<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR109718_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Aalburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Aalburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Kontakt, 13-06-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening bouwen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, artikel 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-05-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-06-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-02-21</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Bouwverordening 2006 en 2006-2.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Vastgesteld door de gemeenteraad op 29 mei 2007</al><al>Inhoud</al><al><vet>1 algemene bepalingen </vet>Artikel 1.1 begripsomschrijvingen Artikel
                        1.2 Termijnen Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente <vet>2 De
                            aanvraag bouwvergunning </vet><onderstreept>Paragraaf 1 Gegevens en
                            bescheiden </onderstreept>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning Artikel
                        2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens Artikel 2.1.3 Aanvraag
                        bouwvergunning Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                        vergunningaanvragen Artikel 2.1.5 BodemonderzoekArtikel 2.2.6 Kennisgeving
                        van rechtswege verleende bouwvergunning</al><al><onderstreept>Paragraaf 3 Welstandstoetsing </onderstreept>Artikel 2.3.1
                        Welstandscriteria <onderstreept>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op
                            verontreinigde bodem </onderstreept>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op
                        verontreinigde bodem Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning
                            <onderstreept>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                            bereikbaarheidseisen </onderstreept>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de
                        verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen Artikel 2.5.2
                        Anti-cumulatiebepaling Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor
                        wegverkeer. BrandblusvoorzieningenArtikel 2.5.3A Brandweeringang Artikel
                        2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten Artikel 2.5.5 Ligging
                        van de voorgevelrooilijn De voorgevelrooilijn is: Artikel 2.5.6 Verbod tot
                        bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn Artikel 2.5.7 Toegelaten
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn Artikel 2.5.8 Ontheffing voor
                        overschrijdingen van de voorgevelrooilijn Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg
                        Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken Artikel 2.5.11 Ligging
                        achtergevelrooilijn Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van
                        de achtergevelrooilijn Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                        achtergevelrooilijn Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen Artikel
                        2.5.16 Erf bij overige gebouwen Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken
                        Artikel 2.5.18 Erf-en terreinafscheidingen Artikel 2.5.19 Bouwen nabij
                        bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                        Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn Artikel 2.5.21
                        Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijnArtikel 2.5.22 Toegelaten hoogte
                        van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn Artikel 2.5.23 Toegelaten
                        hoogte tussen voor-en achtergevelrooilijnen Artikel 2.5.24 Grootste
                        toegelaten hoogte van bouwwerken Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op
                        niet aan een weg grenzende terreinen Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de
                        hoogte van bouwwerken Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de
                        toegelaten bouwhoogte Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                        toegelaten bouwhoogteArtikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de
                        rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van
                        nieuw ruimtelijk beleid Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad-en
                        losmogelijkheden bij of in gebouwen </al><al><onderstreept>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties
                            en vluchtrouteaanduidingen </onderstreept>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake
                        brandmeldinstallaties Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties
                        Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties Artikel
                        2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties Artikel 2.6.5 Beginsel inzake
                        ontruimings-alarminstallaties Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van
                        ontruimings-alarminstallaties Artikel 2.6.7 Kwaliteit van
                        ontruimingsalarminstallaties Artikel 2.6.8 Beginsel inzake
                        vluchtrouteaanduidingen Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van
                        vluchtrouteaanduidingen Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen
                        Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor
                        publieke hulpverleningsdiensten <onderstreept>Paragraaf 7 Aansluitplicht op
                            de nutsvoorzieningen </onderstreept>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting
                        aan de waterleiding Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het
                        elektriciteitsnet Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet
                        Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering Artikel 2.7.5
                        Aansluiting anders dan aan de openbare riolering Artikel 2.7.6 Kwaliteit en
                        dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen Artikel 2.7.7
                        Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de
                        nutsvoorzieningen <vet>3 De melding</vet>Artikel 3.1 De wijze van melden
                        Artikel 3.2 Welstandscriteria <vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van
                            de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk </vet>Artikel 4.1
                        Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van
                        bouwwerkzaamheden Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)
                        Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw Artikel 4.5 Kennisgeving aan het
                        bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden Artikel 4.6
                        Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen Artikel 4.7 Bemalen
                        van bouwputten Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein Artikel 4.9
                        Afscheiding van het bouwterrein Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en
                        het voorkomen van hinder Artikel 4.11 Bouwafval Artikel 4.12 Gereedmelding
                        van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden Artikel 4.13 Melden van werken bij
                        lage temperaturen Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming <vet>5 Staat van
                            open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte
                            </vet><onderstreept>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen
                        </onderstreept>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen
                        Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor
                        gehandicapten <onderstreept>Paragraaf 2 Staat van
                            brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen
                        </onderstreept>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake
                        brandveiligheids-installaties en vluchtrouteaanduidingen Artikel 5.2.2
                        Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet zijnde
                        woningen,woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen
                        Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in woongebouwen
                        van bijzondere aard Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van
                        brandveiligheid-installaties in logiesverblijven enlogiesgebouwen Artikel
                        5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen
                            <onderstreept>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen
                        </onderstreept>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding Artikel
                        5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet Artikel 5.3.3 Eis tot
                        aansluiting aan het aardgasnet Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de
                        openbare riolering Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering
                        op erven en terreinen Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de
                        leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen
                            <onderstreept>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk
                            gedierte. Reinheid </onderstreept>Artikel 5.4.1 Preventie <vet>6
                            Brandveilig gebruik</vet><onderstreept>Paragra<onderstreept>af 1
                                Gebruiksvergunning </onderstreept></onderstreept>Artikel 6.1.1
                        Vergunning gebruik bouwwerk Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning
                        Artikel 6.1.3 In behandeling nemen Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing
                        Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning Artikel 6.1.6 Intrekken
                        gebruiksvergunning Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden
                            <onderstreept>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van
                            brand en brandgevaar </onderstreept>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor
                        bouwwerken Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen Artikel 6.2.3
                        Opslag en verwerking stoffen <onderstreept>Paragraaf 3 Het bestrijden van
                            brand en het voorkomen van ongevallen bij brand </onderstreept>Artikel
                        6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen Artikel 6.3.2 Gebruik
                        middelen en voorzieningen <onderstreept>Paragraaf 4 Hinder in verband met de
                            brandveiligheid </onderstreept>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de
                        brandveiligheid <vet>7 Overige
                            gebruiksbepalingen</vet><onderstreept>Paragraaf 1 Overbevolking
                        </onderstreept>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen Artikel 7.1.2
                        Overbevolking van woonwagens en woonketen <onderstreept>Paragraaf 2 Staken
                            van het gebruik </onderstreept>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij
                        bouwvalligheid Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid
                        en gebrek aan hygiëne Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen
                            <onderstreept>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                            terreinen</onderstreept>Artikel 7.3.1 Artikel 7.3.2 Hinder
                            <onderstreept>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk
                            gedierte. Reinheid </onderstreept>Artikel 7.4.1 Preventie
                            <onderstreept>Paragraaf 5 Watergebruik</onderstreept> Artikel 7.5.1
                        Verboden gebruik van water <onderstreept>Paragraaf 6
                            Installaties</onderstreept>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van
                            installaties<vet>8 Slopen</vet><onderstreept>Paragraaf 1
                            Sloopvergunning</onderstreept>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning Artikel
                        8.1.2 Aanvraag sloopvergunning Artikel 8.1.3 In behandeling nemen Artikel
                        8.1.4 Termijn van beslissing Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen
                        Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunningArtikel 8.1.7 Intrekking
                        sloopvergunning <onderstreept>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                            sloopvergunning </onderstreept>Artikel 8.2.1 Sloopmelding Artikel 8.2.2
                        Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning
                            <onderstreept>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen
                        </onderstreept>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterreinArtikel 8.3.2 Op het
                        sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden Artikel 8.3.3 Plichten van de
                        houder van de sloopvergunning Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt
                        Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest Artikel
                        8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
                            (vervallen)<onderstreept>Paragraaf 4 Vrij slopen</onderstreept>Artikel
                        8.4.1 Sloopafval algemeen<vet>9 Welstand</vet>Artikel 9.1 De advisering door
                        de welstandscommissie Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie
                        Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording
                        Artikel 9.5 Termijn van advisering Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen
                        en mondelinge toelichting Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat Artikel 9.8 Vorm
                        waarin het advies wordt uitgebracht Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en
                        categorieën bouwwerken of standplaatsen <vet>10 Overige administratieve
                            bepalingen</vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning Artikel 10.2
                        De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar
                        verklaarde woning of woonwagen Artikel 10.3 Overdragen vergunningen Artikel
                        10.4 Overdragen mededeling (vervallen) Artikel 10.5 Het kenteken voor
                        onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar
                        verklaarde standplaatsen Artikel 10.6 Herziening en vervanging van
                        aangewezen normen en andere voorschriften <vet>11 Handhaving </vet>Artikel
                        11.1 Stilleggen van de bouw Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot
                        ingebruikneming Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen Artikel 11.4
                        Onderzoek naar een gebrek <vet>12. Straf-, overgangs-en slotbepalingen
                        </vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten Artikel 12.2 Overgangsbepaling
                        bodemonderzoek Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat
                        van open erven en terreinen Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                        gebruiksvergunning Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding Artikel 12.6
                        Slotbepaling</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al></li><li nr="b."><al>Besluit indieningsvereisten: het Besluit indieningsvereisten
                                        aanvraag bouwvergunning als bedoeld in artikel 40a, eerste
                                        lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet;</al></li><li nr="c."><al>Besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningsvrije en
                                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in
                                        artikel 43, eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van
                                        de Woningwet;</al></li><li nr="d."><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="e."><al>bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100a, eerste
                                        lid, Woningwet belast zijn met het bouw-en
                                        woningtoezicht;</al></li><li nr="f."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="g."><al>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen
                                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                                        Asbestverwijderingsbesluit 2005; gebruiksoppervlakte: de
                                        gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit; viii
                                        hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                                        namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></li><li nr="h."><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven norm;</al></li><li nr="i."><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="j."><al>straatpeil: a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                        direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse
                                        van die hoofdtoegang;b. voor een bouwwerk, waarvan de
                                        hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het
                                        terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van
                                        de bouw;</al></li><li nr="k."><al>weg: alle voor het openbaar rij-of ander verkeer openstaande
                                        wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen
                                        en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en
                                        zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig
                                        aangeduide parkeerterreinen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een
                                gedeelte van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een gebouw.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Vervallen (zie toelichting in bijlage)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom; b. het gebied buiten de
                                        bebouwde kom.</al></li><li nr="b."><al>het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht, als
                                        bedoeld in artikel 9.9, eerste lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als gebieden, bedoeld in het vorige lid onder a tot en met c, gelden
                                de gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart,
                                overzicht bebouwde kommen gemeente Aalburg (wijziging komgrenzen),
                                als zodanig zijn aangegeven. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De aanvraag bouwvergunning</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Vervallen (zie toelichting in bijlage)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Vervallen (zie toelichting in bijlage)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Vervallen (zie toelichting in bijlage)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Vervallen (zie toelichting in bijlage)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent verkennend onderzoek
                                            verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999,
                                            waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het
                                            onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de
                                            resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde
                                            protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU,
                                            uitgave oktober 1993);</al></li><li nr="b."><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens
                                            het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994)
                                            of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave
                                            1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend
                                            onderzoek uitwijzen dat sprake is van
                                            bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst
                                            van deze verontreiniging een nader onderzoek, als
                                            bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU,
                                            uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1
                                            (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in paragraaf 1.2.5 onder e, van de Bijlage bij het Besluit
                                    indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking
                                    heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                    bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing
                                    geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                    bouwwerken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                    ontheffing van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de
                                    Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de
                                    toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare
                                    recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing
                                    verlenen van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de
                                    Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor een bouwwerk
                                    met een beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel
                                    45, eerste lid, van de Woningwet, indien uit het in NVN 5725,
                                    uitgave 1999, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik
                                    en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is
                                    dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek
                                    volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege
                                    verleende bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de
                                    Woningwet wordt aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de plaats</al></li><li nr="c."><al>de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk;</al></li><li nr="d."><al>de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd
                                            wordt;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de
                                            Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Vervallen (zie toelichting in bijlage)</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar
                                    is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet
                                    worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een
                                    bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen
                                    zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een reguliere
                                    bouwvergunning is vereist; en c1. dat de grond raakt, of c2.
                                    waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                                    gehandhaafd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden bouwvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en
                                    letter e van paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende
                                    bijlage, kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden
                                    aan de bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het
                                    Besluit indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of
                                    andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van
                                    het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                    bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel
                                    39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet
                                    geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van
                                    voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(vervallen)(zie toelichting in bijlage)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in
                                    aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                    verlening van een bouwvergunning voor een ander bouwwerk in
                                    aanmerking worden genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 50 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en
                                    het overige te verwachten verkeer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en c. op
                                            doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd
                                    is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde
                                    terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                    ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor
                                    lenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3a</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een automatische doormelding van brand naar de
                                    alarmcentrale van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het
                                    gebouw over meerdere toegangen beschikt, in overleg met de
                                    brandweer ten minste één van de toegangen als brandweeringang
                                    aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een
                                    brandmelding of te openen zijn met behulp van een systeem dat in
                                    overleg met de brandweer is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een
                                            mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                            en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                            regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                            bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen
                                            lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging
                                            van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel
                                            mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                            overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                            bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij
                                            een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen
                                            op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte
                                            geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit
                                            de as van de weg.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die
                                            bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                            worden als het aanbrengen van veranderingen van
                                            niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste
                                            lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig
                                            bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen
                                            onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van
                                            het Besluit bouwwerken, te weten: 1. ondergrondse
                                            uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen
                                            en rioolputten; 2. stoepen, stoeptreden en
                                            toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met niet
                                            meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen -met inachtneming van het
                                    bepaalde in het tweede lid ontheffing verlenen van het verbod
                                    tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 3, eerste lid, onder i, en derde lid, van het
                                            Besluit bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op
                                            een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken.</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument -als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening -voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden
                                    verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan: 4,20 m boven de
                                    hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m
                                    breedte ter weerszijden van die rijweg; 2,20 m boven de hoogte
                                    van een ander deel van de weg; en dan nog voor zover de
                                    veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar
                                    komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn
                                    voor het bouwen op de weg van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net
                                            aangesloten nutsvoorziening, het
                                            telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
                                            wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                            onder i, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het
                                            verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of
                                            het telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair,
                                            anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, b
                                            en e, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel-of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor
                                            reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun
                                            aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                            ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                            waarin de ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is
                                            verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken -over een hoogte op een
                                    dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    -worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                    behoeft te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels-en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van
                                            het Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                            woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de
                                            ontheffing is gebaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan Eén
                                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan ¼ van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan ¼ van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing -in het belang van de toetreding
                                    van daglicht -over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en
                                    het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit
                                    toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding
                                    van de achtergevelrooilijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn is niet van toepassing op:</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken,
                                            geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur
                                            en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
                                            zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, indien de afstand tot
                                            de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
                                            bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die
                                            bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                            worden als een aan-of uitbouw, als bedoeld in artikel 2,
                                            onder a, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="e."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die
                                            bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                            worden als het aanbrengen van veranderingen van
                                            niet-ingrijpende aard, als bedoeld in de artikel 3,
                                            eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="f."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig
                                            bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen
                                            onder de werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van
                                            het Besluit bouwwerken, te weten: 1. ondergrondse
                                            uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen
                                            en rioolputten; 2. terrassen, bordessen en
                                            bordestreden;</al></li><li nr="g."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                            onder e en f, van het Besluit bouwwerken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                    voor:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen
                                            zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, waarvan de afstand tot
                                            de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
                                            bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                            liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                            openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een
                                            weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van
                                            die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de
                                            bereikbaarheid, als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en
                                            2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel
                                            2, onder b, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of
                                            overwegend handels-of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw
                                            zijnde;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            is gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                            voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen,
                                            bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit
                                            bouwwerken;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda’s,
                                            alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                            uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen
                                            dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument -als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening -voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                            opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het
                                            karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die: </al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat
                                            is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s
                                    buiten beschouwing blijven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in: a. het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                    betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                    bewoning bestemd is; b. het eerste lid, indien aan één van de
                                    volgende voorwaarden wordt voldaan: i. een gunstige, andere
                                    indeling van het erf is aanwezig; ii. het gebouw zal zijn
                                    gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                    zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan
                                    een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits
                                    dat terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en
                                    tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                    gebracht; iii. bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                    bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het
                                    Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid: a. indien ligging en bestemming van
                                    het gebouw hiervoor geen beletsel vormen; b. indien, voor zover
                                    nodig, ontheffing is verleend van het verbod tot overschrijding
                                    van de achtergevelrooilijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die: </al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                            minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                    aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                    ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf-en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf-en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onder e, van het Besluit bouwvergunningsvrije en
                                    licht-bouwvergunningsvrije bouwwerken, zijn niet
                                    toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden
                                    erf of terrein. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken
                                    van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet
                                    rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                    gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                    artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning
                                    van 1.000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>2 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd. 3.
                                    Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van
                                            de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                            oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                    beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
                                    voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                    uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                    dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt -onverminderd het
                                    bepaalde in artikel 2.5.24 de maximale hoogte van de zijgevel
                                    van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten
                                    hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan
                                    de voorgevel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor-en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                    bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor-en de
                                    achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                    verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                    achtergevelrooilijn snijden op de -krachtens de artikelen 2.5.20
                                    en 2.5.21 -maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak
                                    een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de krachtens artikel 2.5.22 -maximale bouwhoogte
                                    en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer
                                    bedragen dan 15 meter. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagst gelegen weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat -uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                                    omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten
                                    -voor zover zij de maximale hoogte overschrijden -buiten
                                    beschouwing worden gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21,
                                    eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23
                                    en artikel 2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die
                                            bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                            worden als het aanbrengen van veranderingen van
                                            niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste
                                            lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van
                                            bouwwerken, anders dan het aanbrengen van veranderingen
                                            van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3,
                                            eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                            voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij
                                            niet breder zijn dan 6 meter en mits de
                                            geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel
                                            gemeten, niet groter is dan het product van de breedte
                                            van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                                            plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan
                                            0,60 meter.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                    en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en
                                    artikel 2.5.24 ten behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken,
                                            schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden
                                            van bijeenkomsten en vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor-of
                                            winkeldoeleinden, indien de welstand bij het verlenen
                                            van de ontheffing is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op
                                            een handels-en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van
                                            een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste
                                            lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, en indien: 1.
                                            de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                            overschrijden en de welstand bij het verlenen van de
                                            ontheffing is gebaat; 2. bij het overschrijden van
                                            bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere
                                            hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                            verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of
                                            het telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in
                                            artikel 3, derde lid, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                            soortgelijke aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan
                                            0,60 meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet
                                            meer dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter,
                                            de onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de
                                            afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter
                                            bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                            gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen
                                            behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument -als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening -voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                            opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het
                                            karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                                    toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
                                    ruimtelijk beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                    2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van
                                    de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor-en van de
                                    achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                    overschrijding van de maximale bouwhoogte. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester
                                    en wethouders worden verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20
                                            Bro;</al></li><li nr="b."><al>de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid
                                            van de provincie inzake artikel 19, lid 2 WRO;</al></li><li nr="c."><al>het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in
                                            voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als
                                    bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene
                                    wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien
                                    verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder
                                            schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kan
                                            inbrengen;</al></li><li nr="b."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en
                                            wethouders de beslissing over de aanvraag om reguliere
                                            bouwvergunning met ten hoogste zes weken kunnen
                                            verdagen.’</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad-en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto’s. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
                                            minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00
                                            m bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                            voor een gehandicapte voorzover die ruimte niet in de
                                            lengterichting aan een trottoir grenst -ten minste 3,50
                                            m bij 5,00 m bedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het derde lid: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                            omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer-of
                                            stallingruimte, dan wel laad-of losruimte wordt
                                            voorzien</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Beginsel inzake brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de
                                    ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk
                                    kan worden ontdekt en gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage
                                    10 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                    geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding
                                    geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gebruiksfunctie:</al><lijst><li nr="a."><al>waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is
                                            gelegen op een in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze
                                            verordening aangegeven waarde boven het meetniveau als
                                            bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan
                                            de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening
                                            aangegeven grenswaarden;</al></li><li nr="c."><al>waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor
                                            bezoekers meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van
                                            bijlage 10 van deze verordening aangegeven
                                            grenswaarde;</al></li><li nr="d."><al>die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer
                                            bouwlagen dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn
                                            aangegeven; is voorzien van een brandmeldinstallatie als
                                            bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1,
                                            uitgave 2002. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een
                                    woongebouw waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts
                                    in één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte waardoor
                                    dient te worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de
                                    betreffende vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd,
                                    voorzien te zijn van een brandmeldinstallatie met
                                    ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer van de
                                    volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte
                                            en een punt vanwaar in meerdere richtingen kan worden
                                            gevlucht, bedraagt meer dan 10 meter;</al></li><li nr="b."><al>Het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte
                                            waardoor slechts in één richting kan worden gevlucht
                                            alsmede de op dit gedeelte aangewezen verblijfsruimten
                                            is groter dan 200 m2;</al></li><li nr="c."><al>Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de
                                            betreffende ruimte bedraagt meer dan 2.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als
                                    bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002,
                                    is uitgevoerd als:</al><lijst><li nr="a."><al>niet-automatische bewaking; of</al></li><li nr="b."><al>gedeeltelijke bewaking; of</al></li><li nr="c."><al>volledige bewaking; zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van
                                            bijlage 10 van deze verordening, of</al></li><li nr="d."><al>ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende
                                            vluchtroutes en risicoruimten. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1, a, b en c, in een
                                    bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door
                                    naar de alarmcentrale van de brandweer, voor zover dit voor een
                                    gebruiksfunctie staat aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10
                                    van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535,
                                    uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2
                                    rechtstreeks is doorgemeld naar de alarmcentrale van de
                                    brandweer, is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een door of
                                    namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van eisen
                                    als bedoeld in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave
                                    2002. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                    brandmeldinstallatie is voorzien van een geldig certificaat als
                                    bedoeld in de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het
                                    Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den
                                    Haag, dan wel een certificaat waarvan een door burgemeester en
                                    wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke
                                    onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft
                                    aangetoond dat dit certificaat ten minste gelijkwaardig is aan
                                    een certificaat als bedoeld in de vorengenoemde Regeling
                                    Brandmeldinstallaties 2002.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor
                                    alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit
                                    het bouwwerk kunnen vluchten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van bijlage
                                    11 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                    geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding
                                    geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2 is voorzien
                                    van een brandmeldinstallatie, is voorzien van een
                                    ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2,
                                    tweede lid, van toepassing is, dienen de betreffende
                                    verblijfsruimten te zijn voorzien van een automatische
                                    ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                    ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN
                                    2575, uitgave 2004. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                    ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd
                                    overeenkomstig een door of namens burgemeester en wethouders
                                    aanvaard programma van eisen, als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                    2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van
                                    vluchtroutes dat gebruikers op veilige wijze uit het bouwwerk
                                    kunnen vluchten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van bijlage
                                    12 van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt
                                    voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis
                                    voldaan door toepassing van die voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van
                                    deze verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als
                                    bedoeld in NEN 6088, uitgave 2002.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige
                                    vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN 6088,
                                    uitgave 2002. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende
                                    herkenbaar aangebracht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor
                                    wat betreft de zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 5.2
                                    tot en met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een
                                    gebruiksfunctie geen noodverlichting aanwezig is, is in geval
                                    van netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                    brandmeldinstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.4 van
                                    overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een
                                    ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is artikel 2.6.7
                                    van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het
                                    Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding
                                    aanwezig is, is artikel 2.6.10 van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor
                                    het goed kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten
                                    bij een calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een
                                    voor het publiek toegankelijk bouwwerk zijn voorzien van een
                                    installatie die mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleners
                                    binnen en buiten dat bouwwerk mogelijk maakt.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                    aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van
                                            de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 50 m.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten
                                    aan het openbare distributienet voor elektriciteit: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 100 m.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1 De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                    openbare distributienet voor aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het aardgasdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in
                                            dit lid op woningen voor bejaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan
                                            500 m2;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden
                                            verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een
                                            gemeenschappelijke of publieke voorziening voor
                                            verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                            Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet
                                    van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen
                                    openbare riolering aanwezig is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                            binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                            noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                                            gebouw, dan wel de grens van het erf of terrein moet
                                            kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                            moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                            terugvloeien van afvalwater, faecaliën en hemelwater,
                                            ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke
                                            wijze op het openbaar riool te lozen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al
                                    dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten
                                    worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of
                                    de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                    van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                    ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                    daartoe aanleiding geeft. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze
                                    zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk
                                    is:</al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar riool worden
                                    aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                            waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                            overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                            waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder
                                            overstort, een gierput of een rottingput met
                                            overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                                            overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat
                                            geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                            optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen
                                            op een rottingput.</al></li><li nr="e."><al>De onder a tot en met d genoemde bepalingen zijn
                                            uitsluitend toegestaan nadat het bevoegde gezag een
                                            vergunning in het kader van de Wet verontreiniging
                                            oppervlaktewater heeft verleend en deze vergunning
                                            onherroeppelijk is;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    hemelwater moeten:</al><lijst><li nr="a."><al>zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem
                                            en lucht kan optreden; en</al></li><li nr="b."><al> zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte
                                            opvang-en bezinkingsvoorziening van voldoende
                                            capaciteit, welke voorziening in verband met de grootte
                                            van de te ontwateren oppervlakken en de bodemgesteldheid
                                            ter plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand van
                                            de perceelgrenzen en de bebouwing op het perceel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen</al><lijst><li nr="a."><al>van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op
                                            andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                            lucht mogelijk is;</al></li><li nr="b."><al>van het bepaalde in het tweede lid, indien de
                                            bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse, dan
                                            wel de omvang van het perceel de infiltratie van
                                            hemelwater niet toelaten en bovendien de
                                            afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt aangesloten
                                            aan een rottingsput.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                    scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                    haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                    aangewerkt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                    leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de
                                    dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                    zetting van het bouwwerk of de buitenriolering. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                    aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                    rottingputten voorkomen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                    geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                    vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht-en
                                    waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                    beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                    wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                    voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter
                                    plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse
                                    middellijn hebben van ten minste 125 mm. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                    van leidingen van de uitenriolering op erven en terreinen moeten
                                    doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan,
                                    indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn
                                    opgenomen in bijlage 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                    moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een
                                    aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel
                                    van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het
                                    distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                                    tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                                    beschouwd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in
                                artikel 59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk
                                intrekken, indien: a. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden
                                van de bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is
                                gemaakt; b. tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden
                                deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26
                                weken stilliggen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het
                                bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                                inzage worden gegeven: a. de bouwvergunning; b. andere vergunningen
                                en ontheffingen; c. het bouwveiligheidsplan; d. een besluit
                                ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing
                                van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend
                                mag -onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning
                                bepaalde -niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester
                                en wethouders voor zover nodig:a. het straatpeil is aangegeven;b. de
                                rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                uitgezet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient -voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de
                                voorwaarden van de bouwvergunning -ten minste twee dagen voor de
                                aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces
                                in kennis te worden gesteld:a. de aanvang der werkzaamheden,
                                ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen;b. de aanvang van het
                                inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder
                                begrepen;c. de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle
                                opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden
                                verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de
                                naleving van deze verordening en van het Bouw-besluit nodig
                                acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                                ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een
                                zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een
                                verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt,
                                waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast
                                op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op een terrein, waarop een bouw-of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt -rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen:a. de tijdelijke elektrische
                                installaties ten behoeve van de uitvoering van het bouw-en
                                grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat
                                het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan
                                daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;b. machines
                                en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat
                                deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan
                                de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw-of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw-of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat
                                schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                veroorzaken, verbieden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een
                                werk te gebruiken krachtwerktuig:a. uitsluitend een bepaalde
                                brandstof wordt gebezigd, en/ofb. de aandrijving elektrisch
                                geschiedt, en/ofc. het werktuig gedurende bepaalde delen van een
                                etmaal niet mag worden gebruikt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen
                                van hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                blz. 9);b. steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                bedraagt;c. glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                bedraagt;d. overig afval.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Van het gereedkomen:a. van putten en van grond-en
                                huisaansluitleidingen van de riolering, alsmede van
                                leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                                straatpeil;b. van de thermische isolatie in de spouw van wanden,
                                alsmede van de thermische isolatie in andere besloten constructies
                                moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a
                                en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van
                                voltooiing is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die
                                werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel-of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:a. het niet verwerken van bevroren materialen;b. het verkrijgen
                                van een goede binding en verharding;c. de bescherming van het
                                desbetreffende werk na de voltooiing tegen vorstschade, zolang het
                                nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden
                                Celsius is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidsinstallaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijke en
                            hinderlijk gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van:a. drassigheid;b.
                                    stank;c. verontreiniging;d. aanwezigheid van schadelijk of
                                    hinderlijk gedierte;e. aanwezigheid van begroeiing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 50 meter is verwijderd
                                    van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang
                                    en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en
                                    het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en
                                    het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld:a. een breedte hebben van ten
                                    minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn
                                    verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                    ten minste 4,2 m;b. zijn verhard op een wijze die geschikt is
                                    voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                    zijn voorzien van de nodige kunstwerken; enc. op doeltreffende
                                    wijze kunnen afwateren.d. Het bepaalde in het eerste lid is niet
                                    van toepassing op een bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder
                                    b, van het Besluit bouwwerken, voorzover dit niet voor bewoning
                                    is bestemd, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op
                                    hetzelfde terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Tussen de toegang van enerzijds: a. een woning of een
                                    woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; b.
                                    een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                    toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                    Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                    gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                    zij: a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en b. geen kleinere
                                    vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en c. ten hoogste een
                                    hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                                    plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                    bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staat van brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met
                                    2.6.12 van overeenkomstige toepassing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen,
                                    niet zijnde</titel></kop><al>Vervallen(zie toelichting in bijlage)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen
                                    van bijzondere</titel></kop><al>Vervallen (zie toelichting in bijlage)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                                    logiesverblijven</titel></kop><al>Vervallen (zie toelichting in bijlage)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                                    kantoorgebouwen</titel></kop><al>Vervallen (zie toelichting in bijlage)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde,
                                    in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten
                                    zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                    waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van
                                            de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is
                                            gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niethoger zijn dan bij een
                                            afstand van 50 m.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan
                                    het openbare distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 100 m.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><lijst><li nr="a."><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                            bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn
                                            aangesloten aan het openbare distributienet voor
                                            aardgas:</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                            dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                            gelegen; of</al></li><li nr="c."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                            leiding van het aardgasdistributienet dan onder a
                                            bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                            desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                                            afstand van 40 m.Niet van toepassing is voorgaande eis
                                            op:a. woningen voor bejaarden;b. woningen met een
                                            gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;c. woningen die
                                            niet worden verhuurd;d. woningen met een aansluiting op
                                            het stadsverwarmingnet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 3.36 (bestaande bebouwing) van het Bouwbesluit
                                    bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer
                                    van afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan
                                    bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater
                                    moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een
                                    doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar
                                    riool.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                            aanwezig is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                            voldoende ruime gier-of beerput aanwezig is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing
                                    is, gelden de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                            met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met
                                            een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten
                                            aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische
                                            bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                            zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput
                                            zonder overstort, een doeltreffende gierput of een
                                            doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn,
                                            alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die
                                            toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                            wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water,
                                            bodem of lucht kan optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                                            overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat
                                            geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                            optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen
                                            op een rottingput.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                    moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een
                                    aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel
                                    van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het
                                    distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                                    tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                                    beschouwd.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik bouwwerk</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                    gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk
                                    in gebruik te hebben of te houden, waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn,
                                            anders dan in een één-of meergezinshuis;</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader
                                            van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of
                                            aan meer dan tien lichamelijk en/of verstandelijk
                                            gehandicapten dagverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="d."><al>prostitutie wordt uitgeoefend, waarbij in het bouwwerk
                                            vijf of meer personen aanwezig kunnen zijn;</al></li><li nr="e."><al>er in de vorm van kamerverhuur aan meer dan vijf
                                            personen huisvesting wordt verschaft;</al></li><li nr="f."><al>er brandweercompartimenten opgenomen zijn waarvan de
                                            afmetingen zijn bepaald met toepassing van het
                                            brandbeveiligingsconcept “Beheersbaarheid van
                                            Brand”.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning
                                    slechts voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen,
                                    beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar
                                    en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                    op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                    van de omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na
                                    het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en
                                    wethouders aan de vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en
                                    gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.2</nr><titel>Aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden
                                    overgelegd als genoemd in bijlage 2 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken
                                    van de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde
                                    formulieren. De bij deze aanvraag behorende gegevens en
                                    bescheiden moeten voldoen aan de eisen van de in het eerste lid
                                    genoemde bijlage.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in tweevoud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                    betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met
                                    elkaar samenhangende terreinen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden
                                    moeten door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend
                                    dan wel worden gewaarmerkt.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een
                                    bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de
                                    daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand
                                    duidelijk blijken.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders
                                    een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                                    datum van ontvangst is vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 6.1.2
                                    gestelde eisen, alsmede aan de eisen die gelden ingevolge de
                                    artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen
                                    burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om de
                                    door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een
                                    gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                    aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten
                                    hoogste zes weken verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                    burgemeester en wethouders de beslissing aan indien:</al><lijst><li nr="a."><al>voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en
                                            zij over die vergunning nog niet hebben beslist;</al></li><li nr="b."><al>voor hetzelfde bouwwerk een besluit tot toepassing van
                                            bestuurdwang of opleggen van een last onder dwangsom dan
                                            wel een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet
                                            isgenomen wegens strijd met de voorschriften van het
                                            Bouwbesluit, als bedoeld in artikel 1b van deWoningwet,
                                            en deze binnen de in het eerste lid vermelde termijn is
                                            verzonden, doch aan dit besluit nog niet is
                                            voldaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat
                                    is beslist op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld onder
                                    letter a van het derde lid, dan wel nadat is voldaan aan de
                                    aanschrijving als bedoeld onder letter b van het derde lid en
                                    burgemeester en wethouders hiervan in kennis zijn gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.5</nr><titel>Weigeren gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de
                                    volgende omstandigheden zich voordoet:</al><lijst><li nr="a."><al>de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het
                                            bouwwerk kan in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie
                                            niet geacht worden een brandveilig gebruik te zijn en
                                            door het stellen van voorwaarden kan geen voldoende
                                            brandveilig gebruik worden bereikt;</al></li><li nr="b."><al>de bouwvergunning is geweigerd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.6</nr><titel>Intrekken gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>1 Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning
                                    intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste
                                            of onvolledige gegevens hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft
                                            voldaan aan een voorwaarde van de vergunning;</al></li><li nr="c."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26
                                            weken na het onherroepelijk worden van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="d."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of
                                            langer geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit
                                            vereist op grond van een verandering van de inzichten
                                            en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten
                                            het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de
                                            vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen
                                            of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te
                                            beschermen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                    nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.7</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                    gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning
                                    aanwezig zijn, en moet op verzoek van degene die is belast met
                                    de zorg voor de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden
                                    gegeven.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 bij deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een
                                    bouwwerk, met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke
                                    ruimten in woonfuncties, te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 4 bij deze
                                    verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.2</nr><titel>Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen
                                    brandgevaarlijke stof aanwezig.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de
                                            betreffende stoffen niete wordt overschreden, met dien
                                            verstande dat de totale toegestane hoeveelheid van de
                                            eerste zes rijen honderd kilogram of liter is,</al></li><li nr="2."><al>de betreffende stof zodanig is verpakt • dat de
                                            verpakking tegen normale behandeling bestand is, en •
                                            van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan
                                            ontsnappen, en</al></li><li nr="3."><al>de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming van
                                            de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduiding (R-en
                                            S-zinnen). </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde is voorts niet van toepassing
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al>de brandstof in het reservoir bij een
                                            verbrandingsmotor;</al></li><li nr="b."><al>de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings-of
                                            een ander warmteontwikkelend toestel;</al></li><li nr="c."><al>voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken,
                                            en</al></li><li nr="d."><al>het aanwezig hebben van een grotere dan de in bijlage 5
                                            aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende stof
                                            voor zover dat bij of krachtens de Wet Milieubeheer is
                                            toegestaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid
                                    onder a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van
                                    vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof die in
                                    bijlage 5 als brandgevaarlijk is aangegemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Vervallen.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>vervallen (zie toelichting in bijlage)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te
                                    plaatsen of te hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of
                                    de zichtbaarheid ervan wordt belemmerd van:</al><lijst><li nr="a."><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij
                                            en bestrijding van brand;</al></li><li nr="b."><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding
                                            van personen en dieren bij brand. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4.1</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot
                                    en met 6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk of op
                                    een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te
                                    werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of
                                    werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="1."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze
                                            rook, roet, walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="2."><al>brandgevaar wordt veroorzaakt;</al></li><li nr="3."><al>het vluchten wordt belemmerd.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover
                                    het betreft hinder, terzake waarvan de Wet milieubeheer of enige
                                    in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat
                                    een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                    gebruiksoppervlakte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens en woonketen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te
                                    bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk
                                    een woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                    gebruiksoppervlakte.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot het gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                    terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                    burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk
                                    is in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen
                                            bouwwerk.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien tengevolge van het niet functioneren -hieronder begrepen
                                    het afgesloten zijn -van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                    aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën,
                                    het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken
                                    over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over
                                    gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een
                                    onvldoende hygiëne aanwezig is, kunnen burgemeester en
                                    wethouders gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien in een besluit, en op grond van artikel 13 van de
                                    Woningwet is bepaald dat het gebruik van een gebouw op of
                                    behorende bij een standplaats moet worden gestaakt en
                                    dientengevolge essentiële voorzieningen ten dienste van het
                                    bewonen van een woonwagen buiten gebruik zijn gesteld, kunnen
                                    burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van de woonwagen
                                    te staken gedurende de periode dat bedoelde voorzieningen niet
                                    functioneren.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Vervallen (zie toelichting in bijlage).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                    terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te
                                    hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen
                                    te gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de
                                            gebruikers van het bouwwerk, het open erf of
                                            terrein;</al></li><li nr="b."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze
                                            stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt
                                            verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en
                                            trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of
                                            door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                            verontreiniging van het bouwwerk, open erf of
                                            terrein;</al></li><li nr="c."><al>instortings-, omval-of ander gevaar wordt
                                            veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover
                                    het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet
                                    milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing
                                    is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Rienheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden drink-en werkwater, waarvan door burgemeester en
                                    wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk
                                    wordt geacht, te gebruiken.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit
                                    en/of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten
                                    in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd
                                    gebruik kan worden gemaakt.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens
                                    daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een
                                    vergunning van burgemeester en wethouders
                                    (sloopvergunning).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het
                                    verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor
                                    het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de
                                    Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                    of oplegging van een last onder dwangsom. Burgemeester en
                                    wethouders kunnen aan hun besluit voorwaarden verbinden als
                                    bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning
                                    slechts voorschriften over:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden
                                            van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding
                                            in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en
                                            een fractie overig afval;</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen
                                            van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede
                                            lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn
                                            overgelegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester
                                    en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking
                                    tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken
                                    daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn
                                    waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden
                                    bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het
                                    tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel 45
                                    van de Woningwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken
                                    van een door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag moet inhouden:</al><lijst><li nr="a."><al>correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;</al></li><li nr="b."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                                            adres;</al></li><li nr="c."><al>naam en adres van degene, die met het slopen zal worden
                                            belast;</al></li><li nr="d."><al>de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich
                                            het te slopen bouwwerk bevindt en het huisnummer van het
                                            bouwwerk. Indien de sloopwerkzaamheden bestaan uit
                                            asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het
                                            kader van hetzelfde project, wordt een lijst met
                                            bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers van de
                                            desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst
                                            ingevolge het negende lid is gewaarmerkt;</al></li><li nr="e."><al>een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk
                                            waarop de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien
                                            niet het gehele bouwwerk wordt gesloopt;</al></li><li nr="f."><al>het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen
                                            gedeelte van het bouwwerk laatstelijk is gebezigd;</al></li><li nr="g."><al>mededeling of een bouwvergunning is of zal worden
                                            aangevraagd voor een op het perceel van het te slopen
                                            bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk op
                                            te richten of te veranderen of uit te breiden
                                            bouwwerk;</al></li><li nr="h."><al>een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal
                                            plaatsvinden; en voorts, indien van toepassing:</al></li><li nr="i."><al>het sloopveiligheidsplan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen
                                    bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te
                                    zijn indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt
                                    overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>een afschrift van het asbestinventarisatieraport,
                                            uitgevoerd door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf,
                                            waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen
                                            bouwwerk bevindt;</al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 24 september
                                            1998 (= datum van verwerking in de gemeentelijke
                                            bouwverordening van de vierde serie wijzigingen van de
                                            Model-bouwverordening d.d. 1 juli 1997) dat voldoet aan
                                            de eisen in BRL 5052, uitgave 1998, waaruit blijkt dat
                                            er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt;
                                            indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld
                                            vóór 1 januari 1994, dient tevens een schriftelijke
                                            verklaring van de aanvrager te worden overgelegd dat er
                                            geen veranderingen van het te slopen bouwwerk hebben
                                            plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                                            toegepast;</al></li><li nr="c."><al>een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk
                                            is gebouwd na 1 juli 1993;</al></li><li nr="d."><al>bij woningen of naar bouwconstructie of
                                            materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot bewoning
                                            bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een schriftelijke
                                            verklaring van de bouwer van het te slopen bouwwerk dat
                                            hij hierin geen asbest heeft toegepast, alsmede een
                                            schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er sinds
                                            het tijdstip van de bouw geen veranderingen hebben
                                            plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                                            toegepast;</al></li><li nr="e."><al>bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke
                                            verklaring van de fabrikant of de leverancier dat het te
                                            slopen materiaal geen asbest bevat, alsmede een
                                            schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het
                                            materiaal van deze fabrikant of leverancier afkomstig
                                            is;</al></li></lijst><al>Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt
                                    overgelegd, wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij
                                    de aanvrager in vergelijkbare situaties andere gegevens
                                    verstrekt die dit vermoeden naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders voldoende weerleggen. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het bouwwerk
                                    asbest bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs kan weten
                                    dat zich in het bouwwerk asbest bevindt wordt met een
                                    asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf aangetoond
                                    of dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien
                                    geen asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf wordt
                                    overlegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens worden overlegd
                                    waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest
                                    zich bevindt. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft
                                            op het verwijderen van asbest op in de aanvraag
                                            aangeduide plaatsen, of</al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder
                                            b bij de aanvraag is gevoegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt
                                    dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een
                                    bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide
                                    afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende
                                    bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                    augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient een onderzoek te worden
                                    ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het
                                    rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om
                                    sloopvergunning worden gevoegd.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in 4-voud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                    betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met
                                    elkaar samenhangende terreinen dan wel indien zij betrekking
                                    heeft op asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het
                                    kader van hetzelfde project.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden
                                    moeten door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan
                                    wel gewaarmerkt worden.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Indien de aanvraag gedeeltelijk slopen van een bouwwerk betreft,
                                    moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de
                                    bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders
                                    een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                                    datum van ontvangst is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al>Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het
                                    voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op
                                    asbest.</al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al>Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen
                                    sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen
                                    betrekking heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld
                                    in artikel 8.2.1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of
                                    krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die
                                    gelden ingevolge de artikel 4:1 en 4:2 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in
                                    de gelegenheid de door hen aan te geven ontbrekende gegevens
                                    over te leggen binnen een door hen te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als
                                    bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om
                                    sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                    aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes
                                    weken verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging
                                    zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen
                                    burgemeester en wethouders over een aanvraag om sloopvergunning
                                    binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag om een
                                    sloopvergunning is ingediend, indien het slopen uitsluitend is
                                    bedoeld om asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk
                                    te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                    burgemeester en wethouders de een provinciale of een
                                    gemeentelijke monumentenverordening, een leefmilieuverordening
                                    op grond van de Wet op de stads-en dorpsvernieuwing, of een
                                    aanlegvergunning voor het slopen is vereist en omtrent die
                                    vergunning(en) nog niet is beslist. De aanhouding eindigt zes
                                    weken na bedoelde beslissing. Bij samenloop van vergunningen
                                    wordt uitgegaan van de datum van de laatst genomen
                                    beslissing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het
                                    kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van
                                    een bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is aangevraagd,
                                    kan bij de aanvraag om sloopvergunning -voor zover voor beide
                                    aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd
                                    -worden verwezen naar die bescheiden en gegevens die zijn
                                    ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde
                                    bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de
                                    beslissing op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de
                                    beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat
                                    beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is
                                            gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften
                                            niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband
                                            met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door
                                            het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil
                                            kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een
                                            provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening
                                            is vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op
                                            grond van de Wet op de stads-en dorpsvernieuwing is
                                            vereist en deze niet is verleend;</al></li><li nr="e."><al>een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of
                                            op grond van een voorbereidingsbesluit is vereist en
                                            deze niet is verleend.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                            onvolledige opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                            sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                            gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden
                                            deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode
                                            van 26 weken stilliggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                    nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                    sloopvergunning vereist voor het anders dan in de uitoefening
                                    van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde, asbesthoudende platen waarin de
                                            asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien,
                                            uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                            staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                                            niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                            bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in
                                            dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                            asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante
                                            meter per kadastraal perceel bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde,
                                            asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit een
                                            op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de
                                            woning of het bijgebouw niet in het kader van de
                                            uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                                            bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte
                                            van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of
                                            vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                            kadastraal perceel bedraagt;</al></li></lijst><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                    wethouders en doorburgemeester en wethouders binnen acht dagen
                                    na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                    sloopvergunning is vereist.Met een woning wordt gelijk gesteld
                                    een woonkeet, woonwagen of logiesverblijf. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                    worden vermeld met gebruikmaking van een door of namens
                                    burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in drievoud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                    aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden
                                    of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                    mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan,
                                    is de mededeling van rechtswege gedaan.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld
                                    in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                    verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                    zevende lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in het
                                    achtste lid alsmede de voorschriften die bij of krachtens de
                                    artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn
                                    gesteld, in acht te nemen. Voorts is de houder verplicht ter
                                    zake van de afvoer van asbest bevattende vloerbedekking alsmede
                                    van andere afvalstoffen waarop de mededeling betrekking heeft de
                                    in de gemeente geldende voorschriften in acht te nemen.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                    sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                    tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen,
                                    stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft
                                    gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te
                                    geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                    sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                    betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het
                                    kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of
                                    gedeeltelijk verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder vrewarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de
                                            constructie van kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem-frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                            verwarmingstoestellen met een ominaal vermogen dat lager
                                            is dan 2250 kilowatt.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                    overeenkomstige toepassing op het slopen en het
                                    sloopterrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot
                                    toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                    dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het
                                    bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat
                                    betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig
                                    bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de
                                    vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het
                                    slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week
                                    voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en
                                    wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                    waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                    plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de
                                    uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een
                                    afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                    artikel 9, eerte lid van de Asbestverwijderingsbesluit
                                    2005.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend
                                    voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt
                                    ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding
                                    te doen aan het bouw-en woningtoezicht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                    aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk
                                    op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde
                                    van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt,
                                    moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(vervallen)</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de welstandscomissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de
                                Gemeenschappelijke Regeling welstandszorg Noord-Brabant, die uit
                                haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie,
                                hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor regulier vergunningplichtige en
                                licht-vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44,
                                eerste lid onder d respectievelijk artikel 44, derde lid juncto
                                eerste lid onder d van de Woningwet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vier leden, waaronder
                                een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden
                                deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit
                                dan wel cultuurhistorie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In de welstandscommissie kan een geïnteresseerde burger van de
                                gemeente anders als bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                welstandscommissie worden op voorstel van de burgemeester en
                                wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9
                                bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                                werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde
                                komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria
                                uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op
                                welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere
                                projecten. De welstandscommissie kan in haar jaarverslag
                                aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk
                                kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de
                                gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. De vergaderingen van
                                de welstandscommissie zijn wel openbaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een
                                lichte bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                reguliere bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat
                                door of namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag om</al><lijst><li nr="a."><al>een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46,
                                        eerste lid, sub a van de Woningwet bedoelde termijn van zes
                                        weken;</al></li><li nr="b."><al>een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel 46,
                                        eerste lid, sub van de Woningwet bedoelde termijn van twaalf
                                        weken;</al></li><li nr="c."><al>een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel
                                        46, eerste lid, sub c van de Woningwet bedoelde termijn van
                                        zes weken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws-of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders -al dan niet op
                                verzoek van de aanvrager -een verzoek doen tot niet-openbare
                                behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen
                                van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of
                                namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te
                                ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag
                                wordt behandeld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Belanghebbenden hebben geen spreekrecht tenzij door het college van
                                Burgemeester en wethouders in een bijzonder geval aan die
                                belanghebbenden in toelichtende zin spreekrecht is toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening bij mandaat</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel
                                44, eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of
                                meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter
                                en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                                verondersteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                                bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de
                                welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                burgemeester en wethouders -al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                -een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een bouwplan
                                voor een lichtvergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is met
                                redelijke eisen van welstand mandateren aan een door hen aan te
                                wijzen ambtenaar, indien in de welstandsnota voor de verschillende
                                categorieën licht vergunningplichtige bouwwerken toetsingscriteria
                                zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In het geval het bouwplan als bedoeld in het vorige lid niet voldoet
                                aan de betreffende welstandscriteria, leggen burgemeester en
                                wethouders het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens de
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                bouwvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                                standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht,
                                neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de
                                Woningwet moeten worden vemeld de plaats en de aard van het gebouw
                                en het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning,
                                de woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de
                                gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de
                                sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag van degene
                                op wiens naar de vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn
                                rechtverkijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op
                                wiens naam de vergunning is gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de
                                herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen,
                                praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze
                                verordening -of in de bij deze verordening behorende bijlagen -wordt
                                verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm,
                                praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en
                                die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(vervallen)</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs-en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>(vervallen)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig
                                bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning
                                indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve
                                bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende
                                bodem-onderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn
                                dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent
                                onderzoek kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid
                                van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of
                                wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47,
                                eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere
                                vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de
                                bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 54 van de
                                brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 29
                                mei 1975 geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel
                                6.1.1.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ontheffing, toestemming, voorschrift of beperking - hoe ook
                                genaamd - verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening,
                                vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 29 mei 1975 blijft van kracht
                                totdat de termijn waarvoor zij is verleend, is verstreken of nadat
                                zij is ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Vervallen (zie toelichting in bijlage)</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de 3e dag na die waarop zij is
                                afgekondigd. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 28
                                        april 1988 en alle daarin aangebrachte wijzigingen;</al></li><li nr="b."><al>de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij
                                        raadsbesluit d.d. 29 mei 1975 en alle daarin aangebrachte
                                        wijzigingen, voor zover deze brandbeveiligingsverordening
                                        eisen aan het brandveilig gebruik van bouwwerken stelt.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening
                                bouwen’.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlagen bij verordening Bouwen</label><nr>1</nr><titel/></kop><al><plaatje><illustratie id="i3dda88f9-f30e-4058-a30d-76e9d346eb22" naam="i51537i3dda88f9-f30e-4058-a30d-76e9d346eb22.jpg" breedte="4.2cm" schaal=".8 .77" uitlijning="start" kleur="ja" type="foto" alt="159px" hoogte="3.0cm"/></plaatje></al></bijlage></regeling></body></cvdr>