<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR108770_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Werkleeraanbod Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oostermoer</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Werkleeraanbod Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 12, eerste lid, onderdeel a van de Wet investeren in jongeren</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-03-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit nummer 11</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verordening Werkleeraanbod WIJ 2011</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Niet van toepassing</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Werkleeraanbod Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsbesluit nr. 11. IV</al><al>Betreft: </al><al>De raad van de gemeente Tynaarlo;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17
                        november jl.;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 12, eerste
                        lid, onderdeel a van de Wet investeren in jongeren; </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te stellen
                        aangaande de inhoud van het werkleeraanbod in het kader van de Wet
                        investeren in jongeren; </al><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>in te trekken de: “de Verordening Werkleeraanbod Wet Investeren in Jongeren
                        gemeente Tynaarlo 2009” en vast te stellen de: </al><al><vet>“Verordening Werkleeraanbod Wet Investeren in Jongeren gemeente
                            Tynaarlo” </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet investeren in jongeren; </al></li><li nr="b."><al>Algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde arbeid
                                    in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, die algemeen
                                    maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen de openbare
                                    orde of goede zeden; </al></li><li nr="c."><al>Startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in
                                    artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet
                                    educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen
                                    voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
                                    als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="d."><al>College: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Tynaarlo. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>2.</nr><titel>BELEID EN FINANCIËN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod,
                                algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling aan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan het werkleeraanbod ook invullen met een combinatie
                                van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling dan wel één of meerdere voorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden,
                                krachten en bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een
                                werkleeraanbod is vastgesteld. Bij de invulling van het
                                werkleeraanbod onderzoekt het college de mogelijkheden en
                                omstandigheden van de jongere. Zij beziet daarbij tevens in hoeverre
                                de wensen van de jongere bij de invulling van het werkleeraanbod
                                kunnen worden betrokken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in aanmerking
                                voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het
                                oordeel van het college noodzakelijk geachte en beschikbare
                                voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een werkleeraanbod dat past binnen de criteria die
                                gesteld zijn in deze verordening en het in artikel 4 genoemde
                                beleidsplan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op grond van artikel 4 WIJ doet het college aan een jongere die
                                alleenstaande ouder is en die de volledige zorg heeft voor een te
                                zijnen laste komend kind tot vijf jaar, desgevraagd een
                                werkleeraanbod dat gericht is op scholing of een opleiding die de
                                toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van
                                het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of
                                bekwaamheden van die jongere te boven gaat. Indien het college tot
                                dat oordeel is gekomen, biedt het college een andere voorziening
                                gericht op arbeidsinschakeling aan. </al><lijst><li nr="a."><al>De periode waarin het hier bedoelde werkleeraanbod wordt
                                        aangeboden is indicatief vastgesteld op één schooljaar.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Beleidsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                jaarlijks een beleidsplan vast. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit beleidsplan omvat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>Een omschrijving van het beleid ten aanzien van de
                                        arbeidsinschakeling van jongeren en de wijze waarop aandacht
                                        wordt besteed aan in elk geval de volgende doelgroepen:</al></li><li nr="·"><al>Jongeren met een arbeidshandicap;</al></li><li nr="·"><al>Alleenstaande ouders;</al></li><li nr="·"><al>Jongeren zonder startkwalificatie;</al></li><li nr="·"><al>Jongeren met schulden. </al></li><li nr="b."><al>Een omschrijving van de beschikbare voorzieningen; </al></li><li nr="c."><al>Een omschrijving van de beschikbare instrumenten ter
                                        ondersteuning van de arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="d."><al>De wijze waarop de voorzieningen worden ingezet voor de
                                        verschillende doelgroepen; </al></li><li nr="e."><al>De afspraken, die met derden zijn of worden gemaakt over de
                                        arbeidsinschakeling van, en het aanbieden van voorzieningen
                                        aan jongeren; </al></li><li nr="f."><al>Een omschrijving van de maatregelen die worden genomen om
                                        het niet-gebruik van voorzieningen tegen te gaan. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zendt eenmaal per jaar aan de gemeenteraad een verslag
                                over de effecten van het beleid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het beleidsplan, alsmede het verslag bedoeld in het tweede lid,
                                bevat het oordeel van de cliëntenraad. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><al>1.Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te
                            voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet
                            structuur uitvoering werk en inkomen, deze verordening, alsmede aan de
                            verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft
                            verbonden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Intrekking werkleeraanbod</titel></kop><al>Het college kan het werkleeraanbod intrekken of herzien, indien
                            wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de
                            jongere dan wel indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem
                            rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet en hem dit
                            te verwijten valt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Budgetplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de
                                verschillende voorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>3.</nr><titel>SUBSIDIE EN VERGOEDINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Loonkostensubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een
                                jongere een arbeidsovereenkomst sluiten gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij uitvoeringsbesluit stelt het college regels ten aanzien van de
                                duur van de subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de
                                subsidie worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Minimaal eenmaal per jaar wordt in overleg met de werknemer en de
                                werkgever bezien welke mogelijkheden er voor de werknemer zijn voor
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt ten opzichte van reguliere arbeid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Weigeren loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidie kan worden geweigerd indien de werkgever voor de
                                arbeidskosten van de werknemer een andere subsidie of vergoeding
                                ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de subsidie niet of in onvoldoende mate besteed wordt voor
                                het doel waarvoor zij is verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie wordt geweigerd indien naar het oordeel van het college
                                door de subsidieverlening de concurrentie verhoudingen verstoord
                                worden, dan wel de subsidieverlening leidt tot het verdringen van
                                reguliere arbeid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De subsidie wordt geweigerd indien het vastgestelde subsidieplafond
                                is bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan aan een jongere die ten behoeve van de uitvoering van
                            een werkleeraanbod noodzakelijke kosten maakt, een vergoeding voor die
                            kosten verstrekken. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Is vervallen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2011. </al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening
                                    Werkleeraanbod Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo’. </al><al/><al>Vries, 29 maart 2011</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>F. A. van Zuilen voorzitter</ondertekening><ondertekening>J.L. de Jong, griffier</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>Het college van burgemeester en wethouders heeft ingevolge de WIJ
                            opdracht om jongeren een werkleeraanbod te doen. De gemeenteraad stelt
                            de verordening vast waarin het beleid van de gemeente wordt vastgelegd.
                            In deze verordening wordt het recht op het werkleeraanbod geregeld. </al><al>De invoering van de WIJ behelst een paradigma wisseling. Op grond van de
                            WIJ kan een werkleeraanbod worden aangevraagd. Middels dit aanbod wordt
                            idealiter voldoende inkomen gegenereerd. Wanneer dit niet het geval is
                            wordt ambtshalve het recht op een inkomensvoorziening beoordeeld. </al><al><vet>Inhoud werkleeraanbod </vet></al><al>Het begrip ‘werkleeraanbod’ moet ruim worden uitgelegd. Het
                            werkleeraanbod kan allerlei vormen hebben, variërend van een ‘echte’
                            baan tot vakgerichte scholing of een combinatie van beide. Een
                            werkleeraanbod kan ook bestaan uit voorzieningen die nodig worden geacht
                            op weg naar arbeidsinschakeling, zoals een sollicitatietraining, een
                            cursus gericht op de ontwikkeling van werknemersvaardigheden, een
                            stageplaats, schuldhulpverlening, sociale activering, nazorg en
                            gesubsidieerde arbeid. Afgezien van participatieplaatsen kan het gehele
                            instrumentarium dat gemeenten hebben ontwikkeld voor de re-integratie in
                            het kader van de WWB, ook op jongeren toegepast worden.</al><al><vet>Duurzame arbeidsparticipatie </vet></al><al>Voor jongeren in de leeftijd van 16 tot 27 jaar ontstaat onder de
                            voorwaarden die in de WIJ zijn genoemd, een individueel recht op een
                            werkleeraanbod. Dat is meer dan een recht op een eenmalige voorziening.
                            Zo nodig is het een recht op een reeks voorzieningen gericht op de
                            kortste weg naar duurzame arbeidsparticipatie. Onder duurzame
                            arbeidsparticipatie wordt verstaan de arbeidsinschakeling waarbij
                            jongeren gedurende langere tijd en op eigen kracht aan het arbeidsproces
                            kunnen deelnemen en arbeid verrichten dat past bij hun kennis en
                            vaardigheden of deze kennis en vaardigheden bevordert.</al><al>Tot dat punt is bereikt is de gemeente verplicht de jongere (bij
                            herhaling) een werkleeraanbod te doen gericht op arbeidsinschakeling. Er
                            is nadrukkelijk voor gekozen om niet bij voorbaat te bepalen hoe lang de
                            algemeen geaccepteerde arbeid zou moeten duren voordat over ‘duurzame
                            arbeidsparticipatie’ kan worden gesproken (De jongere dient op het punt
                            gebracht te worden dat hij geen ondersteuning van het college meer nodig
                            heeft. </al><al><vet>Maatwerk</vet></al><al>Uitgangspunt is dat maatwerk wordt geleverd: dat het werkleeraanbod
                            wordt afgestemd op de omstandigheden, krachten en capaciteiten van de
                            jongere (artikel 18, eerste lid WIJ).</al><al>Centraal in deze verordening staat artikel 4, het beleidsplan. Via een
                            door de raad vast te stellen beleidsplan en de jaarlijkse verantwoording
                            hierover door het college, kan adequaat worden ingespeeld op nieuwe
                            ontwikkelingen. Daarbij is het van belang dat maatwerk wordt geleverd.
                            Om hier goed op in te kunnen spelen is er voor gekozen het college de
                            bevoegdheid te geven om binnen het door deze verordening aangegeven
                            kader nadere beleids- en uitvoeringsregels vast te kunnen stellen.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde
                            betekenis als in de WIJ. Daarom worden bepaalde begrippen, zoals
                            ‘werkleeraanbod’, ‘arbeidsinschakeling’ en ‘jongere’, niet opnieuw
                            gedefinieerd. Wel gedefinieerd zijn de begrippen ‘startkwalificatie’ en
                            ‘algemeen geaccepteerde arbeid’, omdat deze in de WIJ niet nader zijn
                            omschreven. Het begrip ‘startkwalificatie’ is afkomstig uit de Wet
                            educatie en beroepsonderwijs en wordt wel in de WWB gedefinieerd (art.
                            6, eerste lid, onderdeel d WWB). De omschrijving van algemeen
                            geaccepteerde arbeid’ is afkomstig uit de nota naar aanleiding van het
                            verslag (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p.28). </al></divisie><divisie><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>2.</nr><titel>BELEID EN FINANCIËN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college verwoord, zoals deze
                            voortvloeit uit de artikelen 11, eerste lid en 13, eerste lid, WIJ.
                            Hoewel deze opdracht ook uit het samenstel van deze bepalingen en
                            artikel 5, eerste lid, WIJ kan worden afgeleid, is er uit een oogpunt
                            van duidelijkheid voor gekozen de opdracht aan het college nader te
                            omschrijven. In het tweede lid is tevens verduidelijkt dat het
                            werkleeraanbod ook samengesteld kan zijn uit een </al><al>combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij
                            arbeidsinschakeling en één of meerdere voorzieningen. Onder voorziening
                            wordt verstaan een instrument dat wordt ingezet om de jongere dichterbij
                            de arbeidsmarkt te brengen. Dit kan zoals gezegd allerlei vormen hebben,
                            variërend van schuldhulpverlening tot training van
                            werknemersvaardigheden. </al><al>Het derde lid vormt een herhaling van artikel 17, eerste lid, WIJ. Uit
                            een oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het
                            belang van maatwerk bij het vaststellen van het werkleeraanbod, is dit
                            artikel opgenomen. Toegevoegd is de gemeentelijke onderzoeksplicht en de
                            plicht om de wensen van de jongere bij de invulling te betrekken. Met
                            het oog op motivering en kansbenutting zal het college daarmee rekening
                            dienen te houden. Daarmee is niet gezegd dat de jongere recht heeft op
                            een bepaalde specifieke voorziening en deze kan opeisen. De
                            uiteindelijke invulling van de aard en de samenstelling van het aanbod
                            is voorbehouden aan het college. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><al>Als spiegelbeeld aan de opdracht van het college, zoals verwoord in
                            artikel 2, eerste lid, komen jongeren die recht hebben op een
                            werkleeraanbod in aanmerking voor ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling en voorzieningen. Dit vloeit reeds voort uit artikel
                            13, eerste lid, WIJ maar is omwille van de herkenbaarheid en
                            eenduidigheid hier nader geconcretiseerd. Wat de vorm van de
                            ondersteuning is, bepaalt het college zelf (bijv. Kamerstukken II
                            2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 22). Voor de duidelijkheid is verder nog
                            bepaald dat het om jongeren moet gaan die recht op een werkleeraanbod
                            hebben. Dat is niet iedere ‘jongere’ in de zin van de WIJ (zie artikel
                            2, eerste lid, WIJ), want daaronder wordt verstaan de jongere in de
                            leeftijd van 16 tot 27 jaar. Artikel 13, eerste lid, WIJ kadert de
                            doelgroep af. In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd
                            tussen de algemene aanspraak van de jongere en de criteria die gesteld
                            zijn voor het aanbieden van een werkleeraanbod. Daarbij wordt verwezen
                            naar de verordening (en het beleidsplan waarin die criteria zijn
                            uitgewerkt, als gekozen wordt voor de zogenaamde procedurele variant
                            genoemd in artikel 4). </al><al> In het derde lid wordt de maximale periode van een werkleeraanbod dat
                            toeziet op scholing en ontheffing van de sollicitatieplicht en
                            aanvaarden van werk geregeld. Bij de vormgeving van het werkleeraanbod
                            in de WIJ is speciale aandacht besteed aan alleenstaande ouders, vanwege
                            hun zorgtaken. Daarom geldt voor alleenstaande ouders met een ten laste
                            komend kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod desgevraagd
                            wordt ingevuld door middel van scholing of opleiding die de toegang tot
                            de arbeidsmarkt bevordert, tenzij een dergelijke scholing de krachten of
                            bekwaamheden van de jongere te boven gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ).
                            Daarmee loopt deze regeling parallel met de WWB (artikel 9a WWB). Anders
                            dan in de WWB echter is uit oogpunt van deregulering afgezien van een
                            maximale termijn van zes jaar. Dit omdat gezien de maximale duur van het
                            werkleerrecht (van 18 tot 27 jaar) deze maximale termijn in de meeste
                            gevallen reeds in de werkleerperiode zal zijn geïncorporeerd. De periode
                            waarin het werkleeraanbod toeziet op scholing of opleiding die de
                            toegang tot de arbeidsmarkt bevordert wordt indicatief vastgesteld op
                            een jaar. Uitgangspunt van de WIJ is dat de jongere zich gemotiveerd
                            meldt voor een werkleeraanbod waarmee duurzame uitstroom wordt bereikt.
                            Dit impliceert dat geen lange periode van scholing wordt gevolgd waarmee
                            de facto uitstroom niet wordt bereikt. Daarbij wordt maatwerk geleverd
                            waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden, krachten en
                            bekwaamheden van de jongere. In het individuele geval is het denkbaar
                            dat vooraleerst belemmeringen moeten worden weggewerkt alvorens met
                            scholing gestart kan worden. Deze periode gaat vooraf aan de indicatieve
                            scholingsperiode van een jaar. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Beleidsplan</titel></kop><al>Zoals ook in de algemene toelichting is gesteld, vraagt de WIJ aan de
                            gemeenteraad om het beleid over het werkleeraanbod in een verordening
                            vast te leggen. Hier is gekozen voor de systematiek om niet alles in de
                            verordening te regelen, maar ook gebruik te maken van beleidsplannen en
                            uitvoeringsbeleid. </al><al>Het eerste lid geeft aan dat het college, ter uitvoering van de
                            verordening, een beleidsplan maakt. Daarmee wordt de kenbaarheid en
                            rechtszekerheid van jongeren gewaarborgd. Zij kunnen uit het beleidsplan
                            afleiden welk beleid de gemeente voert. Dit beleidsplan wordt jaarlijks
                            vastgesteld. </al><al>In het tweede lid is geregeld welke onderwerpen in het beleidsplan aan
                            de orde kunnen komen. De doelgroepen die in elk geval aandacht krijgen
                            in het beleidsplan zijn omschreven. Het staat de gemeente daarnaast vrij
                            om eigen beleid te voeren. In het beleidsplan zal in ieder geval
                            duidelijk moeten worden gemaakt welke voorzieningen beschikbaar zijn
                            voor jongeren.</al><al><vet>Alleenstaande ouders</vet></al><al>Volstaan wordt met een verwijzing naar de toelichting op artikel 3 lid
                            3</al><al><vet>Jongeren met arbeidshandicap</vet></al><al>Voor de groep jongeren met een medische beperking (die niet behoren tot
                            de doelgroep van de WAJONG) is het van belang dat het aanbod aansluit
                            bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het
                            werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de
                            hand van de individuele situatie zal beoordeeld moeten worden welk
                            aanbod past bij de jongere gelet op zijn/haar mogelijkheden en
                            beperkingen. Het werkleeraanbod moet aansluiten bij de individuele
                            mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en
                            belastbaarheid. Maatwerk betekent een zorgvuldige op de persoon
                            toegesneden afweging bij de uiteindelijke keuze van een traject. Voor de
                            groep jongeren die weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling
                            behoort sociale activering tot mogelijkheden. Als een werkleeraanbod
                            vanwege de medische situatie in het geheel niet mogelijk is, wordt de
                            gehandicapte geen aanbod gedaan. Wel kan aanspraak op een
                            inkomensvoorziening bestaan. </al><al><vet>Jongeren zonder Startkwalificatie</vet></al><al>Het college bepaalt de inhoud van het werkleeraanbod. Dat geldt ook voor
                            het antwoord op de vraag of het accent komt te liggen op werken of
                            leren. Gelet op de duurzame arbeidsparticipatie als einddoel, zal werken
                            de hoogste prioriteit hebben als de jongere daartoe in staat is. Zijn er
                            echter belemmeringen op de weg daar naartoe, dan kunnen allerlei
                            voorzieningen worden ingezet om dat einddoel te bereiken. </al><al> Van belang daarbij is dat de startkwalificatie binnen het
                            werkleeraanbod een ijkpunt vormt, omdat deze in belangrijke mate kan
                            bijdragen aan duurzame arbeidsparticipatie. Het is aan de gemeenten
                            overgelaten om te beoordelen in hoeverre de jongere in staat moet worden
                            gesteld een dergelijke kwalificatie te behalen of anderszins scholing te
                            ontvangen die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert. </al><al><vet>Jongeren met Schulden</vet></al><al>Expliciet in deze verordening wordt de categorie jongeren met schulden
                            opgenomen. Steeds meer jongeren worden geconfronteerd met dermate hoge
                            schulden waardoor arbeidsinschakeling niet mogelijk is. </al><al>De periode waarin het werkleeraanbod toeziet op scholing of opleiding
                            die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert wordt indicatief
                            vastgesteld op een jaar. </al><al>Uitgangspunt van de WIJ is dat de jongere zich gemotiveerd meldt voor
                            een werkleeraanbod waarmee duurzame uitstroom wordt bereikt. Dit
                            impliceert dat geen lange periode van scholing wordt gevolgd waarmee de
                            facto geen uitstroom wordt bereikt. Daarbij wordt maatwerk geleverd
                            waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden, krachten en
                            bekwaamheden van de jongere. In het individuele geval is het denkbaar
                            dat vooraleerst belemmeringen moeten worden weggewerkt alvorens met
                            scholing gestart kan worden. Deze periode gaat vooraf aan de indicatieve
                            scholing van een jaar. </al><al>Het derde lid biedt de basis voor de verantwoording van het beleid. De
                            beleidscyclus mondt uit in verantwoording en beoordeling door de raad
                            over de effecten van het gevoerde beleid. </al><al>Het vierde lid maakt het beleidsplan tot onderwerp van inspraak. De
                            cliëntenraad is het orgaan dat inspraak heeft. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><al>In de WIJ is vastgelegd welke verplichtingen verbonden zijn aan het
                            recht op een werkleeraanbod (zie de artikelen 44 en 45 WIJ). Daaraan is
                            toegevoegd dat de jongere de verplichtingen dient na te komen die
                            voortvloeien uit de verordening of die in concreto aan een voorziening
                            zijn verbonden. Dit kunnen verplichtingen van uiteenlopende aard zijn,
                            die een concretisering vormen van de in de WIJ opgenomen verplichtingen.
                            Zo kan bepaald worden dat een jongere gedurende het traject op gezette
                            tijden met de consulent de voortgang bespreekt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Intrekking werkleeraanbod</titel></kop><al>Dit artikel vormt een herhaling van artikel 21 WIJ. Intrekking is in
                            wezen slechts aan de orde als er een situatie is ontstaan dat niet
                            langer kan worden gevergd dat het werkleeraanbod wordt voortgezet en een
                            andere invulling (via gedeeltelijke herziening) evenmin soelaas biedt.
                            Gedacht kan worden aan herhaalde misdragingen jegens andere jongeren of
                            begeleiders op de werk/leerplek of veelvuldig verzuim. Daarbij kan ook
                            een rol spelen de positie van gemotiveerde jongeren die wachten op een
                            werk/leerplek, de staat van de arbeidsmarkt en de kosten van de
                            voorziening. Het verdient aanbeveling slechts tot intrekking te
                            besluiten nadat de individuele situatie zorgvuldig afgewogen is. </al><al>Factoren die voorts betrokken kunnen worden bij het maken van de keuze
                            tot intrekken van het werkleeraanbod zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>Is er sprake van herhaald gedrag? </al></li><li nr="·"><al>Wat is de kans op herhaling? </al></li><li nr="·"><al>Wat is het belang voor de jongere bij dit werkleeraanbod? </al></li><li nr="·"><al>Wat zijn de kansen op arbeidsinschakeling bij voortzetting van
                                    het werkleeraanbod? </al></li><li nr="·"><al>Heeft het gedrag de belangen van derden geschaad? </al></li><li nr="·"><al>Kan van de instelling/bedrijf waar het werkleeraanbod feitelijk
                                    wordt uitgevoerd nog </al></li><li nr="·"><al>worden gevergd dat de jongere het werkleeraanbod daar voortzet?
                                </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Budgetplafonds</titel></kop><al>De gemeente kan een verdeling maken van de beschikbare middelen over de
                            verschillende voorzieningen. Dit vormt onderdeel van het beleidsplan.
                            Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn
                            om geen werkleeraanbod te doen. De verplichting daartoe is immers
                            vastgelegd in artikel 13, eerste lid WIJ. Wel kan de invulling van het
                            werkleeraanbod beïnvloed worden door budgettaire beperkingen. Zijn er
                            vanwege die beperkingen voor bepaalde voorzieningen geen middelen meer
                            dan dient te worden nagegaan welke andere instrumenten beschikbaar zijn.
                            Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat
                            wel kan is dat per voorziening een plafond wordt ingebouwd. Dit laat de
                            mogelijkheid open dat er naar een ander instrument wordt uitgeweken om
                            tot duurzame arbeidsparticipatie te komen. Bij dit artikel wordt
                            uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds in te stellen.
                            Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt
                            verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan voor de verschillende
                            voorzieningen worden gereserveerd. </al></divisie><divisie><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>3.</nr><titel>SUBSIDIE EN VERGOEDINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Subsidies</titel></kop><al>Het werkleeraanbod kan worden ingevuld met gesubsidieerde arbeid. Dit
                            wordt ook als voorziening aangemerkt. In het eerste lid is vastgelegd
                            dat de subsidie aan de werkgever kan bestaan uit een tegemoetkoming in
                            de loonkosten of andere bijkomende kosten. Deze subsidie vormt als
                            zodanig een voorwaarde voor de voorziening. Voor het verstrekken van een
                            subsidie is een wettelijke grondslag vereist (art. 4:23, eerste lid
                            Awb). Om die reden is een specifiek artikel opgenomen dat deze grondslag
                            biedt. In het eerste lid worden loonkostensubsidies en subsidies ter
                            voorbereiding van een dienstverband van een grondslag voorzien. De
                            hoogte van de subsidies en de voorwaarden waaronder subsidie wordt
                            verleend, dienen afzonderlijk te worden geregeld. Dat kan in deze
                            verordening maar zal doorgaans in het beleidsplan worden afgekaderd. Op
                            grond van het tweede lid kan het college nadere regels stellen over
                            enkele zaken over de subsidiëring. Hoewel uitgangspunt is dat het beleid
                            over het werkleeraanbod door de gemeenteraad wordt vastgesteld, is reeds
                            eerder aangegeven dat waar het om uitvoeringsbeleid gaat, dit door het
                            college ter hand kan worden genomen. De gemeente kan, om de financiële
                            risico’s te beheersen, subsidieplafonds vaststellen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Weigeren subsidies</titel></kop><al>Om subsidies te kunnen weigeren bij ontbrekende middelen is het een
                            vereiste dat een dergelijk plafond is ingesteld, zie ook art. 4:24 e.v.
                            Awb. In lid 3 is de bevoegdheid van het college vastgesteld om plafonds
                            in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de
                            plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan of in de
                            begroting voor de verschillende soorten subsidie worden gereserveerd.
                            Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór de periode
                            waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb). </al></divisie><divisie><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Kosten die voor de jongere verbonden zijn aan het uitvoeren van het
                            werkleeraanbod kunnen worden vergoed op grond van dit artikel. Gedacht
                            kan bijvoorbeeld worden aan kosten van kinderopvang, voor zover de
                            voorliggende voorziening (Wet Kinderopvang) daarin onvoldoende voorziet.
                            Ook noodzakelijke reiskosten en andere kosten, bijvoorbeeld voor
                            verplichte kleding of schoeisel, kunnen voor vergoeding in aanmerking
                            komen, mits de kosten aantoonbaar en noodzakelijk zijn en er geen andere
                            voorzieningen zijn. De kosten kunnen ten laste worden gebracht van het
                            participatiebudget. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college past het dat
                            de gemeenteraad beleidskaders vaststelt. Dat is in deze verordening
                            uitgewerkt. Het college is belast met de uitvoering van dat beleid en op
                            sommige onderdelen, met de nadere uitwerking daarvan. Doen zich
                            situaties voor waarin niet is voorzien of waarin onverkorte toepassing
                            van de gestelde bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden van overwegende
                            aard leidt, dan is het aan het college om besluiten te nemen waarin
                            recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het
                            gemeentelijk beleid en anderzijds het individuele belang van de jongere.
                            Dat kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen die
                            afwijken van deze verordening. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>