<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR109366_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Bergen (L.)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bergen (L)</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-08-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bergen (L)</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Maas en Niersbode, 2007, 21</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Bergen (L.)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden, art. XIII, XV en XVII</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:4, 6:2, 6:12 en 6:20</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-05-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-05-31</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15-5-2007, 7347</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Bergen (L.) zoals vastgesteld op 9 mei 2006;</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Bergen (L.)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Bergen,</al><al><onderstreept>gelet </onderstreept>op artikel 102 van de Wet op het primair
                        onderwijs;</al><al><onderstreept>gelet </onderstreept>op de artikelen XIII, XV en XVII van de
                        Wet dualisering gemeentelijke medebewinds-bevoegdheden;</al><al><onderstreept>gelet </onderstreept>op artikel 5 van de Gemeentewet;</al><al><onderstreept>gelet </onderstreept>op artikelen 4:4, 6:2, 6:12 en 6:20 van
                        de Algemene Wet Bestuursrecht;</al><al><onderstreept>gezien </onderstreept>het gevoerde op overeenstemming gericht
                        overleg met vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen van de niet
                        door gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente;</al><al><onderstreept>gezien</onderstreept> het voorstel van burgemeester en
                        wethouders van 27 maart 2007;</al><al><vet>besluit:</vet></al><al>1. Tot intrekking van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                        gemeente Bergen (L.) zoals vastgesteld op 9 mei 2006;2. Tot vaststelling van
                        de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Bergen (L.).
                    </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan ondera. minister: de minister van
                                Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;b. bevoegd gezag: bevoegd gezag
                                van een volgens de Wet op het primair onderwijs bekostigde openbare
                                of bijzondere school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in
                                een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente;c.
                                school:school voor basisonderwijs;een basisschool als bedoeld in
                                artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;d. nevenvestiging:
                                deel van een school dat door de minister ingevolge artikel 85 van de
                                Wet op het primair onderwijs voor bekostiging in aanmerking is
                                gebracht;e. voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting
                                als bedoeld in artikel 2 van deze verordening;f. programma: het
                                programma als bedoeld in artikel 12 van deze verordening;g.
                                overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in
                                artikel 13 van deze verordening;h. aanvrager: het bevoegd gezag dat
                                een aanvraag voor vergoeding van een voorziening of voor bekostiging
                                van bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel 25
                                van deze verordening heeft ingediend; i. aanvraag: verzoek om
                                vergoeding van een voorziening of om bekostiging van
                                bouwvoorbereiding;j. voor blijvend gebruik bestemde voorziening:
                                voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de
                                prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of
                                langer noodzakelijk is;k. voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening: voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst
                                van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, niet
                                langer dan 15 jaren noodzakelijk is;l. permanent gebouw:
                                schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de aard van de
                                constructie en materialen ten minste 60 jaren als volwaardige
                                huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;m. noodlokaal:
                                verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard
                                van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als volwaardige
                                huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;n. gymnastiekruimte:
                                ruimte die geschikt is voor het onderwijs in lichamelijke
                                oefening;o. advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad
                                over de vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid
                                van richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel
                                95 van de Wet op het primair onderwijs; p. verhuur: het gebruik van
                                een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of
                                gebruik ten behoeve van culturele, maat1schappelijke of recreatieve
                                doeleinden.q. gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110
                                van de Wet op het primair onderwijs;r. beslissing gedeputeerde
                                staten: de beslissing van gedeputeerde staten in een geschil als
                                bedoeld in artikel 110, tweede lid van de Wet op het primair
                                onderwijs; s. eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als
                                bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende
                                voorzieningen onderscheiden:a de voor blijvend of voor tijdelijk
                                gebruik bestemde voorzieningen bestaande uit:1° nieuwbouw voor een
                                school die voor het eerst voor rijksbekostiging in aanmerking is
                                gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging
                                van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op
                                dezelfde locatie;2° uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                gehuisvest;3° gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een
                                bestaand gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school;4°
                                verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van
                                de huisvesting van een school;5° terrein voor zover benodigd voor de
                                realisering van een onder a sub 1° tot en met 4° omschreven
                                voorziening;6° inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van
                                rijk of gemeentewege in aanmerking is gebracht. V.w.b. het
                                basisonderwijs kan een zelfde groep meer dan eens voor de inrichting
                                in aanmerking komen (uitgewerkt in bijlage 1 deel A onder 1.7);7°
                                inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor
                                bekostiging van rijk of gemeentewege in aanmerking is gebracht.
                                V.w.b. het basisonderwijs kan een zelfde groep meer dan eens voor de
                                inrichting in aanmerking komen (uitgewerkt in bijlage 1 deel A onder
                                1.8);8° medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw
                                dat al bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een
                                gymnastiekruimte; b aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of
                                meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I;c onderhoud aan
                                gebouwen voor basisonderwijs bestaande uit een of meer activiteiten
                                zoals onderscheiden in bijlage I;d herstel van een constructiefout
                                bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of
                                eigen bederf, alsmede uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog
                                niet manifest geworden materiële schade onmiddellijk voortvloeiend
                                uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;e herstel en
                                vervanging in verband met schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket
                                of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a 1°
                                kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                                bouwvoorbereiding. Hierbij is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij toekenning van een van de in artikel 2 genoemde
                                    voorzieningen, of bij toekenning van bekostiging van
                                    bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3, wordt bij de wijze
                                    van vaststelling van de hoogte van de vergoeding een onderscheid
                                    gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd
                                    op de feitelijk voorziene kosten per geval.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met
                                    inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A. De
                                    vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kosten
                                    worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage
                                    IV, deel B.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als
                                    bedoeld in artikel 2, onder a, 6°, en 7° Deel B van bijlage IV
                                    is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2,
                                    onder a 1°, 2°, 3°, 4°, 5° (indien noodzakelijk) 8° b t/m e
                                    alsmede art 3. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ter uitvoering hiervan kunnen door het college nadere
                                    aanwijzingen worden gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1.</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag voor opneming van een voorziening op het
                                        programma wordt uiterlijk voor 1 februari van het jaar van
                                        vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd
                                        gezag ingediend bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de aanvraag niet voor 1 februari is ingediend,
                                        besluit het college de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In uitzonderlijke gevallen kan het college besluiten af te
                                        wijken van de in lid 1 en lid 2 genoemde indieningdatum. De
                                        overige relevante data genoemd in deze verordening worden
                                        overeenkomstig opgeschoven.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                        behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><al>a de naam en het adres van de aanvrager;b de dagtekening;c
                                        de naam van de school en, voor zover van toepassing, het
                                        gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd;d welke
                                        voorziening wordt aangevraagd;e de onderbouwing van de
                                        noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening; f de
                                        geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening.
                                    </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat
                                        de aanvraag vergezeld van:a een prognose van het te
                                        verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet aan
                                        de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een
                                        voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a
                                        onderdelen 6° tot en met 8° en artikel 2, onder d, en e; b
                                        de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening
                                        moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft
                                        als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1° tot en met
                                        4°;c een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt
                                        indien het een voorziening betreft bestaande uit nieuwbouw
                                        ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw, uit
                                        onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs
                                        of uit herstel van een constructiefout;d een begroting van
                                        de kosten (uiterlijk te overleggen op 15 mei) gemoeid met de
                                        uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag betrekking
                                        heeft op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4,
                                        derde lid, laatste volzin van toepassing is;e een voor
                                        aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting, indien de
                                        aanvraag volgt op een toekenning van een vergoeding van de
                                        kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 27.Bij
                                        de rapportage als bedoeld onder c wordt gebruik gemaakt van
                                        een bouwkundige opname. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in
                                        het eerste of tweede lid deelt het college dit schriftelijk
                                        mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de
                                        gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen
                                        binnen de termijn zoals schriftelijk aangegeven.Indien de
                                        aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens dan nog niet zijn
                                        verstrekt voor 15 mei besluit het college de aanvraag niet
                                        te behandelen. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        betrekking heeft op een voorziening voor een school waarvan
                                        de beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het
                                        aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke
                                        teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd
                                        in art 6 valt, dan zendt de aanvrager onverwijld aan het
                                        college een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de
                                        minister van het aantal leerlingen dat op de wettelijke
                                        teldatum staat ingeschreven op de school, die geheel of
                                        gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw gelegen op het
                                        grondgebied van de gemeente. Indien het afschrift niet
                                        binnen een week na het tijdstip van de wettelijke teldatum
                                        is ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
                                        aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid
                                        gesteld het afschrift van de opgave alsnog binnen drie dagen
                                        na de datum van ontvangst van de mededeling in te dienen.
                                        Indien het afschrift van de opgave niet binnen de termijn
                                        bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, besluit het
                                        college de aanvraag niet te behandelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt ter informatie aan de bevoegde
                                    gezagsorganen een opgave van de ingevolge artikel 6 en artikel
                                    25 ingediende aanvragen. Voor zover van toepassing geeft het
                                    college daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in
                                    behandeling worden genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                    overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                        begroting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvraag kan op verzoek van de aanvrager of van het
                                        college nader worden toegelicht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het
                                        gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van
                                        toepassing is, treedt het college in overleg met de
                                        aanvrager indien zij van oordeel zijn dat de door de
                                        aanvrager overgelegde begroting van de kosten dient te
                                        worden aangepast. Wanneer in het overleg geen
                                        overeenstemming wordt bereikt over de hoogte van het
                                        geraamde bedrag dan geeft het college dat, onder vermelding
                                        van de redenen, aan in het voorstel tot vaststelling van het
                                        bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in
                                        paragraaf 2.3.Het college geeft in dit voorstel tevens de
                                        hoogte van het geraamde bedrag aan waarvan voor de
                                        aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing
                                        van het gestelde in paragraaf 2.3 </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies
                                        Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Alvorens het college het programma en het overzicht
                                        vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg
                                        in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen
                                        inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor
                                        15 november. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste
                                        twee weken voor het college vastgestelde datum schriftelijk
                                        daarvan in kennis gesteld. Zij worden hierbij tevens in
                                        kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het
                                        voorstel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede
                                        lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken
                                        aan burgemeester en wethouders. Het college stelt de
                                        deelnemers aan het overleg hiervan in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar
                                        voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende,
                                        schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van de reactie
                                        van het college op deze zienswijzen, wordt door het college
                                        een verslag gemaakt. Het verslag wordt toegezonden aan alle
                                        bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien een bevoegd gezag of het college een advies wensen
                                        van de Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                        voorgenomen inhoud van het programma in relatie tot de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, dan
                                        wordt dit door het bevoegd gezag of het college tijdens het
                                        overleg als bedoeld in het eerste lid kenbaar gemaakt. Dit
                                        gebeurt aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde
                                        omschrijving van de onderwerpen waarover het advies van de
                                        Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het
                                        verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid
                                        van richting en de vrijheid van inrichting.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden in het
                                        overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren
                                        te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad.
                                        Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar
                                        voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag
                                        van het overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgen zij ervoor dat
                                        de Onderwijsraad alle stukken, waaronder het schriftelijk
                                        verslag van het overleg met de daarin opgenomen zienswijzen,
                                        ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het
                                        verzoek.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel
                                        of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad
                                        zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college bij de toezending van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg.
                                        In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                        bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                        noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending
                                        van het afschrift van het advies van de Onderwijsraad. </al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                        twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                        Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college
                                        maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het
                                        verslag als bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en
                                    overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingspafond vast dat
                                        beschikbaar is voor de vergoeding van de aangevraagde
                                        voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst
                                        in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort en/of per
                                        voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld uiterlijk
                                        op 31 december van het jaar waarin de datum genoemd in
                                        artikel 6 valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op
                                        het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan
                                        worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft
                                        vastgesteld dat geen van de in de wet op het primair
                                        onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, in
                                        aanmerking voor plaatsing op het programma. Daarbij past het
                                        college de regels toe met betrekking tot:a de
                                        beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;b de
                                        prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;c de oppervlakte
                                        en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in bijlage
                                        III.Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking
                                        komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van de
                                        urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend
                                        voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of
                                        de deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid,
                                        toereikend zijn. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan
                                        het college de raad verzoeken van het programma af te mogen
                                        wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V.
                                    </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                        wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                        aangegeven:a het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage
                                        IV, deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                        gesteld;b het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van
                                        de voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin;c de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                        buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet
                                        op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                        voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                        programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                        bekostigingsplafond, het programma en het overzicht
                                        geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling
                                        door toezending door het college van de besluiten aan de
                                        aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking wordt van de
                                        besluiten door het college schriftelijk mededeling gedaan
                                        aan de overige bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden
                                        tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Na de datum van vaststelling van het programma treedt het
                                        college in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                        uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening.
                                        In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is
                                        voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor
                                        zover van toepassing, afspraken gemaakt over:a het
                                        bouwheerschap als bedoeld in de wet;b het tijdstip van
                                        indiening van het bouwplan en de begroting door de
                                        aanvrager;c een andere wijze van uitvoering van het besluit
                                        met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag; d de
                                        wijze waarop door het college toepassing wordt gegeven aan
                                        de toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de
                                        toetsing in verband met wettelijke voorschriften en nieuwe
                                        feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 16;e de
                                        controle op en het afleggen van verantwoording over de
                                        besteding van de beschikbaar te stellen middelen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een
                                        voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                        volzin, dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de
                                        aanbesteding van de uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij
                                        worden, voor zover van toepassing gezien de aard van de
                                        voorziening, de gestelde richtlijnen als bedoeld in bijlage
                                        IV, deel B in acht genomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het
                                        overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, wordt door
                                        het college schriftelijk vastgelegd in een verslag van het
                                        overleg en ter kennis gebracht van de aanvrager.Indien de
                                        aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of binnen
                                        twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft
                                        gereageerd, wordt, afhankelijk van de inhoud van het
                                        vastgestelde verslag, geacht dat er overeenstemming of geen
                                        overeenstemming is bereikt. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                        16, vierde lid, neemt het college nadat de overeenstemming
                                        als bedoeld in het derde lid is bereikt, een beslissing over
                                        het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen.
                                        Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in
                                        het derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier
                                        weken nadat het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee
                                        aan de aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de
                                        bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen
                                        aanvang zal nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                        bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe
                                        feiten en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde
                                        lid is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een
                                        bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de
                                        desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip
                                        waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                                        instemming in bij het college</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen dertien weken na ontvangst beslist het college over
                                        de instemming van de bouwplannen en de desbetreffende
                                        begroting en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                        aanvang kan nemen. Het college kan, onder mededeling daarvan
                                        aan de aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken.
                                        Indien niet binnen deze termijn is besloten, worden de
                                        bouwplannen en de begroting geacht te zijn goedgekeurd en
                                        vangt de bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven
                                        tijdstip.Binnen twee weken na de datum van de beslissing
                                        over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het
                                        tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, deelt het
                                        college de beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager.
                                    </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                        college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin
                                        de school verkeert ten opzichte van de feiten en
                                        omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
                                        programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een
                                        naar het oordeel van het college ingrijpende wijziging van
                                        de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet
                                        voor bekostiging in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                        begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of
                                        krachtens de wet gestelde voorschriften en de toetsing of er
                                        sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen
                                        achterwege blijven, als naar het oordeel van het college,
                                        dat niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                        programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan
                                        mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in
                                        artikel 15.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                        begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft
                                        van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin.De beslissing van het college als bedoeld in
                                        het tweede lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van
                                        het bouwplan. Daarbij zijn de genoemde termijnen in het
                                        tweede lid van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                        bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin heeft
                                        ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15,
                                        tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte
                                        offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college
                                        beslist binnen vier weken na ontvangst van de offertes over
                                        het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de
                                        uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
                                        bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen
                                        twee weken na de datum van deze beslissing hiervan
                                        schriftelijk in kennis gesteld. Voor de vaststelling van het
                                        definitieve bedrag is de offerte met de laagste
                                        prijsstelling bepalend</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16,
                                    tweede lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                    bekostiging een aanvang kan nemen, bepalen dat de
                                    beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De
                                    beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een
                                    zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                    verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het
                                    programma geplaatste voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt,
                                        indien niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar
                                        volgend op de vaststelling van het programma een
                                        bouwopdracht is verleend dan wel een koop, huur of
                                        erfpachtovereenkomst is gesloten</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                        veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet
                                        aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1
                                        oktober een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend
                                        bij burgemeester en wethouders tot verlenging van de termijn
                                        als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college beslist voor 1 november over het verzoek tot
                                        verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt
                                        ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum
                                        de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt
                                        verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag om bekostiging van een voorziening in de
                                    huisvesting die gelet op de voortgang van het onderwijs geen
                                    uitstel kan lijden, kan worden ingediend bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld
                                        in artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de
                                        aanvrager de volgende gegevens te verstrekken:a een nadere
                                        aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in de
                                        huisvesting spoedeisend maken;b de reden waarom de
                                        voorziening in de huisvesting niet kon worden aangevraagd in
                                        het kader van een nog vast te stellen programma;c een
                                        prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in
                                        artikel 2 onder a, onderdelen 6°tot en met 8° en artikel 2
                                        onder d, en e;d een begroting van de kosten gemoeid met de
                                        uitvoering indien het een voorziening betreft als bedoeld in
                                        artikel 4, derde lid, laatste volzin. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens
                                        als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen
                                        twee weken na datum van indiening van de aanvraag
                                        schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager
                                        heeft de gelegenheid de ontbrekende gegevens binnen twee
                                        weken na ontvangst van de mededeling in te dienen bij het
                                        college. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende
                                        gegevens niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn
                                        heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te
                                        behandelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                        aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens
                                        zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee
                                        weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager
                                        hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het
                                        college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                        gegeven, stelt het college de aanvrager daar van in kennis
                                        en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
                                        beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het
                                        college heeft vastgesteld dat het treffen van de
                                        voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen
                                        uitstel kan lijden en geen van de in de wet op het primair
                                        onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is. Bij
                                        deze vaststelling past het college de regels toe met
                                        betrekking tot:a de beoordelingscriteria als bedoeld in
                                        bijlage I;b de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;c
                                        de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in
                                        bijlage III. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de
                                        gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde
                                        voorziening omvatten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt het college
                                        welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV,
                                        deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt
                                        gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien het een
                                        voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college vast
                                        voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan
                                        wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn
                                        gesloten, en voor welke datum een afschrift daarvan aan de
                                        raad moet zijn toegezonden. Binnen vier maanden na de datum
                                        van de beschikking door het college moet een bouwopdracht
                                        zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                        erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21,
                                    eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het
                                    college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de
                                    wijze van uitvoering.Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17
                                    is daarbij overeenkomstig van toepassing, met uitzondering van
                                    de in tweede lid van artikel 16 genoemde termijn van zes weken.
                                    Hiervoor moet worden gelezen drie weken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                        tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop,
                                        huur of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                        daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                        bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht,
                                        dan wel koop- , huur- of erfpachtovereenkomst is het
                                        gestelde in artikel 18, eerste lid van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door
                                        bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn
                                        toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor
                                        het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd
                                        verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van
                                        de termijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op
                                        bekostiging op totdat het college op het verzoek heeft
                                        beslist. Indien het college het verzoek inwilligt, noemt het
                                        college een nieuwe datum waarop de aanspraak op vergoeding
                                        vervalt. Indien het college het verzoek afwijst, geldt de
                                        datum van beslissing op het verzoek als vervaldatum, met
                                        dien verstande dat deze niet voor de oorspronkelijke
                                        vervaldatum kan vallen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen
                                    voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik
                                    bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan
                                    voorafgaand een aanvraag indienen bij het college voor
                                    bekostiging van de bouwvoorbereiding. Het betreft de
                                    voorbereiding voorafgaand aan het moment van aanbesteding van
                                    die voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar
                                    voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging gewenst wordt. In
                                    uitzonderlijke gevallen kan het college besluiten af te wijken
                                    van de genoemde indieningsdatum. De overige relevante data
                                    genoemd in deze verordening worden overeenkomstig
                                    opgeschoven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:a de naam en
                                    het adres van de aanvrager;b de dagtekening;c de naam van de
                                    school ten behoeve waarvan de bekostiging wordt gewenst;d de
                                    reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste
                                    locatie van de voorziening;e het gewenste tijdstip van
                                    realisering van de voorziening;f een prognose van het te
                                    verwachten aantal leerlingen van de school die voldoet aan de in
                                    bijlage II omschreven vereisten;g indien het nieuwbouw betreft
                                    ter vervanging van een bestaand gebouw: een rapportage waaruit
                                    de bouwkundige noodzaak van de vervanging blijkt; h een
                                    begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de
                                    bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin.Bij de
                                    rapportage als bedoeld onder g wordt gebruik gemaakt van een
                                    formulier ‘Bouwkundige opname’. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het
                                    eerste of tweede lid deelt het college dit schriftelijk mee aan
                                    de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid
                                    gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of
                                    het overleg over de begroting is het gestelde in artikel 9 van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg
                                    met de aanvrager. Dit overleg over de aanvraag vindt plaats
                                    tezamen met het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid.
                                    De leden twee, drie en vier van artikel 10 zijn daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college neemt op het tijdstip als bedoeld in artikel 11 een
                                    beslissing over de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:a er voldoende
                                    middelen voor de vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding
                                    beschikbaar zijn;b de noodzaak van de gewenste voorziening
                                    voldoende vaststaat;c er een reële mogelijkheid is dat de
                                    voorziening in het gewenste jaar van uitvoering voor bekostiging
                                    in aanmerking kan worden gebracht. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, wordt in de beschikking
                                    vermeld tot welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden
                                    vergoed. Het bedrag kan in termijnen aan de aanvrager
                                    beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig
                                    tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen
                                    jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de
                                    bouwvoorbereiding, kan voldoen. Over de daadwerkelijke
                                    beschikbaarstelling van het bedrag worden afspraken gemaakt
                                    tussen aanvrager en het college.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                    aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de
                                    plaatsing van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak die voortvloeit uit de beschikking tot toekenning van
                                bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien door de aanvrager
                                niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin de
                                beschikking is genomen, daadwerkelijk gestart is met de
                                bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie is
                                verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                    gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:a er sprake
                                    is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een school
                                    berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en
                                    het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in
                                    artikel 6 of 19 voor medegebruik of uitbreiding heeft
                                    ingediend;b het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor
                                    een andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                    medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                    voorzien;c er sprake is van een tekort aan
                                    huisvestingscapaciteit bij een andere school, vastgesteld aan de
                                    hand van de voor die school of instelling gangbare
                                    berekeningswijze en d er sprake is van leegstand in een
                                    lesgebouw van een school;e er sprake is van leegstand in
                                    gymnastiekruimte van een school. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw wanneer het
                                        betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs,
                                        indien uit de vergelijking van het aantal groepen zoals
                                        berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit
                                        van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage III,
                                        deel A blijkt dat er ten minste één leslokaal niet nodig is
                                        voor de daar gevestigde school of scholen;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:a wanneer
                                        het betreft een gebouw dat gebruikt wordt door een of meer
                                        scholen voor basisonderwijs, indien de som van het aantal
                                        klokuren gebruik dat door het college wordt vergoed minder
                                        is dan 40 klokuren.b wanneer het een gebouw betreft dat
                                        gebruikt wordt door een of meer scholen voor basisonderwijs,
                                        indien de som van de berekeningswijzen genoemd onder a een
                                        aantal klokuren lager dan 40 oplevert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                        medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het
                                        gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden
                                        in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen
                                        ten behoeve van het onderwijs aan die school of
                                        scholen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                        het gebruik van die andere school of scholen kan
                                        plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking
                                        staande huisvestingscapaciteit.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                        wordt:a als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                        in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                        tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                        leegstand in een ander gebouw een betere oplossing biedt;b
                                        vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een
                                        school van dezelfde richting is gehuisvest enc vervolgens de
                                        leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst gelegen is
                                        bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de
                                        vordering plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken
                                        bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel
                                        geval van de in het derde lid opgenomen volgorde
                                        afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering van leegstand in een lesgebouw of
                                        gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg met het
                                        bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met
                                        het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit
                                        overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
                                        artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                        bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk
                                        mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan
                                        gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als
                                        dat bevoegd gezag in het overleg te kennen heeft gegeven
                                        geen bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in
                                        artikel 19, voert het college daarover zo spoedig mogelijk
                                        overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met
                                        het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Binnen een week na afloop van het overleg als bedoeld in het
                                        vorige lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                        vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van
                                        deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                        het overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar tegen de
                                        vordering te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in
                                        de tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:a de naam van
                                        de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan wordt
                                        gevorderd;b een aanduiding van het aantal groepen, ten
                                        behoeve waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                        onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat
                                        gevorderd wordt;c een aanduiding van het gebouw waarop de
                                        vordering betrekking heeft;d een aanduiding van het aantal
                                        en het type ruimten dat gevorderd wordt;e de periode
                                        waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het
                                        medegebruik. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                    overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een
                                    vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet
                                    tot overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV,
                                    deel C.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                    recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien er sprake is van
                                    leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte zoals
                                    bepaald in artikel 30.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college
                                        overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:a voor welke
                                        activiteit of activiteiten gevorderd wordt;b of die
                                        activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs
                                        aan de in het gebouw gevestigde school;c welke maatregelen
                                        eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het
                                        onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van
                                        het medegebruik ondervindt;d wat naar de mening van het
                                        college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor
                                        het medegebruik is;e de datum waarop het medegebruik
                                        redelijkerwijs een aanvang kan nemen. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg doet het college
                                        schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd
                                        gezag. Indien het overleg zoals bedoeld in het eerste lid
                                        heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder
                                        geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot
                                        overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de
                                        beslissing van het college over de punten waarover geen
                                        overeenstemming bestond. Indien het bevoegd gezag in het
                                        overleg te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen
                                        de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier
                                        bedoeld worden afgezien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Alvorens een huurovereenkomst te sluiten, vraagt het bevoegd
                                        gezag toestemming voor de verhuur aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en
                                        bevat een aanduiding van de huurder, alsmede van de
                                        bestemming van de te verhuren ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college verleent de toestemming niet indien:a de
                                        bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                        bepalingen daaromtrent uit de wet op het primair onderwijs;b
                                        de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school.
                                    </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik, staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Nadat een gebouw of terrein niet meer door het bevoegd gezag
                                    nodig is voor de huisvesting van een school wordt het gebruik
                                    van het gebouw of terrein zo spoedig mogelijk beëindigd, doch
                                    uiterlijk op de datum genoemd in de door het college en het
                                    bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals
                                    vastgesteld door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake
                                    een geschil over de totstandkoming van een gezamenlijke
                                    akte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is
                                    van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in
                                    het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                                    gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht heeft
                                    plaatsgevonden, een staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het
                                    college na overleg met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing,
                                    vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd
                                    gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het
                                    college betaald wordt. Indien het overleg niet tot
                                    overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwijze
                                    gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien
                                    dit naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                    inroostering gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs verstrekt
                                    jaarlijks voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave
                                    van de voor dat schooljaar voor de school gewenst
                                    onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat,
                                    voor zover van toepassing, de volgende gegevens:a. de gewenste
                                    omvang van het onderwijs gebruik uitgedrukt in een aantal
                                    klokuren;b. de aanduiding van de gymnastiekruimte of –ruimten
                                    waarin het gebruik wordt gewenst;c. de tijden waarop het
                                    onderwijsgebruik gedurende een schoolweek wordt gewenst. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                    gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd
                                    als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande
                                    dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde
                                    in dit artikel van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voorafgaande aan het daaropvolgende
                                    schooljaar op basis van de ingediende opgaven een voorstel tot
                                    inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen voor
                                    basisonderwijs van de op het grondgebied van de gemeente gelegen
                                    gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik
                                    afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de
                                    gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit
                                    van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                    inroostering het volgende in acht:a de afstanden in relatie tot
                                    de omvang van het onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte,
                                    zoals opgenomen in bijlage I, deel B;b het bevoegd gezag van een
                                    niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is
                                    van een gymnastiekruimte wordt voor de betreffende school het
                                    eerste ingeroosterd voor die gymnastiekruimte;c het
                                    gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                    ingeroosterd in één gymnastiekruimte. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                    basisonderwijs de volgende gegevens:a het aantal klokuren
                                    waarvoor de school wordt ingeroosterd in een gymnastiekruimte;b
                                    de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                    gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt;c een nadere
                                    onderverdeling van het aantal klokuren per gymnastiekruimte
                                    wanneer het gebruik in meer dan één gymnastiekruimte
                                    plaatsvindt;d voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is
                                    dan het aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel
                                    bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs voor
                                    bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld
                                    hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van
                                    de school.Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in
                                    dit lid onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor
                                    zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is
                                    gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door
                                    de gemeente in aanmerking komt. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                    weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen
                                    voor basisonderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden daarbij
                                    uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg
                                    vindt plaats binnen twee weken na toezending van het voorstel.
                                    In het overleg worden de vertegenwoordigers van de bevoegde
                                    gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                                    voorstel tot inroostering.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen
                                    stelt het college voor 15 juli volgend op de datum in het tweede
                                    lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de
                                    gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het
                                    college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als
                                    bedoeld in het vijfde lid naar voren gebrachte reacties, dan
                                    wordt dit gemotiveerd.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen
                                    de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke
                                    mededeling van het college over de inroostering in de
                                    beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                                    staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze
                                    mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van
                                    artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin
                                    van artikel 32, vierde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college waarin de verordening niet
                                    voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                                gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                                basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en
                                systematiek van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Bergen (L.).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 1997
                                    en is laatstelijk gewijzigd d.d. 15 mei 2007</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 mei 2007De
                        voorzitter, De secretaris, </al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder – behoudens de financiële toets – de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:<vet>– </vet><vet>deel A:
                        lesgebouwen;</vet>– deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al><al/><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet>De voorzieningen genoemd onder 1.2,
                    1.3.1, 1.3.2. en 1.10 d worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een
                    permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is dat wel het geval,
                    zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college.</al><al><vet>1.1 Nieuwbouw</vet>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:a het feit dat de
                    minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                    brengt;b1 het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of
                    zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de
                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende
                    ten minste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht ofb2
                    het feit dat de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                    dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                    jaren deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht enc het afwezig zijn van
                    een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van
                    mogelijkheden om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te
                    realiseren.</al><al><vet>1.2 Vervangende bouw</vet>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:a het
                    in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende
                    gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat
                    opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);b1 het feit dat
                    de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en dat voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze
                    groepen leerlingen kunnen worden verwacht ofb2 het feit dat de te huisvesten
                    groepen leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden
                    verwacht enc het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                    2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                    realiseren.</al><al>Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:a vervanging per saldo geen
                    meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van het college;b
                    vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een
                    herschikkingoperatiec vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke
                    ordening noodzakelijk is.</al><al>Indien het voor de realisering van de vervangende bouw noodzakelijk is dat het
                    oude gebouw moet worden gesloopt, vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al><vet>1.3 Uitbreiding1.3.1 Uitbreiding met een of meer leslokalen</vet>1. De
                    noodzaak voor uitbreiding met een of meer leslokalen blijkt uit:a het feit dat
                    er ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw of
                    de gebouwen als vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig is;b1 het
                    feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde
                    uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht ofb2 het feit
                    dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vier jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                    uitbreiding deze groep(en) leerlingen kan (kunnen) worden verwacht. Uitbreiding
                    van 4 tot 15 jaar d.m.v. huur (en/of) medegebruik) tijdelijke huisvesting of in
                    samenspraak met de schoolbesturen bezien of (gedeeltelijk) investeringsbedrag
                    tijdelijke voorziening beschikbaar gesteld dient te worden voor permanente
                    huisvesting ofb3 het feit dat de laatste teldatum voor het indienen van de
                    aanvraag aantoont, dat er een of meer groepen leerlingen aanwezig zijn die niet
                    voor maximaal vier jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden
                    gehuisvest enc het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of
                    geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                    2000 meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de school te
                    realiseren, terwijld evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van
                    het college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een bestaand
                    verschil in oppervlakte tussen de feitelijk aanwezige bruto oppervlakte en de
                    genormeerde bruto oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III,
                    deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig een of meer benodigde leslokalen te
                    maken.</al><al><vet>1.3.2 Uitbreiding basisschool met een tweede speellokaal</vet>De noodzaak
                    voor uitbreiding met een tweede speellokaal blijkt uit: het feit dat de
                    basisschool ten minste vijf groepen jongste leerlingen (van vier en vijf jaar
                    oud) van ten minste 20 leerlingen telt en dat de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren voor een
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en voor ten minste vijftien jaren
                    voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening deze groepen leerlingen
                    kunnen worden verwacht tenzij een andere acceptabele oplossing, in overleg
                    tussen schoolbestuur en gemeente wordt gevonden.<vet>1.4 Ingebruikneming van een
                        bestaand gebouw</vet>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:a1 het feit
                    dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt ofa2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging of
                    uitbreiding in aanmerking komt, terwijlb1 de te huisvesten groepen leerlingen
                    aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening de prognose die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende tenminste vijftien jaren deze groepen leerlingen kunnen worden
                    verwacht ofb2 de te huisvesten groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn
                    en dat een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende tenminste vier jaren
                    deze groepen leerlingen kunnen worden verwacht enc er binnen 2000 meter
                    hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting
                    voor de school te realiseren;d er geen ander, beter geschikt of beter geschikt
                    te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt ene de kosten
                    van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter
                    beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende
                    bouw of uitbreiding.</al><al><vet>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</vet>De noodzaak van verplaatsing
                    van noodlokalen blijkt uit het feit dat:a er op basis van een prognose die
                    voldoet aan de eisen uit bijlage II een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor
                    ten minste vier jaren is, waarin beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op
                    een afstand van meer dan 2000 meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijlb er
                    binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een
                    passende huisvesting voor de school te realiseren enc de kosten van verplaatsing
                    redelijk zijn ten opzichte van de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening
                    voor hetzelfde aantal groepen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van
                    het college.</al><al><vet>1.6 Terrein</vet>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel
                    van) een terrein blijkt uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding,
                    ingebruikneming of verplaatsing van noodlokalen toestemming wordt gegeven en
                    verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein noodzakelijk is om deze
                    toestemming te effectueren, zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet
                    aan de eisen gesteld in bijlage III, deel D.</al><al><vet>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet>De noodzaak voor de eerste
                    aanschaf van onderwijsleerpakket blijkt uit het feit dat de school, op grond van
                    de meest recente teldatum, uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen,
                    en voor zo’n uitbreiding nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.
                    Tevens blijkt de noodzaak voor de eerste aanschaf indien de tijd tussen het
                    wegvallen en het opnieuw vormen van dezelfde, dan nieuw te vormen groep (o.g.v.
                    gewogen aantal lln.) meer dan 12 jaar bedraagt. Partiële medewerking door de
                    gemeente (van 6/12 naar 11/12 deel) indien de nieuw te vormen groep 7 t/m 12
                    jaar ervoor is opgehouden te bestaan.</al><al>Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra onderwijsleerpakket,
                    indien het aantal groepen gewogen leerlingen van de school na fusie groter is
                    dan dat van de aan de fusie deelnemende scholen. De noodzaak voor een toeslag
                    tweede speellokaal onderwijsleerpakket blijkt uit het feit dat een basisschool
                    uitgebreid wordt met een tweede speellokaal.</al><al><vet>1.8 Eerste inrichting meubilair</vet>De noodzaak voor eerste aanschaf van
                    meubilair blijkt uit het feit dat de school, op grond van de meest recente
                    teldatum, uitgebreid wordt met ten minste één groep leerlingen, en voor zo’n
                    uitbreiding nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.Tevens blijkt de
                    noodzaak voor de eerste aanschaf indien de tijd tussen het wegvallen en het
                    opnieuw vormen van dezelfde, dan nieuw te vormen groep (o.g.v. ongewogen aantal
                    lln.) meer dan 20 jaar bedraagt. Partiële medewerking door de gemeente (van
                    10/20 naar 19/20 deel) indien de nieuw te vormen groep 11 t/m 20 jaar ervoor is
                    opgehouden te bestaan.Bij fusie van scholen kan er alleen sprake zijn van extra
                    meubilair, indien het aantal groepen ongewogen leerlingen na fusie groter is dan
                    dat van de aan de fusie deelnemende scholen. De noodzaak voor een toeslag tweede
                    speellokaal meubilair blijkt uit het feit dat een basisschool uitgebreid wordt
                    met een tweede speellokaal..</al><al><vet>1.9 Medegebruik</vet>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er
                    ten minste één groep leerlingen extra boven de capaciteit van het gebouw als
                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, aanwezig is.</al><al><vet>1.10 Aanpassing</vet>De voorziening aanpassing bestaat uit:a wijzigingen
                    bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is
                    voor een school voor het basisonderwijs, gelet op de eisen gesteld in bijlage
                    III, delen A en D;b een integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen
                    afstoten;c creëren (extra) leslokaal binnen het gebouw;d creëren speellokaal
                    binnen het gebouw;e voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet-
                    en regelgeving;f vervangen van oliegestookte verwarmingsinstallaties en;g het
                    terrein toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of aanbrengen van een
                    traplift bij meerlaagse schoolgebouwen.h aanpassing als gevolg van
                    onderwijskundige vernieuwingen</al><al><vet>Ad a</vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat
                    ingebruikneming van het desbetreffende gebouw op basis van de
                    beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw
                    niet voldoet aan de huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs,
                    terwijl deze wel tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college,
                    te verwezenlijken zijn.</al><al><vet>Ad b</vet>De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een
                    schoolgebouw te kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het
                    aantal groepen leerlingen het gebruik van een gebouw kan of moet worden
                    beëindigd omdat binnen een of meer andere gebouwen in gebruik bij de school
                    voldoende ruimte aanwezig is, terwijl deze niet zijn ingericht voor het
                    onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot twaalfjarigen.</al><al><vet>Ad c</vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat er meer
                    groepen leerlingen aanwezig zijn dan waar het gebouw, als vastgesteld op grond
                    van bijlage III, deel A, ruimte voor biedt, terwijl er tevens sprake is van een
                    bruikbaar verschil tussen de feitelijke bruto oppervlakte en de genormeerde
                    bruto oppervlakte dat het mogelijk maakt inpandig een of meer noodzakelijke
                    extra leslokalen te creëren. Bovendien dienen er geen medegebruiksmogelijkheden
                    aanwezig te zijn binnen een afstand van 2000 meter hemelsbreed.Indien het
                    inpandig creëren van een leslokaal meer kost dan uitbreiding, op grond van
                    bijlage IV, deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening
                    is.</al><al><vet>Ad d</vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                    school niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter dan 56 m²
                    aanwezig is.</al><al><vet>Ad e</vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen
                    van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op
                    korte termijn moet worden opgeheven.</al><al><vet>Ad f</vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                    oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                    vervanging noodzakelijk is.</al><al><vet>Ad g</vet>De noodzaak van deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van
                    een gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al><vet>Ad h</vet>De noodzaak van deze aanpassing blijkt uit het feit dat:a de
                    aanpassing nog niet eerder is toegekend, enb bij de bouw van het gebouw geen
                    rekening is gehouden met onderwijskundige vernieuwingen, c het een permanent
                    gebouw betreft, end het om een bouwkundige aanpassing van het gebouw gaatIn het
                    Integraal Huisvesting Plan (IHP) kunnen naast noodzakelijke aanpassing als
                    gevolg van onderwijskundige vernieuwingen extra voorzieningen worden opgenomen
                    betreffende bouwkundige en installatietechnische aanpassingen als gevolg van
                    wettelijke eisen inzake arbeidsomstandigheden (ARBO) en ter verkrijging van een
                    gebruiksvergunning (brand- veiligheid). Het IHP is de basis voor het
                    meerjareninvesteringsschema onderwijshuisvesting (besluit college 21 januari
                    2003, nr 203 Huisvesting onderwijs, lokaal maatwerk) van waaruit het jaarlijkse
                    programma en/of overzicht wordt vastgesteld.</al><al><vet>1.11 Onderhoud</vet>De voorziening onderhoud bestaat uit:a onderhoud aan de
                    buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het overzicht ‘onderhoud
                    primair onderwijs’;b (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren
                    (inclusief hang en sluitwerk);c algehele vervanging van radiatoren, convectors
                    en leidingen voor de centrale verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement of
                    een gedeelte daarvan ten minste in een matige conditie verkeert volgens de
                    bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, terwijl
                    regulier onderhoud door het bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten minste vier jaren voor de school
                    noodzakelijk is.Noodzakelijk onderhoud aan een noodlokaal komt voor bekostiging
                    in aanmerking indien:a het noodlokaal op basis van een prognose, die voldoet aan
                    de vereisten gesteld in bijlage II, nog ten minste vier jaren noodzakelijk is
                    enb voor de aanwezige groepen leerlingen geen gebruik kan worden gemaakt van
                    medegebruik binnen een straal van 2000 meter hemelsbreed.</al><al><vet>1.12 Herstel van constructiefouten</vet>De noodzaak van herstel van
                    constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld
                    dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.</al><al><vet>1.13 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet>De noodzaak van
                    herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere
                    omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.
                        <vet>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</vet></al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al><vet>1.1 Nieuwbouw</vet>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:a het feit dat de
                    minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                    brengt enb het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer
                    gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende
                    gymnastiekruimten enc het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen
                    leerlingen waarvoor het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren
                    noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al><vet>1.2 Vervangende bouw</vet>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:a het
                    in zo’n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende zwaarwegende
                    gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede
                    lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) enb het afwezig zijn van
                    mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste
                    20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15
                    klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5
                    klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                    een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc het feit dat de
                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende
                    ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door de gemeente
                    vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al><vet>1.3 Uitbreiding</vet>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt
                    uit:a het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2
                    en het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd wordt enb
                    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc het feit
                    dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door de
                    gemeente vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen)
                    zijn.</al><al><vet>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</vet>De noodzaak van
                    ingebruikneming blijkt uit:a1 het feit dat de minister de school voor het eerst
                    voor bekostiging in aanmerking brengt ofa2 het feit dat het huidige gebouw voor
                    vervanging, conform het gestelde bij 1.2 onder a, in aanmerking komt enb het
                    afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc het
                    feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren het door de gemeente vastgestelde aantal
                    klokuren aanwezig (zullen) zijn end de kosten van ingebruikneming inclusief
                    aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college,
                    staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al><al><vet>1.5 Terrein</vet>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel
                    van) een terrein blijkt uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of
                    de uitbreiding geen dan wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al><vet>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</vet>De noodzaak van eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:a het feit dat nieuwbouw van een
                    gymnastiekruimte voor de desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en b het
                    feit dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste
                    inrichting onderwijsleerpakket voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al><vet>1.7 Eerste inrichting meubilair</vet>De noodzaak van eerste inrichting
                    meubilair blijkt uit:a het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en b het feit dat voor de
                    desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste inrichting meubilair
                    voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al>De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt uit:a het feit
                    dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en b het feit dat voor de
                    desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder (een deel van) het
                    noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al><al><vet>1.8 Medegebruik</vet>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat
                    het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en
                    waarvoor binnen de momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats
                    is.</al><al><vet>1.9 Aanpassing</vet>De aanpassingen bestaan uit:1 het maken van voldoende
                    wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend
                    werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de
                    gymnastiekruimte;2 het maken van voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de
                    gymnastiekruimte ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik,
                    dan wel de mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;3 wijzigingen
                    bij ingebruikneming van een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is
                    voor het primair onderwijs gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en
                    D;4 voorzieningen voor eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;5 vervangen van
                    oliegestookte verwarmingsinstallaties.</al><al><vet>Ad 1</vet>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden
                    zijn.</al><al><vet>Ad 2</vet>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten
                    zijn.</al><al><vet>Ad 3</vet>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al><vet>Ad 4</vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen
                    van het gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat
                    dit verschil op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al><vet>Ad 5</vet>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de
                    oliegestookte verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat
                    vervanging noodzakelijk is.Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien
                    zij noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                    leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                    Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                    het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                    verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                    goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al><vet>1.10 Onderhoud</vet>De voorziening onderhoud bestaat uit:a onderhoud aan de
                    buitenzijde van het gebouw voor zover omschreven in het overzicht ‘onderhoud
                    primair onderwijs’;b (algehele) vervanging van binnenkozijnen en binnendeuren
                    (inclusief hang en sluitwerk);c algehele vervanging van radiatoren, convectors
                    en leidingen voor centrale verwarming.</al><al>De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het gevraagde gebouwelement
                    ten minste in een matige conditie verkeert volgens de bouwkundige opname zoals
                    bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, terwijl regulier onderhoud door het
                    bevoegd gezag niet langer volstaat.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>Noodzakelijk onderhoud aan permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van een prognose, die voldoet aan de vereisten
                    gesteld in bijlage II, het gebouw nog tenminste vier jaren voor de school nodig
                    is.</al><al><vet>1.11 Herstel constructiefouten</vet>De noodzaak van het herstel van
                    constructiefouten blijkt uit een bouwkundige rapportage waarin wordt vastgesteld
                    dat het gaat om (herstel van) een constructiefout.</al><al><vet>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet>De noodzaak van
                    herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden bijzondere
                    omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><al><vet>I 1 Overzicht ‘Onderhoud PO’</vet></al><al>Activiteiten die behoren tot het onderhoud:Vervangen dakbedekking,
                    hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten.Vervangen buitenberging c.q. dak
                    buitenberging.Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.Vervangen
                    brandtrap.Vervangen erfscheiding.Vervangen/herstellen riolering/bestrating
                    schoolplein.Vervangen binnenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                    activiteit).Vervangen buitenkozijnen inclusief hang en sluitwerk (renovatie
                    activiteit).Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen (renovatie
                    activiteit).Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.Vervangen
                    boeiboorden</al><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al>Werkafspraken t.a.v. glasschades alsmede (kleinere) schades als gevolg van
                    vernieling/vandalisme. De aanduiding dat herstel en vervanging in verband met
                    schade aan een gebouw geldt als een huisvestingsvoorziening betekent dat de
                    beoordeling van deze voorziening dient te verlopen via de reguliere procedure
                    van het programma of via de spoedprocedure. De reguliere procedure zal niet
                    geschikt zijn voor de afhandeling van dergelijke aanvragen. Het herstel van
                    schade is meestal spoedeisend. Daarbij komt dat zeker voor de kleine schades
                    (bijvoorbeeld glasschade) de reguliere procedure te zwaar en omslachtig is.Dit
                    pleit ervoor om de kleinere schades (glasschade alsmede kleinere schades
                    ontstaan als gevolg van vernieling/vandalisme) door burgemeester en wethouders
                    te laten afwikkelen in het kader van de spoedprocedure (art 19 van de
                    verordening).Om voor vergoeding in aanmerking te komen dient bij het verzoek een
                    factuur (bij glasschade) te worden overgelegd. In het verzoek dient verklaart te
                    worden dat de schade niet bij een derde verhaalbaar is. Indien het
                    vernieling/vandalisme betreft dient eveneens een proces-verbaal te worden
                    bijgevoegd. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses</label><nr>2</nr><titel/></kop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging.</al><al>In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van
                    welke prognosetermijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat
                    voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is,
                    terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om
                    het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een
                    korte-termijnprognose.</al><al>De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de
                    school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:a. het
                    voedingsgebied of de voedingsgebieden; b. de aanwezige bevolking, verdeeld in
                    relevante leeftijdsgroepen;c. de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief
                    een eventuele uitbreiding van het voedingsgebied;d. de veranderingen in de
                    onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking als gevolg van migratie, sterfte
                    en geboorte;e. de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                    woningvoorraad;f. de verdeling van de leerlingen als gevolg van de
                    belangstelling voor de school eng. het onderwijs dat wordt gegeven.De prognose
                    is niet meer dan 2 jaar oud.</al><al>De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode
                    van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de
                    indiening van de aanvraag.</al><al>Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van
                    de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een
                    basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van
                    het voedingsgebied op wijkniveau. Bij aanlevering van een prognose dienen de
                    relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode op papier
                    te zijn afgedrukt.Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte
                    programmatuur en de aannames/assumpties met het gestelde onder d tot en met g,
                    waarop de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</al><al>Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te
                    stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen.Voorafgaand
                    aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van
                    overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld in artikel 2, tweede
                    lid onder b van de verordening overleg lokaal onderwijsbeleid gemeente Bergen
                    (L.). </al></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria voor oppervlakte en indeling</label><nr>3</nr><titel/></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:– deel A:
                    de bepaling van de capaciteit;– deel B: wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte;– deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;– deel D:
                    minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al><al><vet>DEEL A De bepaling van de capaciteit</vet></al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet>De capaciteit van de gebouwen voor het
                    basisonderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld.Het college kan
                    in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot
                    vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien
                    de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van
                    culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><al><vet>1.1 Gebouwen van hoofd en nevenvestigingen met een permanente of tijdelijke
                        bouwaard</vet>De bruto vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van
                    een gebouw is de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de
                    ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de
                    schoolgebouwen in het primair onderwijs’.De capaciteit van een gebouw voor een
                    basisschool wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt
                    is. Het aantal groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het desbetreffende
                    gebouw. Het aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten,
                    inclusief het handvaardigheidlokaal groter dan of gelijk aan 42 m². De
                    speellokalen worden niet meegeteld.Indien een deel van een gebouw is
                    gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding
                    wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend.
                    Dit deel wordt wel geregistreerd. Om te kunnen bepalen of een gebouw is
                    overgedimensioneerd dient een relatie te worden gelegd tussen de
                    capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het aantal groepen en normatieve
                    capaciteitsvaststelling.Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief
                    geschikt is, wordt, op basis van de BVO, vastgesteld met behulp van de
                    onderstaande tabellen 1, 2 en 3 voor respectievelijk huisvesting met een
                    permanente bouwaard en huisvesting met een tijdelijke bouwaard.</al><al><vet>Tabel 1 Gebouwen met een permanente bouwaard</vet>Permanente gebouwen voor
                    een basisschool waarin meer dan 30 leerlingen worden gehuisvestMinimale bruto
                    vloeroppervlakte Aantal groepen leerlingen350 2465 3580 4785 5900 61015 71130
                    81245 91360 101475 111590 121705 131820 14en vervolgens telkens te verhogen met
                    115 m² ten behoeve van 1 groep leerlingen.Indien het gebouw beschikt over een
                    tweede speellokaal wordt de minimale brutovloeroppervlakte zoals weergegeven in
                    tabel 1, opgehoogd met 90 m².</al><al>Permanente gebouwen voor een basisschool waarin minder dan 31 leerlingen worden
                    gehuisvest:Minimale bruto vloeroppervlakte Aantal groepen leerlingen330 2</al><al><vet>Tabel 2 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige
                        huisvesting</vet>Minimale bruto vloeroppervlakte Aantal groepen
                    leerlingen</al><al>305 2410 3515 4710 5815 6920 71025 8en vervolgens telkens te verhogen met 105 m²
                    ten behoeve van 1 groep leerlingen</al><al><vet>Tabel 3 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende
                    huisvesting</vet>Minimale bruto vloeroppervlakte Aantal groepen leerlingen100
                    1180 2260 3340 4420 5en vervolgens telkens te verhogen met 80 m² ten behoeve van
                    1 groep leerlingen.</al><al>Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het aantal
                    groepen zoals vastgesteld op basis van de tabellen 1, 2 of 3, is het aantal
                    lokalen de capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal lokalen
                    kleiner is dan het aantal groepen zoals is vastgesteld op basis van de tabellen
                    1, 2 of 3, wordt de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke
                    BVO en de normatieve BVO behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw
                    geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal m² waarmee de BVO van het
                    gebouw is ‘overgedimensioneerd’. De registratie vindt plaats vanwege het
                    mogelijk verwerken van deze ‘overdimensionering’ van de BVO op het moment dat
                    het gebouw ten behoeve van de vergroting van de capaciteit moet worden
                    uitgebreid.</al><al><vet>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                    bouwaard</vet>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor
                    basisscholen geldt het gestelde onder 1.1 met uitzondering van de verwijzing
                    naar de tabellen 1, 2 en 3. Voor de bepaling van het aantal te huisvesten
                    groepen leerlingen wordt uitgegaan van 115 m² BVO per groep leerlingen indien
                    sprake is van een gebouw met een permanente bouwaard en van 80 m² per groep
                    leerlingen indien sprake is van een gebouw met een tijdelijke bouwaard.</al><al><vet>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet>De vaststelling van de
                    rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik
                    beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal leerlingen. Dit
                    is het gebouw met het hoogste rangordenummer.Indien een voorziening in de
                    huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een school, een hoofdvestiging of
                    een nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze
                    gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de
                    gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                    Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat
                    nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit.Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van
                    de overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij
                    de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de
                    gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij
                    als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De
                    vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><al><vet>1.4 Terrein</vet>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal
                    perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich
                    bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale
                    registratie van het Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet
                    overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein dan wordt het met
                    overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al><vet>1.5 Inventaris</vet>Met de inventarisgegevens worden de gegevens bedoeld,
                    waarmee het aantal groepen van de desbetreffende school wordt vastgesteld,
                    waarvoor het onderwijsleerpakket en meubilair aanwezig is. De aanwezigheid van
                    het onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het meubilair worden worden
                    afzonderlijk vastgelegd. a. onderwijsleerpakket- Het aantal groepen waarvoor
                    onderwijsleerpakket aanwezig is, is gelijk aan het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is bij aanvang van het schooljaar 2001/2002. Indien in
                    het verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor meer groepen
                    onderwijsleerpakket is verstrekt, toont het college dit aan door middel van de
                    door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen afgegeven
                    beschikkingen, dan wel door middel van de correspondentie tussen het college en
                    het desbetreffende schoolbestuur. Van het laatste is sprake indien het college,
                    zonder tussenkomst van het ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste aanschaf
                    van onderwijsleerpakket. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO,
                    voor minder groepen onderwijsleerpakket is verstrekt, toont het bevoegd gezag
                    van de school dit aan. - Het bovenstaand aantal groepen onderwijsleerpakket
                    dient te worden geconverteerd met behulp van onderstaande omrekentabel. </al><table summary=""><title>Omrekentabel onderwijsleerpakket</title><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al>OUD</al></entry><entry><al>NIEUW</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>5</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>6</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>8</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>10</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>11</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>12</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>13</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>14</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>15</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>16</al></entry></row><row><entry><al>16</al></entry><entry><al>17</al></entry></row><row><entry><al>17</al></entry><entry><al>19</al></entry></row><row><entry><al>18</al></entry><entry><al>20</al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al>20</al></entry></row><row><entry><al>20</al></entry><entry><al>21</al></entry></row><row><entry><al>21</al></entry><entry><al>23</al></entry></row><row><entry><al>22</al></entry><entry><al>24</al></entry></row><row><entry><al>23</al></entry><entry><al>25</al></entry></row><row><entry><al>24</al></entry><entry><al>26</al></entry></row><row><entry><al>25</al></entry><entry><al>28</al></entry></row><row><entry><al>26</al></entry><entry><al>28</al></entry></row><row><entry><al>27</al></entry><entry><al>30</al></entry></row><row><entry><al>28</al></entry><entry><al>30</al></entry></row><row><entry><al>29</al></entry><entry><al>32</al></entry></row><row><entry><al>30</al></entry><entry><al>33</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> b.meubilairHet aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, wordt bepaald aan
                    de hand van de volgende twee stappen:- Het aantal groepen waarvoor meubilair
                    aanwezig is, is gelijk aan het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk
                    is bij aanvang van het schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na
                    inwerkingtreding van de WBO, voor meer groepen meubilair is verstrekt, toont het
                    college dit aan door middel van de door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                    Wetenschappen afgegeven beschikkingen, dan wel door middel van correspondentie
                    tussen het college en het desbetreffende schoolbestuur. Van het laatste is
                    sprake indien het college, zonder tussenkomst van het ministerie, zelf heeft
                    voorzien de eerste aanschaf van meubilair. Indien in het verleden, na
                    inwerkingtreding van de WBO, voor minder groepen meubilair is verstrekt, toont
                    het bevoegd gezag van de school dit aan.- Het bovenstaand aantal groepen
                    meubilair dient te worden geconverteerd met behulp van onderstaande
                    omrekentabel:Omrekentabel meubilair</al><table summary=""><title>Omrekentabel meubilair</title><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al>OUD</al></entry><entry><al>NIEUW</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>5</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>8</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>9</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>11</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>12</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>13</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>14</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>15</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>17</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>18</al></entry></row><row><entry><al>16</al></entry><entry><al>19</al></entry></row><row><entry><al>17</al></entry><entry><al>20</al></entry></row><row><entry><al>18</al></entry><entry><al>22</al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al>23</al></entry></row><row><entry><al>20</al></entry><entry><al>24</al></entry></row><row><entry><al>21</al></entry><entry><al>25</al></entry></row><row><entry><al>22</al></entry><entry><al>26</al></entry></row><row><entry><al>23</al></entry><entry><al>27</al></entry></row><row><entry><al>24</al></entry><entry><al>29</al></entry></row><row><entry><al>25</al></entry><entry><al>30</al></entry></row><row><entry><al>26</al></entry><entry><al>31</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De aanwezigheid van OLP en van het meubilair worden afzonderlijk
                    vastgelegd.</al><al><vet>1.6 Gymnastiekruimten</vet></al><al><vet>1.6.1 Gymnastiekruimte</vet>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het
                    basisonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al><vet>1.6.2 Terrein</vet>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd
                    bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande
                    gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het
                    lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al><vet>1.6.3 Inventaris</vet>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht
                    voldoende te zijn.</al><al><vet>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</vet></al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al><vet>1.1 Lesgebouwen</vet>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend
                    voor de huisvestingsbehoefte. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg
                    van een aanvraag voor opneming op het programma, is afhankelijk van de vraag of
                    een voor blijvend gebruik bestemde voorziening dan wel een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening wordt toegekend. Ten behoeve van de bepaling van de
                    omvang van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een basisschool
                    wordt voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de
                    formule onder a. Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de
                    bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder b.
                    De formatie die aan basisscholen wordt toegekend is opgebouwd uit de
                    bestanddelen formatie onderbouw (A), formatie bovenbouw (B), kleine
                    scholentoeslag (C) en schoolgewicht (D).</al><al>a Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening voor een basisschool:</al><al>G=(A+B+C)/ 179</al><al>Waarbij:G = de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen.Het
                    verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal groepen.A= het
                    aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1 oktober voorafgaande aan elk
                    jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,
                    vermenigvuldigd met 9. Het verkregen getal A wordt niet afgerond.B = het aantal
                    leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaarwaarop
                    de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,vermenigvuldigd
                    met 6,17. Het verkregen getal B wordt niet afgerond.C = 280 minus (het totaal
                    aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose
                    betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06).
                    Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor C op 0
                    bepaald. Het verkregen getal C wordt niet afgerond.</al><al>b Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk
                    gebruikbestemde voorziening voor een basisschool:G = (A + B + C + D) / 179 + E +
                    0,5 F</al><al>Waarbij:G = de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen.Het
                    verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal groepen.A = a
                    het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de meest recente teldatum
                    1oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 9. b (indien de
                    formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantalleerlingen zoals
                    bedoeld in het Besluit Bekostiging WPO) het aantal leerlingen van4 tot en met 7
                    jaar dat op de datum van de meest recente telling op de school isingeschreven,
                    vermenigvuldigd met 9. Het verkregen getal wordt niet afgerond.B= a leerlingen
                    het aantal van 8 jaar en ouder dat op de meest recente teldatum 1oktober op de
                    school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17. b (indien de formatie opnieuw
                    wordt berekend bij een toename van het aantalleerlingen zoals bedoeld in het
                    Besluit bekostiging WPO) het aantal leerlingen van8 jaar en ouder dat op de
                    datum van de meest recente telling op de school isingeschreven, vermenigvuldigd
                    met 6,17. Het verkregen getal wordt niet afgerond.C = a 280 minus (het totaal
                    aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum 1oktober op de school is
                    ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06).</al><al> B (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                    aantalleerlingen zoals bedoeld in het Besluit Bekostiging WPO) 280 minus (het
                    totaalaantal leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op de
                    school isingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06).Indien de uitkomst van deze
                    berekening negatief is, wordt de factor C op 0 bepaald.Het verkregen getal wordt
                    niet afgerond. D = a som van de gewichten op basis van het totaal aantal
                    leerlingen dat op demeest recente teldatum 1 oktober op de school is
                    ingeschreven, verminderd met8 % van het totaal aantal leerlingen dat op de meest
                    recente teldatum 1 oktoberop de school is ingeschreven. Indien het schoolgewicht
                    D hoger is dan 80% van het aantal op de meest recente teldatum 1 oktober
                    ingeschreven leerlingen van de school, wordt het schoolgewicht D vastgesteld op
                    80% van het aantal op de meest recente teldatum 1 oktober op de school
                    ingeschreven leerlingen. Het verkregen getal wordt rekenkundig afgerond op een
                    geheel getal. Dit gehele getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met 3,2. b
                    (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                    aantalleerlingen zoals bedoeld in het Besluit Bekostiging WPO) som van de
                    gewichten opbasis van het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest
                    recentetelling op de school is ingeschreven, verminderd met 8 % voor het
                    schooljaar 2007-2008 van het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de
                    meest recente telling op de school is ingeschreven. Indien het schoolgewicht D
                    hoger is dan 80% van het aantal op de meest recente teldatum 1 oktober
                    ingeschreven leerlingen van de school, wordt het schoolgewicht D vastgesteld op
                    80% van het aantal op de meest recente teldatum 1 oktober op de school
                    ingeschreven leerlingen. Het verkregen getal wordt rekenkundig afgerond op een
                    geheel getal. Dit gehele getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met 3,2.Indien
                    de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor D op 0 bepaald.Het
                    verkregen getal wordt niet afgerond.E= aanvullende formatie op grond van
                    bijzondere omstandigheden, toegekend op basisvan artikel 120, vijfde lid van de
                    Wet op het primair onderwijs.F = het aantal formatieplaatsen
                    onderwijsachterstandenbestrijding dat door de gemeentewordt bekostigd vanuit de
                    specifieke uitkering.</al><al><vet>1.2 Gymnastiekruimten</vet>Voor een basisschool is het aantal groepen
                    bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep 6- tot 12-jarigen wordt
                    maximaal 1,5 klokuur gymnastiek vergoed. Het aantal groepen is afhankelijk van
                    het aantal formatieplaatsen. T.b.v. de bepaling van het aantal formatieplaatsen
                    wordt uitgegaan van de formule G = (A + B + C + D) / 179. De componenten G, A, B
                    C en D zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel b, onder 1.1. Voor
                    het bepalen van het aantal groepen 6-12 jarigen wordt aangesloten bij het
                    normatieve overzicht "splitsing aantal groepen leerlingen" zoals weergegeven in
                    tabel 5.</al><al><vet>Tabel 5 Splitsingstabel aantal groepen leerlingen (G)</vet></al><al>Deze tabel geeft inzicht in de genormeerde splitsing van het aantal groepen
                    leerlingen (G) in groepen 4- en 5-jarigen en groepen 6- tot en met 12-jarigen
                    ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening. Aangezien de
                    groepsgrootteverkleining in een aantal stappen wordt doorgevoerd, is in de tabel
                    voor verschillende jaren de splitsing in groepen 4- en 5-jarigen en groepen 6-
                    tot en met 12-jarigen gegeven. Vanaf 2002 wordt uitgegaan van de volledige
                    doorvoering van de groepsgrootteverkleining.</al><al/><al/><table summary=""><title>Splitsingstabel aantal groepen leerlingen</title><tgroup cols="3"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><tbody><row><entry><al><vet>Aantal groepen per school (G)</vet></al></entry><entry><al><vet>Aantal groepen 4-5 jarigen</vet></al></entry><entry><al><vet>Aantal groepen 6-12 jarigen</vet></al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>1</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>1</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>2</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>5</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>6</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>3</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>7</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>8</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>4</al></entry><entry><al>9</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>9</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>10</al></entry></row><row><entry><al>16</al></entry><entry><al>5</al></entry><entry><al>11</al></entry></row><row><entry><al>17</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>11</al></entry></row><row><entry><al>18</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>12</al></entry></row><row><entry><al>19</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>13</al></entry></row><row><entry><al>20</al></entry><entry><al>6</al></entry><entry><al>14</al></entry></row><row><entry><al>21</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>14</al></entry></row><row><entry><al>22</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>15</al></entry></row><row><entry><al>23</al></entry><entry><al>7</al></entry><entry><al>16</al></entry></row><row><entry><al>24</al></entry><entry><al>8</al></entry><entry><al>16</al></entry></row><row><entry><al>25</al></entry><entry><al>8</al></entry><entry><al>17</al></entry></row><row><entry><al>26</al></entry><entry><al>8</al></entry><entry><al>18</al></entry></row><row><entry><al>27</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>18</al></entry></row><row><entry><al>28</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>19</al></entry></row><row><entry><al>29</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>20</al></entry></row><row><entry><al>30</al></entry><entry><al>9</al></entry><entry><al>21</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie
                    voor een basisschool, wordt het aantal groepen bepaald door het aantal
                    leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als
                    bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.
                        <onderstreept>Gemeentelijke aanvulling:</onderstreept>Indien in de praktijk
                    blijkt dat er meer groepen (max. 1) 6- tot 12-jarigen geformeerd worden, vanwege
                    de onevenwichtige verdeling van de leerlingen in leeftijd, zal het aantal
                    klokuren hierop worden aangepast. Het feit dat er meer groepen geformeerd worden
                    blijkt o.a. uit de schoolgids.<vet>1.3 Bepaling aantal groepen ten behoeve van
                        (uitbreiding van) eerste aanschaf onderwijsleerpakket en
                    meubilair.</vet></al><al>De inrichting van een school bestaat uit de volgende componenten:a.
                    onderwijsleerpakketb. meubilair</al><al>a. onderwijsleerpakketTen behoeve van de bepaling van de omvang van de voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van
                    de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, wordt voor de bepaling van het
                    aantal groepen uitgegaan van de onderstaande formule.</al><al>G = (A + B + C + D) / 179 + E De componenten G, A, B, C, D en E zijn identiek
                    aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.1.</al><al>b. meubilairTen behoeve van de bepaling van de omvang van de door blijvend
                    gebruik bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste
                    aanschaf van het meubilair, wordt voor de bepaling van het aantal groepen
                    uitgegaan van onderstaande formule:</al><al>G = (A + B + C) / 179</al><al>De componenten G, A, B en C zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in
                    de formule voor permanent gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B,
                    onder 1.1.</al><al><vet>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</vet>De bepaling van de
                    omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is noodzakelijk om op basis
                    van bijlage IV, de financiële normering, de financiële consequenties vast te
                    stellen.</al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet></al><al><vet>1.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet>De omvang van de
                    goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, nieuwbouw, dan wel
                    vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting tenminste vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt
                    bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                    ruimtehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    tenminste vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen
                    van de ruimtehoefte’.</al><al>Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                    verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                    aanwezige aantal m² en het aantal m² behorende bij de geregistreerde capaciteit
                    van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door
                    aanpassing of door aanpassing in combinatie met uitbreiding van het bestaande
                    gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze
                    bijlage: ‘De bepaling van de capaciteit’. Uitbreiding van het gebouw vindt
                    plaats indien de kosten van aanpassing van het gebouw, dan wel aanpassing en
                    uitbreiding van het gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het
                    gebouw.Een toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de
                    omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen
                    nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging
                    van een bestaand gebouw, de vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de
                    huisvesting een uitbreiding dan wel een uitbreiding ter vervanging van een
                    bestaand gebouw betreft, geldt tevens als voorwaarde dat het bestaande gebouw
                    geen speellokaal bevat. Een tweede toeslag voor een afzonderlijk speellokaal
                    wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende
                    groep omvat.De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                    gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    tenminste vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                    ruimtehoefte’.De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde
                    voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen
                    het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen
                    waarvoor huisvesting aanwezig is.</al><al><vet>1.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet>De omvang van de
                    goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan wel
                    vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar. Het
                    aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze
                    van bepalen van de ruimtehoefte’.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening,
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het
                    aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze
                    van bepalen van de ruimtehoefte’.</al><al>Een tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van een speellokaal
                    wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding dan wel
                    uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, de vijfde groep omvat.
                    Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding dan wel een uitbreiding
                    ter vervanging van een bestaand gebouw betreft, geldt tevens als voorwaarde dat
                    het bestaande gebouw geen speellokaal bevat.Een tweede tijdelijke voorziening
                    voor één groep extra ten behoeve van een speellokaal wordt toegekend indien de
                    omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                    nieuwbouw dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende groep omvat. Indien in de
                    gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde verschiloppervlakte is
                    opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk aanwezige aantal m² en het
                    aantal m² behorende bij de geregistreerde capaciteit van het uit te breiden
                    gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit
                    van het gebouw kan worden gerealiseerd door aanpassing van het bestaande gebouw.
                    Het betreft de verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage:
                    ‘De bepaling van de capaciteit’. Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien
                    de kosten van aanpassing van het gebouw, hoger zijn dan de kosten van
                    uitbreiding sec van het gebouw.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting tenminste vier
                    jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt
                    bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de
                    ruimtehoefte’.De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen
                    het aantal groepen waarvoor huisvesting, tenminste vier jaar en korter dan
                    vijftien jaar, noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    aanwezig is.De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar. Het
                    aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze
                    van bepalen van de ruimtehoefte’.</al><al><vet>1.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorzieningen</vet>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
                    noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.</al><al>Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is bekostigd
                    en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket voor
                    het aantal groepen, op basis van het aantal gewogen leerlingen, zoals normatief
                    kan worden gevormd op de, voor het indienen van de aanvraag, meest recente
                    teldatum. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in paragraaf 1.3 van
                    deel B van deze bijlage.Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van
                    de eerste aanschaf van het meubilair, wordt bepaald door het verschil tussen het
                    aantal groepen waarvoor eerste aanschaf van het meubilair is bekostigd en de
                    normatief noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor het aantal
                    groepen, op basis van het aantal ongewogen leerlingen, zoals normatief kan
                    worden gevormd op de, voor het indienen van de aanvraag, meest recente teldatum.
                    Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in paragraaf 1.3 van deel B
                    van deze bijlage.</al><al>Voor een basisschool wordt een toeslag onderwijsleerpakket tweede speellokaal
                    toegekend indien er sprake is van een uitbreiding met een tweede speellokaal.
                    Voor een basisschool wordt een toeslag meubilair tweede speellokaal toegekend
                    indien er sprake is van een uitbreiding met een tweede speellokaal.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, danwel
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing (anders dan een
                    aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen) wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor
                    het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.De
                    omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs.</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al><vet>1.4 Gymnastiekruimten</vet>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel
                    vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij de realisering
                    zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage.</al><al>De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de
                    beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel
                    uitbreiding (bijlage I).</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein,
                    wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.</al><al>De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het
                    meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte,
                    wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor
                    andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is
                    bedoeld.</al><al>De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald
                    door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het
                    onderwijs en deomvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het
                    herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al><vet>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</vet></al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet>– minimum terreinoppervlakte betrekking
                    hebbende op het verharde gedeelte: 3 m²/ll met een minimum van 300 m² netto,
                    vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m² netto;– 1 speellokaal per
                    school met een minimum netto oppervlakte van 84 m², van de veertiende groep een
                    tweede speellokaal met een minimum netto oppervlakte van 84 m²;–
                    minimumoppervlakte leslokaal: 42 m² netto.</al><al><vet>2 Gymnastiekruimten</vet>– De oefenruimte is minimaal 252 m² netto.– De
                    hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.– Het gymnastiekgebouw bevat ten
                    minste 2 kleedruimten met een was /douchegelegenheid.</al><al><vet>III 1 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                        vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs’</vet>De
                    vaststelling van de bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw:De bruto
                    vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakten van
                    alle onderwijsruimten en andere ruimten op alle vloerniveaus. De bruto
                    vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd door de buitenomtrek c.q.
                    het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op vloerhoogte.De oppervlakte
                    van trappen en liften dient op ieder vloerniveau tot de bruto vloeroppervlakte
                    te worden gerekend.De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in of
                    aanpandige gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw.Bij
                    scheidingswanden tussen het lesgebouw en in of aanpandig gelegen
                    gymnastieklokalen wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de
                    scheidingsconstructie.Tot de bruto vloeroppervlakte wordt niet gerekend een
                    schalmgat of een vide, voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4
                    m².</al><al>Uitzonderingen:In en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend
                    van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte
                    gerekend.Indien de bruto vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen
                    de netto oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De bruto
                    vloeroppervlakte wordt dan verkregen door de gevonden nettovloeroppervlakte te
                    vermenigvuldigen met de factor 1,1.Bij zolderruimten, kelders of souterrains in
                    gebruik als onderwijsruimte of andere ruimte, wordt de bruto vloeroppervlakte
                    bepaald door de nettovloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije
                    hoogte &gt; 2,60 m te vermenigvuldigen met de factor 1,1. Voor zover een
                    zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging, keuken,
                    stencilruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de bruto
                    vloeroppervlakte. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Financiële normering</label><nr>4</nr><titel/></kop><al>De financiële normering valt uiteen in vier delen:– deel A: vergoeding op basis
                    van normbedragen;– deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten;– deel C:
                    bepaling medegebruikstarief;</al><al><vet>DEEL A Vergoeding op basis van normbedragen</vet>In onderstaande
                    normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding (1.1, 1.2 en 2.1.) is
                    tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8%
                    (bij projecten tot een bruto vloeropp. van 2500m²) respectievelijk 5% (bij
                    grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke
                    genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor
                    (vervangende) nieuwbouw wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de
                    kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht.</al><al><vet>1 School voor basisonderwijs</vet>In dit hoofdstuk zijn genormeerde
                    bedragen opgenomen voor:– nieuwbouw (paragraaf 1.1); uitbreiding (paragraaf
                    1.2);– tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3);– eerste inrichting met
                    onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 1.4);– onderhoud/aanpassing
                    (paragraaf 1.5) en gymnastiek (paragraaf 1.6).</al><al>De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen zijn bijgesteld ten behoeve van de
                    vergoedingen 2007. De bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil van 1 juli 2006
                    en voorzien van het MEV-indexcijfer voor 2007 (1,75% voor de
                    huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw en uitbreiding en 2,5% voor onderhoud,
                    eerste inrichting en klokurenvergoeding gymnastiek). De systematiek van
                    prijsbijstelling en indexering is opgenomen in hoofdstuk 4.</al><al><vet>1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard)</vet>De financiële normering voor
                    nieuwbouw valt uiteen in een vijftal kostencomponenten, te weten:– kosten voor
                    terrein;– bouwkosten;– toeslag voor paalfundering;– toeslag voor het realiseren
                    van een afzonderlijk speellokaal;– toeslag voor sloopkosten, herstel van
                    terreinen en verhuiskosten bij vervangende bouw.In het geval van vervangende
                    nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een gebouw ter vervanging van
                    een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering
                    voor uitbreiding (permanente bouwaard).</al><al><vet>Kosten voor terreinen</vet>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter
                    opgenomen, aangezien de gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na
                    aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur.
                    Indien een terrein dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten
                    worden gemaakt ten behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen
                    van gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening
                    tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen
                    zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt
                    aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van
                    terreinen. Voor de minimaal benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen
                    naar bijlage III, deel D.</al><al><vet>Bouwkosten</vet>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw,
                    inclusief fundering op staal, alsmede aanleg en inrichting van het
                    schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per
                    groep. Met deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto
                    vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:– Vaste voet (inclusief twee groepen): € 695.712,26– Elke volgende
                    groep: € 136.110,32</al><al><vet>Toeslag voor paalfundering</vet>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is
                    rekening gehouden met fundering van het gebouw op staal. In een aantal gevallen
                    zal fundering op palen nodig zijn. De kosten variëren met de lengte van de
                    paalfundering; er zijn drie categorieën, te weten 1 tot 15 meter, 15 tot 20
                    meter en 20 meter en langer. De vergoeding is uitgedrukt in een vast bedrag
                    (inclusief twee groepen) en een bedrag per groep.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><al/><table summary=""><title/><tgroup cols="4"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><colspec colname="col4"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>1 &lt; 15 m</al></entry><entry><al>15 &lt; 20 m</al></entry><entry><al>≥ 20 m</al></entry></row><row><entry><al>- vaste voet (incl twee groepen)</al></entry><entry><al>€ 9.794,84</al></entry><entry><al>€ 14.246,26</al></entry><entry><al>€ 22.741,25</al></entry></row><row><entry><al>- Elke volgende groep</al></entry><entry><al>€ 1.983,58</al></entry><entry><al>€ 3.355,07</al></entry><entry><al>€ 6.004,89</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor een afzonderlijk speellokaal</vet>In de hiervoor genoemde
                    bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van een speellokaal. De
                    toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk van de lengte van de
                    paalfundering, waarmee 90 m² ruimte gerealiseerd kan worden.De vergoeding voor
                    een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:– Geen
                    paalfundering nodig: € 106.521,94– Lengte paalfundering 1 &amp;lt; 15 meter: €
                    108.073,73– Lengte paalfundering 15 &amp;lt; 20 meter: € 109.147,16– Lengte
                    paalfundering ≥ 20 meter: € 111.220,42</al><al><vet>Toeslag voor sloopkosten herstel van terrein en verhuiskosten bij
                        vervangende bouw</vet>Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt bestaat de
                    mogelijkheid dat het oude schoolgebouw gesloopt dient te worden. Het
                    desbetreffende terrein moet daarna worden hersteld en, indien de vervangende
                    nieuwbouw op dezelfde plaats wordt gerealiseerd, dienen de leerlingen te
                    verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</al><al>De genormeerde vergoeding voor sloopkosten (inclusief eventuele verhuiskosten)
                    zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per groep,
                    afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te worden.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:– Permanente bouw: € 5.405,67 per groep– Tijdelijke bouw: € 2.703,98
                    per groep</al><al><vet>1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard)</vet>Voor uitbreiding van de
                    huisvesting in permanente bouwaard tot 1.035 m² brutovloeroppervlakte (maximaal
                    9 groepen) is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere
                    uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor
                    nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</al><al><vet>Kosten voor terrein</vet>Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter
                    opgenomen. Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de
                    bepaling van de kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij
                    nieuwbouw (paragraaf 1.1).</al><al><vet>Bouwkosten</vet>De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het lokaal,
                    inclusief fundering op staal, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel
                    van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een bedrag
                    per groep. Met deze vergoedingsbedragen kan de in bijlage III aangegeven bruto
                    vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:– Vaste voet: € 98.231,61– Bedrag per groep: € 157.464,92</al><al><vet>Toeslag voor paalfundering</vet>Bij de hiervoor genoemde bouwkosten is
                    rekening gehouden met fundering van de uitbreiding van het gebouw op staal. In
                    een aantal gevallen zal echter fundering op palen nodig zijn. De kosten variëren
                    met de lengte van de paalfundering; er zijn drie categorieën, te weten 1 tot 15
                    meter, 15 tot 20 meter en 20 meter en langer. De vergoeding is uitgedrukt in een
                    vast bedrag en een bedrag per groep.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:</al><al/><table summary=""><title/><tgroup cols="4"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><colspec colname="col4"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>1 &lt; 15 m</al></entry><entry><al>15 &lt; 20 m</al></entry><entry><al>≥ 20 m</al></entry></row><row><entry><al>– Vaste voet</al></entry><entry><al>€ 4.397,24</al></entry><entry><al>€ 5.734,74</al></entry><entry><al>€ 9.200,62</al></entry></row><row><entry><al>– Per groep</al></entry><entry><al>€ 695,82</al></entry><entry><al>€ 1.803,48</al></entry><entry><al>€ 3.646,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Toeslag voor een afzonderlijk speellokaal</vet>In de hiervoor genoemde
                    bedragen is geen rekening gehouden met de toewijzing van een speellokaal. De
                    toeslag bestaat uit een vast bedrag per ruimte, afhankelijk van de lengte van de
                    paalfundering, waarmee 90 m² ruimte gerealiseerd kan worden. Hierbij wordt ervan
                    uitgegaan dat een afzonderlijk speellokaal steeds in combinatie met een
                    uitbreiding van ten minste één groep (lokaal) plaatsvindt.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:– Geen paalfundering nodig: € 123.233,98– Lengte paalfundering 1
                    &amp;lt; 15 meter: € 123.777,88– Lengte paalfundering 15 &amp;lt; 20 meter: €
                    124.644,91– Lengte paalfundering ≥ 20 meter: € 126.087,45</al><al>In geval van uitbreiding met alleen een speellokaal zonder gelijktijdige
                    toekenning van een ander lokaal word voor een basisschool de vergoeding op basis
                    van de volgende bedragen bepaald:– Geen paalfundering nodig: € 221.433,54–
                    Lengte paalfundering 1 &amp;lt; 15 meter: € 227.780,97– Lengte paalfundering 15
                    &amp;lt; 20 meter: € 229.167,18– Lengte paalfundering ≥ 20 meter: €
                    230.292,35</al><al><vet>Toeslag voor sloopkosten herstel van terrein en verhuiskosten bij
                        vervangende bouw</vet>Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw
                    (permanente bouwaard).</al><al><vet>1.3 Tijdelijke voorziening</vet>De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd
                    op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw van een voor
                    tijdelijk gebruik bestemd gebouw als hoofdlocatie, uitbreiding van een
                    (permanente) hoofdlocatie met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw en
                    uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen. Daarnaast
                    wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke voorziening door middel van
                    huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten
                    wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op het
                    aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor
                    de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw
                    (paragraaf 1.1).Indien een uitbreiding als gevolg van de
                    groepsgrootteverkleining gelijktijdig wordt toegekend met een uitbreiding als
                    gevolg van de feitelijke groei van het aantal leerlingen, wordt eenmaal de vaste
                    voet toegekend.</al><al><vet>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie</vet>Bij
                    de berekening van de hieronder genoemde bedragen voor nieuwbouw van noodlokalen
                    is uitgegaan van de volgende bruto vloeroppervlakte:– Per groep: 80 m²;– Toeslag
                    voor eerste groep: 20 m²;– Toeslag voor nieuwbouw als hoofdlocatie: 160 m².</al><al>Elk voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw heeft een aantal
                    standaardvoorzieningen nodig (entree en dergelijke). In verband hiermee wordt
                    voor het eerste lokaal een toeslag gegeven. Hiernaast dienen voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorzieningen, die als hoofdgebouw gaan fungeren, ook te
                    beschikken over een aantal ruimten, die normaliter ook in een permanent
                    hoofdgebouw aanwezig zijn (lerarenkamer, administratieruimte en dergelijke).
                    Hiervoor wordt eveneens een toeslag gegeven. De vergoeding bestaat uit een vast
                    bedrag, een bedrag per groep alsmede bedragen voor de beide toeslagen. In deze
                    bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag
                    voor herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op
                    nutsvoorzieningen. Tussen haakjes staan de bedragen indien paalfundering niet
                    noodzakelijk is.</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                    bedragen:– Vast bedrag: € 40.430,98 (€ 40.057,27)– Bedrag per groep: € 79.486,12
                    (€ 74.933,67)– Toeslag eerste groep: € 19.871,39 (€ 18.733,56)– Toeslag
                    hoofdlocatie: € 158.971,66 (€ 149.867,34)</al><al><vet>Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen</vet>Ook bij uitbreiding
                    van tijdelijke voorzieningen wordt wat betreft de bruto vloeroppervlakte
                    uitgegaan van 80 m² per groep. De vergoeding bestaat uit een vast bedrag en een
                    bedrag per groep. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor
                    paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen (tussen
                    haakjes staan de bedragen indien paalfundering niet noodzakelijk is).De
                    vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:– Vast bedrag: €
                    22.726,58 (€ 18.248,88)– Bedrag per groep: € 83.288,25 (€ 81.199,46)</al><al><vet>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</vet>Naast aankoop kan
                    een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd. In principe zijn
                    er twee typen huur mogelijk, te weten huur van een noodlokaal en huur van een
                    bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van werkelijke
                    kosten (zie deel B: Vergoeding op basis van feitelijke kosten).</al><al><vet>1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet>De bedragen
                    voor eerste inrichting vallen uiteen in bedragen voor onderwijsleerpakket (OLP)
                    en bedragen voor meubilair. De hierna opgenomen bedragen zijn
                    investeringsbedragen per school met een gegeven aantal groepen. Bij uitbreiding
                    wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de
                    investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.Voor nieuwe
                    instituten geldt dat op de hierna genoemde bedragen, bij eerste aanschaf van het
                    totale onderwijsleerpakket en meubilair, een korting wordt toegepast van
                    10%.</al><al><vet>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</vet></al><al/><table summary=""><title>vergoedingstabel</title><tgroup cols="5"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><colspec colname="col4"/><colspec colname="col5"/><tbody><row><entry><al>Aantal groepen</al></entry><entry><al>OLP</al></entry><entry><al>Meubilair</al></entry><entry><al>Totaal</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>41.782,02</al></entry><entry><al>24.937,81</al></entry><entry><al>66.719,84</al></entry><entry><al>incl. speellokaal</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>47.546,84</al></entry><entry><al>33.511,63</al></entry><entry><al>81.058,47</al></entry><entry><al>incl. speellokaal</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>59.167,98</al></entry><entry><al>42.353,75</al></entry><entry><al>101.521,72</al></entry><entry><al>incl. speellokaal</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>65.144,74</al></entry><entry><al>50.928,09</al></entry><entry><al>116.072,82</al></entry><entry><al>incl. speellokaal</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Elke volgende groep</al></entry><entry><al>6.328,28</al></entry><entry><al>5.982,96</al></entry><entry><al>12.311,24</al></entry><entry><al>excl. speellokaal</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Toeslag tweede speellokaal</al></entry><entry><al>825,02</al></entry><entry><al>5.722,43</al></entry><entry><al>6.547,45</al></entry><entry><al>zowel olp als meub.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al/><al/><al><vet>1.5 Onderhoud/aanpassing</vet>Voor de in bijlage 1 onderscheiden
                    onderhoudsactiviteiten kan een aanvraag voor vergoeding worden ingediend bij de
                    gemeente. Gekozen is voor een vergoeding op basis van feitelijke kosten (op
                    offerte-basis), en niet op basis van normbedragen. Dit is ook van toepassing op
                    aanpassingen incl. de onderwijskundige vernieuwingen</al><al><vet>1.6 Gymnastiek</vet></al><al><vet>Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding</vet></al><al><vet>Nieuwbouw</vet>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een
                    gymnastiekzaal voor een basisschool met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m²
                    bedraagt € 746.345,83 (op het schoolterrein) respectievelijk € 761.441,11 (op
                    afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op
                    staal, alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet
                    begrepen.Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven
                    afhankelijk van de benodigde paallengte.De vergoeding wordt bepaald op basis van
                    de volgende bedragen:– Paallengte 1 &amp;lt; 15 meter: € 15.011,92– Paallengte
                    15 &amp;lt; 20 meter:€ 20.694,71– Paallengte ≥ 20 meter: € 29.064,82</al><al>UitbreidingBij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie
                    aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een
                    bruto-vloeroppervlakte van 455 m².Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de
                    oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m² of minder, kan de oefenvloer worden
                    uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m². Afhankelijk van de benodigde
                    uitbreiding zien de bedragen voor een basisschool er als volgt uit:– Uitbreiding
                    met 112 t/m 120 m²: € 173.404,03– Uitbreiding met 121 t/m 150 m²: €
                    210.796,41</al><al>Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt
                    een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.De vergoeding wordt
                    bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al/><table summary=""><title/><tgroup cols="3"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>112-120 m2</al></entry><entry><al>121-150m2</al></entry></row><row><entry><al>– Paallengte 1 &lt; 15 meter:</al></entry><entry><al>€ 6.720,58</al></entry><entry><al>€ 8.403,45</al></entry></row><row><entry><al>– Paallengte 15 &lt; 20 meter:</al></entry><entry><al>€ 11.640,42</al></entry><entry><al>€ 14.546,78</al></entry></row><row><entry><al>– Paallengte ≥ 20 meter:</al></entry><entry><al>€ 19.030,81</al></entry><entry><al>€ 23.788,51</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>OLP/meubilair</vet>De vergoeding voor de eerste inrichting met
                    OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal voor een basisschool bedraagt €
                    45.305,43.</al><al><vet>2 Indexering</vet>De in deze bijlage genoemde normbedragen zijn afgeleid
                    van het prijspeil van 1 juli 1996. Jaarlijks worden door het college de
                    werkelijke prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte
                    prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de
                    vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma bekendgemaakt.</al><al><vet>Werkelijke prijsontwikkeling</vet>Jaarlijks worden de normbedragen
                    aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar.
                    Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt
                    jaarlijks na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt. Voor de
                    voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer
                    aangehouden het CBS-indexcijfer ‘Nieuwbouw woningen; outputindex 2000=100
                    (inclusief btw)’, gepubliceerd in de ‘Maandstatistiek bouwnijverheid’ van het
                    CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het tweede kwartaal van het
                    daaraan voorafgaande jaar.Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting
                    leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek wordt
                    als prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het CBS indexcijfer
                    “Consumentenindex van alle huishoudens (NR-reeks), gepubliceerd in de
                    ‘Maandstatistiek van de prijzen’ van het CBS over de maand juli van het
                    afgelopen jaar en de maand juli van het daaraan voorafgaande jaar.Indien de
                    CBS-indexcijfers over het eerste kwartaal van het lopende en het tweede kwartaal
                    van het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</al><al><vet>Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma</vet>Naast de
                    bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma wordt
                    vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het werkelijk
                    prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is noodzakelijk om
                    de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma en het moment van
                    vergoeding vast te stellen.</al><al>Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het
                    MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) ‘bruto investeringen voor woningen’,
                    zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.Voor de voorzieningen
                    onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de
                    klokuurvergoedingen gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer
                    ‘prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie’, zoals bekendgemaakt
                    op de derde dinsdag in september.</al><al><vet>DEEL B Vergoeding op basis van feitelijke kosten</vet>In artikel 4 van deze
                    verordening is aangegeven welke voorzieningen worden vergoed op basis van
                    normbedragen en welke voorzieningen worden vergoed op basis van feitelijke
                    kosten. Indien goedgekeurde huisvestingsvoorzieningen, ingevolge artikel 4, 3e
                    lid laatste volzin, worden vergoed op basis van feitelijke kosten, dient aan de
                    in dit deel van de bijlage opgenomen offerte en aanbestedingsregels te worden
                    voldaan.Onder feitelijke kosten dienen eveneens de noodzakelijke kosten voor
                    architect constructeuren adviseur te worden verstaan. Eveneens behoren de
                    legeskosten bij de feitelijke kosten. De hiervoor genoemde feitelijke kosten
                    moeten opgenomen zijn in/bij de offerte.</al><al><vet>Offerte</vet>- bij aanvraag 3 offertes (besluit college 21 januari 2003 nr.
                    203)- omschrijving van de aard van de werkzaamheden- opnemen hoeveelheid en
                    soort materialen alsmede arbeidsuren- bestek en tekening indien aanwezig- korte
                    omschrijving van de te volgen werkwijze- geldigheidsduur offerte</al><al><vet>Europese aanbesteding</vet>Indien de omvang van een opdracht of contract
                    boven een bepaald bedrag uitkomt, worden ingevolge het Besluit
                    overheidsaanbestedingen de richtlijnen van de Europese Unie (2004/18/EG)
                    toegepast. Deze richtlijnen gelden vanaf de volgende bedragen:– 211.000 Euro
                    (excl. BTW) voor leveringen en diensten;– 5.278.000 Euro (excl. BTW) voor
                    werken.Bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke, vallen
                    onder de definitie ‘werken’. Aankoop van bijvoorbeeld meubilair of
                    onderwijsleerpakket valt onder ‘leveringen’. Bij aankoop van gebouwen en
                    terreinen is de richtlijn uiteraard niet van toepassing.</al><al><vet>Opdrachten onder het Europees drempelbedrag</vet>Op opdrachten onder het
                    Europees drempelbedrag zijn de richtlijnen, zoals vastgelegd in het Besluit
                    overheidsaanbestedingen, van toepassing.</al><al>Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de verordening worden afspraken gemaakt
                    over de wijze van aanbesteding. Als uitgangspunt hierbij geldt dat, op basis van
                    het vastgestelde gemeentelijk beleid bepaald wordt op welke wijze een opdracht
                    wordt aanbesteed, tenzij het college na overleg anders beslist.</al><al><vet>DEEL C Bepaling medegebruikstarieven</vet>Een bevoegd gezag van een school
                    voor basisonderwijs, voor (voortgezet) speciaal onderwijs, voor voortgezet
                    onderwijs alsmede een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
                    beroepsonderwijs betaalt voor het onderwijsgebruik van een lokaal, niet zijnde
                    een gymnastiekruimte, een vergoeding. Deze vergoeding is gelijk aan het bedrag
                    dat voor elke groep bij meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld
                    binnen de groepsafhankelijke programma's van eisen voor het basisonderwijs,
                    zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur
                    en Wetenschappen. </al></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</label><nr>5</nr><titel/></kop><al><vet>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</vet>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd
                    voor hetzelfde jaar die voldoen aan de criteria, als bedoeld in artikel 12,
                    eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter samenstelling van het programma en
                    het overzicht gerangschikt in volgorde van prioriteit.</al><al>Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:1 voorzieningen om
                    capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen;2
                    voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven i.c.
                    onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;3 voorzieningen noodzakelijk om te
                    voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen bestaande uit
                    aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding inhouden;4
                    voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige
                    inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan
                    de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al><al><vet>Ad 1</vet>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los
                    van andere voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en
                    het inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al><al><vet>Ad 2</vet>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging
                    van een ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het
                    primair onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van
                    schade in bijzondere omstandigheden en de aanpassing ‘vervanging van een
                    oliegestookte verwarmingsinstallatie’ in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit.</al><al><vet>Ad 3</vet>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering
                    van het (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een
                    oliegestookte verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</al><al><vet>Ad 4</vet>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van
                    nieuwe onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al><al>2<vet> Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de
                    subprioriteiten</vet>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van
                    de subprioriteit de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige
                    hoofdprioriteiten, namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit
                    bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere
                    voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de
                    subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast.Onder
                        <cursief>lesruimten</cursief> vallen: theorielokalen/leslokalen,
                    vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten. Onder <cursief>niet lesruimten
                    </cursief>vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige nevenruimten binnen
                    het gebouw.Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen
                    en voorzieningen aan het terrein.</al><al><vet>2.1 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen om capaciteitstekorten als
                        bepaald op basis van bijlage III op te heffen’ komt voor plaatsing op het
                        programma in aanmerking:</vet>a als eerste die voorziening die relatief
                    gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met
                    herschikking van schoolgebouwen;b vervolgens die voorziening die relatief gezien
                    een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder
                    herschikking van schoolgebouwen enc vervolgens die voorziening die relatief
                    gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten
                    opheft.</al><al><vet>2.2 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                        onderhoudsniveau te handhaven’ komt voor plaatsing op het programma in
                        aanmerking:</vet>a als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens
                    het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste
                    score qua kwaliteit wordt toegekend;b vervolgens die voorziening aan een
                    theorielokaal/leslokaal waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in
                    artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;c
                    vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                    waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                    c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;d vervolgens die voorziening
                    aan een niet lesruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in
                    artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;e
                    vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                    bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score
                    qua kwaliteit wordt toegekend.</al><al><vet>2.3 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan
                        bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor
                        zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen’ komt voor plaatsing op het
                        programma in aanmerking:</vet>a als eerste de voorziening aan een gebouw dat
                    niet voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie
                    volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;b
                    vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet voldoet aan
                    de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport
                    zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; c vervolgens de
                    voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte dat niet voldoet aan
                    de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport
                    zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; d vervolgens de
                    voorziening aan een niet lesruimte die niet voldoet aan de wet en regelgeving en
                    waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7,
                    lid 2 onder c, de minste is; ene vervolgens de voorziening aan een overige
                    ruimte die niet voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige
                    conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de
                    minste is.</al><al><vet>2.4 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg
                        van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige
                        aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het
                        onderwijs’ komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:</vet>a als
                    eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                    vernieuwingenaan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal groepen
                    leerlingen het hoogst isb vervolgens de voorziening voor
                    theorielokalen/leslokalen waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe
                    onderwijskundige beleid geldt het hoogst is;c vervolgens de voorziening voor
                    vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten waarbij het percentage leerlingen
                    waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het hoogst is;d vervolgens de
                    voorziening aan niet lesruimte die als lesruimte in gebruik wordt genomen
                    waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt
                    het hoogst is;e vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                    omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; enf vervolgens de
                    activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene aard, waarbij de
                    ouderdom van het niet aangepaste gebouw het hoogste is. </al></bijlage></regeling></body></cvdr>