<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR108762_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tynaarlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oostermoer</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">147, eerste lid Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 12, eerste lid, onderdeel e en 35, eerste lid, van de Wet Investeren in Jongeren</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-03-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit nummer 11</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Toeslagenverordening WIJ 2011</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Niet van toepassing</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsbesluit nr. 11.III</al><al>Betreft: Vaststellen Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren
                        gemeente Tynaarlo </al><al>De raad van de gemeente Tynaarlo;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        17 november jl.; </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en de artikelen 12, eerste
                        lid, onderdeel e en 35, eerste lid, van de Wet Investeren in Jongeren, </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken en het verlagen van
                        uitkeringen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar bij verordening
                        te regelen; </al><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>in te trekken de: “Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren
                        gemeente Tynaarlo 2009” en</al><al>vast te stellen de: </al><al><vet>“Toeslagenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente
                        Tynaarlo”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>De wet: de Wet investeren in jongeren; </al></li><li nr="b."><al>Gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 28, eerste lid
                                    onderdeel c, van de wet; </al></li><li nr="c."><al>College: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Tynaarlo; </al></li><li nr="d."><al>Woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op
                                    de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld
                                    in artikel 2a,van de wet; </al></li><li nr="e."><al>Woonkosten: </al><lijst><li nr="1."><al>Indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                            geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d,
                                            van de Wet op de huurtoeslag; </al></li><li nr="2."><al>Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                            per maand omgerekende som van de verschuldigde
                                            hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                            hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Reikwijdte</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien de gehuwden beiden 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE NORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag Alleenstaande of Alleenstaande ouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 20
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor de jongere die met één of meer
                                anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE NORM OF TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10 procent van de
                            gehuwdennorm voor gehuwden die met één of meer anderen hun hoofdverblijf
                            in dezelfde woning hebben. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt 20 procent van de
                            gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor de jongere
                            geen woonkosten verbonden zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 34 van de wet is als volgt
                                vastgesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3 bedraagt de toeslag 10 procent van de
                                gehuwdennorm voor de alleenstaande van 22 jaar in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3 bedraagt de toeslag 5 procent van de
                                gehuwdennorm voor de alleenstaande van 22 jaar in wiens woning een
                                of meer anderen het hoofdverblijf hebben;.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3 bedraagt de toeslag 5 procent van de
                                gehuwdennorm voor de alleenstaande van 21 jaar in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3 bedraagt de toeslag 2 en een half procent
                                voor de alleenstaande van 21 jaar in wiens woning een of meer
                                anderen het hoofdverblijf hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke norm voor de jongere tenminste bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>50 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>70 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder;</al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2011. </al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Toeslagenverordening Wet
                                    Investeren in Jongeren gemeente Tynaarlo”. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vries, 19 maart 2011</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>F.A. van Zuilen, voorzitter</ondertekening><ondertekening>J.L. de Jong, griffier</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al>Op grond van de Wet Investeren in Jongeren (WIJ) heeft de gemeenteraad
                            de opdracht een verordening vast te stellen met betrekking tot het
                            verhogen en verlagen van de normen die voor de inkomensvoorziening
                            gelden (artikel 12, eerste lid sub e, WIJ). </al><al>Hoofdstuk 4 van de WIJ kent voor de vaststelling van de
                            inkomensvoorziening een systeem van basisnormen en toeslagen en
                            verlagingen. De hoogte van de norm is geregeld in de artikelen 26 tot en
                            met 29 WIJ. De artikelen 30 tot en met 34 voorzien in de toeslagen en
                            verlagingen. </al><al>Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft de wetgever ervoor gekozen om
                            de normensystematiek die thans is vastgelegd in de WWB zoveel mogelijk
                            over te nemen in de WIJ. Dat betekent enerzijds dat onderscheid is
                            gemaakt tussen de normen die gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren
                            van 18 tot 21 jaar) en oudere jongeren (21 tot 27 jaar). Anderzijds zijn
                            de normen voor beide leeftijdsgroepen identiek aan de normen die thans
                            in de WWB voor beide groepen gelden. Hetzelfde geldt voor de normen die
                            van toepassing zijn bij het verblijf in een inrichting. De overgang naar
                            de WIJ leidt op dit onderdeel dus niet tot een wijziging van de
                            financiële positie van de jongeren die afhankelijk worden van een
                            inkomensvoorziening. </al><al>De toeslagenverordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen
                            dat voor een aantal categorieën uitkeringsgerechtigden de hoogte van de
                            toeslag dan wel verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is
                            beschreven. Bij het afbakenen van de categorieën is aansluiting gezocht
                            bij de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand en daarmee gekozen voor
                            eenvoudig te hanteren criteria. In deze verordening is daarom bewust
                            gekozen de schoolverlaterskorting van artikel 33 WIJ niet op te nemen.
                            Voorts is gekozen voor een forfaitaire benadering. Alleen situaties
                            waarin iemand geacht wordt lager bestaanskosten te hebben zijn
                            omschreven. Dit voorkomt rekenwerk met werkelijke kosten per individueel
                            geval. </al><divisie><kop><titel>Individualisering</titel></kop><al>Het is niet nodig c.q. mogelijk om alle mogelijke situaties uitputtend
                            te beschrijven. In niet geregelde gevallen is het college immers bevoegd
                            én verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze van individualisering
                            afwijkend vast te stellen (artikel 35, vierde lid, WIJ). </al><al>De werking van de verordening beperkt zich tot uitkeringsgerechtigden
                            van 21 tot 27 jaar, hoewel de WIJ de mogelijkheid biedt verlagingen toe
                            te passen op inkomensgerechtigden van 18, 19 of 20 jaar. </al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Evenals in de model-toeslagenverordening WWB is het begrip
                            ‘gehuwdennorm’ omschreven, omdat het uitkeringsgebouw in de WIJ,
                            inclusief toeslagen en verlagingen, voor 21- tot 27-jarigen daaraan is
                            gerelateerd. Volstaan is met een verwijzing naar artikel 28, tweede lid,
                            sub d, WIJ. De daar genoemde gehuwdennorm is gelijk aan de gehuwdennorm
                            genoemd in artikel 21, sub c, WWB. </al><al>Evenmin als in de WWB wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven.
                            Gelet op de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee
                            hetzelfde begrip is bedoeld als in de WWB, te weten het begrip ‘woning’,
                            bedoeld in de Wet op de huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor
                            zover deze als zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere
                            onzelfstandige woonruimte is verhuurd, alsmede de onroerende
                            aanhorigheden”. </al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is
                            voor de toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten
                            is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de
                            Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was
                            opgenomen. Deze omschrijving wordt in veel verordeningen nog gebruikt.
                            Het is aan het college overgelaten om de onderhoudskosten vast te
                            stellen. Het is ook denkbaar dat geen gebruik wordt gemaakt van het
                            begrip ‘woonkosten’, maar van de begrippen ‘huur’ en ‘hypotheek’. Het
                            verdient aanbeveling deze dan nader te omschrijven. </al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens
                            verwezen naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin deze woonruimtes met een
                            woning worden gelijkgesteld. </al><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn
                            omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Zo wordt in deze
                            verordening meerdere malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2,
                            eerste lid, WIJ omschrijft dit begrip. Onder jongere wordt verstaan: een
                            hier te lande woonachtige Nederlander (of daarmee gelijkgestelde
                            vreemdeling) 16 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. Voor de
                            toepassing van deze verordening wordt onder jongeren echter verstaan de
                            jongeren in de leeftijd van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar
                            (zie ook artikel 2). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>De werking van de verordening is beperkt tot uitkeringsgerechtigden in
                            de leeftijdscategorie van 21 tot 27 jaar. De artikelen 31 en 32 WIJ
                            maken ook categoriale verlagingen mogelijk voor uitkeringsgerechtigden
                            van 18, 19 en 20 jaar. Deze uitkeringsgerechtigden hebben echter al een
                            lagere norm (de jongerennorm), omdat zij in principe een beroep kunnen
                            doen op de ouderlijke onderhoudsplicht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is de gemeenteraad
                            verplicht om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm
                            bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning
                            geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot
                            verlaging van norm of toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in
                            lid 1. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt
                            verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen
                            worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Zolang er geen sprake is van
                            een gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat
                            niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn
                            plaats. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                            alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10% als een woning gedeeld
                            wordt met een ander, is dit ook gerealiseerd voor gehuwde jongeren in
                            dezelfde situatie. De jongeren kunnen in dat geval namelijk ook kosten
                            delen met een ander en daarom is een verlaging op zijn plaats. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Als aan een woning geen woonkosten verbonden zijn, is sprake van lagere
                            bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32 WIJ opent om die reden
                            de mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel
                            5 gerealiseerd. Het bepaalde onder a leidt ertoe dat de norm of toeslag
                            met 20% wordt verlaagd als de jongere geen woonlasten betaalt. Dat kan
                            zich voordoen bij krakers, of als de woonkosten worden betaald door een
                            derde, bijv. de ouders of de ex-partner. Onder woonkosten wordt in dit
                            verband verstaan de huur of, als de jongere een eigen woning bewoont, de
                            verschuldigde hypotheekrente en de aan het eigendom verbonden zakelijke
                            lasten alsmede een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                            onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>Artikel 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe te
                            passing indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                            jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden.
                            Aangezien het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor
                            een 22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere
                            verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige. </al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in
                            artikel 34 WIJ- de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan
                            plaatsvinden op de toeslag. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>Als gebruik wordt gemaakt van alle verlagingsmogelijkheden dan leidt dit
                            mogelijk tot nadelige effecten. De jongere komt dan in een situatie
                            waarin niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan worden
                            voorzien. Dit lid regelt dat in het voorkomende geval op grond van het
                            individualiseringsbeginsel de verlaging beperkt moet worden. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>