<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR109533_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het finaniceel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Geertruidenberg</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Geertruidenberg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geertruidenberg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening gemeente Geertruidenberg 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Gemeentewet, art. 212</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-02-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-02-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2008-07-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>23 februari 2006, nr. 15a</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is bekendgemaakt op 13 maart 2006 aan Gedeputeerde Staten.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het finaniceel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Geertruidenberg</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr. 15a </al><al>De Raad van de gemeente Geertruidenberg besluit, </al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van Geertruidenberg van
                        24 januari2006; </al><al>gelet op artikel 212 van de Gemeentewet, </al><al>in te trekken; </al><al>Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor
                        het financieelbeheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van
                        de gemeenteGeertruidenberg, vastgesteld in de raadsvergadering van 23
                        december 2004.</al><al>vast te stellen: </al><al>Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor
                        het financieelbeheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van
                        de gemeenteGeeertruidenberg.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>1</nr><titel>Nieuw Titeldeel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><al>A. administratie:het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en
                            verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het
                            functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de
                            gemeente Geertruidenberg en ten behoeve van de verantwoording die
                            daarover moet worden afgelegd. </al><al>B. financiële administratie:het onderdeel van de administratie dat omvat
                            het systematisch maken en verwerken van aantekeningen betreffende de
                            financiële gegevens van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente
                            Geertruidenberg, teneinde te komen tot een goed inzicht in:</al><al>1. de financieel-economische positie;</al><al>2. het financiële beheer;</al><al>3. de uitvoering van de begroting;</al><al>4. het afwikkelen van vorderingen en schulden;</al><al>5. alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover. </al><al>C. administratieve organisatie:het stelsel van organisatorische
                            maatregelen gericht op het tot stand brengen en het in stand houden van
                            de goede werking van de bestuurlijke en ambtelijke informatieverzorging
                            ten behoeve van de verantwoordelijke leiding. </al><al>D. financieel beheer:het uitoefenen van bestuur over en toezicht op het
                            beheer van middelen en het uitoefenen van rechten van de gemeente
                            Geertruidenberg. </al><al>E. rechtmatigheid:het in overeenstemming zijn met de van toepassing
                            zijnde wettelijke regelingen volgens de definitie in de kadernota
                            Rechtmatigheid d.d. 10 oktober 2005 van het Platform Rechtmatigheid
                            Provincies en Gemeenten(PRPG). </al><al>F. doelmatigheid:het realiseren van bepaalde prestaties met een zo
                            beperkt mogelijke inzet van middelen. </al><al>G. doeltreffendheid:de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten
                            van het beleid ook daadwerkelijk worden behaald.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>1</nr><titel>Begroting en verantwoording</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>Kaderstellen</cursief></al><al/></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Programmabegroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt in ieder geval ten behoeve van een nieuwe raadsperiode
                                een programma</al><al>-indeling vast met ingang van het eerstvolgende begrotingsjaar.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt per programma vast:</al><al>a. de beoogde maatschappelijke effecten;</al><al>b. de te leveren goederen en diensten;</al><al>c. de baten en lasten.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt per programma indicatoren voor met betrekking tot
                                de beoogde</al><al>maatschappelijke effecten en de te leveren goederen en
                                diensten.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad stelt de indicatoren, bedoeld in het derde lid, vast.</al><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van
                                gegevens over de</al><al>geleverde goederen en diensten en de maatschappelijke effecten,
                                opdat de</al><al>doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld
                                door de raad,</al><al>kunnen worden getoetst.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Producten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij iedere begroting en jaarstukken wordt een overzicht gegeven van
                                de toedeling van</al><al>de producten uit de productraming aan de programma's.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderverdeling van de programma's in de producten staat voor de
                                raadsperiode</al><al>vast, tenzij er dringende redenen zijn tot wijzigingen. Wijzigingen
                                worden bij de</al><al>begroting of tussentijdse rapportages expliciet vermeld.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Kadernota</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt uiterlijk 1 juni van het begrotingsjaar een nota
                                aan over de kaders</al><al>voor het volgende begrotingsjaar en de drie opeenvolgende jaren. In
                                deze nota</al><al>worden de bevindingen betrokken uit de rapportage van de
                                begrotingsuitvoering</al><al>bedoeld in artikel 7 en de ontwerp- jaarstukken bedoeld in artikel 8
                                van deze</al><al>verordening.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Daarin worden in ieder geval de volgende aspecten duidelijk en
                                afzonderlijk vermeld:- aansluiting op de meerjarenbegroting;-
                                correcties naar aanleiding van tussentijdse rapportages, informatie
                                en jaarstukken;- vrije ruimte ten aanzien van reserves en
                                voorzieningen;- nieuw beleid, kosten/opbrengsten daarvan en
                                prioritering (wettelijk, noodzakelijk, "nice-to-have");- te wijzigen
                                bestaand beleid, kosten/opbrengsten daarvan.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad stelt de nota uiterlijk 1 juli vast.</al><al/><al><cursief>Uitvoering</cursief></al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Uitvoering begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt regels die waarborgen dat de uitvoering van de
                                begroting rechtmatig,</al><al>doelmatig en doeltreffend verloopt.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt ten aanzien van de productenraming er zorg voor
                                dat:</al><al>a. de lasten en baten, door middel van kostentoerekening, eenduidig
                                zijn toegewezen</al><al> aan de producten van de productraming;</al><al>b. de budgetten uit de productraming en kredieten voor investeringen
                                passen binnen</al><al> de kaders zoals geautoriseerd bij de vaststelling van de
                                uiteenzetting</al><al> van de financiële positie;</al><al>c. de lasten van de producten niet dusdanig worden overschreden dat
                                de realisatie</al><al> van andere producten binnen hetzelfde programma onder druk
                                komt.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de lasten van de programma's
                                zoals geautoriseerd</al><al>in de (gewijzigde) begroting niet worden overschreden, waarbij de
                                normen zoals</al><al>opgenomen in het jaarlijks vast te stellen controleprotocol in acht
                                worden genomen. </al><al><cursief>Beheersing en Interne controle</cursief></al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Interne controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt ten behoeve van het getrouwe beeld en de
                                rechtmatigheid van de</al><al>jaarrekening zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de
                                getrouwheid van de</al><al>informatieverstrekking, en de rechtmatigheid van de
                                beheershandelingen.</al><al>Bij Af wijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van een
                                aantal</al><al>bedrijfsprocessen of -onderdelen op juistheid, volledigheid en
                                tijdigheid</al><al>van de bestuurlijke informatievoorziening, de rechtmatigheid
                                van</al><al>beheershandelingen en draagt voorts zorg voor bestrijding van
                                misbruik enoneigenlijk gebruik van subsidieregelingen en andere
                                regelingen waarop</al><al>overdrachtsuitgaven zijn gebaseerd.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt op basis van de resultaten van de toets bedoeld in
                                het tweede lid</al><al>indien nodig voor een plan van verbetering. Het college neemt op
                                basis van het plan</al><al>van verbetering maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De resultaten van de toets en het plan van verbetering worden ter
                                kennisgeving aan de</al><al>raad aangeboden. </al><al><cursief>Rapportage en Verantwoording</cursief></al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Tussentijdse rapportage en informatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de raad door middel van minimaal 2
                                tussentijdse rapportages</al><al>over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste
                                drie maanden</al><al>(voorjaarsnota) en de eerste negen maanden (najaarsnota) van het
                                lopende boekjaar</al><al>met een prognose tot het eind van het jaar.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tussenrapportages worden aan de raad aangeboden op de volgende
                                tijdstippen:</al><al>a. de voorjaarsnota vóór 1 juni van het lopende begrotingsjaar;</al><al>b. de najaarsnota vóór 1 december van het lopende
                                begrotingsjaar.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De rapportages gaan in op afwijkingen, zowel wat betreft baten als
                                lasten, de</al><al>geleverde goederen en diensten en indien daar aanleiding voor is
                                de</al><al>maatschappelijke effecten. In de rapportages wordt in ieder geval
                                aandacht</al><al>besteed aan afwijkingen van:</al><al>a. inkomsten uit de algemene uitkering;</al><al>b. de rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt;</al><al>c. resultaten uit grondexploitatie;</al><al>d. realisatie op begrote subsidieverwachtingen.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt pas
                                een besluit, nadat de</al><al>raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter
                                kennis van het college</al><al>te brengen voor zover het betreft niet bij begroting of bij
                                afzonderlijk raadsbesluiten</al><al>grondprijzen) vastgestelde afzonderlijke verplichtingen inzake:</al><al>a. aankoop van onroerende zaken waarvan de koopsom per transactie
                                groter is</al><al> dan € 10.000</al><al>b. verkoop van onroerende zaken waarvan de verkoopsom per transactie
                                groter is</al><al> dan € 10.000</al><al>c. aankoop en verkoop van goederen en diensten indien de
                                (ver)koopsom</al><al> per transactie groter is dan € 10.000</al><al>d. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties
                                conform</al><al> het Treasurystatuut</al><al>e. bij ruiling van roerende- c.q. onroerende zaken bij een waarde
                                toekenning</al><al> per transactie die groter is dan € 10.000</al><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college informeert vooraf de raad en neemt pas een besluit nadat
                                de raad in de</al><al>gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het
                                college</al><al>te brengen indien het college nieuwe meerjarige verplichtingen
                                aangaat waarvan de</al><al>jaarlijkse lasten groter zijn dan € 7.500.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor een tijdige samenstelling van de
                                jaarstukken</al><al>overeenkomstig het Besluit begroting en verantwoording provincies
                                en</al><al>gemeenten (BBV). Hierin is aangegeven dat de jaarstukken
                                tenminste</al><al>bestaan uit het jaarverslag en de jaarrekening(BBV art. 24).</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het jaarverslag bestaat tenminste uit de programmaverantwoording
                                (BBV art. 25) en deparagrafen (BBV art. 26).</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De jaarrekening bevat de programma met toelichting (BBV art. 27 t/m
                                29) en de balans</al><al>en toelichting daarop (BBV art. 30 t/m 58). De jaarrekening wordt
                                inclusief</al><al>accountantsverklaring en met het verslag van bevindingen uiterlijk
                                vóór 15 juni (na</al><al>afloop van het verslagjaar) aan de raad aangeboden.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de
                                programma's. In de</al><al>verantwoording, waarin de opzet van de programmabegroting wordt
                                gevolgd,</al><al>geeft het college aan:</al><al>a. wat is bereikt;</al><al>b. welke activiteiten zijn verricht;</al><al>c. wat zijn de kosten;</al><al>d. hoe de resultaten zich verhouden tot in de begroting gestelde
                                doelen.</al><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De raad bepaalt aan de hand van de uitvoering van de programma's of
                                de</al><al>beleidsdoelen van de programma's voor het lopend jaar bijstelling
                                behoeven.</al><al>Daartoe dient in of bij de jaarstukken de volgende informatie te
                                zijn opgenomen:</al><al>a. referenties naar kaderstellende opdrachten, toezeggingen en
                                moties;</al><al>b. terugkoppeling op afgesproken budgetten, prestatie-indicatoren,
                                kredieten,</al><al> gegevens over de geleverde goederen en diensten, de
                                maatschappelijke effecten</al><al> en lasten uit de reserves en voorzieningen;</al><al>c. oorzaak, consequenties en maatregelen van afwijkingen;</al><al>d. een doorkijk van de structurele zaken naar de toekomst.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>2</nr><titel>Financiële positie</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>Kaderstellen</cursief></al><al/></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Financiële positie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor, dat al het beleid waartoe de raad
                                heeft besloten, in de</al><al>uiteenzetting van de financiële positie en de meerjarenramingen is
                                opgenomen.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het totaalbedrag aan verleende garanties en waarborgen wordt bij de
                                uiteenzetting van</al><al>de financiële positie expliciet vermeld.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de financiële positie de
                                investeringskredieten.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Waardering </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald
                                actief kunnen</al><al>lineair in maximaal 5 jaar worden afgeschreven, mits het actief
                                wordt gerealiseerd.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste
                                van de exploitatie gebracht.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De materiële vaste activa met economisch nut, zoals bedoeld in
                                artikel 35 van het</al><al>Besluit begroting en verantwoording princies en gemeenten, worden
                                lineair</al><al>afgeschreven waarbij de afschrijvingstermijn wordt gekoppeld aan de
                                economische</al><al>levensduur van de investeringsopjecten en nooit langer kan zijn dan
                                de in tabel 1</al><al>genoemde afschrijvingsperiode. Activa met een verkrijgingsprijs van
                                minder dan</al><al>€ 7.500 (betreft totale investering en niet de individuele
                                onderdelen) worden niet</al><al>geactiveerd, uitgezonderd gronden, terreinen en aandelen/effecten.
                                Deze laatst</al><al>genoemden worden altijd geactiveerd.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder activa met een meerjarig maatschappelijk nut, zoals bedoeld in
                                artikel 35 van</al><al>het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten,
                                worden verstaan</al><al>investeringen in aanleg van: (inrichting) wegen, waterwegen, civiele
                                kunstwerken,</al><al>groen en kunstwerken.</al><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aankoop en vervaardiging van activa met een meerjarig
                                maatschappelijk nut worden</al><al>onder aftrek van bijdragen van derden en bestemmingsreserves ten
                                laste van</al><al>de exploitatie gebracht. Alleen bij activa met een meerjarig
                                maatschappelijk nut in</al><al>openbare ruimte kan bij raadsbesluit worden afgeweken. In geval van
                                activering bij</al><al>raadsbesluit wordt het actief lineair afgeschreven over de in de
                                tabel</al><al>afschrijvingsperioden aangegeven tijdsduur of een kortere tijdsduur,
                                door de raad aan</al><al>te geven.</al><al/></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van de afschrijvingstabel blijven de annuïtaire
                                afschrijvingen</al><al>en afschrijvingstermijnen zoals deze in de jaarrekening 2004
                                bij</al><al>de afzonderlijke investeringen zijn opgenomen gehandhaafd totdat
                                eventuele</al><al>nadere besluitvorming door de gemeenteraad plaatsvindt.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Voorziening voor oninbare vorderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor openstaande publiekrechtelijke vorderingen wordt een
                                voorziening wegens</al><al>oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van
                                oninbaarheid.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de overige vorderingen wordt een voorziening wegens
                                oninbaarheid gevormd op</al><al>basis van een beoordeling op inbaarheid van de openstaande
                                vorderingen ouder dan</al><al>drie maanden.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Reserves en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 4 van genoemde nota omvat tevens een afzonderlijke
                                paragraaf over</al><al>reserves en voorzieningen. Hierin wordt de actualisatie
                                behandeld.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze actualisatie bevat:</al><al>a. de vorming en besteding van reserves;</al><al>b. de vorming en besteding van voorzieningen;</al><al>c. de toerekening en verwerking van rente over de reserves en de
                                voorzieningen,</al><al> in relatie tot de nota weerstandsvermogen bedoeld in artikel 16 en
                                de nota</al><al> beleidskader reserves en voor- zieningen. Het college maakt daarin
                                melding</al><al> of het beleid aan wijziging toe is, al dan niet in de vorm van het
                                opstellen</al><al> van een nieuwe nota.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Kostprijsberekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van producten en diensten
                                wordt een</al><al>systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening
                                worden naast</al><al>De directe kosten alleen die indirecte kosten betrokken, die
                                rechtstreeks</al><al>samenhangen met de door de gemeente verleende diensten.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de indirecte kosten worden betrokken de bijdragen aan reserves
                                voor de</al><al>noodzakelijke vervanging van de betrokken activa, de kapitaallasten
                                van de in</al><al>gebruik zijnde activa en voor rioolrechten, reinigingsrechten en
                                afvalstoffenheffing</al><al>de compensabele BTW.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het omslagpercentage voor de rentetoerekening van de kapitaallasten
                                wordt jaarlijks</al><al>bij de begroting vastgesteld. Het omslagpercentage wordt bepaald
                                door het rentetotaal</al><al>van de uitstaande leningen en de bij begroting vastgestelde
                                gecalculeerde rente over</al><al>het eigen vermogen en voorzieningen. De specifieke rentepercentages
                                zoals deze in</al><al>de bijgevoegde bijlage zijn opgenomen blijven gehandhaafd totdat
                                eventuele nadere</al><al>besluitvorming door de gemeenteraad plaatsvindt.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Financieringsfunctie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt bij de uitoefening van de financieringsfunctie
                                zorg voor</al><al>a. het aantrekken van voldoende financiële middelen en het uitzetten
                                van</al><al> overtollige gelden om de programma's binnen de door de raad
                                vastgestelde</al><al> kaders van de begroting uit te kunnen voeren;</al><al>b. Het verzekeren van duurzame toegang tot financiële markten
                                tegen</al><al> acceptabele condities;</al><al>c. het beschermen van gemeentelijke vermogens-en
                                (rente)resultaten</al><al> tegen ongewenste financiële risico's ,zoals renterisico's,
                                koersrisico's</al><al> en kredietrisico's;</al><al>d. het optimaliseren van de renteresultaten binnen de kaders van de
                                wet Fido</al><al> respectievelijk de limieten en richtlijnen van het
                                treasurystatuut;</al><al>e. het minimaliseren van de interne verwerkingskosten en externe
                                kosten</al><al> bij het beheren van de geldstromen en financiële posities.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college neemt bij de uitvoering van de financieringsfunctie de
                                volgende richtlijnen in acht:</al><al>a. bij het uitzetten van middelen uit hoofde van treasury gelden de
                                volgende</al><al> uitgangspunten: uitzettingen vinden uitsluitend plaats bij: *
                                Financiële instellingen met tenminste een A-rating van een</al><al> van de volgende erkende rating-bureau's: Moody's,</al><al> Standard &amp; Poors of Fitch ICBA;</al><al>b. overtollige geldmiddelen worden uitsluitend uitgezet tegen
                                vastrentende waarden,</al><al> dan wel in producten waarbij de hoofdsom tenminste aan het eind van
                                de looptijd</al><al> in tact is.</al><al>c. voor het aantrekken van financieringen voor langer dan 1 jaar
                                worden</al><al> tenminste 3 prijsopgaven bij verschillende, financiële instellingen
                                met ten minste</al><al> een A-rating van een van de volgende erkende rating-bureau's:
                                Moody's,</al><al> Standard &amp; Poors of Fitch ICBA gevraagd;</al><al>d. overeenkomsten voor het aangaan van leningen, het uitzetten van
                                middelen</al><al> of het verlenen van garanties luiden in euro;</al><al>e. voor de kasgeldlimiet en de renterisiconorm gelden de wettelijke
                                waarden.</al><al> Het college informeert de raad indien de kasgeldlimiet of de
                                renterisiconorm</al><al> dreigen te worden overschreden.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Verstrekken van leningen en garanties en het aangaan van financiële
                                participaties</al><al>anders dan genoemd in het tweede lid worden uitsluitend gedaan uit
                                hoofde van</al><al>de publieke taak. Bij het uitzetten van middelen, het verstrekken
                                van garanties en</al><al>het aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke
                                taak bedingt</al><al>het college indien mogelijk zekerheden. Het college motiveert in
                                zijn besluit</al><al>het openbaar belang van dergelijke uitzettingen van middelen,
                                verstrekkingen</al><al>van garanties en financiële participaties.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad stelt regels op ter uitvoering van het gestelde onder het
                                eerste tot en met</al><al>derde lid en legt deze regels alsmede de regels voor taken en
                                bevoegdheden,</al><al>de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening
                                vast in</al><al>een Treasurystatuut.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Registratie bezittingen, activa en vermogen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor een actuele en zo volledig mogelijke
                                registratie van de volgende bezittingen:- bedrijfsmiddelen;-
                                gebouwen/gronden;- overige activa met een boekwaarde;- activa zonder
                                boekwaarde die een actuele waarde vertegenwoordigen.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor, dat de registratie en de
                                ontwikkeling van de bezittingen</al><al>en het vermogen van de gemeente systematisch worden gecontroleerd,
                                met</al><al>dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande
                                leningen,</al><al>de (debiteuren-) vorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen
                                leningen en</al><al>de (crediteuren-) schulden jaarlijks worden gecontroleerd en in de
                                in het eerste lid</al><al>genoemde onderdelen tenminste éénmaal in de vier jaar.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>3</nr><titel>Paragrafen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Lokale heffingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt in een nieuwe raadsperiode de nota lokale
                                heffingen aan.</al><al>Deze nota behandelt in ieder geval:</al><al>a. de samenstelling van het pakket aan gemeentelijke belastingen en
                                heffingen;</al><al>b. de verdeling van de druk van de belastingen over de diverse
                                bevolkingsgroepen</al><al> en belanghebbenden;</al><al>c. de kostendekkendheid van de heffingen;</al><al>d. de druk van de lokale belastingen en heffingen;</al><al>e. het kwijtscheldingsbeleid en het tarievenbeleid.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nota bevat voorts een overzicht van de verordeningen met de
                                bijbehorende</al><al>vaststellingsdata waarin tarieven, heffingen en prijzen zijn
                                vastgelegd.</al><al>Het college draagt er zorg voor dat er een actueel overzicht is van
                                tarieven,</al><al>heffingen, prijzen en kosten per verstrekte dienst.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het vaststellen van de hoogte van gemeentelijke tarieven,
                                heffingen en prijzen</al><al>door de raad verstrekt het college aan de raad per verordening de
                                actueel geraamde</al><al>hoeveelheden per door de gemeente verstrekte dienst, waarover de
                                tarieven, heffingen</al><al>en prijzen in rekening worden gebracht en per verordening het totaal
                                van de geraamde</al><al>kosten van de erin genoemde door de gemeente verstrekte
                                diensten.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de begroting en jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                lokale heffingen</al><al>verslag van: de opbrengsten per lokale heffing; het volume en het
                                bedrag aan</al><al>kwijtscheldingen; de kostendekken- heid van de rioolrechten en de
                                afvalstoffen- heffing;</al><al>de (ontwikkeling van de) lokale lastendruk voor eenpersoonshuis-
                                houdingen,</al><al>meerpersoonshuishoudingen en bedrijven.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Weerstandsvermogen en risicomanagement</titel></kop><al>Het college geeft in de paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en
                            van de jaarstukken de risico's van materieel belang aan en een
                            inschatting van de kans dat deze risico's zich voordoen. Het college
                            brengt hierbij in elk geval de risico's in beeld en actualiseert de
                            risico's.Hierbij wordt de weerstandscapaciteit aangegeven en in hoeverre
                            schade en verliezen als gevolg van de risico's van materieel belang
                            metde weerstandscapaciteit kunnen worden opgevangen.Voorts geeft het
                            college aan het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en het afdekken
                            van de risico's.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Onderhoud kapitaalgoederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college geeft in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen van de
                                begroting het</al><al>kader weer voor de inrichting van het onderhoud en het beoogde
                                onderhoudsniveau</al><al>van de openbare ruimte en de gemeentelijke gebouwen. De paragraaf
                                geeft de kaders</al><al>weer voor de inrichting van het onderhoud en het beoogde
                                onderhoudsniveau voor</al><al>het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair en
                                bijbehorende</al><al>kosten, alsmede voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende
                                kosten aan</al><al>de gemeentelijke gebouwen. Daarbij wordt tevens de
                                normkostensystematiek</al><al>en het meerjarig budgettair beslag aangegeven.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt ten minste eens in de vier jaar een nota
                                rioleringsplan aan. De nota</al><al>geeft het kader weer voor de inrichting van het onderhoud, het
                                beoogde</al><al>onderhoudsniveau en de uitbreiding van de riolering alsmede de
                                kwaliteit</al><al>van het milieu en eveneens de normkostensystematiek en het
                                meerjarig</al><al>budgettair beslag.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Via de rapportages als vermeld in artikel 7 en de jaarstukken doet
                                het college verslag</al><al>over de voortgang van het geplande onderhoud en het eventuele
                                achterstallig</al><al>onderhoud aan openbaar groen, water, wegen, kunstwerken,
                                straatmeubilair, riolering,</al><al>gebouwen. Het college maakt daarin melding of het beleid aan
                                wijziging toe is, al dan</al><al>niet in de vorm van het opstellen van een nota.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Financiering</titel></kop><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                            financiering in ieder geval</al><al>verslag van:</al><al>a. de kasgeldlimiet;</al><al>b. de renterisico norm;</al><al>c. de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de komende
                            drie jaar;</al><al>d. de rentevisie en</al><al>e. de rentekosten en rente-opbrengsten verbonden aan de
                            financieringsfunctie.</al><al>De paragraaf betreffende de financiering bevat in ieder geval de
                            beleidsvoornemens tenaanzien van risicobeheer van de
                            financieringsportefeuille.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Bedrijfsvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de bedrijfsvoeringsparagraaf in de begroting wordt ingegaan
                                op</al><al>de beleids- voornemens. In de bedrijfsvoeringsparagraaf in het
                                jaarverslag</al><al>wordt gerapporteerd over de bij de begroting bepaalde
                                beleidsvoornemens</al><al>aangaande de bedrijfsvoering alsmede over nieuwe
                                ontwikkelingen.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college rapporteert in de bedrijfsvoeringsparagraaf van de
                                begroting en</al><al>jaarstukken over de voortgang van de onderzoeken naar de
                                doelmatigheid</al><al>en doeltreffendheid, bedoeld in artikel 213a Gemeentewet, en de
                                uitputting</al><al>van de bijbehorende budgetten.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Verbonden partijen</titel></kop><al>In de begroting en de jaarstukken worden in de paragraaf verbonden
                            partijen de verbonden partijen weergegeven. Daarnaast wordt in elk geval
                            ingegaan op nieuwe verbonden partijen, het beëindigen van bestaande
                            verbonden partijen, het wijzigen van bestaande verbonden partijen en
                            eventuele problemen bij bestaande verbonden partijen.Tevens bevat de
                            paragraaf verbonden partijen ten minste: de visie op verbonden partijen
                            in relatie tot</al><al>de realisatie van de doelstellingen die zijn opgenomen in de begroting
                            en de beleidsvoornemens</al><al>omtrent verbonden partijen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Grondbeleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt ten minste eens in de vier jaar een (bijgestelde)
                                nota grondbeleid</al><al>aan ter behandeling en vaststelling door de raad. De doelstelling
                                van deze nota is</al><al>het formuleren van beleidsuitgangspunten voor het te voeren
                                grondbeleid binnen</al><al>de gemeente, welke uitgangspunten tezamen een integraal beleidskader
                                vormen</al><al>voor een verbetering van de beheersing en de onderlinge afstemming
                                van</al><al>de verschillende binnen het grondexplotatieproces te onderkennen
                                uitvoerings-activiteiten.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de paragraaf grondbeleid van de begroting en de jaarstukken wordt
                                ten minste ingegaan op:</al><al>a. een visie op het grondbeleid in relatie tot de realisatie van de
                                doelstellingen</al><al> van de programma's die zijn opgenomen in de begroting;</al><al>b. een aanduiding van de wijze waarop de gemeente het grondbeleid
                                uitvoert;</al><al>c. een actuele prognose van te verwachten resultaten van de
                                totale</al><al> grond- exploitatie;</al><al>d. een onderbouwing van de geraamde winstneming;</al><al>e. de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken in
                                relatie</al><al> tot de risico's van de grondzaken.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Middels een apart raadsvoorstel worden de grondprijzen voor het
                                komend dienstjaar</al><al>door de raad vastgesteld.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Verstrekking subsidies</titel></kop><al>De begroting en de jaarstukken bevatten een overzicht van te verstrekken
                            en verstrekte subsidies onder vermelding van de grondslag. Het college
                            maakt daarin melding of het beleid of de subsidieverordening aan
                            wijziging toe is, al dan niet in de vorm van het opstellen van een nota
                            of een geactualiseerde subsidieverordening.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>4</nr><titel>Financiële organisatie en administratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Administratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder
                                geval dienstbaar is voor:</al><al>a. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                gemeente als</al><al> geheel en in de afdelingen;</al><al>b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang
                                van activa met</al><al> economisch nut, activa met maatschappelijk nut, voorraden,
                                vorderingen en</al><al> schulden, enzovoorts;</al><al>c. het verschaffen van informatie aan de budgethouders en voor het
                                maken van</al><al> kostencalculaties;</al><al>d. het bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                doeltreffendheid</al><al> van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen,
                                de begroting</al><al> en ter zake geldende wet- en regelgeving;</al><al>e. het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                doelmatigheid</al><al> en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de
                                gestelde</al><al> beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende wet- en
                                regelgeving;</al><al>f. de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de
                                daaraan</al><al> ontleende informatie alsmede voor de controle op de
                                rechtmatigheid,</al><al> de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                relatie</al><al> tot de gestelde beleidsdoelen.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Financiële administratie</titel></kop><al>Het college draagt er zorg voor dat:</al><al>1. de inrichting en de werking van de financiële administratie voldoet
                            aan</al><al> het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten en</al><al> andere relevante wet- en regelgeving;</al><al>2. de vereiste informatie verstrekt wordt aan het rijk, de provincie
                            en</al><al> de Europese Unie, alsmede aan andere instellingen die specifieke</al><al> verantwoordingsverplichtingen opleggen aan gemeenten.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Financiële organisatie</titel></kop><al>Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit) vast:</al><al>1. een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                            eenduidig</al><al> toewijzing van de gemeentelijke taken;</al><al>2. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,</al><al> verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt
                            voldaan</al><al> en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan</al><al> beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;</al><al>3. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van</al><al> verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en</al><al> investeringskredieten;</al><al>4. de te maken afspraken over de te leveren prestaties, de daarvoor
                            beschikbare</al><al> middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang
                            van</al><al> de activiteiten en uitputting van middelen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Aanbesteding en inkoop</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast de interne
                            regels (protocol) voor de inkoop en aanbesteding van werken, leveringen
                            en diensten. De regels waarborgen dat wordt gehandeld in overeenstemming
                            met de regels terzake van de Europese Unie.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titeldeel</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking per 23 februari 2006, met dien
                            verstande dat de begroting, meerjarenbegroting, de jaarstukken, de
                            uitvoeringsinformatie en de informatie voor derden en de daarbij
                            behorende toelichtingen met ingang van de begroting voor het
                            begrotingsjaar 2006 voldoen aan de bepalingen van deze verordening.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam "Financiële
                            verordening gemeente Geertruidenberg 2006".</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus goedgekeurd en vastgesteld in de openbare vergadering van de Raad der
                        gemeente</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Geertruidenberg d.d. 23 februari 2006.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Drs. K.M.C. Millenaar-Rammelaere, M.J.A. Meijer</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel>op de artikelen van de financiële verordening (212 GW)</titel></kop><al><vet>Artikel 2. Programmabegroting </vet>Artikel 2 bevat een aantal bepalingen
                    over de inrichting van de begroting waarin de kaderstellende functie van de raad
                    tot uiting komt. De raad legt op basis van dit artikel een belangrijk deel van
                    de infrastructuur van de begroting vast, evenals de kengetallen waarop de raad
                    wil sturen en controleren. In het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 was
                    de indeling van de begroting in functies verplicht voorgeschreven. In het
                    Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten is dat niet meer zo.
                    De gemeente bepaalt nu zelf het aantal en de inhoud van de programma’s van de
                    begroting en kan daardoor de begrotingsopzet aanpassen aan de eigen
                    politiek-bestuurlijke wensen, Zo kan een gemeente programma’s indelen naar
                    doelgroepen of indelen volgens de pijlers van het grote stedenbeleid. Omdat er
                    een politiek-bestuurlijke keuze ten grondslag ligt aan de indeling van de
                    programma’s, stelt de raad de indeling vast. Meestal zal die vaststelling ten
                    behoeve van een nieuwe raadsperiodegelden. Indien daartoe aanleiding is, kan de
                    raad de indeling wijzigen. Een programma is gebaseerd op de drie w-vragen: wat
                    willen we bereiken, wat gaan we daar voor doen en wat mag dat kosten? Vooral
                    voor de eerste twee vragen zullen in de praktijk indicatoren nodig zijn. Aan de
                    hand van die indicatoren kan de raad zijn kaderstellende functie vervullen. Ook
                    dienen zij om de raad de gelegenheid te bieden zijn controlerende fun&amp;ie in
                    te vullen door de uitkomsten en resultaten van de programma’s te beoordelen. In
                    het dualistisch bestel moet de raad de w-vragen zelf beantwoorden; hij kan dat
                    niet overlaten aan het college en/of de ambtelijke organisatie. </al><al><vet>Artikel 3. Producten </vet>De raad stelt de programmabegroting vast. Ter
                    uitvoering van de begroting stelt het college - zoals geregeld in het Besluit
                    begroting en verantwoording - een productraming op. Het college is vrij in het
                    aantal producten en de indeling daarvan. De productraming is in de systematiek
                    van het besluit geen onderdeel van de begroting. De raad kan van oordeel zijn
                    dat hij bij de programmabegroting en verantwoording een overzicht wil hebben van
                    welke producten er bij de programma’s horen, Dit wordt geregeld in het eerste. </al><al><vet>Artikel 4. Kaders begroting </vet>De artikelen 2 en .3 betreffen vooral de
                    infrastructuur van de begroting. Artikel 4 gaat over het meerjarige budgettaire
                    kader. Dat vormt de grondslag voor de eigenlijke begroting. Gegeven het grote
                    belang van het budgetrecht van de raad, is het logisch dat de raad expliciet een
                    budgettair kader vaststelt. </al><al><vet>Artikel 5. Uitvoering begroting </vet>In artikel 5 legt de raad het college
                    een aantal eisen op die voor een goede uitvoering van de begroting noodzakelijk
                    zijn. In het eerste lid wordt bepaald dat het college de rechtmatigheid, de
                    doeltreffendheid en de doelmatigheid van de uitvoering dient te waarborgen. Lid
                    2 stelt eisen voor de onderwerpen die van belang zijn voor de opstelling van de
                    productraming, Lid 3 doet hetzelfde voor de uitvoering van de programma’s van de
                    begroting. In het duale stelsel geeft de raad geen nadere uitvoeringsregels om
                    aan de prestatie-eis te voldoen. Deze uitvoeringsregels zijn aan het college. </al><al><vet>Artikel 6. Interne controle </vet>De raad legt in dit artikel enkele
                    basiscondities vast voor de Interne controle. Daarmee verkrijgt de raad de
                    zekerheid dat het college aan de eisen genoemd in met name artikel 5, eerste
                    lid, zal kunnen voldoen. De verordening geeft in het eerste lid aan het college
                    de opdracht voor de inrichting van de financiële organisatie verschillende
                    maatregelen te treffen op het gebied van interne controle, bijvoorbeeld een
                    adequate functiescheiding. Voor een goede interne controle zijn echter
                    jaarlijkse toetsingen nodig. In het tweede lid van artikel 6 wordt dit nader
                    uitgewerkt Het derde en vierde id regelt dat het college op grond van de
                    uitkomsten van de onderzoeken bij tekortkomingen maatregelen tot herstel treft
                    en dat de raad over de uitkomsten van de onderzoeken en de eventuele maatregelen
                    tot herstel op de hoogte wordt gebracht. De genoemde onderzoeken in dit artikel
                    omvatten niet de interne onderzoeken van het college naar de doelmatigheid en de
                    doeltreffendheid van het gevoerde bestuur. Regels voor deze interne onderzoeken
                    zijn opgenomen in de verordening artikel 213a Gemeentewet. </al><al><vet>Artikel 7. Tussentijdse rapportage en informatie </vet>Artikel 7
                    formaliseert een belangrijk onderdeel van de planning en control van de raad. De
                    raad geeft namelijk aan de aard van de informatie die het college standaard
                    dient te verstrekken evenals de reguliere frequentie. Op basis van deze
                    informatie kan de raad de uitvoering van de begroting volgen en besluiten of
                    bijsturing nodig is. Artikel 7 regelt wanneer de raad tussentijds over de stand
                    van zaken in het lopende begrotingsjaar moet worden geïnformeerd. In dit artikel
                    is gekozen voor minimaal_twee tussenrapportages, waarbij de data integraal
                    onderdeel uitmaken van de planning-en controlcyclus, die jaarlijks wordt
                    vastgesteld. In het tweede lid van het artikel geeft de raad kaders voor de
                    inrichting van de tussenrapportages. In het derde lid geeft de raad aan waarover
                    hij in elk geval in de tussenrapportages wil worden geïnformeerd. Om de
                    gemeentelijke organisatie niet op te zadelen met een rapportagecircus is het
                    natuurlijk wel zaak, dat de tussenrapportages niet te uitgebreid en
                    overzichtelijk zijn, De stand van zaken van en prognose voor het lopende
                    begrotingsjaar kan overigens naast de jaarstukken van het afgelopen jaar mede
                    een belangrijke basis zijn voor het inzicht voor en het opstellen van de komende
                    begroting. Het vierde en vijfde lid gaan in op de informatieplicht van het
                    college voor nieuwe, niet in de begroting opgenomen activiteiten. De raad
                    autoriseert het college met het vaststellen van de begroting op hoofdlijnen het
                    door het college uit te voeren beleid. Hiermee worden alle afzonderlijke
                    verplichtingen die in de programma’s besloten liggen in materiële zin oftewel
                    financieel geaccordeerd. Bij de uitvoering van de begroting geldt voor het
                    college de informatieplicht uit het vierde lid artikel 169 Gemeentewet. Bij het
                    aangaan van verplichtingen of het uitoefenen van bevoegdheden door het college
                    met ingrijpende gevolgen voor de gemeente moet het college eerst het gevoelen
                    van de raad inwinnen. De raad schrijft nu in dit artikel voor welke
                    privaatrechtelijke rechtshandelingen in elk geval vooraf aan de raad moeten
                    worden gemeld. De raad perkt hiermee de beoordelingsvrijheid in van het college
                    door zelf te bepalen wat belangrijk genoeg is om vooraf aan de raad mee te
                    delen. De raad schept op deze wijze echter ook zekerheid voor het college. Het
                    college weet welke informatie hij in eik geval vooraf aan de raad moet
                    mededelen, Het haalt mogelijke misverstanden en politieke spanningen uit de
                    lucht. Voor verschillende privaatrechtelijke rechtshandelingen kunnen In de
                    verordening limietbedragen worden ingevuld. Bij de rechtshandelingen boven deze
                    limieten wordt het college verplicht vooraf het gevoelen van de raad in te
                    winnen. Beneden deze bedragen blijft overigens de informatieplicht voor het
                    college gelden, zoals neergelegd in artikel 169, vierde lid, Gemeentewet, dat
                    wil zeggen dat het college gehouden is de raad te informeren over het gebruik
                    van collegebevoegdheden indien er om welke reden dan ook ingrijpende gevolgen
                    zijn te verwachten, Een andere mogelijkheid voor de vormgeving van dit artikel
                    is het uitdrukken van de limieten in percentages van het begrotingstotaal. Het
                    is natuurlijk wel zaak dat de limietbedragen in de verordening voldoende hoog
                    zijn vastgesteld, zodat het college niet bij elke kleine zaak eerst de raad moet
                    raadplegen Hierdoor zou kostbare tijd van de raad en het college verloren gaan
                    en de handelingsvrijheid van het college worden gefrustreerd. Iets wat de
                    dualiseringsoperatie juist probeert te voorkomen. Voor het vast stellen van de
                    limieten moet vanzelfsprekend rekening worden gehouden met de specifieke
                    kenmerken van de gemeente. De raad en het college zullen steeds moeten afwegen
                    de kosten die aan de informatievoorziening is verbonden versus het nut, de
                    toegevoegde waarde ervan, Al snel namelijk wordt er in de praktijk een overvloed
                    aan informatie gevraagd, </al><al><vet>Artikel 8. Jaarstukken </vet>Artikel 8 is het sluitstuk van de
                    begrotingscyclus, de verantwoording over de begrotingsuitvoering door het
                    college, c.q. de controle van de raad daarop. In het Besluit begroting en
                    verantwoording(BBV) zijn een aantal artikelen opgenomen over de onderwerpen
                    waaraan het jaarverslag en de jaarrekening moeten voldoen. Tevens legt het
                    college verantwoording af over de uitvoering van de programma’s, de raad bepaalt
                    aan de hand van de uitvoering van de programma’s of de beleidsdoelen van de
                    programma’s voor het lopend jaar bijstelling behoeven. Het college dient
                    hiervoor bij de jaarrekening de nodige informatie te verstrekken. </al><al><vet>Artikel 9. De financiële positie </vet>De raad geeft in dit artikel enkele
                    belangrijke uitgangspunten aan die het college voor de uiteenzetting van de
                    financiële positie en de meerjarenramingen moet volgen. Tevens wordt hier
                    expliciet vastgelegd hoe de raad bij het vaststellen van de financiële positie,
                    de investeringskredieten autoriseert. De autorisatie van deze kredieten zou
                    anders als gevolg van het door gemeenten gehanteerde lasten en batenstelsel
                    buiten de boot vallen. Investeringen van gemeenten worden voornamelijk
                    geactiveerd en drukken zodoende in het jaar van aanschaf niet op de onder de
                    programma’s verantwoorde lasten. </al><al><vet>Artikel 10. Waardering &amp; afschrijving vaste activa </vet>De verordening
                    moet volgens artikel 212 Gemeentewet in elk geval bevatten de “regels voor
                    waardering en afschrijving activa”, Artikel 10 stelt de regels voor de
                    waardering en afschrijving van de vaste activa, De vaste activa worden verplicht
                    Ingedeeld in immateriële vaste activa, materiële vaste activa en financiële
                    vaste activa. De immateriële vaste activa worden verdeeld in de kosten voor
                    onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief en de kosten verbonden aan het
                    sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio, De materiële vaste
                    activa worden onderverdeeld in materiële vaste activa met economisch nut en
                    materiële vaste activa met alleen maatschappelijk nut. Het eerste lid bepaalt,
                    dat de kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief lineair in
                    maximaal 5 jaar kunnen worden afgeschreven. Deze immateriële activa mogen
                    volgens het “Besluit begroting en verantwoording gemeenten en provincies” ook
                    ineens ten laste van het resultaat worden gebracht. Er geldt een maximale
                    afschrijvingstermijn van S jaar voor de kosten van onderzoek en ontwikkeling en
                    een maximale afschrijvingstermijn voor de kosten voor het afsluiten van
                    geldleningen en het saldo van agio en disagio gelijk aan de looptijd van de
                    lening. Net tweede lid bepaalt, dat de kosten voor het afsluiten van
                    geldleningen ineens ten laste van het resultaat worden gebracht. De raad kan de
                    afschrijvingstermijn en wijze op deze plaats in de verordening vastleggen. Het
                    derde lid geeft de afschrijvingstermijnen van de materiële vaste activa met
                    economisch nut. De afschrijvingswijze van deze activa is lineair. De
                    afschrijvingstermijnen kunnen worden afgestemd op de specifiek gemeentelijke
                    situatie, De maat voor de afschrijvingstermijnen is natuurlijk de economische
                    levensduur. Het vierde lid geeft een opsomming van de activa van de gemeente,
                    welke slechts een maatschappelijk en geen economisch nut hebben. Investeringen
                    in vaste activa met alleen maatschappelijk nut mogen ineens ten laste van de
                    exploitatie worden gebracht. Deze investeringen genereren geen inkomsten en
                    brengen bij verkoop geen geld op. Activering van deze activa geeft een opwaartse
                    vertekening van het eigen vermogen. Het is de bedoeling dat de verordening een
                    limitatieve opsomming geeft. Hierbij dient opgemerkt te worden dat alleen
                    investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut geactiveerd
                    mogen worden. Er moet namelijk in de praktijk een (h)erkenbaar criterium zijn
                    voor de onderscheiding van activa met alleen een maatschappelijk nut, In lid 4
                    is er voor gekozen om aan te geven welke soorten van activa het betreft, Meer
                    gedetailleerd gaat het dan om de zaken als waterwegen, waterbouwkundige werken,
                    permanente terreinwerken, wegen, straten, fietspaden, voetpaden, bruggen,
                    viaducten, tunnels, verkeerslichtinstallaties, openbare verlichting,
                    straatmeubilair, reconstructie openbare ruimten, parken en overig groen. Het
                    vijfde lid bepaalt, dat activa met alleen maatschappelijk nut onder aftrek van
                    bijdragen van derden en bestemmingsreserves direct ten laste van de exploitatie
                    worden gebracht. Slechts bij uitzondering mogen dergelijke investeringen met
                    toestemming van de raad worden geactiveerd. Dit kan nodig zijn ingeval een
                    gemeente een (aantal) zeer grote investering in de openbare ruimte wil
                    uitvoeren, Een gemeente kan bij een dergelijk (meerjarige) investering de
                    begroting mogelijk niet sluitend krijgen. Dit is echter wel verplicht, Artikel
                    189 Gemeentewet bepaalt namelijk, dat de begroting in enig jaar in evenwicht is,
                    dan wel evenwicht in de eerstvolgende jaren tot stand wordt gebracht. In een
                    dergelijk gevat kan activering van deze investeringen bij wijze van uitzondering
                    uitkomst bieden. </al><al><vet>Artikel 11. Waardering oninbare vorderingen </vet>Artikel 11 geeft de
                    regels voor de bepaling van de hoogte van de voorziening voor oninbare
                    vorderingen. Voor het bepalen van de hoogte van de voorziening is in dit artikel
                    gekozen voor een scheiding in de bulkfacturen van de gemeente en de overige
                    facturen, Voor de buikfacturen van gemeenten wordt een voorziening getroffen op
                    basis van een in te schatten percentage van oninbaarheid, omdat individuele
                    beoordeling ondoenlijk is, In gemeenten betreft vorderingen op grond van
                    publiekrechtelijke heffingen (lokale heffingen en rechten). </al><al><vet>Artikel 12. Reserves en voorzieningen </vet>Een belangrijk beleidsmatig
                    aspect betreft de omvang van het eigen vermogen van een gemeente. Het eigen
                    vermogen van een gemeente bestaat uit de algemene reserves en
                    bestemmingsreserves. Hoe groot moet het eigen vermogen zijn om risico’s op te
                    vangen en gaan we een investering financieren door belastingverhoging of door
                    het interen op het eigen vermogen, zijn financieel beleidsmatige vragen die
                    thuishoren bij de raad. Artikel 12 bepaalt, dat het college <onderstreept>in een
                        afzonderlijke paragraaf </onderstreept>in de kadernota het beleid nader
                    actualiseert. <onderstreept>In deze paragraaf </onderstreept>kan de raad kaders
                    vaststellen voor de omvang van de reserves. Kaders stellen voor voorzieningen is
                    veelal niet aan de orde, omdat voorzieningen een verplichtend karakter kennen,
                    Wel Is het inzichtelijk in de nota in te gaan op de voorzieningen. </al><al><vet>Artikel 13. Kostprijsberekening </vet>In artikel 13 is de grondslag voor de
                    bepaling van heffingen en tarieven neergelegd, zoals dat door artikel 212, lid
                    2, let b Gemeentewet wordt geëist. De grondslag voor de hoogte van heffingen en
                    tarieven is namelijk politieke besluitvorming door de raad op basis van de
                    geraamde hoeveelheden en de geraamde kostprijzen. Kostprijzen laten zich op vele
                    manieren berekenen. In dit artikel worden uitgangspunten voor de bepaling van de
                    kostprijzen gegeven. Artikel 13, lid 1 bepaalt, dat naast de direct aan een
                    product toe te rekenen kosten ook de indirecte kosten die rechtstreeks
                    samenhangen met de vervaardiging van het product, worden meegenomen voor de
                    kostprijsbepaling. De salariskosten van de burgemeester hoeven dus niet worden
                    meegenomen voor de kostprijsberekening van de rioolrechten. Het toe te rekenen
                    deel van de overhead van de gemeentelijke dienst waaronder het rioolbeheer valt
                    moet dus wel worden meegenomen in de kostprijsberekening. Artikel 22gb, lid 2,
                    Gemeentewet stelt, dat bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor
                    noodzakelijke vervanging van de betrokken activa voor bepaling van de geraamde
                    kostprijs en dus voor de bepaling van het tarief of de heffing mogen worden
                    meegenomen. Veel gemeenten hanteren daarnaast het mechanisme van
                    rentetoerekening over de reserves en de voorzieningen aan in gebruik zijnde
                    kapitaalgoederen. Artikel 13, lid 2 van de modelverordening bepaalt, dat deze
                    beide kosten ook daadwerkelijk worden meegenomen voor de berekening van de
                    geraamde kostprijs. Indien is gekozen voor het systeem van het toerekenen van
                    bespaarde rente dan is het verplicht deze rente als lasten mee te nemen in de
                    kostprijs. Op grond van lid 2 moeten ook worden meegenomen de kosten
                    compensabele BTW voor rioolrechten, reinigingsrechten en afvalstoffenheffing. De
                    begroting en jaarstukken zijn exclusief de compensabele BTW. Voor dit soort
                    heffingen is echter in de wet bepaald dat ze wel meegenomen mogen worden in de
                    kostprijsberekening, omdat de gemeente deze kosten wel heeft, ook al wordt de
                    BTW gecompenseerd. Het rentepercentage van de toerekening van kapitaallasten is
                    van invloed op de lasten, maar ook van invloed op de kostprijs. Indien men voor
                    de bouw van een school een lening heeft afgesloten, kan men er voor kiezen de
                    rentelasten op de kosten van het schoolgebouw te laten drukken. Dit wordt in de
                    gemeentelijke boekhouding bereikt door de zogenaamde rente-omslagmethode. Het
                    rentepercentage dat wordt gehanteerd bij de omslagmethode, is van invloed op de
                    kostprijs. Het rentepercentage valt zodoende onder het budgetrecht van de raad.
                    Daarnaast is bij de rente-omslag van de kapitaallasten toerekening van de
                    bespaarde rente over het eigen vermogen toegestaan. Artikel 13, lid 3 legt het
                    te hanteren rentepercentage voor de omslagrente van de kapitaallasten vast. </al><al><vet>Artikel 14. financieringsfunctie </vet>De financieringsfunctie (treasury)
                    is een belangrijk onderdeel van het middelenbeheer. Gezien de operationele
                    kwetsbaarheid van deze functie bevat artikel 212 het expliciete voorschrift dat
                    de verordening een onderdeel over de financieringsfunctie heeft. In dit artikel
                    wordt uitvoering gegeven aan artikel 212, tweede lid onder c. Het gaat om de
                    kaders voor het uitvoeren van de financieringsfunctie. De uitvoering van de
                    financieringsfunctie komt aan de orde in de financieringsparagraaf in de
                    begroting en de tekening zoals die in het Besluit begroting en verantwoording is
                    voorgeschreven. In dit artikel stelt de raad doelstellingen, richtlijnen en
                    limieten die voor het college gelden Het vierde lid van het artikel draagt het
                    college op een treasurystatuut op te stellen. De gemeente Geertruidenberg kent
                    een door de gemeenteraad vastgesteld treasurystatuut dat van kracht is, De
                    uitvoeringsprotocollen in deze verordening zijn in overeenstemming gebracht met
                    het treasurystatuut. In het tweede lid onder a wordt gesproken van een vereiste
                    rating die een financiële instelling moet hebben. De regelgeving schrijft voor
                    dat het minimaal om een A-rating moet gaan. Verder is het bepaalde in het
                    treasurystatuut overgenomen. In onderdeel b wordt verder gesproken over een
                    hoofdsomgarantie voor uitzettingen, Dit is de minimumeis die volgens de regeling
                    geldt. De nominale waarde van de uitzetting blijft dan in ieder geval in takt.
                    Gemeenten kunnen een lager risicoprofiel kiezen voor uitzettingen indien op de
                    hoofdsom een inflatiepercentage gezet wordt van bijvoorbeeld De kasgeldlimiet en
                    de renterisiconorm zijn wettelijk geregeld (Wet financiering decentrale
                    overheden, artikel 3 en 4, respectievelijk S en 6). Overschrijding is niet
                    toegestaan. Gedeputeerde staten van de provincie moeten in hun hoedanigheid van
                    toezichthouder ingrijpen, maar kunnen onder bijzondere omstandigheden een
                    tijdelijke overschrijding tolereren Bij overschrijding kan de gemeente worden
                    geconfronteerd met preventief toezicht op het sluiten van kortlopende
                    (kasgeldlimiet) of langlopende (renterisiconorm) leningen, De raad dient daarom
                    wanneer overschrijding dreigt terstond geïnformeerd te worden. </al><al><vet>Artikel 15. Registratie bezittingen en activa </vet>Voor een goed beeld van
                    de financiële positie is een zo volledig mogelijke registratie van de volgende
                    bezittingen noodzakelijk, t.w. bedrijfsmiddelen, gebouwen/gronden, overige
                    activa met een boekwaarde en activa zonder boekwaarde die een actuele waarde
                    vertegenwoordigen. Om te garanderen dat de registratie actueel en juist is,
                    wordt in dit artikel het college opgedragen periodiek de registratie te
                    controleren en bij afwijkingen maatregelen tot herstel te treffen. </al><al><vet>Artikel 16. Lokale heffingen </vet>Het nieuwe artikel 212 Gemeentewet eist
                    in het tweede lid, onderdeel b, dat de verordening 212 Gemeentewet minimaal de
                    grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur In rekening
                    te brengen tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b Gemeentewet en in
                    rekening te brengen heffingen als bedoeld in artikel 15.33 Wet milieubeheer. In
                    deze verordening is er voor gekozen om als uitgangspunt van het financieel
                    beleid de grondslagen voor de bepaling van heffingen, tarieven en prijzen in het
                    algemeen te verankeren. Zo zijn ook opgenomen regels voor de bepaling van de
                    lokale belastingen. Het eerste lid van artikel 16 regelt, dat het college in een
                    nieuwe raadsperiode_een nota lokale heffingen aan de raad aanbiedt ter
                    behandeling en vaststelling van de lokale lasten, Op grond van de vastgestelde
                    nota moeten vervolgens de bijbehorende belastingverordeningen worden aangepast
                    en door de raad worden vastgesteld. In het 2e lid is geregeld dat de nota een
                    overzicht bevat van de overige verordeningen, waarin heffingen, tarieven en
                    prijzen zijn vastgelegd, Zo kan de raad op grond van de nota ook de actualisatie
                    van deze verordeningen agenderen. Artikel 229b Gemeentewet en artikel 15,33 Wet
                    milieubeheer stellen echter randvoorwaarden aan de hoogte van de meeste tarieven
                    en heffingen. Behalve tarieven voor het geven van vermakelijkheden en
                    belastingen mogen de tarieven en heffingen niet het bedrag van de geraamde
                    kostprijs te boven gaan. Voor het vaststellen van de hoogte van de verschillende
                    tarieven en heffingen heeft de raad dus de geramde kostprijs per tarief c.q.
                    heffing nodig. In afwijking van de voorgaande alinea is bij meer producten en
                    diensten opgenomen in één verordening het mogelijk dat een bepaald product hoger
                    wordt geprijsd dan de geraamde kostprijs zolang het totaal van de geraamde
                    opbrengst de totale kosten van de in de verordening genoemde producten en
                    diensten niet overschrijdt. Dit is het geval bij de leges, welke in de regel
                    bijeen worden gebracht in één legesverordening. Voor Inzicht in de hoogte van de
                    baten in begrotingstechnische zin heeft de raad ook informatie nodig over de
                    geraamde afzet in hoeveelheid. Het derde lid regelt, dat het college de geraamde
                    kostprijs per verordening en de geraamde hoeveelheden per product/dienst aan de
                    raad verstrekt voor vaststelling van de heffingen, tarieven en prijzen. Het
                    vierde lid regelt over welke feiten aangaande de lokale lasten de raad in elk
                    geval in de verplichte paragraaf lokale heffingen bij de begroting en
                    jaarstukken wordt geïnformeerd. Hier kan de raad invulling geven aan zijn eigen
                    informatiebehoefte over de lokale lasten en heffingen. Het Besluit begroting en
                    verantwoording provincies en gemeenten schrijft de minimumeisen voor die in de
                    paragraaf moeten worden vermeld, namelijk:</al><al>a. de geraamde inkomsten;</al><al>b. het beleid ten aanzien van de lokale heffingen;</al><al>c. een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen;</al><al>d. een aanduiding van de lokale lastendruk;</al><al>e. een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid.</al><al>Daarnaast kan men bijvoorbeeld opnemen:</al><al>f. de kostendekkendheid van de rioolrechten, reinigingsheffing en
                    afvalstoffenheffing;</al><al>g. de lokale lastendruk voor eenpersoonshuishoudens,
                    meerpersoonshuishoudens</al><al> en bedrijven;</al><al>h. het aantal en het bedrag aan kwijtscheldingen;</al><al>i. de waardeontwikkeling van onroerende zaken in de gemeente.</al><al><vet>Artikel 17. Weerstandsvermogen </vet>Een gemeente loopt risico’s. Deze
                    risico’s zijn van uiteenlopende aard. Tegen een deel van deze risico’s kan een
                    gemeente zich verzekeren, of er moeten voorzieningen worden gevormd, of ze
                    kunnen anderszins worden opgevangen. Voor een deel van de risico’s is dit echter
                    niet het geval. Daarnaast kiezen gemeenten er soms voor om voor bepaalde
                    verzekerbare risico’s eigen risicodrager te worden door zich bewust niet voor
                    deze risico’s te verzekeren. De niet verzekerde risico’s hebben, als ze zich
                    voordoen, (grote) financiële consequenties. Het is dus zaak voor een gemeente,
                    dat ze zich bewust is van de risico’s die ze loopt, en ze beheerst. Het
                    uitsluiten van risico’s Is echter niet mogelijk. Waar gewerkt wordt vallen
                    spaanders. Niet verzekerde risico’s die zich voordoen, moet de gemeente
                    opgevangen met het eigen vermogen, door belastingverhoging of door beleidsmatige
                    ombuigingen op de begroting. Het eerste lid van artikel 17 eist dat het college
                    in de paragraaf weerstandsvermogen van de begroting uiteenzet hoe hij omgaat met
                    de inventarisatie en beheersing van risico’s. Ieder college kan zelf invulling
                    geven hoever hij met deze regels wil gaan. Ten tweede moet het college de
                    risico’s kwantificeren en an de hand ervan het gewenste weerstandscapaciteit
                    bepalen. Het lid regelt over welke risico’s en hun financiële consequenties de
                    raad in de verplichte paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en de
                    jaarstukken moet worden geïnformeerd. Het “Besluit begroting en verantwoording
                    provincies en gemeenten” verplicht een aantal zaken op te nemen in de paragraaf,
                    namelijk:</al><al>a. een inventarisatie van de weerstandscapaciteit;</al><al>b. een inventarisatie van de risico’s;</al><al>c. het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s;</al><al>Voor de speciale aandacht in de paragraaf kan men denken aan een opsomming van
                    de risico’s zoals:</al><al>a. tegenvallende rent&amp;ontwikkeling op de kapitaalmarkt;</al><al>b. tegenvallende resultaten uit grondexploitatie;</al><al>c. tegenvallende realisatie op begrote subsidieverwachtingen;</al><al>d. lopende en te verwachten claims van derden;</al><al>e. nog niet getaxeerde kosten van (vermoedde) milieuverontreiniging;</al><al>f. overschrijding openeinde regelingen en subsidies;</al><al>g. dreigend faillissement van verbonden partijen;</al><al>h. dreigend faillissement van derden bij wie borgstellingen, garanties, leningen
                    of vorderingen uitstaan.</al><al/><al><vet>Artikel 18. Onderhoud kapitaalgoederen </vet>In artikel 18 stelt de raad
                    regels voor de begrotings- en verantwoordingsinformatie aan de raad over het
                    onderhoud aan kapitaalgoederen. In de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen van
                    de begroting wordt ingegaan op de stand van zaken en kan de raad de kaders voor
                    het toekomstig beleid uiteenzetten. Zoals nu al te doen gebruikelijk wordt in
                    lid 2 geregeld dat ten minste eenmaal in de vier jaar een nota rioleringsplan
                    aan de raad wordt aangeboden. Gemeenten kunnen er voor kiezen om voor de diverse
                    soorten kapitaalgoederen te bundelen en daar in één nota of paragraaf informatie
                    over te verstrekken. Artikel 18, derde lid, regelt over welke feiten aangaande
                    het financieel beheer van het onderhoud van kapitaalgoederen de raad in de
                    verplichte paragraaf onderhoud kapitaalgoederen bij de begroting en jaarstukken
                    in elk geval geïnformeerd wordt. Hier kan de raad invulling geven aan zijn eigen
                    informatiebehoefte over het onderhoud kapitaalgoederen. Het Besluit begroting en
                    verantwoording provincies en gemeenten schrijft enige feiten voor, die in de
                    paragraaf moeten worden vermeld. Namelijk het beleidskader, de daaruit
                    voortvloeiende financiële consequenties en de vertaling daarvan in de begroting
                    van het onderhoud wegen, het onderhoud riolering, het onderhoud water, het
                    onderhoud groen en het onderhoud gebouwen. </al><al><vet>Artikel 19. Financiering </vet>De basis voor dit artikel is gelegen in
                    artikel 14. Artikel i9 regelt over welke feiten inzake het financieel beheer van
                    de financieringsfunctie de raad in elk geval in de verplichte paragraaf
                    financiering bij de begroting en jaarstukken wordt geïnformeerd. De raad kan
                    aangeven om over meerdere zaken geïnformeerd te willen worden zoals de
                    samenstelling en omvang van het vreemde vermogen en van de uitzettingen en de
                    liquiditeitspositie. </al><al><vet>Artikel 20. Bedrijfsvoering </vet>Het domein van de ambtelijke organisatie
                    is de verantwoordelijkheid van het college. Beleid op dit gebied wordt in de
                    eerste plaats vormgegeven door het college. In het eerste lid van artikel 19 van
                    de modelverordening over het financieel middelenbeheer van de bedrijfsvoering
                    wordt dan ook vastgelegd dat in de bedrijfsvoeringparagraaf bij de begroting
                    wordt ingegaan op beleidsvoornemens. Het tweede lid regelt verder dat het
                    college rapporteert over de voortgang van de onderzoeken naar doelmatigheid en
                    doeltreffendheid als bedoeld in artikel 213a van de Gemeentewet. </al><al><vet>Artikel 21. Verbonden partijen </vet>Artikel 21 stelt regels voor de
                    verantwoordingsinformatie over de verbonden partijen. Dit artikel regelt dat er
                    een paragraaf verbonden partijen in de begroting en in de jaarstukken wordt
                    opgenomen, waarin een overzicht van de verbonden partijen wordt weergegeven en
                    dieper wordt ingegaan op wijzigingen terzake, zoals nieuwe verbonden partijen,
                    het Beëindigen van bestaande verbonden partijen, het wijzigen van bestaande
                    verbonden partijen en eventuele problemen bij bestaande verbonden partijen
                    Tevens schrijft het Besluit begroting en verantwoording voor dat in de
                    verplichte paragraaf ten minste de visie op verbonden partijen en relatie tot de
                    realisatie van de doelstellingen die zijn opgenomen in de begroting en de
                    beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen. Daar de begroting, jaarstukken en
                    nota’s openbare stukken zijn, kan vermeiding van bepaalde in de verordening
                    vereiste informatie de belangen van de gemeente schaden, We kunnen bijvoorbeeld
                    denken aan het voornemen om een financieel belang af te stoten, hetgeen in
                    bepaalde situaties de onderhandelingspositie van de gemeente aantast. Deze
                    gegevens neemt men vanzelfsprekend niet herkenbaar op in de begroting,
                    jaarstukken en openbare nota’s. Ingevolge het Besluit begroting en
                    verantwoording dient een lijst van verbonden partijen te worden bijgehouden. </al><al><vet>Artikel 22. Grondbeleid </vet>Een belangrijke taak van een gemeente is het
                    daadwerkelijk ingrijpen in de ruimtelijke ordening van een gemeente door zelf
                    vastgoedlocaties te (laten) ontwikkelen. De uitgangspunten van het financieel
                    beleid ten aanzien van het grondbeleid horen bij de raad thuis. Artikel 22,
                    eerste lid, regelt, dat het college eenmaal per raadsperiode een nota
                    grondbeleid aan de raad aanbiedt ter behandeling en vaststelling. In deze nota
                    kan de raad de kaders vaststellen voor het toekomstig grondbeleid, De raad kan
                    de nota altijd tussentijds agenderen. Het tweede lid van artikel 22 schrijft de
                    feiten voor aangaande het grondbeleid waarover de raad in elk geval in de
                    verplichte paragraaf grondbeleid bij de begroting en jaarstukken moet worden
                    geïnformeerd. Hier kan de raad invulling geven aan zijn eigen informatiebehoefte
                    over het grondbeleid, Dit naast de verplichtingen die het Besluit begroting en
                    verantwoording voorschrijft, Het besluit schrijft voor:</al><al>a een visie op het grondbeleid in relatie tot de realisatie van de
                    doelstellingen van de programma’s die zijn opgenomen in de begroting;</al><al>b een aanduiding van de wijze waarop de gemeente het grondbeleid uitvoert; c.
                    een actuele prognose van de te verwachten resultaten van de totale
                    grondexploitatie;</al><al>d een onderbouwing van de geraamde winstneming;</al><al>e de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken in relatie tot de
                    risico’s van de grondzaken.</al><al/><al>Daarnaast kan men denken aan:</al><al>f huidige vastgoedpositie</al><al>g de aan en verkoop van vastgoed</al><al>h de deelname in PPS-constructies</al><al>l de geraamde kosten en opbrengsten per in ontwikkeling genomen project in
                    erfpacht uitgegeven gronden</al><al>k inkomsten erfpacht en bijstelling erfpachtvergoedingen.</al><al>Het derde lid regelt dat door autorisatle van de paragraaf grondbeleid, tevens
                    de grondprijzen voor hetvolgende dienstjaar worden vastgesteld.Daar de
                    begroting, jaarstukken en nota’s openbare stukken zijn, kan vermelding van
                    bepaalde in de verordening geëiste informatie de belangen van de gemeente
                    schaden. We kunnen bijvoorbeeld denken aan het opnemen van de financiële
                    onderhandelingsruimte in de begroting voor de aankoop van een stuk grond.
                    Dergelijke informatie tast de onderhandelingspositie van de gemeente aan. Zulke
                    gegevens neemt men vanzelfsprekend niet herkenbaar op In de begroting,
                    jaarstukken en openbare nota’s, </al><al><vet>Artikel 23. Verstrekking subsidies </vet>Een belangrijke uitgaande
                    middelenstroom, die de kaderstellende rol en het budgetrecht van de raad raakt,
                    betreft de verstrekking van gemeentelijke subsidies. Hiervoor is geen paragraaf
                    bij de begroting en de jaarstukken opgenomen. Artikel 4.23 Algemene wet
                    bestuursrecht vereist dat een subsidie slechts door een bestuursorgaan kan
                    worden verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift, Het voorschrift moet
                    regelen voor welke activiteiten subsidies kunnen worden verstrekt, Voor
                    incidentele gevallen met een subsidieduur van ten hoogste vier jaar geldt het
                    bovengenoemde vereiste niet. Gemeenteraden hebben in de regel op grond van deze
                    wettelijke bepaling een subsidieverordening vastgesteld. Artikel 23 regelt, dat
                    in de begroting en de jaarstukken een overzicht van te verstrekken en verstrekte
                    subsidies is opgenomen onder vermelding van de grondslag op basis waarvan een
                    subsidie wordt toegekend. </al><al><vet>Artikel 24. Administratie </vet>In artikel 24 worden de kaders gegeven voor
                    de inrichting van administraties van de gemeente. In hoofdlijnen wordt
                    opgedragen welke gegevens moeten worden vastgelegd en aan welke eisen de
                    vastgelegde gegevens moeten voldoen, Deze verordening regelt niet — inherent aan
                    het dualisme — de regels en activiteiten die daarvoor in de uitvoering nodig
                    zijn. Dat is een taak van het college. Deze zal deze zaken wel in een besluit
                    moeten vastleggen voor de aansturing van de ambtelijke organisatie. Een en ander
                    geldt ook voor artikel 25, 26 en 27. </al><al><vet>Artikel 25. Financiële administratie </vet>Een belangrijk onderdeel van de
                    administratie is de financiële administratie. Bij algemene maatregel van bestuur
                    stelt het Rijk eisen aan de verantwoordingsinformatie van gemeenten. In het
                    Besluit begroting en verantwoording zijn onder andere waarderingsgrondslagen,
                    balansindeling en verplicht op te leveren financiële gegevens vastgelegd. Vanuit
                    de financiële administratie moeten gegevens worden aangeleverd voor de
                    financiële verantwoordingsinformatie aan de raad, maar ook aan gedeputeerde
                    staten, in hun rol als toezichthouder, het rijk, de Europese Unie etc. </al><al><vet>Artikel 26. Financiële Organisatie </vet>In dit artikel worden
                    uitgangspunten voor de inrichting van de financiële organisatie gegeven, waaraan
                    het college bij het stellen van regels voor de ambtelijke organisatie invulling
                    moet geven. De uitgangspunten vormen kaders voor het college, waaraan hij zich
                    moet houden. In de onderdelen t en 2 worden eisen gesteld aan de toedeling van
                    taken aan organisatieonderdelen van de gemeente en de toewijzing van functies
                    aan functionarissen. In de onderdelen 3 en 4 worden eisen gesteld aan de
                    budgettoedeling en de verantwoording daarover. </al><al><vet>Artikel 27. Aanbesteding en inkoop </vet>De inkoop van leveringen en
                    diensten en de aanbesteding van werken zijn belangrijke en kwetsbare
                    activiteiten die een groot budgettair effect kunnen hebben, Het hanteren van een
                    protocol is naast de desbetreffende administratieve aspecten tevens te zien als
                    een vorm van risicobeheersing. De aansprakelijkheid kan worden beperkt en er
                    wordt jegens derden rechtszekerheid gecreëerd. Artikel 27 legt aan het college
                    de zorg op om regels op te stellen voor de aanbesteding van werken en inkoop van
                    leveringen en diensten. De regelgeving van de Europese Unie dient daarbij
                    nageleefd te worden. Doordat de regels worden vastgelegd kan de accountant bij
                    zijn controle van de jaarstukken nagaan of de interne regels (en de Europese
                    regelgeving) zijn nageleefd, het is een onderdeel van de rechtmatigheidstoets.
                    De accountant beoordeelt hiervoor eveneens het systeem van interne regels. </al><al><vet>Artikel 28. Inwerkingtreding </vet>Deze verordening treedt in de plaats van
                    de vorige op grond van het oude artikel 212 Gemeentewet opgestelde verordening. </al><al><vet>Artikel 29. Citeertitel </vet>In dit artikel wordt de naam gegeven, waarmee
                    men in de gemeentelijke stukken naar deze verordening kan verwijzen </al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>