<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR110568_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening gemeente Tytsjerksteradiel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-08-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tytsjerksteradiel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Actief, 27-07-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-07-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-08-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening gemeente Tytsjerksteradiel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al>De raad van de gemeente Tytsjerksteradiel;</al><al>overwegende dat:</al><lijst><li nr="-"><al>het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                                voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van
                                brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en
                                al hetgeen daarmee verband houdt;</al></li><li nr="-"><al>de bestaande verordening uit 2008 van rechtswege is vervallen met de
                                inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio ‘s;</al></li></lijst><al>gelezen het voorstel van het college van 23 juni 2011;</al><al>gelet op artikel 3 van de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop
                        (Stb 2010, 145 en 146);</al><al><vet>besluit</vet></al><al>vast te stellen de <vet>Brandbeveiligingsverordening Tytsjerksteradiel
                            2011</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting; een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                                plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                                verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of
                                te houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                        verzorging nachtverblijf zal</al></li></lijst></li></lijst><al> worden verschaft of,</al><al>c.aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10
                        lichamelijk of</al><al> geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal worden verschaft.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                                inachtneming van het gestelde in de artikelen 4 en 5.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden
                                verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het
                                belang waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op
                                grond van een verandering van inzichten of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het
                                verlenen van de gebruiksvergunning.</al></li><li nr="4."><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                        vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het
                        stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            paragrafen 2.1, 2.2 en 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik
                            bouwwerken (Stb. 2008, 327) zijn overeenkomstig van toepassing op
                            vergunningplichtige en niet vergunningplichtige inrichtingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor jachthavens gelden voorts de eisen brandveilig gebruik als
                            opgenomen in bijlage 1 bij deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor kampeerterreinen gelden voorts de eisen brandveilig gebruik als
                            opgenomen in bijlage 2 bij deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen
                        2.4, 2.5 2.6, 2.7, 2.8 en 2.9 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken
                        (Stb. 2008, 327) zijn overeenkomstig van toepassing op vergunningplichtige
                        en niet vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                        voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een
                        ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede lid,
                        onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                        verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het
                        voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel
                        64, eerste lid van de Wet Veiligheidsregio ’s gestraft met hechtenis van ten
                        hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                            Brandbeveiligingsverordening 2001 en de Brandbeveiligingsverordening
                            2008 en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze
                            verordening worden aangemerkt als vergunning krachtens deze
                            verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om vergunning op grond van de Brandbeveiligingsverordening 2008
                            is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening
                            toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                            vergunning krachtens de Brandbeveiligingsverordening 2008 wordt beslist
                            met toepassing van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Kampeerterreinen met minder dan 100 kampeerplaatsen / jachthavens met
                            minder dan 100 vaartuigen dienen, overeenkomstig het bepaalde in de
                            Brandbeveiligingsverordening 2008, voor 13 februari 2012 aan de
                            voorwaarden als gesteld in of krachtens artikel 4, lid 2 en 3 te
                            voldoen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Kampeerterreinen met meer dan 100 kampeerplaatsen / jachthavens met meer
                            dan 100 vaartuigen dienen, overeenkomstig het bepaalde in de
                            Brandbeveiligingsverordening 2008, voor 13 februari 2014 aan de
                            voorwaarden als gesteld in of krachtens artikel 4, lid 2 en 3 te
                            voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                        2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2011 .</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 juli 2011.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. S.K. Dijkstra drs. E.J. ter Keurs</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage 1 Eisen brandveilig gebruik jachthavens</titel></kop><tussenkop>I. Definities</tussenkop><tussenkop>brandbare vloeistof</tussenkop><al>vloeistof of verfproduct waarvan het vlampunt gelegen is op 55°C of hoger
                    (K3_vloeistof)</al><tussenkop>brandbevorderende stof</tussenkop><al>stof die of preparaat dat bij spontane ontleding of bij verwarming het
                    zuurstofgehalte van de</al><al>lucht kan verhogen</al><tussenkop>categorie van gevaarlijke stoffen</tussenkop><al>categorie van gevaarlijke stoffen als bedoeld in de Regeling scheiden en
                    gescheiden houden</al><al>van:</al><al>_ gevaarlijke afvalstoffen</al><al>_ licht ontvlambare stof</al><al>_ stof die of preparaat dat:</al><al>• Bij normale temperatuur aan de lucht blootgesteld, zonder toevoer van energie
                    in</al><al>temperatuur kan stijgen en tenslotte ontbranden</al><al>• In vaste toestand, door kortstondige inwerking van een ontstekingsbron,
                    gemakkelijk</al><al>kan worden ontstoken en na verwijdering van de ontstekingsbron blijft branden
                    of</al><al>gloeien</al><al>• In vloeibare toestand een vlampunt van minder dan 21°C heeft
                    (K1_vloeistof)</al><al>• In gasvormige toestand, bij normale druk, met lucht ontvlambaar is</al><al>• Bij aanraking met water of vochtige lucht, licht ontvlambare gassen in een
                    gevaarlijke</al><al>hoeveelheid ontwikkelt.</al><tussenkop>explosief gas</tussenkop><al>mengsel van een brandbaar gas met lucht of zuurstof</al><tussenkop>gasfles</tussenkop><al>een cilindrische drukhouder, voorzien van een aansluiting met klep_ of
                    naaldafsluiter, die</al><al>bedoeld is voor meermalig gebruik en een door middel van water gemeten inhoud
                    heeft van</al><al>ten hoogste 150 liter</al><tussenkop>gelijkwaardige instelling</tussenkop><al>instelling in een lidstaat van de Europese Unie in een andere staat die partij
                    is bij de</al><al>Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in een andere
                    staat</al><al>waarmee de Europese Unie een wederzijdse erkenningovereenkomst met betrekking
                    tot het</al><al>in het voorschrift bedoelde onderwerp heeft afgesloten</al><tussenkop>gevaarlijke stof</tussenkop><al>stof die of preparaat dat bij of krachtens het Besluit verpakking en
                    aanduiding</al><al>milieugevaarlijke stoffen en preparaten is ingedeeld in een categorie als
                    bedoeld in artikel</al><al>34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen</al><tussenkop>heetwerk</tussenkop><al>las_, snij_, flexwerkzaamheden en dergelijke.</al><al>2</al><tussenkop>jachthaven</tussenkop><al>haven met de daarbij behorende grond waar overwegend gelegenheid wordt gegeven
                    voor</al><al>het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van pleziervaartuigen</al><tussenkop>komhaven</tussenkop><al>veelal een bassin of kademuur gesitueerd in of nabij het stadscentrum met geen
                    of weinig</al><al>steigers of ligboxen</al><tussenkop>ligplaats</tussenkop><al>plaats ingericht voor het afgemeerd houden van een pleziervaartuig</al><tussenkop>ontvlambare stof</tussenkop><al>stof of preparaat in vloeibare toestand (K2_vloeistof) met een vlampunt van meer
                    dan 21°C</al><al>en minder dan 55°C</al><tussenkop>pleziervaartuig</tussenkop><al>schip, bestemd of gebruikt voor sport of vrijetijdsbesteding, ongeacht het type
                    en de wijze</al><al>van voortstuwing</al><tussenkop>veiligheidsinformatieblad</tussenkop><al>veiligheidsinformatieblad als bedoeld in artikel 2 van het
                    Veiligheidsinformatiebesluit Wet</al><al>milieugevaarlijke stoffen</al><tussenkop>vuurwerk</tussenkop><al>vuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit</al><tussenkop>II. Voorschriften</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 vrijhouden van terreingedeelten</tussenkop><al>1.1 De bij de inrichting behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen
                    moeten</al><al>worden vrijgehouden en direct bereikbaar zijn voor brandweereenheden en wel</al><al>zodanig dat van de bluswatervoorzieningen onbelemmerd gebruik kan worden</al><al>gemaakt <cursief>(Mbv).</cursief></al><al>1.2 Op het bij de inrichting behorende terrein moeten beplanting,
                    kampeerstandplaatsen,</al><al>bouwwerken, parkeerplaatsen, laad_ en losplaatsen en plaatsen waar goederen
                    of</al><al>afvallen worden opgeslagen of gedeponeerd, zodanig zijn gesitueerd, dat de</al><al>brandweer bij het uitoefenen van haar taak niet wordt bemoeilijkt of
                    belemmerd</al><tussenkop>(Mbv).</tussenkop><al>1.3 Ten behoeve van het verkeer van de hulpverlenende diensten moet een
                    doorgaande</al><al>route met een breedte van ten minste 3,5 meter en een hoogte van minimaal
                    4,2</al><al>meter vrijgehouden worden. De doorgaande route moet verhard zijn op een wijze
                    die</al><al>geschikt is voor motorvoertuigen met een asbelasting van 10 ton en een</al><al>totaalgewicht van 15 ton <cursief>(Mbv).</cursief></al><tussenkop>Artikel 2 inrichting van het terrein</tussenkop><al>2.1 Het plaatsen van bouwwerken en de ligplaatsen van vaartuigen dient zodanig
                    te</al><al>geschieden dat een blusvoer_ of vaartuig van de brandweer te allen tijde
                    enig</al><al>bouwwerk of pleziervaartuig tot op een afstand van 40 meter kan benaderen
                        <cursief>(Mbv).</cursief></al><al>2.2 het aanleggen van vaartuigen is in komhavens toegestaan tot maximaal 20
                    meter</al><al>vanaf de walkant <cursief>(zie toelichting).</cursief></al><al>2.3 er dient een vaargeul van minimaal 15 meter te worden vrijgehouden,
                    zodat</al><al>pleziervaartuigen eenvoudig de haven kunnen verlaten en er genoeg ruimte is
                    voor</al><al>een eventuele blusboot <cursief>(zie toelichting).</cursief></al><al>2.4 tussen de boeg en het hek van de langs de wal aangemeerde vaartuigen dient
                    een</al><al>ruimte aanwezig te zijn van minimaal 4 meter (van mast tot hek) om overslag
                    van</al><al>brand tegen te gaan en de vluchtsnelheid te verhogen <cursief>(zie
                        toelichting).</cursief></al><al>2.5 Hekwerken en slagbomen die de route voor de brandweer blokkeren moeten
                    ten</al><al>behoeve van het verkeer van de hulpverlenende diensten te allen tijde snel
                    en</al><al>gemakkelijk door de brandweer geopend of verwijderd kunnen worden
                        <cursief>(Mbv).</cursief></al><al>2.6 Indien enig toegang tot een bouwwerk of ligplaats op meer dan 40 meter
                    loopafstand</al><al>van de openbare weg is verwijderd, moet ten behoeve van het verkeer van de</al><al>hulpverlenende diensten een weg, pad of rijloper tussen die toegang of ligplaats
                    en</al><al>de openbare weg aanwezig zijn, die geschikt is voor voertuigen met een asdruk
                    van</al><al>10 ton <cursief>(Mbv).</cursief></al><tussenkop>Artikel 3 bluswatervoorziening</tussenkop><al>3.1 Afhankelijk van de omvang van de jachthaven moet ten behoeve van de
                    brandweer</al><al>ten minste een primaire bluswatervoorziening aanwezig zijn. Naast een
                    primaire</al><al>bluswatervoorziening moet een secundaire bluswatervoorziening aanwezig
                    zijn.</al><al>Beide ter beoordeling en goedkeuring door de commandant brandweer
                        <cursief>(Mbv).</cursief></al><tussenkop>Artikel 4 elektrische installaties</tussenkop><al>4.1 De elektrische installatie van een jachthaven, inclusief de bouwwerken, moet
                    ten</al><al>minste voldoen aan het gestelde in de NEN 1010 <cursief>(Bb).</cursief></al><tussenkop>Artikel 5 gasinstallaties</tussenkop><al>5.1 Aardgasinstallaties moeten ten minste voldoen aan het gestelde in de NEN
                    1078, NEN</al><al>2920 en de NPR 2921 1997.</al><tussenkop>Artikel 6 blusmiddelen</tussenkop><al>6.1 Blusmiddelen moeten in goede staat van onderhoud verkeren, voor
                    onmiddellijk</al><al>gebruik gereed zijn, makkelijk bereikbaar en goed zichtbaar opgehangen zijn
                        <cursief>(Mbv).</cursief></al><al>6.2 Teneinde een begin van brand effectief te kunnen bestrijden, moeten op
                    een</al><al>loopafstand van maximaal 50 meter van enig vaartuig c.q. ligplaats of bouwwerk,
                    een</al><al>draagbaar blustoestel voor handen zijn. Deze brandblussers dienen een inhoud
                    van</al><al>ten minste 6 liter sproeischuim of 6 kilogram ABC_bluspoeder te bezitten en
                    moeten</al><al>zijn geplaatst in weersbestendige kasten, die zonder gebruikmaking van
                    losse</al><al>voorwerpen en/of sleutels geopend kunnen worden <cursief>(Bjh).</cursief></al><al>6.3 Draagbare blustoestellen moeten zijn voorzien van een rijkskeurmerk met</al><al>rangnummer en jaarlijks door een REOB erkend bedrijf goedgekeurd worden
                        <cursief>(Bjh).</cursief></al><al>6.4 Afhankelijk van de situatie kunnen aanvullende, specifieke blusmiddelen</al><al>voorgeschreven worden.</al><tussenkop>Artikel 7 overslaan van brandstoffen</tussenkop><al>7.1 het afleveren van brandstof vindt uitsluitend plaats door of onder direct
                    toezicht van</al><al>deskundig personeel <cursief>(Bjh).</cursief></al><al>7.2 bij het afleverpunt voor brandstof is ten minste een mobiel
                    brandblusapparaat</al><al>aanwezig met een blusequivalent van ten minste 6 kg. Het brandblusapparaat
                    is</al><al>onbelemmerd bereikbaar en is steeds voor onmiddellijk gebruik beschikbaar
                        <cursief>(Bjh).</cursief></al><al>7.3 Binnen een afstand van 20 meter van een brandstofponton of een bunkerstation
                    is</al><al>verblijf alleen toegestaan voor het verrichten van handelingen die betrekking
                    hebben</al><al>op het afleveren van brandstof aan pleziervaartuigen, het vullen van
                    opslagtanks</al><al>voor brandstof alsmede onderhoud en reparatie van het brandstofponton of</al><al>bunkerstation en de daarop aanwezige installatie en voor het verrichten van</al><al>handelingen die direct betrekking hebben op het afmeren dan wel vaarklaar
                    maken</al><al>van uitsluitend open pleziervaartuigen <cursief>(Bjh)</cursief></al><tussenkop>Artikel 8 verbod voor open vuur en vuurwerk</tussenkop><al>8.1 Het is verboden open vuur, anders dan voor koken, bakken of braden van
                    voedsel, te</al><al>maken of te gebruiken, behoudens toestemming van het College van
                    burgemeester</al><al>en wethouders <cursief>(Mbv en Bbv).</cursief></al><al>8.2 Indien het jachthavenreglement het branden in een vuurkorf of vuurton
                    toestaat, dient</al><al>aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:</al><al>a.de vuurkorf of _ton moet op een open plaats staan die ten minste 10 meter
                    rondom</al><al>vrij is van vaartuigen, kampeermiddelen, opstallen, bomen en struiken;</al><lijst><li nr="b."><al>onder de vuurkorf of _ton dient een niet brandbare onderplaat te worden
                            geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>een vuurkorf of _ton moet zodanig zijn opgesteld of uitgevoerd dat
                            omvallen of</al></li></lijst><al>omstoten uitgesloten is;</al><al>d.de maximale hoeveelheid brandstof (niet anders zijnde dan schoon hout) in
                    de</al><al>vuurkorf of _ton een ¼ m3 bedraagt;</al><al>e.de vuurkorf of –ton mag niet met behulp van een licht ontvlambare vloeistof
                    ontstoken</al><al>worden;</al><al>f.de vuurkorf of _ton mag niet worden verlaten alvorens het vuur gedoofd is
                    en</al><al>afgekoeld is;</al><al>g.in de directe nabijheid van de vuurkorf of _ton voldoende blusmiddelen, een
                    poeder_</al><al>of sproeischuimblusser met een inhoud van ten minste 6 kilogram/liter of
                    emmers</al><al>gevuld met water (in totaal ten minste 20 liter) voor onmiddellijk gebruik
                    gereed staan.</al><al>8.3 Indien het jachthavenreglement barbecuen toestaat, dient aan de
                    volgende</al><al>voorwaarden te worden voldaan:</al><al>a.een barbecue moet zodanig zijn opgesteld of uitgevoerd dat omvallen of
                    omstoten</al><al>uitgesloten is;</al><al>b.aan boord van een pleziervaartuig is alleen het gebruik van een elektrische of
                    op</al><al>gasgestookte barbecue is toegestaan;</al><al>8.4 Het gebruik van vuurwerk is verboden, behoudens toestemming van het College
                    van</al><al>burgemeester en wethouders <cursief>(Mbv).</cursief></al><lijst><li nr="8."><al>5 het afsteken van nautische reddingsmiddelen is in de jachthaven
                            verboden <cursief>(Mbv).</cursief></al></li><li nr="8."><al>6 Een open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen duidelijk zichtbaar
                            aangegeven</al></li></lijst><al>door middel van het opschrift “verboden voor open vuur”
                        <cursief>(Mbv).</cursief></al><tussenkop>Artikel 9 voorzieningen ten behoeve van afval</tussenkop><al>9.1 Voor het verzamelen van afval moeten voldoende en veilig opgestelde
                    containers van</al><al>onbrandbaar materiaal aanwezig zijn <cursief>(Mbv).</cursief></al><al>9.2 De afstand tussen afvalcontainers c.q. containerplaatsen en een gebouw moet
                    ten</al><al>minste 5 meter bedragen, tenzij tussen deze opslag en het gebouw en de
                    omgeving</al><al>hiervan een wbdbo van ten minste 30 minuten aanwezig is.</al><tussenkop>Artikel 10 opslag van materialen en stoffen</tussenkop><al>10.1 Het is verboden om voorwerpen of stoffen in de jachthaven zodanig op te
                    slaan of</al><al>neer te zetten dat daardoor het gebruik van telefooncellen, blusmiddelen,
                    vlucht_ en</al><al>toegangswegen bemoeilijkt wordt.</al><tussenkop>Artikel 11 werkzaamheden, niet behorende tot de normale
                    bedrijfsuitoefening</tussenkop><al>11.1 Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds_, herstellings_,
                    wijzigings_ of</al><al>sloopwerkzaamheden, waarbij brandgevaarlijke stoffen of gereedschappen
                    worden</al><al>gebruikt, waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van
                    brand,</al><al>moeten voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het ontstaan van brand
                        <cursief>(Mbv).</cursief></al><al>11.2 Bij werkzaamheden aan boord dient er een blustoestel aan boord aanwezig te
                    zijn.</al><al>Tevens dient gelet te worden op het verwijderen van alle potentiële
                    brandbare</al><al>materialen.</al><al>11.3 Het is verboden onderhoud_ en reparatiewerkzaamheden aan het vaartuig
                    te</al><al>verrichten, waarbij brand_ of explosiegevaar kan ontstaan, met uitzondering
                    op</al><al>daartoe bestemde locaties.</al><tussenkop>Artikel 12 doorlopend toezicht</tussenkop><al>12.1 Gedurende de tijd dat personen in de inrichting aanwezig zijn, moet een
                    voor de</al><al>naleving van de eisen van de vergunning, vrijstelling of ontheffing
                    verantwoordelijk</al><al>persoon bereikbaar zijn die de aanwijzingen van de met de controle belaste</al><al>ambtenaren op eerste aanzegging uitvoert of doet laten uitvoeren
                        <cursief>(Mbv).</cursief></al><al>12.2 De houder van een vergunning, vrijstelling of ontheffing moet er doorlopend
                    op</al><al>toezien dat:</al><al>a.vlucht_ en toegangswegen en aanduidingen daarvan, goed zichtbaar en
                    bereikbaar</al><al>zijn;</al><al>b.vlucht_ en toegangswegen, met de daarbij behorende afsluitingen, niet versperd
                    zijn</al><al>door obstakels;</al><lijst><li nr="c."><al>telefoon(s) en aanduidingen daarvan goed zichtbaar en bereikbaar
                            zijn;</al></li><li nr="d."><al>blusmiddelen en aanduidingen daarvan goed zichtbaar en bereikbaar
                            zijn.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 13 noodplan / bedrijfhulpverlening</tussenkop><lijst><li nr="13."><al>1 Binnen de inrichting is een noodplan cq calamiteitenplan aanwezig
                                <cursief>(Mbv en Bbv).</cursief></al></li><li nr="13."><al>2 Tijdens het vullen van tanks en het afleveren van brandstof is
                            personeel aanwezig dat</al></li></lijst><al>op de hoogte is van de gevaarlijke eigenschappen van de brandstoffen, de</al><al>hulpmiddelen en noodvoorzieningen en de inhoud van het noodplan
                        <cursief>(Bjh).</cursief></al><tussenkop>Artikel 14 periodieke controle</tussenkop><al>14.1 Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud</al><al>worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede
                    werking</al><al>van, voor zover van toepassing, onderstaande voorzieningen
                        <cursief>(Mbv):</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>alarmeringsinstallatie</al></li><li nr="b."><al>brandslanghaspels</al></li><li nr="c."><al>handbrandblusapparaten</al></li><li nr="d."><al>brandkranen en andere bluswatervoorzieningen</al></li><li nr="e."><al>overige brandbestrijdingsmiddelen</al><lijst><li nr="14."><al>2 De met de controle belaste gemeentelijke functionarissen
                                    kunnen tijdstippen bepalen</al></li></lijst></li></lijst><al>en de wijze aangeven waarop een en ander wordt beproefd.</al><tussenkop>Artikel 15 brandveiligheidsinstructie</tussenkop><al>15.1 De houder van de vergunning, vrijstelling of ontheffing van de jachthaven
                    moet</al><al>binnen een half jaar na dagtekening van de vergunning, vrijstelling of
                    ontheffing een</al><al>brandveiligheidsinstructie hebben samengesteld ten behoeve van het
                    personeel.</al><al>Deze instructie dient vooraf ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de</al><al>commandant van de brandweer.</al><lijst><li nr="15."><al>2 De instructie “hoe te handelen bij brand” (zie bijlage 2) moet:</al><lijst><li nr="a."><al>op de door de gemeentelijke functionarissen aan te wijzen
                                    plaatsen zijn opgehangen;</al></li><li nr="b."><al>aan alle gebruikers van ligplaatsen van de jachthaven verstrekt
                                    worden;</al></li><li nr="c."><al>aan nieuw personeel bij indiensttreding uitgereikt worden.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 16 gedragsregels bezoekers van de jachthaven</tussenkop><al>16.1 In de overeenkomst voor gebruikers van ligplaatsen dienen gedragsregels te
                    worden</al><al>opgenomen of dient te worden verwezen naar het jachthavenreglement (zie bijlage
                    1)</al><al>waar die gedragsregels onderdeel van uitmaken. In deze gedragsregels, die
                    vooraf</al><al>ter goedkeuring moeten worden voorgelegd aan de commandant van de
                    brandweer,</al><al>dienen in ieder geval de volgende voorwaarden, regels en verwijzingen te
                    worden</al><al>opgenomen <cursief>(Bjh):</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>instructie “hoe te handelen bij brand”;</al></li><li nr="b."><al>elektriciteit_, gas_ en waterinstallaties moeten voldoen aan de daarvoor
                            geldende</al></li></lijst><al>bepalingen;</al><al>c.bij gebruik van flessengas (propaan en butaan) in flessen van maximaal 45
                    liter</al><al>waterinhoud tot een maximum van twee flessen, leeg of vol;</al><lijst><li nr="d."><al>propaan_ en butaanflessen mogen niet worden gevuld met LPG;</al></li><li nr="e."><al>het verbod tot het maken of gebruiken van open vuur, behalve voor koken,
                            braden op</al></li></lijst><al>kooktoestellen en verwarmingstoestellen;</al><al>f.het verbod op parkeren op wegen, anders dan op de daartoe ingerichte</al><al>parkeerplaatsen;</al><al>g.vaartuigen moeten zijn voorzien van een brandblusser met een inhoud van ten
                    minste</al><al>2 liter sproeischuim of 2 kilogram ABC_bluspoeder;</al><al>h.de voorwaarden voor het branden in een vuurkorf of het barbecueën op het
                    terrein,</al><al>indien dit is toegestaan.</al><al>i.het is zowel de beheerder van de jachthaven alsmede de met de controle
                    belaste</al><al>functionaris toegestaan om het vaartuig te betreden ter controle van de</al><al>deugdelijkheid en veiligheid van de voorzieningen en installaties, zonder dat
                    daarvoor</al><al>voorafgaand toestemming benodigd is of gevraagd dient te worden.</al><tussenkop>Artikel 17 ontruimingsplannen / BHV</tussenkop><al>17.1 De houder van een vergunning voor het gebruik van een jachthaven moet
                    een</al><al>ontruimingsplan bezitten.</al><al>17.2 Het ontruimingsplan moet op onregelmatige tijden door directie en
                    personeel</al><al>beoefend worden, maar ten minste 1 maal per jaar <cursief>(Mbv).</cursief></al><al>17.3 Met de controle belaste gemeentelijke functionarissen kunnen tijdstippen
                    bepalen</al><al>waarop een ontruimingsoefening moet plaatsvinden.</al><al>17.4 Er is minimaal 1 bedrijfshulpverlener in de jachthaven aanwezig met de
                    opleidingen</al><al>en competenties genoemd in ontw. NEN 4000.</al><tussenkop>Artikel 18 controle en aanwijzingen</tussenkop><al>18.1 Met controle belaste functionarissen moeten te allen tijde worden
                    toegelaten tot de</al><al>jachthaven.</al><al>18.2 Aanwijzingen van politie, brandweer of andere daartoe aangewezen
                    functionarissen,</al><al>gegeven in het belang van de openbare orde en de veiligheid, dienen onmiddellijk
                    en</al><al>stipt te worden uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 19 gelijkwaardigheid</tussenkop><al>19.1 Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de
                    artikelen 1 t/m</al><al>18, moet de inrichting een mate van veiligheid bieden die ten minste gelijk is
                    aan de</al><al>mate van veiligheid die is beoogd met het desbetreffende bij of krachtens
                    de</al><al>genoemde artikelen gegeven voorschriften.</al><tussenkop>Toelichting bij eisen brandveilig gebruik jachthavens</tussenkop><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>In komhavens worden pleziervaartuigen langs de wal aangelegd en worden, soms wel
                    tot 10</al><al>dik, tegen de kade aangemeerd. Ingeval er een noodsituatie ontstaat, zoals brand
                    aan boord</al><al>van het middelste vaartuig, is het niet eenvoudig de brand te bestrijden, te
                    vluchten en</al><al>adequate maatregelen te nemen. De brand is moeilijk bereikbaar, het vluchten van
                    de</al><al>pleziervaarders naar de walkant is moeilijk en er ontstaat explosiegevaar.</al><al>Bij een brand in een polyester pleziervaartuig zal de brandweer slechts de brand
                    kunnen</al><al>bestrijden met veel water. Tevens dient de brandbestrijding zeer snel te
                    gebeuren omdat de</al><al>branduitbreiding zeer snel zal verlopen. Dit betekent dat een aanval met lage
                    druk</al><al>noodzakelijk is. Als inzetdiepte wordt 1 slanglengte gehanteerd. Een
                    brandweerslang is 20</al><al>meter lang. De maximale dikte van de aangemeerde pleziervaartuigen mag 20
                    meter</al><al>bedragen. Een plezierjacht is gemiddeld 4 a 4,5 meter breed. Fenders
                    meegerekend, zullen</al><al>er gemiddeld maximaal 4 plezierjachten naast elkaar kunnen liggen. Ook voor
                    de</al><al>ontvluchting van de pleziervaarders en de veiligheid van de brandweermensen kan
                    naar</al><al>analogie van een brand in een gebouw een loopafstand van maximaal 20 meter
                    worden</al><al>gehanteerd.</al><al>Bij een brand in een stalen pleziervaartuig of een houten pleziervaartuig kan de
                    brand vaak</al><al>nog met een hogedrukstraal worden geblust.</al><al>De maximale inzetdiepte wordt door de lengte van de hoge drukstraal begrensd.
                    De</al><al>inzetdiepte kan maximaal 60 meter bedragen. Hierbij dient te worden opgemerkt
                    dat de</al><al>inzetdiepte wordt bepaald door de plaats van het brandweervoer_ of vaartuig. Kan
                    het</al><al>brandweervoertuig op de walkant staan, dan is de dikte van de pleziervaartuigen
                    maximaal</al><al>40 meter. Immers de brandweer dient op de wal en in het vaartuig voldoende
                    lengte over te</al><al>houden om de brand te kunnen bestrijden.</al><al>De praktijk heeft geleerd dat een bootbrand meestal met schuim wordt geblust.
                    Dit is mede</al><al>om te voorkomen dat het schip te zwaar wordt en niet blijft drijven door de
                    opwaartse druk.</al><al>De ontwikkelsnelheid heeft ook te maken met hoelang de brandweer nodig heeft de
                    haven te</al><al>bereiken. Meestal is een haven gesitueerd in het buitengebied, daarbij geeft de
                    zorgnorm &gt; 8</al><al>min aan. In 8 minuten is een schip al helemaal uitgebrand en heeft (staal of
                    polyester) ook</al><al>de naastliggende pleziervaartuigen aangestoken. In deze ontwikkelingstijd zal de
                    gastank</al><al>ook meestal zijn geëxplodeerd. De brandstoftank behoeft niet altijd aan de
                    brandontwikkeling</al><al>deel te nemen daar deze vaak dieper in het schip ligt. De aanval is vaak ook
                    gericht om de</al><al>omgeving te redden en te beschermen en de boten welke reeds branden in 2e
                    instantie te</al><al>blussen.</al><al>Het is afhankelijk van de afmetingen van de pleziervaartuigen hoeveel schepen er
                    naast</al><al>elkaar kunnen liggen.</al><al>Indien de brandweer de walkant niet kan bereiken dan dient de inzetdiepte
                    gerekend te</al><al>worden vanaf de plaats van het brandweervoer_ of vaartuig.</al><al>De eerste reactie van watersporters die aan de waterzijde liggen van het
                    brandende</al><al>pleziervaartuig is de trossen los te gooien of de lijnen door te snijden om
                    direct weg te varen.</al><al>In veel gevallen kan dit de meest veilige weg zijn. Anderzijds kan er paniek
                    ontstaan, waarbij</al><al>een aanvaring met andere pleziervaartuigen dreigt.</al><al>Ook een eventuele blusvaartuig moet voldoende ruimte hebben om ingezet te
                    kunnen</al><al>worden. Een vaargeul van 15 meter is voldoende om pleziervaartuigen weg te laten
                    varen en</al><al>het blusvaartuig in te kunnen zetten.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>De verantwoordelijkheid voor bluswatervoorziening en een goede bereikbaarheid
                    ligt bij de</al><al>gemeente. Voor bluswatervoorziening en bereikbaarheid wordt verwezen naar
                    de</al><al>“handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van NVBR. Deze handleiding
                    vervangt</al><al>de CCRB_bulletins nummer 2 "Primaire Bluswatervoorziening" en nummer 9
                    "Secundaire en</al><al>tertiaire bluswatervoorziening". Het is vooral een praktische instructie:
                    normeringen uit de</al><al>genoemde bulletins zijn hier vertaald naar de preparatieve praktijk.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Voor een schip gelden op grond van de Europese richtlijnen andere NEN_normen.
                    Een</al><al>pleziervaartuig wordt niet geïnstalleerd conform de NEN 1010 maar door middel
                    van een</al><al>stekkerverbinding en aardlekzekering aangesloten op een goedgekeurde
                    installatie, conform</al><al>NEN 1010. NEN_EN_ISO 10133 en 10134 zijn wel van kracht conform de Europese</al><al>richtlijnen.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>Aan boord van de meeste pleziervaartuigen is een gasinstallatie aanwezig. De
                    gasinstallatie</al><al>bestaat uit een gasfles, een leidingsysteem c.q. slangen en de daaraan
                    gekoppelde</al><al>apparatuur. De slangen kunnen bij ouderdom lekkage vertonen.</al><al>Een explosie kan zich voordoen ten gevolge van een gaslek indien er een
                    ontstekingsbron</al><al>aanwezig is. De ontstekingsbron kan voor wat betreft de hoeveelheid energie zeer
                    klein zijn.</al><al>De schade die ontstaat door een explosie is altijd groot.</al><al>Afhankelijk van het type motor zal een pleziervaartuig voortgestuwd worden door
                    een motor</al><al>met als brandstof benzine of diesel. Bij een lekkage van de brandstof kan
                    een</al><al>brandgevaarlijke situatie ontstaan. De brandstof zal verdampen en een
                    damp/luchtmengsel</al><al>vormen. Het damp/luchtmengsel zal zich onderin het pleziervaartuig bevinden daar
                    het</al><al>mengsel zwaarder is dan lucht.</al><al>Het damp/luchtmengsel van diesel met lucht is mo9eilijk te ontsteken omdat het
                    vlampunt</al><al>hoog is.</al><al>Het damp/luchtmengsel van benzine met lucht is gemakkelijk te ontsteken omdat
                    het</al><al>vlampunt laag is. Een explosief damp/luchtmengsel zal altijd aanwezig zijn.
                    Ontsteking kan</al><al>plaatsvinden door het inschakelen van een zaklamp, lichtknopje, etc. Over het
                    algemeen zal</al><al>de waakvlam van de koelkast ook branden. Deze waakvlam is een potentiële</al><al>ontstekingsbron.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2 Eisen brandveiliggebruik kampeerterreinen</titel></kop><tussenkop>I. Definities</tussenkop><tussenkop>Aan/ of uitbouw</tussenkop><al>Een op de standplaats en met het kampeermiddel verbonden bouwwerk of
                    uitspringend deel,</al><al>dat ten dienste staat van het kampeermiddel en door zijn ligging, constructie of
                    afmetingen</al><al>ondergeschikt is aan dat kampeermiddel.</al><tussenkop>Autogastank</tussenkop><al>Een metalen drukhouder (horizontaal gesitueerd) met een mengsel van propaan en
                    butaan</al><al>waarvan de vloeistof onttrokken wordt (voor tractie bestemd) en die voorzien is
                    van een</al><al>aansluiting met klep_ of naaldafsluiter, overvulbeveiliging, vulbegrenzer,
                    niveaumeting en</al><al>indicator.</al><tussenkop>Bijgebouw</tussenkop><al>Een op de standplaats en van het kampeermiddel vrijstaand bouwwerk, dat ten
                    dienste staat</al><al>van het kampeermiddel en door zijn ligging, constructie of afmetingen
                    ondergeschikt is aan</al><al>dat kampeermiddel.</al><tussenkop>Bouwen</tussenkop><al>Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en
                    het</al><al>vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten,
                    vernieuwen of</al><al>veranderen en het vergroten van een standplaats.</al><tussenkop>Brandcompartiment</tussenkop><al>Dit is een cluster van permanente of niet_permanente standplaatsen met een
                    maximale</al><al>oppervlakte van 1.000 m2 .</al><tussenkop>Branddoorslag</tussenkop><al>Branduitbreiding via een traject dat niet via de buitenlucht gaat.</al><tussenkop>Brandoverslag</tussenkop><al>Branduitbreiding via de buitenlucht.</al><tussenkop>Gasfles</tussenkop><al>Een voor meervoudig gebruik bestemde, cilindrische metalen drukhouder die
                    voorzien is van</al><al>een aansluiting met klep_ of naaldafsluiter en een waterinhoud heeft van ten
                    hoogste 150</al><al>liter.</al><tussenkop>Dampgastank</tussenkop><al>Een voor meervoudig gebruik bestemde, cilindrische metalen drukhouder
                    (horizontaal</al><al>gesitueerd) met gas waarvan de damp onttrokken wordt zoals handelspropaan,
                    in</al><al>tegenstelling tot vloeibaargasinstallaties zoals autogas, en die voorzien is van
                    een</al><al>aansluiting met klep_ of naaldafsluiter, overvulbeveiliging, vulbegrenzer,
                    niveaumeting en</al><al>indicator.</al><tussenkop>Dampgastankfles</tussenkop><al>Een voor meervoudig gebruik bestemde, cilindrische metalen drukhouder
                    (verticaal</al><al>gesitueerd) met gas waarvan de damp onttrokken wordt zoals handelspropaan,
                    in</al><al>tegenstelling tot vloeibaargasinstallaties zoals autogas, en die voorzien is van
                    een</al><al>aansluiting met klep_ of naaldafsluiter, overvulbeveiliging, vulbegrenzer,
                    niveaumeting en</al><al>indicator en een waterinhoud heeft van ten hoogste 150 liter.</al><tussenkop>Gebouw</tussenkop><al>Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk
                    met</al><al>wanden omsloten ruimte vormt.</al><tussenkop>Inrichting</tussenkop><al>Een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaats.</al><tussenkop>Kampeerterrein</tussenkop><al>Terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting
                    bestemd, om</al><al>daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van
                    kampeermiddelen ten</al><al>behoeve van recreatief nachtverblijf (Wet op de Openluchtrecreatie).</al><tussenkop>Kampeermiddel</tussenkop><al>Tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig
                    ander</al><al>voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk
                    zijnde,</al><al>waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is;
                    een en</al><al>ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend
                    zijn</al><al>bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief
                    nachtverblijf</al><al>(Wet op de Openluchtrecreatie).</al><tussenkop>Kampeerovereenkomst</tussenkop><al>Overeenkomst tussen de houder van een kampeerterrein en degene die een
                    kampeermiddel</al><al>plaatst of geplaatst houdt betreffende het plaatsen of geplaatst houden daarvan
                    (Wet op de</al><al>Openluchtrecreatie).</al><tussenkop>Kleinschalig kampeerterrein</tussenkop><al>Een kampeerterrein voor ten hoogste 10 kampeermiddelen.</al><al>Gedurende het kampeerseizoen van ten hoogste 15 maart tot en met 31 oktober
                    per</al><al>kalenderjaar mogen dit ten hoogste 15 kampeermiddelen zijn.</al><tussenkop>NEN</tussenkop><al>Een door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm.</al><tussenkop>Niet/permanente standplaats</tussenkop><al>Een standplaats waarop een kampeermiddel gedurende een bepaalde periode
                    aanwezig</al><al>mag zijn. De maximale periode geldt vanaf 15 maart tot en met 31 oktober van
                    elk</al><al>kalenderjaar of een andere periode, welke is vastgelegd in het gemeentelijk
                    kampeerbeleid.</al><tussenkop>PGS</tussenkop><al>Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen; voorheen CPR: uitgegeven richtlijn van de
                    Commissie</al><al>Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen.</al><tussenkop>Permanente standplaats</tussenkop><al>Een standplaats waarop een kampeermiddel gedurende het gehele jaar aanwezig mag
                    zijn.</al><tussenkop>Recreatief nachtverblijf</tussenkop><al>Het zich bevinden in een kampeermiddel tussen 22.00 en 06.00 uur.</al><tussenkop>Reglement</tussenkop><al>Het reglement waarin de voorwaarden met betrekking tot het gebruik
                    kampeerterrein en het</al><al>verblijf daarop.</al><tussenkop>Stacaravan</tussenkop><al>Een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede gelet op de afmetingen
                    en</al><al>constructie, kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op
                    de</al><al>verkeerswegen en over grotere afstanden als aanhangsel van een auto te
                    worden</al><al>voortbewogen.</al><tussenkop>Standplaats</tussenkop><al>Het gedeelte van het kampeerterrein dat bestemd is voor het plaatsen of
                    geplaatst houden</al><al>van een kampeermiddel.</al><tussenkop>WBDBO</tussenkop><al>Weerstand tegen brandoverslag (branduitbreiding via de buitenlucht) en
                    branddoorslag</al><al>(branduitbreiding via een traject dat niet via de buitenlucht gaat). Als er in
                    deze handreiking</al><al>over WBDBO wordt gesproken, wordt deze uitgedrukt in een bepaalde vrije afstand,
                    bijv.</al><al>tussen kampeermiddelen</al><tussenkop>II. Voorschriften</tussenkop><tussenkop>Paragraaf I Bereikbaarheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten ten behoeve van
                    hulpverlening</tussenkop><al>1.1 De bij de inrichting behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen
                    moeten</al><al>worden vrijgehouden en bereikbaar zijn voor blusvoertuigen, en wel zodanig dat
                    hiervan</al><al>onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al><al>1.2 Op het bij de inrichting behorende terrein moeten de beplanting, de
                    parkeerplaatsen, de</al><al>laad_ en losplaatsen en de plaatsen waar goederen en afval worden opgeslagen
                    of</al><al>gedeponeerd, zodanig zijn gesitueerd, dat bij brand het oprijden en opstellen
                    van de</al><al>voertuigen en andere hulpmiddelen van de brandweer niet worden bemoeilijkt of
                    belemmerd.</al><al>1.3 Ten behoeve van het verkeer van de hulpverlenende diensten moet een
                    doorgaande</al><al>route met een breedte van tenminste 3,5 meter en een hoogte van tenminste 4,2
                    meter</al><al>vrijgehouden worden. De doorgaande route moet verhard zijn op een wijze die
                    geschikt is</al><al>voor motorvoertuigen met een asbelasting van 10 ton (100kN) en een totaalgewicht
                    van 15</al><al>ton.</al><al>1.4 Hekwerken en slagbomen die de route als bedoeld in 1.3 blokkeren moeten snel
                    en</al><al>gemakkelijk geopend kunnen worden. Indien deze zijn voorzien van een slot
                    moeten</al><al>passende voorzieningen in overleg met de brandweer worden aangebracht.</al><tussenkop>Paragraaf II Inrichting terrein</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Indeling en constructie terrein</tussenkop><al>2.1 De afstand van enig kampeermiddel tot de perceelsgrens is tenminste 5
                    meter.</al><al>2.2 Permanente en niet_permanente standplaatsen dienden zodanig te zijn
                    gesitueerd dat</al><al>een onbeheersbare brand wordt voorkomen. Hieraan wordt voldaan indien de
                    standplaatsen</al><al>zijn gesitueerd in een brandcompartiment (BC) van maximaal 1.000 m² en de
                    WBDBO</al><al>tussen brandcompartimenten tenminste 30 minuten is. Hieraan wordt voldaan indien
                    tussen</al><al>brandcompartimenten een vrije ruimte is van tenminste 5 meter Een
                    brandcompartiment</al><al>strekt zich niet uit over meer dan één perceel.</al><al>2.3 Permanente standplaatsen dienen zodanig te zijn gesitueerd dat brand niet
                    eenvoudig</al><al>van het ene kampeermiddel naar een ander kampeermiddel kan overslaan. De
                    weerstand</al><al>tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen kampeermiddelen op
                    permanente</al><al>standplaatsen is tenminste 20 minuten. Hieraan wordt voldaan indien:</al><al>_ tussen de kampeermiddelen een vrije ruimte is van tenminste 3 meter en;</al><al>_ een bouwkundige voorziening wordt getroffen, waardoor de WBDBO van 20
                    minuten</al><al>conform de NEN 6068 en de NPR 6091 wordt bereikt.</al><al>2.4 Indien niet_permanente standplaatsen, niet gelegen zijn in een
                    brandcompartiment is de</al><al>WBDBO tussen de kampeermiddelen tenminste 20 minuten. Hieraan wordt voldaan
                    indien:</al><al>_ tussen de kampeermiddelen een vrije ruimte is van tenminste 3 meter;</al><al>_ een bouwkundige voorziening wordt getroffen, waardoor de WBDBO van 20
                    minuten</al><al>conform de NEN 6068 en de NPR 6091 wordt bereikt.</al><al>2.5 De terreingedeelten tussen de kampeermiddelen dient over de in 2.2, 2.3 en
                    2.4</al><al>genoemde afstanden vrij te worden gehouden van aanbouwsels, opbergruimten,
                    opslag en</al><al>vaar_ en voertuigen.</al><al>2.6 De opstelling van de kampeermiddelen dient zodanig te geschieden, dat
                    de</al><al>blusvoertuigen van de brandweer en andere hulpverlenende diensten te allen tijde
                    enig</al><al>kampeermiddel tot 40 meter kunnen benaderen.</al><al>2.7 Indien de toegang tot een bouwwerk en/of kampeermiddel dat voor het verblijf
                    van</al><al>mensen is bestemd, meer dan 40 meter is verwijderd van een doorgaande (openbare)
                    weg,</al><al>moet een verbindingsweg tussen die toegang of dat vak en het openbare
                    wegennet</al><al>aanwezig zijn die geschikt is voor brandweervoertuigen conform de voorwaarde
                    1.3.</al><al>2.8 Afhankelijk van de aard en omvang van het kampeerterrein moet ten behoeve
                    van</al><al>de hulpverlenende diensten, naast de reguliere toegang, één of meerdere toe_
                    of</al><al>(nood)uitgangen aanwezig zijn. Dit ter beoordeling en goedkeuring van het
                    bevoegd gezag.</al><tussenkop>Artikel 3 Bluswatervoorziening</tussenkop><al>3.1 De bluswatervoorziening moet tenminste voldoen aan de ”Handleiding</al><al>Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” (uitgave NVBR, september 2003).</al><al>3.2 Het plan voor de bluswatervoorziening moet ter beoordeling en goedkeuring
                    overgelegd</al><al>worden aan het bevoegd gezag.</al><tussenkop>Artikel 4 Gasflessendepots en propaantanks</tussenkop><al>4.1 Gasflessendepots en propaantanks zullen aan de rand van het kampeerterrein
                    moeten</al><al>worden gesitueerd en goed bereikbaar zijn, zonder dat de opslaglocatie van gasfl
                    essen en</al><al>gastanks bij een calamiteit de bereikbaarheid van de incidentlocatie voor</al><al>hulpverleningsdiensten en de ontvluchting van aanwezigen op het kampeerterrein
                    belemmert</al><al>of in gevaar brengt.</al><al>4.2 Een gasflessenopslag moet voldoen aan de eisen zoals omschreven in deel 15
                    van de</al><al>Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS 15), met name Hoofdstuk 6 van deze PGS
                    15.</al><tussenkop>Paragraaf III Installaties</tussenkop><tussenkop>Artikel 5 Elektrische installaties</tussenkop><al>5.1 De elektrische installatie van het kampeerterrein, inclusief de bouwwerken,
                    moet</al><al>tenminste voldoen aan het gestelde in het normblad NEN 1010 en de voorschriften
                    van het</al><al>betreffende energiebedrijf waar het kampeerterrein bij is aangesloten.</al><al>5.2 Alleen elektrische installaties van kampeermiddelen die aan de gestelde in
                    het normblad</al><al>NEN 1010: 2003 de voorschriften van het betreffende energiebedrijf en de</al><al>keuringsvoorschriften K57 van de KEMA voldoen, mogen aangesloten worden op
                    de</al><al>elektrische installatie van het kampeerterrein.</al><tussenkop>Artikel 6 Gasinstallaties</tussenkop><al>6.1 Aardgasinstallaties moeten tenminste voldoen aan het gestelde in het
                    normblad NEN</al><al>1078:2004.</al><al>6.2 Huishoudelijke gasverbruiksinstallaties op basis van handelspropaan en
                    _butaan moeten</al><al>tenminste voldoen aan het gestelde in het normblad NEN 2920:1997.</al><al>6.3 De LPG_systemen voor huishoudelijk gebruik in vrijetijdsvoertuigen en
                    andere</al><al>wegvoertuigen moeten voldoen aan het gestelde in het normblad NEN_EN 1949:2002
                    (en).</al><al>6.4 De LPG_systemen ten behoeve van kook_ en verwarmingsdoeleinden in</al><al>(vrijetijds)voertuigen, (sta)caravans, bak_ en frituurvoertuigen dienen te
                    voldoen aan het</al><al>gestelde in NPR 2577:2006. Waar de richtlijn NPR 2577 confl icteert met de norm
                    NEN_EN</al><al>1949:2002 (en) geldt de norm.</al><al>6.5 Vast gemonteerde dampgastanks in voertuigen en aanhangers moeten
                    minimaal</al><al>voldoen aan de specifieke montage voorschriften die gelden voor het monteren
                    van</al><al>autogastanks van de Eisen toelating LPG_onderdelen van de Regeling
                    vaststelling</al><al>toelatingseisen op basis van hoofdstuk 3 van het Voertuigreglement.</al><al>6.6 Het voorhanden hebben en het gebruik van autogas, handelspropaan of –butaan
                    in</al><al>autogastanks, anders dan voor de tractie van motorvoertuigen, is verboden.</al><al>6.7 Flessengasinstallaties voor kook_ en/of verwarmingsdoeleinden in
                    kampeermiddelen</al><al>mogen alleen gevuld zijn met handelsbutaan of handelspropaan.</al><al>6.8 Gasslangen voor butaangas en propaangas moeten voldoen aan het bepaalde
                    in:</al><al>− NEN_EN 1763_1:2001;</al><al>− NEN_EN 1763_2, klasse 2 of 3 voor de lagedrukzijde (werkdruk) en klasse 3 en 4
                    voor de</al><al>hogedrukzijde.</al><al>6.9 Tussen gasfles en verbruikstoestel moet de verbinding bestaan uit een
                    metalen leiding</al><al>of uit een goedgekeurde GIVEG_slang van maximaal 1 meter lengte.</al><al>6.10 De slangen van een gasfles (naar een verbruikstoestel) moeten in goede
                    staat van</al><al>onderhoud verkeren. De slangen mogen niet uitgedroogd zijn of andere
                    beschadigingen</al><al>vertonen.</al><al>6.11 Een gasfles moet zijn voorzien van een door het Lloyd’s Register _
                    Stoomwezen erkend</al><al>geldig keurmerk.</al><al>6.12 De afsluiting van een gasfl es moet een door het Lloyd’s Register _
                    Stoomwezen</al><al>goedgekeurd type zijn.</al><al>6.13 Flessengas (handelspropaan of _butaan) mag in of bij kampeermiddelen
                    gebruikt</al><al>worden in flessen van maximaal 45 liter waterinhoud tot een maximum van twee fl
                    essen,</al><al>leeg of vol.</al><al>6.14 Gasflessen, afsluiters en veiligheidstoestellen mogen uitsluitend door
                    hiertoe</al><al>aangewezen en deskundig personeel of door de leverancier worden gerepareerd
                    of</al><al>veranderd.</al><tussenkop>Artikel 7 Brandmeld- en alarmeringsmiddelen</tussenkop><al>7.1 Afhankelijk van de indeling, compartimentering, grootte en ligging van het
                    kampeerterrein</al><al>dient op het terrein een alarmeringsvoorziening (b.v. omroepinstallatie, bel,
                    sirene) aanwezig</al><al>te zijn om de gasten te kunnen waarschuwen voor eventueel dreigend gevaar.</al><al>7.2 De alarmeringsvoorziening voor de gasten moet te allen tijde voor
                    onmiddellijk gebruik</al><al>beschikbaar zijn.</al><tussenkop>Artikel 8 Blusmiddelen</tussenkop><al>8.1 Op het kampeerterrein dienen voldoende brandblusmiddelen aanwezig te zijn.
                    De</al><al>brandblusmiddelen moeten worden aangebracht op de plaatsen zoals voorgeschreven
                    of op</al><al>de bij de gebruiksvergunning behorende plattegrondtekening(en) is
                    aangegeven.</al><al>8.2 Draagbare blustoestellen moeten zijn voorzien van een rijkskeurmerk met
                    rangnummer</al><al>en conform de NEN 2559 worden onderhouden.</al><al>8.3 Brandslanghaspels moeten voldoen aan normblad NEN_EN 671_1:2001.</al><al>8.4 Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings_ en beveiligingssystemen moeten
                    steeds:</al><al>_ voor onmiddellijk gebruik gereed zijn;</al><al>_ in goede staat van onderhoud verkeren;</al><al>_ goed bereikbaar zijn;</al><al>_ als zodanig herkenbaar en zichtbaar zijn;</al><al>_ beschermd zijn tegen weersinvloeden.</al><al>8.5 Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud</al><al>worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking
                    van de</al><al>in de artikelen 8.2 en 8.3 beschreven voorzieningen.</al><al>8.6 Na gebruik van een blustoestel moet dit terstond gevuld c.q. vervangen
                    worden. Dit geldt</al><al>ook indien het blustoestel niet geheel leeg is.</al><al>8.7 Bij elk blusmiddel dient een verwijzing naar het alarmnummer 112 en een
                    blusinstructie</al><al>aanwezig te zijn, alsmede een instructie over de wijze van alarmering van de
                    kampeerders.</al><tussenkop>Paragraaf IV Gebruiksvoorschriften</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 Verbod voor roken/ open vuur en vuurwerk</tussenkop><lijst><li nr="9."><al>1 Het is verboden op gedeelten van het terrein te roken, waarvoor dit is
                            aangegeven.</al></li><li nr="9."><al>2 Het rookverbod als bedoeld in artikel 9.1 moet, daar waar nodig, op
                            opvallende plaatsen</al></li></lijst><al>duidelijk staan aangegeven door middel van het opschrift “VERBODEN TE ROKEN” of
                    door</al><al>een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde in de norm NEN
                    3011.</al><al>9.3 Indien het kampeerreglement het branden in een vuurkorf of vuurton dan wel
                    barbecuen</al><al>toestaat, dient aan de aldaar vermelde voorwaarden voldaan te worden.</al><al>9.4 Bij extreme droogte mag niet worden gebrand (vuurkorf, vuurton, barbecue)
                    met vaste</al><al>brandstof (hout, houtskool, briketten e.d.) in brandgevaarlijke
                    natuurgebieden.</al><tussenkop>Artikel 10 Afval</tussenkop><lijst><li nr="10."><al>1 Afval moet worden verzameld in veilig opgestelde containers.</al></li><li nr="10."><al>2 De afstand tussen afvalcontainers met een inhoud groter dan 5 m3
                            c.q.</al></li></lijst><al>containerverzamelplaatsen en een gebouw moet ten minste 5 meter bedragen, tenzij
                    er</al><al>tussen deze opslag en het gebouw een weerstand tegen branddoorslag en
                    brandoverslag</al><al>(WBDBO) van tenminste 30 minuten aanwezig is.</al><tussenkop>Artikel 11 Opslag van materialen</tussenkop><al>11.1 In verband met brandoverslag is het verboden voorwerpen of stoffen binnen
                    de</al><al>afstandsbepaling van permanente kampeermiddelen op te slaan of te plaatsen.</al><al>11.2 Het is verboden om voorwerpen of stoffen in de inrichting of in de omgeving
                    daarvan</al><al>zodanig op te slaan of te plaatsen, dat daardoor het gebruik van telefoons,
                    blusmiddelen,</al><al>vluchtwegen en toegangswegen bemoeilijkt en/of geblokkeerd worden.</al><tussenkop>Artikel 12 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                    bedrijfsoefening</tussenkop><al>Bij het verrichten of doen verrichten van werkzaamheden, waarbij
                    brandgevaarlijke stoffen</al><al>of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot
                    het</al><al>ontstaan van brand, moeten voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het
                    ontstaan van</al><al>brand.</al><tussenkop>Artikel 13 Doorlopend toezicht</tussenkop><al>13.1 Gedurende de tijd dat personen in de inrichting aanwezig zijn, moet voor de
                    naleving</al><al>van de voorschriften een verantwoordelijk persoon oproepbaar zijn die de
                    aanwijzingen van</al><al>de met de controle belaste ambtenaren op eerste aanzegging uitvoert of doet
                    uitvoeren.</al><al>13.2 Door of namens de vergunninghouder moet er doorlopend worden toegezien dat
                    voor</al><al>zover van toepassing:</al><al>• vlucht_ en toegangswegen, en aanduidingen daarvan, goed zichtbaar zijn;</al><al>• vlucht_ en toegangswegen goed bereikbaar zijn;</al><al>• blusmiddelen, en aanduidingen daarvan, goed zichtbaar zijn;</al><al>• blusmiddelen goed bereikbaar en bedrijfsgereed zijn;</al><al>• de vastgestelde gedragsregels worden nageleefd.</al><tussenkop>Artikel 14 Periodieke controle</tussenkop><al>14.1 Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud</al><al>worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking
                    van,</al><al>voor zover van toepassing zijnde, onderstaande voorzieningen:</al><al>• ontruimingsinstallatie(s);</al><al>• brandkranen;</al><al>• overige brandbestrijdings_ en brandbeveiligingsmiddelen.</al><al>14.2 De met de controle belaste functionarissen van de gemeente kunnen
                    tijdstippen</al><al>bepalen en de wijze aangeven waarop één en ander moet worden beproefd.</al><tussenkop>Artikel 15 Brandveiligheidsinstructie</tussenkop><al>15.1 De eigenaar van het kampeerterrein moet een brandveiligheidsinstructie
                    samenstellen</al><al>ten behoeve van het personeel.</al><al>15.2 De instructie “Hoe te handelen bij brand” moet:</al><al>a op de door de met controle belaste functionarissen van de gemeente aan te
                    wijzen</al><al>plaatsen worden opgehangen;</al><al>b aan alle niet_ en permanente standplaatshouders kenbaar worden gemaakt;</al><al>c aan nieuw personeel bij indiensttreding te worden uitgereikt.</al><al>d.opgesteld zijn conform de NTA 8112 en goedgekeurd zijn door het college van
                    B&amp;W van</al><al>de gemeente.</al><al>15.3 Het personeel dient bij indiensttreding en vervolgens minimaal jaarlijks te
                    worden</al><al>geïnstrueerd in de voor hun functie geldende brandveiligheidsinstructie.</al><tussenkop>Artikel 16 Gedragsregels</tussenkop><al>16.1 In de overeenkomst voor niet_permanente en permanente standplaatshouders
                    dienen</al><al>gedragsregels opgenomen te worden c.q dient verwezen te worden naar een
                    huishoudelijk</al><al>reglement waar die gedragsregels onderdeel van uitmaken, vooraf ter goedkeuring
                    voor te</al><al>leggen aan de commandant brandweer.</al><al>16.2 De beheerder van de inrichting dient er op toe te zien dat de
                    voornoemde</al><al>gedragsregels worden nagekomen.</al><tussenkop>Artikel 17 Ontruimingsplan</tussenkop><al>17.1 De exploitant van een kampeerterrein zal een door de commandant van de</al><al>gemeentelijk brandweer geaccordeerd ontruimingsplan moeten bezitten. Dit plan
                    moet</al><al>aanwezig zijn op een nader door de commandant van de gemeentelijke
                    brandweer</al><al>aangegeven plaats.</al><al>17.2 Op onregelmatige tijden moet, minimaal één maal per jaar, een oefening van
                    het</al><al>ontruimingsplan plaatsvinden.</al><al>17.3 De met de controle belaste functionarissen van de gemeente kunnen
                    tijdstippen</al><al>bepalen waarop de ontruimingsoefeningen moeten plaatsvinden.</al><tussenkop>Artikel 18 Bewaking/controle</tussenkop><al>18.1 De met de controle belaste functionarissen van de gemeente moeten in acute
                    situatie</al><al>worden toegelaten.</al><al>18.2 De bevelen of aanwijzingen door of namens de commandant van de
                    gemeentelijke</al><al>brandweer, gegeven in verband met de brandveiligheid, moeten onmiddellijk
                    worden</al><al>opgevolgd.</al><tussenkop>Artikel 19 Gelijkwaardigheid</tussenkop><al>19.1. Indien niet is voldaan aan enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de
                    artikelen</al><al>genoemd in de artikelen 1 t/m 18, moet de inrichting een mate van veiligheid
                    bieden die</al><al>tenminste gelijk is aan de mate van veiligheid die is beoogd met het
                    desbetreffende bij of</al><al>krachtens de artikelen genoemd in de artikelen 1 t/m 18 gegeven voorschriften.
                    Het college</al><al>van burgemeester en wethouders van de gemeente zal moeten beoordelen of een</al><al>toereikende veiligheid wordt bewerkstelligd.</al><al>19.2. Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid en het betreffende
                    voorschrift tevens</al><al>valt te herleiden tot overwegingen van gezondheid, moeten die overwegingen
                    daarbij in</al><al>tenminste dezelfde mate in acht zijn genomen.</al><tussenkop>Artikel 20 Voorlichting</tussenkop><al>De eigenaar/exploitant van het kampeerterrein spant zich aantoonbaar in om
                    voorlichting te</al><al>geven over brandveiligheid op het kampeerterrein.</al><tussenkop>Toelichting bij eisen brandveilig gebruik kampeerterreinen</tussenkop><tussenkop>Paragraaf I Bereikbaarheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten ten behoeve van
                    hulpverlening</tussenkop><al>Doel van deze voorschriften is te waarborgen dat brandweervoertuigen het
                    bouwwerk bij een</al><al>brand te allen tijde daadwerkelijk zodanig snel en gemakkelijk kunnen bereiken,
                    dat de</al><al>brandweer zo snel mogelijk voor het bestrijden van een brand kan worden
                    ingezet.</al><al>1.1. Geen toelichting</al><al>1.2. Geen toelichting</al><al>1.3. De maten hebben betrekking op een tankautospuit en zijn afkomstig uit de
                    ‘Handleiding</al><al>Bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ NVBR, 2003. Deze handleiding is te
                    bestellen bij de</al><al>NVBR (www.nvbr.nl, tel. 026 _ 3552455 , fax 026 _ 3515051 ).</al><al>1.4. Voorkomen moet worden dat bij een calamiteit de brandweer in haar opkomst
                    gehinderd</al><al>wordt door afgesloten hekwerken en/of slagbomen. Om dit te voorkomen zullen in
                    overleg</al><al>met de brandweer passende voorzieningen moeten worden getroffen. Een
                    passende</al><al>voorziening die op een centrale plaats aangebracht kan worden is een
                    brandweersleutelkluis</al><al>of_ buis.</al><tussenkop>Paragraaf II Inrichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Indeling en constructie terrein</tussenkop><lijst><li nr="2."><al>1 Geen toelichting.</al></li><li nr="2."><al>2 Permanente en niet_permanente standplaatsen dienen zodanig te zijn
                            gesitueerd dat</al></li></lijst><al>overslag van brand niet onbeperkt kan plaatsvinden. Dit kan worden gerealiseerd
                    door</al><al>clusters van standplaatsen te situeren in een brandcompartiment (BC) van
                    maximaal 1.000</al><al>m². De WBDBO tussen brandcompartimenten is tenminste 30 minuten, te realiseren
                    door</al><al>een vrije ruimte van minimaal 5 meter tussen de brandcompartimenten.</al><al>Bekend is dat tentenkampen die opgezet zijn in het kader van een evenement (denk
                    aan</al><al>Lowlands of de TT Assen) een zeer geringe afstand tussen de tenten kennen.
                    De</al><al>compartimenten en andere voorzieningen zijn hierop afgestemd. Het gebruik van
                    tenten op</al><al>kampeerterreinen is ingegeven door het verlangen naar recreatie en privacy, dat
                    het gebruik</al><al>wezenlijk anders kenmerkt dan bij evenementen. Daarom kan volstaan worden met
                    het</al><al>onderbrengen van tenten in een brandcompartiment van 1.000 m².</al><al>2.3 De WBDBO van ieder permanent kampeermiddel ten opzichte van het
                    aangrenzende</al><al>permanente kampeermiddel en andere zaken moet tenminste 20 minuten bedragen.
                    Dit</al><al>betekent dat het permanente kampeermiddel minimaal 3 meter vrij van het
                    permanente</al><al>kampeermiddel van de buren en andere zaken dient te staan. Hierdoor wordt
                    bewerkstelligd</al><al>dat er altijd een vrije tussenruimte van 3 meter ontstaat tussen de eigendommen
                    van</al><al>personen. In de handleiding is dit in een tekening zichtbaar gemaakt (blz.
                    50).</al><al>2.4 Ook kan een snelle brandoverslag voor niet_permanente standplaatsen, niet
                    gelegen in</al><al>een brandcompartiment, worden voorkomen, door een WBDBO tussen de
                    kampeermiddelen</al><al>van tenminste 20 minuten. Het is aan de exploitant om een keuze te maken. Op
                    het</al><al>kampeerterrein kunnen beide varianten worden gebruikt. De motivatie voor de</al><al>gelijkwaardigheid van brandcompartimenten van max. 1.000 m² is terug te vinden
                    in</al><al>paragraaf 4.6.</al><al>2.5. Dit artikel is opgenomen om te voorkomen dat de vrije ruimten tussen
                    kampeervakken</al><al>worden volgebouwd.</al><al>2.6. Geen toelichting</al><al>2.7. Geen toelichting</al><al>2.8. Geen toelichting</al><al>2.9. Geen toelichting</al><tussenkop>Artikel 3 Bluswatervoorziening</tussenkop><al>Doel van dit voorschrift is te waarborgen dat te allen tijde daadwerkelijk
                    voldoende bluswater</al><al>beschikbaar is ingeval van brand op een kampeerterrein. Het voorzien van
                    bluswater is in</al><al>beginsel een gemeentelijke taak. De gemeente is echter niet in alle situaties
                    verplicht te</al><al>voorzien in een bluswatervoorziening. Bij het niet voorhanden zijn van (een
                    toereikende)</al><al>openbare bluswatervoorziening kan de gemeente een exploitatie van een
                    kampeerterrein</al><al>alleen onder voorwaarde afgeven, waarbij de vergunninghouder verplicht kan
                    worden op</al><al>eigen kosten te voorzien in een niet_openbare bluswatervoorziening (op eigen
                    terrein).</al><al>De basiseis voor de benodigde capaciteit voor de primaire bluswatervoorziening
                    bedraagt</al><al>minimaal 60 m3 per uur. Bij bebouwingssoorten waarbij volgens de
                    ‘Handleiding</al><al>brandweerzorg en technische hulpverlening‘ voor de eerste inzet één
                    tankautospuit wordt</al><al>gehanteerd en waarbij de brandpreventieve voorzieningen blijvend zijn
                    gegarandeerd, kan</al><al>worden volstaan met een capaciteit van 30 m3 per uur. Dit laatste zal doorgaans
                    het geval</al><al>zijn bij kampeerterreinen.</al><al>Indien niet aan het gestelde zoals genoemd in de ‘Handleiding
                    bluswatervoorziening en</al><al>bereikbaarheid’ voldaan kan worden, kan het bevoegd gezag op basis van
                    gelijkwaardigheid</al><al>beoordelen of andere voorzieningen een toereikende veiligheid waarborgen.
                    Deze</al><al>voorzieningen kunnen onder andere zijn:</al><al>-horizontale droge blusleiding met afnamepunten (buisdiameter tenminste 75 mm
                    en</al><al>uitgevoerd conform NEN 1594)</al><al>-het beschikbaar stellen van water tank wagens (uitvoering en inrichting is ter
                    goedkeuring</al><al>aan het bevoegd gezag)</al><al>-verkleinen van het brandcompartiment waardoor de brandbestrijding met een
                    minimale</al><al>bluswatervoorziening beheersbaar is.</al><al>-aanleggen blusvijvers op het terrein, etc.</al><al>De ‘Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ is te bestellen bij de
                    NVBR (www.</al><al>nvbr.nl, tel. 026 _ 3552455 , fax 026 _ 3515051 ).</al><tussenkop>Artikel 4 Gasflessendepots en propaantanks</tussenkop><al>4.1 Door gasflessendepots en propaantanks aan de rand van het kampeerterrein te
                    situeren</al><al>wordt voorkomen dat op het kampeerterrein, te midden van de gasten
                    gevaarlijke</al><al>handelingen worden uitgevoerd. De opslag als zodanig heeft een bepaald risico in
                    zich, maar</al><al>vooral de logistieke handelingen zijn risicovol. Om deze reden zullen de
                    centrale</al><al>gasflessendepots en de propaantanks zoveel als mogelijk aan de zijkant van
                    het</al><al>kampeerterrein of in ieder geval niet in de nabijheid van de standplaatsen
                    voor</al><al>kampeermiddelen of de overige voor publiek toegankelijke gebouwen moeten
                    worden</al><al>gesitueerd. Om reden van bereikbaarheid en ontvluchting is het niet aan te
                    bevelen de</al><al>opslaglocatie direct bij de hoofdingang van het kampeerterrein te situeren.</al><al>4.2 Bij alternatieve situering en grotere volumes dient maatwerk in de op te
                    leggen</al><al>veiligheidseisen te worden bereikt. De PGS 15 “Opslag van Gevaarlijke Stoffen,
                    Richtlijn</al><al>voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid’(Ministerie van
                    VROM, 2005) is</al><al>hiervoor het referentiekader.</al><tussenkop>Paragraaf III Installaties</tussenkop><tussenkop>Artikel 5 Elektrische installaties</tussenkop><al>5.1. Geen toelichting</al><al>5.2. Op grond van lid 5.2 mag een elektrische installatie van een kampeermiddel
                    niet worden</al><al>aangesloten op de elektrische installatie van het kampeerterrein indien die
                    installatie gevaar</al><al>oplevert voor het ontstaan van brand. Dat gevaar wordt geacht niet aanwezig te
                    zijn bij</al><al>gebruik van een elektrische installatie die voldoet aan de daarop betrekking
                    hebbende</al><al>NENnorm en de betreffende keuringsvoorschriften van de KEMA.</al><tussenkop>Artikel 6 Gasinstallaties</tussenkop><al>Alle voorschriften hebben betrekking op het voorkomen van lekkages en ophoping
                    (en</al><al>ontsteking) van brandbaar gas en het voorkomen van drukverhogingen in gasflessen
                    en</al><al>_tanks.</al><al>6.1. Dit voorschrift is veelal niet van toepassing op vrijetijdsvoertuigen, maar
                    op bouwwerken</al><al>op het kampeerterrein, die aangesloten zijn op het aardgasnet.</al><al>6.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op de gasleidingsystemen, maar op
                    de</al><al>verbruiksinstallaties, apparaten en toestellen zelf.</al><al>6.3. Dit voorschrift is van toepassing op vrijetijdsvoertuigen.</al><al>6.4 De NPR 2577 is een vertaling van de NEN_EN 1949 (en). Toch is een
                    vangnet</al><al>ingebouwd om te voorkomen dat tegenstrijdige formuleringen gelden.</al><al>6.5 Indien de gasfles of tankfles voor dampgas (handelspropaan en _butaan) vast
                    is</al><al>ingebouwd in het voertuig, dient deze aan dezelfde veiligheidseisen te voldoen
                    als de eisen</al><al>aan een autogastank in voertuigen.</al><al>6.6. Het niet mogen gebruiken van tanks voor autogas (gebruik van vloeistof)
                    voor propaan</al><al>en butaan (gebruik van gas) heeft te maken met het feit dat deze tanks door
                    niet_</al><al>deskundigen worden aangepast waardoor de afname en de vulinlaat worden
                    verwisseld en</al><al>de veiligheden (overvulbeveiliging) onklaar worden gemaakt. Het is mogelijk dat
                    deze fl</al><al>essen door dezelfde niet_deskundigen bij een LPG_station handmatig worden gevuld
                    met</al><al>kans op overvulling (&gt; 80%). Bij 100% vulling betekent 1 0C temperatuur_
                    verhoging 8 bar</al><al>drukverhoging met kans op bollen en scheuren van de tank en alle gevolgen van
                    dien.</al><al>6.7 De huishoudelijke gasverbruiksinstallaties zijn veelal niet geschikt voor
                    andere</al><al>brandstoffen dan handelspropaan of _butaan. Bij gebruik van andere brandstoffen
                    kunnen</al><al>onveilige situaties ontstaan.</al><al>6.8 Gasslangen dienen een aantoonbare kwaliteit te bezitten in relatie met de
                    functie. Dit is</al><al>dan ook op de slang aangegeven.</al><al>6.9 Een vaste metalen leiding heeft minder kans op beschadigingen. Een maximale
                    lengte</al><al>van een flexibele slang is aangegeven om deze zoveel mogelijk in het zicht te
                    hebben, om</al><al>zo weinig mogelijk volume aan gas in de slang te houden na (tijdelijke)
                    stopzetting van het</al><al>gebruik, om de kans op beschadigingen zo klein mogelijk te maken en het
                    mogelijk</al><al>wegwerken achter betimmeringen te voorkomen.</al><al>6.10 Veelal wordt een maximale levensduur van de slang van 2 of 3 jaar
                    aangehouden. Het</al><al>productiejaar van de slang staat meestal op de slang zelf. Echter is de wijze
                    van gebruik van</al><al>de slang meer maatgevend voor de kwaliteit dan de ouderdom. Het kan voorkomen
                    dat een</al><al>slang na een jaar reeds vervangen moet worden, vanwege de slijtage, stoffen of
                    droogte</al><al>waaraan de slang blootgesteld is. Het is dus zaak bij controle vast te stellen
                    of de slangen en</al><al>de aansluitingen al dan niet lekken. In het geval van een lekkage is hiermee
                    aangetoond dat</al><al>de installatie brandgevaarlijk is.</al><al>6.11 Dit voorschrift is gesteld om een deskundige beoordeling van de
                    drukveiligheid te</al><al>bewerkstelligen en de veiligheid van het materiaal onder druk aan te tonen.</al><al>6.12 Dit voorschrift is gesteld om een deskundige beoordeling van de
                    drukveiligheid te</al><al>bewerkstelligen en de veiligheid van het materiaal onder druk aan te tonen.</al><al>6.13 Dit voorschrift is gesteld om het gebruik kleinschalig te houden ten
                    behoeve van</al><al>particulieren en ten behoeve van één kampeermiddel.</al><al>6.14 Geen toelichting</al><tussenkop>Artikel 7 Brandmeld- en alarmeringsmiddelen</tussenkop><al>7.1. Het is wenselijk dat gasten op een kampeerterrein worden gealarmeerd indien
                    zich een</al><al>dreigende situatie voordoet. Deze alarmering is mede afhankelijk van de grootte
                    en situering</al><al>van het kampeerterrein. Een klein kampeerterrein is overzichtelijk en het zal
                    relatief gezien</al><al>niet lang duren voordat alle gasten zijn gewaarschuwd. Dit is anders voor
                    een</al><al>kampeerterrein met bijvoorbeeld 500 standplaatsen. Het alarmeren van (grote)
                    groepen</al><al>personen, om deze te waarschuwen voor een eventueel dreigend gevaar is deels
                    een</al><al>verantwoordelijkheid van de overheid. Voor het waarschuwen van de bevolking bij
                    een</al><al>dreigend gevaar heeft de overheid een aantal criteria opgesteld, die kunnen
                    worden</al><al>toegepast. Vervolgens is het de taak van de ondernemer om zorg te dragen dat de
                    onder zijn</al><al>verantwoordelijkheid aanwezige klanten verder worden voorzien van
                    informatie.</al><al>7.2 Geen toelichting</al><tussenkop>Artikel 8 Blusmiddelen</tussenkop><al>8.1. Om een beginnende brand op een juiste manier te kunnen bestrijden, moeten
                    een</al><al>aantal voorzieningen aanwezig zijn. Het gaat hierbij om
                    brandbestrijdingsmiddelen die in de</al><al>vorm van draagbare brandblusmiddelen die op aanvaardbare loopafstand van de
                    plaats van</al><al>een kampeereenheid bereikbaar en beschikbaar moeten zijn. Als een
                    aanvaardbare</al><al>loopafstand wordt een afstand van maximaal 50 meter over begaanbare paden
                    gezien.</al><al>Uiteraard is een centrale plaats waar dergelijke middelen aanwezig zijn ideaal.
                    Gedacht kan</al><al>dan worden aan toilet_ en sanitairgebouwen, receptie en andere gebouwen met
                    een</al><al>speciale_ of centrale functie op het kampeerterrein. Op een kampeerterrein wordt
                    bij</al><al>voorkeur een schuimblusser met een minimaal gewicht van 6 kg opgehangen.</al><al>8.2. Geen toelichting</al><al>8.3. Geen toelichting</al><al>8.4. Doel van lid 8.4 is onder meer dat de aanwezige personen zo snel mogelijk
                    kunnen zien</al><al>waar de blusmiddelen zich bevinden, zodat daarvan bij brand zo snel mogelijk
                    gebruik</al><al>gemaakt kan worden.</al><al>8.5. Op grond van lid 8.5 moet ten minste eenmaal per jaar op adequate wijze het
                    nodige</al><al>onderhoud aan een blusmiddel worden verricht en de goede werking ervan
                    worden</al><al>gecontroleerd. Doel van dit voorschrift is dat de goede werking van het
                    blusmiddel te allen</al><al>tijde gewaarborgd is. Overigens gaat het bij die voorgeschreven inspectie_
                    en</al><al>controlefrequentie om een minimumvereiste; het staat de exploitant van een
                    kampeerterrein</al><al>derhalve vrij de blusmiddelen vaker te laten inspecteren/controleren.</al><al>8.6. Geen toelichting</al><al>8.7 Geen toelichting</al><tussenkop>Paragraaf IV Gebruiksvoorschriften</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 Verbod voor roken/open vuur en vuurwerk</tussenkop><al>9.1. Geen toelichting.</al><al>9.2. Geen toelichting</al><al>9.3. Ingeval het branden in een vuurkorf of vuurton volgens het kampeerreglement
                    is</al><al>toegestaan, dienen de volgende voorwaarden in het reglement te worden
                    opgenomen:</al><al>a.er moet voortdurend toezicht zijn van een meerderjarig persoon dat wil zeggen
                    toezicht</al><al>door een persoon die bij brand adequaat kan handelen;</al><al>b de vuurkorf of _ton moet op een open plaats staan zodanig dat deze geen gevaar
                    oplevert</al><al>voor de omgeving;</al><al>c onder de vuurkorf, of _ton dient een niet brandbare onderplaat, met een
                    minimale</al><al>oppervlakte van 2 x de oppervlakte van de grootste dwarsdoorsnede van de
                    vuurkorf,</al><al>geplaatst te worden;</al><al>d een vuurkorf of _ton moet zodanig zijn opgesteld of uitgevoerd dat deze niet
                    eenvoudig</al><al>kan omvallen of kan worden omgestoten;</al><al>e de maximale hoeveelheid brandstof (niet anders zijnde dan schoon hout) in de
                    vuurkorf</al><al>of _ton bedraagt een ¼ m³;</al><al>f de vuurkorf of _ton wordt niet verlaten alvorens het vuur gedoofd is;</al><al>g in de directe nabijheid van de vuurkorf of _ton staan voldoende blusmiddelen,
                    één poeder-of sproeischuimblusser met een inhoud van tenminste 6 kilogram/liter
                    of (een) emmer(s)</al><al>gevuld met water (minimaal 10 liter) of zand, voor onmiddellijk gebruik
                    gereed.</al><al>Ingeval barbecuen volgens het kampeerreglement is toegestaan, dienen de
                    volgende</al><al>voorwaarden in het reglement te worden opgenomen:</al><al>a er moet voortdurend toezicht zijn van een meerderjarig persoon, dat wil zeggen
                    toezicht</al><al>door een persoon die bij brand adequaat kan handelen;</al><al>b de barbecue moet op een open plaats staan die erboven en tenminste 2 meter
                    rondom</al><al>vrij is van opstallen, bomen en struiken;</al><al>c een barbecue moet zodanig zijn opgesteld of uitgevoerd dat deze niet eenvoudig
                    kan</al><al>omvallen of kan worden omgestoten;</al><al>d vaste brandstof (niet anders zijnde dan briketten of houtskool) in een
                    barbecue mag alléén</al><al>ontstoken worden met aanmaakblokjes, aanmaakvloeistof en/of aanmaakgel;</al><al>e de barbecue mag niet worden verlaten alvorens het vuur gedoofd is;</al><al>f in de directe nabijheid van de barbecue moet een blusmiddel in de hoedanigheid
                    van</al><al>(een) emmer(s) water of zand (minimaal 10 liter) voor onmiddellijk gebruik
                    gereed staan.</al><al>9.4. Het gebruik van vaste brandstof veroorzaakt vliegvuur. Bij extreme droogte
                    is het risico</al><al>van vliegvuur groot: het kan gemakkelijker brand veroorzaken. Wanneer sprake is
                    van</al><al>extreme droogte wordt bepaald door de (regionale) brandweer. Informatie hierover
                    is bij de</al><al>eigen gemeentelijke brandweer of de eigen regionale brandweer op te vragen,</al><tussenkop>Artikel 10 Afval</tussenkop><al>10.1. Geen toelichting</al><al>10.2. Doel van lid 10.2 is brandoverslag van afvalcontainers met een inhoud
                    groter dan 5 m3</al><al>naar een gebouw te voorkomen.</al><tussenkop>Artikel 11 Opslag van materialen</tussenkop><al>11.1 Doel van lid 11.1 is om te voorkomen dat de afstandsbepaling die bij
                    permanente</al><al>kampeermiddelen in acht moet worden genomen teniet wordt gedaan door het
                    plaatsen van</al><al>voorwerpen en stoffen, waardoor in geval van brand brandoverslag naar een
                    naastgelegen</al><al>kampeermiddel wordt vergemakkelijkt.</al><al>11.2 Geen toelichting</al><tussenkop>Artikel 12 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                    bedrijfsoefening</tussenkop><al>Geen toelichting</al><tussenkop>Artikel 13 Doorlopend toezicht</tussenkop><al>13.1. In dit artikel is het toezicht oproepbaar. Naar huidige maatstaven kan
                    worden volstaan</al><al>met oproepbaar. Het is dan wel redelijk om te eisen dat degene die oproepbaar is
                    binnen</al><al>een bepaald tijdsbestek op het kampeerterrein aanwezig zal zijn. Een opkomsttijd
                    van 5</al><al>minuten is reëel. Indien deze opkomsttijd niet realiseerbaar is, zal een
                    gelijkwaardige</al><al>oplossing bewerkstelligd moeten worden. Dit zal veelal permanent toezicht
                    inhouden.</al><al>13.2. Geen toelichting</al><tussenkop>Artikel 14 Periodieke controle</tussenkop><al>14.1. Doel van lid 4.1 is de goede werking van de brandveiligheidsvoorzieningen
                    op elk</al><al>moment te waarborgen</al><al>14.2. Geen toelichting</al><tussenkop>Artikel 15 Brandveiligheidsinstructie</tussenkop><al>15.1. Doel van lid 5.1 is dat het personeel in geval van brand adequaat kan
                    handelen om de</al><al>gasten in veiligheid te brengen, de hulpdiensten te waarschuwen en een
                    beginnende brand</al><al>te blussen.</al><al>15.2. Voor het opstellen van een brandveiligheidsinstructie kan gebruik worden
                    gemaakt van</al><al>de NTA 8112. Deze NTA 8112 ‘Leidraad voor een ontruimingsplan’ wordt uitgegeven
                    door</al><al>het Nederlands Normalisatie Instituut. Voor veel gebruiksfuncties is een apart
                    deel</al><al>beschikbaar. De totale reeks ziet er als volgt uit.</al><al>Deel 1: Kantoorgebouwen</al><al>Deel 2: Onderwijsgebouwen</al><al>Deel 3: Kinderopvanggebouwen</al><al>Deel 4: Gebouwen met een publieksfunctie</al><al>Deel 5: Logiesgebouwen</al><al>Deel 6: Gezondheidszorggebouwen</al><al>Deel 7: Industriegebouwen</al><al>Deel 8: Cellen en celgebouwen</al><al>Deel 9: Ontruimingshandleiding en ontruimingskaart voor
                    niet_vergunningsplichtige</al><al>bouwwerken Op dit moment zijn nog niet alle delen beschikbaar. De actuele stand
                    van zaken</al><al>vindt u op www.nen.nl. Voor kampeerterreinen kan deel 4 worden gebruikt in
                    afwachting van</al><al>deel 9. of de publicatie ‘Ontruimingsplannen en –oefeningen’ van het Nederlands
                    Instituut</al><al>voor Bedrijfshulpverlening. Deze publicatie is verkrijgbaar via het Nederlands
                    Instituut voor</al><al>Bedrijfshulpverlening (NIBHV), Postbus 8714, 3009 AS Rotterdam.
                    www.nibhv.nl.</al><al>15.3. Geen toelichting</al><tussenkop>Artikel 16 Gedragsregels</tussenkop><al>16.1. In deze gedragsregels dienen in elk geval de volgende voorwaarden, regels
                    en</al><al>verwijzingen te worden opgenomen:</al><al>a instructie “Hoe te handelen bij brand”;</al><al>b elektriciteit_, gas_, en waterinstallaties moeten voldoen aan de wettelijke
                    bepalingen;</al><al>c.het verbod tot het gebruik van autogastanks, anders dan bestemd voor de
                    aandrijving</al><al>van motorvoertuigen en speciaal daartoe ingerichte wisseltanks voor de
                    aandrijving van</al><al>hef_ en transportvoertuigen;</al><al>d.het gebruik van (tank)flessengas (handelspropaan of _butaan) in flessen van
                    maximaal</al><al>45 liter waterinhoud tot een maximum van twee fl essen tegelijkertijd; leeg of
                    vol;</al><al>e.propaan_ en butaanflessen mogen alleen worden gevuld met handelspropaan
                    en</al><al>handelsbutaan;</al><al>f.Indien olieverwarming wordt toegestaan, dient de opslag van olie, maximaal 200
                    liter, in</al><al>een vloeistofdichte bak geplaatst te zijn;</al><al>g.het verbod tot het maken of gebruiken van open vuur, behalve voor koken,
                    braden op</al><al>kooktoestellen en verwarmingstoestellen met tevens verwijzing naar de regels ten
                    aanzien</al><al>van vuurkorven en barbecues;</al><lijst><li nr="h."><al>het verbod op parkeren op wegen, anders dan de daartoe ingerichte
                            parkeerplaatsen;</al></li><li nr="i."><al>het advies om in kampeermiddelen op permanente standplaatsen goed
                            werkende en op</al></li></lijst><al>een adequate plaats gemonteerde optische rookmelders (aangesloten op het
                    lichtnet cf.</al><al>NEN 2555) en koolmonoxidemelders aan te brengen. Gelet op het maatgevende
                    scenario</al><al>(brand na gaslek, roken in bed, kortsluiting elektrische apparatuur in
                    combinatie met slapen)</al><al>zou dit een voorschrift dienen te zijn. Gelet op de wet op de privacy is een
                    dergelijk</al><al>voorschrift niet te controleren en te handhaven. Daarom is dit een advies.</al><al>16.2. Geen toelichting</al><tussenkop>Artikel 17 Ontruimingsplan</tussenkop><al>17.1. Voor het opstellen van een ontruimingsplan kan de aanbeveling voor het
                    opstellen van</al><al>ontruimingsplannen worden gevolgd. Zie verder toelichting onder 15.2.</al><al>17.2. Geen toelichting</al><al>17.3. Geen toelichting</al><tussenkop>Artikel 18 Bewaking/controle</tussenkop><al>18.1. Geen toelichting</al><al>18.2 Geen toelichting</al><tussenkop>Artikel 19 Gelijkwaardigheid</tussenkop><al>19.1. Geen toelichting</al><al>19.2. Geen toelichting</al><tussenkop>Artikel 20 Voorlichting</tussenkop><al>Doel van de inspanning van de eigenaar/exploitant van het kampeerterrein op het
                    terrein van</al><al>de brandveiligheidsvoorlichting is het vergroten van het veiligheidsbewustzijn
                    van zijn</al><al>gasten. Dit kan onder meer bevorderen dat rook_ en koolmonoxidemelders worden
                    geplaatst</al><al>in de kampeermiddelen. De eigenaar kan voorlichting geven aan de hand van
                    instructie aan</al><al>de gasten ten aanzien van brandpreventiemaatregelen vastgelegd in het
                    Kampeerreglement</al><al>Voor het geven van voorlichting kan ondersteuning worden gevraagd bij de
                    brandweer.</al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening 2010</titel></kop><tussenkop>AIgemeen</tussenkop><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze amvb neemt als het ware de plaats in van de
                    brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7).
                    Naar verwachting treedt deze amvb pas medio 2011 werking. Tot die tijd zal op de
                    grond van de Wet veiligheidsregio's in elke gemeente een
                    brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn.</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio's, het niet
                    beschikbaar zijn van de hiervoor bedoelde amvb en het ontbreken van relevant
                    overgangsrecht in de Wet veiligheidsregio's zal de raad een nieuwe
                    brandbeveiligingsverordening moeten vaststellen.</al><al>De bestaande brandbeveiligingsverordening vervalt namelijk van rechtswege bij de
                    inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio's.</al><al>De voorliggende modelregeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                    inwerkingtreding van de amvb) terughoudend van aard.</al><al>De regeling is aangepast aan de Wet veiligheidsregio's en de Dienstenrichtlijn.
                    De Lex Silencio Positivo is van toepassing, d.w.z. dat de vergunning van
                    rechtswege wordt verleend als niet tijdig op de aanvraag om vergunning een
                    besluit is genomen. </al><tussenkop>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio's
                    als opdacht aan het college is gegeven. In zo'n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><tussenkop>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk zijn</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn: 'niet-bouwwerken'.</al><al>Het kan gaan om bijvoorbeeld een los met de wal verbonden drijvend hotel, een
                    drijvende discotheek of een tijdelijke tent. Het onderwerp is vooraf niet te
                    bepalen.</al><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio's zelf kent een beperking van doel,
                    n.l. brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften) geen
                    beperking van object.</al><al>De omschrijving is van toepassing op de gehele omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk
                    is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten lijken
                    echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden
                    gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie. Als voorbeeld dient een
                    bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk geval het Bouwbesluit, het
                    Gebruiksbesluit en de bouwverordening ex de Woningwet van toepassing. Door de
                    definitie van het begrip bouwwerk in de bouwverordening en de toepassing ervan
                    in het Bouwbesluit en het Gebruiksbesluit is een constructie die drijft op het
                    water meestal geen bouwwerk in de zin van de Woningwet en afgeleide regelgeving.
                    Voor een met de grond verbonden object is de Woningwet het juridisch kader. Voor
                    hetzelfde object dat drijft is de brandbeveiligingsverordening het juridisch
                    kader (voor de brandveiligheid). Een ander voorbeeld: een tent die langdurig op
                    dezelfde plaats staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl
                    diezelfde tent tijdens een kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor
                    op grond van de brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld.</al><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder, mede
                    aan de hand van staande jurisprudentie, een toelichting</al><tussenkop>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</tussenkop><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken en het gebruik van open erven en
                    terreinen en de staat, waarin deze zich moeten bevinden. De beperking die de
                    Woningwet oplegt, als hogere regeling, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en
                    terrein.</al><al>Bouwwerk</al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt in
                    de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan:</al><al>-bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                    materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de
                    grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                    bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk</al><lijst><li nr="·"><al>1) constructie,</al></li><li nr="·"><al>2) van enige omvang,</al></li><li nr="·"><al>3) met de grond verbonden,</al></li><li nr="·"><al>4) bedoeld om ter plaatse te functioneren</al></li></lijst><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is.</al><al>De jurisprudentie is te omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven. Een
                    uitgebreide opsomming van jurisprudentie kunt u vinden in de toelichting op de
                    modelbouwverordening van de 'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv,
                    Den Haag).</al><tussenkop>Open erf en terrein</tussenkop><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Op grond van artikel 8, tweede lid, onder b, van de Woningwet zijn namelijk in
                    de bouwverordening voorschriften opgenomen over de staat en het in gebruik nemen
                    en gebruiken van open erven en terreinen.</al><al>Hiervoor kunnen dus geen eisen worden gesteld op grond van de
                    brandbeveiligingsverordening.</al><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht
                    (Bor) dat op 1 juli 2010 in werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid
                    uit de jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998,
                    5).</al><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf
                    kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
                    beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw af
                    gelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal in
                    beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar
                    een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw.</al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                    perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van
                    de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden
                    zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een
                    bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is.</al><tussenkop>Gebruiksvergunning voor een inrichting</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingsplicht i.p.v. vergunningsplicht, omdat tussen die situaties dan
                    bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de
                    brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan.</al><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking van de
                    verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van
                    toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die
                    geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor een begrip: inrichting.</al><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet
                    goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen
                    van een vergunning vormvrij.</al><al>Het Gebruiksbesluit geeft richtlijnen voor de te stellen voorwaarden.</al><al>Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld kunt u dezelfde
                    brandveiligheidseisen stellen als aan een vast met de wal verbonden drijvende
                    hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de Woningwet).</al><tussenkop>Wabo</tussenkop><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de modelbrandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><tussenkop>Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>De modelbrandbeveiligingsverordening 2010 is aangepast aan de
                    Dienstenrichtiijn.</al><tussenkop>Toezicht op de naleving</tussenkop><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio's bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren.</al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst op grond van
                    artikel 65 van de Wet veiligheidsregio's de ambtenaren aan belast met de
                    opsporing van strafbare feiten.</al><tussenkop>Strafbepaling</tussenkop><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio's gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een andere regeling op
                    dit gebied in de verordening.</al><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>In het artikel is twee keer de brandbeveiligingsverordening genoemd, omdat het
                    nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de brandbeveiligingsverordening van
                    2001 en van 2008 nog van kracht moeten zijn.</al><tussenkop>Intrekken regeling</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening 2008 is van rechtswege vervallen op het moment
                    van inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio's van rechtswege door ontbreken
                    van de rechtsgrond: de Brandweerwet 1985.</al><tussenkop>Bekendmaking</tussenkop><al>De bekendmaking zal op de gebruikelijke wijze plaatsvinden.</al><tussenkop>Intrekken vergunning</tussenkop><al>De modelbrandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                    trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig
                    beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkinggrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt ook de bevoegdheid mee om deze weer in te trekken of te wijzigen
                    mits daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                    bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>