<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR108835_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Referendumverordening gemeente Utrecht</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Utrecht (Utr)</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad van Utrecht, 2011, 46</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Referendumverordening gemeente Utrecht</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004627&amp;artikel=B3">Kieswet, art. B3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-06-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-07-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvoorstel jaargang 2011, nr. 81</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling wordt vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR108832_1">Referendumverordening gemeente Utrecht</extref> van 2011.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Referendumverordening gemeente Utrecht</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Referendumverordening gemeente Utrecht</vet><vet> (raadsbesluit van 9
                            februari 2006)</vet></al><al>De raad van de gemeente Utrecht, gelet op het voorstel van b. en w. d.d. 24
                        januari 2006</al><al>Besluit</al><al>gezien het advies van de Referendumcommissie d.d. 2 februari 2006</al><al>vast te stellen de volgende</al><al><vet>REFERENDUMVERORDENING </vet>gemeente Utrecht, met de daarbij behorende
                        toelichting.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>referendum: volksstemming waarbij de kiesgerechtigden zich
                                    uitspreken over een door de raad te nemen besluit; </al></li><li nr="b."><al>kiesgerechtigden: diegenen die op de drieënveertigste dag
                                    voorafgaande aan de dag waarop het referendum wordt gehouden
                                    overeenkomstig artikel B3 Kieswet kiesgerechtigd zijn voor de
                                    verkiezing van de leden van de raad;</al></li><li nr="c."><al>raadgevend referendum: volksstemming waarbij kiesgerechtigden
                                    zich op initiatief van burgers uitspreken over een te nemen
                                    besluit;</al></li><li nr="d."><al>raadplegend referendum: een referendum op initiatief van de raad
                                    waarbij de kiesgerechtigden antwoord geven op de door de raad
                                    vastgestelde vraag over een groot vraagstuk zoals beschreven in
                                    een startdocument;</al></li><li nr="e."><al>groot vraagstuk: een maatschappelijk vraagstuk met ingrijpende
                                    gevolgen voor de Utrechtse samenleving waarbij de oplossing veel
                                    tijd vraagt en/of waarbij grote financiële belangen in het
                                    geding zijn en/of waarbij veel partijen betrokken zijn;</al></li><li nr="f."><al>startnotitie besluitvormingsproces: een document als bedoeld in
                                    artikel 2;</al></li><li nr="g."><al>startdocument groot vraagstuk: een document als bedoeld in
                                    artikel 8;</al></li><li nr="h."><al>esluit: een schriftelijke beslissing van de raad.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Startnotitie voor het besluitvormingsproces</titel></kop><al>De raad kan voor een vraagstuk een startnotitie voor de inrichting van
                            het besluitvormingsproces vaststellen, waarin is aangeven over welke
                            beslissing met betrekking tot dat vraagstuk een referendum op grond van
                            deze verordening kan worden gehouden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voor een referendum in aanmerking komende beslissingen</titel></kop><al>Over een door de raad te nemen besluit kan een referendum worden
                            gehouden, met uitzondering van besluiten:</al><lijst><li nr="a."><al>over individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen,
                                    schorsingen, kwijtscheldingen, schenkingen;</al></li><li nr="b."><al>tot vaststelling of wijziging van een rechtspositionele
                                    regeling;</al></li><li nr="c."><al>over de hoogte van geldelijke voorzieningen voor ambtsdragers,
                                    gewezen ambtsdragers, en hun nabestaanden;</al></li><li nr="d."><al>over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de
                                    rekening;</al></li><li nr="e."><al>over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en
                                    belastingen;</al></li><li nr="f."><al>over het voor kennisgeving aannemen van notities en
                                    rapporten;</al></li><li nr="g."><al>tot vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan;</al></li><li nr="h."><al>in het kader van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al>inzake bezwaar -of beroepsprocedures of rechtsgedingen;</al></li><li nr="j."><al>als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, 51, eerste en
                                    derde lid, 61, eerste en derde lid, 73, eerste en derde lid en
                                    96 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, alsmede tot het
                                    wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een
                                    regeling als bedoeld in artikel 96 van de Wet Gemeenschappelijke
                                    regelingen;</al></li><li nr="k."><al>als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a van de Wet
                                    Algemene regels herindeling (Arhi);</al></li><li nr="l."><al>waarbij het belang van het referendum naar het oordeel van de
                                    raad niet opweegt tegen de verantwoordelijkheid van de raad voor
                                    kwetsbare groepen en hun plaats in de samenleving;</al></li><li nr="m."><al>ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of
                                    de wetgever waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft;</al></li><li nr="n."><al>die naar het oordeel van de raad voorafgaan aan of volgen op een
                                    te nemen besluit waarvan de raad in een startnotitie voor het
                                    besluitvormingsproces heeft bepaald dat daar een referendum over
                                    gehouden kan worden;</al></li><li nr="o."><al>welke naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een
                                    eerder genomen beslissing waarover een referendum is gehouden of
                                    kon worden gehouden;</al></li><li nr="p."><al>waarvan de totstandkoming, inwerkingtreding of uitvoering naar
                                    het oordeel van de raad niet kan worden uitgesteld vanwege enig
                                    daarmee gemoeid belang.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Duidelijkheid vooraf over uitzonderingsgevallen</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders geeft in ieder raadsvoorstel
                            aan of één of meer van de in artikel 3 genoemde uitzonderingsgronden al
                            dan niet toegepast kunnen c.q. moeten worden, in het geval dat
                            kiesgerechtigden een kennisgeving doen als bedoeld in artikel 5 van de
                            verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Bijzondere bepalingen over het raadgevend referendum</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Het raadgevend referendum - Stap 1: kennisgeving en initiatief
                                van kiesgerechtigden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Kiesgerechtigden kunnen schriftelijk kennis geven van hun voornemen
                                het initiatief te nemen tot het houden van een raadgevend
                                referendum. Deze kennisgeving moet ten minste zeven dagen vóór de
                                raadsvergadering, waarvoor het besluit is geagendeerd, bij de
                                burgemeester worden ingediend. De kennisgeving moet worden
                                ondersteund door een aantal kiesgerechtigden, dat ten minste gelijk
                                is aan 0,133 % van het aantal kiesgerechtigden bij de laatstgehouden
                                verkiezing van de leden van de raad. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de kennisgeving wordt aangegeven om welk te nemen besluit het
                                gaat. De kennisgeving gaat vergezeld van een handtekening van elke
                                verzoeker, met een opgave van diens naam, adres, woonplaats en
                                geboortedatum. Kiezers waarvan deze gegevens niet zijn overgelegd,
                                worden bij het bepalen van het aantal ondersteunende kiezers niet
                                meegerekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het tweede lid bedoelde persoonsgegevens worden geplaatst op
                                daartoe van gemeentewege verstrekte lijsten. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de kennisgeving niet voldoet aan de in het eerste en tweede
                                lid gestelde eisen of indien een van de uitzonderingen uit artikel
                                3, lid a tot en met k van toepassing is dan verklaart de
                                burgemeester de kennisgeving niet-ontvankelijk</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de kennisgeving is gedaan volgens de hiervoor gestelde eisen
                                en geen toepassing is gegeven aan het vierde lid, beslist de raad in
                                dezelfde vergadering waarvoor het besluit van de raad is geagendeerd
                                of over dat besluit een referendum kan worden gehouden. De raad kan
                                zijn beslissing voor ten hoogste twee maanden verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Het raadgevend referendum - Stap 2: inleidend verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de beslissing bedoeld in artikel 5, vijfde lid, inhoudt dat
                                met betrekking tot het te nemen besluit een referendum kan worden
                                gehouden, kunnen kiezers binnen drie weken na de dag waarop die
                                beslissing bekend is gemaakt, bij de burgemeester een inleidend
                                verzoek indienen om een referendum te houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek moet worden ondersteund door een aantal kiezers dat
                                tenminste gelijk is aan 1,111 % van het aantal kiesgerechtigden bij
                                de laatstgehouden gemeenteraadsverkiezingen. De kiezers die de
                                kennisgeving bedoeld in artikel 5 hebben ondersteund, worden geacht
                                het verzoek te ondersteunen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verzoek vermeldt om welk te nemen besluit van de raad het gaat.
                                Het gaat vergezeld van een handtekening van elke kiezer die het
                                verzoek ondersteunt, met een opgave van diens naam, adres,
                                woonplaats en geboortedatum. Kiezers waarvan deze gegevens niet zijn
                                overgelegd, worden bij het bepalen van het aantal ondersteunende
                                kiezers niet meegerekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde gegevens worden geplaatst op daartoe
                                van gemeentewege verstrekte lijsten, die op bij openbare
                                kennisgeving bekendgemaakte plaatsen zijn neergelegd of elders aan
                                de kiezers beschikbaar zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de toetsing of het verzoek voldoende wordt ondersteund, kan
                                gebruik gemaakt worden van de methode van het trekken van een
                                steekproef uit het bestand van handtekeningen, een en ander uit te
                                voeren op de wijze als beschreven is in een door de burgemeester
                                daartoe vast te stellen protocol.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester neemt binnen twee weken na afloop van de termijn
                                waarbinnen het inleidend verzoek kan worden ingediend, een
                                beslissing over een gedurende die termijn ingediend verzoek. Hij kan
                                zijn beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester maakt het besluit inzake de toelating van het
                                inleidend verzoek zo spoedig mogelijk openbaar op de in de gemeente
                                gebruikelijke wijze. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het raadgevend referendum - Stap 3: steunverwerving en besluit
                                definitief verzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Kiesgerechtigden kunnen bij de burgemeester een definitief verzoek
                                indienen voor het houden van een raadgevend referendum binnen zes
                                weken na de dag waarop de burgemeester bekend heeft gemaakt dat het
                                inleidend verzoek aan de gestelde eisen voldoet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek moet worden ondersteund door een aantal kiezers dat
                                tenminste gelijk is aan 3% van het aantal kiesgerechtigden bij de
                                laatst gehouden gemeenteraadsverkiezingen. Kiezers die het
                                inleidende verzoek hebben ondersteund, worden geacht het definitief
                                verzoek te ondersteunen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de vaststelling van het in het tweede lid bedoelde aantal
                                worden de kiesgerechtigden die het inleidende verzoek hebben
                                ondersteund, meegerekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Artikel 6, derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester neemt uiterlijk binnen vier weken na de dag van
                                ontvangst van het definitieve verzoek een besluit over de toelating
                                van het definitieve verzoek. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester maakt het besluit inzake de toelating van het
                                definitieve verzoek zo spoedig mogelijk openbaar op de in de
                                gemeente gebruikelijke wijze.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Bijzondere bepalingen over het raadplegend referendum</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Het raadplegend referendum, initiatief van de raad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan voor een groot vraagstuk een startdocument vaststellen.
                                In het startdocument worden probleemstelling en een beeld van de
                                oplossingsrichting(en) beschreven. Het startdocument bevat tevens
                                een communicatieparagraaf. Hierin wordt onder andere aangegeven op
                                welke wijze de objectieve, informatieverstrekkende voorlichting
                                inhoudelijk en financieel vorm wordt gegeven en op welke wijze
                                daarnaast inhoudelijk en/ of financieel invulling wordt gegeven aan
                                standpuntuitdragende campagnes. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan besluiten dat op basis van het startdocument een
                                referendum wordt gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op een zodanig referendum is het bepaalde in de artikelen 5 tot en
                                met 7 van deze verordening niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de vaststelling van het startdocument door de gemeenteraad,
                                kunnen individuele raadsleden een uitspraak doen over hoe zij denken
                                om te gaan met de uitslag van een referendum.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een raadplegend referendum kan worden beperkt tot een deelgebied
                                binnen de gemeente, indien de aangelegenheid slechts dat deel van de
                                gemeente betreft en het te nemen besluit buiten dat gebied geen
                                effecten kan hebben.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Verdere procedure</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Aanhouden beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de raad naar aanleiding van de kennisgeving heeft bepaald
                                dat over een te nemen besluit een referendum op grond van deze
                                verordening kan worden gehouden, en het vervolgens het inleidend en
                                het definitieve verzoek zijn toegelaten, dan wordt het betreffende
                                raadsvoorstel op de gangbare wijze behandeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De stemming over het door de raad te nemen besluit zoals dat luidt
                                na verwerking van de aanvaarde amendementen, wordt echter
                                aangehouden tot de eerstvolgende vergadering na de dag waarop het
                                referendum wordt gehouden, tenzij eerder negatief over de
                                ontvankelijkheid van het (inleidende of het definitieve) verzoek
                                wordt beslist. Indien de eerstvolgende vergadering echter niet
                                binnen vier weken valt, wordt binnen die termijn ten behoeve van de
                                stemming een extra vergadering bijeengeroepen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Datum referendum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders stelt de dag vast waarop
                                het referendum wordt gehouden, met dien verstande dat het referendum
                                niet later plaats vindt dan uiterlijk vier maanden na de dag waarop
                                het definitieve verzoek is toegelaten of nadat de raad besloten
                                heeft tot het houden van een referendum op basis van artikel 8 van
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval de in het eerste lid genoemde termijn van vier maanden
                                afloopt binnen twee maanden voor een algemene verkiezing mag de
                                termijn worden overschreden zodat de stemmingen kunnen worden
                                gecombineerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een referendum vindt niet plaats in de voor de regio aangewezen
                                schoolvakanties voor het basis -en voortgezet onderwijs.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Er kunnen meer referenda op dezelfde dag worden gehouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vraagstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt de vraagstelling en de antwoordcategorieën van het
                                referendum vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vraagstelling wordt aan het adres van de kiesgerechtigden
                                bezorgd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Organisatie en uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester doet openbare kennisgeving van een besluit tot het
                                houden van een referendum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De op de te nemen beslissing betrekking hebbende stukken liggen voor
                                een ieder ter inzage op door de burgemeester aan te wijzen plaatsen.
                                In de openbare kennisgeving wordt daarvan mededeling gedaan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de organisatie en uitvoering van een referendum is de Kieswet
                                voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Procedure stemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een referendum wordt gehouden onder de kiesgerechtigden van het
                                gehele grondgebied van de gemeente Utrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien op grond van artikel 8, vijfde lid een raadplegend referendum
                                wordt beperkt tot een deelgebied binnen de gemeente, dan wordt het
                                bepaalde in deze verordening gerelateerd aan de kring van
                                kiesgerechtigden binnen dat gebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Geldigheid referendum en inhoud uitslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een referendum is geldig, indien tenminste 30% van de
                                kiesgerechtigden opkomt. De keuzemogelijkheid welke de meeste
                                stemmen heeft gekregen wordt als referendumuitspraak
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad is niet gebonden aan een referendumuitspraak.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Advisering en toezicht; de Referendumcommissie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Referendumcommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een commissie van advies en toezicht, genaamd 'de
                                Referendumcommissie', hierna verder aan te duiden als 'de
                                commissie'.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad benoemt en ontslaat haar leden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een lid van de commissie is niet tevens: ambtenaar, wethouder,
                                burgemeester of raadslid van de gemeente Utrecht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie heeft tot taak gevraagd en ongevraagd het college van
                                burgemeester en wethouders en de gemeenteraad te adviseren over de
                                uitvoering van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De commissie adviseert in alle gevallen omtrent de vraagstelling als
                                bedoeld in artikel 11.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De commissie brengt haar advies uit binnen vier weken nadat het
                                verzoek daartoe aan de commissie is gedaan.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De commissie is belast met de afdoening van klachten over de
                                gemeentelijke voorlichting en de wijze waarop campagne gevoerd wordt
                                in het kader van het referendum. De commissie toetst daarbij de
                                gemeentelijke voorlichting aan de eisen van objectiviteit en de
                                campagnevoering aan de eisen van fair play.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De commissie stelt nadere regels vast voor haar werkwijze en stuurt
                                deze aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De hoorzitting voor de behandeling van klachten door de commissie is
                                openbaar. De commissie beraadslaagt achter gesloten deuren over de
                                gegrondheid van klachten. De commissie beslist over het openbaar
                                maken van haar uitspraak.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Voor het overige vergadert de commissie in beginsel in het openbaar.
                                Indien het openbaar belang zich verzet tegen een openbare
                                behandeling van een onderwerp of een particulier onevenredig zou
                                worden bevoordeeld of geschaad kan een commissie gemotiveerd in
                                beslotenheid vergaderen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf -en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Strafsanctie</titel></kop><al>Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de
                            tweede categorie wordt gestraft degene die:</al><lijst><li nr="a."><al>een volmachtbewijs, oproepingskaart of kiezerspas namaakt of
                                    vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te
                                    gebruiken of door een ander te doen gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>een volmachtbewijs, oproepingskaart of kiezerspas die hij zelf
                                    heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing
                                    hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en
                                    onvervalst gebruikt of door een ander doet gebruiken, dan wel
                                    deze met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken
                                    of door een ander te doen gebruiken, in voorraad heeft;</al></li><li nr="c."><al>een volmachtbewijs, oproepingskaart of kiezerspas voorhanden
                                    heeft met het oogmerk deze wederrechtelijk te gebruiken of door
                                    een ander te doen gebruiken;</al></li><li nr="d."><al>als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is
                                    overleden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Intrekking oude regelingen</titel></kop><al>Op het moment van inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                            Verordening referendum Utrecht 1999 (Gemeenteblad van Utrecht 1999, nr.
                            16), alsmede de Verordening raadplegend referendum gemeente Utrecht
                            (Gemeenteblad van Utrecht 2001, nr. 27) ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van een referendum waarvan voor de inwerkingtreding van
                                deze verordening is komen vast te staan dat het zal worden gehouden,
                                blijven de tot dan toe geldende rechtsregels van kracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden van de Referendumcommissie op grond van de Verordening
                                referendum Utrecht 1999, alsmede de Verordening raadplegend
                                referendum gemeente Utrecht worden geacht te zijn benoemd in de
                                Referendumcommissie op grond van deze verordening, zulks voor de
                                zittingsperiode zoals in hun benoemingbesluit is aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
                            haar bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Referendumverordening gemeente
                            Utrecht.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 9
                        februari 2006.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Drs. A.A.H. Smits Mr. A.H. Brouwer-Korf</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Publicatie is geschied op 22 februari 2006.</vet></al><al><vet>Deze verordening is in werking getreden op 23 februari 2006.</vet></al></bijlage><bijlage><kop><titel>BIJLAGE BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2006, NR. 11</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al><vet>Wettelijk kader</vet>.</al><al>Op 29 juni 2004 heeft de Tweede Kamer de tweede lezing voor het wijzigen van de
                    Grondwet met het oog op het opnemen van bepalingen voor het correctief
                    referendum verworpen. Er bleek geen meerderheid van tweederde van de leden voor
                    het voorstel te stemmen. Dit heeft tot gevolg dat er geen landelijke regeling
                    voor correctieve referenda (een referendumwet) komt.</al><al>In de Tijdelijke referendumwet (Trw) was bepaald dat deze wet met ingang van 1
                    januari 2005 vervalt. Op 14 oktober 2004 is een initiatiefwetsvoorstel van de
                    kamerleden Dubbelboer en Duyvendak dat ertoe strekt de tijdelijkheid van de Trw
                    ongedaan te maken door de Tweede Kamer verworpen. </al><al>Op grond van de bepalingen in de Grondwet en de Gemeentewet hebben gemeenten
                    altijd al de mogelijkheid gehad tot het houden van een raadplegend referendum
                    over een te nemen of genomen besluit. Gemeenten zijn vrij in hoe ze dit regelen,
                    binnen de randvoorwaarden die de Grondwet en Gemeentewet stellen. Deze
                    randvoorwaarden zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>het is de gemeenteraad die per geval beslist of een raadplegend
                            referendum wordt gehouden;</al></li><li nr="-"><al>ieder raadslid beslist individueel in hoeverre hij zich aan de uitslag
                            van het referendum gebonden zal achten;</al></li><li nr="-"><al>de gemeenteraad neemt een (definitief) besluit over het onderwerp van
                            het referendum, nadat het referendum is gehouden</al></li></lijst><al><vet>Geen bindende werking</vet>.</al><al>De raad kan zich niet tevoren binden aan de uitspraak van het referendum. Bij de
                    vaststelling van het startdocument door de gemeenteraad of bij de behandeling
                    van een te nemen raadsbesluit waarvoor burgers een referendumprocedure aanhangig
                    maken, kunnen individuele raadsleden wel een uitspraak doen over hoe zij denken
                    om te gaan met de uitslag van het raadplegend referendum.</al><tussenkop>Bevoegdheid</tussenkop><al>De bevoegdheid van de raad om een referendumverordening vast te stellen vloeit
                    voort uit de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet. Deze bepalingen geven de
                    raad een algemene verordenende bevoegdheid.</al><al>Voor zover in de verordening sprake is van juridisch-technische uitvoering
                    zonder vrije beoordelingsruimte is de burgemeester bevoegd. Dit naar analogie
                    van de gang van zaken bij de verkiezingen -waarbij de burgemeester voorzitter is
                    van het centraal stembureau- en in navolging van de regeling uit de Tijdelijke
                    referendumwet.</al><al>De raad is nadrukkelijk in beeld zodra het gaat om de toepassing van bepalingen
                    uit de verordening waar enige afweging en bestuurlijke beoordeling mogelijk
                    is.</al><al>Het college is bevoegd om de dag waarop het referendum wordt gehouden vast te
                    stellen (artikel 9).</al><tussenkop>Samenloop met inspraak</tussenkop><al>Onderwerpen waarover referenda kunnen worden gehouden, zijn vaak reeds via
                    wettelijke bepaalde inspraakmogelijkheden aan de bevolking voorgelegd. De vraag
                    rijst of een referendum in de plaats kan treden van voorgeschreven
                    inspraakmogelijkheden. Het antwoord hierop luidt ontkennend. Het wel of niet
                    houden van een referendum heeft geen invloed op de voorgeschreven
                    inspraakprocedures. Het is echter raadzaam om een referendum in een vroegtijdig
                    stadium van een procedure te houden. Voorlichting over het referendumonderwerp
                    kan dan bijvoorbeeld in praktische zin gekoppeld worden aan voorlichting over
                    hetzelfde onderwerp in het kader van de voorgeschreven inspraak.</al><al>Wie kan het initiatief nemen tot het houden van een referendum?</al><al>Zowel de gemeenteraad als kiesgerechtigden kunnen het initiatief nemen gericht
                    op het houden van een referendum.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><lijst><li nr="a."><al>In deze verordening geeft de mogelijkheid voor het houden van zowel een
                            raadplegend als raadgevend referendum. Daar waar in de bepalingen wordt
                            gesproken over referendum heeft dit betrekking op beide varianten.</al></li><li nr="b."><al>en c. Het initiatief voor het houden van een referendum kan bij de raad
                            liggen of bij de kiesgerechtigde burgers. Dit is in de algemene
                            toelichting uitgewerkt. Het onderscheid tussen beide varianten is nodig
                            om in de verordening specifieke bepalingen op te kunnen nemen voor één
                            variant.</al></li><li nr="d."><al>Degenen die kiesgerechtigd zijn voor de raadsverkiezingen zijn ook
                            gerechtigd om deel te nemen aan een referendum. Daarom is aangesloten
                            bij artikel B3 van de Kieswet. Ook voor de genoemde termijn is
                            aangesloten bij de Kieswet, artikel J1.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2 Startnotitie voor de besluitvorming</tussenkop><al>.</al><al>In een startnotitie voor de inrichting van het besluitvormingsproces wordt
                    aangeven over welke beslissing met betrekking tot dat vraagstuk een referendum
                    op grond van deze verordening kan worden gehouden. Daarmee wordt nog niet
                    uitgesproken dat het referendum ook daadwerkelijk zal worden gehouden. Daartoe
                    is hetzij een nader raadsbesluit vereist in het kader van een raadsinitiatief
                    tot het houden van een raadplegend referendum, hetzij een definitief verzoek tot
                    het houden van een raadgevend referendum dat aan de eisen van de verordening
                    voldoet.</al><tussenkop>Artikel 3 Voor een referendum in aanmerking komende
                    beslissingen</tussenkop><al>Een referendum kan zich niet uitstrekken tot buiten het grondgebied van de
                    gemeente waarin een referendum wordt gehouden. </al><al>Het is mogelijk het referendum te beperken tot een deel van de gemeente, wanneer
                    een aangelegenheid slechts een deel van de gemeente (wijk, binnenstad etc.)
                    treft. Deze mogelijkheid is nu opgenomen in artikel 8, vijfde lid.</al><al>De verordening geeft mogelijkheid tot het houden van een referendum voordat de
                    raad een besluit neemt: ‘te nemen besluit’. Plaatsing van een raadsvoorstel op
                    de raadsagenda is voldoende om een referendumprocedure op te starten.</al><al>Er is voor gekozen om het besluit begrip niet te beperken tot een besluit in de
                    zin van de Algemene wet bestuursrecht. In dat geval zou namelijk over besluiten
                    die op zich zelf geen rechtsgevolgen hebben (bijv. de keuze tussen plan 1 of
                    plan A voor het Stationsgebied) geen referendum gehouden kunnen worden.</al><al>Alleen besluiten van de raad kunnen onderwerp van een referendum zijn. De
                    besluiten genomen door het college van burgemeester en wethouders of door de
                    burgemeester zijn niet referendabel. Een aantal onderwerpen waarover de raad een
                    besluit neemt, leent zich echter minder goed voor een referendum. In deze
                    verordening wordt is een lijst met uitzonderingen opgenomen, gebaseerd op de
                    ervaringen van onder meer de Tijdelijke referendumwet en andere autonome
                    gemeentelijke verordeningen.</al><al>Enerzijds moet voorkomen worden dat de verordening een leeg instrument wordt
                    waarbij het praktisch onmogelijk wordt een referendum te organiseren. Anderzijds
                    is het voor de burger belangrijk dat duidelijk is over welke besluiten geen
                    referendum kan worden gehouden.</al><al>De uitzonderingen beogen ook te voorkomen dat over een bepaald onderwerp meer
                    dan eens een referendum wordt gehouden of dat een referendum wordt uitgelokt;
                    daarnaast is een afweging mogelijk ten opzichte van het belang bij voortgang van
                    de besluitvorming c.q. van de uitvoering daarvan. </al><tussenkop>Artikel 4 Duidelijkheid vooraf over uitzonderingsgronden.</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders geven vooraf op een raadsvoorstel aan of het
                    referendabel is, zodat belanghebbenden op voorhand weten of het zin heeft om een
                    referendumaanvraag te doen. De aanduiding “wel/niet referendabel” kan tijdens de
                    raadsbehandeling geamendeerd worden, de gemeenteraad heeft op dit punt dus het
                    laatste woord.</al><al><vet>Hoofdstuk 2 - Bijzondere bepalingen over het raadgevend
                    referendum</vet>.</al><tussenkop>Artikel 5 Kennisgeving en initiatief kiesgerechtigden</tussenkop><al>Kiesgerechtigden kunnen een verzoek indienen tot het houden van een referendum. </al><al>Zowel het besluit van de burgemeester tot niet-ontvankelijkverklaring als het
                    besluit van de raad zijn besluiten in de zin van de Awb. Hiertegen staat bezwaar
                    en beroep open. </al><al>Het doel van de kennisgeving is dat de raad direct beslist of een onderwerp
                    referendabel is. Op deze wijze is het voor burgers heel snel duidelijk of het
                    zin heeft om handtekeningen te verzamelen ter ondersteuning van het initiatief.
                    Het voordeel van een kennisgeving is dat dit korte tijd (zeven dagen) voor de
                    raadsvergadering kan worden gedaan en er maar beperkte steun nodig is.</al><tussenkop>Artikelen 6 en 7 Inleidend en definitief verzoek en
                    steunverwerving</tussenkop><al>Als de raad van mening is dat het onderwerp in principe referendabel is, zijn de
                    initiatiefnemers weer aan bod. Zij moeten een verzoek doen tot het houden van
                    een referendum en voldoende ondersteunende handtekeningen verzamelen.</al><al>Beoordeeld wordt of het aantal handtekeningen voldoende is. De handtekeningen
                    moeten worden geplaatst op van gemeentewege verstrekte lijsten. Op basis van
                    artikel 4:4 Awb (aanvraagformulier beschikkingen) heeft de gemeente de
                    bevoegdheid om een formulier voor het aanvragen en het verstrekken van gegevens
                    vast te stellen. Het inleidend verzoek is te beschouwen als een aanvraag in de
                    zin van de Awb. </al><al>Als de burgemeester tot het oordeel komt dat het gaat om een geldig inleidend
                    verzoek, worden de burgers in de gelegenheid gesteld om het vereiste aantal
                    handtekeningen te verzamelen voor het indienen van het definitieve verzoek aan
                    de raad. Een redelijke termijn hiervoor is zes weken. Een andere periode is ook
                    mogelijk. In de Tijdelijke referendumwet werd voor het inleidend verzoek een
                    periode van drie weken gehanteerd en voor het definitief verzoek zes weken.</al><al>Wanneer het definitieve verzoek wordt gedaan door het vereiste aantal burgers,
                    beslist de burgemeester of een referendum zal worden gehouden. Zowel het besluit
                    van de burgemeester op het inleidende verzoek als op het definitieve verzoek
                    zijn besluiten in de zin van de Awb. Hiertegen staat bezwaar en beroep
                    open.</al><al><vet>Hoofdstuk 3 - Bijzondere bepalingen over het raadplegend
                    referendum</vet>.</al><tussenkop>Artikel 8 Raadsinitiatief</tussenkop><al>De raad kan zelf het initiatief nemen tot het houden van een referendum.
                    Uiteraard dient bij de beslissing rekening gehouden te worden met het bepaalde
                    in artikel 3 ten aanzien van de onderwerpskeuze. Voor het overige zijn de
                    normale besluitvormingsprocedures zoals geregeld in de Gemeentewet en het
                    Reglement van orde van toepassing.</al><al>Indien niets anders is bepaald, beslist de raad over het houden van een
                    referendum bij gewone meerderheid. Artikel 30 Gemeentewet luidt immers: 'voor
                    het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid
                    vereist van hen die een stem uitbrengen'.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 – Verdere procedure.</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 Aanhouden beslissing</tussenkop><al>Indien een referendum wordt gehouden over een te nemen besluit is het ongewenst
                    dat als er een inleidend of definitief verzoek tot het houden van een referendum
                    wordt ingediend het besluitvormingsproces geheel stil komt te liggen. Het
                    verdient juist aanbeveling de besluitvorming zo veel mogelijk af te ronden. Alle
                    argumenten zijn dan uitgewisseld, zodat ook het onderwerp en de vraagstelling op
                    een zinnige wijze kunnen worden gepresenteerd.</al><al>De eerste vergadering nadat de uitslag van het referendum bekend is, moet de
                    raad een besluit nemen over het aangehouden onderwerp, om zo snel mogelijk
                    duidelijkheid te kunnen bieden aan de burgers. Geldigheid van de uitslag wil
                    niet zeggen dat de uitslag ook bindend is voor de raad. Het geeft enkel aan dat
                    aangenomen mag worden dat de uitslag een voldoende draagvlak heeft onder de
                    bevolking.De raad kan zich niet vooraf binden aan de uitslag van het referendum.
                    Wel is het mogelijk dat individuele raadsleden, wanneer zij dat zelf wenselijk
                    achten, vooraf te kennen geven welke consequenties zij aan een uitslag
                    verbinden. Een dergelijke uitspraak is juridisch gezien niet bindend, maar kan
                    wel politieke gevolgen hebben.</al><tussenkop>Artikel 10 Datum</tussenkop><al>Het college van burgemeester en wethouders stelt de datum waarop het referendum
                    zal worden gehouden vast, in het kader van de uitvoering van het raadsbesluit.
                    Deze datum kan vallen op een dag waarop tevens andere verkiezingen worden
                    gehouden, maar dat hoeft niet het geval te zijn. Het combineren van verkiezingen
                    is praktisch omdat de kiesgerechtigden niet twee maal naar de stembus hoeven te
                    komen. Ook zorgt een combinatie voor een reductie in de kosten van een
                    referendum. Uiteraard kunnen er ook meerdere referenda op dezelfde dag
                    plaatsvinden. Het tweede lid geeft een praktische oplossing om te voorkomen dat
                    kort voor algemene verkiezingen een afzonderlijk referendum moet worden
                    uitgeschreven.</al><tussenkop>Artikel 11 Vraagstelling</tussenkop><al>De raad beslist of, hoe en wanneer een referendum wordt gehouden en stelt ook de
                    vraagstelling, inclusief de antwoordmogelijkheden vast. In dit model is ervoor
                    gekozen dat de raad zich hierbij laat adviseren door de referendumcommissie
                    (artikel 15). De eenvoudigste oplossing voor de vraagstelling is een koppeling
                    met het te nemen besluit. Aan de kiezer wordt dan de vraag voorgelegd of zij
                    vóór of tegen het te nemen raadsbesluit, waarover het referendum wordt gehouden,
                    zijn.</al><al>Een andere mogelijkheid is het aanbieden van alternatieven. </al><tussenkop>Artikel 12 Uitvoering</tussenkop><al>Zie hiervoor onder ‘Bevoegdheid’.</al><tussenkop>Artikel 13 Procedure stemming</tussenkop><al>Voor de procedures rond de stemming wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de
                    gang van zaken rond de raadsverkiezingen.</al><tussenkop>Artikel 14 Geldigheid referendum en inhoud van de uitslag</tussenkop><al>In het derde lid is tot uitdrukking gebracht dat de raad uiteindelijk zelf
                    beslist of zij de uitspraak uit het referendum overneemt. Het huidige wettelijke
                    kader laat een bindend correctief referendum niet toe.</al><al><vet>Hoofdstuk 5 - Advisering en toezicht; de Referendumcommissie</vet>.</al><tussenkop>Artikel 15 Referendumcommissie</tussenkop><al>Er is een commissie van advies en toezicht voor de gemeenteraad: de
                    Referendumcommissie.</al><al>Evenals onder de oude verordeningen fungeert de Referendumcommissie als
                    commissie voor zowel raad als college.</al><al><vet>Hoofdstuk 6 - Straf -en slotbepalingen</vet>.</al><tussenkop>Artikel 17 Strafsanctie</tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van een
                    verordening straf stellen. Voor het bepalen van wat strafbaar is, is zoveel
                    mogelijk aangesloten bij de Kieswet, hoofdstuk Z.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>