<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR109116_1</dcterms:identifier><dcterms:title>MONUMENTEN- EN ARCHEOLOGIEVERORDENING 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-07-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Trompetter, 19-07-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumenten- en archeologieverordening 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=149&amp;g=2013-04-10">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004471&amp;artikel=12&amp;g=2013-04-10">Monumentenwet 1988, art. 12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004471&amp;artikel=15&amp;g=2013-04-10">Monumentenwet 1988, art. 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004471&amp;artikel=38&amp;g=2013-04-10">Monumentenwet 1988, art. 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0024779&amp;artikel=2.1&amp;g=2013-04-10">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0024779&amp;artikel=2.2&amp;g=2013-04-10">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-07-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-07-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2011/013/1</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Monumenten- en archeologieverordening 2010.</al><al>Artikel 38 bevat een overgangsbepaling.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>MONUMENTEN- EN ARCHEOLOGIEVERORDENING 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definities</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>Archeologisch terrein of vindplaats:</al><al>Een terrein waarvan bekend is dat er in het verleden archeologische
                            vondsten zijn gedaan. </al><al>Beschermd stads- c.q. dorpsgezicht:</al><al>Stads- c.q. dorpsgezicht dat als zodanig ingevolge artikel 35 van de
                            Monumentenwet 1988 is aangewezen.</al><al>Bevoegd gezag:</al><al>Het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1., eerste lid, van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht. </al><al>Casco:</al><al>De muren en de kap inclusief de fundering. Hiertoe worden ook de
                            buitenafwerking en de ramen, vensters, kozijnen en deuren in de
                            buitenmuren gerekend.</al><al>College:</al><al>Het college van burgemeester en wethouders.</al><al>Commissie Beeldkwaliteit:</al><al>De in hoofdstuk 3 bedoelde en in de Verordening op de Commissie
                            Beeldkwaliteit voorziene commissie.</al><al>Eigenaar:</al><al>De natuurlijke persoon of rechtspersoon, die het recht van eigendom dan
                            wel een anders zakelijk recht heeft op een monument.</al><al>Gemeentelijk monument:</al><al>Van algemeen belang zijnde onroerende zaken die bij besluit van het
                            college als gemeentelijk monument zijn aangewezen.</al><al>Niet-rendabel rijksmonument:</al><al>Een rijksmonument dat uit de aard der zaak niet op een rendabele wijze
                            geexploiteerd kan worden.</al><al>Omgevingsvergunning:</al><al>Een vergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht.</al><al>Rijksmonument:</al><al>Onroerende monumenten, die zijn ingeschreven in de ingevolge de
                            Monumentenwet 1988 vastgestelde registers.</al><al>Subsidiabele kosten:</al><al>De voor een subsidie in aanmerking komende kosten zoals beschreven in
                            hoofdstuk 4 van deze verordening.</al><al>Subsidieplafond:</al><al>Het bedrag dat gedurende een kalenderjaar ten hoogste beschikbaar is
                            voor de verstrekking van subsidies krachtens deze verordening.</al><al>Technische omschrijving:</al><al>Een beschrijving van de geplande werkzaamheden waaruit blijkt:</al><al>a. waarom ze noodzakelijk zijn (eventueel geillustreerd met
                            foto's);</al><al>b. hoe en met welke materialen ze worden uitgevoerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Gebruik van het monument en/of beschermd stads- c.q. dorpsgezicht</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument en/of het beschermd stads- c.q.
                            dorpsgezicht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk
                                monument.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van belanghebbenden,
                                besluiten onroerende zaken aan te wijzen tot gemeentelijk
                                monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onroerende zaken kunnen worden aangewezen tot gemeentelijk monument
                                wegens hun schoonheid of betekenis voor de wetenschap.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in lid 2 genoemde aspecten kunnen met name tot uitdrukking komen
                                in cultuurhistorische waarde, architectuurhistorische waarde,
                                bouwhistorische waarde, archeologische waarde, ensemble waarde,
                                zeldzaamheid en gaafheid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het geheel van tot gemeentelijk monument aangewezen onroerende zaken
                                dient een evenwichtige selectie uit de voor Roermond belangwekkende
                                perioden, typen, functies en constructies te vormen en dient in
                                verhouding te staan tot de mogelijkheden van de gemeente om dit
                                geheel adequaat te beheren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onroerende zaken die zijn ingeschreven in het register als bedoeld
                                in artikel 6 van de Monumentenwet 1988 worden niet aangewezen tot
                                gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onroerende Zaken die na aanwijzing tot gemeentelijk monument worden
                                ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 6 van de
                                Monumentenwet 1988, worden geacht niet meer te zijn aangewezen tot
                                gemeentelijk monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Een aanvraag tot aanwijzing</titel></kop><al>Een aanvraag om aanwijzing tot gemeentelijk monument dient vergezeld te
                            gaan van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="·"><al>de exacte omvang van hetgeen voor aanwijzing wordt
                                    voorgedragen;</al></li><li nr="·"><al>namen en adressen van alle gerechtigden op die percelen en van
                                    eventuele hypothecaire schuldeisers, zoals die bij de dienst
                                    voor het kadaster en de openbare registers bekend zijn;</al></li><li nr="·"><al>een beschrijving van exterieur, interieur en bouwgeschiedenis
                                    van alle gebouwen en bijgebouwen:</al><lijst><li nr="-"><al>constructie;</al></li><li nr="-"><al>van belang zijnde onderdelen;</al></li><li nr="-"><al>plattegrond;</al></li><li nr="-"><al>interieuronderdelen;</al></li></lijst></li><li nr="·"><al>recente originele kleurenfoto’s van exterieur en interieur:</al><lijst><li nr="-"><al>overzichtsfoto’s van alle gebouwen of gebouwdelen die
                                            voor bescherming worden voorgedragen (op foto’s aangeven op welk
                                            object/gevel/onderdeel zij betrekking hebben);</al></li><li nr="-"><al>detailopnamen van architectuur- of bouwhistorisch
                                            interessante onderdelen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>De redengevende omschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een redengevende omschrijving maakt onderdeel uit van een besluit
                                omtrent aanwijzing tot gemeentelijk monument. Deze redengevende
                                omschrijving omvat de plaatselijke aanduiding, de kadastrale
                                aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het beschermde
                                monument met een exacte omschrijving van de omvang van de
                                bescherming alsmede een op de in art. 3, lid 2 en 3 genoemde
                                criteria gebaseerde motivatie daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ambtshalve of op aanvraag van belanghebbenden in een
                                redengevende omschrijving wijzigingen aanbrengen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Bescherming in afwachting van een besluit</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing van een monument ontvangt
                            tot het moment dat de aanwijzing plaatsvindt, is artikel 7 van
                            overeenkomstige toepassing. </al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Vergunningen tot wijziging, verplaatsing of afbraak
                                van beschermde gemeentelijke monumenten.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Aantasting gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te
                                vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in strijd met bij
                                zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te
                                        verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te
                                        laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of
                                        in gevaar gebracht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Cultuurhistorisch rapport</titel></kop><al>In een cultuurhistorisch rapport als bedoeld in hoofdstuk 5 van de
                            Regeling omgevingsrecht wordt in ieder geval opgenomen:</al><lijst><li nr="·"><al>een gedetailleerde beschrijving van de in het geding zijnde
                                    monumentale waarden van het object voor wat betreft de bouw- en
                                    architectuurhistorie, de functie en de ontwikkeling;</al></li><li nr="·"><al>een matrix waarin de relevante onderdelen van de structuur,
                                    constructie en verschijningsvorm van het object worden afgezet
                                    tegen de kwalificaties ‘zeker te behouden’, ‘eventueel te
                                    behouden’ en ‘te amoveren’;</al></li><li nr="·"><al>een uitvoerige documentatie van de actuele alsmede de
                                    historische verschijningsvorm, constructie en structuur in foto
                                    en tekening alsmede van de relevante historische
                                    afbeeldingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Commissie Beeldkwaliteit</titel></kop><al>Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van aanvragen om een
                            omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7, lid 2 het advies van de
                            Commissie Beeldkwaliteit inwinnen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Omgevingsvergunning</titel></kop><al>De omgevingsvergunning wordt verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Aan een vergunning verbonden voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voorschriften verbinden in het
                            belang van de monumentenzorg. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Intrekken van een vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften, bedoeld in
                                    artikel 11, niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen dan de belangen van de
                                    vergunninghouder.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>RIJKSMONUMENTEN.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13. </nr><titel>Cultuurhistorische analyse</titel></kop><al>Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op de aanvragen om
                            omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1
                            onder f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Adviescommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college vraagt de Commissie Beeldkwaliteit, in haar hoedanigheid
                                van commissie op het gebied van monumentenzorg als bedoeld in
                                artikel 15 lid 1 van de Monumentenwet 1988, advies, voordat:</al><lijst><li nr="a."><al>zij beslist op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor
                                        een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
                                        onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
                                        of</al></li><li nr="b."><al>zij advies uitbrengt omtrent een aanvraag om, of het ontwerp
                                        van, een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld
                                        in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene
                                        bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Commissie Beeldkwaliteit, in haar hoedanigheid van commissie op
                                het gebied van monumentenzorg als bedoeld in artikel 15 lid 1 van de
                                Monumentenwet 1988, adviseert schriftelijk binnen acht weken na de
                                datum van het verzoek om advies. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SUBSIDIES</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen met betrekking tot subsidies</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Indienen van aanvragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidieaanvragen kunnen vanaf 1 januari van het betreffende
                                    begrotingsjaar worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Besluiten met betrekking tot de subsidieaanvragen worden genomen
                                    in volgorde van ontvangst van de aanvragen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16. </nr><titel>Beslissing op de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt een besluit op de aanvraag binnen 6 weken na
                                    ontvangst van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan zijn besluit eenmaal voor ten hoogste 6 weken
                                    verdagen. De aanvrager wordt hiervan schriftelijk in kennis
                                    gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Niet toekennen van subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Subsidie wordt in ieder geval geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover door de verstrekking van de subsidie het
                                            subsidieplafond wordt overschreden;</al></li><li nr="b."><al>indien voor de werkzaamheden de vergunning, bedoeld in
                                            artikel 7 van deze verordening of in artikel 2.1, eerste
                                            lid, onderdeel f van de Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht noodzakelijk is doch niet is
                                            verleend;</al></li><li nr="c."><al>indien met de werkzaamheden is begonnen voordat het
                                            college heeft beslist omtrent de aanvraag tot
                                            subsidie;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het kosten van werkzaamheden betreft welke op
                                            grond van een verzekering worden gedekt;</al></li><li nr="e."><al>voor zover binnen de termijn van een redelijke
                                            onderhoudcyclus voor dezelfde werkzaamheden reeds eerder
                                            een subsidie op grond van deze regeling is
                                            verleend;</al></li><li nr="f."><al>voor zover het monumenten betreft die voor huisvesting
                                            van de gemeentelijke organisatie gebruikt worden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Toestemming om alvast te mogen beginnen</titel></kop><al>Op schriftelijk verzoek van de aanvrager kan het college ontheffing
                                verlenen van de verplichting op grond van artikel 17, aanhef en
                                onder c te wachten met de aanvang van de werkzaamheden, totdat een
                                besluit is genomen op de aanvraag tot subsidie, mits de op grond van
                                deze verordening benodigde vergunning is verleend en de werking
                                daarvan niet is opgeschort.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19. </nr><titel>Begin en einde van de werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met de uitvoering van de werkzaamheden dient te zijn aangevangen
                                    binnen 26 weken na de datum van het besluit tot
                                    subsidieverlening;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werkzaamheden dienen te zijn voltooid binnen 52 weken na de
                                    datum van het besluit tot subsidieverlening;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van de aanvang en het einde van de gesubsidieerde werkzaamheden
                                    doet de aanvrager terstond schriftelijk mededeling aan de
                                    gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen drie maanden na het einde van de werkzaamheden zendt de
                                    aanvrager kopieën van de rekeningen van de gesubsidieerde kosten
                                    aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in lid 1 genoemde rekeningen dienen eenduidig herleid te
                                    kunnen worden naar de begroting, op basis waarvan de subsidie is
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt uiterlijk zes weken na ontvangst van de in het
                                    eerste lid genoemde bescheiden de subsidie vast naar aanleiding
                                    van de in het eerste lid genoemde rekeningen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de werkelijk gemaakte kosten blijkens de in het eerste
                                    lid genoemde bescheiden lager blijken te zijn dan de in de bij
                                    de subsidieaanvraag behorende begroting zal de subsidie naar
                                    rato verlaagd worden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de werkelijk gemaakte kosten blijkens de in het eerste
                                    lid genoemde bescheiden hoger blijken te zijn dan de in de bij
                                    de subsidieaanvraag behorende begroting zal de subsidie niet
                                    verhoogd worden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Uitbetaling van de subsidie vindt uiterlijk zes weken na
                                    vaststelling van de subsidie plaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Sober doch doelmatig</titel></kop><al>De te subsidiëren werkzaamheden en onderzoeken dienen sober doch
                                doelmatig van aard te zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><al>Het college stelt voor aanvang van het tijdvak waarvoor het is
                                vastgesteld een subsidieplafond vast. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Subsidies voor werkzaamheden aan monumenten en aan onbekende
                                monumentale waarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Kosten aan een gemeentelijk- of een niet-rendabel
                                    rijksmonument</titel></kop><al>Het college kan éénmaal per jaar aan de eigenaar van een
                                gemeentelijk monument en / of een niet-rendabel rijksmonument
                                subsidie verlenen in de kosten van werkzaamheden en onderzoeken
                                zoals in artikel 24 genoemd;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Voor subsidie in aanmerking komende werkzaamheden en het
                                    subsidiemaximum</titel></kop><al>Voor een subsidie komen in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>werkzaamheden welke het behoud van monumentale waarden en /
                                        of het casco van een gemeentelijk monument en / of een
                                        niet-rendabel rijksmonument ten doel hebben. Deze
                                        werkzaamheden komen in aanmerking voor een subsidie van 25%
                                        van de subsidiabele kosten. Het subsidiebedrag is gebonden
                                        aan een maximum van een door het college vast te stellen
                                        bedrag per monument per jaar;</al></li><li nr="b."><al>een in het kader van een vergunningaanvraag op grond van
                                        hst. 5 van de regeling omgevingsrecht of op basis van
                                        artikel 2.1 lid 1 onder f van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht door de gemeente geëist onderzoek naar de
                                        cultuurhistorische waarden van het monument. Dit onderzoek
                                        komt in aanmerking voor een subsidie van 50% van de
                                        subsidiabele kosten. Het subsidiebedrag is gebonden aan een
                                        maximum van een door het college vast te stellen bedrag per
                                        monument per jaar;</al></li><li nr="c."><al>werkzaamheden aan tot nog toe onbekende monumentale waarden
                                        mits door de aanvrager voor de betreffende objecten tevens
                                        een aanvraag voor aanwijzing tot gemeentelijk monument wordt
                                        ingediend en mits dit leidt tot een onherroepelijk besluit
                                        tot aanwijzing tot gemeentelijk monument. Deze werkzaamheden
                                        komen in aanmerking voor een subsidie van respectievelijk
                                        25% van de subsidiabele kosten. Het subsidiebedrag is
                                        gebonden aan een maximum van een door het college vast te
                                        stellen bedrag per monument per jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25. </nr><titel>Zelfwerkzaamheid</titel></kop><al>Van werkzaamheden welke niet door een bij een Kamer van Koophandel
                                ingeschreven bedrijf worden uitgevoerd komen slechts de
                                materiaalkosten voor subsidiëring in aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Indiening van een aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een subsidieaanvraag dient schriftelijk te worden ingediend bij
                                    het college. In deze aanvrage dient minimaal het volgende te
                                    worden vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>het adres van het monument;</al></li><li nr="b."><al>de naam, adres en telefoonnummer van de aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>een technische omschrijving van de werkzaamheden;</al></li><li nr="d."><al>een begroting van de kosten van de werkzaamheden waarbij
                                            de in de begroting genoemde posten herleid moeten kunnen
                                            worden naar de onder lid c. genoemde werkzaamheden;</al></li><li nr="e."><al>de geschatte begin- en einddatum van de
                                            werkzaamheden;</al></li><li nr="f."><al>de naam, adres en telefoonnummer van een eventuele
                                            contactpersoon;</al></li><li nr="g."><al>het bank- of gironummer waarop de eventuele subsidie
                                            overgemaakt kan worden;</al></li><li nr="h."><al>de ondertekening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op verzoek van de aanvrager stelt de betrokken ambtenaar zich
                                    ter plekke op de hoogte van de noodzaak en de wijze van
                                    uitvoering van de geplande werkzaamheden. Indien naar het
                                    oordeel van de betrokken ambtenaar de noodzaak en de wijze van
                                    uitvoering van de geplande werkzaamheden voldoende duidelijk
                                    zijn kan de aanvraag in behandeling worden genomen zonder de
                                    onder lid 1.c genoemde omschrijving van de werkzaamheden. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Subsidies voor archeologische onderzoeken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Subsidiemogelijkheid</titel></kop><al>Het college kan per onderzoeksareaal eenmaal een subsidie verlenen
                                in de kosten van archeologisch onderzoek. De subsidie wordt verleend
                                aan de eigenaar van het betreffende perceel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Voor subsidie in aanmerking komende werkzaamheden, het
                                    subsidiepercentage en het maximum van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor een subsidie komen in aanmerking de kosten van een op grond
                                    van een bestemmingsplan of op grond van deze verordening
                                    verplicht gesteld archeologisch bureauonderzoek, eventueel
                                    aangevuld met een archeologisch booronderzoek of een daaraan
                                    gelijk te stellen onderzoek. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het onder 1. genoemde onderzoek komt in aanmerking voor een
                                    subsidie van 25% van de subsidiabele kosten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het subsidiebedrag is gebonden aan een maximum van een door het
                                    college vast te stellen bedrag per onderzoek. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Het indienen van een aanvraag</titel></kop><al>Een subsidieaanvraag dient schriftelijk te worden ingediend bij het
                                college. In deze aanvrage dient minimaal het volgende te worden
                                vermeld:</al><lijst><li nr="1."><al>het kadastraal nummer van het betreffende perceel;</al></li><li nr="2."><al>de naam, adres en telefoonnummer van de aanvrager;</al></li><li nr="3."><al>een offerte van een ter zake kundig bureau;</al></li><li nr="4."><al>de geschatte begin- en einddatum van de werkzaamheden;</al></li><li nr="5."><al>de naam, adres en telefoonnummer van een eventuele
                                        contactpersoon;</al></li><li nr="6."><al>het bank- of gironummer waarop de eventuele subsidie
                                        overgemaakt kan worden;</al></li><li nr="7."><al>de ondertekening.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Subsidies voor overige activiteiten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30. </nr><titel>Voor subsidie in aanmerking komende overige
                                    activiteiten</titel></kop><al>Het college kan een subsidie verlenen voor: </al><lijst><li nr="1."><al>het opstellen van op basis van hst. 5 van de regeling
                                        omgevingsrecht of op basis van artikel 2.1 lid 1 onder f van
                                        de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verplicht gestelde
                                        cultuurhistorische analyses voor niet-monumentale panden
                                        binnen de op grond van de Monumentenwet 1988 aangewezen
                                        beschermde stads- en dorpsgezichten. </al></li><li nr="2."><al>beleidsondersteunende activiteiten die naar het oordeel van
                                        het college het draagvlak voor het monumenten- en
                                        archeologiebeleid verbreden of in voldoende mate bijdragen
                                        aan de doelstelling van het gemeentelijk archeologie- en
                                        monumentenbeleid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Het subsidiepercentage en het maximum aan subsidie</titel></kop><al>De in artikel 30, lid 1 en 2 genoemde activiteiten komen in
                                aanmerking voor een subsidie van 50% van de subsidiabele kosten. Het
                                subsidiebedrag is gebonden aan een maximum van een door het college
                                vast te stellen bedrag per cultuurhistorische analyse of
                                beleidsondersteunende activiteit per jaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Het indienen van een aanvraag</titel></kop><al>Een subsidieaanvraag dient schriftelijk te worden ingediend bij het
                                college. In deze aanvrage dient minimaal het volgende te worden
                                vermeld:</al><lijst><li nr="1."><al>het kadastraal nummer van het betreffende perceel;</al></li><li nr="2."><al>de naam, adres en telefoonnummer van de aanvrager;</al></li><li nr="3."><al>een offerte van een ter zake kundig bureau of bedrijf;</al></li><li nr="4."><al>de geschatte begin- en einddatum van de werkzaamheden;</al></li><li nr="5."><al>de naam, adres en telefoonnummer van een eventuele
                                        contactpersoon;</al></li><li nr="6."><al>het bank- of gironummer waarop de eventuele subsidie
                                        overgemaakt kan worden;</al></li><li nr="7."><al>de ondertekening.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>ARCHEOLOGIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33. </nr><label>Verplichting tot archeologisch onderzoek</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij
                                deze verordening behorende Beleidskaart archeologie als historische
                                kern aangeduide gebieden of binnen de grenzen van gemeentelijke
                                archeologische monumenten dient een archeologisch vooronderzoek
                                plaats te vinden waar uit moet blijken wat de archeologische
                                verwachting is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze
                                verordening behorende Beleidskaart archeologie als gebied met hoge
                                archeologische verwachting aangeduide gebieden dient een
                                archeologisch vooronderzoek plaats te vinden. Dit geldt niet wanneer
                                de grondwerkzaamheden plaatsvinden binnen de bebouwde kom én het
                                plangebied kleiner is dan 1.000 m2 of wanneer de grondwerkzaamheden
                                plaatsvinden buiten de bebouwde kom én het plangebied kleiner is dan
                                2.500 m2. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorafgaande aan grondwerkzaamheden binnen de op de bij deze
                                verordening behorende Beleidskaart archeologie als ‘overige
                                gebieden’ aangeduide gebieden is archeologisch vooronderzoek
                                noodzakelijk tenzij het plangebied kleiner is dan 5.000 m2. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de resultaten van het in lid 1 tot en met lid 3 genoemde
                                onderzoek daartoe aanleiding geven kan het college besluiten
                                vervolgonderzoek verplicht te stellen waaruit moet blijken wat de
                                omvang en de kwaliteit van de archeologische vindplaats is;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de resultaten van het in lid 4 genoemde onderzoek daartoe
                                aanleiding geven kan het college besluiten een definitieve
                                archeologische opgraving verplicht te stellen. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in lid 1 tot en met lid 5 genoemde archeologische onderzoek
                                hoeft niet te worden verricht wanneer de grondwerkzaamheden
                                plaatsvinden in evident eerder verstoorde bodem of wanneer de
                                grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 40 centimeter onder
                                maaiveld of wanneer het een project betreft met een oppervlakte
                                kleiner dan 100 m2. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Archeologische monumentenzorg in de bestemmingsplannen</titel></kop><al>Artikel 33 is niet van toepassing indien in het geldend bestemmingsplan
                            bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35.</nr><titel>Toezicht</titel></kop><al/><al>Het college kan ambtenaren aanwijzen die met het toezicht zijn belast.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36.</nr><titel>Bijzondere omstandigheden</titel></kop><al>Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven kan het
                            college gemotiveerd afwijken van het in deze verordening bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking de dag na de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Monumenten- en archeologieverordening 2010, wordt op dat tijdstip
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen en aanwijzingsbesluiten die zijn verleend onder de
                                werking van de Monumenten- en archeologieverordening 2010 en die van
                                kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening
                                worden aangemerkt als vergunning en aanwijzingsbesluiten krachtens
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning of aanwijzing op grond van de Monumenten-
                                en archeologieverordening 2010 is ingediend waarop nog niet is
                                beslist, wordt daarop beslist met toepassing van de Monumenten- en
                                archeologieverordening 2010. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39. </nr><titel>Aanhaling</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Monumenten- en
                            archeologieverordening 2011”.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 7 juli 2011.</al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>