<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR107983_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inburgering gemeente Dinkelland 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dinkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dinkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">DinkellandVisie 21 juli 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening inburgering gemeente Dinkelland 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, 24a, vijfde lid, 24e,, 24f en 35 van de Wet inburgering, artikel 4.27, derde lid van het Besluit inburgering, de Regeling inburgering, de Algemene wet bestuursrecht en artikel 149 van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-07-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-08-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening inburgering gemeente Dinkelland 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Dinkelland;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 juni 2011;</al><al/><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid, 24a, vijfde lid,
                        24e,<sup>, </sup>24f en 35 van de Wet inburgering, artikel 4.27, derde lid
                        van het Besluit inburgering, de Regeling inburgering, de Algemene wet
                        bestuursrecht en artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al><vet>besluit</vet></al><al>vast te stellen</al><al>de <vet>‘Verordening inburgering gemeente Dinkelland 2011’</vet>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college : het college van burgemeester en wethouders van de
                                gemeente Dinkelland;</al></li><li nr="b."><al>de wet : de Wet inburgering;</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende : degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit
                                op grond van deze verordening is betrokken;</al></li><li nr="d."><al>voorziening : een (duale) inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="e."><al>gemeente : gemeente Dinkelland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De overige begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                besluiten en regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in
                                deze verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                                inburgeraars</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen en de
                                vrijwillige inburgeraars op een doeltreffende en doelmatige wijze
                                worden geïnformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de
                                wet en over het aanbod van en de toegang tot de voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars in ieder geval
                                gebruik van de volgende middelen en instrumenten:</al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijk materiaal bij de organisaties en op plaatsen waar
                                (potentiële) inburgeraars komen;</al></li><li nr="b."><al>het Zorgloket;</al></li><li nr="c."><al>een intake om de inburgeringsplicht te kunnen vaststellen en om
                                te kunnen bepalen of en welke voorziening wordt aangeboden;</al></li><li nr="d."><al>digitale informatieverstrekking via de website van de
                                gemeente;</al></li><li nr="e."><al>regelmatige voorlichting aan de doelgroep over de wet en de
                                daarop berustende regelingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een informatieplan op waarin een plan van aanpak
                                en uitvoering is opgenomen over de wijze waarop
                                informatieverstrekking plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college beoordeelt eenmaal per twee jaar de doeltreffendheid en
                                doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                                inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars en rapporteert
                                daarover aan de raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanbod inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verplicht aanbod</titel></kop><al>Op grond van de artikel 19, eerste lid, onder a. en b. van de wet biedt
                            het college in ieder geval de volgende voorzieningen aan:</al><lijst><li nr="a."><al>een inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening aan de
                            inburgeringsplichtige die houder is van een verblijfsvergunning als
                            bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000;</al></li><li nr="b."><al>een inburgeringsvoorziening aan de inburgeringsplichtige die
                            geestelijke bedienaar is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanwijzing doelgroepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de volgende groepen inburgeringsplichtigen kan het college bij
                                voorrang een voorziening aanbieden:</al><lijst><li nr="a."><al>uitkeringsgerechtigden met een uitkering op grond van de Wet
                                        werk en bijstand of een uitkering op grond van andere
                                        sociale zekerheidswetten of met een
                                        re-integratietraject;</al></li><li nr="b."><al>opvoeders met kinderen in de leeftijd van 0 tot 18
                                        jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan overige groepen inburgeringsplichtigen kan het college ook een
                                voorziening aanbieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Samenstelling en afstemming voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met uitzondering van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke
                                bedienaren stemt het college de voorziening af op het startniveau,
                                de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
                                maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg
                                voor dat de voorziening hierop wordt afgestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een voorziening ten behoeve van de inburgeringsplichtige kan, naast
                                datgene dat in de wet is geregeld, één of meer van de volgende
                                onderdelen bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>onafhankelijke diagnosestelling;</al></li><li nr="b."><al>trajectbegeleiding;</al></li><li nr="c."><al>maatschappelijke begeleiding;</al></li><li nr="d."><al>maatschappelijke oriëntatie;</al></li><li nr="e."><al>interculturalisatie;</al></li><li nr="f."><al>vrijwilligerswerk;</al></li><li nr="g."><al>vervolgadvies.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Procedure aanbieding voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet schriftelijk het aanbod als bedoeld in artikel 19,
                                eerste of tweede lid van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het aanbod wordt gezonden naar het adres waar de
                                inburgeringsplichtige in de gemeentelijke basisadministratie is
                                ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de voorziening die
                                wordt aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die
                                aan de voorziening worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, deelt
                                binnen twee weken na de dagtekening van dit aanbod het college
                                schriftelijk mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                college binnen vier weken na ontvangst van deze mededeling het
                                besluit tot vaststelling van de voorziening overeenkomstig het
                                gedane aanbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een inburgeringsplichtige een schriftelijk verzoek indient om
                                in aanmerking te komen voor een voorziening in de vorm van een
                                persoonlijk inburgeringsbudget als bedoeld in artikel 19, tweede lid
                                van de wet, begeleidt het college de inburgeringsplichtige bij de
                                vormgeving van de persoonlijke inburgering en de keuze van een
                                inburgeringsbedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college keurt het verzoek van de inburgeringsplichtige voor het
                                volgen van een (gecombineerde) voorziening in de vorm van een
                                persoonlijk inburgeringsbudget goed, indien de voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>naar het oordeel van het college passend is om de
                                inburgeringsplichtige voor te bereiden op en toe te leiden naar het
                                inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I
                                of II; en</al></li><li nr="b."><al>wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf, dat voldoet aan de
                                volgende vereisten:</al><lijst><li nr="1."><al>het ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="2."><al>het beschikken over een keurmerk van de brancheorganisatie of een
                                vergelijkbaar keurmerk;</al></li><li nr="3."><al>het beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                gebied van het verzorgen van inburgeringsprogramma’s en/of
                                taalkennisvoorzieningen.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college keurt het verzoek van de inburgeringsplichtige voor het
                                volgen van een taalkennisvoorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget goed, indien de taalkennisvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>naar het oordeel van het college passend is om de
                                inburgeringsplichtige de kennis van de Nederlandse taal te laten
                                verwerven die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een
                                mbo-opleiding op niveau 1 of 2; en</al></li><li nr="b."><al>wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf, dat voldoet aan de
                                volgende vereisten:</al><lijst><li nr="1."><al>het ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="2."><al>het beschikken over een keurmerk van de brancheorganisatie of een
                                vergelijkbaar keurmerk;</al></li><li nr="3."><al>het beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                gebied van het verzorgen van inburgeringsprogramma’s en/of
                                taalkennisvoorzieningen.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na goedkeuring door de inburgeringsplichtige en vaststelling door
                                het college van de voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget, sluit het college ten behoeve van de
                                inburgeringsplichtige een overeenkomst met het inburgeringsbedrijf,
                                voor zover het inburgeringsbedrijf voldoet aan de in het tweede en
                                derde lid vermelde vereisten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inning eigen bijdrage inburgeringsplichtige</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>De eigen bijdrage als bedoeld in artikel 23, tweede lid van de
                                wet wordt in ten hoogste tien termijnen door de
                                inburgeringsplichtige aan de gemeente betaald.</al></li><li nr="b."><al>Het college legt in de beschikking tot vaststelling van de
                                voorziening de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage
                                door de inburgeringsplichtige vast.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college de eigen bijdrage verrekent met algemene bijstand
                                die aan de inburgeringsplichtige wordt verleend, wordt dat in de
                                beschikking vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan, indien een inburgeringsplichtige aan het
                                inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I
                                of II heeft deelgenomen en/of daarvoor is geslaagd, een bonus
                                toekennen ter hoogte van maximaal de aan de inburgeringsplichtige
                                opgelegde eigen bijdrage als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen en beschikking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking één of meer
                            van de volgende, aan de voorziening te verbinden verplichtingen
                            opleggen:</al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan een onafhankelijke diagnosestelling;</al></li><li nr="c."><al> het deelnemen aan (voortgangs)gesprekken met vertegenwoordigers
                                    van de gemeente;</al></li><li nr="d."><al>het deelnemen aan het inburgeringsexamen of het staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II binnen een door het college
                                    te bepalen termijn;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien, door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden, niet aan één of meer van de bij beschikking
                                    opgelegde verplichtingen kan worden voldaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inhoud besluit vaststelling voorziening</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de voorziening bevat in ieder
                            geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de voorziening;</al></li><li nr="c."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige;</al></li><li nr="d."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of het staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheid van sancties;</al></li><li nr="f."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage;</al></li><li nr="g."><al>ingeval van een oudkomer de datum waarop de handhavingstermijnen
                                    van de inburgeringsplicht als bedoeld in de artikel 26 van de
                                    wet aanvangen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Handhavingsbesluit</titel></kop><al>Ingeval van weigering van een aanbod wordt voor een
                            inburgeringsplichtige oudkomer bij beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>de datum waarop de termijn van handhaving van de
                                    inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 26 van de wet
                                    aanvangt;</al></li><li nr="b."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen moet zijn behaald.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Afstemming hoogte bestuurlijke boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de bestuurlijke boete als bedoeld in de artikelen 13
                                en 14 van deze verordening wordt afgestemd op de ernst van de
                                gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden
                                verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete op
                                grond van deze verordening indien elke vorm van verwijtbaarheid
                                ontbreekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vaststelling hoogte bestuurlijke boetes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>De bestuurlijke boete bedraagt voor de duur van één maand tien
                                procent van de bijstandsnorm zoals deze voor de
                                inburgeringsplichtige geldt of zou gelden, als de
                                inburgeringsplichtige belanghebbende in de zin van de Wet werk en
                                bijstand zou zijn, indien de inburgeringsplichtige, of de persoon
                                ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden
                                dat deze inburgeringsplichtig is, geen of onvoldoende medewerking
                                verleent aan het onderzoek als bedoeld in artikel 25, vierde lid van
                                de wet.</al></li><li nr="b."><al>De bestuurlijke boete op grond van dit lid bedraagt per overtreding
                                maximaal het in artikel 34, aanhef en onder a. van de wet vermelde
                                bedrag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. De bestuurlijke boete bedraagt twintig procent van de voor de
                                inburgeringsplichtige toepasselijke bijstandsnorm voor de duur van
                                één maand, indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende
                                medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde
                                voorziening als bedoeld in artikel 23, eerste lid van de wet of aan
                                de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van deze
                                verordening.</al><al>b. De bestuurlijke boete op grond van dit lid bedraagt per
                                overtreding maximaal het in artikel 34, aanhef en onder b. van de
                                wet vermelde bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>a. De bestuurlijke boete bedraagt veertig procent van de voor de
                                inburgeringsplichtige toepasselijke bijstandsnorm voor de duur van
                                één maand, indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel
                                7, eerste lid van de wet bedoelde termijn of niet binnen de door het
                                college op grond van artikel 31, tweede lid, onder a. en b. van de
                                wet verlengde termijnen het inburgeringsexamen heeft behaald.</al><al>b. De bestuurlijke boete op grond van dit lid bedraagt per
                                overtreding maximaal het in artikel 34, aanhef en onder c. van de
                                wet vermelde bedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vaststelling hoogte bestuurlijke boetes bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>a. De bestuurlijke boete voor overtredingen als bedoeld in artikel
                                13, eerste lid van deze verordening bedraagt twintig procent van de
                                voor de inburgeringsplichtige toepasselijke bijstandsnorm voor de
                                duur van één maand, indien de inburgeringsplichtige, of de persoon
                                ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden
                                dat deze inburgeringsplichtig is, zich binnen twaalf maanden na de
                                vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig
                                maakt aan dezelfde overtreding.</al><al>b. De bestuurlijke boete op grond van dit lid bedraagt per
                                overtreding maximaal het in artikel 34, aanhef en onder a. van de
                                wet vermelde bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. De bestuurlijke boete voor overtredingen als bedoeld in artikel
                                13, tweede lid van deze verordening bedraagt veertig procent van de
                                voor de inburgeringsplichtige toepasselijke bijstandsnorm voor de
                                duur van één maand, indien de inburgeringsplichtige zich binnen
                                twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding
                                opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding.</al><al>b. De bestuurlijke boete op grond van dit lid bedraagt per
                                overtreding maximaal het in artikel 34, aanhef en onder b. van de
                                wet vermelde bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt per overtreding het in artikel 34,
                                aanhef en onder d. van de wet vermelde bedrag indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijnen het
                                inburgeringsexamen heeft behaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Aanbieding voorziening aan vrijwillige inburgeraars</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Aanwijzing doelgroepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de volgende groepen vrijwillige inburgeraars kan het college bij
                                voorrang een voorziening aanbieden:</al><al>a. uitkeringsgerechtigden met een uitkering op grond van de Wet werk
                                en bijstand of een uitkering op grond van andere sociale
                                zekerheidswetten of met een re-integratietraject;</al><al>b. opvoeders met kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan overige groepen vrijwillige inburgeraars kan het college ook een
                                voorziening aanbieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Samenstelling en afstemming voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met uitzondering van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke
                                bedienaren stelt het college de samenstelling van de voorziening in
                                overleg met de vrijwillige inburgeraar vast en stemt het college de
                                voorziening af op het startniveau, de vaardigheden, de persoonlijke
                                omstandigheden en de maatschappelijke positie van de vrijwillige
                                inburgeraar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening ten behoeve van de vrijwillige inburgeraar kan,
                                naast datgene dat in de wet is geregeld, één of meer van de volgende
                                onderdelen bevatten:</al><al>a. onafhankelijke diagnosestelling;</al><al>b. trajectbegeleiding;</al><al>c. maatschappelijke begeleiding;</al><al>d. maatschappelijke oriëntatie</al><al>e. interculturalisatie;</al><al>f. vrijwilligerswerk;</al><al>g. vervolgadvies.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een vrijwillige inburgeraar een schriftelijk verzoek indient
                                om in aanmerking te komen voor een voorziening in de vorm van een
                                persoonlijk inburgeringsbudget als bedoeld in artikel 24a, tweede
                                lid van de wet, begeleidt het college de inburgeringsplichtige bij
                                de vormgeving van de persoonlijke inburgering en de keuze van een
                                inburgeringsbedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college keurt het verzoek van de vrijwillige inburgeraar voor
                                het volgen van een (gecombineerde) voorziening in de vorm van een
                                persoonlijk inburgeringsbudget goed, indien de voorziening:</al><al>a. naar het oordeel van het college passend is om de vrijwillige
                                inburgeraar voor te bereiden op en toe te leiden naar het
                                inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I
                                of II; en</al><al>b. wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf, dat voldoet aan de
                                volgende vereisten:</al><al>1. ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al><al>2. het beschikken over een keurmerk van de brancheorganisatie of een
                                vergelijkbaar keurmerk;</al><al>3. het beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                gebied van het verzorgen van inburgeringsprogramma’s en/of
                                taalkennisvoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college keurt het verzoek van de vrijwillige inburgeraar voor
                                het volgen van een taalkennisvoorziening in de vorm van een
                                persoonlijk inburgeringsbudget goed, indien de
                                taalkennisvoorziening:</al><al>a. naar het oordeel van het college passend is om de vrijwillige
                                inburgeraar de kennis van de Nederlandse taal te laten verwerven die
                                noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een mbo-opleiding op
                                niveau 1 of 2; en</al><al>b. wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf, dat voldoet aan de
                                volgende vereisten:</al><al>1. ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al><al>2. het beschikken over een keurmerk van de brancheorganisatie of een
                                vergelijkbaar keurmerk;</al><al>3. het beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                gebied van het verzorgen van inburgeringsprogramma’s en/of
                                taalkennisvoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na goedkeuring door de vrijwillige inburgeraar en vaststelling door
                                het college van de voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget, sluit het college ten behoeve van de vrijwillige
                                inburgeraar een overeenkomst met het inburgeringsbedrijf, voor zover
                                het inburgeringsbedrijf voldoet aan de in het tweede en derde lid
                                vermelde vereisten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inning eigen bijdrage vrijwillige inburgeraar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>a. De eigen bijdrage als bedoeld in artikel 24e, eerste lid van de
                                wet wordt in ten hoogste tien termijnen door de vrijwillige
                                inburgeraar aan de gemeente betaald.</al><al>b. Het college legt in de overeenkomst tot vaststelling van de
                                voorziening de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage
                                door de vrijwillige inburgeraar vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijwillige inburgeraar met wie een voorziening is overeengekomen
                                en die op last van het college, dan wel op last van een andere
                                instantie als bedoeld in artikel 21, tweede lid van de wet, een
                                gecombineerde voorziening als bedoeld in artikel 24b, eerste lid van
                                de wet dient te volgen, is geen eigen bijdrage verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan, indien een vrijwillige inburgeraar aan het
                                inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I
                                of II heeft deelgenomen en/of daarvoor is geslaagd, een bonus
                                toekennen ter hoogte van maximaal de aan de vrijwillige inburgeraar
                                opgelegde eigen bijdrage als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Verplichtingen en overeenkomsten vrijwillige inburgeraars</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan met de vrijwillige inburgeraar in de overeenkomst als
                            bedoeld in artikel 24d, tweede lid van de wet één of meer van de
                            volgende, aan de voorziening te verbinden verplichtingen opnemen: </al><al> a. het deelnemen aan de aangeboden voorziening;</al><al>b. het deelnemen aan een onafhankelijke diagnosestelling;</al><al>c. het deelnemen aan (voortgangs)gesprekken met vertegenwoordigers van
                            de gemeente;</al><al>d. het deelnemen aan het inburgeringsexamen of het staatsexamen
                            Nederlands als tweede taal I of II binnen een door het college te
                            bepalen termijn;</al><al>e. het melden indien, door ziekte dan wel door andere relevante
                            omstandigheden, niet aan één of meer van de in de overeenkomst opgenomen
                            verplichtingen kan worden voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud overeenkomst</titel></kop><al>De overeenkomst als bedoeld in artikel 24d, tweede lid van de wet met de
                            vrijwillige inburgeraar bevat in ieder geval:</al><al>a. een beschrijving van de voorziening;</al><al>b. de duur van de voorziening;</al><al>c. een opgave van de rechten en verplichtingen van de vrijwillige
                            inburgeraar;</al><al>d. de datum waarop aan het inburgeringsexamen of het staatsexamen
                            Nederlands als tweede taal I of II moet zijn deelgenomen;</al><al>e. de mogelijkheid van sancties;</al><al>f. indien van toepassing, de termijnen en wijze van betaling van de
                            eigen bijdrage.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Sancties bij niet of in onvoldoende mate nakoming van de
                                overeenkomst</titel></kop><al>Indien de vrijwillige inburgeraar de verplichtingen die zijn neergelegd
                            in de overeenkomst niet of in onvoldoende mate nakomt, kan het college
                            de vrijwillige inburgeraar de volgende sancties opleggen:</al><al>a. een boete overeenkomstig de bestuurlijke boetes die het college
                            oplegt indien een inburgeringsplichtige de verplichtingen als bedoeld in
                            artikel 13 van deze verordening niet of in onvoldoende mate nakomt;</al><al>b. een boete overeenkomstig de bestuurlijke boetes die het college
                            oplegt indien een inburgeringsplichtige de verplichtingen als bedoeld in
                            artikel 14 van deze verordening bij herhaling niet of in onvoldoende
                            mate nakomt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Vaststelling identiteit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Vaststelling identiteit inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                                inburgeraars</titel></kop><al>Het college stelt de identiteit van de inburgeringsplichtige en
                            vrijwillige inburgeraar vast aan de hand van een document als bedoeld in
                            artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om nadere besluiten te nemen met betrekking
                                tot de uitvoering van deze verordening, in gevallen waarin deze
                                verordening niet voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan, in bijzondere gevallen en voor zover toepassing van
                            deze verordening tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt,
                            afwijken van het in deze verordening bepaalde en ter zake op individuele
                            gronden een nadere beslissing nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Verslaglegging</titel></kop><al>Het college brengt eenmaal per twee jaar verslag uit aan de raad met
                            betrekking tot de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking per 1 augustus 2011.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van de in het eerste lid vermelde datum vervalt de bij
                                besluit van 17 april 2007 vastgestelde Verordening inburgering
                                gemeente Dinkelland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening inburgering gemeente
                            Dinkelland 2011.</al><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad van 12
                            juli 2011. </al><al/><al>De griffier, De voorzitter,</al><al>Mr. O.J.R.J. Huitema Mr. R.S. Cazemier</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>1. Algemene toelichting</label></kop><structuurtekst><al>De Wet inburgering (hierna de wet) regelt de inburgeringsplicht voor in
                            beginsel alle onderdanen van derdelanden van 16 tot 65 jaar die duurzaam
                            in Nederland willen en mogen verblijven.</al><al>Bij het invulling geven aan de inburgeringsverplichting staat de eigen
                            verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de
                            inburgeringsplichtige centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen
                            inzicht bepalen hoe hij zich wil voorbereiden op het
                            inburgeringsexamen.</al><al>Aan de inburgeringsverplichting is voldaan wanneer het
                            inburgeringsexamen is behaald (een resultaatsverplichting).</al><al>Daarnaast is in de wet de vrijwillige inburgering geregeld. De
                            bepalingen in de wet over vrijwillige inburgering zijn in deze
                            verordening zoveel mogelijk geformuleerd overeenkomstig de bepalingen
                            die gelden voor de inburgeringsplichtigen.</al></structuurtekst><paragraaf><kop><label>Taken gemeente</label></kop><structuurtekst><al>Gemeenten krijgen in de wet een aantal belangrijke taken toebedeeld.
                                Zo hebben gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen en de
                                vrijwillige inburgeraars in de gemeente goed te informeren over de
                                rechten en plichten die voortvloeien uit deze wet. Gemeenten hebben
                                voorts de taak aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                                inburgeraars die daarvoor op grond van de wet of het gemeentelijk
                                beleid in aanmerking komen een inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening aan te bieden. Een inburgeringsvoorziening
                                leidt toe naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands
                                als tweede taal.</al><al/><al>In plaats van een inburgeringsvoorziening mogen gemeenten aan
                                inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars die een
                                mbo-opleiding op niveau 1 of 2 volgen of gaan volgen, een
                                taalkennisvoorziening aanbieden.</al><al>In de verordening wordt gesproken over ‘voorziening’. Hieronder
                                wordt zowel de inburgeringsvoorziening als de taalkennisvoorziening
                                begrepen. </al><al>Gemeenten moeten ook de inburgeringsplicht van
                                inburgeringsplichtigen handhaven. Het college moet een bestuurlijke
                                boete opleggen als een inburgeringsplichtige zich verwijtbaar niet
                                houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden.</al><al/><al>Analoog hieraan ligt het voor de hand dat het college ook toezicht
                                houdt of de overeenkomst zoals deze met de vrijwillige inburgeraar
                                wordt overeengekomen wordt nagekomen en, indien dat niet het geval
                                is, zo nodig maatregelen neemt.</al><al/><al>In verband met deze taken draagt de wet gemeenten op om bij
                                verordening regels te stellen over de volgende onderwerpen:</al><al/><al>1. Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                                inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars, terzake van hun
                                rechten en plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod
                                van en de toegang tot de voorzieningen (artikel 8 en 24f van de
                                wet).</al><al>2. Regels met betrekking tot het aanbieden van voorzieningen aan
                                bijzondere groepen inburgeringsplichtigen en over de rechten en
                                plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een voorziening is
                                vastgesteld (artikel 19, vijfde lid en artikel 23, derde lid van de
                                wet).</al><al>3. Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor
                                de verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 van
                                de wet).</al><al>4. Facultatief: bepalen dat het college een voorziening kan
                                vaststellen, zonder dat eerst een aanbod wordt gedaan (artikel 19a,
                                eerste lid van de wet).</al><al>5. Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige inburgeraars
                                (artikel 24a tot en met 24f van de wet).</al><al>6. Het persoonlijk inburgeringsbudget (artikel 19, tweede lid en
                                artikel 24a, tweede lid van de wet).</al><tussenkop>  Ad 1 Regels over de informatieverstrekking</tussenkop><al>De artikelen 8 en 24f van de wet bepalen dat de gemeenteraad bij
                                    verordening regels vaststelt over de informatieverstrekking door
                                    de gemeente aan inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                                    inburgeraars. Het gaat hierbij om informatie over de rechten en
                                    plichten uit hoofde van de wet en informatie over het aanbod van
                                    voorzieningen en de toegang tot die voorzieningen.</al><tussenkop> Ad 2 Regels met betrekking tot het aanbieden van voorzieningen</tussenkop><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van
                                    de inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt
                                    op het inburgeringsexamen. Gemeenten kunnen
                                    inburgeringsplichtigen ondersteunen door het aanbieden van een
                                    inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening. Alle
                                    inburgeringsplichtigen kunnen in beginsel in aanmerking komen
                                    voor een voorziening. De gemeenteraad bepaalt welke groepen
                                    inburgeringsplichtigen bij voorrang in aanmerking komen voor een
                                    voorziening en welke groepen op eigen kracht dienen in te
                                    burgeren. Deze keuze dient te berusten op objectieve criteria,
                                    die in de verordening worden vastgelegd.</al><al/><al>Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het
                                    inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede
                                    taal I of II en omvat het éénmaal kostenloos afleggen van dat
                                    examen.</al><al/><al>Een inburgeringsvoorziening kan ook een duale (gecombineerde)
                                    voorziening zijn. Dit is een inburgeringsvoorziening die, met
                                    het oog op de actieve deelname van de inburgeringsplichtige aan
                                    de Nederlandse samenleving, mede voorziet in activiteiten die,
                                    in samenhang en ten minste voor een deel gelijktijdig, met het
                                    verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de
                                    Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving worden
                                    uitgevoerd.</al><al/><al>Een taalkennisvoorziening is gericht op de verwerving van de
                                    kennis van de Nederlands taal die noodzakelijk is voor het
                                    kunnen afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel
                                    19, derde lid van de wet).</al><al/><al>De inburgeringsplichtige is verplicht een eigen bijdrage van €
                                    270,00 te betalen voor de voorziening. Voor asielgerechtigde
                                    inburgeringsplichtigen bestaat een voorziening ook uit
                                    maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid van de
                                    wet).</al><al/><al>De wet draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te
                                    stellen met betrekking tot het aanbieden van een voorziening aan
                                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars. In de wet is
                                    ook vastgelegd over welke onderwerpen in ieder geval regels
                                    moeten worden gesteld:</al><lijst><li nr="·"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het
                                            doen van een aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel
                                            19, vijfde lid, onder a van de wet).</al></li><li nr="·"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een
                                            aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde
                                            lid, onder a van de wet).</al></li><li nr="·"><al>De vaststelling door het college van een passende
                                            voorziening, met inbegrip van de totstandkoming en de
                                            samenstelling van de voorziening (artikel 19, vijfde
                                            lid, onder b van de wet).</al></li><li nr="·"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor
                                            wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Deze
                                            rechten en plichten dienen in ieder geval betrekking te
                                            hebben op de inning van de eigen bijdrage door het
                                            college en de mogelijkheid van betaling in termijnen
                                            (artikel 23, derde lid van de wet).</al></li></lijst><tussenkop> Ad 3 Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete</tussenkop><al>Artikel 35 van de wet draagt gemeenten op bij verordening de
                                    hoogte van de bestuurlijke boete vast te stellen die voor de
                                    verschillende overtredingen op grond van de Wi kan worden
                                    opgelegd. In artikel 34 van de wet zijn de bedragen vastgelegd
                                    die per overtreding ten hoogste als bestuurlijke boete kunnen
                                    worden opgelegd.</al><al/><al> De artikelen 13 en 14 van de verordening bieden, in de vorm van
                                    het vaststellen van maximumbedragen, het kader bij de
                                    vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boetes in
                                    individuele gevallen.</al><al>De boetes en de hoogte hiervan zijn in afstemming met de op 24
                                    maart 2009 door de gemeenteraad vastgestelde
                                    Maatregelenverordening Wet werk en bijstand gemeente Dinkelland
                                    2009 bepaald. Deze afstemming met de maatregelenverordening
                                    geldt ook voor het handhavingsbeleid op het terrein van
                                    inburgering. Dit laatste komt tot uiting in de wijze waarop in
                                    de artikelen 13 en 14 van deze verordening de handhaving op de
                                    nakoming van de aan de inburgering verbonden verplichtingen vorm
                                    is gegeven.</al><tussenkop> Ad 4 Het vaststellen van een voorziening zonder het eerst doen van een aanbod</tussenkop><al>In deze verordening is géén gebruik gemaakt van de mogelijkheid
                                    die artikel 19a van de wet biedt om het college de bevoegdheid
                                    te geven de voorzieningen vast te stellen, zonder dat eerst een
                                    aanbod aan de inburgeringsplichtigen wordt gedaan.</al><al/><al>In de afgelopen jaren hebben alle inburgeringsplichtigen in
                                    overleg het door de gemeente gedane aanbod aanvaard. Er is
                                    daarom geen noodzaak invulling te geven aan het bepaalde in
                                    artikel 19a van de wet. Gelet hierop wordt in deze verordening
                                    het bestaande aanbodstelsel gehandhaafd. Dit stelsel houdt in
                                    dat het college de inburgeringsplichtige een aanbod doet en de
                                    voorziening overeenkomstig het aanbod vaststelt, als de
                                    inburgeringsplichtige het aanbod heeft aanvaard.</al><tussenkop> Ad 5 Het aanbieden van een voorziening aan vrijwillige inburgeraars</tussenkop><al>De bepalingen in de wet over vrijwillige inburgering zijn in
                                    deze verordening zoveel mogelijk geformuleerd overeenkomstig de
                                    bepalingen die gelden voor de inburgeringsplichtigen. In artikel
                                    24a van de wet wordt geregeld dat het college aan de vrijwillige
                                    inburgeraar een aanbod kan doen voor een (duale)
                                    inburgeringsvoorziening die naar het inburgeringsexamen of het
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I en II of een
                                    taalkennisvoorziening toeleidt.</al><al/><al>Artikel 24d van de wet regelt dat, indien een vrijwillige
                                    inburgeraar in aanmerking komt voor een voorziening, het college
                                    een aanbod doet aan de vrijwillige inburgeraar. Als de
                                    vrijwillige inburgeraar het aanbod voor een voorziening
                                    aanvaardt, sluit het college met de vrijwillige inburgeraar een
                                    overeenkomst.</al><al/><al>In artikel 24a, vijfde lid van de wet is bepaald dat de
                                    gemeenteraad in een verordening in ieder geval regels stelt
                                    over:</al><lijst><li nr="·"><al>de procedure die het college volgt voor het doen van een
                                            aanbod en de criteria die daarbij worden
                                            gehanteerd;</al></li><li nr="·"><al>de wijze waarop met de vrijwillige inburgeraar in
                                            overleg wordt getreden om te komen tot een passende
                                            voorziening, met inbegrip van de totstandkoming en
                                            samenstelling van die voorziening.</al></li></lijst><al>Op grond van artikel 24e van de wet is de vrijwillige
                                    inburgeraar met wie een voorziening is overeengekomen de in
                                    artikel 23, tweede lid van de wet vastgestelde eigen bijdrage
                                    verschuldigd. Vrijwillige inburgeraars die een gecombineerde
                                    voorziening als bedoeld in artikel 24b, eerste lid van de wet
                                    moeten volgen, hoeven geen eigen bijdrage te betalen (artikel
                                    24<sup/>e, derde lid van de wet).</al><al/><al>De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat alle of bepaalde
                                    categorieën vrijwillige inburgeraars geen eigen bijdrage hoeven
                                    te betalen of een lager bedrag dan het bedrag dat in de wet is
                                    vastgelegd (artikel 24<sup/>e, tweede lid van de wet). Artikel
                                    24f van de wet draagt gemeenten op om bij verordening regels te
                                    stellen over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                                    vrijwillige inburgeraars terzake van hun rechten en plichten uit
                                    hoofde van deze wet, de inning van de eigen bijdrage door het
                                    college en de mogelijkheid van betaling in termijnen, de
                                    niet-nakoming van de overeenkomst alsmede het vaststellen van de
                                    identiteit van de vrijwillige inburgeraar.</al><tussenkop>  Ad 6 Het persoonlijk inburgeringsbudget</tussenkop><al>Op grond van artikel 19, tweede lid en artikel 24a, tweede lid
                                    van de wet kan het college een (duale) inburgeringsvoorziening
                                    of taalkennisvoorziening aanbieden in de vorm van een
                                    persoonlijk inburgeringsbudget, indien de inburgeringsplichtige
                                    respectievelijk de vrijwillige inburgeraar daarom verzoekt.</al><al/><al>Een inburgeringsplichtige of een vrijwillige inburgeraar kan
                                    niet zonder meer aanspraak doen op een persoonlijk
                                    inburgeringsbudget. De persoon dient daartoe een verzoek te doen
                                    aan het college. </al><al/><al>De inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar zal in
                                    beginsel zelf op zoek moeten naar een inburgeringsbedrijf dat
                                    een inburgeringsprogramma kan bieden, dat past bij zijn voorkeur
                                    en ambities. Het college heeft als taak de
                                    inburgeringsplichtigen en vrijwillige inburgeraars bij de
                                    vormgeving van hun inburgering en de keuze van een
                                    inburgeringsbedrijf te begeleiden (artikel 4.27, eerste lid van
                                    het Besluit inburgering). Om in aanmerking te kunnen komen voor
                                    een persoonlijk inburgeringsbudget moet de inburgeringsplichtige
                                    of vrijwillige inburgeraar een voorstel voor een
                                    inburgeringsprogramma bij het college indienen. Het voorstel van
                                    de inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar behoeft
                                    de goedkeuring van het college (artikel 4.27, tweede lid van het
                                    Besluit inburgering). Het college beoordeelt het voorstel voor
                                    het inburgeringsprogramma op de mate van geschiktheid om de
                                    persoon voor te bereiden op en toe te leiden naar het
                                    inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede
                                    taal I of II en, in het geval van een taalkennisvoorziening, of
                                    deze geschikt is om de persoon kennis van de Nederlandse taal te
                                    laten verwerven die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van
                                    een mbo-opleiding op niveau 1 of 2. Het inburgeringsbedrijf
                                    dient te voldoen aan de eisen die in de verordening zijn
                                    gesteld.</al><al/><al>Bij toekenning van een persoonlijk inburgeringsbudget krijgt de
                                    inburgeringsplichtige of vrijwillige inburgeraar geen geld in
                                    handen. Het geld voor het betalen van de inburgeringscursus
                                    en/of voor overige daaraan binnen het inburgeringsprogramma
                                    gerelateerde trajecten gaat rechtstreeks van de gemeente naar
                                    het inburgeringsbedrijf.</al><al/><al>In de artikel 19, vijfde lid en artikel 24a, vijfde lid van de
                                    wet is vastgelegd dat gemeenten in de verordening regels moeten
                                    opnemen die betrekking hebben op het aanbieden van een
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening in de vorm van
                                    een persoonlijk inburgeringsbudget.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>2. Artikelsgewijze toelichting</label></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Omwille van leesbaarheid wordt het begrip ‘voorziening’ in de
                            verordening gebruikt. In het eerste lid, onder d. is vastgelegd dat een
                            voorziening een (duale) inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening
                            kan inhouden.</al><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die
                            worden gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit
                            inburgering en de Regeling inburgering ook op deze verordening van
                            toepassing zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen en
                                vrijwillige inburgeraars</titel></kop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige
                            inburgeraars in haar gemeente goed te informeren over de rechten en
                            plichten die uit de wet voortvloeien. De wet laat gemeenten vrij om zelf
                            te bepalen op welke wijze de informatievoorziening aan de
                            inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd.</al><al> De artikelen 8 en 24f van de wet schrijven voor dat de gemeenteraad bij
                            verordening regels vaststelt over de informatieverstrekking door de
                            gemeente aan de inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars,
                            terzake van hun rechten en plichten uit hoofde van de wet, alsmede van
                            het aanbod van en de toegang tot voorzieningen ten aanzien van
                            inburgeringsplichtigen. Artikel 2 vormt de uitwerking van deze
                            verplichting.</al><al>Ingevolge de wet kunnen gemeenten ervoor kiezen om, voor een adequate
                            informatievoorziening door het college aan de inburgeringsplichtigen en
                            vrijwillige inburgeraars, in de verordening alleen de kaders vast te
                            stellen. In de voorliggende verordening is hier niet voor gekozen, daar
                            de informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                            inburgeraars breed wordt ingezet. In het tweede lid van dit artikel is
                            dit nader uitgewerkt.</al><al>In het derde lid van dit artikel is geregeld dat het college een
                            informatieplan opstelt waarin een plan van aanpak en uitvoering is
                            opgenomen over de wijze waarop informatieverstrekking plaatsvindt. Dit
                            spreekt verder voor zich.</al><al>In het vierde lid van dit artikel is de wijze van verantwoording van het
                            college aan de raad over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de
                            informatieverstrekking aan de inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                            inburgeraars geregeld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanbod inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verplicht aanbod</titel></kop><al>In artikel 19, eerste lid van de wet is vastgelegd dat het college in
                            ieder geval aan de in dit artikel vermelde groepen
                            inburgeringsplichtigen een aanbod moet doen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanwijzing doelgroepen</titel></kop><al>Op grond van artikel 19, vijfde lid, aanhef en onder a. van de wet moet
                            de gemeenteraad bij verordening regels stellen met betrekking tot de
                            procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeringsplichtigen en de criteria die daarbij worden
                            gehanteerd.</al><al>Dit artikel vormt de uitwerking daarvan en regelt de groepen
                            inburgeringsplichtigen waaraan het college <cursief>bij
                                voorrang</cursief> een voorziening kan aanbieden. In het tweede lid
                            is geregeld dat het college de ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook
                            een voorziening aan te bieden aan inburgeringsplichtigen die niet
                            behoren tot de groepen die in het eerste lid van dit artikel met name
                            zijn genoemd.</al><al>Om te voorkomen dat inburgeringsplichtigen die behoren tot de in dit
                            artikel vermelde groepen aan deze aanwijzing recht kunnen ontlenen op
                            het krijgen van een aanbod, aanbod, is in dit artikel vastgelegd dat het
                            college aan de desbetreffende groepen bij voorrang een voorziening
                                <cursief>kan</cursief> aanbieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Samenstelling en afstemming voorziening</titel></kop><al>In artikel 19, vijfde lid, aanhef en onder b van de wet is bepaald dat
                            in de verordening regels dienen te worden gesteld met betrekking tot de
                            vaststelling door het college van een passende (duale)
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan
                            inburgeringsplichtigen, met inbegrip van de totstandkoming en
                            samenstelling van de voorziening.</al><al>Dit artikel omvat de kaders waarbinnen het college de opdracht heeft
                            voor iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in aanmerking komt, een
                            op de persoon toegesneden voorziening samen te stellen.</al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een
                            passende voorziening vaststelt.</al><al/><al> Bij de bepaling van de passendheid van een voorziening spelen de
                            volgende factoren een rol:</al><lijst><li nr="·"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal
                                    en de Nederlandse samenleving en zijn of haar
                                    leercapaciteit.</al></li><li nr="·"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of
                                    gaat vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden
                                    gedacht aan het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden
                                    van kinderen.</al></li><li nr="·"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij
                                    kan worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                                    inburgeringsplichtige moet vervullen.</al><al/></li></lijst><al>Voor de mogelijkheden van het aanbieden van duale
                            inburgeringsvoorzieningen wordt verwezen naar de toelichting bij het
                            Besluit inburgering.</al><al/><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke
                            bedienaren wordt bij ministeriële regeling geregeld. Gemeenten hebben
                            dus niet de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan
                            geestelijke bedienaren aanbieden, naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al>Ingeval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen
                            opleveren de inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt
                            daarbij is wel, zo blijkt uit artikel 19, vierde lid van de wet, dat een
                            aanbod voor een inburgeringsvoorziening aan een uitkeringsgerechtigde
                            inburgeringsplichtige niet wordt gedaan, indien dat diens
                            arbeidsinschakeling belemmert.</al><al>In artikel 20, eerste lid van de wet is bepaald dat de voorziening
                            gecombineerd moet worden met een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling (re-integratievoorziening), indien een voorziening
                            wordt aangeboden aan een inburgeringsplichtige die:</al><lijst><li nr="·"><al>bijstandsgerechtigd is (of een voorziening op grond van de Wet
                                    investeren in jongeren of een uitkering op grond van een andere
                                    socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling ontvangt);
                                    en</al></li><li nr="·"><al>verplicht is om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden.</al><al/></li></lijst><al>Het bepaalde in het tweede lid van dit artikel voorziet hierin.</al><al>Indien onder deze omstandigheden geen re-integratievoorziening aan de
                            inburgeringsplichtige is aangeboden, kan het college geen
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan deze persoon
                            aanbieden, gelet op het wettelijke vereiste in deze specifieke situatie
                            van een combinatie van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                            (re-integratievoorziening).</al><al>Op grond van artikel 20, tweede lid van de wet is het college
                            verantwoordelijk voor het aan de desbetreffende personen onder de
                            gegeven omstandigheden kunnen aanbieden van de gecombineerde
                            voorziening.</al><al/><al>Ingevolge het bepaalde in artikel 19, lid 4 van de wet dient ervoor te
                            worden zorg gedragen dat de voorziening wordt afgestemd op de
                            mogelijkheden van de inburgeringsplichtige tot arbeidsinschakeling. De
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening dient op grond hiervan
                            te worden afgestemd op de aan de persoon aangeboden
                            re-integratievoorziening.</al><al/><al>Aangezien deze voorzieningen in het kader van de uitkeringsverstrekking
                            op grond van overige sociale zekerheidswetten of -regelingen ook door
                            andere partijen dan het college (kunnen) worden verstrekt, dienen met de
                            verantwoordelijke uitvoerders van deze overige socialezekerheidswetten
                            of -regelingen (zoals het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
                            eigenrisicodragers of overheidswerkgevers als bedoeld in artikel 21 van
                            de wet) terzake nadere afspraken te worden gemaakt.</al><al/><al> Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die, als onderdeel van
                            de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, door het college
                            aan inburgeringsplichtigen kunnen worden aangeboden. In artikel 19,
                            derde lid van de wet is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in
                            ieder geval moet bestaan: een cursus die naar het inburgeringsexamen toe
                            leidt en het éénmaal kostenloos afleggen van dat examen.</al><al/><al>Voor de inburgeringsplichtige die houder is van een verblijfsvergunning
                            als bedoeld in artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000
                            (asielgerechtigde oud- én nieuwkomers) maakt ook maatschappelijke
                            begeleiding een verplicht onderdeel uit van de voorziening. Dit is in
                            artikel 19, zesde lid van de wet geregeld.</al><al/><al>Wat betreft de bijkomende faciliteiten die het college, als onderdeel
                            van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, aan
                            inburgeringsplichtige, kan aanbieden, kan worden gedacht aan
                            trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van voortgangsgesprekken
                            met de inburgeringsplichtigen. Ook kan hierbij worden gedacht aan een
                            uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een
                            maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het
                            verwerven van kennis van de Nederlandse samenleving.</al><al/><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral
                            van belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening in combinatie met een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling krijgen. Bij voorzieningen
                            gericht op arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten reeds een
                            vast onderdeel.</al><al>Het inburgeringsexamen omvat een praktijkgericht deel, waarin de
                            praktische (taal)vaardigheden worden getoetst. Het is vanzelfsprekend
                            dat bij de samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van
                            deze vaardigheden. De inzet van duale trajecten vervult daarbij een
                            belangrijke rol.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Procedure aanbieding voorziening</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die ervoor moeten zorgen
                            dat het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van
                            belang omdat zo’n aanbod de start is van een procedure die - als het
                            goed is - leidt tot een besluit tot het toekennen van een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening.</al><al/><al>In het eerste en tweede lid van dit artikel wordt geregeld dat het
                            college het aanbod van een voorziening aan de inburgeringsplichtige op
                            schriftelijke wijze doet en dat het aanbod wordt toegestuurd naar het
                            adres waar de inburgeringsplichtige staat ingeschreven in de
                            gemeentelijke basisadministratie. Op deze wijze kan er geen enkele
                            onduidelijkheid ontstaan over de vraag of het college de
                            inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan.</al><al/><al>Bij de toepassing van het derde lid is het van belang dat het aanbod
                            inhoudelijk dezelfde strekking heeft als de uiteindelijke beschikking
                            zoals in het vijfde lid bedoeld. Hierdoor kan de instemming met het
                            aanbod tevens worden opgevat als instemming met de beschikking tot
                            toekenning (vaststelling) van de voorziening, die eenzijdig door de
                            gemeente wordt opgelegd. De beschikking moet vervolgens weer dezelfde
                            inhoud hebben als het aanbod zoals in het derde lid bedoeld.</al><al/><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat, als de
                            inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt of weigert, dit schriftelijk
                            door de inburgeringsplichtige aan de gemeente wordt medegedeeld. Als
                            uitwerking van het vierde lid is het meest praktisch dat deze
                            schriftelijke mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen
                            door de inburgeringsplichtige van een verklaring die door de gemeente is
                            opgesteld.</al><al> Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de
                            gemeente meldt dat hij wel een voorziening wil, maar dat hij gelet op
                            zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in het
                            aanbod van de gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal
                            het gedane aanbod daarop moeten worden aangepast.</al><al/><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Is dat
                            het geval, dan zal de inburgeringsplichtige zich zelfstandig moeten
                            voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is
                            er geen termijn vastgesteld waarbinnen de desbetreffende persoon het
                            inburgeringsexamen moet hebben behaald.</al><al/><al>Het ligt voor de hand dat de gemeente in een dergelijke situatie een
                            handhavingsbeschikking neemt (een besluit op grond van artikel 26 van de
                            van de wet), waarmee de termijn van start gaat waarbinnen de
                            inburgeringsplichtige oudkomer het inburgeringsexamen moeten hebben
                            behaald (vijf jaar na aanvang van deze termijn).</al><al>Het verdient aanbeveling dat het college deze handelswijze vastlegt in
                            beleidsregels, zodat voor belanghebbenden vooraf duidelijk is (of zou
                            kunnen zijn), wat de gevolgen zijn van het weigeren van een aanbod voor
                            een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><al>Op grond van artikel 19, tweede lid van de wet kan het college de
                            voorziening aanbieden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget,
                            als de inburgeringsplichtige daarom schriftelijk verzoekt.</al><al>Op grond van artikel 19, vijfde lid van de wet moet de gemeenteraad bij
                            verordening regels stellen over de procedure die door het college wordt
                            gevolgd bij het behandelen van verzoeken om een persoonlijk
                            inburgeringsbudget door een inburgeringsplichtige en de criteria die
                            worden gehanteerd bij het toekennen van een persoonlijk
                            inburgeringsbudget aan de desbetreffende persoon.</al><al/><al>In het eerste lid van dit artikel is vastgelegd op welke wijze verzoeken
                            van inburgeringsplichtigen om toekenning van een persoonlijk
                            inburgeringsbudget worden behandeld:</al><lijst><li nr="·"><al>het verzoek moet schriftelijk worden ingediend;</al></li><li nr="·"><al>het college begeleidt de inburgeringsplichtige bij de vormgeving
                                    van de persoonlijke inburgering en de keuze voor een
                                    inburgeringsbedrijf.</al><al/></li></lijst><al>Op grond van artikel 4.27, tweede lid van het Besluit inburgering moet
                            het college het voorstel van de inburgeringsplichtige voor het volgen
                            van een inburgeringsprogramma of taalkennisvoorziening goedkeuren. Dit
                            voorstel zal in de praktijk worden opgesteld door het gekozen
                            inburgeringsbedrijf. Het tweede en derde lid van dit artikel leggen de
                            twee criteria vast aan de hand waarvan het college het voorstel voor het
                            volgen van respectievelijk een inburgeringsprogramma of een
                            taalkennisvoorziening goedkeurt.</al><al>De eerste eis is, dat het inburgeringsprogramma naar het oordeel van het
                            college passend is om de inburgeringsplichtige voor te bereiden op en
                            toe te leiden naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands
                            als tweede taal I of II. De taalkennisvoorziening dient gericht te zijn
                            op de verwerving van de kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk
                            is voor het kunnen afronden van een mbo-/beroepsopleiding op niveau 1 of
                            2.</al><al>De tweede eis is, dat het inburgeringsprogramma of de
                            taalkennisvoorziening wordt verzorgd door een inburgeringsbedrijf dat
                            voldoet aan de volgende in de verordening gestelde vereisten:</al><lijst><li nr="·"><al>ingeschreven zijn bij de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="·"><al>beschikken over een keurmerk van de brancheorganisatie of een
                                    vergelijkbaar keurmerk;</al></li><li nr="·"><al>beschikken over aantoonbare ervaring en deskundigheid op het
                                    gebied van het verzorgen van inburgeringsprogramma’s of
                                    taalkennisvoorzieningen.</al><al/></li></lijst><al> Artikel 4.27, derde lid van het Besluit inburgering bepaalt dat de
                            gemeenteraad bij verordening bepaalt wie met het inburgeringsbedrijf een
                            overeenkomst met betrekking tot de inburgering van de
                            inburgeringsplichtige sluit. Het vierde lid van dit artikel voorziet
                            hierin.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inning eigen bijdrage inburgeringsplichtige</titel></kop><al>Op grond van artikel 23, derde lid van de wet moeten in de verordening
                            regels worden gesteld die betrekking hebben op de inning van de eigen
                            bijdrage van de inburgeringsplichtige en de mogelijkheid van betaling in
                            termijnen door de inburgeringsplichtige. De hoogte van de eigen bijdrage
                            is in de wet vastgelegd en bedraagt € 270,00. Ingevolge artikel 23,
                            tweede lid van de wet kan dit bedrag bij algemene maatregel van bestuur
                            worden gewijzigd.</al><al/><al>In het eerste lid wordt geregeld dat de inburgeringsplichtige de eigen
                            bijdrage in ten hoogste tien termijnen dient te betalen. </al><al/><al>Artikel 24, eerste lid van de wet maakt het bij inburgeringsplichtigen
                            die algemene bijstand ontvangen mogelijk, dat het college de eigen
                            bijdrage met deze uitkering verrekent. Indien tot verrekening wordt
                            overgegaan, moet dat in de beschikking tot toekenning van de
                            inburgeringsvoorziening worden vastgelegd.</al><al/><al>Indien de inburgeringsplichtige een uitkering van het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ontvangt, kan het
                            college, op basis van artikel 24, tweede lid van de wet, het UWV
                            verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te houden op de
                            uitkering van het UWV. In dat geval int het UWV de eigen bijdrage ten
                            behoeve van de gemeente. Deze wijze van verrekening geschiedt door het
                            UWV en niet door de gemeente en wordt dus niet in deze verordening
                            geregeld. Omtrent de wijze van overmaking van de bedragen aan de
                            gemeente dienen werkafspraken te worden gemaakt.</al><al/><al>Gemeenten hebben de mogelijkheid om prestaties te belonen, bijvoorbeeld
                            in de vorm van een bonus, indien een vrijwillige inburgeraar aan het
                            inburgeringsexamen of staatsexamen heeft deelgenomen en/of daarvoor
                            geslaagdis. Dit kan in de overeenkomst worden opgenomen. Gedacht
                            kan hierbij worden aan al dan niet gelijktijdige restitutie bij deelname
                            aan en/of slagen voor het inburgeringsexamen of staatsexamen van (een
                            deel van) de op grond van de wet verschuldigde eigen bijdrage bij die
                            personen op wie de betaling van deze eigen bijdrage van toepassing
                            is.</al><al>Gemeenten hebben de mogelijkheid om prestaties te belonen, bijvoorbeeld
                            in de vorm van een bonus, indien een inburgeringsplichtige aan het
                            inburgeringsexamen of het staatsexamen heeft deelgenomen en/of daarvoor
                            geslaagdis. Dit kan in de beschikking worden opgenomen. Gedacht
                            kan hierbij worden aan al dan niet gelijktijdige restitutie bij deelname
                            aan en/of slagen voor het inburgeringsexamen of staatsexamen van (een
                            deel van) de op grond van de wet door de inburgeringsplichtige
                            verschuldigde eigen bijdrage.</al><al/><al>Onder ‘algemene bijstand’ als bedoeld in het tweede lid wordt, voor de
                            toepassing van deze verordening, een uitkering op grond van de Wet werk
                            en bijstand respectievelijk een voorziening op grond van de Wet
                            investeren in jongeren begrepen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen en beschikking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid van de wet dat
                            bepaalt, dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de
                            rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            voorziening is vastgesteld.</al><al/><al>Dit artikel delegeert de bevoegdheid aan het college om de
                            verplichtingen die in het artikel worden genoemd aan
                            inburgeringsplichtigen in het kader van een voorziening op te leggen. In
                            de toekenningsbeschikking van de inburgeringsvoorziening dienen deze
                            verplichtingen te worden vastgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inhoud besluit vaststelling voorziening</titel></kop><al>Het besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening is een
                            beschikking. Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid
                            heeft tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel
                            wordt geregeld welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten
                            worden neergelegd.</al><al/><al>In de beschikking dienen de toegekende voorziening en de daaraan
                            verbonden rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig te
                            worden vermeld.</al><al/><al>De inburgeringsplichtige is, op grond van artikel 23, eerste lid van de
                            wet, verplicht zijn medewerking aan de uitvoering van de voorziening te
                            verlenen. Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen
                            van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de
                            belanghebbende (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn
                            gemaakt.</al><al/><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen
                            moet hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid van de
                            wet). Gelet hierop hoeft in de beschikking van deze termijn alleen
                            melding te worden gemaakt.</al><al/><al>In de beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel termijnen de eigen
                            bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling dient plaats
                            te vinden (al dan niet op basis van verrekening met de
                            bijstandsuitkering). Indien een inburgeringsvoorziening voor een
                            inburgeringsplichtige oudkomer wordt vastgesteld, dan moet - op grond
                            van het bepaalde in de artikelen 22, tweede lid en 26 van de wet - in de
                            desbetreffende beschikking ook de dag worden opgenomen waarop de termijn
                            van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat. Binnen de in de
                            wet gestelde termijnen moet de desbetreffende oudkomer ná deze datum het
                            inburgeringexamen hebben behaald.</al><al/><al>Het college kan bij inburgeringsplichtige oudkomers zelf bepalen wanneer
                            de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat. Het
                            ligt voor de hand om deze termijn direct te laten ingaan (en
                            bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum waarop de
                            inburgeringsvoorziening van start gaat).</al><al>De precieze datum waarop de voorziening van start gaat, zal niet altijd
                            bekend zijn op het moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het
                            vaststellen van een datum van aanvang van handhaving van de
                            inburgeringsplicht, onafhankelijk van het moment waarop met de
                            voorziening kan worden begonnen, bij het uitgangspunt van de wet dat de
                            betrokken persoon als oudkomer inburgeringsplichtig is en in beginsel
                            zelf verantwoordelijk is voor het behalen van het
                            inburgeringsexamen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Handhavingsbesluit</titel></kop><al>Het college kan, op grond van artikel 26 van de wet, een
                            inburgeringsplichtige een beschikking opleggen waarbij sprake is van
                            handhaving zonder aanbod. Hierbij gaat hierbij om inburgeringsplichtige
                            oudkomers die de gemeente op grond van eigen beleid wil handhaven.</al><al>Het besluit tot het opleggen van de inburgeringsplicht is een
                            beschikking. Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid
                            heeft tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel
                            wordt geregeld welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten
                            worden neergelegd.</al><al> In de beschikking tot inburgering zullen de daaraan verbonden rechten
                            en plichten van de inburgeringsplichtige oudkomer nauwkeurig moeten
                            worden vermeld. Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de
                            verplichtingen van de inburgeringsplichtige oudkomer duidelijk zijn
                            omschreven en aan de belanghebbende (onder andere door middel van de
                            beschikking) bekend zijn gemaakt.</al><al/><al>Ook van de gevolgen van het niet nakomen van opgelegde verplichtingen in
                            het kader van de inburgering zal de inburgeringsplichtige oudkomer door
                            middel van de beschikking (of in een bijlage bij de beschikking) vooraf
                            in kennis moeten zijn gesteld om de handhaving daarvan in
                            overeenstemming met deze verordening mogelijk te maken.</al><al/><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige oudkomer het
                            inburgeringsexamen moet hebben behaald, is in artikel 7, eerste lid van
                            de wet vastgelegd. Gelet hierop hoeft in de beschikking van deze termijn
                            alleen melding te worden gemaakt.</al><al/><al>In dit artikel is geregeld dat, ingeval van weigering van een aanbod,
                            voor een inburgeringsplichtige oudkomer bij beschikking wordt
                            vastgesteld:</al><lijst><li nr="·"><al>de datum waarop de termijn van handhaving van de
                                    inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 26 van de wet
                                    aanvangt;</al></li><li nr="·"><al>de datum waarop het inburgeringsexamen moet zijn behaald.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Afstemming hoogte bestuurlijke boete</titel></kop><al>Bij elke overtreding moet de bestuurlijke boete worden afgestemd op de
                            ernst van de overtreding en de mate waarin de overtreding de overtreder
                            kan worden verweten. Bovendien dient daarbij ook zonodig rekening te
                            worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is
                            gepleegd (artikel 38, tweede lid van de wet). Deze bepaling brengt met
                            zich mee dat bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten worden
                            nagegaan welke boete passend is, gelet op de individuele omstandigheden
                            van de betrokken inburgeringsplichtige.</al><al/><al>In het tweede lid van dit artikel is vastgelegd dat het college afziet
                            van het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van de verordening,
                            indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vaststelling hoogte bestuurlijke boetes</titel></kop><al>Artikel 35 van de wet draagt de gemeenteraad op bij verordening de
                            hoogte van de bestuurlijke boetes vast te stellen die voor verschillende
                            overtredingen door inburgeringsplichtigen in het kader van de uitvoering
                            van de wet kunnen worden opgelegd.</al><al/><al>In artikel 34 van de wet zijn voor de verschillende overtredingen de
                            maximumbedragen van de bestuurlijke boetes vastgelegd. De gemeente kan
                            deze boetebedragen in haar verordening overnemen, maar kan ook lagere
                            bedragen vaststellen.</al><al/><al>In deze verordening is gekozen voor het toepassen van boetepercentages.
                            Het betreffen percentages van de voor de inburgeringsplichtige
                            vastgestelde of van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand. Voor de
                            hoogte van de percentages is aansluiting gezocht bij de op 24 maart 2009
                            door de gemeenteraad vastgestelde Maatregelenverordening Wet werk en
                            bijstand gemeente Dinkelland 2009.</al><al/><al>De boetebedragen waarnaar in dit artikel wordt verwezen (de in artikel
                            34 van de wet vermelde bedragen) zijn, per overtreding, maximumbedragen
                            en géén gefixeerde bedragen. Voor de vaststelling van de hoogte van de
                            boete(s) is de individuele afstemming zoals vastgelegd in artikel 12 van
                            deze verordening bepalend.</al><al/><al> In het kader van de uitvoering van een gecombineerde re-integratie- en
                            inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedraging
                            (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en
                            gegevens te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van
                            een bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand (een
                            maatregel op grond van artikel 18, tweede lid van de Wet werk en
                            bijstand) of het opleggen van een boete of maatregel op grond van een
                            andere sociale zekerheidswet of -regeling.</al><al/><al>Artikel 37 van de wet bevat een regeling voor deze samenloop. In dit
                            artikel wordt bepaald dat in dat geval géén bestuurlijke boete kan
                            worden opgelegd.</al><al/><al>Voor de toepassing en vaststelling van sancties bij
                            inburgeringsplichtigen die niet uitkeringsgerechtigd zijn (de
                            vrijwillige inburgeraars) en die de overeengekomen verplichtingen niet
                            of onvoldoende nakomen, wordt verwezen naar (de toelichting op) artikel
                            21 van deze veordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vaststelling hoogte bestuurlijke boetes bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><al>Dit artikel biedt de gemeente de mogelijkheid om, bij herhaling van de
                            overtreding, een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 13
                            mogelijk is. De maximumbedragen van de op grond van dit artikel op te
                            leggen (hogere) boetes zijn gelijk aan de maximumbedragen zoals deze
                            voor de verschillende overtredingen in artikel 34 van de wet zijn
                            opgenomen.</al><al/><al>In het eerste en tweede lid van dit artikel is bepaald dat, om te kunnen
                            spreken van een herhaling van een overtreding, binnen een termijn van 12
                            maanden na de eerste overtreding sprake moet zijn van het zich schuldig
                            maken aan dezelfde overtreding. In het derde lid is, voor de bepaling
                            van de termijn van herhaling van de overtreding, aangesloten bij de
                            terzake in artikel 33 van de wet vermelde termijnen. Het in dit artikel
                            bepaalde houdt in dat, als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor
                            hem geldende termijn het inburgeringsexamen heeft behaald, een
                            bestuurlijke boete wordt opgelegd. De maximumboete die kan worden
                            opgelegd, is neergelegd in artikel 13, vierde lid van de verordening. Op
                            grond van artikel 32 van de wet moet in de boetebeschikking een nieuwe
                            termijn worden vastgesteld waarbinnen de inburgeringsplichtige alsnog
                            het inburgeringsexamen moet behalen. Als de inburgeringsplichtige ook
                            binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet heeft behaald,
                            maakt het derde lid van dit artikel het mogelijk dat een hogere boete
                            wordt vastgesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 34, aanhef en
                            onder d. van de wet bedraagt het wettelijk maximum van deze boete €
                            1.000,00. Ook in dit geval zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn
                            moeten worden opgenomen, waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                            inburgeringsexamen moet behalen.</al><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn het
                            inburgeringsexamen niet heeft behaald, kan op grond van het derde lid
                            van dit artikel wederom een hogere bestuurlijke boete worden opgelegd.
                            De maximumboete van € 1.000,00 bij herhaalde toepassing van dit derde
                            lid geldt ook voor alle hierop volgende overschrijdingen van termijnen
                            door de inburgeringsplichtige.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Aanbieding voorziening aan vrijwillige inburgeraars</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Aanwijzen van de doelgroepen</titel></kop><al>Op grond van artikel 24a, vijfde lid, aanhef en onder a. van de wet moet
                            de gemeenteraad bij verordening regels stellen met betrekking tot de
                            procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan vrijwillige inburgeraars en de criteria die daarbij worden
                            gehanteerd.</al><al>Dit artikel vormt de uitwerking daarvan en regelt de groepen vrijwillige
                            inburgeraars waaraan het college <cursief>bij voorrang</cursief> een
                            voorziening kan aanbieden. In het tweede lid is geregeld dat het college
                            de ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook een voorziening aan te
                            bieden aan vrijwillige inburgeraars die niet behoren tot de groepen die
                            in het eerste lid van dit artikel met name zijn genoemd.</al><al/><al> Om te voorkomen dat vrijwillige inburgeraars die behoren tot de in dit
                            artikel vermelde groepen aan deze aanwijzing recht kunnen ontlenen op
                            het krijgen van een aanbod, is in dit artikel vastgelegd dat het college
                            aan de desbetreffende groepen bij voorrang een voorziening
                                <cursief>kan</cursief> aanbieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Samenstelling en afstemming voorziening</titel></kop><al>In artikel 24a, vijfde lid, aanhef en onder b van de wet is bepaald dat
                            in de verordening regels dienen te worden gesteld met betrekking tot de
                            vaststelling door het college van een passende (duale)
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, met inbegrip van de
                            totstandkoming en samenstelling van de inburgeringsvoorziening.</al><al>Zie verder de toelichting bij artikel 5 van de verordening die, met
                            inachtneming van het terzake bepaalde in § 3 van de wet, voor wat
                            betreft vrijwillige inburgeraars op dit artikel van overeenkomstige
                            toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Voorziening in de vorm van een persoonlijk
                                inburgeringsbudget</titel></kop><al>Op grond van artikel 24a, tweede lid van de wet kan het college de
                            voorziening aanbieden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget,
                            als de vrijwillig inburgeraar daarom schriftelijk verzoekt.</al><al>Op grond van artikel 24a, vijfde lid van de wet moet de gemeenteraad bij
                            verordening regels stellen over de procedure die door het college wordt
                            gevolgd bij het behandelen van verzoeken om een persoonlijk
                            inburgeringsbudget door een vrijwillige inburgeraar en de criteria die
                            worden gehanteerd bij het toekennen van een persoonlijk
                            inburgeringsbudget aan de desbetreffende persoon.</al><al/><al>Zie verder de toelichting bij artikel 7 van de verordening die, met
                            inachtneming van het terzake bepaalde in § 3 van de wet, voor wat
                            betreft vrijwillige inburgeraars op dit artikel van overeenkomstige
                            toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inning eigen bijdrage vrijwillige inburgeraar</titel></kop><al>Op grond van artikel 24e, eerste lid van de wet is de vrijwillige
                            inburgeraar met wie een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening
                            is overeengekomen, een eigen bijdrage verschuldigd. De hoogte van de
                            eigen bijdrage is in de wet vastgelegd en bedraagt € 270,00. Ingevolge
                            artikel 23, tweede lid van de wet kan dit bedrag bij algemene maatregel
                            van bestuur worden gewijzigd.</al><al/><al>In artikel 24f van de wet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening
                            regels moet stellen over de inning van de eigen bijdrage door het
                            college en de mogelijkheid van betaling in termijnen door de vrijwillige
                            inburgeraar. In het eerste lid, onder a. van artikel 18 is vastgelegd
                            dat de eigen bijdrage in ten hoogste tien termijnen door de vrijwillige
                            inburgeraar aan de gemeente kan worden betaald. In het eerste lid, onder
                            b. van artikel 18 is geregeld dat het college in de overeenkomst tot
                            vaststelling van de voorziening de termijnen en wijze van betaling van
                            de eigen bijdrage door de vrijwillige inburgeraar vastlegt.</al><al/><al>Op grond van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel is de
                            vrijwillige inburgeraar met wie een voorziening is overeengekomen en die
                            op last van het college, dan wel op last van een andere instantie als
                            bedoeld in artikel 21, tweede lid van de wet, een gecombineerde
                            voorziening als bedoeld in artikel 24b, eerste lid van de wet dient te
                            volgen, geen eigen bijdrage verschuldigd. Dit is in overeenstemming met
                            het terzake bepaalde in artikel 24e, derde lid van de wet.</al><al/><al>Gemeenten hebben de mogelijkheid om prestaties te belonen, bijvoorbeeld
                            in de vorm van een bonus, indien een vrijwillige inburgeraar aan het
                            inburgeringsexamen of staatsexamen heeft deelgenomen en/of daarvoor
                            geslaagdis. Dit kan in de overeenkomst worden opgenomen.</al><al> Gedacht kan hierbij worden aan al dan niet gelijktijdige restitutie bij
                            deelname aan en/of slagen voor het inburgeringsexamen of het
                            staatsexamen van (een deel van) de op grond van de wet verschuldigde
                            eigen bijdrage bij die personen op wie de betaling van deze eigen
                            bijdrage van toepassing is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Verplichtingen en overeenkomsten vrijwillige inburgeraars</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>In dit artikel zijn de verplichtingen voor een vrijwillige inburgeraar
                            neergelegd die het college kan opnemen in de overeenkomst met een
                            vrijwillige inburgeraar. Het gaat om dezelfde verplichtingen als de
                            verplichtingen die het college op grond van het bepaalde in artikel 9
                            van deze verordening in de beschikking kan opnemen waarmee een
                            voorziening voor een inburgeringsplichtige wordt vastgesteld. Zie verder
                            de toelichting bij artikel 9 die, met inachtneming van het terzake
                            bepaalde in § 3 van de wet, voor wat betreft vrijwillige inburgeraars op
                            dit artikel van overeenkomstige toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud overeenkomst</titel></kop><al>In dit artikel is geregeld dat de overeenkomst met de vrijwillige
                            inburgeraar op basis van de toekenning van een voorziening dezelfde
                            onderwerpen bevat als de inhoud van het besluit tot vaststelling van een
                            voorziening voor inburgeringsplichtigen zoals vastgelegd in artikel 10
                            van deze verordening. Uitzondering hierop vormt het bepaalde onder g.
                            van artikel 10. Zie verder de toelichting bij artikel 10 die, met
                            inachtneming van het terzake bepaalde in § 3 van de wet, voor wat
                            betreft vrijwillige inburgeraars op dit artikel van overeenkomstige
                            toepassing is.</al><al/><al>De term ‘indien van toepassing’ onder f. heeft betrekking op de
                            vrijwillige inburgeraar die zelfstandig in de algemene kosten van het
                            bestaan kan voorzien en op wie het bepaalde in artikel 24e, eerste lid
                            van de wet (het zijn van uitkeringsgerechtigde) op grond daarvan niet
                            van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Sancties bij niet of in onvoldoende mate nakoming van de
                                overeenkomst</titel></kop><al>In artikel 24f van de wet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening
                            regels stelt over de niet-nakoming van de overeenkomst door de
                            vrijwillige inburgeraar. Met inachtneming hiervan zijn in dit artikel de
                            sancties opgenomen die het college kan toepassen als de vrijwillige
                            inburgeraar de verplichtingen zoals neergelegd in de overeenkomst niet
                            of in onvoldoende mate nakomt. De in het artikel onder a. en b. vermelde
                            sancties komen overeen met de boetebepalingen voor
                            inburgeringsplichtigen zoals vermeld in de artikelen 13 en 14 van deze
                            verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Vaststelling identiteit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Vaststelling identiteit inburgeringsplichtigen en vrijwillige
                                inburgeraars</titel></kop><al>Artikel 24f van de wet draagt de gemeenteraad op om bij verordening
                            regels te stellen over het vaststellen van de identiteit van de
                            vrijwillige inburgeraar. In artikel 27 van de wet is bepaald dat het
                            college de identiteit van de inburgeringsplichtigen vaststelt. Dit
                            artikel is een uitwerking hiervan en spreekt verder voor zich.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering verordening</titel></kop><al>Dat een college is belast met de uitvoering van de verordening zoals
                            vastgelegd in het eerste lid van dit artikel is wettelijk bepaald. Met
                            inachtneming van het gemeentelijke mandaatbesluit kan het college deze
                            bevoegdheid mandateren aan gemeenteambtenaren, zulks onder eventueel
                            nader door het college te stellen regels en onder behoud van de
                            verantwoordelijkheid van het college van de door de gemeenteambtenaren
                            terzake namens het college genomen besluiten.</al><al/><al> Voor een juiste uitvoering van de verordening kan het noodzakelijk zijn
                            dat nadere uitvoeringsbesluiten moeten worden genomen. Op grond van het
                            bepaalde in het tweede lid van dit artikel heeft het college de
                            bevoegdheid om dergelijke besluiten te nemen, in gevallen waarin de
                            verordening niet voorziet. Het spreekt voor zich dat de gemeenteraad,
                            bij toepassing van dit lid, van de vaststelling door het college van de
                            nadere besluiten in kennis wordt gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan op grond van dit artikel, in niet krachtens deze
                            verordening voorziene situaties en voor zover toepassing van deze
                            verordening tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, op
                            individuele basis naar bevind van zaken handelen en beslissen. Aan het
                            desbetreffende van de verordening afwijkende besluit van het college
                            dient een op de individuele situatie afgestemde motivering ten grondslag
                            te liggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Verslaglegging</titel></kop><al>De termijn van twee jaar zoals in dit artikel vastgelegd stemt overeen
                            met het bepaalde in artikel 2, vierde lid van deze verordening, waarbij
                            is geregeld dat het college eenmaal per twee jaar de doeltreffendheid en
                            doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                            inburgeringsplichtigen en de vrijwillige inburgeraars beoordeelt en
                            daarover aan de raad rapporteert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Op grond van de aard en strekking van deze verordening, kan geen
                            terugwerkende kracht aan de datum van inwerkingtreding van deze
                            verordening worden gegeven.</al><al/><al>Alvorens een verordening algehele werking verkrijgt, dient, voorafgaande
                            aan de datum van inwerkingtreding, in voldoende mate mededeling van de
                            vaststelling door de gemeenteraad van de desbetreffende verordening
                            (i.c. melding hiervan in Dinkelland Visie) te worden gedaan.</al><al/><al>Met inachtneming van het vorenstaande is de datum van inwerkingtreding
                            van deze verordening op 1 augustus 2011 gesteld.</al><al>Gelijktijdig met de datum van inwerkingtreding van deze verordening
                            vervalt de op 17 april 2007 door de gemeenteraad vastgestelde
                            Verordening inburgering gemeente Dinkelland. Het tweede lid van dit
                            artikel voorziet hierin.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Het jaartal 2011 (het jaar van besluitvorming van deze nieuwe
                            verordening) is aan de titel van deze verordening toegevoegd om deze te
                            kunnen onderscheiden van de ‘Verordening inburgering gemeente
                            Dinkelland’, zoals deze op 17 april 2007 door de gemeenteraad is
                            vastgesteld.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>