<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR108496_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Hillegom incl. 13e serie wijzigingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hillegom</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-09-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hillegom</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Hillegommer 29-09-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Hillegom incl. 13e serie wijzigingen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WONINGWET">Woningwet, art. 11</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WONINGWET">Woningwet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10-1540b</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-56685</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Hillegom incl. 13e serie wijzigingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente Hillegom;</al><al> gelezen het voorstel van het college van 17 augustus 2010;</al><al> gelet op artikel 8 en 11 van de Woningwet;</al><al> besluit vast te stellen de volgende</al><al> Bouwverordening gemeente Hillegom incl. 13e serie wijzigingen</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>begripsomschrijvingen</titel></kop><al> 1. In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al> - asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van
                            het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ;</al><al> - Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel
                            1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een
                            bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en
                            wethouders;</al><al> - bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel
                            2 van de Woningwet ;</al><al> - bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de
                            Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht;</al><al> - bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                            of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                            indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun
                            vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al><al> - deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt
                            verstaan in artikel 6, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit
                            2005 ;</al><al> - gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                            Bouwbesluit ;</al><al> - hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens
                            burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al><al> - NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                            uitgegeven norm;</al><al> - NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                            uitgegeven voornorm;</al><al> - straatpeil:</al><al> a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                            grenst:</al><al> b. de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;</al><al> b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg
                            grenst:</al><al> c. de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij
                            voltooiing van de bouw;</al><al> - Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                            bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de
                            Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al> - Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                            sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de
                            Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al> - weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen
                            of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot
                            de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                            liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al><al> 2. In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al> bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk</al><al> gebouw: een gedeelte van een gebouw</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><al> 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                            gemeente:</al><al> a. het gebied binnen de bebouwde kom;</al><al> b. het gebied buiten de bebouwde kom.</al><al> 2. Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                            deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven (bijlage
                            13).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>2</nr><titel>De aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><al> 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><al> a. de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het
                                onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;</al><al> b. (vervallen)</al><al> c. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels,
                                -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek
                                mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al><al> 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht van de
                                Bijlage bij het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage
                                II.geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat
                                naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.. Deze
                                verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit
                                omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al><al> 3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in
                                artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien
                                voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds
                                bruibare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel
                                2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een
                                bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in
                                artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16
                                van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave
                                2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    bouwvergunning </titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                    woonwagens en standplaatsen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Ontvangst van de aanvraag</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al> Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is
                                te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><al> a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al><al> b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen
                                is vereist; en</al><al> c. 1. dat de grond raakt, of</al><al> 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                                gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al> In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de
                                Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden
                                aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op
                                grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                                onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten
                                dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel
                                39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in
                                artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem
                                niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van
                                voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><al> Vevallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al> Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><al> 1. Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare
                                weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare
                                wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's,
                                vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te
                                verwachten verkeer.</al><al> 2. Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al><al> a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van
                                ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin
                                van de weg hebben van ten minste 4,2 m;</al><al> b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen
                                met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de
                                nodige kunstwerken; en</al><al> c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al> 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al><al> 4. Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en
                                de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al><al> 5. Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al><al> 6. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                afwijking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al> 1. Tussen de toegang van enerzijds:</al><al> a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit ;</al><al> b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al><al> en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al> 2. Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><al> a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al><al> b. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al> c. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet
                                aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het
                                Bouwbesluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><al> 1. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist worden
                                gebouwd.</al><al> 3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                afwijking van:</al><al> a. het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6
                                meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde
                                ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                                    in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><al> Niet van toepassing. Bepaald door de bestemmingsplannen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><al> 1. Indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat is
                                aangeduid op de - bij deze bouwverordening behorende - kaart als
                                zijnde een gebied dat per openbaar vervoer uitstekend of goed
                                bereikbaar is, moet - voor zover de omvang of de bestemming van het
                                gebouw daartoe aanleiding geeft - ten behoeve van het parkeren of
                                stallen van auto's in beperkte mate ruimte zijn aangebracht in, op
                                of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                bij dat gebouw behoort.</al><al> 2. Indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat is
                                aangeduid op de - bij deze bouwverordening behorende - kaart als
                                zijnde een gebied: a waarin de bereikbaarheid per openbaar vervoer
                                in de toekomst uitstekend of goed zal zijn; en b waarin tevens,
                                totdat die verbeterde bereikbaarheid is verwezenlijkt, van
                                gemeentewege voor aanvullende parkeer- of stallingruimte wordt zorg
                                gedragen; moet - voor zover de omvang of de bestemming van het
                                gebouw daartoe aanleiding geeft - ten behoeve van het parkeren of
                                stallen van auto's in beperkte mate ruimte zijn aangebracht in, op
                                of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                bij dat gebouw behoort.</al><al> 3. Indien een gebouw gelegen is in een ander deel van de gemeente
                                dan wordt bedoeld in het eerste en het tweede lid, en de omvang of
                                de bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten
                                behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate
                                ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of
                                onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte
                                mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van
                                het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele
                                bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al><al> 4. De - in de voorgaande leden bedoelde - ruimten voor het parkeren
                                van auto's moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al> a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80
                                m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al><al> b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor
                                een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting
                                aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m
                                bedragen.</al><al> 5. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al><al> 6. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                afwijking van het bepaalde in het eerste, het tweede, het derde en
                                het vijfde lid:</al><al> a. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien;</al><al> b. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere
                                omstandigheden - voor wat betreft de toepassing van het eerste en
                                het tweede lid - in elk geval worden gerekend:</al><al> - een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte
                                gebruikers of bezoekers van het gebouw;</al><al> - een te verwachten meer dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers,
                                indien het gebouw bestemd is voor de vestiging van één of meer
                                detailhandelsbedrijven, dan wel openbare dienstverlening of
                                vermakelijkheid;</al><al> - een bestemming van het gebouw als parkeergarage, dan wel
                                garagebedrijf.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><structuurtekst><al> Vervallen.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Beginsel inzake brandmeldinstallaties</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties </titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke
                                    hulpverleningsdiensten</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al> De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar
                                de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al> De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger
                                zijn dan bij een afstand van 100 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al> 1. De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in dit
                                lid op woningen waarin voor het kunnen koken een andere energiebron
                                dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting
                                van gastoevoer nodig is.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><al> a. voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                m2;</al><al> b. voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al><al> c. voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of
                                publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69
                                van het Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al> 1. De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde,
                                aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van
                                toepassing is het bepaalde in dit lid:</al><al> a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                is;</al><al> b. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al><al> 2. Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><al> a. op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn
                                de voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of
                                leidingen de gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of
                                terrein moet of moeten kruisen;</al><al> b. of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten
                                worden tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van
                                afvalwater, faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag
                                gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te
                                lozen.</al><al> 3. Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet
                                milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in
                                de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter
                                verzekering van de goede werking of de goede staat van het openbaar
                                riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen
                                aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af
                                te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een
                                andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht
                                mogelijk is:</al><al> a. voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                openbaar riool zijn gelegen;</al><al> b. voor agrarische bedrijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al> 1. Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar
                                riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><al> a. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort;</al><al> b. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder zonder overstort, een
                                gierput of een rottingput met overstort;</al><al> c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al><al> d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien
                                afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                lucht mogelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al> 1. Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                                plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                aangewerkt.</al><al> 2. De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
                                van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                bouwwerk of de buitenriolering.</al><al> 3. In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                rottingputten voorkomen.</al><al> 4. Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide
                                laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt
                                voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 2007.</al><al> 5. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse
                                waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn
                                hebben van ten minste 125 mm.</al><al> 6. Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
                                doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen
                                in bijlage 7.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al> De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al> Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven:</al><al> a. omgevingsvergunning voor het bouwen;</al><al> b. andere toestemmingen;</al><al> c. het bouwveiligheidsplan;</al><al> d. een besluit ingevolge artikel 13,13a en 14, tweede lid, sub b van de
                            Woningwet , dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                            oplegging van een last onder dwangsom.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al> Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor
                            het bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de
                            een omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen
                            alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><al> a. het straatpeil is aangegeven;</al><al> b. de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                            uitgezet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al> 1. Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                            omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd het
                            bepaalde in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen -
                            ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen
                            onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld:</al><al> a. de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder
                            begrepen;</al><al> b. de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van
                            proefpalen daaronder begrepen;</al><al> c. de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al><al> 2. Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                            worden gesteld van het storten van beton.</al><al> 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                            indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al> Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al> Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><al> 1. Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                            moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                            veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de
                            weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige
                            bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al><al> 2. Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                            moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de dagelijkse
                            werktijd niet inbegrepen:</al><al> a. de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering
                            van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn
                            uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties door
                            anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al><al> b. machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                            toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door
                            anderen dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden
                            gesteld;</al><al> 3. Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                            elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                            aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                            voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                            gewaarborgd.</al><al> 4. Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                            nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                            veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><al> 1. Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                            dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende
                            afscheiding van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn
                            afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten is.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                            geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                            ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                            voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al><al> 3. Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                            niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                            afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                            tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><al> 1. Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                            transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en
                            samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in
                            goede staat van onderhoud verkeren.</al><al> 2. Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                            werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                            omgeving optreedt.</al><al> 3. Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                            ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                            verbieden.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                            gebruiken krachtwerktuig:</al><al> a. uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al><al> b. de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al><al> c. het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden
                            gebruikt.</al><al> 5. Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                            toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het
                            milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                            milieuwet van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><al> 1. Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                            de volgende fracties:</al><al> a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                            Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                            (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al><al> b. steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al> c. glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al> d. overig afval.</al><al> 2. Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                            fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de
                            bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al><al> 3. Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                            bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3,
                            mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval
                            meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al> 1. Van het gereedkomen:</al><al> a. van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering,
                            alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren
                            beneden straatpeil;</al><al> b. van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                            thermische isolatie in andere besloten constructies</al><al> moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b
                            bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al><al> 2. Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                            mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden
                            onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving.</al><al> 3. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                            die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht tot
                            kennisgeving van voltooiing is bepaald.</al><al> 4. Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                            omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het einde
                            van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al><al> 5. De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                            bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><al> 1. Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                            buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste
                            twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden
                            gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van:</al><al> a. het niet verwerken van bevroren materialen;</al><al> b. het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al><al> c. de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen
                            vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog
                            beneden 2 graden Celsius is.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                            bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming </titel></kop><al> Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                            een omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of
                            te nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het
                            bouwtoezicht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk
                            gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><al> 1. Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al><al> 2. Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de
                                gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al><al> a. drassigheid;</al><al> b. stank;</al><al> c. verontreiniging;</al><al> d. aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al><al> e. aanwezigheid van begroeiing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><al> 1. Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd
                                van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en
                                het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het
                                overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het
                                gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al> 2. Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al><al> a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van
                                ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin
                                van de weg hebben van ten minste 4,2 m;</al><al> b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen
                                met een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de
                                nodige kunstwerken; en</al><al> c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al> 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel
                                3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw
                                niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                                dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al><al> 4. Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet
                                vereisen.</al><al> 5. Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al> 1. Tussen de toegang van enerzijds:</al><al> a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit ;</al><al> b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit ;</al><al> en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al> 2. Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><al> a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al><al> b. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al> c. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet
                                aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het
                                Bouwbesluit.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><structuurtekst><al> Vervallen.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen niet
                                    zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen
                                    of kantoorgebouwen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen
                                    van bijzondere aard</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                    kantoorgebouwen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al> De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare
                                waterleiding:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar
                                de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                hoger zijn dan bij een afstand van 50 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al> De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger
                                zijn dan bij een afstand van 100 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al> 1. De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën,
                                alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen
                                voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in ,
                                op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar riool.
                                Het is op grond van de “Aansluitverordening Riolering gemeente
                                Hillegom” niet toegestaan om zonder schriftelijke vergunning van het
                                bevoegd gezag een aansluiting op het openbaar riool tot stand te
                                brengen.</al><al> 2. Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><al> a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                is;</al><al> b. op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                openbaar riool zijn gelegen;</al><al> c. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al><al> d. op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende ruime
                                mestkelder aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al> Indien het gestelde in, tweede lid, van toepassing is, gelden de
                                volgende bepalingen:</al><al> a. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                gebruikt;</al><al> b. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort,
                                een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met
                                overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding
                                tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al><al> c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al><al> d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al> Artikel 2.7.6 en de bijbehorende zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al> De in de 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden
                                gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder
                                bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat
                                zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al> Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gebruiksvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.1</nr><titel>Vergunningsplicht nachtverblijf</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.2</nr><titel>Aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.5</nr><titel>Weigeren gebruiksvergunning</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.6</nr><titel>Intrekken gebruiksvergunning</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.7</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><structuurtekst><al> Vervallen.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.2</nr><titel>Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><structuurtekst><al> Vervallen.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Hinder in verband met brandveiligheid</titel></kop><structuurtekst><al> Vervallen.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4.1</nr><titel>Hinder in verband met de brandveiligheid</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><al> Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens</titel></kop><al> Het is verboden een woonwagen te bewonen met, of toe te staan dat
                                een woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al> Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken
                                of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en
                                wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband
                                met:</al><al> a. bouwvalligheid van het bouwwerk;</al><al> b. bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel></kop><al> Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen
                                het afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het
                                bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel>Bepaling aantal personen nachtverblijf</titel></kop><al> In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het
                                Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op
                                10.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><al> Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor:</al><al> a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                walm of stof wordt verspreid;</al><al> b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van
                                het bouwwerk, het open erf of terrein;</al><al> c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof
                                of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt
                                veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                                begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;</al><al> d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al><al> Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het
                                betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer
                                of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al> 1. Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al> 2. Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt
                                aangetrokken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al> Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                                schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                                gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al> Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit het
                                Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de
                                aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren,
                                zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al> 1. Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te
                                slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                gezag.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen
                                van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen
                                ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet , dan
                                wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van
                                een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit
                                voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.</al><al> 3. Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                slopen slechts voorschriften over:</al><al> a. de veiligheid tijdens het slopen;</al><al> b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al><al> c. het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het
                                sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie
                                asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig
                                afval;</al><al> d. het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de
                                gegevens als bedoeld in , tweede lid, letter c, voor zover deze
                                gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al><al> 4. De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op
                                het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het
                                sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de
                                omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest
                                voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de
                                afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                plaatsvinden.</al><al> 5. De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor
                                een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het
                                slopen van het tijdelijke bouwwerk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5.1</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al> Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd
                                indien:</al><al> a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en
                                ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil
                                kan worden gewaarborgd;</al><al> b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het
                                slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van
                                voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                                gewaarborgd;</al><al> c. een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten
                                ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een
                                gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is
                                verleend;</al><al> d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van
                                de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens
                                overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de
                                werking heeft behouden, is vereist en deze niet is verleend;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al> Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                                indien:</al><al> a. de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige
                                opgave van gegevens;</al><al> b. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de werkzaamheden
                                is gemaakt;</al><al> c. tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                stilliggen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                                het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><al> 1. In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen een
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan in
                                de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen
                                van:</al><al> a. geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een
                                op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of
                                het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en
                                de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al><al> b. asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het
                                kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt
                                of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                                te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al><al> mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na
                                de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                omgevingsvergunning voor het slopen is vereist.</al><al> 2. Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester
                                en wethouders vastgesteld formulier.</al><al> 3. De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in drievoud
                                worden ingediend.</al><al> 4. De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al><al> 5. In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                aard en het gebruik van het bouwwerk.</al><al> 6. Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al><al> 7. Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is
                                de mededeling van rechtswege gedaan.</al><al> 8. Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld
                                in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al><al> 9. De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister van
                                volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer uitgegeven
                                publicatie ter zake van het slopen van asbest bevattende
                                vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder verplicht de
                                voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de voorschriften
                                die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                                Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te nemen.</al><al> 10. Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al><al> 11. Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen
                                burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de
                                gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                gegevens over te leggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                    omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al> In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen een
                                omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor
                                zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in
                                het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of
                                gedeeltelijk verwijderen van:</al><al> a. geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al><al> b. verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie
                                van kassen;</al><al> c. rem- en frictiematerialen;</al><al> d. pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al><al> e. pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan
                                2250 kilowatt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al> Het bepaalde in de tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                                toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al> Op het sloopterrein moet de een omgevingsvergunning voor het slopen
                                of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                                last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan
                                het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</titel></kop><al> 1. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een
                                deskundig bedrijf.</al><al> 2. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal
                                uitvoeren.</al><al> 3. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten
                                minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het
                                bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                plaatsvinden.</al><al> 4. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt
                                binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd
                                gezag een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling,
                                bedoeld in artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit
                                2005.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><al> 1. Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor
                                het slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het
                                slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan
                                terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht.</al><al> 2. Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op
                                de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van
                                die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten
                                genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><al> 1. Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk
                                wordt gesloopt.</al><al> 2. Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met
                                asbest te voorkomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><al> 1. Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                vergunning krachtens , noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is
                                vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende
                                fracties:</al><al> a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                                afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz.
                                9);</al><al> b. steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al><al> c. bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al><al> d. met PAKS verontreinigde materialen;</al><al> e. asfalt;</al><al> f. dakgrind;</al><al> g. overig afval.</al><al> 2. Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten
                                op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>9</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><al> 1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de
                            stichting Dorp Stad en Land te Rotterdam die uit haar midden personen
                            voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te
                            noemen: de welstandscommissie.</al><al> 2. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                            aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al> 3. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                            genoemde welstandscriteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><al> 1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en 4
                            leden, waarvan 3 leden deskundig zijn op het gebied van architectuur en
                            ruimtelijke kwaliteit en (op afroep) 1 deskundig lid op het gebied van
                            stedenbouw.</al><al> 2. Voor de voorzitter en leden worden plaatsvervangers aangewezen die
                            hen bij afwezigheid kunnen vervangen.</al><al> 3. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                            minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                            beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al><al> 4. De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk
                            ten opzichte van het gemeentebestuur.</al><al> 5. De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens
                            plaatsvervanger.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><al> 1. De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                            welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de
                            burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                            gemeenteraad.</al><al> 2. De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                            termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                            herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al><al> 3. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bij deze
                            verordening is</al><al> vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande leden, nadere
                            benoemingsprocedures.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al> De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde
                            komt:</al><al> - op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                            welstandsnota;</al><al> - de werkwijze van de welstandscommissie;</al><al> - op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                            vergaderen;</al><al> - de aard van de beoordeelde plannen;</al><al> - de bijzondere projecten.</al><al> De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><al> 1. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of
                            namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al> 2. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om
                            omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking
                            heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft uit
                            binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom
                            is verzocht</al><al> 3. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                            welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde
                            leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies.
                            Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven
                            indien de termijn van afdoening is verlengd met toepassing van artikel
                            3.9, tweede lid van de Wat algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><al> 1. De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                            openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt
                            tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een
                            dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte
                            wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de
                            aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                            burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                            artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.
                            De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als
                            de adviezen.</al><al> 2. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen.
                            hierom bij het indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft
                            verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat
                            gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.</al><al> 3. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                            wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                            gedaan, dient de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te
                            ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                            behandeld.</al><al> 4. Er is geen spreekrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening bij mandaat</titel></kop><al> 1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                            mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen
                            leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan
                            volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                            verondersteld.</al><al> 2. In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog
                            voor aan de welstandscommissie.</al><al> 3. Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het
                            bevoegd gezag - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek
                            doen tot niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegd gezag daaraan
                            klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                            bestuur ten grondslag te leggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><al> 1. De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                            schriftelijk.</al><al> 2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het
                            bevoegd gezag gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor
                            het bouwen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</titel></kop><al> 1. Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                            voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken
                            uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe
                            strekkende besluit niet dan nadat:</al><al> a. op het voornemen inspraak is verleend;</al><al> b. het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al><al> 2. De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                            voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                            verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al> Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Deel</label><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al> Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                            in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                            bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het
                            in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij
                            burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve
                            bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                            gezien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al> Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid
                            van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of
                            wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste
                            lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning
                            op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning op grond van
                                de brandbeveiligingsverordening</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al> Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Overgangsbepalingen aanvragen</titel></kop><al> 1. Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling of toestemming
                            anderszins, die is</al><al> ingediend vóór het tijdstip waarop deze verordening van kracht wordt en
                            waarop op</al><al> genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de
                            Bouwverordening 2006 gemeente Rijnwaarden van toepassing, tenzij de
                            aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden
                            toegepast.</al><al> 2. Het bovenstaande is slechts van toepassing voorzover deze bepalingen
                            in</al><al> overeenstemming zijn met het Besluit Brandveilig Gebruik Bouwwerken
                            (BBGB, Stb. 2008, 32, de Wet tot wijziging van de Woningwet en enkele
                            andere wetten (verbetering naleving, handhaafbaarheid en handhaving
                            bouwregelgeving) (Wet van 21december 2006, Stb. 2007, 27). Het
                            bovenstaande is voorts slechts van toepassing op de artikelen 8.1.1,
                            8.1.2, 8.1.4, 8.2.1, 8.2.2, 8.3.3 en 8.35 voorzover deze artikelen in
                            overeenstemming zijn met het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005,
                            704).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.7</nr><titel>Overgangsbepalingen bezwaarschriften</titel></kop><al> 1. Indien voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening een
                            bezwaarschrift is ontvangen tegen een besluit genomen op grond van de
                            vóór de datum van </al><al> inwerkingtreding van deze verordening geldende bepalingen en hierop op
                            die datum nog niet is beslist, wordt besloten met toepassing van de
                            bepalingen welke golden ten tijde van het nemen van het besluit
                            waartegen het bezwaar is gemaakt.</al><al> 2. Het bovenstaande is slechts van toepassing voorzover deze bepalingen
                            in</al><al> overeenstemming zijn met het Besluit Brandveilig Gebruik Bouwwerken
                            (BBGB, Stb. 2008, 327, de Wet tot wijziging van de Woningwet en enkele
                            andere wetten</al><al> (verbetering naleving,handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving)
                            (Wet van 21 december 2006, Stb. 2007, 27). Het bovenstaande is voorts
                            slechts van toepassing op de artikelen 8.1.1, 8.1.2, 8.1.4, 8.2.1,
                            8.2.2, 8.3.3 en 8.35 voorzover deze artikelen in overeenstemming zijn
                            met het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al> 1. Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2010.</al><al> 2. De Bouwverordening gemeente Hillegom 2007, zoals deze is vastgesteld
                            bij raadsbesluit van 6 maart 2007, wordt ingetrokken.</al><al> 3. De intrekking van de verordening bedoeld in het tweede lid, heeft
                            geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening
                            verleende vergunningen en ontheffingen -hoe ook genaamd - dan wel
                            krachtens die verordening gestelde voorschriften en beperkingen - hoe
                            ook genaamd -.</al><al> 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: Bouwverordening gemeente
                            Hillegom incl. 13e serie wijzigingen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 september
                        2010.</ondertekening><ondertekening> De voorzitter;</ondertekening><ondertekening> drs. A. Mans</ondertekening><ondertekening> De griffier;</ondertekening><ondertekening> drs. P.M. Hulspas-Jordaan</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr/><titel>Bijlagen</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Hillegom/i48992.pdf">Bijlagen bouwverordening 2010- 1540b</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>