<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR109704_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ gemeente Peel en Maas</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Peel en Maas</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Peel en Maas</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Op den Baum, Heldens Nieuws en Weekblad voor Meijel d.d. 13-7-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ gemeente Peel en Maas</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">gemeentewet, art. 147 lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">gemeentewet, art. 108 lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">IOAW, art. 35 lid 1 onderdeel b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">IOAW, art. 20</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">IOAZ, art. 35 lid 1 onderdeel b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">IOAZ, art. 20</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-06-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-05-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ gemeente Peel en Maas</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Peel en Maas</vet></al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van maart 2011</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20 IOAW, alsmede artikel 35,
                        eerste lid, onderdeel b en artikel 20 IOAZ,</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is, het weigeren of verlagen van IOAW en
                        IOAZ uitkeringen bij wijze van sanctie, in een verordening te regelen ;</al><al>en tevens overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te
                        stellen met betrekking tot het bestrijden van misbruik en oneigenlijk
                        gebruik van de IOAW en IOAZ.</al><al><vet>b e s l <vet>u </vet>i t :</vet></al><al>vast te stellen de volgende verordening;</al><al><vet>AFSTEMMINGSVERORDENING IOAW EN IOAZ GEMEENTE PEEL EN MAAS </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:a. belanghebbende: degene wiens
                            belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;b. college: het college
                            van burgemeester en wethouders van de gemeentePeel en Maas;c. IOAW: Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschiktewerkloze
                            werknemers;d. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschiktegewezen zelfstandigen;e. grondslag: de toepasselijke
                            grondslag, als bedoeld in artikel 5, derde, vierde envijfde lid van de
                            IOAW of artikel 5, vierde lid, van de IOAZ;f. afstemming: het verlagen
                            van de uitkering op grond van artikel 20, tweede lid, vande IOAW of
                            artikel 20, eerste lid, van de IOAZ;g. persoonlijk een plan tussen
                            belanghebbende en de gemeente met de bedoeling ontwikkelingsplan
                            belanghebbende de kans te bieden zich verder te ontwikkelen. Ambities
                            van belanghebbende en doelen in het kader van arbeidsinschakeling en
                            sociale activering worden op elkaar afgestemd.h. traject: een met
                            belanghebbende overeengekomen, dan wel door hetcollege aan hem opgelegd
                            geheel van activiteiten gericht op hetverkrijgen en behouden van
                            betaalde arbeid;i. uitkering: uitkering als bedoeld in artikel 9 van de
                            wetten;j. voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 34 eerste lid,
                            onderdeel a van dewetten, zijnde een instrument binnen een traject dat
                            ingezetwordt om belemmeringen bij aanvaarding van algemeengeaccepteerde
                            arbeid weg te nemen;k. de wetten: Wet IOAW en de Wet IOAZ;l. WI: Wet
                            inburgering. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Als belanghebbende naar het oordeel van het college niet voldoet dan
                                wel in onvoldoende mate, aan de verplichtingen, zoals omschreven in
                                artikel 13 en 37 van de wetten, wordt overeenkomstig deze
                                verordening de uitkering verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                bijzondere persoonlijke omstandigheden waarin de belanghebbende
                                verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De verlaging wordt opgelegd op de van toepassing zijnde grondslag.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot verlaging van de uitkering</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een verlaging wordt vermeld, de reden
                            van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de
                            uitkering wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden waarom een
                            hogere of lagere verlaging wordt toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afzien van verlaging van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college ziet af van verlaging indien:a. elke vorm van
                                verwijtbaarheid ontbreekt of;b. de gedraging meer dan 1 jaar vóór
                                constatering van die gedraging door het college heeftplaatsgevonden,
                                tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt
                                en als gevolg van die gedraging ten onrechte uitkering is verleend.
                                Een verlaging wegensschending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                opgelegd na verloop van 5 jaren nadat debetreffende gedraging heeft
                                plaatsgevonden. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van verlaging indien
                                het daarvoor zeer bijzondere individuele omstandigheden aanwezig
                                acht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het college afziet van verlaging wordt belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan onder vermelding van de redenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verlaging wordt met terugwerkende kracht toegepast, voor zover de
                                uitkering nog niet isuitbetaald. Daarbij wordt uitgegaan van de voor
                                die maand geldende grondslag </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor zover de uitkering over de afgelopen maand reeds is uitbetaald
                                gaat de verlaging de eerst volgende kalendermaand in. Daarbij wordt
                                uitgegaan van de voor die maand geldende grondslag. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De duur van de verlaging bedraagt minimaal de termijnen die in de
                                hoofdstukken 2 tot en met 4 van deze verordening vermeld staan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien belanghebbende, binnen 12 maanden nadat de verwijtbare
                                gedraging zich heeftvoorgedaan, opnieuw zijn verplichtingen
                                verwijtbaar niet nakomt (recidive), worden de minimale termijnen,
                                waarnaar in lid 3 wordt verwezen verdubbeld. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Bij derde en meer opvolgende verwijtbare gedragingen wordt het
                                percentage van de verlagingverzwaard en wordt de duur waarnaar in
                                lid 3 wordt verwezen telkens verlengd met één maand extra. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Indien blijkens verklaringen van belanghebbende direct en
                                onmiskenbaar op voorhand vaststaat dat deze de opgelegde
                                verplichting niet zal nakomen, wordt een verlaging opgelegd voor de
                                duur dat niet aan deze verplichtingen is voldaan.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Een besluit als bedoeld in het vorige lid wordt binnen een termijn
                                van ten hoogste drie maanden heroverwogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien belanghebbende zich schuldig maakt aan één gedraging die
                                verschillende schendingen van de verplichtingen inhoudt als genoemd
                                in artikel 2, eerste lid, wordt voor het bepalen van de hoogte en
                                duur van de verlaging uitgegaan van het hoogste percentage.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>a. Indien belanghebbende een inburgeringprogramma volgt in het kader
                                van de WI kan de uitkering slechts worden verlaagd voor zover dit
                                inburgeringprogramma voor belanghebbende tevens is aangemerkt als
                                een re-integratietraject;b. Indien een boete op basis van de
                                Boeteverordening in het kader van de WI is opgelegd, kan niet
                                tegelijkertijd voor hetzelfde feit of dezelfde gedraging een
                                verlaging van de uitkering worden toegepast in het kader van deze
                                afstemmingsverordening. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan voorzieningen gericht op
                            arbeidsinschakeling en/of sociale activering of het behouden van
                            algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbende waardoor de verplichting op grond van
                            hoofdstuk 3 van de wetten niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:1. Eerste categorie:het zich
                            niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf
                            of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.2. Tweede
                            categorie:a. het gedurende de uitkering niet naar vermogen trachten
                            algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;b. het niet of onvoldoende
                            nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een door het college
                            aangeboden voorziening, waaronder begrepen het niet of onvoldoende
                            meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                            arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige participatie, voor zover
                            dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige
                            beëindiging van het traject.3. Derde categorie:a. het niet aanvaarden
                            van algemeen geaccepteerde arbeid;b. het door eigen toedoen niet
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;c. het niet of onvoldoende
                            nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een door het college
                            aangeboden voorziening, waaronder begrepen het niet of
                            onvoldoendemeewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                            arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige participatie, als dit
                            heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van
                            het traject. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid en met toepassing van artikel 6 derde
                            lid, wordt de verlaging als bedoelt in artikel 9 vastgesteld op:10% van
                            de grondslag gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste
                            categorie;50% van de grondslag gedurende 1 maand bij gedragingen van de
                            tweede categorie;100% van de grondslag gedurende 1 maand bij gedragingen
                            van de derde categorie. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Schending inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het herhaaldelijk niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13 lid 1 van de wetten niet
                                heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen
                                van uitkering, kan, onverminderd artikel 2, tweede lid, een
                                verlaging toegepast worden van 10% van de bijstandsnorm gedurende 1
                                maand. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht als
                                bedoeld in artikel 13 lid 1 van de wetten heeft geleid tot het ten
                                onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, wordt de
                                verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De verlaging bedoeld in het tweede lid bedraagt:a. 20% van de
                                grondslag gedurende minimaal 1 maand, bij een bruto
                                benadelingsbedrag tot € 1.300,-;b. 50% van de grondslag gedurende
                                minimaal 1 maand, bij een bruto benadelingsbedrag van € 1.300,- tot
                                € 4.000,-;c. 100% van de grondslag gedurende minimaal 1 maand, bij
                                een bruto benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien belanghebbende gegevens in verband met de vaststelling van
                                het recht op uitkering,waarover hij al eerder redelijkerwijs kon
                                beschikken, pas in een bezwaar-, beroeps-, of hoger beroepsprocedure
                                verstrekt, wordt de toepasselijke grondslag verlaagd met 20%
                                gedurende minimaal 1 maand.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien belanghebbende zich ernstig misdraagt tegenover het college
                                of zijn ambtenaren en medewerkers, onder omstandigheden die verband
                                houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 20
                                tweede lid van de wetten, wordt de uitkering verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De verlaging wordt in geval van een ernstige misdraging in de vorm
                                van verbaal geweld,discriminatie of intimidatie op de volgende wijze
                                vastgesteld:a. 50% van de grondslag gedurende 1 maand bij een eerste
                                ernstige misdraging;b. 100% van de grondslag gedurende 1 maand bij
                                een tweede ernstige misdraging binnen een periode van 24 maanden na
                                de vorige misdraging;c. 100% van de grondslag gedurende 2 maanden
                                vanaf een derde ernstige misdraging binnen een periode van 24
                                maanden na de vorige misdraging. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De verlaging wordt in geval van een ernstige misdraging in de vorm
                                van zaakgericht fysiek geweld, mensgericht fysiek geweld op de
                                volgende wijze vastgesteld:a. 100% van de grondslag gedurende 1
                                maand bij een eerste ernstige misdraging;b. 100% van de grondslag
                                gedurende 2 maanden bij een tweede ernstige misdraging binnen een
                                periode van 24 maanden na de vorige misdraging;c. 100% van de
                                grondslag gedurende 3 maanden vanaf een derde ernstige misdraging
                                binnen een periode van 24 maanden na de vorige misdraging. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Van een ernstige misdraging in de zin van artikel 20, tweede lid van
                                de wetten kan alleen sprake zijn als verwijtbaarheid is vastgesteld
                                én dit gedrag in het normale menselijke verkeer onacceptabel
                                is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Opstellen handhavingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college draagt in het kader van de bestrijding van misbruik en
                                oneigenlijk gebruik van de wet zorg voor het opstellen van een
                                handhavingsplan . </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het in het eerste lid genoemde handhavingsplan komt op zijn minst
                                tot uitdrukking:a. De gemeentelijke visie op handhavingb. aanpak
                                fraudepreventiec. aanpak frauderepressie </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan ten gunste van belanghebbende in bijzondere
                                situaties afwijken van het bepaalde in deze verordening , indien
                                strikte toepassing van deze verordening leidt tot onbillijkheden van
                                zwaarwegende aard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na
                                de dag van bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Afstemmingsverordening
                                IOAW en IOAZ.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet>In de jaren tachtig is de IOAW en IOAZ in het leven geroepen,
                    omdat het bezwaarlijk bevonden werd om langdurig oudere werklozen onder de
                    Algemene Bijstandswet (nu: Wet werk en bijstand (WWB)) te laten vallen en
                    daarmee aan een vermogenstoets en volledige inkomenstoets onderworpen werden.
                    Afgezien daarvan vertonen de IOAW en de IOAZ nauwe verwantschap met de WWB.Per 1
                    januari 2010 is het college net als bij de WWB en de Wet investeren in jongeren
                    (WIJ) volledigfinancieel verantwoordelijk voor de uitvoering van de IOAW en de
                    IOAZ. Dit gaat gepaard metbeleidsvrijheid op het gebied van het afstemmen van de
                    uitkering bij sanctiewaardig gedrag.</al><al>Op grond van artikel 35, eerste lid onderdeel b van de IOAW en van de IOAZ moet
                    de gemeenteraad bij verordening regels stellen met betrekking tot de weigering
                    en verlaging bedoeld in artikel 20 van de IOAW en IOAZ.</al><al>In het kader van uniformiteit van regelgeving is, mede gelet op de nauwe
                    verwantschap met de WWB,deze verordening waar mogelijk geënt op de
                    Afstemmingsverordening WWB 2009. Er is voor gekozen om de regels voor weigering
                    en verlaging van de IOAW en IOAZ in een aparte verordening onder te brengen. Dit
                    omdat er drie wezenlijke verschillen zijn ten opzichte van de WWB:</al><al>1. De IOAW en de IOAZ kunnen blijvend of tijdelijk geweigerd worden als de
                    belanghebbendeverwijtbaar zijn baan of inkomsten in verband met arbeid verliest.
                    De WWB kent geen blijvende of tijdelijke weigering van de bijstand. Immers, de
                    WWB is een vangnetvoorziening.2. In de WWB kan de bijstand verlaagd worden als
                    er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. In de IOAW
                    en de IOAZ ontbreekt dat. Daarom kan er op deze grond geen verlaging of (gehele
                    of tijdelijke) weigering van de bijstand plaatsvinden.3. De IOAW en de IOAZ
                    kennen een bruto-berekeningssystematiek. De WWB en WIJ kentdaarentegen een
                    netto-berekeningssystematiek. Daarom kan de netto berekeningssystematiek van de
                    WWB en WIJ niet toegepast worden op die van de IOAW en de IOAZ.</al><al>Keuze blijvend of tijdelijk weigerenHet college heeft de vrijheid om de
                    uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als belanghebbende ondermeer
                    verwijtbaar werkloos raakt. Wil het college gebruik maken van die bevoegdheid
                    dan moet dat in de verordening geregeld zijn. In deze verordening is geen
                    weigeringsartikel opgenomen.Blijvende weigering van de uitkering heeft tot
                    gevolg dat de IOAW-ers en de IOAZ-ers een beroep op de WWB moeten doen, waar de
                    vermogenstoets geldt. Het betreft een kwetsbare doelgroep, die uit ouderen
                    bestaat waardoor om deze reden het niet adequaat wordt geacht om (blijvende)
                    uitsluiting in de verordening op te nemen. Uit opportuniteitsoverwegingen is
                    besloten van deze mogelijkheden tot weigering geen gebruik te maken . Wel dient
                    in voorkomende gevallen doeltreffend en slagvaardig opgetreden te kunnen worden
                    hetgeen onaangetast gewaarborgd is.</al><al>Karakter van de afstemmingTot 1 januari 2010 was het college verplicht om tot
                    afstemming over te gaan als geconstateerd werd dat belanghebbende of zijn
                    echtgenoot verplichtingen niet nakwam. Met ingang van 1 januari 2010 is dit, net
                    als onder de WWB en WIJ een bevoegdheid. In de verordening is geregeld wanneer
                    het college de uitkering nader afstemt , onverlet bijzondere
                    omstandigheden.</al><al>Evenwicht tussen rechten en plichtenRechten en plichten zijn twee kanten van één
                    medaille. Het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in
                    te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat
                    devaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de
                    toepasselijke grondslag en debruto-inkomsten van de belanghebbende, maar ook van
                    de mate waarin de verplichtingen wordennagekomen. Als verplichtingen verwijtbaar
                    niet worden nagekomen, zal dat moeten leiden tot een nadere afstemming in de
                    vorm van een verlaging van de uitkering.</al><al>Bij het opleggen van een korting op de uitkering moet de zwaarte daarvan
                    afgestemd worden op de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.
                    Het mag met andere woorden niet disproportioneel zijn. Gelet op het daaraan ten
                    grondslag liggende individualiseringsbeginsel dient het mede afgestemd te worden
                    op de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>De afstemmingsverordening IOAW en IOAZ voorziet in veel voorkomende ongewenste
                    gedragingen. Daarbij is, op basis van een categorie-indeling, een relatie gelegd
                    tussen de ernst van de gedraging en de zwaarte van de bestraffing. Verder wordt
                    voor een belangrijk deel ook al rekening gehouden met de persoonlijke
                    omstandigheden van de belanghebbende, doordat de hoogte is gerelateerd aan de
                    grondslag, waarmee in algemene zin afstemming met de draagkracht wordt bereikt.
                    Deze beide aspecten komen de uitvoerbaarheid van het afstemmingsbeleid ten
                    goede, zonder dat dit in de weg staat aan maatwerk.Op grond van bijzondere
                    persoonlijke omstandigheden of de mate van verwijtbaarheid kan zowel naar boven
                    als beneden afgeweken worden. Als iedere verwijtbaarheid ontbreekt wordt niet
                    overgegaan tot het opleggen van een verlaging.Verlaging en fraudeIn de
                    verordening is een voorziening getroffen om een verlaging op te kunnen leggen
                    als deinlichtingenplicht niet is nagekomen. Overigens doet het college in de
                    daarvoor in aanmerking komende gevallen aangiftebij het Openbaar Ministerie,
                    wanneer het benadelingsbedrag hoger is dan het, in de aangifterichtlijnsociale
                    zekerheid genoemde bedrag van € 10.000,-.</al><al>Zeer ernstig misdragenEr kan ook een verlaging worden opgelegd als de
                    belanghebbende zich ten opzichte van het collegeernstig misdraagt. In de
                    verordening is daarvoor een regeling opgenomen.</al><al>Zwaarte en duur Bij de indeling in categorieën is ervan uitgegaan dat de ernst
                    van het feit toeneemt naarmate degedraging concretere gevolgen heeft voor het
                    niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid of de financiële benadeling
                    van het college groter is. Bij de toepassing in verband met zeer ernstige
                    misdragingen, zal steeds rekening worden gehouden met onder meer de aard van de
                    gedraging, de dreiging die daarvan uitgaat, de impact daarvan op medewerkers, in
                    het bijzonder de mate waarin zij kunnen worden belemmerd in een normaal
                    functioneren en de door de gedraging veroorzaakte (im)materiële schade.</al><al>In beginsel wordt een verlaging gedurende één kalendermaand toegepast. Bij
                    recidive wordt de duur of de zwaarte verdubbeld. Dat staat er niet aan in de weg
                    dat, op grond van bijzondere omstandigheden van het individuele geval,
                    bijvoorbeeld bij stelselmatig weigerachtig gedrag of een samenloop van
                    verwijtbare gedragingen ook een verlaging van langere duur opgelegd kan
                    worden.</al><al>Bij de WWB is het toepassen van een verlaging voor onbepaalde duur niet
                    toegestaan. In de WWB is geregeld dat een dergelijk besluit waarvan de duur
                    langer is dan 3 maanden, dit besluit binnen 3 maanden heroverwogen dient te
                    worden. In de IOAW en de IOAZ komt deze bepaling niet voor. In het kader van
                    uniformiteit van regelgeving is in deze verordening ook geregeld dat bij
                    maatregelen die een tijdvak van meer dan drie maanden beslaan het besluit waarin
                    tot een verlaging besloten is binnen een termijn van 3 maanden wordt
                    heroverwogen.</al><al/><al/><al/><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijving</vet>Voor de begrippen die in de verordening
                    worden gebruikt, is aansluiting gezocht bij de Wetinkomensvoorziening oudere en
                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                    zelfstandigen (IOAZ).</al><al><vet>Artikel 2. Het verlagen van de uitkering</vet>1. Dit lid geeft de omvang
                    van de werking van deze verordening aan en met name dat het hier een uitwerking
                    betreft van artikelen 13 en 37 van de wetten.2. In de afstemmingsverordening
                    zijn voor allerlei gedragingen standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (procentuele) verlaging van de uitkering. In dit tweede lid is de
                    hoofdregel neergelegd: de verlaging afstemmen op de ernst van het feit dat zich
                    heeft voorgedaan, de afweging in hoeverre de betrokken persoon hiervoor
                    verantwoordelijk is en de eventuele individuele bijzondere omstandigheden die
                    van belang kunnen zijn in verband met de gevolgen van de tijdelijke verlaging
                    voor de persoon of het gezin. Deze bepaling brengt met zich mee dat bij elke
                    verlaging zal moeten worden nagegaan of gelet op deze drie criteria afwijking
                    van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is.
                    Afwijking van de standaardverlaging kan zowel tot een verzwaring als een
                    matiging van de hoogte en/of de duur van de verlaging leiden.Matiging van de
                    verlaging kan bijvoorbeeld aan de orde komen bij bijzondere financiële of
                    sociale omstandigheden van belanghebbende en bij proportionaliteit indien de
                    zwaarte van de verlaging niet evenredig is aan de ernst van de gedraging en de
                    mate van verwijtbaarheid.</al><al><vet>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</vet>Een verlaging wordt alleen
                    toegepast op de grondslag. De grondslag is een bruto bedrag dat door deminister
                    zodanig wordt vastgesteld, dat deze netto gelijk is aan de bijstandsnormen voor
                    de WWB. Degrondslag is bestemd voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan.</al><al><vet>Artikel 4. Het besluit tot verlaging van de uitkering</vet>Het verlagen van
                    de uitkering wegens het niet voldoen aan een of meerdere op grond van de
                    wettenopgelegde verplichtingen vindt plaats door middel van een besluit. Deze
                    eis vloeit rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met name
                    dient aandacht besteed te worden aan hetzorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel
                    van proportionaliteit en het motiveringsbeginsel.</al><al><vet>Artikel 5. Afzien van verlaging van de uitkering</vet>1. Het afzien van een
                    verlaging ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in
                    artikel 20 van de wetten.Een andere reden om af te zien van een verlaging is dat
                    de gedraging te lang geleden heeftplaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden wordt onder b.
                    geregeld dat het college geen verlagingen toepast bij gedragingen die langer dan
                    één jaar geleden hebben plaatsgevonden.Voor gedragingen die een schending van de
                    informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte uitkering is
                    verleend of een te hoog bedrag aan uitkering is verleend, geldt
                    eenverjaringstermijn van vijf jaar, omdat dit ook aansluit bij andere
                    verjaringstermijnen, zoalsbijvoorbeeld in het Burgerlijk Wetboek.2. Hierin wordt
                    geregeld dat het college kan afzien van een verlaging indien er daarvoor
                    zeerbijzondere individuele omstandigheden aanwezig zijn. Dit is uiteraard vooral
                    afhankelijk van de concrete situatie en wordt hier niet verder gespecificeerd.3.
                    Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van een
                    verlaging is van belang in verband met eventuele recidive.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Ingangsdatum, tijdvak en recidive</vet>De verlaging wordt naar
                    de toekomst toegepast, tenzij de uitkering nog niet is uitbetaald. De
                    verlagingdient na constatering in beginsel zo spoedig mogelijk geëffectueerd te
                    worden zodat oorzaak en gevolg maximaal aan elkaar worden gekoppeld.In de leden
                    3 tot en met 5 is de systematiek geregeld indien sprake is van herhaling van de
                    verwijtbare gedraging. Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare
                    gedraging opnieuw sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate
                    van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van
                    de verlaging.Er is geen sprake van recidive als is afgezien van een afstemming
                    omdat de verwijtbaarheid geheel heeft ontbroken. Met eerste verwijtbare
                    gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een
                    verlaging, ook indien de verlaging wegens zeer bijzondere omstandigheden niet is
                    geëffectueerd.Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden
                    geldt het tijdstip waarop het besluit(waarin de verlaging is medegedeeld) bekend
                    is gemaakt (verzenddatum beschikking). In de situatie, dat de belanghebbende in
                    een korte periode steeds herhalend verwijtbaar gedrag blijft vertonen (de derde
                    en mogelijke volgende verwijtbare gedragingen) kan het college besluiten na
                    afweging van alle belangen om de gegeven percentages van de hoofdstukken 2 tot
                    en met 4 te verzwaren. Tevens kan de duur telkens worden verlengd met een maand.
                    Zo is sprake van een evenwichtige en systematische opbouw van verlagingen van de
                    uitkering indien sprake is van steeds terugkerend verwijtbaar gedrag van de
                    belanghebbende.In lid 6 en 7 is geregeld dat de verlaging doorloopt totdat
                    belanghebbende de verwijtbare gedraging heeft hersteld, als direct door de
                    belanghebbende duidelijk is gemaakt, dat van een korte tijdelijke verlaging geen
                    positief effect is te verwachten.In de WWB is geregeld dat het college een
                    besluit als genoemd in artikel 6 binnen drie maanden dient te heroverwegen. In
                    de IOAW en IOAZ ontbreekt deze bepaling. Om zoveel mogelijk uniformiteit in
                    beleid en uitvoering te betrachten wordt voorgesteld om aan te sluiten bij de
                    regelgeving in het kader van de WWB en bij een verlaging langer dan 3 maanden
                    het besluit tot afstemming te heroverwegen.De minimale duur van de verlaging is
                    in de hoofdstukken 2 tot en met 4 van deze verordening geregeld.</al><al><vet>Artikel 7. Samenloop van gedragingen</vet>1 Als sprake is van een gedraging
                    die meerdere schendingen van verplichtingen als gevolg heeft, dan dient voor het
                    toepassen van de verlaging worden uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste
                    verlaging van toepassing is. Het gaat hierbij om de samenhang in het verwijtbare
                    gedrag dat tot twee verlagingen zou leiden. In dat geval geldt het hoogste
                    percentage van de verlaging.De regeling geldt niet voor een bepaalde gedraging
                    die geheel verschillende schendingen vanverplichtingen met zich meebrengt op
                    verschillende momenten achter elkaar.2 a. Afstemming op grond van deze
                    verordening kan alleen plaatsvinden als iemand zich niet houdt aan de
                    verplichtingen die rechtstreeks zijn verbonden aan het ontvangen van een
                    uitkering op grond van één van de wetten. Dat betekent dat de uitkering alleen
                    kan worden verlaagd als iemand een inburgeringsprogramma volgt dat door het
                    college tevens is gedefinieerd als een noodzakelijk traject op grond van artikel
                    34 van de wetten.b. In het kader van de WI geldt een eigen (boete)regeling die
                    als specifieke regeling voorrang krijgt voor deze (algemene)
                    Afstemmingsverordening.</al><al><vet>Hoofdstuk 2 Re-integratietraject of werk</vet></al><al><vet>Artikel 8. Categorieën</vet>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de
                    formele verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het UWV
                    WERKbedrijf en ingeschreven te doen blijven.</al><al>De tweede categorie, onderdeel a, betreft de verplichting tot een actieve
                    opstelling op de arbeidsmarkt waaronder de eigen verantwoordelijkheid van
                    belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren.</al><al>De tweede categorie, onderdeel b, betreft de verplichting tot meewerken. Bij
                    toekenning van de uitkering of in een later stadium kan aan de belanghebbende,
                    die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn levensonderhoud te
                    voorzien, de verplichting worden opgelegd om:• mee te werken aan een onderzoek
                    naar zijn mogelijkheden en de benodigde voorzieningen zoals vastgelegd in de Re-
                    integratieverordening Wet werk en bijstand;• mee te werken aan de opstelling en
                    uitvoering van het persoonlijk ontwikkelingsplan dat uiteindelijk moet leiden
                    tot uitstroom of maatschappelijke participatie.De arbeidsinschakeling wordt
                    direct geschaad, wanneer de belanghebbende deze verplichting niet of onvoldoende
                    nakomt, hetgeen gevolgen kan hebben voor de duur van de aanspraak op uitkering.
                    Het niet of onvoldoende verlenen van medewerking aan het persoonlijk
                    ontwikkelingsplan zal immers de ontwikkeling van belanghebbende belemmeren. De
                    gedragingen bedoeld in deze subcategorie hebben echter niet tot gevolg dat het
                    persoonlijk ontwikkelingsplan geen doorgang vindt of moet worden beëindigd. Van
                    onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet op
                    afspraken bij een reïntegratiebedrijf verschijnt, opdrachten in het kader van
                    een scholing niet naar behoren uitvoert of zich niet coöperatief opstelt ten
                    aanzien van een diagnostisch onderzoek.</al><al>De derde categorie, onderdeel a, betreft het niet aanvaarden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan:
                    gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde
                    duur.</al><al>De derde categorie, onderdeel b, betreft het door eigen toedoen niet behouden
                    van maatschappelijk geaccepteerde (deeltijd) arbeid . Hieronder wordt mede
                    begrepen het niet correct uitoefenen van het beroep als zelfstandige.</al><al>Bij de derde categorie, onderdeel c, gaat het om dezelfde soort gedragingen als
                    bedoeld in de tweede categorie onder b, echter met dit belangrijke verschil dat
                    de gedraging heeft geleid tot het (definitief) geen doorgang vinden of
                    beëindigen van het persoonlijk ontwikkelingsplan . In de praktijk zal
                    beëindiging van het ontwikkelingsplan veelal pas plaatsvinden nadat de
                    belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk heeft laten blijken niet mee te
                    willen werken aan voorzieningen gericht op een zo spoedig mogelijke inschakeling
                    in het arbeidsproces. Ook kan een zeer ernstige gedraging, bijvoorbeeld diefstal
                    tijdens een proefplaatsing, tot beëindiging van het traject leiden. In alle
                    gevallen betreft het gedragingen die de kans op uitstroom voor langere tijd
                    vrijwel onmogelijk maken. Zonder een persoonlijk ontwikkelingsplan is
                    inschakeling in de arbeid voor de desbetreffende belanghebbende immers niet
                    mogelijk.</al><al><vet>Artikel 9. De hoogte en duur van de verlaging</vet>Deze bepaling behoeft
                    geen toelichting.</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Inlichtingenplicht</vet></al><al><vet>Artikel 10. Schending inlichtingenplicht</vet>1. Indien een cliënt de voor
                    de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens niet direct zelf
                    (onverwijld) of desgevraagd niet op tijd verstrekt wordt de uitkering voortgezet
                    en kan deuitkeringsgrondslag gedurende minimaal 1 maand worden verlaagd voor
                    zover dit de gemeente heeft benadeeld, waarbij ook zonder directe financiële
                    benadeling een sanctie mogelijkheid bestaat .Onder ‘onverwijld’ mededeling doen
                    in artikel 13 lid 1 van de wetten wordt verstaan:- direct mondeling (eventueel
                    telefonisch) informatie geven of indien dit niet mogelijk is;- op de periodieke
                    verklaring van de maand waarin het feit of de omstandigheid zich heeftvoorgedaan
                    of, als dit niet mogelijk is,- vóór de eerste van de maand volgend op de maand
                    waarin het feit of de omstandigheid zichheeft voorgedaan.2. Bij de vaststelling
                    van de benadelingsbedragen is aangesloten bij de bedragen zoals deze zijn
                    vastgesteld in het kader van de afstemmingsverordeningen WWB en WIJ. Aangezien
                    de IOAW en IOAZ een bruto-systematiek kennen zijn de bedragen gebruteerd
                    (verhoogd met een fictieve belasting van 33%) en afgerond op hele bedragen.Uit
                    de formulering van dit lid volgt ook dat wanneer er geen sprake is van een
                    financiële benadeling er ook geen afstemming plaats zal vinden.3. Noodzakelijk
                    is dat de gegevens waarover de belanghebbende beschikt ook zo spoedig mogelijk
                    worden verstrekt, zodat deze ook tijdig beoordeeld kunnen worden en daarmee
                    eventuele juridische procedures vermeden kunnen worden.</al><al><vet>Hoofdstuk 4 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</vet></al><al><vet>Artikel 11. Zeer ernstige misdragingen</vet>In artikel 20, tweede lid van
                    de wetten, wordt gesproken over ‘het zich jegens het college zeer
                    ernstigmisdragen’. In de verordening worden in verband met de leesbaarheid niet
                    steeds de woorden zeerernstig misdragen gebruikt, terwijl het wel om hetzelfde
                    wettelijke begrip gaat. Dit betekent voorts datalleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het college en ambtenaren aanleiding kan zijn voor een
                    verlaging. Een verlaging is dus niet mogelijk als een klant zich agressief heeft
                    gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die (indirect)
                    belast is met de uitvoering van een van de wetten (bijvoorbeeld een
                    re-integratiebedrijf).</al><al>Opgemerkt wordt dat landelijk, maar ook in de gemeente Peel en Maas incidenten
                    tegen medewerkers tijdens hun werk frequenter en ernstiger zijn geworden. Dit is
                    een maatschappelijk verschijnsel dat in brede kring als zeer ernstig wordt
                    ervaren en afgekeurd. In de gemeente Peel en Maas neemt het college elke
                    misdraging in welke vorm dan ook tegen medewerkers van de gemeente Peel en Maas
                    of het college zeer hoog op en accepteert dit dan ook onder geen enkele
                    voorwaarde.Ervaring sinds de invoering van deze bepaling in de WWB vanaf 1
                    januari 2004 leert dat afstemming met een standaardpercentage van 50% gedurende
                    minimaal 1 maand een onvoldoende genuanceerd en hanteerbaar uitgangspunt is
                    gebleken. Dit geldt evenzeer mede ter voorkoming van herhaling van nieuwe
                    incidenten. In deze afstemmingsverordening is getracht een genuanceerdere en
                    systematische invulling te geven die recht doet aan deze ernstige problematiek.
                    Om deze reden wordt ook anders omgegaan met recidive dan in artikel 6 van deze
                    verordening (hoger percentage en/of verlenging termijn van de verlaging) en een
                    langere termijn wanneer herhaling van het gedrag aangemerkt wordt als recidive
                    (24 maanden in plaats van 12 maanden).</al><al>Anderzijds dient bij het vaststellen van de hoogte van de verlaging in de
                    situatie dat eenuitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, gekeken te
                    worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                    persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.Met name dient het beginsel
                    van proportionaliteit (de reactie moet in redelijke verhouding staan tot
                    degedraging) eveneens recht te worden gedaan.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressiefgedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden:1) verbaal geweld (schelden);2) discriminatie;3) intimidatie
                    (uitoefenen van psychische druk);4) zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);5)
                    mensgericht fysiek geweld ( op de ambtenaar) ;6) combinatie van
                    agressievormen.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de soortgedraging, de mate waarin de gedraging te verwijten valt en de
                    omstandigheden waaronder demisdraging heeft plaatsgehad.In dit verband kan in
                    het algemeen een onderscheid gemaakt worden tussen instrumenteel geweld
                    enfrustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewustgebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering). Agressie dieontstaat door onmacht,
                    ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid
                    metfrustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid
                    bij instrumenteel geweld inbeginsel groter is dan bij frustratiegeweld.In lid 2
                    is en lid 3 is tevens onderscheid gemaakt tussen fysiek en niet fysiek
                    geweld.Daarbij wordt fysiek geweld in welke vorm dan ook als een ernstiger
                    incident beschouwd dan wanneer dit niet heeft plaatsgevonden.Daarnaast is sprake
                    van een steeds zwaardere afstemming (verlaging) van de uitkering naarmate deze
                    vergelijkbare incidenten door dezelfde persoon vaker voorkomen.Hierdoor ontstaat
                    een meer gedifferentieerd uitgewerkt en gestructureerd systeem waarbij meer
                    rechtwordt gedaan aan een stapsgewijze progressieve reactie op onacceptabele
                    incidenten.</al><al>Het toepassen van een verlaging staat overigens geheel los van het doen van
                    aangifte bij de politie.Voor de afdeling Sociale Zaken is er een intern
                    agressieprotocol opgesteld met instructies hoe tehandelen bij agressie.</al><al>Schematisch:Niet fysiek geweld 1e keer 50% 1 maand(verbaal, discriminatie of
                    intimidatie) 2e keer &lt; 24 maanden 100% 1 maand3e keer of meer &lt; 24 maanden
                    100% 2 maandenFysiek geweld 1e keer 100% 1 maand(zaak- of mensgericht) 2e keer
                    &lt; 24 maanden 100% 2 maanden3e keer of meer &lt; 24 maanden 100% 3
                    maanden</al><al><vet>Hoofdstuk 5 Handhavingsplan </vet></al><al><vet>Artikel 12. Handhavingsplan </vet>Op grond van art. 35 van de IOAW en IOAZ
                    dient de raad tevens bij verordening regels te stellen met betrekking tot het
                    bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik. Middels art. 13 is voorzien in
                    een regeling waarin de verplichting opgenomen is een handhavingsplan op te
                    stellen met doel misbruik en oneigenlijk gebruik op adequate wijze tegen te
                        gaan.<vet>Hoofdstuk 6 Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 13. Hardheidsclausule </vet>Het kan zijn dat zich bepaalde
                    situaties kunnen voordoen waarin bij het opstellen van deze regels niet voorzien
                    is, toepassing van deze regels zou in dergelijke gevallen kunnen leiden tot een
                    onbillijke en kennelijk ongewenste uitkomst. Het college heeft op grond van dit
                    artikel de bevoegdheid om in deze gevallen af te wijken van de bepalingen in
                    deze verordening. Opgemerkt wordt dit met grote terughoudendheid dient te worden
                    gehanteerd. (Hardheid dient niet verward te worden met individualiseren.)</al><al><vet>Artikel 14. Citeertitel en inwerkingtreding</vet>Dit artikel behoeft geen
                    nadere toelichting.</al><al/><al/></nota-toelichting><bijlage><kop><titel>Inhoudsopgave</titel></kop><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen </vet>Artikel 1.
                    BegripsomschrijvingArtikel 2. Het verlagen van de uitkering Artikel 3.
                    BerekeningsgrondslagArtikel 4. Het besluit tot verlaging van de uitkeringArtikel
                    5 Afzien van verlaging van de uitkering Artikel 6. Ingangsdatum, tijdvak en
                    recidiveArtikel 7. Samenloop van gedragingen </al><al><vet>Hoofdstuk 2. Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan voorzieningen
                        gericht op arbeidsinschakeling en/of sociale activering of het behouden van
                        algemeen geaccepteerde arbeid</vet>Artikel 8. Categorieën Artikel 9 .De
                    hoogte en duur van de verlaging</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Inlichtingenplicht</vet>Artikel 10. Schending
                    inlichtingenplicht </al><al><vet>Hoofdstuk 4 Overige gedragingen die leiden tot verlaging</vet>Artikel 11.
                    Zeer ernstige misdragingen</al><al><vet>Hoofdstuk 5. Handhavingsbeleid</vet>Artikel 12. Opstellen
                    handhavingsplan</al><al><vet>Hoofdstuk 6. Slotbepalingen</vet>Artikel 13. Hardheidsclausule Artikel 14.
                    Citeertitel en inwerkingtreding </al></bijlage></regeling></body></cvdr>