<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR108299_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet Investeren in Jongeren gemeente Uden 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Infopagina 04-08-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet Investeren in Jongeren gemeente Uden 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Investeren in Jongeren</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/44</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet Investeren in Jongeren gemeente Uden 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Uden; </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger
                        dan 27 jaar bij verordening te regelen; </al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van
                        25 mei 2010; </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 12,
                        eerste lid en onderdeel c, van de Wet investeren in jongeren; </al><al>b e s l u i t </al><al>vast te stellen de </al><al><vet>Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren
                        gemeente Uden 2010 </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="1."><al>wet: de Wet investering in jongeren;</al></li><li nr="2."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 28, eerste lid,
                                    onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="3."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="4."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de
                                    Wet op de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als
                                    bedoeld in artikel 3, zesde lid, Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="5."><al>woonkosten:</al><al>- indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                    huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de
                                    huurtoeslag; </al><al>- indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                                    maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente, de in
                                    verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                    zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen
                                    bedrag voor onderhoud; </al></li><li nr="9."><al>f. verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op verzorging
                                    ter voorkoming van opname in een verpleeg- of verzorgingshuis.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Deze verordening geldt alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder
                            doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden geldt deze verordening
                            alleen indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar
                            zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 20 procent van de gehuwden norm voor de jongere in wiens
                                woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 10 procent van de gehuwden norm voor de jongere die met een
                                ander zijn hoofdverblijf heeft; </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>lid 2 wordt niet toegepast in geval van de aanwezigheid van een
                                verzorgingsbehoeftige. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De verlaging als bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10
                                    procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die met één ander hun
                                    hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. </al></li><li nr="2"><al>Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al/><al>De verlaging als bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor de jongere geen kosten van huur of hypotheeklasten
                                    verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond wordt.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30 van de wet wordt voor een jongere
                            van 21 of 22 jaar, in afwijking</al><al>van artikel 3 op nihil gesteld, als deze geen woonlasten heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al/><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 geschiedt zodanig, dat de
                            jongere in ieder geval kan </al><al>blijven beschikken over een inkomen van 75% van de toepasselijke norm
                            als bedoeld in de wet. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Verordening tijdelijke regels Wet Investeren in Jongeren wordt
                            ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al/><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking en
                            werkt met terugwerkende </al><al>kracht vanaf 1 juli 2010. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening toeslagen en
                            verlagingen Wet investeren in jongeren gemeente Uden 2010.  </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld
                        in de openbare vergadering van 8 juli 2010. De Raad voornoemd </ondertekening><ondertekening>de griffier de burgemeester</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><tussenkop>De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening </tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking getreden.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de uitgangspunt
                    dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                    gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit aanbod
                    onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan.
                    De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening
                    anderzijds is een bepalend element in de WIJ. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    Wet Werk en Bijstand (WWB), waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als
                    afgeleide de plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een
                    ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’
                    in de WIJ is dit omgedraaid en geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’.
                    Deze uitkering, de zogenaamde inkomensvoorziening, volgt in grote lijnen de WWB
                    voor wat betreft de voorwaarden die aan het recht zijn verbonden en de normering
                    die geldt voor de hoogte van deze voorziening. </al><al>Evenals in de WWB bestaat de inkomensvoorziening uit een rijksgeregeld deel (de
                    norm) die binnen bepaalde grenzen verhoogd of verlaagd kan worden op grond van
                    gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). Dit beleid moet door het Algemeen
                    college in een verordening worden vastgelegd. </al><tussenkop>Relatie met de WWB </tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de WIJ is de WWB in beginsel afgesloten voor
                    jongeren tot 27 jaar en kunnen deze jongeren in beginsel geen algemene bijstand
                    meer ontvangen. Daartoe is de WWB op een aantal onderdelen aangepast en zou de
                    Toeslagenverordening WWB een navenante wijziging moeten ondergaan. Op grond van
                    het overgangsrecht (artikel 86 WIJ) blijft de WWB voor jongeren die op 30
                    september 2009 algemene bijstand ontvingen echter van toepassing totdat de
                    algemene bijstand wordt beëindigd maar uiterlijk tot 1 juli 2010. Om die reden
                    is een aanpassing van de Toeslagenverordening WWB aan de WIJ (nog) niet aan de
                    orde. Dit zal eerst met ingang van 1 juli 2010 zijn beslag krijgen. Omdat niet
                    uitgesloten kan worden dat zich in de tussentijd ontwikkelingen zullen voordoen
                    die nopen tot een inhoudelijke wijziging van de verordening, is het thans nog te
                    prematuur om een wijzigingsvoorstel voor de Toeslagenverordening WWB aan te
                    bieden. </al><al>Bij het inrichten van de WIJ is op het punt van de inkomensvoorziening
                    uitdrukkelijk ervoor gekozen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken met de WWB,
                    op onderdelen als de normensystematiek, de middelentoets, verlaging van bijstand
                    en terugvordering en verhaal. Hoewel die aansluiting niet in alle opzichten
                    volledig is gerealiseerd, is ten aanzien van het te voeren toeslagen- en
                    verlagingenbeleid sprake van een identiek wettelijk kader als thans in de WWB.
                    Normen die specifiek betrekking hebben op jong meerderjarigen zijn uit de WWB
                    overgeheveld naar de WIJ. </al><al>Omdat het oogmerk van de WIJ niet is geweest de normen van de
                    inkomensvoorziening voor jongeren te verlagen is, gelet op de gewenste
                    aansluiting met de WWB en uit overwegingen van uitvoerbaarheid, in deze
                    verordening WIJ aansluiting gezocht bij de Toeslagenverordening WWB. </al><tussenkop>Een verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren </tussenkop><al>Evenals in de WWB heeft de wetgever in de WIJ de raad en het college
                    afzonderlijke taken toebedeeld. Het college is verantwoordelijk voor de
                    uitvoering van de WIJ, terwijl de raad de opdracht heeft gekregen in een vijftal
                    verordeningen regels vast te stellen, ondermeer met betrekking tot het verhogen
                    en verlagen van de normen die voor de inkomensvoorziening gelden (artikel 12,
                    eerste lid, sub e, WIJ). Deze regels moeten exclusief in een verordening worden
                    vastgelegd, ter wille van de rechtszekerheid, aldus de Memorie van Toelichting
                    (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 37). </al><al>De verordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen dat voor een
                    aantal categorieën uitkeringsgerechtigden de hoogte van de toeslag dan wel
                    verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is beschreven. Het is
                    daarbij niet nodig c.q. mogelijk om alle mogelijke situaties uitputtend te
                    beschrijven. In niet geregelde gevallen is het college immers bevoegd én
                    verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze van individualisering afwijkend
                    vast te stellen (artikel 35, vierde lid, WIJ). </al><tussenkop>Normen, toeslagen en verlagingen </tussenkop><al>Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft de wetgever ervoor gekozen om de
                    normensystematiek die thans is vastgelegd in de WWB zoveel mogelijk over te
                    nemen in de WIJ. Dat betekent enerzijds dat onderscheid is gemaakt tussen de
                    normen die gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren van 18 tot 21 jaar) en
                    oudere jongeren (21 tot 27 jaar). Anderzijds zijn de normen voor beide
                    leeftijdsgroepen identiek aan de normen die thans in de WWB voor beide groepen
                    gelden. Hetzelfde geldt voor de normen die van toepassing zijn bij het verblijf
                    in een inrichting. De overgang naar de WIJ leidt op dit onderdeel dus niet tot
                    een wijziging van de financiële positie van de jongeren die afhankelijk worden
                    van een inkomensvoorziening. </al><tussenkop>Normen </tussenkop><al>In Hoofdstuk 4 van de WIJ (‘Recht op inkomensondersteuning’) zijn de normen
                    vastgelegd die gelden voor de verschillende leefsituaties (artikelen 26 t/m 29
                    WIJ). Voor personen van 21 jaar tot en met 27 jaar bestaat een drietal
                    basisnormen (artikelen 26, 27 en 28 WIJ), te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm); </al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm; </al></li><li nr="3."><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm. </al></li></lijst><al>Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt de huidige WWB-normering,
                    die is afgestemd op de kinderbijslag (artikelen 26, sub a en 27, sub a, WIJ).
                    Deze normen kunnen eventueel worden aangevuld met bijzondere bijstand, voor
                    zover de middelen van de ouders niet toereikend zijn dan wel de onderhoudsplicht
                    van de ouders niet te gelde gemaakt kan worden. Artikel 12 WWB blijft voor deze
                    groep onverkort van toepassing. </al><al>Voor jongeren waarvan één van de partners zich in de leeftijdsgroep 18 tot 21
                    jaar bevindt en de ander in de groep 21 tot 27 jaar, gelden eveneens identieke
                    normen als thans in de WWB voor partners in de leeftijd van 21 tot 65 jaar. </al><tussenkop>Toeslagen en verlagingen </tussenkop><al>Voor jongeren in de leeftijd van 21 tot 27 jaar geldt dat de normen verhoogd
                    en/of verlaagd kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als thans in de WWB is
                    vastgelegd. Kort gezegd betreft het de verplichting om de norm voor
                    alleenstaanden en alleenstaande ouders te verhogen met een toeslag als deze een
                    woning bewonen zonder medebewoner. </al><al>Omdat de kosten van het bestaan dan niet gedeeld kunnen worden met een ander
                    bedraagt de toeslag het maximale bedrag, zijnde 20% van de norm voor gehuwden in
                    die leeftijdscategorie. Kunnen de bestaanskosten wel met een ander gedeeld
                    worden dan kan de toeslag worden verlaagd. </al><al>De bevoegdheid om de uitkering te verlagen bij medebewoning geldt ook voor de
                    norm voor gehuwden. Voorts kan de norm of toeslag worden verlaagd als de
                    woonsituatie, los van medebewoning, lagere bestaanskosten met zich meebrengt.
                    Daarnaast is verlaging van de norm of toeslag mogelijk als de jongere een
                    schoolverlater is. Ten slotte kan het college bij een 21- of 22-jarige
                    alleenstaande de toeslag verlagen om de uitkering in de pas te laten lopen met
                    het wettelijk minimumjeugdloon. De laatstgenoemde verlagingen kunnen niet in
                    combinatie met elkaar worden toegepast. Binnen de gestelde randvoorwaarden staat
                    het de gemeenten in beginsel vrij om eigen beleid te voeren over de hoogte van
                    de toeslagen en verlagingen. Er bestaat geen wettelijke verplichting om de norm
                    en/of toeslag te verlagen. </al><al>Ook voor gehuwde jongeren waarvan één van de partners in de leeftijdsgroep van
                    18 tot 21 jaar en de ander in de leeftijd van 21 tot 27 jaar zit, geldt dat de
                    norm verlaagd kan worden. De WIJ sluit dit, evenmin als de WWB, uit. Dit geldt
                    evenzeer voor het geval beide partners in de leeftijdsgroep 18 tot 21 jaar
                    zitten. Ook de voor hen geldende norm kan verlaagd worden. Niettemin wordt dit
                    niet opportuun geacht. De normen voor deze categorie jongeren zijn immers al
                    lager vastgesteld, vanwege de (vaak theoretische) onderhoudsplicht van ouders.
                    Het verder verlagen van deze normen kan er spoedig toe leiden dat deze jongeren
                    onder het bestaansminimum terechtkomen. Bovendien maakt categoriale verlaging op
                    deze groep jongeren de toch al behoorlijk complexe normensystematiek nog
                    ingewikkelder. </al><al><onderstreept>Gehuwde jongeren van 21 tot 27 jaar met niet-rechthebbende partner
                    </onderstreept>Voor jongeren van 21 tot 27 jaar met een oudere partner, geldt
                    dat de norm gelijk is aan de norm die voor een alleenstaande of alleenstaande
                    ouder geldt (artikel 28, eerste lid, sub e, resp. 28, tweede lid, sub e, WIJ).
                    Personen van 27 jaar of ouder komen immers niet in aanmerking voor een
                    inkomensvoorziening in het kader van de WIJ. De norm alleenstaande of
                    alleenstaande ouder geldt ook als de andere partner om andere redenen (bijv. in
                    geval van detentie) geen recht heeft op een inkomensvoorziening (artikel 28,
                    derde lid, WIJ). De mogelijkheid om de norm voor een alleenstaande (ouder) te
                    verhogen met een toeslag is in de WIJ evenwel beperkt tot de jongere die
                        <cursief>feitelijk </cursief>alleenstaande (ouder) <cursief>is
                    </cursief>(artikel 30, eerste lid, in verbinding met 26, sub b en 27, sub b,
                    WIJ). Naar de letter bestaat dus voor de gehuwde met niet-rechthebbende partner
                    geen recht op toeslag. </al><al>Niettemin mag, gegeven de wens van de wetgever om e.e.a. zoveel mogelijk conform
                    de WWB te regelen en met een beroep op de jurisprudentie die gevormd is onder de
                    WWB en Abw, worden aangenomen dat ook gehuwde jongeren die voor de normering
                    worden gelijkgesteld met een alleenstaande (ouder), onder omstandigheden recht
                    kunnen hebben op een toeslag, mede gelet op het individualiseringsbeginsel, dat
                    binnen de WIJ klaarblijkelijk ook een rol speelt op het punt van normen,
                    toeslagen en verlagingen (artikel 35, vierde lid, WIJ; zie m.b.t. de bijstand
                    bijvoorbeeld CRvB 12 december 1995, JABW 1996/40). </al><al>Heeft de niet-rechthebbende partner geen of een zeer laag inkomen en is geen
                    sprake van medebewoning, dan zal de toeslag, naar analogie van de WWB, in
                    beginsel zelfs 20% van de gehuwdennorm moeten bedragen (CRvB 4 maart 2003, LJN:
                    AF6326). </al><al>Als de niet-rechthebbende partner een WWB-uitkering ontvangt, is er geen
                    aanleiding om een toeslag te verstrekken. Dat geldt evenzeer voor de
                    bijstandsgerechtigde partner. Beiden kunnen immers nimmer een uitkering
                    ontvangen die tezamen meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm voor gehuwden. </al><al>Omdat beide partners dan aanspraak hebben op de norm die voor een alleenstaande
                    geldt, betekent dit tegelijkertijd dat een verlaging in verband met medebewoning
                    formeel gezien niet mogelijk is, omdat deze beperkt is tot de gehuwdennorm (als
                    bedoeld in artikel 28, eerste/tweede lid onderdeel d WIJ). In voorkomende
                    gevallen is het in dat geval mogelijk met toepassing van artikel 18, eerste lid,
                    WWB de bijstandsnorm van de bijstandsgerechtigde partner te verlagen. </al><al>Voor de situatie dat beide partners ten laste komende kinderen hebben, is een
                    specifieke regeling getroffen. Dan geldt voor de jongere partner de gehuwdennorm
                    die bij zijn leeftijd past (artikel 28, vierde lid, WIJ). Omdat daar expliciet
                    over gehuwdennorm wordt gesproken, is verlaging van die norm wegens
                    medebewoning, wel mogelijk. De algemene bijstand die de bijstandsgerechtigde
                    partner ontvangt, moet vervolgens daarop in mindering worden gebracht. </al><tussenkop>Berekening toepasselijke uitkering </tussenkop><al>In de WIJ is evenmin als in de WWB voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel
                    de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op de
                    toeslag dient plaats te vinden. Het bij voorrang toepassen van de verlaging op
                    de toeslag blijft ook in de WIJ de aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit
                    overigens alleen bij de combinatie verlaging wegens woonsituatie en
                    leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk in combinatie met de
                    leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten. </al><al>Bovenstaande in acht nemend kan de hoogte van de normuitkering voor jongeren als
                    volgt worden berekend: </al><al>1.norm;</al><al>2. a. optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande ouders) of </al><lijst><li nr="b."><al>korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen (alleen
                            bij gehuwden);</al></li><li nr="3."><al>korten met verlaging wegens woonsituatie;</al></li></lijst><al>4. a. korten met verlaging schoolverlater of </al><al>b.korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden op (het restant van)
                    de toeslag.</al><al>De verlagingen onder stap 4a en 4b mogen nooit gelijktijdig worden toegepast. De
                    Toeslagenverordening geeft aan welke verlaging geldt. Leidt de uitkomst tot een
                    lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in artikel 8 van de
                    Toeslagenverordening, dan moet het college de bijstand vaststellen op de van
                    toepassing zijnde minimum hoogte volgens dit artikel. </al><tussenkop>Zelfstandigen </tussenkop><al>Jongeren met een zelfstandig bedrijf of beroep komen niet in aanmerking voor een
                    werkleeraanbod of inkomensvoorziening (artikel 23, eerste lid, onderdeel e,
                    resp. artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ). Zij kunnen een beroep doen op
                    de WWB. Dat geldt voor de voorbereidingskosten, de periodieke bijstand voor
                    levensonderhoud en voor bedrijfskapitaal. Aandachtspunt bij de algemene bijstand
                    voor levensonderhoud is wel dat voor die jongeren de normensystematiek uit de
                    WIJ van toepassing is (zie artikel 58 WIJ). </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><al>Evenals in de Verordening toeslagen en verlagingen WWB is het begrip
                    ‘gehuwdennorm’ omschreven, omdat het uitkeringsgebouw in de WIJ, inclusief
                    toeslagen en verlagingen, voor 21- tot 27-jarigen daaraan is gerelateerd.
                    Volstaan is met een verwijzing naar artikel 28, eerste lid sub d, WIJ. De daar
                    genoemde gehuwdennorm is gelijk aan de gehuwdennorm genoemd in artikel 21, sub
                    c, WWB. </al><al>Evenmin als in de WWB wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven. Gelet op
                    de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee hetzelfde begrip is
                    bedoeld als in de WWB, te weten het begrip ‘woning’, bedoeld in de Wet op de
                    huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige
                    woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd,
                    alsmede de onroerende aanhorigheden”. </al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de
                    begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet in
                    het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen. Deze omschrijving
                    wordt in veel verordeningen nog gebruikt. Het is aan het college overgelaten om
                    de onderhoudskosten vast te stellen. </al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens verwezen
                    naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin deze woonruimtes met een woning worden
                    gelijkgesteld. </al><al>Om een persoon als verzorgingsbehoevende in de zin van de Toeslagenverordening
                    aan te kunnen merken, moet belanghebbende aannemelijk maken, dat deze door
                    hem/haar verzorgde persoon bij ontsteltenis van de verzorging zou zijn
                    aangewezen op een verpleeg-of verzorgingstehuis. Er moet een duidelijke
                    indicatie zijn op grond waarvan de verzorgingsbehoevendheid kan worden
                    aangenomen, bij voorkeur een verklaring van deze strekking die is afgegeven door
                    een onafhankelijke arts. </al><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven
                    hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Zo wordt in deze verordening meerdere
                    malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2, eerste lid, WIJ omschrijft dit
                    begrip. Onder jongere wordt verstaan: een hier te lande woonachtige Nederlander
                    (of daarmee gelijkgestelde vreemdeling) 16 jaar of ouder doch jonger dan 27
                    jaar. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder jongeren echter
                    verstaan de jongeren in de leeftijd van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar
                    (zie ook artikel 2). </al><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is het Algemeen college
                    verplicht om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt
                    voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of
                    toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid 1. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet
                    er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                    toeslag blijft op zijn plaats. </al><al>Evenals in de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand in deze verordening als
                    uitgangspunt gekozen voor de zgn. forfaitaire variant voor het vaststellen van
                    de hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke
                    bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld worden bepalend zijn
                    voor de hoogte van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat het delen van
                    kosten mogelijk is. </al><al>De meeste gemeenten hebben gekozen voor deze variant, omdat deze de meest
                    efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het minst fraudegevoelig is. In de
                    jurisprudentie is de forfaitaire variant algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld
                    CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In de toeslagenverordening is daarom gekozen
                    voor een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één ander in
                    dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Volledigheidshalve moet hier nog
                    worden opgemerkt dat in de uitzonderlijke situatie dat de medebewoner over geen
                    enkele vorm van inkomen beschikt (denk aan de niet rechthebbende partner of
                    inwonende uitgeprocedeerde) verlaging van de toeslag vanwege medebewoning niet
                    kan worden toegepast. De medebewoner kan dan immers daadwerkelijk geen bijdrage
                    in de kosten leveren, waardoor er dus ook geen voordeel is voor de betrokkene
                    (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129 NABW). </al><al>In het derde lid wordt geregeld dat lid 2 niet wordt toegepast in geval van de
                    aanwezigheid van een verzorgingsbehoeftige. Dit geldt ook in de situatie dat er
                    meerdere medebewoners zijn en een ander de hulp verleent. De aanwezigheid van
                    een verzorgingsbehoeftige levert immers voor niemand enig financieel voordeel op
                    wat betreft de kosten van levensonderhoud. </al><tussenkop>Artikel 4 </tussenkop><al>Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                    alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10% als een woning gedeeld wordt met
                    een ander, is dit ook gerealiseerd voor gehuwde jongeren in dezelfde situatie.
                    De jongeren kunnen in dat geval namelijk ook kosten delen met een ander en
                    daarom is een verlaging op zijn plaats. </al><al>In het tweede lid wordt geregeld dat zorgbehoevenden eveneens niet worden
                    meegeteld als personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.
                    Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege deze
                    verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag. </al><tussenkop>Artikel 5 </tussenkop><al>Als aan een woning geen woonkosten verbonden zijn, is sprake van lagere
                    bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32 WIJ opent om die reden de
                    mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel 5
                    gerealiseerd. Het bepaalde onder a leidt ertoe dat de norm of toeslag met 20%
                    wordt verlaagd als de jongere geen woonlasten betaalt. Dat kan zich voordoen bij
                    krakers, of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijv. de ouders of
                    de ex-partner. Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de
                    jongere een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het
                    eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden vast te
                    stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW). </al><al>Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de jongere geen woonlasten heeft en is
                    hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond verlaagd
                    wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging van de
                    uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de dubbele verlaging
                    (zie CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698). Op grond van het individualiseringsbeginsel
                    zal de verlaging dan beperkt moeten worden. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat als de jongere geen woning bewoont, de norm of
                    toeslag met 10% wordt verlaagd. Deze bepaling ziet op de mogelijkheid om de
                    uitkering van dak- en thuislozen te verlagen, omdat deze lagere bestaanskosten
                    hebben dan jongeren die een woning bewonen. Mochten dak- en thuislozen
                    regelmatig gebruik maken van een opvangadres, dan kan de uitkering afwijkend
                    worden vastgesteld, met toepassing van artikel 35, vierde lid, WIJ bij wijze van
                    individualisering. </al><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 33 WIJ is blijkens de toelichting op dat
                    artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in een
                    veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog aangewezen was op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de WTOS. Van deze
                    mogelijkheid is geen gebruik gemaakt in deze verordening. Uit de bestaande
                    Verordening toeslagen en verlagingen WWB is de schoolverlatersverlaging eerder
                    bewust geschrapt. </al><tussenkop>Artikel 6 </tussenkop><al>Artikel 34 WIJ geeft het college bevoegdheid om een verlaging toe te passing
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Om dit te voorkomen is net als in
                    de huidige Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand geregeld
                    dat de toeslag voor een 21- of 22-jarige op nihil wordt vastgesteld als deze
                    geen woonlasten heeft. In de rechtspraak wordt het ontbreken van een toeslag
                    zonder rekening te houden met concrete omstandigheden immers als onredelijk
                    gezien. </al><tussenkop>Artikel 7 </tussenkop><al>De verschillende verlagingen in de verordening zien op verschillende
                    omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden
                    aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat het college
                    de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten
                    vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van een toereikende
                    uitkering. In voorkomende gevallen zou het dagelijks college op grond van
                    artikel 35, vierde lid, WIJ de inkomensvoorziening hoger moeten vaststellen.
                    Daarom is er voor gekozen om net als in de Verordening toeslagen en verlagingen
                    WWB een minimum bedrag vast te stellen van 75% van de toepasselijke basisnorm,
                    waarop het college de uitkering tenminste moet vastleggen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>