<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR110244_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Gemeente Noordwijk 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Noordwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-02-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noordwijk</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noordwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Zeekant, 04-07-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Gemeente Noordwijk 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-06-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-07-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-02-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>gewijzigde versie</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Tweede wijziging</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-56972</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Gemeente Noordwijk 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Besluit van de raad van de gemeente Noordwijk van 18 december 2008 (De Zeekant
                        van 21 januari 2009)</al><al/><al>met daarin verwerkt de wijzigingen zoals vervat in de 1e wijziging van 29
                        september 2010 en de 2e wijziging van 26 juni 2012</al><al/><al/><al>De raad van de gemeente Noordwijk; </al><al/><al>gezien de ledenbrief van de Vereniging van Nederlandse gemeenten, kenmerk
                        ECGR/U2011016606, Lbr. 11/059 d.d. 20 september 2011 </al><al/><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24
                        april 2012,</al><al/><al>gelet op artikel 8 van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416
                        en 676)</al><al/><al>BESLUIT:</al><al/><al>Vast te stellen de “Bouwverordening Gemeente Noordwijk 2008” waarin
                        opgenomen:</al><al>- de Bouwverordening Noordwijk 2004</al><al>- de tussentijdse wijzigingen daarop</al><al>- de 11e serie wijzigingen van de Modelbouwverordening VNG</al><al>- de 12e serie wijzigingen van de Modelbouwverordening VNG</al><al>- de 13e serie wijzigingen van de Modelbouwverordening VNG</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>Artikel A Wijzigingen in de bouwverordening</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN</vet></al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                        artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het
                                        ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit
                                        artikellid, burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                                        van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw-
                                        en woningtoezicht;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="-"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in
                                        het Bouwbesluit;</al></li><li nr="-"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                                        namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                        bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
                                        a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>straatpeil: </al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct
                                                aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse
                                                van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet
                                                direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                                ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van
                                                de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                        openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin
                                        gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                        behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                        liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk</al></li><li nr="-"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw</al><al/><al>Artikel 1.2 Termijnen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></li></lijst><al/><al>HOOFDSTUK 2 DE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING VOOR HET BOUWEN</al><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</al><al/><al>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                        vergunningaanvragen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</al><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                                8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.</al></li><li nr="b."><al>Vervallen.</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet
                                indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing
                                geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                                plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
                                2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor
                                toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare
                                recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot
                                het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4,
                                onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk
                                met een beperkte instandhoudingtermijn, als bedoeld in artikel 2.23
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009,
                                bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                                zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is
                                gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                        bouwvergunning</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                        woonwagens en standplaatsen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al/><al>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</al><al>Vervallen</al><al/><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</al><al/><al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</al><al>Vervallen</al><al/><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist; en</al></li><li nr="c."><al>dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke
                                gebruik niet wordt gehandhaafd.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht , kan het bevoegd
                        gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in
                        het geval zij op grond van de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt.</al><al/><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</al><al>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                        stedenbouwkundige bepalingen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen.</al><al/><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen </al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.5.3A B Brandweeringang</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig
                                aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                                aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: </al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                meter uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al/><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel
                                3, onderdeel 7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, te
                                weten: </al><lijst><li nr="-"><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="-"><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                                het bouwen verlenen voor. </al></li><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan
                                het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn
                                gelegen erf toelaatbaar zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen,
                                die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor
                                reclames dan bedoeld zijn in;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het
                                oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                het karakter van de bestaande omgeving.</al></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: </al></li><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook
                                van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                niet in gevaar komt.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: </al></li><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking
                                genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het
                                bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor: </al></li><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde
                                gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen, en de daarbij behorende woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                gebaat.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich: </al></li><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig
                                of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de
                                voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de
                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen
                                grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer
                                dan één ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden
                                beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een
                                andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de
                                voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                                genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm
                                van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand
                                van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                                bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de
                                voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende
                                bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen
                                grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of
                                te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een
                                afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op
                                geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand
                                die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn
                                neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op geen grotere
                                afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit
                                toelaten.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor
                        het bouwen waarvan een vergunning is vereist, te bouwen met overschrijding
                        van de achtergevelrooilijn.</al><al/><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het
                                bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen
                                vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</al><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die: </al></li><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel,
                                en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen
                                tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten
                                minste 5 meter.</al></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing
                                blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in: </al></li><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
                                gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt
                                voldaan: </al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee
                                        tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een
                                        weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of
                                        aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan
                                        één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van
                                        redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen
                                        voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit
                                        voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</al><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de ontheffingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid: </al></li><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
                                vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot
                                overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</al><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                                zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die: </al></li><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1
                                meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende
                                erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                ruimte.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 12 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet
                                toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                        hoofdtransportleidingen.</al><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, dan die welke
                                deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze
                                afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de
                                draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van
                                1.000 volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen
                                waarvoor omgevingsvergunning is vereist, worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van: </al></li><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6
                                meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn
                                daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6
                                meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde
                                ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn
                                1 meter, vermeerderd met: </al></li><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen
                                langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.
                                Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de
                                beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                rooilijnen.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                        achtergevelrooilijn</al><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor
                                het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de
                                voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van: </al></li><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 10
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                        terreinen</al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan
                                een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met
                                dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat
                                - daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en
                                artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden
                                gelaten.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
                        van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan
                                het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of
                                de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht , en indien: </al><lijst><li nr="i."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat;</al></li><li nr="ii."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan
                                1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval
                        van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                                en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                        gebouwen</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat is
                                aangeduid op de - bij deze bouwverordening behorende - kaart als
                                zijnde een gebied dat per openbaar vervoer uitstekend of goed
                                bereikbaar is, moet - voor zover de omvang of de bestemming van het
                                gebouw daartoe aanleiding geeft - ten behoeve van het parkeren of
                                stallen van auto's in beperkte mate ruimte zijn aangebracht in, op
                                of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="2."><al>Indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat is
                                aangeduid op de - bij deze bouwverordening behorende - kaart als
                                zijnde een gebied: a waarin de bereikbaarheid per openbaar vervoer
                                in de toekomst uitstekend of goed zal zijn; en b waarin tevens,
                                totdat die verbeterde bereikbaarheid is verwezenlijkt, van
                                gemeentewege voor aanvullende parkeer- of stallingruimte wordt zorg
                                gedragen; moet - voor zover de omvang of de bestemming van het
                                gebouw daartoe aanleiding geeft - ten behoeve van het parkeren of
                                stallen van auto's in beperkte mate ruimte zijn aangebracht in, op
                                of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="3."><al>Indien een gebouw gelegen is in een ander deel van de gemeente dan
                                wordt bedoeld in het eerste en het tweede lid, en de omvang of de
                                bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve
                                van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn
                                aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het
                                onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet
                                overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het
                                gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele
                                bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al></li><li nr="4."><al>De - in de voorgaande leden bedoelde - ruimten voor het parkeren van
                                auto's moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: </al></li><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m
                                bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                                gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan
                                een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al></li><li nr="5."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste, het tweede, het derde en het vijfde
                                lid: </al></li><li nr="a."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte,
                                dan wel laad- of losruimte wordt voorzien;</al></li><li nr="b."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden
                                op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden -
                                voor wat betreft de toepassing van het eerste en het tweede lid - in
                                elk geval worden gerekend: </al></li><li nr="-"><al>een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers
                                of bezoekers van het gebouw;</al></li><li nr="-"><al>een te verwachten meer dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers,
                                indien het gebouw bestemd is voor de vestiging van één of meer
                                detailhandelsbedrijven, dan wel openbare dienstverlening of
                                vermakelijkheid;</al></li><li nr="-"><al>een bestemming van het gebouw als parkeergarage, dan wel
                                garagebedrijf.</al></li></lijst><al/><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</al><al>Vervallen</al><al/><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                        verwarming</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                        terreinen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen</al><al>Vervallen</al><al/><al>HOODFSTUK 3 DE MELDING</al><al>Artikel 3.1 De wijze van melden</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 3.2 Welstandscriteria</al><al>Vervallen</al><al/><al>HOOFDSTUK 4 PLICHTEN TIJDENS VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ INGEBRUIKNEMING
                        VAN EEN BOUWWERK</al><al>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                        staking van bouwwerkzaamheden</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                        de bouwwerkzaamheden</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 4.11 Bouwafval</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</al><al>Vervallen</al><al>HOOFDSTUK 5 STAAT VAN OPEN ERVEN EN TERREINEN, AANSLUITINGEN OP DE
                        NUTSVOORZIENINGEN EN WEREN VAN SCHADELIJK EN HINDERLIJK GEDIERTE</al><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al>Vervallen</al><al/><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen, niet
                        zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                        kantoorgebouwen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen
                        van bijzondere aard</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                        logiesverblijven en logiesgebouwen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                        kantoorgebouwen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                        terreinen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 5.4.1 Preventie</al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6 BRANDVEILIG GEBRUIK</vet></al><al>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</al><al>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Vervallen</al><al/><al>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                        brandgevaar</al><al>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen van bouwwerken</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                        brand</al><al>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al/><al>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al>Vervallen</al><al><vet>HOOFDSTUK 7 OVERIGE GEBRUIKERSBEPALINGEN</vet></al><al>Paragraaf 1 Overbevolking</al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al/><al>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                        hygiëne</al><al>Vervallen</al><al>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
                        in afwijking van de bestemming</al><lijst><li nr="1."><al>Zolang bij een bestemmingsplan, tot stand gekomen als
                                uitbreidingsplan of als voorschriften ex artikel 43 van de Woningwet
                                1901, hetzij voor, hetzij na inwerkingtreding van de Wet op de
                                Ruimtelijke Ordening (Stb. 286 van 1962) geen voorschriften zijn
                                gegeven omtrent het gebruik van de in die plannen of voorschriften
                                begrepen bouwwerken, open erven of terreinen en geen aanpassing aan
                                de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft plaatsgevonden, is het
                                verboden die bouwwerken, open erven of terreinen te gebruiken, in
                                gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel
                                strijdig met de uit dat plan of die voorschriften voortvloeiende
                                bestemming, nadat de bij het bestemmingsplan aangegeven bestemming
                                is verwezenlijkt.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden niet in een bestemmingsplan begrepen bouwwerken en
                                hun aanhorigheden te gebruiken in strijd met de bestemming, die zij
                                blijkens hun constructie dan wel inrichting hebben.</al></li><li nr="3."><al>Niet van toepassing is het bepaalde in de leden 1 en 2 voor een
                                gebruik dat tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening niet onwettig was en zolang in dat gebruik geen
                                wijziging wordt gebracht.</al></li><li nr="4."><al>Vrijstelling/ontheffing kan worden verleend van het bepaalde in de
                                leden 1 en 2.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 7.3.2 Hinder</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 7.3.3 Bepaling aantal personen nachtverblijf</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit
                        omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 4.</al><al/><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 7.4.1 Preventie</al><al>Vervallen</al><al/><al>Paragraaf 5 Watergebruik</al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 6 Installaties</al><al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 8 SLOPEN</vet></al><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                        het slopen</al><al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                        omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                        slopen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</al><al>Vervallen</al><al>Paragraaf 4 Vrij slopen</al><al>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 9 WELSTAND</vet></al><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de
                                welstandscommissie van de Stichting Dorp, Stad en Land.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en 3
                                leden, waarvan ten minste 2 leden deskundig zijn op het gebied van
                                architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al></li><li nr="2."><al>Voor de voorzitter en leden worden geen plaatsvervangers aangewezen
                                die hen bij afwezigheid kunnen vervangen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk
                                ten opzichte van het gemeentebestuur.</al></li><li nr="5."><al>De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens
                                plaatsvervanger.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 9.3 Zittingsduur</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                        voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><al>- op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                        welstandsnota;</al><al>- de werkwijze van de welstandscommissie;</al><al>- op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                        vergaderen;</al><al>- de aard van de beoordeelde plannen;</al><al>- de bijzondere projecten.</al><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien
                        van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                        aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al><al/><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door
                                of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                betrekking heeft op een deel van project of een gefaseerde aanvraag
                                betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en
                                wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van
                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></li></lijst><al/><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid
                                van de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering
                                van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van
                                overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                                burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de
                                beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning
                                voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al></li><li nr="4."><al>Er is geen spreekrecht.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid </al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies,
                                in afwijking van artikel 9.2, onder verantwoordelijkheid van de
                                commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden.
                                Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen
                                waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend
                                mag worden verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de
                                welstandscommissie.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 10 OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN</vet></al><al>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde </al><al> onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en </al><al> woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere v
                        voorschriften</al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                        behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
                        betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
                        of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 11 HANDHAVING</vet></al><al>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 12 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al>Artikel 12.1 Strafbare feiten</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en </al><al> terreinen</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</al><al>Vervallen</al><al/><al>Artikel 12.6 Slotbepaling</al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de 8e dag na die waarop zij is
                                bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                bouwverordening Noordwijk 2004 (en de tussentijdse wijzigingen
                                daarop) aangezien deze is opgenomen in de “Bouwverordening Gemeente
                                Noordwijk 2008”.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "BOUWVERORDENING GEMEENTE
                                NOORDWIJK 2008".</al></li></lijst></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2008.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al>BIJLAGEN BEHORENDE BIJ DE TEKST</al><al>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen)</al><al>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen)</al><al>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)</al><al>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                    niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties (vervallen)</al><al>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen. Bijlage behorend bij artikel 6.2.2
                    (vervallen)</al><al>Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</al><al>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op
                    erven en terreinen. Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 (vervallen)</al><al>Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee </al><al> vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest (vervallen)</al><al/><al>Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie</al><al/><al>INHOUDSOPGAVE</al><al>Hoofdstuk 1 Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie</al><al>1.1 Benoemingsprocedure</al><al>1.2 Samenstelling welstandscommissie</al><al/><al>Hoofdstuk 2 Taakomschrijving</al><al>2.1 Taakomschrijving welstandscommissie</al><al>2.1.1 Wettelijke taken</al><al>2.1.2 Niet wettelijk verplichte taken</al><al>2.2 Taakomschrijving commissieleden</al><al>2.2.1 Taken van de gemandateerde architect</al><al>1.2.2 Taken van de voorzitter </al><al/><al>Hoofdstuk 3 Werkwijze gemeente</al><al/><al>Hoofdstuk 4 Werkwijze van de welstandscommissie</al><al>4.1 Vooroverleg over bouwplannen</al><al>4.2 Gemandateerde behandeling</al><al>4.2.1 Mandaat ‘kleine commissie’</al><al>4.2.2 Het mandaatadvies</al><al>4.2.3 Openbaarheid gemandateerde behandeling</al><al>4.2.4 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</al><al>4.2.5 Spreekrecht</al><al>4.3 Openbare commissievergadering</al><al>4.3.1 Locatie vergadering</al><al>4.3.2 Publicatie agenda</al><al>4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</al><al>4.3.4 Spreekrecht</al><al>4.4 Het welstandsadvies</al><al>4.5 Afwijken van het welstandsadvies en/of -criteria</al><al>4.5.1 Second opinion</al><al/><al>Hoofdstuk 5 Aanvulling, evaluatie en aanpassing van de welstandsnota</al><al>5.1 Jaarverslag burgemeester en wethouders</al><al>5.2 Jaarverslag welstandscommissie</al><al/><al/><al/><al>1. Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie</al><al/><al>1.1 Benoemingsprocedure</al><al>De gemeenteraad wijst op voordracht van het college van burgemeester en
                    wethouders de stichting ‘Dorp Stad &amp; Land,’ (DSL) aan als de
                    welstandscommissie. DSL legt de gemeente een lijst voor met de beoogde
                    commissieleden. Dit betreft de voorzitter, de architectsecretaris, de
                    gemandateerde architect(en) en hun plaatsvervangers. Indien gewenst, vindt
                    overleg plaats tussen DSL en de gemeente. De gemeenteraad benoemt en ontslaat,
                    aan de hand van deze lijst, de afzonderlijke leden van de welstandscommissie. </al><al/><al>Alle leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden benoemd voor
                    een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens drie
                    jaar.</al><al>Een benoemingsboekhouding wordt opgezet en bijgehouden door DSL. Bij afwezigheid
                    van de voorzitter of de leden van de commissie, treden plaatsvervangers op in de
                    commissievergadering. Het gemandateerde commissielid kan zich door een collega
                    laten vervangen. De voorzitter, de gemandateerde commissieleden, de externe
                    deskundigen en hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het
                    gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of
                    relaties op basis waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed.
                    De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid. De
                    commissie streeft naar voortdurende afstemming met het beleid inzake de
                    ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.</al><al/><al>1.2 Samenstelling van de commissie</al><al>De advieswerkzaamheden van de welstandscommissies van DSL zijn georganiseerd in
                    drie stappen. De grote en overkoepelende commissie; de standaard commissies per
                    regio ( en/of per stad) en de gemandateerde architecten namens de
                    standaardcommissies.</al><al>De grote commissie komt ten minste 4 keer per jaar bijeen. Deze commissie heeft
                    als voornaamste doel de deskundigheidsbevordering van de commissieleden. Het
                    feitelijke advieswerk wordt verricht via standaardcommissies. </al><al/><al>Integrale welstands- en monumentencommissie.</al><al>De gemeente wijst DSL aan om naast welstandsaspecten van bouwplannen ook te
                    adviseren inzake wijzigingsplannen voor monumenten. Dit vindt plaats door een
                    integrale welstands- en monumentencommissie. Deze commissie bestaat uit een
                    deskundig voorzitter, de architectsecretaris, de gemandateerde en tenminste één
                    monumentendeskundige van DSL. Ook deze integrale welstands- en
                    monumentencommissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door extra
                    deskundigen van het bureau van DSL of daarbuiten. Dit betreft disciplines als
                    cultuur- en bouwhistorie, en landschapsarchitectuur. Afhankelijk van het type
                    plan dat moet worden beoordeeld nemen de extra deskundigen deel aan de
                    vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij ze als commissielid zijn benoemd
                    door de gemeente. In de integrale welstands- en monumentencommissie hebben geen
                    burgers zitting.</al><al/><al>De integrale commissie brengt bij wijzigingsplannen voor monumenten een advies
                    uit, waarin zowel de aspecten op grond van de Woningwet (welstandsbeleid), als
                    aspecten op grond van de Monumentenwet 1988 en gemeentelijke en provinciale
                    monumentenverordeningen worden betrokken. In het geïntegreerde advies komt
                    duidelijk naar voren welke aspecten betrekking hebben op de welstand en welke op
                    de aanvraag om monumentenvergunning. De commissie formuleert één gezamenlijke
                    conclusie.</al><al/><al>De integrale commissie kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste drie
                    leden aanwezig zijn (waaronder de gemandateerde architect en de
                    architectsecretaris of zijn/haar vervanger) en waarvan tenminste twee leden
                    deskundig zijn op het gebied van welstand. Voor de behandeling van
                    monumentenplannen is daarnaast altijd de aanwezigheid van de
                    monumentendeskundige of zijn/haar vervanger vereist.</al><al/><al>2. Taakomschrijving </al><al/><al>2.1 Taakomschrijving welstandscommissie</al><al>De welstandscommissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet
                    wettelijk verplichte taken. De wettelijke taken van de (integrale) welstands- en
                    monumentencommissies van DSL worden uitgevoerd op grond van de Woningwet, de
                    Monumentenwet 1988 en gemeentelijke en provinciale monumentenverordeningen. De
                    commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid, zoals
                    dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.</al><al/><al>2.1.1 Wettelijke taken</al><al>1. Toetsing van vergunningplichtige bouwwerken</al><al>De commissie is bevoegd om burgemeester en wethouders te adviseren over de
                    welstandsaspecten van reguliere en gefaseerde aanvragen om bouwvergunning als
                    bedoeld in artikel 44, lid 1 van de Woningwet 2002. Regulier vergunningplichtige
                    bouwaanvragen worden in de regel binnen twee dagen na behandeling van een
                    welstandsadvies voorzien.</al><al/><al>2. Toetsing van licht-vergunningplichtige bouwwerken</al><al>De commissie is bevoegd om burgemeester en wethouders te adviseren over de
                    welstandsaspecten van aanvragen om een lichte bouwvergunning als bedoeld in
                    artikel 44, lid 2 van de Woningwet. De licht-vergunningplichtige bouwaanvragen
                    worden in de regel tijdens het commissieoverleg geadviseerd of uiterlijk binnen
                    twee dagen na behandeling. De gemeente legt licht-vergunningplichtige
                    bouwaanvragen voor aan het gemandateerde Commissielid van Dorp, Stad &amp;
                    Land</al><al/><al>3. Jaarverslag welstandscommissie</al><al>De welstandscommissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van
                    de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste
                    uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria uit
                    de welstandsnota, de werkwijze van de welstandscommissie, op welke wijze
                    uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen, de aard van de
                    beoordeelde plannen en de bijzondere projecten. Tenminste eenmaal per jaar
                    vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een
                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de welstandscommissie.</al><al/><al>4. Toetsing van monumentenaanvragen door de integrale welstands- en
                    monumentencommissie</al><al>Een integrale commissie adviseert inzake wijzigingsplannen voor monumenten en de
                    directe omgeving (zie verder onder 1. Benoeming en samenstelling).</al><al/><al>2.1.2 Niet wettelijk verplichte taken</al><al>De welstandscommissie krijgt de opdracht om naast de reguliere taken de volgende
                    (niet wettelijk verplichte) taken uit te voeren:</al><lijst><li nr="a."><al>Beoordeling van aanvragen voor reclames en aanvragen voor terrassen
                            betreffende het onderdeel terrasmeubilair (inzake de gemeentelijke
                            APV).</al></li><li nr="b."><al>Onder de regie van de gemeente, en op verzoek van de commissie, de
                            gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met
                            betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen. </al></li><li nr="c."><al>Desgevraagd adviezen uitbrengen aan burgemeester en wethouders over de
                            welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurplannen,
                            bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en
                            andere relevante beleidsstukken. </al></li><li nr="d."><al>Desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische
                            ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de
                            gemeente. </al></li><li nr="e."><al>Desgevraagd adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in
                            het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn.
                        </al></li><li nr="f."><al>Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad,
                            burgemeester en wethouders en burgers.</al></li></lijst><al/><al/><al>2.2 Taakomschrijving commissieleden</al><al/><al>2.2.1 Taken van de gemandateerde architect</al><al>De gemandateerde architect(en) van DSL heeft/hebben namens de commissie iedere
                    14 dagen zitting in de gemeente. Hij/zij voert als gemandateerd lid van de
                    welstandscommissie de eerste gesprekken - het vooroverleg - met de gemeente,
                    planindieners, ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante
                    informatie en bereidt de behandeling van bouwplannen in de welstandscommissie
                    voor. De plannen waarvoor de gemandateerde architect een mandaat heeft, worden
                    door hem/haar van een advies voorzien (Zie verder 4.2 Gemandateerde
                    behandeling).</al><al/><al>De gemandateerde architect stelt met de architectsecretaris en de behandelend
                    ambtenaar van Bouw- en Woningtoezicht de agenda voor de commissievergadering op.
                    Tijdens de commissievergadering introduceert de gemandateerde architect de
                    bouwplannen en verstrekt gegevens over het relevante welstandsbeleid voor het
                    betreffende plan en/of gebied. De gemandateerde architect werkt de beraadslaging
                    en conclusie over een bouwplan uit in een schriftelijk advies, dat in beginsel
                    binnen twee dagen na de commissievergadering na een eindcontrole door de
                    secretaris, verzonden wordt.</al><al/><al>2.2.2 Taken van de voorzitter</al><al>De voorzitter van de welstandscommissie wordt in principe gerekruteerd uit
                    ervaren praktijkarchitecten en/of stedenbouwkundigen. Hij/zij is
                    verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit van de
                    advisering. Hij/zij let erop dat de commissie adviseert binnen de kaders van het
                    gemeentelijk welstandsbeleid. Tijdens de openbare vergadering treedt de
                    voorzitter op als gastheer/-vrouw voor alle aanwezigen. Hij/zij legt in het kort
                    de vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezigen bij een bepaald
                    plan wil inspreken. Indien een plan in het vooroverleg is besproken, geeft de
                    voorzitter, de architectsecretaris (of de gemandateerde architect) een korte
                    samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces besproken is. </al><al/><al>De voorzitter leidt de discussie en biedt alle commissieleden de gelegenheid om
                    hun mening voldoende naar voren te brengen. Hij/zij zorgt ervoor dat na een
                    inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag een voor alle aanwezigen korte en
                    heldere samenvatting wordt gegeven. De voorzitter bewaakt verder de voortgang
                    van de agenda.</al><al/><al>Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers
                    treedt de voorzitter namens de commissie naar buiten. De voorzitter organiseert
                    met de commissie een jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De
                    resultaten van de evaluatie worden opgenomen in het jaarlijks verslag van de
                    welstandscommissie.</al><al/><al>3. Werkwijze gemeente</al><al/><al>De welstandsprocedure begint met een selectie van bouwplannen bij de gemeente in
                    licht- en regulier-vergunningplichtige aanvragen.</al><al/><al>De gemeente toetst een bouwplan eerst op de vereisten in het bestemmingsplan en
                    de bouwverordening. Ten behoeve van de welstandstoets beoordeelt de gemeente of
                    het bouwplan is voorzien van de benodigde bescheiden om het te kunnen toetsen.
                    Welke gegevens nodig zijn, is vastgelegd in het Besluit indieningsvereisten
                    aanvraag bouwvergunning en in de gemeentelijke bouwverordening. </al><al/><al/><al>4. Werkwijze van de welstandscommissie</al><al/><al>4.1 Vooroverleg over bouwplannen</al><al>De gemeente biedt de aanvrager de mogelijkheid, om een nog niet formeel
                    aangevraagd bouwplan in een vooroverleg met de welstandscommissie toe te lichten
                    en te bespreken. De gemandateerde architect maakt altijd een verslag van het
                    vooroverleg. Dit verslag wordt openbaar als het bouwplan formeel aan de
                    commissie wordt voorgelegd. Vooroverleg vindt in principe in het openbaar
                    plaats. Hiervan kan worden afgeweken na overleg tussen de gemeente, de aanvrager
                    en de welstandscommissie. </al><al/><al>4.2 Gemandateerde behandeling</al><al>De gemandateerde architect behandelt in de regel om de twee weken op locatie de
                    bouwplannen. Hij/zij heeft een mandaat van de standaard welstandscommissie om
                    zelfstandig bouwplannen af te handelen. Het uitgangspunt voor de
                    mandaatverlening is dat de gemandateerde architect alleen de plannen beoordeelt
                    van een relatief geringe ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op
                    meerdere vergelijkbare gevallen, de mening van de commissie als bekend mag
                    worden verondersteld. Bij twijfel legt de gemandateerde architect het bouwplan
                    voor aan de commissie. De gemandateerde architect heeft voor vergunningplichtige
                    plannen alleen het mandaat om positieve adviezen uit te brengen. Bij
                    licht-vergunningplichtige plannen mag de gemandateerde architect ook negatief
                    adviseren. De commissie zelf is eindverantwoordelijk voor het welstandsadvies.
                    Tenminste één keer per jaar vindt overleg plaats tussen de gemandateerde
                    architect en de welstandscommissie over het mandaat.</al><al/><al>4.2.1 Mandaat ‘ kleine commissie’</al><al>De gemandateerde architect wordt - op verzoek van de welstandscommissie, de
                    gemeente of op eigen verzoek - bijgestaan door een ander commissielid. Deze
                    ‘kleine commissie’ beschikt over hetzelfde mandaat als de rayonarchitect.</al><al/><al>4.2.2 Het mandaatadvies</al><al>De gemandateerde architect brengt welstandsadviezen uit aan burgemeester en
                    wethouders over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of
                    een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te
                    verwachten ontwikkeling daarvan, niet is strijd is met redelijke eisen van
                    welstand’ (art. 12 lid 1 Woningwet). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de
                    criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Een positief
                    mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht door een stempel ‘niet strijdig’ op de
                    tekening te plaatsen en het paraferen van het adviesformulier. Een negatief
                    mandaatadvies (alleen bij licht-vergunningplichtige plannen) wordt schriftelijk
                    gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante criteria uit de
                    welstandsnota.</al><al/><al>4.2.3 Openbaarheid gemandateerde behandeling</al><al>De behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Via het huis-aan-huis
                    blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het tijdstip en plaats van de
                    gemandateerde behandeling. De agenda wordt op het gemeentehuis ter inzage
                    gelegd.</al><al/><al>4.2.4 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</al><al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de
                    gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien
                    zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het daarvoor
                    bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente
                    zorgt voor de uitnodigingen.</al><al/><al>4.2.5 Spreekrecht</al><al>Zowel opdrachtgevers/ontwerpers als direct belanghebbenden hebben
                    spreekrecht.</al><al/><al>4.3 Openbare commissievergadering</al><al>De welstandscommissie vergadert in de regel één keer per twee weken. De
                    gemandateerde architect behandelt in de tussenliggende periode de kleinere
                    bouwplannen (zie 2.2.1 t/m 2.2.3 voor taken gemandateerde architect, voorzitter
                    en architectsecretaris).</al><al/><al/><al>4.3.1 Locatie vergadering</al><al>De welstandscommissie vergadert roulerend in de aangesloten gemeenten in de
                    regio.</al><al>Bij de behandeling van belangrijke bouwplannen kan - op verzoek van de gemeente
                    - worden besloten om in de eigen gemeente te vergaderen.</al><al/><al>4.3.2 Publicatie agenda</al><al>Via het huis-aan-huis blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het
                    tijdstip en plaats van de gemandateerde behandeling. De agenda wordt op het
                    gemeentehuis ter inzage gelegd.</al><al/><al>De openbaarheid geldt voor de beraadslaging over bouwplannen, de beoordeling
                    daarvan en voor de adviezen. De commissievergadering of een gedeelte daarvan is
                    niet openbaar in gevallen als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet
                    Openbaarheid van Bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet
                    opweegt tegen de in art. 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen.</al><al/><al>4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</al><al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de
                    behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien zij bij de
                    behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het daarvoor bestemde
                    formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de
                    uitnodigingen.</al><al/><al>4.3.4 Spreekrecht</al><al>Zowel opdrachtgevers/ontwerpers als direct belanghebbenden hebben
                    spreekrecht.</al><al/><al>4.4 Het welstandsadvies</al><al>De welstandscommissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan
                    burgemeester en wethouders over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van
                    een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de
                    omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met
                    redelijke eisen van welstand’ (art. 12 lid 1 Woningwet). Dit wordt beoordeeld
                    aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Een
                    welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:</al><al>Niet strijdig</al><al>De welstandscommissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing
                    zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
                    Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. </al><al/><al>Niet strijdig mits</al><al>De welstandscommissie adviseert ‘iets niet strijdig’ met een mits aan
                    burgemeester en wethouders omdat het plan volgens de van kracht zijnde
                    welstandscriteria niet strijdig is met redelijke eisen van welstand maar er
                    ontbreekt uit oogpunt van welstand nog een ondergeschikt onderdeel. Formeel is
                    het bouwplan daarmede ‘niet strijdig’. Het ‘mits’ wordt in de praktijk in enkele
                    gevallen gehanteerd om aanvullende bemonstering in later stadium af te spreken
                    of een nadere detailtekening te leveren. ‘Mits’ is bedoeld om de planprocedures
                    niet onnodig op te houden. Het ‘mits’ kan niet als voorwaarde worden opgenomen
                    in de bouwvergunning.</al><al/><al>Strijdig</al><al>De commissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is met redelijke eisen van
                    welstand. Een ‘negatief’ welstandsadvies betekent dat een bouwplan ingrijpend
                    moet worden gewijzigd. Adviseert de commissie ‘strijdig’, dan geeft ze een
                    nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het
                    ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria
                    en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.</al><al/><al>Strijdig tenzij</al><al>De welstandscommissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is met redelijke
                    eisen van welstand uit de gemeentelijke welstandsnota. De ‘strijdigheid’ is
                    beperkt en is in goed overleg met de aanvrager vastgesteld. De strijdigheid
                    wordt nauwkeurig geformuleerd. Burgemeester en wethouders kunnen deze, om
                    redenen van efficiency, als voorwaarde(n) opnemen in de bouwvergunning. </al><al/><al/><al>4.5 Afwijken van het welstandsadvies en/of -criteria</al><al>Burgemeester en wethouders hebben de wettelijke mogelijkheid om ook op andere
                    dan welstandsgronden, af te wijken van een welstandsadvies. De redenen voor
                    afwijking moeten bij de bekendmaking van het besluit worden vermeld.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen, eventueel op advies van de
                    welstandscommissie, gemotiveerd (op welstandsgronden) afwijken van de
                    welstandscriteria zelf. Dat kan bij plannen die niet voldoen aan de vastgelegde
                    criteria maar wél aan redelijke eisen van welstand. Burgemeester en wethouders
                    verwijzen in dat geval naar de algemene criteria in de welstandsnota.</al><al/><al>4.5.1 Second opinion</al><al>Alvorens een second opinion te vragen, bieden burgemeester en wethouders eerst
                    de vaste welstandscommissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder
                    uitgebrachte advies. Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt dit
                    gemeld aan de welstandscommissie. Bij een second opinion wordt de bouwaanvraag
                    voorgelegd aan een commissie buiten DSL. Hierover neemt de gemeente contact op
                    met de Federatie Welstand.</al><al/><al/><al>5. Aanvulling, evaluatie en aanpassing van de welstandsnota</al><al/><al>5.1 Jaarverslag burgemeester en wethouders</al><al>Burgemeester en wethouders leggen de gemeenteraad tenminste eenmaal per jaar een
                    verslag voor waarin zij uiteenzetten:</al><al>- Op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                    welstandscommissie;</al><al>- In welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een lichte
                    bouwvergunning niet aan de welstandscommissie hebben voorgelegd en op welke
                    wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de
                    welstandscriteria.</al><al>- In welke categorieën van gevallen:</al><al>* zij tot aanschrijving op grond van art. 19 Woningwet zijn overgegaan en
                    daarbij de keuze hebben gelaten tussen ofwel het uitvoeren van de aanschrijving,
                    ofwel het slopen van het bouwwerk of de standplaats binnen de door hen te
                    bepalen termijn, en</al><al>* zij bij of na een aanschrijving op grond van artikel 19 Woningwet zijn
                    overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 26
                    Woningwet.</al><al/><al>5.2 Jaarverslag welstandscommissie</al><al>Zie onder punt 2.1.1 </al><al/><al>Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 Beginsel inzake
                    brandmeldinstallaties (vervallen) </al><al>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 Beginsel inzake
                    ontruimingsinstallaties (vervallen)</al><al>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtroute
                    aanduidingen (vervallen)</al><al/><al/><al/><al>TOELICHTING OP DE TEKST </al><al>Bij de toelichting op de tekst van de Bouwverordening is gebruik gemaakt van de
                    toelichting van de Modelbouwverordening (MBV) welke bij de 14e serie wijzigingen
                    integraal is herzien.</al><al/><al>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Bouwtoezicht</al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                    bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond
                    van artikel 5.10, lid 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wijzen
                    burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de
                    Woningwet.</al><al/><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
                    provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel
                    bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de toezichtbevoegdheden.
                    Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen onder omstandigheden als
                    “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al/><al>De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis ten
                    opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn, zoals dit
                    ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die geen
                    ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij verrichten hun werkzaamheden
                    voor de gemeente onrechtmatig, wat consequenties heeft voor hun bevoegdheden,
                    het bewijsrecht e.d. </al><al/><al>Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de
                    Uitwerkingsovereenkomst (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om toezichthouders
                    die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen
                    uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van
                    toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren
                    via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al><al/><al>De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon opsporingsambtenaar
                    krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde eisen. </al><al/><al>Zie hiervoor:
                    http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/buitengewoon-opsporingsambtenaar. Zie
                    over dit onderwerp ook de VNG-ledenbrief: Uitbreiding art. 1:2 CAR: (Lbr.07/17,
                    CvA/LOGA 07/04) (5 april 2007)</al><al>Bouwwerk en gebouw</al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie. </al><al/><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet.</al><al/><al/><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al><al>Algemeen</al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de
                    daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de
                    nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom.</al><al/><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor
                    het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                    beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                    dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                    beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente. </al><al/><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen
                    voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat
                    een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen
                    bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan
                    het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan
                    voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop
                    gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt
                    vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de
                    bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is
                    geworden.</al><al/><al>Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de
                    gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied
                    een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze
                    toelichting.</al><al/><al>Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al/><al>Algemeen</al><al>Regeling omgevingsrecht</al><al>De indieningvereisten staan vermeld in artikel 7.2 van de Regeling
                    omgevingsrecht (Mor). De Mor vervangt op dit punt het Besluit indieningvereisten
                    aanvraag bouwvergunning. </al><al/><al>De indiening van de in art. 7.2 Mor en andere voor de beoordeling van de
                    aanvraag noodzakelijke gegevens kan het bevoegd gezag verlangen op grond van
                    art. 4.2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto art. 4.4 Besluit omgevingsrecht
                    (Bor).</al><al/><al>Wet BIBOB</al><al>De Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB),
                    Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per
                    1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216) en nadien gewijzigd,
                    laatstelijk in 2011. Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of
                    over de aanvrager een integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit
                    bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek
                    te doen naar de antecedenten van de aanvrager - zowel natuurlijke als
                    rechtspersonen - en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt
                    gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn de
                    omgevingsvergunning te weigeren. </al><al/><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                    advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                    behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                    maximaal acht weken op (4 weken + verlenging 4 weken); artikelen. 15 en 31 Wet
                    Bibob).</al><al/><al>Algemene wet bestuursrecht</al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer
                    tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de
                    overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten
                    van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen
                    waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van
                    toepassing is.</al><al/><al>Wet ruimtelijke ordening</al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). </al><al/><al>De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen
                    voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van
                    dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg
                    (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te
                    kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).
                    Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een
                    bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde
                    lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg
                    hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog
                    blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan
                    totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al/><al>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het
                    bouwen</al><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art.
                    3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken
                    bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond
                    van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                    beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al/><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter
                    inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                    antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te
                    bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig
                    voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al/><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</al><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                    omgevingsvergunning. De bouwvergunning maakt deel uit van de omgevingsvergunning
                    en wordt in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1
                    Wabo) De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de
                    bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof
                    gemaakt. De gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en de
                    vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo
                    mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning.</al><al/><al>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden</al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</al><al>Inleiding</al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat
                    niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot
                    bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting
                    geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van
                    toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit
                    de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.</al><al/><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen.</al><al/><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch
                    bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook
                    wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te
                    wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.
                    Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                    bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te
                    onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al/><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en
                    waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of
                    dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                    organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft
                    uitbesteed.</al><al/><al>Lid 3</al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                    bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. Er komt geen afzonderlijk besluit tot
                    het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                    omgevingsvergunning te regelen. De mogelijkheid om geen onderzoeksgegevens op te
                    vragen wordt geboden door artikel 4.4, lid 2 Bor.</al><al/><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingtermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het
                    indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid
                    ontwikkelen.</al><al/><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                    gesignaleerd.</al><al/><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom
                    behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. </al><al/><al>Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</al><al>Algemeen</al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is
                    toegestaan.</al><al/><al>De indieningvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan
                    in de Regeling omgevingsrecht. </al><al>De structuur is als volgt:</al><al>- Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                    onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus
                    artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht. </al><al>- Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het
                    bevoegd gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt
                    in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog
                    niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden
                    gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene
                    bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en
                    actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij
                    de aanvraag verstrekt, omdat deze al in het bezit van het bevoegd gezag
                    zijn.</al><al>- Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                    bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost
                    door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de
                    aanvrager in overeenstemming met artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid
                    gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. </al><al>- Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd
                    gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende
                    gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag
                    worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte
                    aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling
                    omgevingsrecht. </al><al/><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de schade voor het
                    milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat. </al><al/><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze
                    wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en
                    sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</al><al/><al>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</al><al>De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het Bouwbesluit
                    2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe het begrip
                    ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen zullen verblijven’ kan
                    worden geconcretiseerd.</al><al/><al>Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet
                    wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar
                    voor de gezondheid van personen ontstaat.</al><al/><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al/><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6)
                    wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning
                    (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend
                    of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning.</al><al/><al>Bouwwerken die de grond niet raken</al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><al/><al>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging</al><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij
                    niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. </al><al/><al>Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe
                    zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                    saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde
                    grond zijn. </al><al/><al>Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van
                    12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van
                    deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet
                    bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de
                    vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd
                    gezag zijn krachtens genoemd Besluit.</al><al/><al>Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet
                    bodembescherming overgegaan naar de Waterwet.</al><al/><al>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet
                    het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan
                    zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                    gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal
                    echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden
                    dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder
                    artikel 2.4.2 van MBV.</al><al/><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al/><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het
                    bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad,
                    zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak
                    van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al/><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen.</al><al/><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                    worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de
                    bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                            laag wordt aangebracht; </al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                            afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; </al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater
                            wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van
                            het bouwwerk in stand wordt gehouden. </al></li></lijst><al/><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is.
                    Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een
                    verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten
                    plaatsvinden.</al><al/><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al/><al/><al>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                    bereikbaarheidseisen</al><al>Algemeen</al><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding
                    tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele
                    stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5. Dit betreft het zgn.
                    parkeerartikel (2.5.30). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele
                    regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is
                    dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                    werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van
                    paragraaf 5 van hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde
                    lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is
                    opgelost.</al><al/><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten die
                    dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische onderwerpen zijn
                    geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die onderwerpen de bouwverordening
                    terug (art. 9 Woningwet).</al><al/><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                    paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan voorhanden
                    is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan niet-vergelijkbare
                    voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan worden aan een
                    slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal eindplan, een heel oud
                    bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal gebreken. Soms is het
                    moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan exclusief wil zijn ten
                    opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in
                    art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders
                    bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter
                    eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft
                    volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake
                    is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten
                    worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige
                    bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het
                    bestemmingsplan aan.</al><al/><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd:</al><lijst><li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp
                            dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord
                            ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of, </al></li><li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                            aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                            gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op
                            deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of, </al></li><li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                            voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                            werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                            gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg
                            geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende
                            werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid
                            van de Woningwet te worden afgewezen. </al></li></lijst><al/><al>Wet ruimtelijke ordening </al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                    bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop
                    ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van artikel 2.5.30 (parkeren) wijzen wij
                    op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde lid
                    Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt, blijven dit
                    artikel vooralsnog in de MBV bestaan.</al><al/><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan wel in
                    een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat
                    terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al/><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                    gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                    voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient
                    het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren:</al><al/><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig
                    is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een
                            afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg; </al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                            bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; </al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter
                            uit de as van de weg. </al></li></lijst><al/><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen.
                    Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie
                    art. 3.25 Wro. </al><al/><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                    mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) vergunningplichtige bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt
                    echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                    onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                    samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van
                    vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De
                    voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het
                    bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er
                    geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting
                    van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften
                    zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig.</al><al/><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld
                    in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, kunnen
                    worden beschouwd:</al><lijst><li nr="1."><al>uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                            mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten,
                            plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;
                        </al></li><li nr="2."><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                            mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken,
                            dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan
                            gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hiervoor onder 1
                            en 2 aangegeven, zal het bevoegd gezag dus in het algemeen overwegen
                            daartegen repressief op te treden. </al></li></lijst><al/><al>Indien in een bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen,
                    toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1 t/m
                    2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient het
                    aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst van de
                    voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging van de
                    woorden ', te weten:'. </al><al/><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen bestemmingsplan of
                    beheerverordening in voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd
                    in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al/><al>Lid 1, ad b</al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                    afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                    beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al/><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de
                    bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd
                    zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te sluiten. </al><al/><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al/><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                    Afschuining van straathoeken</al><al>Lid 4, onder a</al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                    complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                    gevangenissen vallen.</al><al/><al>Lid 4, onder f</al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al/><al>Lid 4, onder g</al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                    gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al/><al>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</al><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al/><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al/><al/><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</al><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al/><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van
                    het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al/><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.</al><al/><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II
                    van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze
                    onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om
                    het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing
                    te laten zijn. </al><al/><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al/><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel
                    2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen. </al><al/><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding
                    hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook
                    betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten. </al><al/><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod
                    de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden
                    genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te
                    besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</al><al/><al>Ad a en g</al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                    winkelbebouwing.</al><al/><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al/><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al/><al/><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al/><al>Lid 3 b, onder 1</al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al/><al>Lid 3 b, onder 2</al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou kunnen worden afgeweken
                    van de voorgeschreven erfgrootte.</al><al/><al>Lid 3 b, onder 3</al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbetering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><al/><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in laatstgenoemde
                    burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als minimumafstand
                    tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al/><al>Lid 2, onder a en b</al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                    rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                    dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                    gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen
                    voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook
                    woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver
                    worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere
                    geval.</al><al/><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de
                    omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid,
                    indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw.</al><al/><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor,
                    althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                    hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                    vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve
                    toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel
                    van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede
                    lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                    het verbod als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het
                    bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een
                    terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><al/><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransportleidingen</al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de
                    veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de
                    openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor
                    elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d.</al><al/><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het
                    bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken
                    zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van
                    het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de
                    lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het
                    bouwwerk.</al><al/><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding. </al><al/><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                    opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                    Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter,
                    dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van
                    bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d. </al><al/><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk
                    recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin
                    vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een bestemmingsplan geen
                    betekenis. </al><al/><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd,
                    die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al/><al>Besluit externe veiligheid buisleidingen</al><al>Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling
                    externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking
                    getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden
                    aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in
                    lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen(Bevi). De besluiten gaan
                    voor op de gemeentelijke bouwverordening.</al><al/><al>Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt dat binnen
                    vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb een bestemmingsplan in
                    overeenstemming is met dit besluit. </al><al/><al>Wanneer de betreffende buisleidingen correct in bestemmingsplannen zijn
                    opgenomen, vervalt de werking van deze stedenbouwkundige bepaling uit de
                    bouwverordening. Voor niet in een bestemmingsplan geregelde leidingen, blijft
                    deze bepaling uiteraard onverkort van kracht. Dit vloeit voort uit artikel 9
                    Woningwet. Zie hierover de algemene toelichting bij paragraaf 5.</al><al/><al>Zie voor meer informatie over het Bevb, Revb en Bevi:
                    www.infomil.nl/onderwerpen/hinder-gezondheid/veiligheid/buisleidingen </al><al/><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al/><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn.</al><al/><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van
                    eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken
                    voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.)</al><al/><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al/><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al/><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al/><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al/><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al/><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                    achtergevelrooilijn</al><al>Zie figuur 19.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te wijken
                    van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten optrekken van
                    de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al/><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</al><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al/><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</al><al>De maximumbouwhoogte van 10 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al/><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                    terreinen</al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al/><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het
                    hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun
                    goot.</al><al/><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al/><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al>Ad a</al><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet
                    logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                    toepassing te laten zijn.</al><al/><al>Ad b</al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel
                    2.5.28, onder e.</al><al/><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</al><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het
                    misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                    vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor),
                    uit te sluiten.</al><al/><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient
                    bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2.
                    Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken. </al><al/><al>Ad e, onder 1</al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                    bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan
                    thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een
                    gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al/><al/><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige afwijkingen
                    uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de in het
                    bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en anderzijds de
                    afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV
                    is te beschouwen als een bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook
                    de behoefte aan regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt
                    voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en
                    gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de
                    bouwverordening als van die uit een bestemmingsplan.</al><al/><al>Sub a.</al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen van
                    toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                    projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                    bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van 3.9
                    Wabo van toepassing is.</al><al/><al>Sub b. Aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                    aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren, maar er
                    voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of
                    een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke situatie
                    vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze. </al><al/><al>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle besluiten de
                    eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze motivering zal in het
                    onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig
                    planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan
                    waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte 'in
                    overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'. </al><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de
                    afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                    structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                    bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties
                    zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd
                    ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor
                    bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al/><al>Sub d.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                    Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de betekenis
                    die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt rekening gehouden
                    met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke en landschappelijke
                    waarden.</al><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante afstanden
                    treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.</al><al/><al>Sub e.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                    ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                    Wabo.</al><al/><al/><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen</al><al>Algemeen</al><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                    parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als uitwerking
                    hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat artikel 8,
                    vijfde lid van de Woningwet vervalt. </al><al/><al>In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                    Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe datum
                    van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                    ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond van
                    de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is voorzien in
                    een regeling over het parkeren.</al><al/><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per omgevingsvergunning
                    voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van
                    het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q.
                    bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de
                    frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de
                    mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk
                    op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het
                    lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al/><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</al><al/><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden
                    bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                    praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                    omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van
                    10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                    zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al/><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al/><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al/><al/><al/><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van de
                    eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen
                    terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor
                    omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden.
                    Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden worden gesteld.</al><al/><al/><al>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</al><al>Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in
                    afwijking van de bestemming</al><al/><al>Reden tot vervallen van artikel 7.3.1 in de modelbouwverordening van de VNG</al><al>Op 11 februari 1993 heeft de voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad
                    van State een waarschuwing tot het toepassen van bestuursdwang wegens
                    overtreding van artikel 7.3.1 geschorst, omdat naar het oordeel van de
                    voorzitter artikel 8 van de Woningwet geen grond biedt voor een dergelijke
                    bepaling.</al><al>De tekst van artikel 7.3.1 was gelijk aan de tekst van artikel 352 MBV.</al><al>Artikel 352 was gebaseerd op artikel 168 van de gemeentewet. De Woningwet van
                    1991 geeft in artikel 8 een limitatieve opsomming van in de bouwverordening te
                    regelen onderwerpen. Dit betekent dat er in de bouwverordening geen plaats meer
                    is voor een op artikel 168 gemeentewet gebaseerde bepaling. De opvolger van
                    artikel 352 MBV moest dus worden ondergebracht bij de opsomming van artikel 8
                    van de Woningwet.</al><al>De Voorzitter van de Afdeling rechtspraak kwam in vorengenoemde uitspraak tot
                    het oordeel dat de Woningwet van 1991 geen grondslag biedt voor een
                    gebruiksvoorschrift als opgenomen in artikel 7.3.1. Hierdoor mist artikel 7.3.1
                    verbindende kracht. De mogelijkheid om de ondeugdelijke grondslag te repareren
                    sluit de voorzitter in de uitspraak nadrukkelijk uit. Overeenkomstig eerdere
                    jurisprudentie wordt uitgesloten dat een eenmaal ingetrokken artikel 352 MBV
                    opnieuw wordt vastgesteld. In de onderhavige casus had de gemeente bij invoering
                    van de nieuwe bouwverordening de oude bouwverordening en dus ook artikel 352
                    ingetrokken.</al><al/><al>Hoewel de uitspraak op één gemeente betrekking heeft, strekt de betekenis van
                    een onverbindendverklaring zich uit over alle gemeenten met een identieke
                    bepaling. Nu gebleken is dat er geen bodemprocedure loopt en derhalve in deze
                    kwestie geen uitspraak van de Afdeling rechtspraak volgt, heeft het materieel
                    geen waarde artikel 7.3.1 te handhaven. </al><al>Bij een formele benadering kan als nadeel worden genoemd dat door te schrappen
                    een andere mogelijk andersluidende uitspraak wordt voorkomen. Er bestaan geen
                    aanwijzingen dat in de toekomst een ander oordeel is te verwachten. Derhalve is
                    artikel 7.3.1 geschrapt.</al><al>Vooralsnog mag worden aangenomen dat in de gemeenten waar artikel 352 MBV niet
                    is ingetrokken, dit artikel de rechtskracht heeft behouden en herleeft op het
                    moment dat artikel 7.3.1 onverbindend moet worden geacht of is ingetrokken.</al><al>Omdat in een aantal gemeenten artikel 352 MBV nog bestaat volgt hierna de
                    toelichting en jurisprudentie die daarop betrekking heeft.</al><al>Voor de duidelijkheid wordt er hierbij op gewezen dat het oude artikel 352 MBV
                    in Noordwijk dus is gehandhaafd en vernummerd in 7.3.1.</al><al/><al>Artikel 352 MBV 1965</al><al>Dit artikel vormt gedurende de tijd dat de bedoelde bestemmingsplannen nog niet
                    zijn aangepast aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een noodzakelijk
                    complement op de artikelen 10 en 12 van die wet.</al><al>Deze artikelen bepalen namelijk, dat bij een bestemmingsplan regelingen, c.q.
                    voorlopige regelingen, mogen worden gegeven omtrent het gebruik van de in het
                    plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. In de toekomst kan
                    het gebruik van gronden en opstallen zo nodig in een bestemmingsplan worden
                    geregeld. De bouwverordening geeft dus als het ware een overgangsregeling.
                    Indien een plan of voorschriften, als in de aanhef van het eerste lid bedoeld,
                    in overeenstemming worden gebracht met de Wet op de Ruimtelijke Ordening, treedt
                    voor het gebied, dat in dat plan is begrepen, artikel 352 buiten werking. De
                    aanpassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening moet ingevolge de Overgangswet
                    binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van laatstbedoelde wet geschieden. Nog
                    steeds zijn niet alle bestemmingsplannen aangepast, zodat deze overgangsregeling
                    vooralsnog nodig blijft.</al><al/><al>Dit artikel houdt uitsluitend voorschriften in over ander gebruik dan bouwen en
                    kan daarom geen grond zijn voor het weigeren van een bouwvergunning.</al><al/><al>De jurisprudentie die is ontstaan op basis van het artikel 352 MBV 1965 is, voor
                    zover nog relevant, hierna opgenomen. </al><al/><al>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de
                    bouwverordening (MBV 1965)</al><al/><al>Lid 1 (Terreinen en bouwwerken die onder een bestemmingsplan vallen)</al><al>1 Onder gebruik in de zin van deze bepaling valt ook het aanleggen van werken,
                    dat erop is gericht de grond niet meer in overeenstemming met de daaraan bij het
                    bestemmingsplan gegeven bestemming te gebruiken. Ook de uitvoering van werken,
                    geen bouwwerken zijnde, en van werkzaamheden die tot gevolg hebben dat de
                    desbetreffende grond niet (langer) in overeenstemming met de verwezenlijkte
                    bestemming zal worden gebruikt, dient te worden aangemerkt als gebruik van
                    grond, dat krachtens artikel 352, eerste lid, verboden is. (Bij voorbeeld het
                    aanbrengen van een oppervlakteverharding of gebruik van grond voor
                    parkeerdoeleinden.)</al><al>ARRS 6 augustus 1982, NG 1982, S201; OB 1983, III.2.2.7, nr. 44824; ARRS 2 juni
                    1983, A-31.3231 (1982).</al><lijst><li nr="-"><al>Incidentele of kortdurende activiteiten behoeven aan de bestemming niet
                            altijd afbreuk te doen. In casu betrof het het gebruik van een agrarisch
                            gebied als crossterrein voor een week.</al><lijst><li nr="o"><al>Vz. ARRS 30 oktober 1980, A-3.4726 (1980).</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>Wanneer uit de voorschriften van een bestemmingsplan voortvloeit dat op
                            gronden met de bestemming 'landelijk gebied' slechts woningen en andere
                            gebouwen uitsluitend ten behoeve van een agrarisch bedrijf mogen worden
                            opgericht, betekent dat niet dat iedere agrarische activiteit die niet
                            strekt ten behoeve van een agrarisch bedrijf, strijd oplevert met de
                            bestemming 'landelijk gebied'.</al></li><li nr="-"><al>Van strijd is pas sprake bij agrarische activiteiten die een zodanige
                            omvang en karakter hebben - zoals bij voorbeeld bij een volkstuin het
                            geval kan zijn - dat het recreatieve element daarbij kennelijk op de
                            voorgrond staat.</al><lijst><li nr="o"><al>Ook valt te denken aan activiteiten die wel worden verricht in
                                    verband met het agrarische gebruik, maar anderszins
                                    onverenigbaar zijn met het specifieke landelijke karakter van
                                    het betrokken gebied.</al></li><li nr="o"><al>ARRS 23 augustus 1983; GS 6768.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>- In stalruimten binnenmuren aangebracht teneinde deze ruimten voor
                            bewoning te gaan gebruiken. De gebruiksbepaling van artikel 352, lid 1,
                            kan niet als grondslag dienen voor een aanschrijving de stalruimten uit
                            te breken zodanig dat deze ongeschikt zijn voor bewoning. Een
                            aanschrijving baseren op overtreding van de Woningwet wegens illegaal
                            aangebrachte voorzieningen is wel mogelijk. ARRS 7 november 1986; RO
                            3.85.3838.</al></li></lijst><al/><al>2 Van een verwezenlijkte bestemming is (in beginsel) sprake:</al><lijst><li nr="-"><al>ook wanneer die bestemming is verwezenlijkt na het van kracht worden van
                            artikel 352. ARRS 7 maart 1979, A-3.2098 (1979); ARRS 25 april 1980; AB
                            1980, 490; GS 6629.</al></li><li nr="-"><al>wanneer een perceel zodanig is ingericht en daarop zodanig is gebouwd
                            dat het overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming kan worden
                            gebruikt. Voor het aannemen van bedoelde verwezenlijking is niet vereist
                            dat een gebruik overeenkomstig de bestemming ook inderdaad heeft
                            plaatsgevonden.</al><lijst><li nr="o"><al>HR 8 februari 1974; NJ 1974, 151; ARRS 2 oktober 1981; AB 1982,
                                    42.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>ook als op een perceel een aanmerkelijk deel van een bedrijfshal is
                            gebouwd, die overigens is opgericht op een stuk grond met een andere
                            bestemming.</al><lijst><li nr="o"><al>HR 1 maart 1973; BR 1974, 527; NJ 1974, 234.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>ook als een gebouw in strijd met de aan de grond gegeven bestemming is
                            opgericht, maar het perceel voor die tijd overeenkomstig de bestemming
                            in gebruik was.</al><lijst><li nr="o"><al>Hof Amsterdam 30 oktober 1975; BR 1976, 317.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>wanneer een bouwwerk - hoewel voor een ander doel in gebruik - zonder
                            dat daarvoor ingrijpende voorzieningen moeten worden getroffen, de
                            geschiktheid heeft om overeenkomstig de bestemming te worden gebruikt.
                            Het feit dat na het afbranden van het gebouw op het perceel een gebouw
                            is opgericht, dat mogelijk niet met de bestemming in overeenstemming is,
                            doet er niet aan af dat met betrekking tot het perceel van een
                            verwezenlijkte bestemming moet worden gesproken. ARRS 9 september 1983;
                            AB 1984, 87.</al></li><li nr="-"><al>als een pand (of de grond) zonder het treffen van ingrijpende
                            voorzieningen overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, ook al
                            zou moeten worden aangenomen dat op of na het tijdstip van
                            inwerkingtreding van artikel 352 bouwverordening het pand (of de grond)
                            voor een ander doel werd gebruikt (i.c. bewoning).</al><lijst><li nr="o"><al>ARRS 28 november 1985, RO 3.84.305; ARRS 23 mei 1986; BR 1986,
                                    839.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>bij gronden met een bebouwingsbestemming is de bestemming pas
                            verwezenlijkt, wanneer de grond zodanig is bebouwd dat een gebruik van
                            de zich daarop bevindende opstallen en bijbehorende grond overeenkomstig
                            de bestemming mogelijk is.</al><lijst><li nr="o"><al>ARRS 10 augustus 1982; BR 1982, 891; ARRS 18 mei 1988; RO
                                    3.86.3865.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>het gebruik van de keuken (of een ander deel) van een woning als
                            afhaalcentrum verdraagt zich niet met de -verwezenlijkte -
                            woonbestemming.</al><lijst><li nr="o"><al>Wanneer door het gebruik als afhaalcentrum geen ingrijpende en
                                    onomkeerbare inbreuk op de bestemming plaatsvindt, is
                                    vrijstelling mogelijk.</al></li><li nr="o"><al>Vz. ARRS 30 mei 1983, RO 3.83.2703/S737.</al></li><li nr="o"><al>Van een verwezenlijkte bestemming is (in beginsel) geen
                                    sprake:</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>Wanneer een gebouw op zich wel geschikt is voor de bestemming, maar
                            blijkens de bouwvergunning niet daarvoor bedoeld was en er ook nooit
                            voor is gebruikt. (I.c. betrof het een gebouw voor detailhandel in een
                            gebied met een industriebestemming.)</al><al> ARRS 5 februari 1982, A-3.2100 (1980).</al><al>3 Is een gebouw tot stand gekomen met toepassing van artikel 19 van de
                            Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 50, lid 8, van de Woningwet,
                            dan is het gebruik van dat gebouw in strijd met artikel 352, lid 1,
                            wanneer dit plaatsvindt buiten de grenzen aangegeven of geïmpliceerd in
                            de vrijstellingen krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke
                            Ordening en artikel 50, lid 8, van de Woningwet.</al><al>HR 10 oktober 1975; BR 1975, 809; NJ 1976, 107; OB 1976, XI.7.8.1, nr.
                            37099, NG 1976, S111.</al><al> Arob-jurisprudentie bevestigt het standpunt van de HR:</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van het gebruik van gebouwen; zie vz. ARRS 15 oktober 1980;
                            BR 1981, blz. 238;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van het gebruik van gronden; zie vz. ARRS 8 maart 1985; BR
                            1985, blz. 649.</al><al>4 Artikel 352, eerste lid, van de bouwverordening is onverbindend als
                            daarin ontbreken de woorden 'nadat de bij het bestemmingsplan aangegeven
                            bestemming is verwezenlijkt'.</al><al> ARRS 31 juli 1984; BR 1985, 28.</al></li><li nr="-"><al>Het verbod in artikel 352, lid 1, geldt niet, voor zover het gebruik van
                            een gebouw rechtstreeks voortvloeit uit een bouwvergunning die is
                            verleend vóór het in werking treden van artikel 352, lid 1.</al><lijst><li nr="o"><al>ARRS 20 maart 1984, RvS/R.3.159/84.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>Het na 1 augustus 1970 opnieuw vaststellen van een bouwverordening - met
                            inbegrip van artikel 352 - die reeds eerder voor die datum werd
                            vastgesteld, doet geen afbreuk aan de verbindendheid van artikel
                            352.</al><lijst><li nr="o"><al>Wnd. vz. ARRS 20 juni 1985, RO 3.85.3265/S5852.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>Ook een redactionele (niet-ingrijpende) wijziging van artikel 352,
                            aangebracht na 1970, werd nog toegestaan.</al><lijst><li nr="o"><al>ARRS 15 april 1986; BR 1986, 682.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>- In een geval waarin een bestemmingsplan (oude stijl) 35 keer was
                            gewijzigd, waaronder twee keer ingrijpend, nagenoeg steeds volgens de
                            moderne bestemmingsplanprocedure, vond de ARRS dat artikel 352, lid 1,
                            niet meer van toepassing was: het plan moest geacht worden (geheel) te
                            zijn aangepast aan de WRO.</al></li><li nr="-"><al>ARRS 5 december 1985; AB 1986, 492.</al></li><li nr="-"><al>Artikel 352, eerste lid, kan niet worden toegepast als er sprake is van
                            een bestemmingsplan nieuwe stijl, waarvan (de) gebruiksvoorschriften
                            niet zijn goedgekeurd.</al><lijst><li nr="o"><al>ARRS 9 mei 1980; GS 6650.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>- Een besluit tot ingrijpende wijziging van artikel 352, aangebracht na
                            1970, wordt beschouwd als vaststelling van een nieuw artikel 352.
                            Vaststelling van een nieuw artikel was na 1 augustus 1970 niet
                            toegestaan, derhalve is dit nieuwe artikel onverbindend. Door
                            vaststelling van een latere tekst wordt de eerdere geacht te zijn
                            vervallen.</al><lijst><li nr="o"><al>ARRS 23 juni 1986; BR 1987, 40; AB 1987, 206.</al><al>Opmerking. Een ingrijpend gevolg van deze uitspraak is dat in de
                                    desbetreffende bouwverordening artikel 352 niet meer bestaat.
                                    Aangenomen moet worden dat het oude artikel niet automatisch
                                    herleeft. In hoeverre het opnieuw vaststellen van de oude tekst
                                    nu nog tot het gewenste resultaat - een verbindend artikel 352 -
                                    zal leiden is onduidelijk.</al><al>Wanneer sprake is van een niet-ingrijpende wijziging en wanneer
                                    van een ingrijpende wijziging van artikel 352, is op basis van
                                    de twee vorenstaande uitspraken niet in algemene zin aan te
                                    geven. Wel past hier een waarschuwing: tornen aan de tekst van
                                    artikel 352 blijkt riskant te zijn en dient dan ook ontraden te
                                    worden.</al><al>5 De gebruiksbepaling in het bestemmingsplan waarmee het gebruik
                                    van een gebouw als moskee strijdt, mag, gelet op artikel 6 van
                                    de Grondwet, het gebruik van dat gebouw voor gebedsdienst niet
                                    onmogelijk maken.</al><al> Pres. Rb. Den Bosch 25 juni 1985; KG 1985, 446.</al><al>6 Een terrein dat werd doorsneden (i.c. door een sloot), werd
                                    geacht te bestaan uit twee afzonderlijke gedeelten met een
                                    verschillende bestemming.</al><al> ARRS 25 maart 1982; AB 1982, 446.</al><al/><al>Lid 2 (Niet onder een bestemmingsplan begrepen terreinen en
                                    bouwwerken)</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>Artikel 352, lid 2, kan geen grond zijn voor weigering van een
                            bouwvergunning.</al><lijst><li nr="o"><al>Vz. ARRS 3 december 1985, RO 3.85.7089/S1763.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>Artikel 352, lid 2, heeft geen planologische, maar alleen een
                            bouwkundige betekenis. </al></li><li nr="-"><al>Wanneer constructie en inrichting van een gebouw toelaten dat dit gebouw
                            voor verschillende bestemmingen wordt gebruikt, dan verbiedt artikel
                            352, lid 2, een dergelijk gebruik niet. HR 28 juni 1974; BR 1974, 666;
                            NJ 1974, 401; AB 1974, 280; GS 6309, 6310 en 6311.</al></li><li nr="-"><al>Een aanschrijving tot het staken van het gebruik van een fabriekspand
                            als supermarkt werd echter niet geschorst. De vz. ARRS was van oordeel
                            dat het begrip 'bestemming' in lid 2 van artikel 352 mede strekt ter
                            bescherming van de omgeving. Bij het verlenen van vrijstelling krachtens
                            lid 4 mogen planologische belangen worden meegenomen.</al><al> Wnd. vz. ARRS 18 juli 1983, RO 3.83.3885/S1024.</al><al>- Een garage waarvan de oorspronkelijke garage-inrichting op legale
                            wijze ongedaan is gemaakt, mocht worden gebruikt als supermarkt: de
                            huidige constructie en inrichting van het gebouw waren niet vreemd aan
                            het gebruik als supermarkt.</al><al> Wnd. vz. ARRS 6 augustus 1984, RO 3.84.4144/S1049.</al><al/><al>Lid 3 (Overgangsbepaling)</al><al>Op de overgangsregeling van artikel 352, lid 3, kan alleen beroep worden
                            gedaan, wanneer het gebruik dat van voor de inwerkingtreding van artikel
                            352 dateert, wordt voortgezet zonder dat zich daarin wijzigingen in
                            planologisch relevante zin hebben voorgedaan.</al><al>ARRS 8 juli 1983; AB 1983, 586; ARRS 14 maart 1983; AB 1983, 345; ARRS 9
                            februari 1984; AB 1984, 272.</al><al/><al>Lid 4 (Vrijstelling)</al><al>1 De vrijstelling krachtens artikel 352, lid 4, mag niet worden gebruikt
                            om voor een omvangrijk gebied een einde te maken aan de mogelijkheid dat
                            gebied te gebruiken overeenkomstig de bestemming. Op die manier zou men
                            immers vooruitlopen op een bestemmingswijziging, die volgens de Wet op
                            de Ruimtelijke Ordening alleen op de in deze wet aangegeven wijze kan
                            worden bewerkstelligd. Dit geldt te meer nu de anticipatiebevoegdheid
                            van burgemeester en wethouders ex artikel 19 van de Wet op de
                            Ruimtelijke Ordening juist is gebonden aan een verklaring van geen
                            bezwaar van gedeputeerde staten.</al><al>HR 29 maart 1974, 607; NJ 1974, 344; ARRS 20 maart 1981; AB 1981, 430;
                            ARRS 12 januari 1982; GS 6743; AB 1982, 363; BR 1986, 441
                            (motorcrossterrein).</al><al>- Bij de toepassing van artikel 352, lid 4, behoort (dan ook)
                            richtinggevend te zijn dat de vrijstelling de verwezenlijking van de
                            doeleinden van een toekomstig bestemmingsplan niet in de weg zal
                            staan.</al><al>Wnd. vz. ARRS 1 maart 1985, 758.</al><al>- Ook de in de Wet geluidhinder voorziene met waarborgen omklede
                            procedure (zonevaststelling) of het vereiste van vergunning krachtens
                            artikel 17 van die wet en de procedure vastgelegd in de artikelen 41
                            e.v. van die wet mag niet worden omzeild door toepassing van de
                            vrijstellingsbevoegdheid krachtens artikel 352, lid 4.</al><al>ARRS 17 januari 1986; AB 1986, 318, en AB 1987, 109. Vergelijk GS 6808
                            en wnd. vz. ARRS 9 april 1984; milieu en recht 1984/7.</al><al>2 De gemeente is (in beginsel) verplicht vrijstelling te geven wanneer
                            strikte toepassing van artikel 352, lid 1, er op zou neerkomen, dat het
                            meest doelmatige gebruik van grond en opstallen wordt beperkt, zonder
                            dat deze beperking door dringende redenen is gerechtvaardigd.</al><al>Zie bij voorbeeld KB 1 maart 1974; BR 1974, 534 (inzake het
                            bestemmingsplan); KB 10 juni 1977; BR 1977, 744; vz. ARRS 20 mei 1977;
                            BR 1977, 742.</al><al>- Vrijstelling van een verbod tot gebruik in strijd met de bestemming is
                            (in beginsel) alleen mogelijk als het perceel objectief bezien niet meer
                            zinvol overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt.</al><al>Vz. ARRS 24 juli 1985, RO 3.85.3950/S992; ARRS 10 juni 1987;
                            W/RvS/R.3.328/87.</al><al>- Daar de bevoegdheid tot het geven van vrijstelling niet aan
                            voorwaarden is gebonden, kan hiervan ook gebruik worden gemaakt in
                            andere gevallen dan waarin van een beperking van het meest doelmatige
                            gebruik sprake is.</al><al>ARRS 13 maart 1986; BR, 663; GS 6826.</al><al>- Burgemeester en wethouders mogen (ook) vrijstelling krachtens artikel
                            352, lid 4, verlenen, ook al is een zinvol gebruik overeenkomstig de
                            bestemming nog mogelijk, mits een redelijke belangenafweging daartoe
                            aanleiding geeft en vrijstelling niet leidt tot een ingrijpende en
                            onomkeerbare inbreuk op de bestemming.</al><al>ARRS 18 oktober 1985; BR 1986, 512; GS 6826.</al><al>- Als een feitelijk onomkeerbare situatie werd (bij voorbeeld)
                            aangemerkt het (permanent) gebruik van een terrein met agrarische
                            bestemming voor de opslag van te breken en gebroken puin.</al><al>ARRS 8 december 1983; AB 1984, 167.</al><al>3 De vrijstelling kan aan een termijn worden gebonden.</al><al>ARRS 2 februari 1982; GS 6743; AB 1982, 243.</al><al>4 Aanvaard werden onder meer vrijstellingen</al><al>- ter voorkoming van langdurige leegstand van industriepanden (de
                            gemeente werd daarbij niet verplicht tot uitputtend onderzoek naar de
                            financieel-economische gevolgen van toe te laten vestigingen).</al><al>Vz. ARRS 7 maart 1985, RO 3.84.6853/S5206.</al><al>- voor het gebruik van een landbouwschuur ten behoeve van een
                            autoherstelbedrijf, nu dit gebruik niet zo ingrijpend behoefde te zijn
                            dat deze schuur ongeschikt zou worden om overeenkomstig de agrarische
                            bestemming te worden gebruikt.</al><al>ARRS 31 januari 1985; BR 1985, 754.</al><al>- voor tijdelijke opslag van heipalen en betonplaten op een
                            terrein.</al><al>Wnd. vz. ARRS 14 mei 1985, RO 3.85.2555/S5719 en 3.85.2633/S5720.</al><al>- twee panden met de bestemming 'eengezinsmiddenstandshuizen' worden aan
                            een stichting in gebruik gegeven voor huisvesting en begeleiding van
                            ex-drugsverslaafden.</al><al>ARRS 3 juli 1981; A-3.0220.</al><al>5 Een vrijstelling om een woning te gebruiken als kantoor of
                            praktijkruimte mocht worden geweigerd. Overwogen werd onder meer het
                            volgende.</al><al>Een groot aantal panden aan de betrokken straat wordt voor
                            woondoeleinden gebruikt. De gemeente streeft ernaar dit woonkarakter van
                            de straat te behouden. In dit beleid past niet dat woonhuizen (nagenoeg)
                            geheel als kantoor of praktijkruimte worden gebruikt.</al><al>Ook al zou dit gebruik in de onderhavige gevallen naar buiten toe niet
                            storend zijn, dan nog wijkt het wezenlijk af van gebruik voor
                            woondoeleinden. Zo zullen de panden tijdens de werkuren belangrijk
                            vaker, door telkens wisselende personen, worden bezocht, terwijl de
                            panden buiten deze uren een doods element vormen.</al><al>ARRS 17 februari 1984, A-31.1330 (1982).</al><al>- Een - terughoudend - vrijstellingsbeleid ter bevordering van
                            concentratie van detailhandelsvoorzieningen werd niet onredelijk
                            geacht.</al><al>ARRS 5 november 1981, A-3.2139.</al><al>- Voor het gebruik als (bij voorbeeld) supermarkt is een vrijstelling
                            krachtens artikel 352, lid 4, vereist, ook als eerder zo'n vrijstelling
                            werd verleend om de voor een houtverwerkingsbedrijf opgerichte
                            bedrijfshal te gebruiken als bouwmarkt.</al><al>ARRS 16 augustus 1985, RO 3.83.6146.</al><al>- Een vrijstelling mag niet worden geweigerd, omdat het gaat om
                            activiteiten die 'niet gebruikelijk' zijn. (I.c. betrof het gebruik als
                            manege van opstallen en gronden met een industriebestemming.)</al><al>ARRS 15 februari 1983; BR 1983, 471.</al><al>- Een voorwaarde, verbonden aan een vrijstelling krachtens artikel 352,
                            mag geen verbod bevatten om bepaalde bouwwerken op te richten.</al><al>ARRS 5 juli 1983; AB 1983, 488.</al><al>6 De belangenafweging bij het uitoefenen van bestuursdwang valt niet
                            geheel samen met de afweging van belangen in het kader van de verlening
                            van vrijstelling krachtens artikel 352, lid 4. (Onder andere zal bij
                            bestuursdwang rekening moeten worden gehouden met het langdurig gedogen
                            van een illegale situatie.)</al><al> ARRS 17 februari 1984; GS 6772.</al><al>7 De vraag of het gebruik strijdig is met de woonbestemming dient
                            beantwoord te worden aan de hand van de ruimtelijke uitwerking die dat
                            gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bezien moet
                            worden of deze uitstraling van dien aard is, dat deze niet meer te
                            rijmen valt met de woonfunctie van het betrokken pand of perceel. (In
                            casu ging het om naaicursussen die in een woonkamer werden gegeven, ter
                            zake waarvan B en W vrijstelling ex artikel 352, lid 4, hadden
                            geweigerd). Volgt vernietiging wegens strijd met
                            motiveringsbeginsel.</al><al> ARRS 18 februari 1992, R03.89.1986; AB 1992, nr.163.</al><al/><al>Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en de bouwverordening 1992
                            (MBV 1992)</al><al>- Artikel 7.3.1 MBV 1992, de opvolger van artikel 352 MBV 1965, mist
                            verbindende kracht, nu deze bepaling geen grondslag vindt in de
                            limitatieve opsomming van artikel 8 van de Woningwet.</al><al>Vz. ARRS 11 februari 1993; S03.92.4484 en S03.93.0088; AB 1993, nr.
                            247.</al><al> Zie ook Vz. ARRS 3 juni 1993; S03.93.1085.</al><al>- Niet valt in te zien dat artikel 352 (Model-)bouwverordening 1965 zou
                            zijn vervallen bij het vaststellen door de gemeenteraad van een nieuwe
                            bouwverordening, nu in de in artikel 12.6 van de nieuwe bouwverordening
                            opgenomen slotbepaling nadrukkelijk is bepaald dat artikel 352 van de
                            oude bouwverordening bij de inwerkingtreding van de nieuwe
                            bouwverordening niet vervalt. Ook de stelling dat uit de in artikel 126,
                            eerste lid, van de Woningwet opgenomen overgangsbepaling ten aanzien van
                            de geldigheidsduur van de - oude - gemeentelijke bouwverordening volgt
                            dat artikel 352 van deze verordening per 1 oktober 1993 zal komen te
                            vervallen, wordt onjuist geacht aangezien dit artikel zijn grondslag
                            niet in de Woningwet 1962, maar in artikel 168 van de Gemeentewet
                            vindt.</al><al> Vz. ARRS 16 september 1993, BR 1994, p. 214.</al><al>- De gemeenteraad heeft een (nieuwe) bouwverordening vastgesteld waarin
                            de oude gebruiksbepaling 352 niet is ingetrokken doch slechts is
                            vernummerd tot artikel 7.3.1. Overeenkomstig hetgeen is overwogen in de
                            uitspraak van de Vz. ARRS d.d. 16-9-1993 (BR 1994, p. 214) moet dan ook
                            geoordeeld worden dat B en W met artikel 7.3.1 van de bouwverordening
                            nog steeds beschikken over een verbindend gebruiksvoorschrift.</al><al> Pres. Rb. Assen 4 mei 1994, BR 1994, p. 591.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 7.3.3 Bepaling aantal personen nachtverblijf</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2 lid 1 van het Bor, is de plicht tot
                    het verkrijgen van een vergunning gesteld op de situatie dat aan meer dan vier
                    personen in een bouwwerk in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden
                    verschaft.</al><al/><al>Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</al><al>Algemeen</al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde
                    lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                    samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al/><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet uitgewerkt
                    vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen nadrukkelijk zelf
                    een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook indien een gemeente werkt
                    met een provinciale welstandscommissie. De gemeentelijke keuze dient ook door te
                    klinken in de werkwijze van de provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de
                    gemeente het initiatief te nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie
                    om deze keuze te onderschrijven.</al><al/><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                    situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                    stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een dergelijk
                    reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen, maar dient wel
                    dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                    bouwverordening.</al><al/><al>Welstandscriteria en welstandsnota</al><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                    vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                    welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                    welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester
                    en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is
                    met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen.
                    De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met
                    criteria is geen welstandstoezicht mogelijk.</al><al/><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend
                    deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                    verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van
                    de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van
                    landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De
                    bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste
                    gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                    aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist
                    verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake
                    van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                    zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al/><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt
                    gevolgd.</al><al/><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                    toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al/><al>Relatie bestemmingsplan en welstand</al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit
                    artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar
                    de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.</al><al>Het welstandscriterium is in artikel 2.10 sub d (voorheen artikel 44 van de
                    Woningwet) omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De
                    voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing.
                    De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is
                    blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999,
                    356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119).</al><al/><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                    tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
                    boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet
                    is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze
                    voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is
                    immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet ruimtelijke ordening
                    aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming
                    is gegeven en de daarbij behorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden
                    aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen
                    die een reële verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden
                    die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356
                    m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner
                    naarmate het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming
                    te realiseren.</al><al/><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet)
                    naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en
                    welstand.</al><al/><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij
                    een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een
                    welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het
                    bevoegd gezag beslist.</al><al/><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie een
                    stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                    voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                    stadsbouwmeester.</al><al/><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel
                    provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor de
                    welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale welstandsorganisatie,
                    die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een
                    privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een
                    provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                    welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                    artikel 9.2.</al><al/><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</al><al>Onafhankelijkheid</al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                    onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden
                    van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het
                    raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op
                    mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college van
                    burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een
                    aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie
                    voor de eigen gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten
                    neemt, is in dit verband uitgesloten.</al><al/><al>Deskundigen en burgers</al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                    hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                    kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                    commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                    beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking
                    verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de
                    gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het gemeentebestuur in de
                    welstandscommissie kunnen worden benoemd. De gemeenteraad beslist over de
                    benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen wettelijke verplichting om
                    niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie.</al><al/><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al>Jaarverslag welstandscommissie</al><al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota
                    als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de
                    welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in
                    specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse
                    verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b,
                    derde lid van de Woningwet.</al><al/><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van
                    het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                    welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het
                    jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan
                    uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt
                    behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni
                    tot juni.</al><al/><al>Jaarverslag burgemeester en wethouders</al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                    welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                    welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                    artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de
                    toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit
                    jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><al/><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                    welstandsadviezen; </al><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; </al><al/><al>in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen tot
                    toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op grond
                    van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld in
                    artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan zijn
                    overgegaan. </al><al/><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                    ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al/><al>Samen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                    gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                    bevorderd.</al><al/><al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                    wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. NB
                    nu Wabo?</al><al/><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn
                    beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de
                    welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering binnen de
                    Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de adviestermijn
                    is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de beslistermijn voor de
                    vergunningverlening is verlengd.</al><al/><al>De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele
                    voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de ontvangst
                    van verzoek om vergunning. </al><al/><al>Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien
                    waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het raadzaam
                    gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn.</al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al><al>Openbaar vergaderen</al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de
                    Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in
                    openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een
                    beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige
                    aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat
                    openbaarheid te weigeren.</al><al/><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij
                    de agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking.</al><al/><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al/><al>Belanghebbenden</al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden.</al><al/><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al/><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag toe
                    te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig
                    - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de
                    noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.</al><al/><al>Spreekrecht</al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van
                    de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht
                    van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn.</al><al/><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan
                    zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op
                    de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de
                    termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door
                    eventuele sprekers geen sprake is.</al><al/><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient.</al><al/><al>Behandeling van aanvragen onder verantwoordelijkheid welstandscommissie</al><al>Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen waarbij
                    onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie wordt gewerkt (art 9.7
                    MBV), vraagt voor de openbaarheid enige aandacht. In geval van veelvoorkomende
                    omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine bouwwerken (als deze al niet
                    vergunningvrij zijn) zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van
                    bouwplannen bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan
                    slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan
                    en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al/><al>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid</al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan het
                    onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van het
                    welstandadvies.</al><al/><al>De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid afdoen’, komt neer
                    op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan de mening van de
                    welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al/><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor afdoening onder
                    verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken.
                    Negatief adviseren wordt in dit geval meestal uitgesloten.</al><al/><al>Voordat de Wabo in werking trad, regelde artikel 48 Woningwet (oud) de aanvraag
                    welstandsadvies van het college aan de welstandscommissie. Daarbij werd
                    onderscheid gemaakt tussen de reguliere bouwvergunning en de lichte
                    bouwvergunning. In het eerste geval was het vragen van welstandsadvies
                    verplicht, in het tweede geval niet. (‘Een aanvraag voor een lichte
                    bouwvergunning kunnen zij voor advies aan de welstandscommissie (..)
                    voorleggen).</al><al/><al>Verder bood het Besluit bouwvergunningvrij en licht-bouwvergunningplichtige
                    bouwwerken (Bblb) de mogelijkheid om zgn. loket- of sneltoetscriteria vast te
                    stellen. </al><al/><al>De combinatie van deze mogelijkheden werd door veel gemeenten gebruikt om de
                    beoordeling van aanvragen voor een licht- bouwvergunningspichtig bouwwerk over
                    te laten aan een niet tot de welstandscommissie behorende ambtenaar. </al><al/><al>Op 1-10-2010 zijn de Wabo en het Bor in werking getreden. Dit heeft gevolgen
                    gehad voor deze werkwijze.</al><al/><al>De welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke
                    commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de
                    vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag
                    omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand
                    (art. 1, onder n. Woningwet).</al><al/><al>Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien het
                    uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft
                    om strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria
                    zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld in art. 12a, eerste lid, onder a van
                    de Woningwet.</al><al/><al>Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen ter advisering voor te leggen aan de
                    welstandscommissie of de stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 in samenhang met
                    art. 6.2 Bor). Dit hoeft niet wanneer er voor het desbetreffende bouwwerk geen
                    redelijke eisen van welstand gelden (omdat de gemeenteraad op basis van art. 12,
                    lid 2 Woningwet heeft bepaald dat geen redelijke eisen van welstand van
                    toepassing zijn) of bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op
                    een andere grond moet worden geweigerd.</al><al/><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn artikel 48 Woningwet en het Bblb komen
                    te vervallen. Onder de Wabo is een bouwwerk omgevingsvergunningplichtig of
                    vergunningvrij; een tussencategorie bestaat niet meer. Dit betekent dat iedere
                    aanvraag voor een omgevingsvergunningsplichtig bouwwerk door het college ter
                    advisering aan de welstandscommissie moet worden voorgelegd. </al><al/><al>Dit betekent ook dat het college geen ambtenaar (meer) kan mandateren om te
                    toetsen aan zgn. loketcriteria.</al><al/><al>De (model-)bouwverordening biedt in artikel 9.7 de mogelijkheid voor de
                    welstandscommissie om de advisering over een aanvraag om welstandsadvies onder
                    verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of meerdere daartoe
                    aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid of de aangewezen leden
                    kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                    welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al/><al>Geen mandatering</al><al>Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Awb. Art. 10:1
                    Awb definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam van een
                    bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie is geen bestuursorgaan.
                    Bovendien neemt het geen besluiten (in de zin van de Awb) maar adviseert de
                    commissie het college. Om misverstanden te voorkomen, passen wij art. 9.7 van de
                    modelbouwverordening bij de eerstvolgende wijziging aan. </al><al/><al>Samengevat:</al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wabo is "flitsen" alleen mogelijk als:</al><al>- voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden of,</al><al>- het daartoe aangewezen lid van de welstandscommissie aanwezig is, en</al><al>- het oordeel van de welstandscommissie over het betreffende bouwplan als bekend
                    mag worden verondersteld.</al><al/><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al>Lid 1</al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt
                    vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste lid van de
                    Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat bij
                    positieve welstandsadvisering een expliciete motivering achterwege blijft.
                    Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de
                    (voorheen) bouwvergunning wordt ingediend.</al><al/><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                    welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van artikel 1.3
                    van de MBV vast. Het desbetreffende gebied is aangeduid op de kaartbijlage als
                    bedoeld in dit artikel.</al><al/><al/><al>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften</al><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al/><al/><al>Hoofdstuk 11 Handhaving</al><al>Algemeen</al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2012 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening
                    krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het
                    welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met
                    het generieke handhavinginstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb
                    kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander
                    bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2012,
                    dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk
                    niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld
                    naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al/><al/><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingbesluit dient vervolgens
                    zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het Bouwbesluit 2012
                    het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in strijd is en met
                    welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of ander bouwwerk weer
                    in overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen
                    de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden de
                    toepassing van bestuursdwang voorkomen (artikel 5:24 Awb) dan wel overeenkomstig
                    artikel 5:32b van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al/><al>Tegen een handhavingbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al><al/><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om
                    met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een
                    last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                    sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                    Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt
                    gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve
                    bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24 Awb. Het direct met
                    bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er immers
                    op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang toeneemt,
                    waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten worden
                    geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de uitspraken van
                    ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).</al><al/><al/><al>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al><al>Algemeen</al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten.</al><al/><al>BIJLAGEN BEHORENDE BIJ DE TOELICHTING OP DE TEKST</al><al>Bijlage 1: Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen</al><al>Bijlage 2: weergave bebouwde kom ingevolge artikel 1.3</al><al/><al/><al>Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al><al/><al/><al>Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al><al/><al/><al>Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al/><al/><al>Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al/><al/><al>Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al/><al>Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    b)</al><al/><al/><al>Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al><al/><al/><al>Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al><al/><al>Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    d)</al><al/><al/><al>Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    e)</al><al/><al/><al>Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                    achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge artikel
                    2.5.11, lid 2)</al><al/><al>Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Binnen de bebouwde
                    kom</al><al/><al/><al>Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25). Buiten de bebouwde
                    kom</al><al/><al/><al>Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24, alternatief 2). Binnen
                    grootstedelijke delen van de bebouwde kom</al><al/><al>Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    eerste alinea)</al><al/><al/><al>Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    tweede alinea)</al><al/><al/><al>Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21, tweede lid,
                    eerste alinea)</al><al/><al/><al>Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20, tweede lid,
                    tweede alinea)</al><al/><al/><al>Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn (artikelen
                    2.5.22)</al><al/><al>Bijlage 2: Weergave bebouwde kom ingevolge artikel 1.3</al></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Noordwijk/i250873.pdf">2012 publicatie.pdf</extref></al></bijlage><bijlage><al>INHOUD VAN DE BOUWVERORDENING</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN</vet></al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al>Artikel 1.2 Termijnen</al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2 DE AANVRAAG OMGEVINGSVERGUNNING VOOR HET BOUWEN</vet></al><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</al><al>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</al><al>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</al><al>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</al><al>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van </al><al> vergunningaanvragen</al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</al><al>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om </al><al> bouwvergunning</al><al>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</al><al>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning </al><al> woonwagens en standplaatsen</al><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</al><al>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</al><al>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</al><al>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening</al><al>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</al><al>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</al><al/><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</al><al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</al><al/><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al/><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                    bereikbaarheidseisen</al><al>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                    stedenbouwkundige bepalingen</al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</al><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                    Brandblusvoorzieningen</al><al>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</al><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding
                    van de voorgevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</al><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                    Afschuining van straathoeken</al><al>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</al><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                    hoofdtransportleidingen.</al><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                    achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</al><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</al><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                    terreinen</al><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</al><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van
                    voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen</al><al/><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</al><al>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</al><al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</al><al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</al><al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</al><al>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</al><al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</al><al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</al><al>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</al><al/><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                    verwarming</al><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                    terreinen</al><al>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
                    net van de nutsvoorzieningen</al><al/><al><vet>HOODFSTUK 3 DE MELDING</vet></al><al>Artikel 3.1 De wijze van melden</al><al>Artikel 3.2 Welstandscriteria</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4 PLICHTEN TIJDENS VOLTOOIING VAN DE BOUW EN BIJ INGEBRUIKNEMING
                        VAN EEN BOUWWERK</vet></al><al>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                    staking van bouwwerkzaamheden</al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamheden</al><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</al><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</al><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</al><al>Artikel 4.11 Bouwafval</al><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</al><al>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</al><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5 STAAT VAN OPEN ERVEN EN TERREINEN, AANSLUITINGEN OP DE
                        NUTSVOORZIENINGEN EN WEREN VAN SCHADELIJK EN HINDERLIJK GEDIERTE</vet></al><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</al><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                    Brandblusvoorzieningen</al><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al/><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen, niet
                    zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                    kantoorgebouwen</al><al>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen van
                    bijzondere aard</al><al>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in logiesverblijven
                    en logiesgebouwen</al><al>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                    kantoorgebouwen</al><al/><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                    terreinen</al><al>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
                    net van de nutsvoorzieningen</al><al/><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 5.4.1 Preventie</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6 BRANDVEILIG GEBRUIK</vet></al><al>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</al><al>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</al><al>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</al><al>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</al><al>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</al><al>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</al><al>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</al><al>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</al><al/><al>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                    brandgevaar</al><al>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen van bouwwerken</al><al>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</al><al/><al>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                    brand</al><al>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen</al><al>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</al><al/><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 7 OVERIGE GEBRUIKERSBEPALINGEN</vet></al><al>Paragraaf 1 Overbevolking</al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</al><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</al><al/><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</al><al>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                    hygiëne</al><al>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</al><al/><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in
                    afwijking van de bestemming</al><al>Artikel 7.3.2 Hinder</al><al>Artikel 7.3.3 Bepaling aantal personen nachtverblijf</al><al/><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 7.4.1 Preventie</al><al/><al>Paragraaf 5 Watergebruik</al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al/><al>Paragraaf 6 Installaties</al><al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 8 SLOPEN</vet></al><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</al><al>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</al><al>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</al><al>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</al><al/><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het
                    slopen</al><al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</al><al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning
                    voor het slopen</al><al/><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</al><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                    slopen</al><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</al><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</al><al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</al><al/><al>Paragraaf 4 Vrij slopen</al><al>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 9 WELSTAND</vet></al><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</al><al>Artikel 9.3 Zittingsduur</al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al><al>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid</al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 10 OVERIGE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN</vet></al><al>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</al><al>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                    onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</al><al>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</al><al>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</al><al>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                    alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere v
                    voorschriften</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 11 HANDHAVING</vet></al><al>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</al><al>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</al><al>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</al><al>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 12 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al>Artikel 12.1 Strafbare feiten</al><al>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</al><al>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                    terreinen</al><al>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</al><al>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</al><al>Artikel 12.6 Slotbepaling</al><al/><al><vet>BIJLAGEN BEHORENDE BIJ DE TEKST</vet></al><al>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen)</al><al>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen)</al><al>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)</al><al>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                    niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties (vervallen)</al><al>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen. Bijlage behorend bij artikel 6.2.2
                    (vervallen)</al><al>Bijlage 6 Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</al><al>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op
                    erven en terreinen. Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 (vervallen)</al><al>Bijlage 8 Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee </al><al> vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest (vervallen)</al><al>Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie</al><al>Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 Beginsel inzake
                    brandmeldinstallaties (vervallen)</al><al>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 Beginsel inzake
                    ontruimingsinstallaties (vervallen)</al><al>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtroute
                    aanduidingen (vervallen)</al><al/><al>TOELICHTING OP DE TEKST</al><al/><al>BIJLAGEN BEHORENDE BIJ DE TOELICHTING OP DE TEKST</al><al>Bijlage 1: Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen</al><al>Bijlage 2: weergave bebouwde kom ingevolge artikel 1.3</al></bijlage></regeling></body></cvdr>