<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR11035_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegemoetkoming kinderopvang</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2005-05-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2005=22</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegemoetkoming kinderopvang</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-04-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-05-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2005-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-12-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>05.03720</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>650 kinderopvang</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>520A</al><al>De voorgaande regeling GB2005-22 heeft tevens de Verordening Kinderopvang 1997 ingetrokken, m.u.v. de art.betreffende peuterspeelzalen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegemoetkoming kinderopvang</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Hoorn;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1
                        maart 2005;</al><al/><al>gezien het advies van de Commissie Mens en Bedrijf van 22 maart 2005;</al><al>gelet op artikel 25 van de Wet Kinderopvang en artikel 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al/><al>overwegende dat -met de inwerkingtreding van de Wet Kinderopvang per 1
                        januari 2005- het noodzakelijk is bij verordening regels vast te stellen
                        inzake de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de
                        tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang door de gemeente;</al><al/><al>dat hiertoe gebruik is gemaakt van de door de Vereniging Nederlandse
                        Gemeente opgestelde modelverordening;</al><al/><al>besluit:</al><al>Vast te stellen de navolgende </al><al/><al>Verordening tegemoetkoming kinderopvang</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet Kinderopvang</al></li><li nr="c."><al>kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen
                                    en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop
                                    het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;</al></li><li nr="d."><al>gastouderopvang: kinderopvang als bedoeld in artikel 1, eerste
                                    lid onderdeel c van de wet;</al></li><li nr="e."><al>kindercentrum: een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt,
                                    anders dan gastouderopvang;</al></li><li nr="f."><al>gastouderbureau: een organisatie die gastouderopvang tot stand
                                    brengt en begeleidt;</al></li><li nr="g."><al>ouder: een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                    onderdeel i van de wet;</al></li><li nr="h."><al>partner: een persoon als bedoeld in artikel 2 van de wet;</al></li><li nr="i."><al>tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                    door de gemeente;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Aanvraag van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag of wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner
                                        en, indien dit een ander adres is dan het adres van de
                                        ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of kinderen
                                        waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kinderopvangcentrum of
                                        gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in
                                        ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang
                                        per week, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de
                                        opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat de
                                        ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in artikel
                                        22 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvrager een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Verlening van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten
                                hoogste vier weken opschorten. Het college stelt de aanvrager
                                hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de aanvrager niet
                                behoort of niet langer behoort tot de personen als bedoeld in
                                artikel 22 van de wet;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de aanvrager niet of
                                onvoldoende informatie verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                                kinderopvang feitelijk plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de tegemoetkoming als de aanvraag wordt
                                ingediend zes maanden of langer na de feitelijke startdatum van de
                                kinderopvang</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van één jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming
                                voor een andere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verleent het college bij een ouder
                                als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is
                                voor de combinatie van arbeid en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                                kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling dat de ouder tot de gemeentelijke
                                        doelgroepen behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                        de tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouder waar de
                                        kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per week
                                        waarover de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt
                                        bepaald en het bedrag dat op basis hiervan wordt
                                        verleend;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald en naam
                                        van de begunstigde;</al></li><li nr="g."><al>de verplichting van de ouder, zoals is bedoeld in hoofdstuk
                                        vijf van desbetreffende verordening. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                                termijnen uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                bevoorschotting.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of de partner verstrekt binnen vier weken na afloop van de
                                periode waarover de tegemoetkoming is verleend aan het college een
                                overzicht van de feitelijke kosten kinderopvang over deze
                                periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen twaalf weken na ontvangst
                                van het overzicht van de kosten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken
                            betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Verplichting van de ouder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend
                                worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van
                                inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van
                                een lagere of hogere tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder of de partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen
                                een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en
                                inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                                hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bewaarplicht</titel></kop><al>De ouder bewaart alle bewijsstukken die aan de verstrekking van de
                            tegemoetkoming ten grondslag liggen tenminste gedurende één jaar na de
                            voorlopige toekenning en stelt deze op verzoek ter beschikking aan het
                            college voor controledoeleinden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Kosten van kinderopvang worden teruggevorderd in de gevallen en
                                volgens de regels vermeld in artikelen 58 tot en met 60 Wet werk en
                                bijstand en deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vordering wordt verhoogd met de daadwerkelijke gemaakte incasso
                                ingeval van niet-vrijwillige aflossing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering
                                af te zien indien zij daarvoor dringende redenen aanwezig
                                achten</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waar deze verordening niet of niet naar redelijkheid
                                voorziet, beslist het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening tegemoetkoming
                            kinderopvang.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2005.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Verordening tegemoetkoming Kinderopvang (Raadsbesluit d.d. 14
                                december 2004,Gemeenteblad 2005-06) wordt per 1 januari 2005
                                ingetrokken.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening kinderopvang</titel></kop><al/><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang in werking. De Wet kinderopvang
                    beoogt het ouders gemakkelijker te maken werk en zorg te combineren. Niet alleen
                    werkenden kunnen een beroep doen op de Wet Kinderopvang. Een aantal in de wet
                    benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente voor het betalen van een
                    deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang. De vergoeding door de
                    gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang wordt aangeduid met de
                    term ‘tegemoetkoming’.</al><al>Artikel 25 Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt betreffende de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben
                    betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de
                    tegemoetkoming.</al><al>De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op financiële middelen door een
                    bestuursorgaan verstrekt met het oog op een bepaalde activiteit van de
                    aanvrager. Titel 4.2 van de Awb die regels stellen over subsidies is van
                    toepassing op de tegemoetkoming. </al><al/><al>Dit betekent dat op de verstrekking van tegemoetkomingen in de kosten van
                    kinderopvang door gemeenten drie regelingen van toepassing zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>de gemeentelijke verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>de Wet kinderopvang;</al></li><li nr="3."><al>de subsidieregels in titel 4.2 van de Awb.</al></li></lijst><al-groep><al/><al>Hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de tegemoetkomingen</al><al>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het proces van verstrekking
                        van de tegemoetkoming door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee
                        uitgangspunten gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is de uitvoeringslasten
                        voor zowel de gemeente als de aanvragers van de tegemoetkomingen zo goed
                        mogelijk beheersbaar zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke
                        uitgaven die gemoeid zijn met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo
                        goed mogelijk beheersbaar zijn.</al></al-groep><al-groep><al>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven te
                        bevorderen</al><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een
                        zogeheten ‘open-eind regeling’. Dit betekent dat iedereen die op grond van
                        de wet behoord tot de gemeentelijke doelgroep recht heeft op een
                        tegemoetkoming van de gemeente.</al></al-groep><al/><al>Om greep te houden op de kosten die gepaard gaan met de verstrekking van de
                    tegemoetkoming, zijn in de verordening de volgende bepalingen opgenomen;</al><lijst><li nr="­"><al>De omvang van de aanspraak van ouders op een tegemoetkoming van de
                            gemeente wordt aan beperkingen gebonden. In de verordening wordt bepaald
                            dat de tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren kinderopvang
                            per week dat naar het oordeel van het College voor de ouder
                            redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie van arbeid en zorg
                            mogelijk te maken.</al></li><li nr="­"><al>Een gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het
                            tijdstip waarop de kinderopvang feitelijk plaatsvindt. </al></li><li nr="­"><al>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijke
                            kinderopvang plaatsvindt.</al></li><li nr="­"><al>De tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse voorschotten.
                            Hierdoor blijft de omvang van eventuele onverschuldigde betalingen die
                            de gemeente van de ouders moet terugvorderen, beperkt.</al></li></lijst><al-groep><al/><al><vet>Financieringsstructuur voor de cliënt</vet></al><al>Met de invoering van de Wet kinderopvang zal de financiering van de
                        kinderopvang door drie partijen plaatsvinden: Rijk (Belastingdienst), ouders
                        en werkgever of in het geval van de doelgroepen uit de Wet kinderopvang en
                        verordening in plaats van een werkgever de gemeente.</al><al/></al-groep><al-groep><al><vet>Gemeentelijke bijdrage</vet></al><al>Om de kinderopvangkosten te financieren ontvangt de cliënt 1/6<sup>e</sup>
                        deel van de kinderopvangkosten van de gemeente. In het geval de ouder een
                        partner heeft die tot de wettelijke doelgroep behoort is de gemeentelijke
                        bijdrage twee maal 1/6<sup>e</sup> deel. </al></al-groep><al-groep><al>Inkomensafhankelijke tegemoetkoming van het Rijk</al><al>Daarnaast vraagt de cliënt via het Rijk (Belastingdienst) een tegemoetkoming
                        in de kosten kinderopvang. Deze tegemoetkoming is inkomensafhankelijk. De
                        vergoeding betreft een percentage van de kosten van kinderopvang. Bij een
                        hoger inkomen is het percentage lager. Het kan voorkomen dat ouders van hun
                        gezamenlijke werkgevers een lagere bijdrage ontvangt dan een derde deel van
                        de kosten. In dat geval zal het Rijk aan ouders een compensatie daarvoor
                        geven. Ook deze compensatie is afhankelijk van het inkomen van de ouders en
                        zal nooit volledig zijn. In eenoudergezinnen ontbreekt de partner, en
                        daarmee dus ook de tweede werkgever en een tweede werkgeversbijdrage.
                        Hiervoor wordt ook een inkomensonafhankelijke compensatie door het Rijk
                        geboden.</al></al-groep><al-groep><al/><al><vet>Ouderbijdrage</vet></al><al>Wat overblijft is de ouderbijdrage. In sommige gevallen kan de ouderbijdrage
                        die ouders op grond van de Wet kinderopvang moeten bijdragen een belemmering
                        vormen voor reïntegratie. Ouders kunnen vanwege kinderopvangkosten in een
                        armoedeval terechtkomen. Ze verkrijgen door werken weliswaar meer inkomen,
                        maar maken voor kinderopvang weer extra kosten. Hierdoor kan hun netto
                        inkomen lager komen te liggen dan de hoogte van de uitkering. Daarom is het
                        Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voornemens voor bepaalde
                        doelgroepen te voorzien in een extra tegemoetkoming ter (gehele of
                        gedeeltelijke) compensatie van de ouderbijdrage. Het betreft de volgende
                        doelgroepen: bijstandsgerechtigden, WW’ers, arbeidsgehandicapten,
                        herintreders en ANW’ers.</al></al-groep><al-groep><al/><al><vet>Tegemoetkoming voor de duur van één jaar</vet></al><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur van één jaar.
                        Daarmee wordt aangesloten bij wijze waarop de betalingen door de
                        Belastingsdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming elk
                        jaar opnieuw moet worden aangevraagd. </al></al-groep><al-groep><al>Uitzondering wordt gemaakt voor de gevallen waarin bij de aanvraag reeds
                        duidelijk is dat de aanspraak op de tegemoetkoming beperkt is tot een
                        bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een reïntegratietraject die in
                        het trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het kind naar de
                        basisschool gaat of de basisschool verlaat).</al></al-groep><al-groep><al/><al><vet>Verstrekking van de tegemoetkoming in twee stappen</vet></al><al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen. Hiermee
                        wordt aangesloten bij de Awb. </al><al>De eerste stap is de beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming.
                        Deze beschikking geeft de ontvanger van de tegemoetkoming een
                        voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming tot een maximumbedrag. </al></al-groep><al>De aanspraak is voorwaardelijk omdat op het moment dat de beschikking wordt
                    gegeven nog niet zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik zal maken van
                    kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Ondanks het
                    voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel een rechtens
                    afdwingbare aanspraak. </al><al>De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming. In
                    deze beschikking wordt vastgesteld in hoeverre de ontvanger aan de gestelde
                    voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het uiteindelijke bedrag van de
                    tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de tegemoetkoming wordt de
                    tegemoetkoming definitief. Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld kan de
                    gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                    gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de houders
                    van een kindcentrum of gastouderbureau op te vragen.</al><al>Om te bepalen of iemand tot de doelgroep van de gemeente behoort of niet, moet
                    gekeken worden naar de omstandigheden van de ouder en indien aanwezig de partner
                    van de ouder (zie hiervoor tabel 1 en 2). Voor de omschrijving van het begrip
                    ‘partner’ wordt in de Wet kinderopvang aangesloten bij het partnerbegrip in de
                    Wet inkomstenbelasting 2001.</al><al>Bijgaand vindt u een overzicht van de gemeentelijke doelgroepen in de Wet
                    kinderopvang, met daarbij de betreffende bepalingen in de wet. Tevens wordt per
                    doelgroep aangegeven welk deel van de kosten van de kinderopvang door de
                    gemeente wordt vergoed door middel van een tegemoetkoming.</al><al/><tussenkop>Tabel 1. Een ouder zonder partner</tussenkop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="36*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Doelgroepen</al></entry><entry colname="col2"><al>Bepaling in de Wet Kinderopvang</al></entry><entry colname="col3"><al>Hoogte van de tegemoetkoming gemeente</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>1. Ontvangt een uitkering in het kader van de WWB, IOAW,
                                        IOAZ en maakt gebruikt van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling,</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22, eerste lid, onderdeel a</al></entry><entry colname="col3"><al>1/6 deel van de kinderopvang, aangevuld met een
                                        gemeentelijke bijdrage van 3,5%<noot id="d3106e636"><noot.nr>*</noot.nr><noot.al> 3.5% van de kosten kinderopvang</noot.al></noot></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2. Ontvangt een uitkering op grond van de Wet
                                        inkomensvoorziening kunstenaars.</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22, eerste lid, onderdeel a</al></entry><entry colname="col3"><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3. Heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt, volgt
                                        scholing of een opleiding en ontvangt bij uitzondering
                                        algemene bijstand (artikel 16 dringende redenen).</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22, eerste lid, onderdeel a</al></entry><entry colname="col3"><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang, aangevuld met een
                                        gemeentelijke bijdrage van 3.5%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4. Is een niet uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als
                                        werkzoekende geregistreerd bij het CWI en maakt gebruik van
                                        een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22, eerste lid, onderdeel a</al></entry><entry colname="col3"><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang, aangevuld met een
                                        gemeentelijke bijdrage van 3.5%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5. Is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma
                                        volgt</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22, eerste lid, onderdeel a</al></entry><entry colname="col3"><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6. Is ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld
                                        in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet tegemoetkoming
                                        onderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8 tot en met 2.11
                                        van de Wet Studiefinanciering 2000</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22, eerste lid, onderdeel a</al></entry><entry colname="col3"><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7. Heeft een inkomen uit arbeid, aangevuld met algemene
                                        bijstand op grond van de Wwb</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22, tweede lid</al></entry><entry colname="col3"><al>Gemeentelijke bijdrage van 3.5%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Tabel 2. Een ouder met partner</tussenkop><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="36*"/><thead><row><entry colname="col1"><al>Doelgroep</al></entry><entry colname="col2"><al>Bepaling in de Wet Kinderopvang</al></entry><entry colname="col3"><al>Hoogte van de tegemoetkoming</al></entry></row></thead><tbody><row><entry colname="col1"><al>9. Zowel de ouder als zijn partner behoren tot de
                                        categorieën 1 tot en met 6</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22, eerste lid, onderdeel b</al></entry><entry colname="col3"><al>1/3 deel van de kosten van kinderopvang, aangevuld met een
                                        gemeentelijke bijdrage van 3.5%<noot id="d3106e731"><noot.nr>*</noot.nr><noot.al>3.5% van de kosten kinderopvang</noot.al></noot>, indien de ouder behoort tot categorie 1,3 of 4; 1/3
                                        deel van de kosten van kinderopvang indien de ouder behoort
                                        tot categorie 2,5 of 6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10. de ouder of zijn partner behoort tot een van de
                                        categorieën en de andere persoon ontvangt een WW-uitkering
                                        en maakt gebruik van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22, eerste lid, onderdeel c</al></entry><entry colname="col3"><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang, aangevuld met een
                                        extra gemeentelijke bijdrage van 3.5%, indien de ouder
                                        behoort tot categorie 1, 3 of 4; 1/6 deel van de kosten van
                                        kinderopvang indien de ouder behoort tot categorie 2,5 of
                                        6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11. de ouder of zijn partner behoort tot de categorieën 1
                                        tot en met 6 en de ander persoon is arbeidsgehandicapt als
                                        bedoeld in de wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
                                        die gebruik maakt van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling van het uitvoeringsinstituut
                                        werknemersverzekering</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22, eerste lid, onderdeel c</al></entry><entry colname="col3"><al>1/6 deel van de kosten van kinderopvang, aangevuld met een
                                        extra gemeentelijke bijdrage van 3.5%, indien de ouder
                                        behoort tot categorie 1, 3 of 4; 1/6 deel van de kosten van
                                        kinderopvang indien de ouder behoort tot categorie 2,5, of
                                        6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12. de ouder of zijn partner behoort tot een van de
                                        categorieën 1 tot 6 en de andere persoon betaalde arbeid
                                        verricht</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22, eerste lid, onderdeel d</al></entry><entry colname="col3"><al>1/6 deel van de kosten kinderopvang, aangevuld met een
                                        gemeentelijke bijdrage van 3.5%, indien de ouder behoort tot
                                        categorie 1, 3 of 4; 1/6 deel van de kosten van kinderopvang
                                        indien de ouder behoort tot categorie 2,5 of 6 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13. zowel de ouder als zijn partner hebben een inkomen uit
                                        arbeid die wordt aangevuld met algemene bijstand</al></entry><entry colname="col2"><al>Artikel 22, tweede lid</al></entry><entry colname="col3"><al>Gemeentelijke bijdrage van 3.5%,</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Voor de begripsomschrijvingen is aangesloten bij de begrippen die in de Wet
                    kinderopvang worden gehanteerd.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Te verstrekken gegevens bij de aanvraag of wijziging</vet></al><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel 26
                    Wet Kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar de
                    ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet
                    schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb).</al><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van één jaar wordt verstrekt moet deze elk
                    jaar opnieuw worden aangevraagd</al><al>Een verhoging of verlaging van de tegemoetkoming in verband met een wijziging
                    van het aantal uren of dagdelen kinderopvang per week, zal moeten worden
                    aangevraagd. De ouder moet hiervan wel onmiddellijk mededeling doen aan het
                    college (artikel 28, derde lid, en artikel 16, eerste lid Wet
                    Kinderopvang).</al><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                    contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                    verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een
                    tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder over een
                    offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract kan de
                    gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen. Het kindercentrum of
                    gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet ingeschreven staan in
                    het gemeentelijk register kindercentra en gastouderbureaus van de gemeente Hoorn
                    (artikel 5, eerste lid, Wet kinderopvang).</al><al/><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een
                    verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort tot
                    een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder volstaan met
                    een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente over de gegevens
                    beschikt:</al><lijst><li nr="-"><al>de ouder ontvangt een uitkering in het kader van de Wwb, IOAW/IOAZ of
                            Anw en maakt gebruik van een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als werkzoekende
                            geregistreerd bij het CWI en maakt gebruik van een voorziening gericht
                            op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt.</al></li></lijst><al/><al>In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente moeten
                    verstrekken:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>De ouder ontvangt een uitkering op grond van de Wet
                                        inkomensvoorziening kunstenaars</al><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt,
                                        volgt scholing of een opleiding en ontvangt bij uitzondering
                                        (artikel 16 Wwb) algemene bijstand.</al><al>De ouder is ingeschreven bij een school of instelling als
                                        bedoeld in paragraaf 2.2 of 2.4 van de Wet
                                        tegemoetkomingonderwijsbijdragen of in de artikelen 2.8 tot
                                        en met 2.11 van de Wet Studiefinanciering 2000</al><al>De ouder of diens partner ontvangt een WW-uitkering en maakt
                                        gebruik van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling</al><al>De ouder of diens partner is arbeidsgehandicapte en maakt
                                        gebruik van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling</al></entry><entry colname="col2"><al>Indien de uitkering wordt verstrekt in een andere gemeente:
                                        naam van de gemeente</al><al>Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut</al><al>Bewijs van inschrijving school of opleidingsinstituut</al><al>Trajectplan van het UWV</al><al>Trajectplan van het UWV</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft, deze
                    partner de aanvraag mede ondertekend. Deze bepaling is volledigheidshalve in de
                    verordening opgenomen. De verplichting is al neergelegd in artikel 26, derde
                    lid, Wet Kinderopvang.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</vet></al><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag van
                    een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen. Dus niet alleen voor nieuwe
                    aanvragen, maar ook voor aanvragen die een voortzetting van een tegemoetkoming
                    betreffen en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in verband met
                    verhoging van de uurprijs van kinderopvang. In de verordening is gekozen voor
                    een beslistermijn van ten hoogste acht weken die eventueel met vier weken kan
                    worden verlengd.</al><al>Het feit dat het college een termijn van acht weken heeft om te beslissen over
                    een aanvraag, wil uiteraard niet zeggen dat het college deze termijn ook in alle
                    gevallen moet benutten. De gemeente zal er naar streven de behandelingstermijn
                    van aanvragen zo kort mogelijk te houden en in het bijzonder aanvragen waar
                    spoed is vereist, zo snel mogelijk af te handelen. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Weigeringsgrond</vet></al><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden om de
                    subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van toepassing.
                    Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan worden geweigerd indien een
                    gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteit(en) niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li></lijst><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in ieder
                    geval kan worden geweigerd indien de aanvrager;</al><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                    de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag
                    zou hebben geleid. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Ingangsdatum van de tegemoetkoming</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat een tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de
                    datum waarop de kinderopvang feitelijk plaatsvindt. </al><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de kosten
                    van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een tegemoetkoming
                    bij de gemeente is ingediend of de datum waarop de kinderopvang feitelijk
                    plaatsvindt. Een aanvraag wordt door de gemeente in ontvangst genomen wanneer
                    deze voldoet aan de vormvereisten van artikel 4.1 en 4.2 Awb. </al><al/><al>Dit betekent dat een aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>schriftelijk moet worden ingediend;</al></li><li nr="-"><al>moet zijn ondertekend;</al></li><li nr="-"><al>de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;</al></li><li nr="-"><al>een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt gevraagd.</al></li></lijst><al-groep><al/><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop
                        de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de
                        tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot
                        verlening van de tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan
                        terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is
                        genomen of de kinderopvang feitelijk heeft plaatsgevonden.</al><al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing
                        op wijziging van het aantal uren kinderopvang. De gewijzigde tegemoetkoming
                        wordt verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag daarvoor door het college
                        in ontvangst is genomen of de ingangsdatum van de wijziging.</al></al-groep><al/><al><vet>Artikel 6 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</vet></al><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel jaar verleend. Voor aanvragen
                    die in de loop van het jaar worden toegekend, geldt dat de tegemoetkoming wordt
                    verstrekt voor één jaar. </al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht heeft op
                    de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reïntegratietraject voor een
                    bepaalde periode volgt. Door de periode van verstrekking van de tegemoetkoming
                    te koppelen aan de duur van het reïntegratietraject (of een andere vorm van
                    arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de verstrekking van de
                    tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen eventueel onrecht
                    uitgekeerde bedragen terug te vorderen.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Beperking van de aanpsraak op de tegemoetkoming</vet></al><al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                    tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de omvang
                    van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria die de wet geeft
                    tot een gemeentelijke doelgroep behoort, heeft deze recht op een gemeentelijke
                    tegemoetkoming. De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang
                    waarvoor de tegemoetkoming wordt verstrekt. </al><al>Dit past in het systeem van de wet waarin de ouder zelf bepaalt hoeveel
                    kinderopvang hij nodig heeft in verband met de combinatie van arbeid en zorg. </al><al-groep><al>De eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang van de ouders die tot de
                        gemeentelijke doelgroep behoren is in bepaalde gevallen nihil, namelijk
                        wanneer de inkomensafhankelijke eigen bijdrage door de gemeente wordt
                        gecompenseerd (zie artikel 4, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid,
                        onderdeel a).</al><al>Dit betekent dat voor degenen die tot deze gemeentelijke doelgroep behoren
                        de hoogte van de eigen bijdrage geen rem zet op de vraag naar kinderopvang. </al><al>Ouders die een (substantiële) eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang
                        moeten betalen, zullen de hoogte van die bijdrage mee laten wegen bij hun
                        vraag naar kinderopvang.</al></al-groep><al>Om de kosten voor de gemeente te beperken, is deze bepaling in de verordening
                    opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming enigszins beperkt. Dit artikel
                    geeft het college de bevoegdheid om in elk individueel geval te beoordelen
                    hoeveel kinderopvang per week een ouder redelijkerwijs nodig heeft om arbeid en
                    zorg te combineren. Hierbij zal ook rekening moeten worden gehouden met
                    omstandigheden als een handicap of een chronische ziekte van de ouder(s) of een
                    beperking die de huiselijke situatie met zich meebrengt voor de goede en gezonde
                    ontwikkeling van het kind. </al><al/><al><vet>Artikel 8 Inhoud van de beschikking</vet></al><al>In de beschikking moet onder andere de wijze van uitbetaling van de
                    tegemoetkoming en de naam van de begunstigde worden vermeld (onderdeel f).
                    Artikel 8 bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt in de vorm van maandelijkse
                    voorschotten. Onderdeel g schrijft voor dat in de beschikking de verplichtingen
                    van de ouder worden opgenomen. Daarbij moet aan de volgende verplichtingen
                    worden gedacht:</al><lijst><li nr="-"><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor
                            de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht te
                            verstrekken van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                            periode;</al></li><li nr="-"><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot en met
                            derde lid, Wet kinderopvang;</al></li><li nr="-"><al>de verplichting om alle bewijsstukken die aan de verstrekking van de
                            tegemoetkoming ten grondslag liggen ten minste gedurende één jaar na de
                            toekenning te bewaren en deze op verzoek ter beschikking te stellen aan
                            het college voor controledoeleinden. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 9 De bevoorschotting van de tegemoetkoming</vet></al><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse voorschotten.
                    Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming waarop de aanvrager
                    recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen.</al><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan, al dan
                    niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente
                    machtigen om de betaling rechtstreeks aan het kindercentrum of gastouderbureau
                    te doen. </al><al>Deze machtiging verandert juridisch gezien niets aan de verhouding tussen de
                    gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening van het
                    kindercentrum of gastouder, er blijft sprake van een betaling van de
                    tegemoetkoming van gemeente aan de ouder. </al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                    stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo kan het
                    college bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op basis van een
                    factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Het college zou zo’n
                    voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan of een ouder
                    daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</vet></al><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie (dus
                    ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen houdt in
                    dat het college op eigen initiatief de tegemoetkoming vaststelt. De ouders
                    hoeven geen aanvraag tot het vaststellen van de tegemoetkoming bij het college
                    in te dienen.</al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode
                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de
                    feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een
                    tegemoetkoming voor een jaar is verleend, dient het overzicht van de kosten
                    uiterlijk vier weken na 31 december bij het college te worden ingediend. Het
                    overzicht van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het
                    kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling van
                    maandoverzichten. Het college heeft vervolgens acht weken de tijd om de
                    tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de gemeente een onderzoek
                    doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te
                    controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of
                    gastouderbureau op te vragen.</al><al-groep><al/><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat
                        precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd
                        recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot
                        verlening van de tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het
                        vaststellen van de tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt
                        vastgesteld op basis van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking
                        tot verlening van de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal
                        uren. In de beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming kan wel
                        worden uitgegaan van een lager aantal uren, maar niet van een hoger
                        aantal.</al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de
                        tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook
                        betekenen op nul vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond
                        van 4:46, tweede lid en derde lid, Awb. </al><al/><al>Op grond van het tweede lid kan de subsidie lager worden vastgesteld
                        indien:</al></al-groep><lijst><li nr="a."><al>de activiteit waarvoor de subsidie is verleend niet of niet geheel
                            hebben plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de subsidie verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en
                            de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                            beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid,
                            of</al></li><li nr="d."><al>de subsidie verlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit
                            wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al/><al>Het derde lid van artikel 4:46 luidt: ‘voor zover het bedrag van de subsidie
                    afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is
                    verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden
                    beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Verrekening met de voorschotten</vet></al><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen deel
                    van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                    uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                    bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wet kinderopvang.
                    Artikel 38 Wet kinderopvang verklaard tevens artikel 58 tot en met 60 van de Wet
                    werk en bijstand van toepassing zijnde.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Inlichtingenplicht</vet></al><al>Deze verplichting staan in ongeveer dezelfde bewoording ook in artikel 28,
                    eerste tot en met derde lid. Het vierde lid van artikel 28 bevat de
                    inlichtingenplicht voor houders van een kindercentrum of gastouderbureau. Deze
                    bepalingen luidt: ‘de houder verstrekt desgevraagd aan het college van
                    burgemeester en wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor aanspraak van
                    een ouder op de tegemoetkoming van belang zijn’. </al><al/><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik gemaakt van de kinderopvang, maar de ouder heeft
                            geen recht op een tegemoetkoming (hij of zij behoort niet tot de
                            gemeentelijke doelgroep).</al></li></lijst><al>Als een ouder of de partner de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan
                    ten onrecht een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het
                    college de beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de
                    tegemoetkoming intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag
                    terugvorderen. </al><al>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de tegemoetkoming</al><al/><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming in de
                    terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden ingetrokken en teruggevorderd.
                    Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en </al></li><li nr="b."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.</al></li></lijst><al>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                    beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikel 4:48 Awb). </al><al/><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de beschikking
                    tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van de ontvanger van
                    de tegemoetkoming wijzigen, indien;</al><lijst><li nr="1."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet
                            geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="2."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen;</al></li><li nr="3."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens
                            heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                            een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de
                            tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="4."><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                            ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al/><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                    subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                    bepaald.</al><al-groep><al>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56 Awb)</al><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot dat
                        het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd.
                        Het college kan al eerder besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te
                        schorten. </al></al-groep><al>Op grond van artikel 4:56 Awb kan het college de verplichting tot betaling van
                    een voorschot opschorten met ingang van de dag waarop het college aan de ouder
                    schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om de
                    beschikking tot verlening van de tegemoetkoming in te trekken of te wijzigen.
                    Deze opschorting duurt tot en met de dag waarop de beschikking betreffende de
                    intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving
                    van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.</al><al/><al>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen van de
                    beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:56 Awb)</al><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde gevallen
                    bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in te trekken
                    of ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat hier
                    om de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="1."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                            vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon
                            zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de
                            verlening van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld;</al></li><li nr="2."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger van de
                            tegemoetkoming wist of dit behoorde te weten;</al></li><li nr="3."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                            tegemoetkoming niet voldaan aan de tegemoetkoming verbonden
                            verplichtingen.</al></li></lijst><al/><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de
                    ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de dag
                    waarop zij is bekendgemaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Bewaarplicht</vet></al><al>Met het oog op de mogelijkheid van de gemeente om ook na de voorlopige
                    toekenning van de tegemoetkoming te controleren of de tegemoetkoming rechtmatig
                    is verstrekt, is in dit artikel een bewaarplicht opgenomen.</al><al/><al-groep><al><vet>Artikel 14 Terugvordering</vet></al><al>Terugvordering (artikel 38 Wet Kinderopvang)</al><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de
                        tegemoetkoming is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan
                        de gemeente het reeds betaalde bedrag van de ouder terugvorderen. In artikel
                        38 Wet kinderopvang worden de bepalingen in de Wet werk en bijstand (Wwb)
                        over de terugvordering van bijstand van overeenkomstig van toepassing
                        verklaard op het terugvorderen van een tegemoetkoming. Dit betekent
                        bijvoorbeeld dat het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden verrekend
                        met de tegemoetkoming die aan de ouder wordt verstrekt. In het besluit tot
                        terugvordering moet de wijze waarop zal worden teruggevorderd worden vermeld
                        (artikel 60, eerste lid Wwb).</al></al-groep><al/><al><vet>Artikel 15 t/m 17</vet></al><al>In deze artikelen worden de uitvoering, de citeertitel en de inwerkingtreding
                    geregeld. Daarnaast is bepaald dat waar de verordening niet of niet naar
                    redelijkheid voorziet burgemeester en wethouder beslissen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>