
                            mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgt of gaat volgen. Deze wijziging
                            werkt terug tot en met 1 september 2008.</al></li></lijst><al>Met ingang van 19 december 2009 is de WI opnieuw gewijzigd. Het gaat om de
                    volgende wijzigingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het college van burgemeester en wethouders krijgt de bevoegdheid om aan
                            vrijwillige inburgeraars een voorziening aan te bieden. Deze wijziging
                            treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.</al></li><li nr="b."><al>De mogelijkheid van het college om een persoonlijk inburgeringsbudget
                            (PIB) aan te bieden aan inburgeraars wordt expliciet opgenomen in de WI.
                            Deze wijziging treedt in werking op 19 december 2009 voor verplichte
                            inburgeraars.</al></li><li nr="c."><al>De handhavingstermijnen zijn geharmoniseerd: de inburgeraar dient het
                            inburgeringsexamen te behalen binnen drie en een half jaar. Deze
                            wijziging treedt in werking met ingang van 19 december 2009.</al></li></lijst><al>Daarnaast heeft er per 31 augustus 2010 een wijziging plaatsgevonden in het
                    Besluit inburgering. Het college kan de inburgeraar op aanvraag ontheffen van
                    inburgerinsgplicht op drie verschillende gronden:</al><lijst><li nr="1."><al>wanneer iemand vanwege lichamelijk en/of psychische gronden of
                            eenverstandelijk handicap blijvend niet in staat is het
                            inburgeringsexamen te behalen;</al></li><li nr="2."><al>wanneer iemand op grond van aantoonbare inspanningen redelijkerwijs niet
                            in staat is het inburgeringsexamen te behalen;</al></li><li nr="3."><al>wanneer iemand naar het oordeel van het college voldoende is
                            ingeburgerd.Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting
                            staat de eigen verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de
                            inburgeraar centraal. De inburgeraar kan naar eigen inzicht bepalen hoe
                            hij zich wil voorbereiden op het inburgeringsexamen. Aan de
                            inburgeringsverplichting is voldaan wanneer het inburgeringsexamen is
                            behaald (een resultaatsverplichting).</al></li></lijst><al><vet>2. Taken op grond van de WI</vet></al><al>De WI geeft de gemeente de opdracht om de
                    inburgeraars in de gemeente goed te informeren over de rechten en plichten die
                    voortvloeien uit deze wet. Daarnaast heeft de gemeente de taak aan inburgeraars
                    die daarvoor op grond van de wet of het gemeentelijk beleid in aanmerking komen
                    een voorziening aan te bieden. Een voorziening leidt inburgeraars toe naar het
                    inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal (NT2). In
                    plaats van een voorziening mogen gemeenten aan inburgeraars die een
                    mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgen of gaan volgen een taalkennisvoorziening
                    aanbieden. Ook moet de gemeente de inburgeringsplicht van inburgeraars
                    handhaven. Het college moet een bestuurlijke boete opleggen als een inburgeraar
                    zich verwijtbaar niet houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden.</al><al><vet>3. Wat bij verordening te regelen?</vet></al><al>In verband met deze taken draagt de
                    WI gemeenten op om bij verordening regels te stellen over de volgende
                    onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al>de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeraars, ter zake
                            van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van het
                            aanbod van en de toegang tot voorzieningen (artikelen 8 en 24f WI);</al></li><li nr="b."><al>met betrekking tot het aanbieden van voorzieningen en over de rechten en
                            plichten van de inburgeraar voor wie een voorziening is vastgesteld
                            (artikel 19, vijfde lid, artikel 23, derde lid, artikel 24a vijfde lid
                            en artikel 24f WI);</al></li><li nr="c."><al>het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 WI); </al></li></lijst><al><onderstreept>ad a</onderstreept>. De artikelen 8 en artikel 24f WI bepalen dat
                    de raad bij verordening regels vaststelt over de informatieverstrekking door de
                    gemeente aan inburgeraars. Het gaat dan om informatie over de rechten en
                    plichten uit hoofde van de WI en informatie over het aanbod van voorzieningen en
                    de toegang tot die voorzieningen.</al><al><onderstreept>ad b</onderstreept>.Het uitgangspunt van de wet is de eigen
                    verantwoordelijkheid van de inburgeraar om te bepalen hoe hij zich voorbereidt
                    op het inburgeringsexamen. Voor een aantal bijzondere groepen biedt de wet extra
                    faciliteiten. De gemeente kan inburgeraars ondersteunen door een voorziening aan
                    te bieden. Aanvankelijk konden gemeenten uitsluitend een aanbod doen aan
                    bepaalde categorieën inburgeraars. Met ingang van 1 november 2007 kunnen
                    gemeenten aan alle inburgeraars een aanbod doen. Gemeenten zijn wel verplicht
                    een voorziening aan te bieden aan alle asielgerechtigde inburgeringsplichtigen
                    (oud- en nieuwkomers) en een voorziening aan te bieden aan nieuw- en oudkomers
                    die werkzaam zijn als geestelijke bedienaar (artikel 19, tweede lid, WI).Een
                    voorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands
                    als tweede taal I of II en omvat het eenmaal kosteloos afleggen van dat examen.
                    De inburgeraar is een eigen bijdrage verschuldigd van € 270,- voor de
                    voorziening of taalkennisvoorziening. Een taalkennisvoorziening is gericht op de
                    verwerving van de kennis van de Nederlands taal die noodzakelijk is voor het
                    kunnen afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid,
                    WI). Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een voorziening ook
                    uit maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid, WI).</al><al>De WI draagt de gemeenteraad op om bij verordening regels te stellen met
                    betrekking tot het aanbieden van een voorziening. In de wet is ook vastgelegd
                    over welke onderwerpen in ieder geval regels moeten worden gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>de procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeraars (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, en artikel
                            24a, vijfde lid onder a, WI).</al></li><li nr="b."><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                            inburgeraars (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, en artikel 24a vijfde
                            lid onder a WI).</al></li><li nr="c."><al>De vaststelling door het college van een passende voorziening, met
                            inbegrip van de totstandkoming en de samenstelling van die voorziening
                            (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, en artikel 24a, vijfde lid onder b
                            WI).</al></li><li nr="d."><al>De rechten en plichten van de inburgeraar voor wie een voorziening is
                            vastgesteld. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de inning
                            van de eigen bijdrage door het college en de mogelijkheid van betaling
                            in termijnen (artikel 23, derde lid, en artikel 24f WI). </al></li></lijst><al><onderstreept>ad c.</onderstreept>Artikel 35 WI draagt gemeenten op bij
                    verordening de hoogte van de bestuurlijke boete vast te stellen die voor de
                    verschillende overtredingen kan worden opgelegd. Artikel 34 van de WI bepaalt
                    het bedrag dat ten hoogste als bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Omwille van leesbaarheid van de
                    verordening wordt het begrip “voorziening” gebruikt (eerste lid, onderdeel c).
                    Een voorziening kan zowel een (duale) voorziening als een taalkennisvoorziening
                    inhouden. De overige begrippen spreken voor zich.Het tweede lid geeft aan dat de
                    omschrijvingen van de begrippen die worden gebruikt in respectievelijk de Wet
                    inburgering, het Besluit inburgering en de Regeling inburgering ook van
                    toepassing zijn op deze verordening.</al><al><vet>Artikel 2 De informatieverstrekking aan inburgeraars</vet></al><al>Het college heeft
                    als taak de inburgeraars in haar gemeente goed te informeren over de rechten en
                    plichten die voortvloeien uit de Wet inburgering. De wet laat gemeenten vrij om
                    zelf te bepalen op welke wijze de informatievoorziening wordt georganiseerd. Wel
                    bepalen de artikelen 8 WI en 24f WI dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeraars ter
                    zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze wet. Ten aanzien van
                    inburgeraars dienen ook regels te worden vastgesteld ter zake van het aanbod van
                    en de toegang tot voorzieningen.</al><al><vet>Artikel 3 Aanwijzen van de doelgroepen</vet></al><al>Het college kan aan alle
                    inburgeraars een aanbod doen voor een voorziening of taalkennisvoorziening
                    (artikel 19, eerste lid, en 24a vijfde lid onder a WI). Het college is echter
                    verplicht een voorziening aan te bieden aan asielgerechtigden en een voorziening
                    aan geestelijke bedienaren.</al><al>Op grond van artikel 19, vijfde lid, onderdeel a, en 24a vijfde lid onder a WI
                    moet de gemeenteraad bij verordening regels stellen met betrekking tot de
                    criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan inburgeraars .
                    Dit artikel vormt de uitwerking van deze verplichting. In dit artikel wordt het
                    college opgedragen om vast te stellen aan welke groepen inburgeraars bij
                    voorrang een voorziening kan worden aangeboden. Bovendien wordt in dit artikel
                    vastgelegd binnen welke kaders het college tot zijn keuze van doelgroepen moet
                    komen.</al><al>De raad kiest ervoor om in de verordening de gemeentelijke doelgroepen zelf te
                    benoemen. Om te voorkomen dat inburgeraars die behoren tot de groep die het
                    college heeft aangewezen aan deze aanwijzing een recht gaan ontlenen op het
                    krijgen van een aanbod, bepaalt dit artikel dat het college aan de groepen die
                    hij aanwijst een voorziening kan aanbieden. Uitgangspunt is dat het college aan
                    alle inburgeringsplichtigen met een WWB uitkering een aanbod doet. Echter, het
                    budget is leidend. Het college legt daarom jaarlijks vast op basis van het
                    beschikbare budget, aan hoeveel personen behorend tot de gemeentelijke doelgroep
                    een aanbod kan worden gedaan. Het college geeft daarnaast jaarlijks aan of, en
                    hoe zij het re-integratiebudget (binnen het Participatiebudget) kan inzetten
                    wanneer niet alle personen behorend tot de doelgroep een aanbod kan worden
                    gedaan.In het tweede lid van artikel 3 is de doelgroep, naast de
                    inburgeringsplichtigen op grond van de wet, beperkt tot personen met een
                    uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Aan personen met een WWB
                    uitkering kan het college een inburgeringsvoorziening aanbieden; het college
                    financiert en faciliteert in die gevallen.</al><al><vet>Artikel 4 De samenstelling van de voorziening</vet></al><al>In de verordening dienen
                    regels te worden gesteld met betrekking tot de vaststelling door het college van
                    een passende (duale) voorziening, met inbegrip van de totstandkoming en
                    samenstelling van die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In
                    dit artikel worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht
                    heeft voor iedere inburgeraar die daarvoor in aanmerking komt, een op de persoon
                    toegesneden voorziening samen te stellen. In het eerste lid wordt aangegeven op
                    welke wijze het college een passende voorziening moet vaststellen. Bij het
                    bepalen van de passendheid van een voorziening kunnen de volgende factoren een
                    rol spelen:</al><lijst><li nr="a."><al>de kennis van de inburgeraar van de Nederlandse taal en de Nederlandse
                            samenleving en zijn of haar leercapaciteit.</al></li><li nr="b."><al>De maatschappelijke rol die de inburgeraar vervult of gaat vervullen in
                            de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan het
                            verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden van kinderen.</al></li><li nr="c."><al>De persoonlijke situatie van de inburgeraar. Daarbij kan bijvoorbeeld
                            worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de inburgeraar moet
                            vervullen.</al></li></lijst><al>De samenstelling van de voorziening voor geestelijke bedienaren wordt geregeld
                    bij ministeriële regeling. De gemeente heeft dus niet de mogelijkheid om de
                    voorziening die zij aan geestelijke bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm
                    te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeraars die een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de voorziening
                    daarmee te combineren. De Wet inburgering bepaalt dat de voorziening
                    gecombineerd moet worden met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                    (re-integratievoorziening) als een voorziening wordt aangeboden aan een
                    inburgeraar die bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt op grond van
                    een andere socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling én deze verplicht
                    is om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI). Het
                    college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde voorziening
                    (artikel 20, tweede lid, WI).</al><al>Artikel 19, vierde lid, WI draagt het college op om er voor te zorgen dat de
                    voorziening wordt afgestemd op de mogelijkheden van betrokkene tot
                    arbeidsinschakeling. De voorziening dient dus te worden afgestemd op de
                    re-integratievoorziening. Aangezien de re-integratievoorziening in het kader van
                    de uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of –regelingen
                    ook door andere partijen dan het college wordt verstrekt, zal het college
                    afspraken moeten maken met de verantwoordelijke uitvoerders van de
                    socialezekerheidswet of –regeling: het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV), eigenrisicodragers of overheidswerkgevers
                    (artikel 21 WI).</al><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel
                    van de voorziening kan opnemen. In de wet is geregeld waaruit een voorziening in
                    ieder geval moet bestaan: een cursus die toe leidt naar het inburgerinsgexamen
                    of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en het eenmaal kosteloos
                    afleggen van het desbetreffende examen (artikel 19, derde lid, WI).</al><al>Voor asielgerechtigde inburgeraars (oud- én nieuwkomers) maakt ook
                    maatschappelijke begeleiding een verplicht onderdeel uit van de voorziening
                    (artikel 19, zesde lid, WI). Wat betreft de bijkomende faciliteiten die het
                    college als onderdeel van de voorziening voor inburgeraars kan opnemen, kan
                    worden gedacht aan trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van
                    voortgangsgesprekken met de inburgeraars. Ook kan worden gedacht aan een
                    uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een maatschappelijke
                    stage of een aparte module die gericht is op het verwerven van kennis van de
                    Nederlandse samenleving.</al><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral van
                    belang zijn bij inburgeraars die geen voorziening in combinatie met een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling krijgen. Bij voorzieningen gericht op
                    arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten reeds een vast
                    onderdeel.</al><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook een
                    praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden worden
                    getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de voorziening ook
                    rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van deze vaardigheden. Daarbij zal
                    de inzet van duale trajecten een belangrijke rol vervullen.</al><al><vet>Artikel 5 De inning van de eigen bijdrage</vet></al><al>In de verordening moeten
                    regels worden gesteld die betrekking hebben op de inning van de eigen bijdrage
                    van de inburgeraar door het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen
                    (artikel 23, derde lid, WI). De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de
                    wet en bedraagt € 270,-* . Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur
                    worden gewijzigd (artikel 23, tweede lid, WI). * Peildatum 01-01-2011</al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de inburgeraar het recht
                    heeft de eigen bijdrage in een aantal termijnen te betalen. Artikel 24, eerste
                    lid, WI maakt het bij inburgeraars die algemene bijstand ontvangen mogelijk dat
                    het college de eigen bijdrage verrekent met deze uitkering. Als het college wil
                    overgaan tot verrekening, moet dat worden vastgelegd in de beschikking tot
                    vaststelling van de voorziening. Als de inburgeraar een uitkering van het UWV
                    ontvangt, kan het college het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met
                    of in te houden op de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit
                    geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze wijze van
                    verrekening geschiedt door het UWV en niet door de gemeente, en wordt dus niet
                    in deze verordening geregeld.</al><al><vet>Artikel 6 Opleggen van verplichtingen</vet></al><al>Dit artikel vormt de uitwerking
                    van artikel 23, derde lid, WI dat bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening
                    regels stelt over de rechten en plichten van de inburgeraars voor wie een
                    voorziening is vastgesteld. Dit artikel vormt de basis voor de verplichtingen
                    die het college in de beschikking tot vaststelling van de voorziening
                    vastlegt.</al><al><vet>Artikel 7 De procedure van het doen van een aanbod</vet></al><al>Dit artikel bevat
                    enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat het doen van een
                    aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat zo’n aanbod de
                    start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een besluit tot het
                    toekennen van een voorziening.</al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van
                    een voorziening aan de inburgeraar op schriftelijke wijze doet en dat het aanbod
                    wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeraar staat ingeschreven in de
                    GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan over het feit dat het
                    college de inburgeraar een aanbod heeft gedaan.</al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke
                    beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens
                    worden opgevat als instemming met de beschikking tot het vaststellen van de
                    voorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). Deze beschikking
                    moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het vierde lid).</al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeraar het aanbod
                    aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente meedeelt (het
                    derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke mededeling geschiedt
                    in de vorm van het laten ondertekenen door de inburgeraar van een verklaring die
                    door de gemeente is opgesteld. Indien de inburgeringsplichtige het aanbod
                    aanvaardt, neemt het college binnen 4 weken na ontvangst van deze mededeling het
                    besluit tot vaststelling van de voorziening, overeenkomstig het gedane aanbod
                    (het vijfde lid). De termijn voor het nemen van een besluit is uiterlijk 8
                    weken, in verband met de invoering van de Wet Dwangsom.</al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeraar aan de gemeente meldt dat hij
                    wel een voorziening wil, maar dat hij gelet op zijn situatie bepaalde
                    wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod van de gemeente. Als de
                    gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane aanbod moeten aanpassen.
                    Een inburgeraar hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de inburgeraar het
                    aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten voorbereiden op het
                    inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is er geen termijn vastgesteld
                    waarbinnen de betreffende persoon het inburgeringsexamen moet hebben behaald.
                    Het ligt voor de hand dat het college in een dergelijke situatie een
                    handhavingsbeschikking neemt: een besluit op grond van artikel 26 WI waarmee de
                    termijn van start gaat waarbinnen de inburgeraar het inburgeringsexamen moeten
                    hebben behaald (drie en een half jaar na aanvang van deze termijn). Het verdient
                    de aanbeveling dat het college deze handelwijze vastlegt in beleidsregels, zodat
                    tevoren voor betrokkenen duidelijk is (of zou kunnen zijn) wat de gevolgen zijn
                    van het weigeren van een aanbod voor een voorziening.</al><al><vet>Artikel 8 De inhoud van de beschikking</vet></al><al>Het besluit tot het vaststellen
                    van een voorziening is een beschikking. Dit betekent dat de inburgeraar de
                    mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit
                    artikel wordt geregeld welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten
                    worden neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan verbonden
                    rechten en plichten van de inburgeraar nauwkeurig moeten worden vermeld
                    (onderdelen a en b). De inburgeraar is verplicht zijn medewerking te verlenen
                    aan de uitvoering van de voorziening (artikel 23, eerste lid, WI). Handhaving
                    hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen van de inburgeraar duidelijk
                    zijn omschreven en aan de betrokkene (onder andere door middel van de
                    beschikking) bekend zijn gemaakt.</al><al>De termijn waarbinnen een inburgeraar het inburgeringsexamen moet hebben
                    behaald, ligt vast in de wet. Deze termijn is drie en een half jaar (artikel 7,
                    eerste lid, WI). In de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen
                    melding worden gemaakt (onderdeel c). Onderdeel d bepaalt dat in de beschikking
                    moet worden vastgelegd in hoeveel termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald
                    en op welke wijze de betaling plaatsvindt. Dit is geregeld in artikel 7 van de
                    verordening.</al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor inburgeringsplichtige
                    oudkomers. Indien het college een voorziening vaststelt voor een oudkomer, dan
                    moet het college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop de
                    termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat (artikel 22,
                    tweede lid en artikel 26 WI). Binnen drie en een half jaar ná deze datum moet de
                    betreffende oudkomer het inburgeringsexamen hebben behaald. Het college kan zelf
                    bepalen wanneer de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start
                    gaat. Het ligt voor de hand om deze termijn direct te laten ingaan (en
                    bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop de voorziening van start
                    gaat). De precieze datum waarop de voorziening van start gaat, zal niet altijd
                    bekend zijn op het moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het
                    vaststellen van een datum van aanvang van handhaving van de inburgeringsplicht,
                    onafhankelijk van het moment waarop met de voorziening kan worden begonnen bij
                    het uitgangspunt van de wet dat de betreffende persoon als oudkomer
                    inburgeringsplichtig is en in beginsel zelf verantwoordelijk is voor het behalen
                    van het inburgeringsexamen.</al><al><vet>Artikel 9 Doelgroepen persoonlijk inburgeringsbudget</vet></al><al>Gemeenten zijn
                    vrij in hun keuze van de doelgroep van PIB’ers. Het Rijk stelt hieraan geen
                    eisen. Iedereen kan in principe een PIB aanvragen en gemeenten kunnen in
                    principe aan iedereen een PIB aanbieden. De raad heeft ervoor gekozen
                    doelgroepen te benoemen die in aanmerking kunnen komen voor een PIB.</al><al>De eerste doelgroep betreft inburgeraars die al onderdelen van het
                    inburgeringsexamen beheersen en met een individueel traject sneller kunnen
                    opgaan voor het examen, of sneller een taalkennisvoorziening kunnen afronden.
                    Als aan beide voorwaarden is voldaan kan het efficiënter zijn de voorziening in
                    de vorm van een PIB aan te bieden.</al><al>De tweede doelgroep betreft inburgeraars die heel specifieke wensen hebben ten
                    aanzien van hun voorziening en niet passen binnen het reguliere aanbod. Dit kan
                    bijvoorbeeld van toepassing zijn bij slechthorenden, gehandicapten, werkenden of
                    hoogopgeleiden die een studie willen volgen. Als aan beide voorwaarden is
                    voldaan kan ook voor deze inburgeraars een voorziening in de vorm van een PIB
                    maatwerk opleveren waardoor zij eerder kunnen inburgeren.</al><al>Daarnaast heeft het college de bevoegdheid desgevraagd een PIB toe te kennen aan
                    inburgeraars die niet tot de doelgroepen onder a en b behoren.</al><al><vet>Artikel 10 Overeenkomst met de inburgeringsinstantie</vet></al><al>In artikel 4.27,
                    derde lid, van het Besluit inburgering is opgenomen dat de gemeenteraad bij
                    verordening bepaalt wie als enige partij of partijen met de
                    inburgeringsinstantie een overeenkomst met betrekking tot de inburgering van de
                    inburgeraar sluit. In artikel 11 van deze verordening is opgenomen dat de
                    overeenkomst met de inburgeringsinstantie door het college en de inburgeraar
                    tezamen wordt gesloten. Doordat de inburgeraar partij is bij de overeenkomst met
                    de inburgeringsinstantie, wordt recht gedaan aan het uitgangspunt in het
                    gemeentelijk beleid dat het grondbeginsel voor inburgering de eigen
                    verantwoordelijkheid van de burger is.</al><al><vet>Artikel 11 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                    overtredingen</vet></al><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening
                    de hoogte van de bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                    overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende
                    overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De
                    gemeente kan deze boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan ook
                    lagere bedragen vaststellen. De boetepercentages benoemd in deze verordening
                    zijn gerelateerd aan de percentages als benoemd in de Afstemmingsverordening
                    WWB, IOAW en IOAZ.</al><al>In het kader van de uitvoering van een gecombineerde re-integratie- en
                    inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging (bijvoorbeeld
                    het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken)
                    zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete als voor
                    het verlagen van de bijstand (een maatregel op grond van artikel 18, tweede lid,
                    afstemmingsverordening Wet werk en bijstand) of het opleggen van een boete of
                    maatregel op grond van een andere socialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37
                    WI bevat een regeling voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het
                    college in dat geval géén bestuurlijke boete kan opleggen.</al><al>Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op
                    de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden
                    verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zo nodig rekening houden met de
                    omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 5:46, tweede lid,
                    Algemene wet bestuursrecht). Deze bepaling brengt met zich mee dat het college
                    bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete passend
                    is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken inburgeraar.</al><al><vet>Artikel 12 Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                    overtreding</vet></al><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij
                    herhaling van de overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van
                    artikel 11 mogelijk is. Het eerste en tweede lid kunnen alleen in de verordening
                    worden opgenomen als in artikel 11, eerste en tweede lid, lagere maximum
                    boetebedragen zijn opgenomen dan de maximumbedragen in de wet. De verhoogde
                    boetebedragen ingeval van herhaling van de overtreding mogen uiteraard niet
                    hoger zijn dan de maximumbedragen die in artikel 34 WI worden genoemd. Om te
                    kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de overtredingen
                    zich wel binnen een bepaalde tijdspanne voordoen, bijvoorbeeld 12 maanden.
                    Gemeenten kunnen een kortere of langere termijn vaststellen. Artikel 34,
                    onderdeel d, WI biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de bestuurlijke boete te
                    verhogen van maximaal € 500,- naar maximaal € 1000,- in het geval dat de
                    inburgeraar bij herhaling niet voldoet aan de verplichting binnen de gestelde
                    termijn het inburgeringsexamen te behalen. Dit is geregeld in het derde en
                    vierde lid van dit artikel.</al><al>Als de inburgeraar niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                    boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel 11,
                    derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 WI moet het college in de
                    boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de inburgeraar alsnog
                    het inburgeringsexamen moet behalen. Als de inburgeraar ook binnen deze nieuwe
                    termijn het inburgeringsexamen niet heeft behaald, maakt het derde lid het
                    mogelijk dat het college een hogere boete vaststelt. Het wettelijk maximum
                    bedraagt € 1000,- (artikel 34, onderdeel d, WI). Ook in dat geval zal in de
                    boetebeschikking een nieuwe termijn moeten worden opgenomen waarbinnen de
                    inburgeraar het inburgeringsexamen moet behalen. Als de inburgeraar ook binnen
                    deze (derde) termijn het inburgeringsexamen niet heeft behaald, regelt het
                    vierde lid dat het college wederom een bestuurlijke boete kan opleggen. De
                    maximumboete in het vierde lid geldt ook voor alle hierop volgende
                    overschrijdingen van termijnen door de inburgeraar.</al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>Spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel 14 Hardheidsclausule</vet></al><al>In
                    artikel 3 van deze verordening is opgenomen aan welke groep inburgeraars het
                    college een voorziening kan aanbieden. Op grond van budgettaire redenen is
                    ervoor gekozen deze groep te beperken tot personen met een WWB uitkering met een
                    inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.Wanneer er echter in
                    enig jaar budgettaire ruimte is dan wel ontstaat en enig persoon een beroep op
                    een inburgeringsvoorziening doet welke niet valt onder artikel 3, dan kan de
                    gemeente toch een voorziening toekennen.Daarbij wordt met voorrang gedacht
                    aan:</al><lijst><li nr="a."><al>inburgeraars met opvoedende taken voor kinderen jonger dan 18 jaar.
                            Hiermee wordt bevorderd dat opvoeders contacten kunnen onderhouden met
                            school en andere instellingen waarmee de kinderen te maken hebben zodat
                            zij in staat zijn hun kinderen te helpen bij problemen op school of
                            elders;</al></li><li nr="b."><al>inburgeraars die een redelijk perspectief op de arbeidsmarkt hebben.
                            Hiermee kan worden bereikt dat deze mensen zo snel mogelijk uitstromen
                            uit een uitkeringssituatie en/of kunnen participeren op de arbeidsmarkt.
                        </al></li></lijst><al><vet>Artikelen 15 en 16</vet></al><al>Deze artikelen spreken voor zich. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>