<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR108771_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oostermoer</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">arikel 147, eerste lid Gemeentewet, e</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 12, eerste lid, onderdeel b en 41, eerste lid, van de Wet Investeren in Jongeren</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-03-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvoorstel nummer 11</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatregelenverordening WIJ 2011</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsbesluit nr. 11.V</al><al>Betreft: Vaststellen Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren
                        gemeente Tynaarlo </al><al>De raad van de gemeente Tynaarlo;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8
                        maart jl.; </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en de artikelen 12, eerste
                        lid, onderdeel b en 41, eerste lid, van de Wet Investeren in Jongeren, </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verlagen van uitkeringen van 18 jaar
                        of ouder doch jonger dan 27 jaar bij wijze van sanctie bij verordening te
                        regelen; </al><al/><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>in te trekken de: “Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren
                        gemeente Tynaarlo 2009” en vast te stellen de: </al><al/><al><vet>“Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente
                            Tynaarlo”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ); </al></li><li nr="b."><al>WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de
                                        jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of
                                        verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het
                                        college vastgestelde verhoging of verlaging; </al></li><li nr="c."><al>Maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond
                                        van artikel 41, eerste lid WIJ; </al></li><li nr="d."><al>Benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het
                                        niet of niet behoorlijk nakomen van een
                                        inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als
                                        inkomensvoorziening op grond van de wet; </al></li><li nr="e."><al>College: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Tynaarlo.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college,
                                overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere
                                toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel
                                van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in
                                hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde
                                lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                                voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel
                                zich jegens het college zeer ernstig misdraagt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Is vervallen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde
                            WIJ-norm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel en de duur van de maatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien: </al><lijst><li nr="a."><al>De vereiste spoed zich daartegen verzet; of</al></li><li nr="b."><al>De jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of</al></li><li nr="c."><al>De jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 11, vierde lid, van de wet, werkzaamheden in het
                                        kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde
                                        termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel
                                        44 van de wet; of</al></li><li nr="d."><al>Het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het college af
                                van het opleggen van een maatregel indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte
                                        inkomensvoorziening is verleend. Een maatregel wegens
                                        schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na
                                        verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                        plaatsgevonden; </al></li><li nr="b."><al>Is vervallen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Is vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan
                                de jongere is bekendgemaakt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de ingangsdatum daardoor niet
                                voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                                opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen
                                van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel
                                opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt voor
                                iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze
                                maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op
                                artikel 2, tweede lid, niet verantwoord is. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN BEDOELD IN ARTIKEL 45 VAN DE
                            WET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of onvoldoende nakomen
                            van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al></li><li nr="a."><al>Het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met
                                    betrekking tot de</al></li></lijst><al>arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan
                            een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. </al><lijst><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al></li><li nr="a."><al>Het stellen van onredelijke eisen in verband met door de jongere
                                    te verrichten algemeen</al></li></lijst><al>geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen
                            geaccepteerde arbeid belemmeren; </al><lijst><li nr="b."><al>Het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen
                                    van de arbeidsbekwaamheid;</al></li><li nr="c."><al>Het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of
                                    werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="d."><al>Het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar
                                    beste vermogen te verrichten;</al></li><li nr="e."><al>Het zich niet onderwerpen aan een, door een onafhankelijke arts
                                    vastgestelde, noodzakelijke behandeling van medische aard die
                                    het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                                    belemmert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>ARTIKEL</label><nr>10.</nr><titel>DE HOOGTE EN DUUR VAN DE MAATREGEL</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de eerste
                                        categorie; </al></li><li nr="b."><al>50 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de tweede
                                        categorie. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld
                                op een maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid kan de duur van de maatregel worden
                                verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet,
                                niet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van
                                het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verlenen van de inkomensvoorziening, wordt een maatregel opgelegd
                                van 5 procent van de WIJ-norm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan van het opleggen van een
                                maatregel worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van een
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld
                                op een maand. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid kan de duur van de maatregel worden
                                verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd
                                opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken
                                gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet
                                heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen
                                van de inkomensvoorziening, wordt de maatregel afgestemd op de
                                hoogte van het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende wijze
                                vastgesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: 10 procent van de WIJ-norm;
                            </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 20 procent
                                van de WIJ-norm; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 40 procent
                                van de WIJ-norm; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>Bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer: 100 procent van de
                                WIJ-norm. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                vastgesteld op een maand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een maatregel wordt afgezien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld en het
                                onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het
                                Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende heeft
                                getroffen. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>1.Indien de jongere zich tegenover het college of zijn ambtenaren zeer
                            ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de wet, wordt een maatregel
                            opgelegd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de volgende
                            categorieën:</al><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li></lijst><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="b."><al>belediging; </al></li><li nr="c."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li></lijst><al> Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>mensgericht fysiek geweld/ dan wel bedreiging met geweld;</al></li><li nr="b."><al>combinatie van agressievormen.</al></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het
                            besluit tot verlaging met toepassing van het eerste lid, opnieuw
                            schuldig maakt aan een zeer ernstige gedraging.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan bij een derde en een volgende verwijtbare gedraging
                            binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het laatste besluit tot
                            verlaging met toepassing van het eerste lid, de verlaging op een hoger
                            bedrag vaststellen en/of de duur van de verlaging verlengen. Bij
                            herhaald verwijtbaar gedrag kan het college de Wij norm voor bepaalde
                            tijd weigeren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2 lid 2 wordt de maatregel vastgesteld op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vijftig procent van de Wij norm gedurende een maand bij gedragingen
                                van de eerste categorie; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>honderd procent van de Wij norm gedurende een maand bij gedragingen
                                van de tweede categorie; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>honderd procent van de Wij norm gedurende drie maanden bij
                                gedragingen van de derde categorie. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2011. </al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Maatregelenverordening
                                    Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo”. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vries, 29 maart 2011</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>F.A. van Zuilen, voorzitter</ondertekening><ondertekening>J.L. de Jong, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>Reikwijdte Maatregelverordening WIJ</tussenkop><al>In afwijking van het uitgangspunt van de wetgever om de WIJ zoveel
                            mogelijk WWB-conform in te richten, is de in de WIJ vastgelegde
                            reikwijdte van de gemeentelijke Maatregelverordening beperkter van aard
                            dan die in de WWB. Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening
                            kunnen minder uiteenlopende verplichtingen verbonden worden dan aan de
                            bijstand. Het scala is beperkter van aard. De verplichtingen die op
                            grond van artikel 41 WIJ kunnen worden gesanctioneerd betreffen de
                            inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht (artikel 44 WIJ),
                            alsmede een aantal concreet benoemde verplichtingen m.b.t. de
                            arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van een
                            werkleeraanbod (artikel 45 WIJ). </al><al>Een ander verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening
                            niet verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening in het
                            bestaan, anders dan in de vorm van schending van één van de in artikel
                            41 WIJ genoemde verplichtingen. Dat heeft tot gevolg dat de
                            inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden in geval van het
                            onverantwoord interen van vermogen en bij verwijtbare werkloosheid, als
                            deze gedragingen leiden tot het indienen van een aanvraag voor een
                            werkleeraanbod. Het belang van duurzame arbeidsparticipatie van de
                            jongere heeft in deze geprevaleerd boven het als maatregelwaardig
                            aanmerken van de bovengenoemde gedragingen. </al><al>De Maatregelverordening WIJ heeft al met al dus een beperkter strekking
                            en reikwijdte dan de Maatregelverordening WWB en wijkt daarom af waar
                            het de omschreven maatregelwaardige gedragingen betreft. </al><al/><divisie><kop><titel>Verlaging of intrekking inkomensvoorziening</titel></kop><al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn voor de jongere
                            verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een werkleeraanbod en
                            evt. inkomensvoorziening staat de verplichting van de jongere om mee te
                            werken aan de totstandkoming daarvan, bijv. door mee te werken aan een
                            onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden. Ook dient de jongere naar beste
                            vermogen mee te werken aan het werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is.
                            Daarnaast geldt een inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht.
                            Deze verplichtingen zijn vastgelegd in artikel 44, respectievelijk 45
                            van de WIJ. </al><al>Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden verplichting
                            verwijtbaar niet na, dan staat de gemeente diverse instrumenten ter
                            beschikking. Onderscheid kan worden gemaakt tussen de verschillende
                            fasen waarop de verplichtingen betrekking hebben. </al></divisie><divisie><kop><titel>Aanvraagfase </titel></kop><al>Betreft het een schending van verplichtingen die betrekking hebben op de
                            aanvraagbehandeling, dan geldt het volgende: als de jongere in het
                            geheel niet meewerkt aan het opstellen van een plan voor zijn
                            arbeidsinschakeling en zo zijn arbeidsinschakeling belemmert, dan doet
                            het college de jongere geen werkleeraanbod (artikel 17, vijfde lid,
                            WIJ). Bijgevolg heeft de jongere, zolang hij niet wenst te voldoen aan
                            die verplichting, geen recht op inkomensvoorziening. Uit artikel 42,
                            eerste lid, onderdeel c, WIJ vloeit immers voort dat voor zover uit
                            houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat hij de
                            verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 niet wil nakomen, geen recht op
                            inkomensvoorziening bestaat (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3,
                            p. 39 en 40). Dit geldt in bredere zin ook voor andere gedragingen van
                            de jongere waaruit kan worden afgeleid dat deze de aan het
                            werkleeraanbod verbonden verplichtingen in het geheel niet wil nakomen. </al><al> Is sprake van een minder ernstige schending van de verplichtingen
                            m.b.t. de totstandkoming van het </al><al>werkleeraanbod, dan kan na toekenning van een werkleeraanbod de
                            eventuele inkomensvoorziening verlaagd worden conform de gemeentelijke
                            Maatregelverordening (artikel 41, eerste lid, WIJ). Zo is het denkbaar
                            dat de jongere wel wil meewerken, maar dat de medewerking onvoldoende
                            is. In dat geval zou een maatregel aan de orde kunnen komen. </al></divisie><divisie><kop><titel>Van toekenning tot tenuitvoerlegging </titel></kop><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een werkleeraanbod
                            maar weigert hij dit aanbod na ontvangst van de toekenningsbeschikking,
                            dan kan het werkleeraanbod worden ingetrokken (art. 21, onderdeel b
                            WIJ). Door de weigering bestaat geen recht op een inkomensvoorziening
                            (art. 42, eerste lid, onderdeel a WIJ). Zoals reeds aangegeven bestaat
                            dat recht evenmin als uit houding en gedrag van de jongere
                            ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat hij de verplichtingen die
                            verbonden zijn aan het werkleeraanbod in het geheel niet wil nakomen
                            (artikel 42, eerste lid, onderdeel c ,WIJ). Het werkleeraanbod kan
                            daarnaast ook worden herzien of ingetrokken als de jongere één of
                            meerdere verplichtingen schendt die specifiek betrekking hebben op de
                            voorbereiding op en uitvoering van het werkleeraanbod (artikel 21,
                            onderdeel b, WIJ). Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het nalaten een
                            behandeling van medische aard te ondergaan, of het stellen van
                            onredelijke eisen m.b.t. de te verrichten werkzaamheden. Met de
                            intrekking van het werkleeraanbod vervalt automatisch het recht op
                            inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel f, WIJ). Bij een
                            herziening blijft de inkomensvoorziening in stand. </al><al>Een andere sanctie op dergelijk gedrag is dat het werkleeraanbod wel in
                            stand blijft maar de inkomensvoorziening verlaagd wordt, conform de
                            gemeentelijke Maatregelverordening (artikel 41, eerste lid, WIJ). Het
                            college dient te kiezen welke weg bewandeld wordt, hetzij de intrekking
                            van werkleeraanbod en inkomensvoorziening, hetzij het handhaven van het
                            werkleeraanbod en verlaging van die voorziening. Het past evenwel in het
                            systeem van de WIJ om bij minder ernstige gedragingen tot verlaging van
                            de inkomensvoorziening te besluiten en bij ernstiger gedrag,
                            bijvoorbeeld waar sprake is van schending van meerdere verplichtingen of
                            van herhaald gedrag, het werkleeraanbod in te trekken. Het is immers in
                            de geest van de regeling om, met het oog op duurzame
                            arbeidsparticipatie, een werkleeraanbod niet te snel in te trekken. Dit
                            is in de wetgeving tot uitdrukking gebracht doordat verlaging van de
                            inkomensvoorziening bij schending van de verplichtingen imperatief is
                            voorgeschreven, waar intrekking van het werkleeraanbod (artikel 21 WIJ)
                            een bevoegdheid is, juist vanwege de verstrekkende gevolgen daarvan.
                            Bedacht moet daarbij immers worden dat intrekking van het werkleeraanbod
                            tevens intrekking van de inkomensvoorziening tot gevolg heeft (indien
                            toegekend) en dus het effect van ‘dubbele’ bestraffing kan hebben. Het
                            is daarom raadzaam om niet lichtvaardig tot intrekking van het
                            werkleeraanbod over te gaan. Een beleid waarbij slechts in
                            uitzonderingsgevallen tot intrekking van het werkleeraanbod wordt
                            overgegaan, mag daarom in lijn met de bedoelingen van de wetgever worden
                            geacht. Een dergelijke uitzonderingssituatie zal zich in de aanloop naar
                            de feitelijke tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod niet spoedig
                            voordoen. Daarvan kan sprake zijn als van de gemeente niet meer gevergd
                            kan worden dat uitvoering wordt gegeven aan het werkleeraanbod<cursief>.
                            </cursief></al><al><vet>Vanaf de tenuitvoerlegging </vet></al><al>Werkt de jongere onvoldoende mee aan de feitelijke uitvoering van het
                            werkleeraanbod, dan kan de evt. inkomensvoorziening worden verlaagd,
                            conform de Maatregelverordening (art. 41, eerste lid WIJ). Daarnaast
                            vervalt het recht op inkomensvoorziening als uit de houding en
                            gedragingen van de jongere ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat deze
                            de verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn verbonden in het
                            geheel niet wil nakomen (artikel 42, eerste lid, onderdeel c, WIJ).
                            Voorts kan het werkleeraanbod worden herzien of ingetrokken als de
                            jongere één van die verplichtingen niet nakomt (artikel 21, onderdeel b,
                            WIJ). Vindt intrekking plaats dan vervalt daarmee, zoals gezegd, tevens
                            het recht op inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel f,
                            WIJ). </al><al>Hetgeen hierboven over de keuze tussen verlaging van de
                            inkomensvoorziening en intrekking van het werkleeraanbod is gezegd geldt
                            mutatis mutandis ook voor deze fase. </al></divisie><divisie><kop><titel>Relatie met Verordening Werkleeraanbod </titel></kop><al>De verordening Werkleeraanbod en de Maatregelverordening vormen twee
                            kanten van dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college de plicht
                            op om jongeren een werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt via
                            de verordening Werkleeraanbod gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel
                            tegenover dat de jongere verplicht is het aanbod te aanvaarden en de
                            verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven.
                            Komt de jongere die verplichtingen niet na, dan vormt de
                            Maatregelverordening het kader voor verlaging van de
                            inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. In
                            de verordening Werkleeraanbod kan ook worden vastgelegd onder welke
                            voorwaarden en omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod (en
                            daarmee de inkomensvoorziening) kan worden overgegaan. Dit is in de
                            verordening Werkleeraanbod vastgelegd in artikel 6. Daarmee wordt dan
                            tevens de grens afgebakend met het verlagen van de inkomensvoorziening
                            bij wijze van maatregel. Zoals gezegd is het in lijn met de wetgever als
                            slechts in bijzondere omstandigheden tot intrekking van het
                            werkleeraanbod wordt overgegaan. </al><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                            gelijkluidende betekenis als in de WIJ. De term ‘WIJ-norm’ wordt in deze
                            verordening gebruikt. In artikel 41 WIJ is opgenomen dat het bedrag van
                            de inkomensvoorziening wordt verlaagd; bedoeld is echter de norm. Omdat
                            hantering van het begrip ‘inkomensvoorzieningsnorm’ of ‘bedrag van de
                            inkomensvoorziening’ de leesbaarheid niet ten goede komt, is het begrip
                            ‘WIJ-norm’ geïntroduceerd. </al><al>Er is een omschrijving van het begrip ‘benadelingsbedrag’ gegeven, omdat
                            dit begrip uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van de
                            maatregel die verbonden is aan schending van de inlichtingenplicht (zie
                            artikel 12). Aangesloten is bij de omschrijving van dit begrip in het
                            Boetebesluit socialezekerheidswetten. In artikel 1, onderdeel s van dit
                            Besluit is het begrip ‘benadelingsbedrag’ gedefinieerd voor het opleggen
                            van boetes op grond van een vijftiental socialezekerheidswetten,
                            waaronder de IOAW en IOAZ, in verband met schending van de
                            inlichtingenplicht. Gegeven de toelichting op dit artikel wordt onder
                            bruto benadelingsbedrag tevens verstaan de (inmiddels) afgedragen
                            loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding bedoeld in de
                            Zorgverzekeringswet, als bedoeld in artikel 54, vierde lid WIJ. Voor
                            zover er ten tijde van het maatregelbesluit nog geen sprake is geweest
                            van afdracht aan belastingen etc. , bijvoorbeeld omdat de teveel
                            verstrekte inkomensvoorziening reeds is terugbetaald in hetzelfde
                            kalenderjaar als waarin de inkomensvoorziening ten onrechte is
                            verstrekt, blijft het benadelingsbedrag uiteraard beperkt tot een netto
                            bedrag. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Afstemming</titel></kop><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel
                            (artikel 41, eerste lid, WIJ). In de Aanwijzingen voor de decentrale
                            regelgeving wordt dit afgeraden, niettemin is deze grondslag omwille van
                            de leesbaarheid, duidelijkheid en consistentie, evenals in de het
                            VNG-model van de Maatregelverordening WWB, hier herhaald. Verwezen wordt
                            naar artikel 42 WIJ om aan te geven dat de imperatief voorgeschreven
                            verlaging middels een maatregel niets afdoet aan intrekking van de
                            inkomensvoorziening vanwege intrekking van het werkleeraanbod. Als
                            daartoe wordt besloten, dan komt verlaging veelal niet meer aan de orde.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al>In artikel 3 is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                            opgelegd over de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een
                            begripsomschrijving. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt
                            opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt
                            aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze
                            eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                            en dan met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt
                            onder andere in dat een besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en
                            deugdelijk is gemotiveerd (afdeling 3.7 Awb ). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het
                            horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                            beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding
                            van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak
                            (artikel 4:12), behalve bij subsidies. In dit artikel wordt het horen
                            van de belanghebbende voordat een maatregel wordt opgelegd in beginsel
                            voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze
                            hoorplicht. De onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van
                            de Algemene wet bestuursrecht. Voor de goede orde: het opnemen van een
                            regeling voor het horen van belanghebbenden in deze verordening is
                            facultatief. Gemeenten kunnen zo'n regeling ook achterwege laten. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden van
                            het opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41, tweede
                            lid, WIJ waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als
                            iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Daarnaast is het denkbaar dat
                            in plaats van het opleggen van een maatregel eerst een waarschuwing
                            wordt gegeven. Dit kan bij diverse bepalingen in deze verordening worden
                            ingeregeld. </al><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                            gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van
                            de effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                            gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder
                            b. geregeld dat geen worden maatregelen opgelegd voor gedragingen die
                            langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Voor gedragingen die
                            een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten
                            onrechte inkomensvoorziening is verleend of een te hoog bedrag aan
                            inkomensvoorziening is verleend, geldt in de verordening een
                            verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij
                            de termijn die gelet op artikel 14e van de Algemene bijstandswet gold in
                            verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de
                            informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op
                            de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente
                            vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het
                            benadelingsbedrag) vast te stellen. Ten slotte kan onder individuele
                            omstandigheden wegens dringende redenen worden afgezien van het opleggen
                            van een maatregel. Van dringende redenen is sprake als de gevolgen van
                            het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zijn. Dat vergt een
                            beoordeling van de situatie van de jongere maar van dringende redenen
                            zal niet spoedig sprake zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                            WIJ-norm. Verlaging van de WIJ-norm kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>Met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                    inkomensvoorziening; of</al></li><li nr="2."><al>Door middel van verlaging van de WIJ-norm in de eerstvolgende
                                    maand(en).</al></li></lijst><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de inkomensvoorziening
                            reeds beëindigd is, dan biedt het tweede lid de mogelijkheid dat met
                            terugwerkende kracht een maatregel worden opgelegd. Wanneer een
                            uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is
                            het praktisch om de verlaging van de uitkering te verrekenen met het
                            bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de
                            inkomensvoorziening wel worden herzien en teruggevorderd. Dat is ook nog
                            mogelijk indien de inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Uit de
                            jurisprudentie van de Raad blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op het
                            moment waarop de gedraging plaatsgevonden heeft. Wordt een dergelijke
                            maatregel opgelegd, dan moet een tevens besluit tot herziening van de
                            inkomensvoorziening op grond van artikel 40, derde lid, WIJ worden
                            genomen. </al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Door een maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                            jongere die met een verlaging wordt geconfronteerd waar hij aan toe is.
                            Het college kan na afloop van de periode waarvoor de verlaging is
                            getroffen opnieuw een verlaging opleggen. Hiervoor is dan wel weer een
                            apart besluit nodig.</al><al>Wordt een verlaging opgelegd, dan zal het college de verlaging aan een
                            herbeoordeling moeten onderwerpen binnen drie maanden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                            verplichtingen genoemd in de wet (artikelen 43 en 44 WIJ). Indien sprake
                            is van één gedraging die als een schending van meerdere verplichtingen
                            kan worden aangemerkt, dan dient voor het toepassen van de maatregel te
                            worden uitgegaan van de verplichting waarop de zwaarste maatregel van
                            toepassing is. </al><al>Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan dient
                            voor iedere gedraging afzonderlijk het maatregelpercentage te worden
                            berekend en gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit niet verantwoord
                            is. De individuele toets van artikel 2, tweede lid dient altijd te
                            worden toegepast. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN BEDOELD IN ARTIKEL 45 VAN DE
                            WET</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>De hoogte van de maatregel</titel></kop><al>Er wordt gekozen voor differentiering in categorieën waarbij zoveel
                            mogelijk aansluiting bij de Maatregelverordening WWB is gezocht.
                            Hierdoor ontstaan twee categorieën gedragingen die in zwaarte
                            vergelijkbaar zijn. De eerste categorie hangt samen met de voorbereiding
                            op het plan tot arbeidsinschakeling. Bijvoorbeeld het niet willen
                            meewerken aan een competentietest kan worden aangemerkt als een
                            gedraging in de eerste categorie. De tweede categorie hangt direct samen
                            met de uitvoering van het plan tot arbeidsinschakeling. Hierbij past een
                            zwaardere sanctie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en de duur van de maatregel</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de twee categorieën van
                            gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                            verlenen aan het verkrijgen of behouden van een werkleeraanbod. </al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De algemene recidiveregel geldt waar in deze verordening geen nadere
                            recidive bepalingen zijn opgenomen. Bij een derde gedraging binnen 12
                            maanden is er geen sprake meer van recidive en dient de bijstand
                            individueel te worden afgestemd.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3:</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de
                            informatieplicht onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In
                                    deze situatie is artikel 40, eerste lid WIJ van toepassing. Het
                                    college kan in dat geval het recht op inkomensvoorziening
                                    opschorten en de jongere in de gelegenheid stellen binnen een
                                    door hem te stellen termijn het verzuim te herstellen. In dat
                                    geval kan ook een maatregel aan de orde zijn.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 44 WIJ: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                                    inlichtingen aan de gemeente. Daardoor is het mogelijk dat er
                                    ten onrechte of een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening is
                                    verstrekt of ten onrechte een werkleeraanbod is toegekend. Het
                                    is ook denkbaar dat het inlichtingenverzuim niet tot benadeling
                                    heeft geleid. In beide gevallen kan een maatregel aan de orde
                                    zijn. </al></li></lijst><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens bij een aanvraag
                            niet aan de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college de
                            rechtmatigheid van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening niet
                            vaststellen. De aanvraag moet dan worden afgewezen. Het opleggen van een
                            maatregel is in dergelijke gevallen niet aan de orde. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Indien een jongere de voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening
                            van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd
                            verstrekt, kan het college het recht op inkomensvoorziening opschorten
                            (artikel 40, eerste lid, WIJ). Het college geeft de jongere vervolgens
                            een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de
                            hersteltermijn). Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde
                            termijn aan de gemeente verstrekt, dan kan het college het besluit tot
                            vaststelling van de inkomensvoorziening intrekken (artikel 40, vierde
                            lid, tweede volzin, WIJ). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de
                            hersteltermijn verstrekt, wordt de inkomensvoorziening voortgezet, maar
                            wordt tevens een maatregel overwogen. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid wordt geregeld dat kan worden volstaan met het geven
                            van een waarschuwing als het een eerste gedraging betreft. Van een
                            eerste gedraging kan geen sprake zijn als voor een tweede keer in een
                            jaar tijd de inlichtingenplicht niet tijdig wordt nagekomen. </al><al>In dat geval moet een maatregel worden opgelegd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</titel></kop><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>In artikel 44, eerste lid, WIJ is bepaald dat de jongere op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn werkleeraanbod of het recht op
                            inkomensvoorziening. Het college zal moeten vaststellen wat het onder
                            'onverwijld' verstaat. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in
                            de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel
                            betaalde bedrag aan inkomensvoorziening. </al><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het
                            bedrag aan inkomensvoorziening dat als gevolg van de schending van die
                            verplichting ten onrechte of te veel aan de jongere is betaald. De
                            maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige
                            inkomensvoorziening van de jongere maar kan ook met terugwerkende kracht
                            worden opgelegd, zie artikel 7, tweede lid. </al><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>Hierin is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als inmiddels
                            vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is getroffen.
                            In dergelijke situaties is een maatregel niet meer opportuun. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Gemeenten kunnen alleen
                            een maatregel opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige
                            misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het
                            vaststellen van het recht op een werkleeraanbod en/of
                            inkomensvoorziening. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de
                            zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                            omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
                            WIJ. In artikel 41, eerste lid, WIJ wordt gesproken over 'het zich
                            jegens het college zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat alleen
                            (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun
                            ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Bij het
                            vaststellen van de maatregel in de situatie dat een jongere zich ernstig
                            heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de ernst van de
                            gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden
                            van de jongere. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                            volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds
                            ernstiger) worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>Verbaal geweld (schelden); </al></li><li nr="b."><al>Discriminatie; </al></li><li nr="c."><al>Intimidatie (uitoefenen van psychische druk); </al></li><li nr="d."><al>Zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); </al></li><li nr="e."><al>Mensgericht fysiek geweld; </al></li><li nr="f."><al>Combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgehad. In dit verband is het relevant een onderscheid te maken
                            tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel
                            geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om
                            een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                            uitkering). </al><al>Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en
                            dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal
                            duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld
                            in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. Het opleggen van een
                            maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Het
                            college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                            agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>In het tweede lid komt evenals bij andere gedragingen tot uitdrukking
                            dat recidive een reden kan zijn de maatregelduur te verlengen. </al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Bij een derde gedraging binnen 12 maanden is er geen sprake meer van
                            recidive en dient de Wij norm individueel te worden afgestemd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de drie categorieën van
                            zeer ernstige misdragingen. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>