<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR107906_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Gemeenschappelijke Regeling Belastingkantoor AMG</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Infopagina 30-06-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Gemeenschappelijke Regeling Belastingkantoor</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Gemeenschappelijke Regelingen, art. 61</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-06-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Collegebesluit 22-06-2010</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Op 11 februari 2010 verleende de Raad zijn toestemming</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Gemeenschappelijke Regeling Belastingkantoor AMG</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Belastingsamenwerking Aa en Maas – Boekel – Deurne – Oss – Uden -
                        Veghel</vet></al><al><vet>Gemeenschappelijke Regeling</vet></al><al><vet>Belastingkantoor AMG</vet></al><al><vet>Gemeenschappelijke Regeling Belastingkantoor AMG</vet></al><al>Het dagelijks bestuur van het Waterschap Aa en Maas en de colleges van
                        burgemeester en wethouders van de gemeenten Boekel, Deurne, Oss, Uden en
                        Veghel, </al><al><vet>Overwegende dat </vet></al><lijst><li nr="-"><al>het uit overwegingen van kwaliteit, continuïteit en efficiency
                                gewenst is om hun samenwerking bij de beleidsvoorbereiding,
                                heffing en invordering van waterschapsbelastingen en
                                gemeentelijke belastingen, alsmede bij de uitvoering van de Wet
                                waardering onroerende zaken en het beheer en de uitvoering van
                                vastgoedinformatie vorm te geven op basis van een
                                gemeenschappelijke regeling; </al></li><li nr="-"><al>het dagelijks bestuur en de colleges van burgemeester en
                                wethouders van hun algemeen bestuur, respectievelijk
                                gemeenteraden daartoe de vereiste toestemming hebben verkregen;
                            </al></li><li nr="-"><al>het voornemen bestaat om met ingang van 1 juli 2011 of zoveel
                                eerder als mogelijk de samenwerking operationeel te hebben en de
                                taken daadwerkelijk gezamenlijk te gaan uitvoeren; </al></li></lijst><al>Gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, de
                        Waterschapswet, de Wet dualisering gemeentebestuur, de Wet waardering
                        onroerende zaken en het Reglement voor het Waterschap Aa en Maas 2008, </al><al><vet>Besluiten </vet></al><al>De navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen:</al><al><vet>Gemeenschappelijke Regeling Belastingkantoor AMG,</vet></al><al>die luidt als volgt.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>algemeen bestuur: het algemeen bestuur van het
                                    samenwerkingsverband;</al></li><li nr="b."><al>ambtenaar van het samenwerkingsverband: de door het dagelijks
                                    bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als
                                    bedoeld in artikel 232, vierde lid onder c, van de Gemeentewet
                                    respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder c, van de
                                    Waterschapswet, bevoegd tot heffing of invordering van
                                    belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende
                                    zaken;</al></li><li nr="c."><al>belastingdeurwaarder: de door het dagelijks bestuur aangewezen
                                    ambtenaar van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel
                                    232, vierde lid onder d, van de Gemeentewet respectievelijk
                                    artikel 124, vijfde lid onder d, van de Waterschapswet, dan wel
                                    als een belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder,
                                    bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet;</al></li><li nr="d."><al>belastingen: de onder m en w genoemde belastingen;</al></li><li nr="e."><al>belastingverordening: de verordeningen van de deelnemers tot
                                    heffing en invordering van belasting als bedoeld in artikel 216
                                    van de Gemeentewet en artikel 110 van de Waterschapswet;</al></li><li nr="f."><al>beleidsregels: beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde
                                    lid, en titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht op het
                                    gebied van de heffing en invordering van belastingen en de
                                    uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken;</al></li><li nr="g."><al>colleges: het dagelijks bestuur van het Waterschap Aa en Maas en
                                    de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten
                                    Boekel, Deurne, Oss, Uden en Veghel;</al></li><li nr="h."><al>dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het
                                    samenwerkingsverband;</al></li><li nr="i."><al>deelnemende gemeenten: de gemeenten Boekel, Deurne, Oss, Uden en
                                    Veghel;</al></li><li nr="j."><al>deelnemers: de rechtspersonen waartoe de colleges behoren, als
                                    bedoeld in artikel 1:1, vierde lid, van de Algemene wet
                                    bestuursrecht;</al></li><li nr="k."><al>directeur: de door het algemeen bestuur van het
                                    samenwerkingsverband benoemde secretaris, die tevens de
                                    bestuurder in de zin van Wet op de ondernemingsraden is;</al></li><li nr="l."><al>gedeputeerde staten: Gedeputeerde staten van Noord-Brabant;</al></li><li nr="m."><al>gemeentelijke belastingen: de belastingen die de gemeente heft
                                    en waarvan de heffing en invordering op grond van artikel 35 of
                                    36 is overgedragen aan het samenwerkingsverband;</al></li><li nr="n."><al>heffingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur aangewezen
                                    ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel
                                    232, vierde lid onder a, van de Gemeentewet respectievelijk
                                    artikel 124, vijfde lid onder a, van de Waterschapswet, bevoegd
                                    tot heffing van belastingen en tot uitvoering van de Wet
                                    waardering onroerende zaken;</al></li><li nr="o."><al>invorderingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur aangewezen
                                    ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel
                                    232, vierde lid onder b, van de Gemeentewet respectievelijk
                                    artikel 124, vijfde lid onder b, van de Waterschapswet, bevoegd
                                    tot invordering van belastingen;</al></li><li nr="p."><al>kwijtscheldingsregels: de door de vertegenwoordigende organen
                                    van de deelnemers vastgestelde regels als bedoeld in artikel
                                    255, derde en vierde lid, van de Gemeentewet respectievelijk
                                    artikel 144, derde en vierde lid, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="q."><al>nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet
                                    inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de
                                    belastingverordening;</al></li><li nr="r."><al>regeling: de Gemeenschappelijke Regeling Belastingkantoor
                                    AMG;</al></li><li nr="s."><al>reglement: het Reglement voor het Waterschap Aa en Maas
                                    2008;</al></li><li nr="t."><al>samenwerkingsverband: het Openbaar Lichaam Belastingkantoor
                                    AMG;</al></li><li nr="u."><al>vertegenwoordigende organen: het algemeen bestuur van het
                                    Waterschap Aa en Maas en de raden van de deelnemende
                                    gemeenten;</al></li><li nr="v."><al>voorzitter: de voorzitter van het samenwerkingsverband;</al></li><li nr="w."><al>waterschapsbelastingen: de belastingen die het Waterschap Aa en
                                    Maas heft als bedoeld in artikel 113 van de Waterschapswet;</al></li><li nr="x."><al>wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Het openbaar lichaam</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Het openbaar lichaam</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij deze regeling wordt een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar
                                lichaam ingesteld, genaamd Openbaar lichaam Belastingkantoor
                                AMG.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het samenwerkingsverband is gevestigd te Oss.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Belang</titel></kop><al>In het kader van deze regeling worden de belangen van de deelnemers
                            behartigd, elk voor zover het hun grondgebied en hun belangen betreft,
                            op het gebied van:</al><lijst><li nr="a."><al>de heffing en invordering van belastingen;</al></li><li nr="b."><al>de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, waaronder
                                    tevens wordt begrepen de administratie van vastgoedgegevens op
                                    basis van die wet en het verstrekken van vastgoedgegevens aan de
                                    deelnemers en derden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>Inrichting en samenstelling van het bestuur</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1:</nr><titel>Het bestuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Bestuur</titel></kop><al>Het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit een algemeen
                                bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Hoofd van het samenwerkingsverband</titel></kop><al>Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het
                                samenwerkingsverband. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2:</nr><titel>Algemeen bestuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur bestaat uit zoveel leden als er deelnemers
                                    zijn. Ieder lid van het algemeen bestuur heeft één stem.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Elk van de colleges van de deelnemers wijst uit zijn midden een
                                    lid aan dat hem in het algemeen bestuur vertegenwoordigt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor de duur
                                    van de zittingsperiode van de colleges van de deelnemers.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien tussentijds binnen het algemeen bestuur een plaats vacant
                                    of beschikbaar komt, wijst het college van de deelnemer die het
                                    aangaat in zijn eerstvolgende vergadering, of, als dit niet
                                    mogelijk is, ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van
                                    het algemeen bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip
                                    waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten
                                    aftreden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag
                                    nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan de deelnemer die het
                                    aangaat. De betreffende deelnemer doet mededeling van het
                                    ontslag aan het algemeen bestuur. Het lid houdt zitting in het
                                    algemeen bestuur totdat in de opvolging is voorzien.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor ieder lid van het algemeen bestuur wordt tevens een
                                    plaatsvervangend lid aangewezen door het college van de
                                    deelnemer die het lid heeft aangewezen. Op het plaatsvervangend
                                    lid zijn het derde tot en met het zesde lid alsmede artikel 20
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Reglement van orde</titel></kop><al>Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere
                                werkzaamheden een reglement van orde vast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks ten minste twee maal en
                                    voorts zo vaak als daartoe besloten is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts vergadert het algemeen bestuur indien de voorzitter of
                                    het dagelijks bestuur het nodig oordeelt of indien ten minste
                                    een vijfde van het aantal leden waaruit het algemeen bestuur
                                    bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom
                                    verzoekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het algemeen bestuur vergadert binnen twee weken na een conform
                                    het tweede lid ingediend verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Oproeping</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Oproeping</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering
                                    op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tegelijkertijd met de oproeping brengt de voorzitter dag,
                                    tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De
                                    agenda en de daarbij behorende voorstellen worden tegelijkertijd
                                    met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te
                                    geven wijze ter inzage gelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>Quorum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergadering van het algemeen bestuur wordt niet geopend
                                    voordat uit de presentielijst blijkt dat meer dan de helft van
                                    het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden
                                    geopend, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit
                                    artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten
                                    minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is
                                    gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid
                                    niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere
                                    aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid
                                    niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of
                                    besluiten, indien uit de presentielijst is gebleken dat meer dan
                                    de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>Vergaderorde</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de
                                    vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze
                                    door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere
                                    toehoorders te doen vertrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de
                                    vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang
                                    tot de vergadering te ontzeggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hij kan het algemeen bestuur voorstellen aan een lid dat door
                                    zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het
                                    verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het
                                    voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat
                                    het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter
                                    hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid
                                    bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de
                                    vergadering worden ontzegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>Belangenverstrengeling</titel></kop><lid><lidnr/><al>1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:4 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht neemt een lid van het algemeen bestuur niet deel
                                    aan een stemming over:</al><lijst><li nr="a."><al>een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk
                                            persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger
                                            is betrokken;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling of goedkeuring der rekening van een
                                            lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks
                                            bestuur hij behoort.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen
                                            aan de stemming verstaan het inleveren van een
                                            stembriefje.</al></li><li nr="3."><al>Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij
                                            behoort tot de personen tot wie de keuze door een
                                            voordracht of bij een herstemming is beperkt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:</nr><titel>Stemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het
                                    aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan
                                    de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een
                                    benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen
                                    ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op
                                    grond van dat lid niet geldig was;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in een vergadering als bedoeld in artikel 10, tweede lid, voor
                                    zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande,
                                    ingevolge artikel 10, eerste lid, niet geopende vergadering aan
                                    de orde waren gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:</nr><titel>Besluitvorming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de
                                    volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben
                                    uitgebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van
                                    een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld
                                    stembriefje.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:</nr><titel>Stemmen over personen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:</nr><titel>Stemmen over personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De stemming over personen voor het doen van benoemingen,
                                    voordrachten of aanbevelingen geschiedt bij gesloten en
                                    ongetekende stembriefjes.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een
                                    voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde
                                    vergadering een herstemming gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist
                                    terstond het lot.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:</nr><titel>Overige stemmingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping,
                                    indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat
                                    geval geschieden zij mondeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid
                                    dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden
                                    verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het
                                    aangenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van
                                    stemmen het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende
                                    vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden
                                    heropend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een
                                    ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het
                                    voorstel niet aangenomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering
                                    waarin alle leden waaruit het algemeen bestuur bestaat, voor
                                    zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten
                                    onthouden, een stem hebben uitgebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:</nr><titel>Openbaarheid vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De
                                    deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de
                                    aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig
                                    oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met
                                    gesloten deuren zal worden vergaderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de vergadering van het algemeen bestuur kan slechts worden
                                    beraadslaagd en besloten indien ten minste de helft van het
                                    aantal leden aanwezig is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de
                                    voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een
                                    vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur
                                    na het bezorgen van de oproeping is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergadering, bedoeld in het derde lid, is het tweede lid
                                    niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere
                                    aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was
                                    belegd, alleen beraadslagen of besluiten indien ten minste de
                                    helft van het aantal leden tegenwoordig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:</nr><titel>Besluitvorming in besloten vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch
                                    een besluit worden genomen, ter zake van de begroting, de
                                    wijzigingen daarvan en de jaarrekening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een besloten vergadering kan evenmin worden beraadslaagd,
                                    noch een besluit worden genomen, over het ontslag van leden van
                                    het dagelijks bestuur en de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen ter
                                    zake van:</al><lijst><li nr="a."><al>het aangaan van geldleningen, het uitlenen van gelden en
                                            het aangaan van rekening-courantovereenkomsten;</al></li><li nr="b."><al>het kopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en verpanden
                                            van eigendommen;</al></li><li nr="c."><al>het doen van een uitgaaf voordat de begroting of de
                                            begrotingswijziging waarbij deze uitgaaf is geraamd, is
                                            goedgekeurd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:</nr><titel>Onschendbaarheid</titel></kop><al>De leden van het bestuur van het samenwerkingsverband en andere
                                personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte
                                worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht
                                getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van
                                het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de
                                vergadering van het algemeen bestuur hebben gezegd of aan het
                                algemeen bestuur schriftelijk hebben overlegd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:</nr><titel>Ontslag</titel></kop><al>Het college van de deelnemer kan het door hem in het algemeen
                                bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het
                                vertrouwen van het betreffende college niet langer bezit. Op het
                                ontslagbesluit is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet
                                van toepassing. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3:</nr><titel>Dagelijks bestuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:</nr><titel>Samenstelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee andere
                                    door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen leden, waarbij de
                                    voorzitter of een van de leden het door het Waterschap Aa en
                                    Maas aangewezen lid van het algemeen bestuur dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt
                                    tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of
                                    beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk
                                    een nieuw lid aan met inachtneming van het bepaalde in het
                                    eerste lid. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks
                                    bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het
                                    algemeen bestuur, dan wordt het aanwijzen van een nieuw lid in
                                    het dagelijks bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats
                                    in het algemeen bestuur is bezet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22:</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur vergadert zo vaak de voorzitter het nodig
                                    oordeelt of ten minste één lid daar de voorzitter om
                                    verzoekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet
                                    openbaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ieder lid heeft één stem.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur besluit bij volstrekte meerderheid van
                                    stemmen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn
                                    vergaderingen vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23:</nr><titel>Ontslag</titel></kop><al>Het algemeen bestuur kan een of meer leden van het dagelijks
                                bestuur, met uitzondering van de voorzitter, ontslag verlenen,
                                indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer
                                bezitten. Op het ontslagbesluit zijn de artikelen 4:8 en 7:1 van de
                                Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4:</nr><titel>Voorzitter</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24:</nr><titel>Aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur
                                    aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien
                                    deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op
                                    het ontslagbesluit zijn de artikelen 4:8 en 7:1 van de Algemene
                                    wet bestuursrecht niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Uit de andere leden als bedoeld in artikel 21, eerste lid wordt
                                    een plaatsvervangend voorzitter aangewezen door het algemeen
                                    bestuur. Het tweede lid is niet van toepassing op de
                                    plaatsvervangend voorzitter.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5:</nr><titel>Secretaris</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25:</nr><titel>Benoeming, schorsing en ontslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris wordt door het algemeen bestuur benoemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bevoegdheid tot schorsing of ontslag van de secretaris berust
                                    bij het algemeen bestuur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur tot schorsing
                                    overgaan. Het doet daarvan terstond mededeling aan het algemeen
                                    bestuur. De schorsing vervalt indien het algemeen bestuur haar
                                    niet bekrachtigt in een, binnen acht weken na de datum van het
                                    schorsingsbesluit gehouden, vergadering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26:</nr><titel>Taak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur
                                    en de voorzitter ter zijde bij de uitoefening van hun taak. Hij
                                    is aanwezig in de vergadering van het algemeen bestuur en van
                                    het dagelijks bestuur. Hij ondertekent de stukken die van het
                                    algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan, mede.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris staat, als directeur, aan het hoofd van de
                                    ambtelijke organisatie van het samenwerkingsverband.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27:</nr><titel>Vervanging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur regelt de vervanging van de
                                    secretaris.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 25, tweede en derde lid en artikel 26 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing op degene die de secretaris
                                    vervangt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6:</nr><titel>Ambtenaren van het samenwerkingsverband</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28:</nr><titel>Algemene bepaling</titel></kop><al>Het samenwerkingsverband heeft een of meer heffingsambtenaren,
                                invorderingsambtenaren, ambtenaren van het samenwerkingsverband en
                                belastingdeurwaarders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29:</nr><titel>Heffingsambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen als
                                    bedoeld in artikel 1, onder d en de Wet waardering onroerende
                                    zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de
                                    Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990,
                                    de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de
                                    Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet
                                    waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de inspecteur,
                                    respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de
                                    deelnemers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste
                                    lid neemt de heffingsambtenaar de nadere regels van het
                                    dagelijks bestuur in acht en houdt hij rekening met de
                                    beleidsregels die het dagelijks bestuur heeft geformuleerd ter
                                    zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30:</nr><titel>Invorderingsambtenaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De invorderingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen als
                                    bedoeld in artikel 1, onder d de bevoegdheden en verplichtingen
                                    die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de
                                    Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen,
                                    de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de
                                    Waterwet zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de
                                    ambtenaar belast met de invordering van de deelnemers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De invorderingsambtenaar beslist niet tot het voeren van een
                                    executieprocedure in eerste aanleg en niet tot het instellen van
                                    hoger beroep en cassatie, dan nadat hij het dagelijks bestuur
                                    van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste
                                    en tweede lid neemt de invorderingsambtenaar de
                                    kwijtscheldingsregels van de desbetreffende deelnemer en de
                                    nadere regels van het dagelijks bestuur in acht, alsmede houdt
                                    hij rekening met de beleidsregels van het dagelijks bestuur ter
                                    zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31:</nr><titel>Ambtenaar van het samenwerkingsverband</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar van het samenwerkingsverband heeft ter zake van de
                                    belastingen als bedoeld in artikel 1, onder d en de Wet
                                    waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen
                                    die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de
                                    Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen,
                                    de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de
                                    Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend
                                    aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, respectievelijk
                                    de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de
                                    deelnemers als bedoeld in artikel 231, tweede lid onder d, van
                                    de Gemeentewet en artikel 123, derde lid onder d, van de
                                    Waterschapswet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste
                                    lid neemt de ambtenaar van het samenwerkingsverband de nadere
                                    regels van het dagelijks bestuur in acht, alsmede houdt hij
                                    rekening met de beleidsregels van het dagelijks bestuur ter zake
                                    van de uitoefening van zijn bevoegdheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32:</nr><titel>Belastingdeurwaarder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belastingdeurwaarder heeft ter zake van de belastingen als
                                    bedoeld in artikel 1, onder d de bevoegdheden en verplichtingen
                                    die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de
                                    Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen,
                                    de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de
                                    Waterwet zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste
                                    lid neemt de belastingdeurwaarder de nadere regels van het
                                    dagelijks bestuur in acht en houdt hij rekening met de
                                    beleidsregels die het dagelijks bestuur heeft geformuleerd ter
                                    zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7:</nr><titel>Ombudsfunctie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33:</nr><titel>Ombudsfunctie</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1a van de Wet Nationale
                                ombudsman is de Nationale ombudsman als bedoeld in artikel 2 van de
                                Wet Nationale ombudsman bevoegd verzoekschriften als bedoeld in
                                artikel 9:18 van de Algemene wet bestuursrecht te behandelen. </al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3:</nr><titel>Bevoegdheden van het samenwerkingsverband</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1:</nr><titel>Bevoegdheden van het bestuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34:</nr><titel>Bevoegdheden</titel></kop><al>Het bestuur van het samenwerkingsverband is bevoegd tot regeling en
                                bestuur ter behartiging van die belangen die aan het
                                samenwerkingsverband zijn opgedragen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35:</nr><titel>Overdracht bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het samenwerkingsverband wordt de bevoegdheid tot heffing en
                                    invordering van de volgende gemeentelijke belastingen
                                    overgedragen door de colleges van de deelnemende gemeenten, voor
                                    zover de deelnemer de betreffende belasting kent:</al><lijst><li nr="a."><al>onroerende-zaakbelasting;</al></li><li nr="b."><al>rioolheffing;</al></li><li nr="c."><al>afvalstoffenheffing;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur van het Waterschap Aa en Maas draagt aan
                                    het samenwerkingsverband de bevoegdheid tot heffing en
                                    invordering van alle door het algemeen bestuur van het
                                    Waterschap Aa en Maas op of voor 1 oktober 2009 ingestelde
                                    waterschapsbelastingen over, voor zover deze
                                    waterschapsbelastingen later niet zijn opgeheven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het
                                    samenwerkingsverband over de uitvoering van de Wet waardering
                                    onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36:</nr><titel>Additionele overdracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van een deelnemende gemeente kan de bevoegdheid tot
                                    heffing en invordering van andere gemeentelijke belastingen dan
                                    bedoeld in artikel 35 overdragen aan het
                                    samenwerkingsverband.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur neemt hetgeen op grond van het vorige lid
                                    is overgedragen, op in een bijlage bij de gemeenschappelijke
                                    regeling en zendt deze ter kennisname aan de colleges van de
                                    deelnemers en aan gedeputeerde staten.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2:</nr><titel>Bevoegdheden van het algemeen bestuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37:</nr><titel>Algemene bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 66 van de wet berust de in
                                    artikel 34 omschreven bevoegdheid bij het algemeen bestuur, voor
                                    zover deze niet bij of krachtens de wet of algemene maatregel
                                    van bestuur, het Reglement of deze regeling is toegekend aan het
                                    dagelijks bestuur of de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur maakt de verordeningen die het nodig
                                    oordeelt voor de behartiging van de belangen die het
                                    samenwerkingsverband zijn opgedragen, met inachtneming van het
                                    bepaalde in de artikelen 35 en 36.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het algemeen bestuur regelt de bezoldiging van de ambtenaren van
                                    het samenwerkingsverband.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38:</nr><titel>Overdracht van bevoegdheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur bevoegdheden
                                    van het algemeen bestuur overdragen, tenzij de aard van de
                                    bevoegdheid zich tegen overdracht verzet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur kan het dagelijks bestuur niet overdragen
                                    de bevoegdheid tot:</al><lijst><li nr="a."><al>het vaststellen of wijzigen van de begroting;</al></li><li nr="b."><al>het vaststellen van de jaarrekening;</al></li><li nr="c."><al>het vaststellen van regels met betrekking tot de
                                            organisatie van de administratie en het beheer van
                                            vermogenswaarden van het samenwerkingsverband;</al></li><li nr="d."><al>het vaststellen van regels met betrekking tot de
                                            controle op de administratie en het beheer van
                                            vermogenswaarden van het samenwerkingsverband.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39:</nr><titel>Inlichtingen en verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een lid van het algemeen bestuur geeft het college van de
                                    deelnemer die hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door
                                    één of meer leden van dat college worden gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een lid van het algemeen bestuur kan door het college van de
                                    deelnemer dat hem heeft aangewezen, ter verantwoording worden
                                    geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde
                                    beleid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een verzoek om inlichtingen te verschaffen en/of verantwoording
                                    af te leggen kan uitsluitend worden geweigerd indien dit in
                                    strijd zal zijn met de belangen genoemd in artikel 10 van de Wet
                                    openbaarheid van bestuur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van de vertegenwoordigende organen van de
                                    deelnemers.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is van overeenkomstige
                                    toepassing op plaatsvervangende leden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het algemeen bestuur geeft de vertegenwoordigende organen van de
                                    deelnemers mondeling of schriftelijk de door een of meer leden
                                    gevraagde inlichtingen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3:</nr><titel>Bevoegdheden van het dagelijks bestuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40:</nr><titel>Bevoegdheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur is belast met de dagelijkse
                                    aangelegenheden van het samenwerkingsverband.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van al
                                    hetgeen in de vergadering van het algemeen bestuur ter
                                    overweging en beslissingen moet worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de
                                    beslissingen van het algemeen bestuur, tenzij bij de regeling of
                                    bij of krachtens de wet de voorzitter hiermee is belast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het
                                    voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en
                                    doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van
                                    recht of bezit.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur is bevoegd, tenzij het algemeen bestuur
                                    daaromtrent in voorkomende gevallen een beslissing heeft
                                    genomen, tot het procederen in kort geding en tot voeging in
                                    strafzaken als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van
                                    Strafvordering.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur is bevoegd, indien ingevolge wettelijk
                                    voorschrift aan de gemeente of aan het gemeentebestuur
                                    respectievelijk het waterschap of aan het waterschapsbestuur
                                    hetzij een recht van beroep hetzij een recht bezwaar te maken
                                    toekomt, om spoedshalve beroep in te stellen of bezwaar te maken
                                    alsmede, voor zover de voorschriften dat toelaten, om schorsing
                                    van het aangevochten besluit of om een voorlopige voorziening
                                    ter zake te verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het ingestelde beroep of het gemaakte bezwaar wordt ingetrokken,
                                    indien het algemeen bestuur de beslissing van het dagelijks
                                    bestuur tot het instellen van beroep of het maken van bezwaar
                                    niet in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigt.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur beheert de inkomsten, uitgaven en het
                                    vermogen van het samenwerkingsverband.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur houdt een register bij van de
                                    belastingverordeningen waarvan de bestuursorganen van het
                                    samenwerkingsverband belast zijn met de heffing en invordering.
                                    In het register worden tevens de bij de die
                                    belastingverordeningen behorende kwijtscheldingsregelingen
                                    opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur oefent de bevoegdheden en verplichtingen
                                    uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet
                                    invordering rijksbelastingen, Hoofdstuk XV van de Gemeentewet,
                                    Hoofdstuk XVI van de Waterschapswet, Hoofdstuk 7 van de
                                    Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende
                                    zaken zijn toegekend aan de Minister van Financiën, het bestuur
                                    van ’s Rijksbelastingdienst en de directeur, respectievelijk de
                                    colleges, met inachtneming van het bepaalde in artikel 35 en
                                    36.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur is belast met het houden van toezicht op
                                    de uitoefening van de bevoegdheden door de heffingsambtenaar, de
                                    invorderingsambtenaar, de ambtenaar van het samenwerkingsverband
                                    en de belastingdeurwaarder.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur is bevoegd tot aanwijzing van een of meer
                                    ambtenaren als bedoeld in de artikelen 29 tot en met 30. </al></lid><lid><lidnr>13.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het vaststellen van
                                    beleidsregels en het per geval of in het algemeen instructies
                                    geven ter zake van de uitoefening van bevoegdheden door de
                                    heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van
                                    het samenwerkingsverband onderscheidenlijk de
                                    belastingdeurwaarder voor de uitoefening van hun
                                    bevoegdheden.</al></lid><lid><lidnr>14.</lidnr><al> Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het stellen van nadere
                                    regels met betrekking tot de heffing en invordering van
                                    belastingen.</al></lid><lid><lidnr>15.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het geheel of gedeeltelijk
                                    oninbaar verklaren van de belasting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41:</nr><titel>Mandaat</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan mandaat verlenen aan een of meer leden
                                    van het dagelijks bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan tevens mandaat verlenen aan de
                                    secretaris, voor zover de aard van de bevoegdheid zich niet
                                    tegen mandatering verzet. Het dagelijks bestuur kan de
                                    secretaris toestaan ondermandaat te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42:</nr><titel>Inlichtingen en verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder
                                    afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording
                                    verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde
                                    bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zij geven het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door
                                    een of meer leden gevraagde inlichtingen voor zover het
                                    verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar
                                    belang.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur geeft de vertegenwoordigende organen van
                                    de deelnemers mondeling of schriftelijk de door een of meer
                                    leden gevraagde inlichtingen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4:</nr><titel>De taken bevoegdheden van de voorzitter</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43:</nr><titel>Taken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van
                                    het samenwerkingsverband.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij heeft de leiding van de vergaderingen van het algemeen
                                    bestuur en van het dagelijks bestuur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hij ondertekent alle stukken welke van het algemeen bestuur en
                                    het dagelijks bestuur uitgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44:</nr><titel>Bevoegdheden</titel></kop><al>De voorzitter vertegenwoordigt het samenwerkingsverband in en buiten
                                rechte. Indien de voorzitter aan een ander machtiging verleent tot
                                vertegenwoordiging, behoeft deze machtiging de instemming van het
                                dagelijks bestuur. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45:</nr><titel>Inlichtingen en verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording
                                    verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij geeft het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door
                                    een of meer leden gevraagde inlichtingen voor zover het
                                    verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar
                                    belang.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter geeft de vertegenwoordigende organen van de
                                    deelnemers mondeling of schriftelijk de door een of meer leden
                                    gevraagde inlichtingen.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4:</nr><titel>Het personeel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46:</nr><titel>Ambtelijke organisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het samenwerkingsverband heeft een ambtelijke organisatie, met aan
                                het hoofd een directeur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur is bevoegd rechtspositionele regelingen en
                                besluiten vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur is bevoegd de ambtenaren, niet zijnde de
                                directeur, te benoemen, te schorsen te ontslaan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5:</nr><titel>Financiën van het samenwerkingsverband</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1:</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47:</nr><titel>Kostentoerekening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt, als onderdeel van de begroting,
                                    jaarlijks de uitgangspunten voor de toerekening van de kosten
                                    vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kosten over het lopende kalenderjaar worden bij de deelnemers
                                    in rekening gebracht op basis van de door het algemeen bestuur
                                    voor het betreffende jaar, bij de begroting, vastgestelde
                                    uitgangspunten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt een verordening vast met daarin de
                                    richtlijnen voor de kostenverdeelsleutel zoals deze jaarlijks in
                                    de begroting wordt opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van artikel 14, eerste lid, wordt de verordening
                                    als bedoeld in het derde lid bij unanimiteit vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48:</nr><titel>Inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de
                                    jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig
                                    artikel 198 van de Gemeentewet en het Besluit begroting en
                                    verantwoording provincies en gemeenten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de administratie en controle is Hoofdstuk XIV van de
                                    Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2:</nr><titel>De begroting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49:</nr><titel>Begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor alle aan het samenwerkingsverband opgedragen taken brengt
                                    het algemeen bestuur jaarlijks op de begroting de bedragen die
                                    het daarvoor beschikbaar stelt, alsmede de van de deelnemers te
                                    ontvangen bijdragen en andere financiële middelen die naar
                                    verwachting kunnen worden aangewend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begroting bevat mede een bedrag voor onvoorziene
                                    uitgaven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De begroting moet in evenwicht zijn. Hiervan kan worden
                                    afgeweken indien aannemelijk is dat het evenwicht in de
                                    begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal zijn
                                    gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ten laste van het samenwerkingsverband kunnen slechts lasten en
                                    daarmee overeenstemmende balansmutaties worden genomen tot de
                                    bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50:</nr><titel>Ontwerpbegroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting zes weken
                                    voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de
                                    vertegenwoordigende organen van de deelnemers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor
                                    een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten
                                    algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de
                                    verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vertegenwoordigende organen van de deelnemers kunnen bij het
                                    dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar
                                    voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin
                                    deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze
                                    tijdig aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassingen op
                                    besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van
                                    die wijzigingen waarbij geen verandering wordt gebracht in de
                                    bijdragen van de deelnemers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51:</nr><titel>Vaststelling begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar
                                    voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. In afwijking van
                                    artikel 14, eerste lid, wordt de begroting met drie vierde
                                    meerderheid vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de
                                    vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar
                                    voorafgaande aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft,
                                    aan gedeputeerde staten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het algemeen bestuur zendt, zo nodig, de begroting aan de
                                    vertegenwoordigende organen van de deelnemers, die ter zake bij
                                    gedeputeerde staten hun zienswijzen naar voren kunnen
                                    brengen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk
                                    het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot
                                    wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen
                                    waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen van de
                                    deelnemers.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3:</nr><titel>Jaarrekening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52:</nr><titel>Jaarrekening en jaarverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur legt aan het algemeen bestuur over elk
                                    begrotingsjaar verantwoording af over het door hem gevoerde
                                    bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het
                                    jaarverslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde stukken liggen, zodra zij aan het
                                    algemeen bestuur zijn overgelegd, voor een ieder ter inzage en
                                    zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de
                                    verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. Het algemeen
                                    bestuur beraadslaagt over de jaarrekening en het jaarverslag
                                    niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag
                                    vast in het jaar volgende op het jaar waarop ze betrekking
                                    hebben. De jaarrekening betreft alle baten en lasten van het
                                    samenwerkingsverband.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien het algemeen bestuur tot het standpunt komt dat
                                    onrechtmatige totstandkoming van in de jaarrekening opgenomen
                                    baten, lasten of balansmutaties aan de vaststelling van de
                                    jaarrekening in de weg staat, brengt hij dit terstond ter kennis
                                    van het dagelijks bestuur met vermelding van de gerezen
                                    bedenkingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zendt het algemeen bestuur binnen twee
                                    maanden na ontvangst van het standpunt, bedoeld in het vierde
                                    lid, een voorstel voor een indemniteitsbesluit, vergezeld van
                                    een reactie op de bij het algemeen bestuur gerezen
                                    bedenkingen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien het dagelijks bestuur een voorstel voor een
                                    indemniteitsbesluit heeft gedaan, stelt het algemeen bestuur de
                                    jaarrekening niet vast dan nadat hij heeft besloten over het
                                    voorstel.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De leden van het dagelijks bestuur nemen niet deel aan
                                    stemmingen over besluiten als bedoeld in het derde, vierde en
                                    zesde lid. Hun plaatsvervangers zijn wel stemgerechtigd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de
                                    vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks
                                    bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel
                                    beheer.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na
                                    de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar
                                    volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft,
                                    aan gedeputeerde staten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53:</nr><titel>Garantstelling</titel></kop><al>De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het
                                samenwerkingsverband te allen tijde over voldoende middelen beschikt
                                om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. </al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6:</nr><titel>Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54:</nr><titel>Toetreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of het
                                dagelijks bestuur van een waterschap dat wenst toe te treden, dient
                                hiertoe een verzoek in bij het dagelijks bestuur van het
                                samenwerkingsverband. Het college van de desbetreffende gemeente of
                                het dagelijks bestuur van het desbetreffende waterschap voegt
                                hierbij het besluit tot toestemming van de gemeenteraad
                                respectievelijk het algemeen bestuur van het waterschap als bedoeld
                                in artikel 61, tweede lid van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband brengt het
                                verzoek ter kennis van het algemeen bestuur en geeft daarbij een
                                advies over de toetreding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Toetreding kan geschieden nadat het algemeen bestuur hiertoe bij
                                drie vierde meerderheid heeft besloten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een lid kan in het algemeen bestuur slechts voor toetreding stemmen,
                                dan nadat hij hiervoor de instemming van het college van de
                                deelnemer die hem heeft aangewezen heeft verkregen. Dit college kan
                                deze instemming pas verlenen na verkregen toestemming van zijn
                                vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in artikel 61, tweede lid van
                                de wet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toetreding gaat in op de eerste dag van het kalenderjaar volgende
                                op het jaar waarin de in het derde lid bedoelde besluit van het
                                algemeen bestuur is genomen, met dien verstande dat tussen de
                                toetreding en het in het derde lid bedoelde besluit een periode van
                                ten minste zes maanden is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het algemeen bestuur kan algemene en specifieke regels stellen
                                omtrent de toetreding van nieuwe waterschappen of gemeenten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55:</nr><titel>Uittreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van ten
                                minste één jaar in acht genomen. Gedurende drie jaar na de datum van
                                toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voornemen tot uittreding wordt bij aangetekende kennisgeving aan
                                het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na ontvangst van de in het tweede lid vermelde kennisgeving wordt
                                een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen
                                onafhankelijke registeraccountant opdracht verleend een
                                liquidatieplan op te stellen als ware tot opheffing van de regeling
                                besloten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op grond van het in het derde lid opgestelde liquidatieplan besluit
                                het college dat een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid heeft
                                gedaan of daadwerkelijk tot uittreding wordt overgegaan. Het college
                                besluit hier niet toe dan nadat het toestemming van zijn
                                vertegenwoordigend orgaan heeft gekregen als bedoeld in artikel 61,
                                tweede lid van de wet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Wanneer toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, stelt het
                                algemeen bestuur het liquidatieplan vast. De in het liquidatieplan
                                omschreven financiële verplichtingen zijn voor de uittredende
                                deelnemer bindend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Nadat het liquidatieplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer
                                gehouden om binnen zes maanden de daarin voor hem omschreven
                                financiële verplichtingen aan het samenwerkingsverband te
                                voldoen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De kosten van het opstellen van het liquidatieplan komen voor
                                rekening van de deelnemer die het voornemen heeft om uit te
                                treden.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Artikel 59 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>56:</nr><titel>Wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur, één of meer leden van het dagelijks bestuur
                                en de colleges van de deelnemers kunnen een voorstel tot wijziging
                                van de regeling indienen bij het algemeen bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur zendt het wijzigingsvoorstel aan de colleges
                                van de deelnemers.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wijziging kan geschieden nadat het algemeen bestuur hiertoe bij drie
                                vierde meerderheid heeft besloten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een lid kan in het algemeen bestuur slechts voor wijziging stemmen,
                                dan nadat hij hiervoor de instemming van het college van de
                                deelnemer dat hem heeft aangewezen heeft verkregen. Dit college kan
                                deze instemming pas verlenen na verkregen toestemming van zijn
                                vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in artikel 61, tweede lid van
                                de wet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Artikel 59 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De wijziging bepaalt zelf wanneer deze in werking treedt, met in
                                acht neming van het hierom in artikel 26 en 27 van de wet
                                bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In afwijking van het derde lid kan een wijziging van artikel 6, van
                                artikel 14 eerste lid, van artikel 35, van artikel 47 vierde lid of
                                van dit artikel slechts plaatsvinden bij een unaniem besluit van het
                                algemeen bestuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>57:</nr><titel>Opheffing en liquidatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur, één of meer leden van het dagelijks bestuur
                                en de colleges van de deelnemers kunnen een voorstel tot opheffing
                                van de regeling indienen bij het algemeen bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het algemeen bestuur zendt het voorstel aan de colleges van de
                                deelnemers.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Opheffing kan geschieden nadat het algemeen bestuur hiertoe bij drie
                                vierde meerderheid heeft besloten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een lid kan in het algemeen bestuur slechts voor opheffing stemmen,
                                dan nadat hij hiervoor de instemming van het college van de
                                deelnemer dat hem heeft aangewezen heeft verkregen. Dit college kan
                                deze instemming pas verlenen na verkregen toestemming van zijn
                                vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in artikel 61, tweede lid van
                                de wet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij opheffing van de regeling wordt een plan opgesteld als bedoeld
                                in artikel 55, derde lid. Het bepaalde in artikel 55, derde, vijfde,
                                zesde en zevende lid is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7:</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>58:</nr><titel>Archief</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur van het samenwerkingsverband is verplicht de onder hem
                                berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke
                                staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de
                                vernietiging van daarvoor in aanmerking komende
                                archiefbescheiden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen
                                verordening, welke aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld, draagt
                                het dagelijks bestuur zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur
                                van het samenwerkingsverband.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid
                                bedoelde zorg, komen ten laste van het samenwerkingsverband.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en
                                artikel 13, eerste lid van de Archiefwet 1995, over te brengen
                                archiefbescheiden van het bestuur van het samenwerkingsverband wijst
                                het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats van een van de
                                deelnemers aan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur
                                van het samenwerkingsverband, voor zover deze archiefbescheiden niet
                                zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen
                                van het dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het
                                bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris.
                                Met betrekking tot dit toezicht stelt het algemeen bestuur een
                                verordening vast, welke aan gedeputeerde staten wordt
                                medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De archivaris wordt door het dagelijks bestuur benoemd, geschorst en
                                ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid kan het dagelijks bestuur ook de
                                archivaris van de deelnemer als bedoeld in het vierde lid aanwijzen
                                als archivaris van het samenwerkingsverband.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8:</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>59:</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De regeling treedt in werking per 1 juli 2010.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 35, 36 en 40,
                                negende en tiende lid en de bepalingen uit afdeling 6 van hoofdstuk
                                2 van deze regeling in werking per 1 juli 2011, met dien verstande
                                dat zij geen betrekking hebben op belastbare feiten die zich
                                voordoen voor 1 juli 2011.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>60:</nr><titel>Duur van de regeling</titel></kop><al>De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>61:</nr><titel>Inzending regeling</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van het Waterschap Aa en Maas wordt belast met de
                            inzending van deze regeling aan gedeputeerde staten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62:</nr><titel>Citeerwijze</titel></kop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling
                            Belastingkantoor AMG”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus besloten:</ondertekening><ondertekening>Gemeente Boekel, d.d. .. - .. - 2010 handtekening:</ondertekening><ondertekening>De burgemeester, de heer P.M.J.H. Bos …….……… </ondertekening><ondertekening>De secretaris, mr. J.G. Marcic …….………</ondertekening><ondertekening>Gemeente Deurne, d.d. .. - .. - 2010 handtekening:</ondertekening><ondertekening>De burgemeester,de heerJ.G.M. (Gerard) Daandels
                        …….……… </ondertekening><ondertekening>De secretaris, de heer mr. G.J.C. (Gert-Jan) Kusters …….………</ondertekening><ondertekening>Gemeente Oss, d.d. .. - .. - 2010 handtekening:</ondertekening><ondertekening>De burgemeester, `de heer H. Klitsie …….………</ondertekening><ondertekening>De secretaris, mevrouw M.L. van Schaijk …….……… </ondertekening><ondertekening>Gemeente Uden, d.d. .. - .. - 2010 handtekening:</ondertekening><ondertekening>De burgemeester, de heer H. Hellegers …….……… </ondertekening><ondertekening>De secretaris, J. Smarius …….………</ondertekening><ondertekening>Gemeente Veghel, d.d. .. - .. - 2010 handtekening:</ondertekening><ondertekening>De burgemeester, mevrouw I. Adema …….……… </ondertekening><ondertekening>De secretaris, de heer R. Kleijnen …….………</ondertekening><ondertekening>Waterschap Aa en Maas, d.d. .. - .. - 2010 handtekening:</ondertekening><ondertekening>De dijkgraaf, de heer L.H.J. Verheijen …….………</ondertekening><ondertekening>De secretaris, de heer P. Sennema …….………</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Nota van toelichting </vet></al><al>Toelichting bij de Gemeenschappelijke Regeling Belastingkantoor AMG</al><al><vet>1. De Gemeenschappelijke Regeling Belastingkantoor AMG</vet></al><al>Het Waterschap Aa en Maas en de gemeenten Boekel, Deurne, Oss, Uden en
                            Veghel hebben op grond van het eindrapport Haalbaarheidsonderzoek naar
                            belastingsamenwerking van september 2009 besloten deze
                            gemeenschappelijke regeling te treffen. </al><al>De gemeenschappelijke regeling is getroffen door het dagelijks bestuur
                            van Waterschap Aa en Maas en de colleges van burgemeester en wethouders
                            van de vijf deelnemende gemeenten. Dat de gemeenschappelijke regeling
                            getroffen is door de colleges van de deelnemers brengt tot uitdrukking
                            dat de belastingorganisatie die wordt opgericht een uitvoeringsinstantie
                            is. Bevoegdheden tot het vaststellen van algemeen verbindende
                            voorschriften kent het bestuur van het samenwerkingsverband niet, omdat
                            er geen gemeenteraden of algemene besturen van waterschappen deelnemen
                            aan de gemeenschappelijke regeling. Bevoegdheden van deze organen kunnen
                            daarom niet worden overgedragen. De belastingverordeningen, de
                            kwijtscheldingsnormen alsmede het beleid ten aanzien van heffing en
                            invordering van belastingen worden vastgesteld door de deelnemende
                            waterschaps- en gemeentebesturen zelf. Het samenwerkingsverband kan
                            slechts een adviserende rol hebben in deze.</al><al>Bij de gemeenschappelijke regeling wordt een openbaar lichaam ingesteld,
                            conform artikel 8 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen
                            (verder: Wgr). Dit openbaar lichaam bezit rechtspersoonlijkheid, wat
                            inhoudt dat het een zelfstandige juridische entiteit is. Deze
                            rechtspersoonlijkheid zorgt er tevens voor dat het bestuur van het
                            samenwerkingsverband privaatrechtelijke rechtshandelingen kan verrichten
                            (art. 2:5 BW jo. art. 3:32 BW) en ambtenaren in dienst kan hebben (art.
                            1 Ambtenarenwet). De deelnemers dragen hun bevoegdheden, alsmede die van
                            de betrokken ambtenaren, omtrent de heffing en invordering van de in
                            artikel 35 genoemde belastingen over aan het samenwerkingsverband.</al><al><vet>2. Het bestuur van het openbaar lichaam</vet></al><al>Op een gemeenschappelijke regeling tussen gemeente- en
                            waterschapsbesturen zijn de artikelen 8 tot en met 29 van de Wet
                            gemeenschappelijke regelingen, die handelen over samenwerking tussen
                            gemeentebesturen, van overeenkomstige toepassing (art. 62 Wgr). Het
                            bestuur van een gemeenschappelijk openbaar lichaam bestaat verplicht uit
                            een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter (art. 62
                            jo. art. 12 lid 1 Wgr en art. 4 GR). Naast deze organen kunnen
                            adviescommissies worden ingesteld (art. 62 jo. art. 24 Wgr). Deze
                            adviescommissies worden ingesteld door het algemeen bestuur (art. 62 jo.
                            art. 24 lid 1 Wgr). De adviescommissies kunnen advies geven aan zowel
                            het algemeen bestuur als het dagelijks bestuur of de voorzitter. Wanneer
                            vaste commissies van advies voor het dagelijks bestuur of de voorzitter
                            worden ingesteld, dan worden deze ingesteld door het algemeen bestuur op
                            voorstel van het dagelijks bestuur of de voorzitter (art. 62 jo. art. 24
                            lid 2 Wgr). Tijdelijke commissies van advies kunnen het dagelijks
                            bestuur en de voorzitter zelfstandig instellen (art. 62 jo. art. 24 lid
                            3 Wgr). De mogelijkheid tot het instellen van bestuurscommissies (art.
                            62 jo. art. 25 Wgr) is niet geopend in de gemeenschappelijke
                            regeling.</al><al><vet>2.1 Het algemeen bestuur</vet></al><al>De Wet gemeenschappelijke regelingen geeft een aantal kaders voor de
                            samenstelling van het algemeen bestuur, voor het overige moet dit in de
                            gemeenschappelijke regeling zelf worden geregeld (art. 62 jo. art. 10
                            lid 3 Wgr). De samenstelling is afhankelijk van de deelnemers aan de
                            gemeenschappelijke regeling. In dit geval zijn dat het dagelijks bestuur
                            van Waterschap Aa en Maas en de colleges van de deelnemende gemeenten.
                            De gemeenschappelijke regeling is daarmee een zogenoemde
                            collegeregeling. In het algemeen bestuur heeft iedere deelnemer één lid.
                            Deze leden worden aangewezen door de deelnemende colleges. De colleges
                            kunnen daarbij kiezen uit de leden van het college (dus zowel de
                            burgemeester respectievelijk dijkgraaf als de wethouders respectievelijk
                            dagelijkse bestuurders). Leden van het algemeen bestuur van het
                            waterschap of gemeenteraadsleden kunnen niet worden aangewezen. Dit
                            volgt uit artikel 13 lid 6 en lid 1 Wgr en is overgenomen in artikel 6
                            lid 2 van de GR. Wanneer men ophoudt lid van het college te zijn waaruit
                            men is aangewezen, dan houdt men tevens op lid te zijn van het algemeen
                            bestuur van het gemeenschappelijk openbaar </al><al> lichaam (art. 13 lid 6 en lid 2 Wgr). Een lid van het algemeen bestuur
                            kan daarnaast door zijn eigen college worden ontslagen wegens gebrek aan
                            vertrouwen (art. 18 jo. art. 16 lid 5 Wgr; art. 20 GR).</al><al>Het algemeen bestuur moet minimaal tweemaal per jaar vergaderen (art. 62
                            jo. art. 22 lid 1 Wgr en art. 8 lid 1 GR). Voorts is bepaald dat de
                            voorzitter, het dagelijks bestuur en een vijfde van het aantal leden van
                            het algemeen bestuur kunnen bepalen dat het algemeen bestuur bijeen moet
                            komen (art. 8 lid 2 GR). De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn
                            openbaar, tenzij een vijfde gedeelte van de aanwezige leden verzoekt of
                            de voorzitter het nodig oordeelt de deuren te sluiten. Het algemeen
                            bestuur besluit vervolgens of de deuren daadwerkelijk gesloten worden
                            (art. 62 jo. art. 22 lid 3, 4 en 5 Wgr en art. 17 lid 1 GR). Bij de
                            overige ordebepalingen is aansluiting gezocht bij de Gemeentewet zoals
                            deze gold voor de inwerkingtreding van de Wet dualisering
                            gemeentebestuur, nu artikel 22 Wgr dit voorschrijft.</al><al>Een lid van het algemeen bestuur kan door het dagelijks bestuur van het
                            waterschap respectievelijk het college van de gemeente die hem heeft
                            aangewezen worden ontslagen wanneer hij het vertrouwen van dat dagelijks
                            bestuur of college niet langer bezit (art. 62 jo. art. 18 jo. art. 16
                            lid 5 Wgr en art. 20 GR). Dit geldt tevens voor een plaatsvervangend lid
                            (art. 6 lid 7 GR). Tegen dit besluit kan rechtstreeks beroep worden
                            ingesteld bij de bestuursrechter. Hiervoor hoeft geen
                            bezwaarschriftprocedure te worden gevolgd. De rechter zal hierbij
                            toetsen aan de wettelijke ontslagprocedure en de algemene beginselen van
                            behoorlijk bestuur. Een inhoudelijke toetsing zou afbreuk doen aan het
                            politieke karakter van het ontslagrecht.</al><al><vet>2.2 Stemverhoudingen binnen het algemeen bestuur</vet></al><al>Binnen het algemeen bestuur heeft iedere deelnemer één lid. Dit lid
                            heeft één stem (art. 6 lid 1 GR). Besloten wordt bij gewone meerderheid
                            (art. 14 GR), behoudens enkele uitzonderingen waarbij een
                            gekwalificeerde meerderheid of unanimiteit vereist is.</al><al><vet>2.3 Het dagelijks bestuur </vet></al><al>Ook bij het dagelijks bestuur geeft de Wet gemeenschappelijke regelingen
                            enkele kaders. Zo bestaat het dagelijks bestuur uit de voorzitter en
                            minimaal twee andere bestuurders die door en uit het algemeen bestuur
                            moeten worden aangewezen, en die niet allen afkomstig mogen zijn van
                            hetzelfde waterschap of dezelfde gemeente (art. 62 jo. art. 14 lid 1
                            Wgr). Het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband bestaat dan ook
                            uit de voorzitter en twee andere door en uit het algemeen bestuur aan te
                            wijzen leden (art. 21 lid 1 GR). Het door het waterschap aangewezen lid
                            van het algemeen bestuur is in ieder geval lid van het dagelijks bestuur
                            (art. 21 lid 1 GR). De reden hiervan is dat zo zeker is dat de twee
                            groeperingen (waterschap en gemeenten) die in de samenwerking
                            participeren in het dagelijks bestuur zitting hebben. Voor het draagvlak
                            is dat van groot belang. Voor het dagelijks bestuur worden geen
                            plaatsvervangende leden aangewezen Bij vervanging met een incidenteel of
                            tijdelijk karakter kan worden volstaan met een interne
                            vervangingsregeling binnen het dagelijks bestuur. Bij langdurige
                            ontstentenis kan een ad interim bestuurder worden aangewezen of een
                            opvolger. Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur is gekoppeld aan
                            dat van het algemeen bestuur. Wanneer iemand ophoudt lid te zijn van het
                            algemeen bestuur houdt hij van rechtswege op lid te zijn van het
                            dagelijks bestuur (art. 21 lid 2 GR).</al><al>Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden
                            ontslagen wanneer hij het vertrouwen van het algemeen bestuur niet
                            langer bezit (art. 23 GR). Tegen dit besluit kan rechtstreeks beroep
                            worden ingesteld bij de bestuursrechter. Hiervoor hoeft geen
                            bezwaarschriftprocedure te worden gevolgd. De rechter zal hierbij
                            toetsen aan de wettelijke ontslagprocedure en de algemene beginselen van
                            behoorlijk bestuur. Een inhoudelijke toetsing zou afbreuk doen aan het
                            politieke karakter van het ontslagrecht.</al><al><vet> 2.4 Voorzitter</vet></al><al>De voorzitter van het samenwerkingsverband wordt door en uit het
                            algemeen bestuur aangewezen (art. 62 jo. art. 13 lid 9 Wgr en art. 24
                            lid 1 GR). Hij is dus tevens lid van zowel het algemeen bestuur als van
                            het dagelijks bestuur (art. 62 jo. art. 14 lid 1 Wgr en art. 21 lid 1
                            GR). Uit de overige leden van het dagelijks bestuur wordt een
                            plaatsvervangend voorzitter aangewezen (art. 24 lid 3 GR). De voorzitter
                            kan door het algemeen bestuur worden ontslagen wanneer hij niet langer
                            het vertrouwen van het algemeen bestuur bezit (art. 24 lid 2 GR). Tegen
                            dit besluit kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de
                            bestuursrechter. Hiervoor hoeft geen bezwaarschriftprocedure te worden
                            gevolgd. De rechter zal hierbij toetsen aan de wettelijke
                            ontslagprocedure en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een
                            inhoudelijke toetsing zou afbreuk doen aan het politieke karakter van
                            het ontslagrecht.</al><al><vet>2.5 Secretaris / Directeur</vet></al><al>Bij het bestuur van het samenwerkingsverband wordt tevens een secretaris
                            benoemd. Op de secretaris zijn de bepalingen uit Hoofdstuk VII van de
                            Gemeentewet van overeenkomstige toepassing (art. 66 Wgr). Het gaat dan
                            om de Gemeentewet zoals deze gold direct voorafgaand aan de
                            inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur (art. VIIIa Wet
                            dualisering gemeentebestuur). Dat betekent dat de secretaris door het
                            algemeen bestuur wordt benoemd, geschorst en ontslagen (art. 66 Wgr jo.
                            art. 101 Gemw-oud; art. 25 GR). In spoedeisende gevallen kan de
                            secretaris door het dagelijks bestuur worden geschorst (art. 66 Wgr jo.
                            art. 101 lid 2 Gemw-oud; art. 25 lid 3 GR). Het algemeen bestuur kan
                            zijn bevoegdheden in dezen overdragen aan het dagelijks bestuur.</al><al>De secretaris heeft een ondersteunende functie voor het bestuur van het
                            samenwerkingsverband en is tevens directeur van de ambtelijke
                            organisatie (art. 26 GR). De secretaris is zelf geen bestuursorgaan in
                            de zin van artikel 1:1 Algemene wet bestuursrecht.</al><al><vet>2.6 De ambtenaren van het samenwerkingsverband</vet></al><al>De heffingsambtenaar die als zodanig wordt aangewezen bezit ten aanzien
                            van de te heffen belastingen de bevoegdheden die de inspecteur bezit op
                            grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder: AWR), de
                            Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de
                            Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer en de Waterwet (art.
                            232 lid 4 jo art. 231 Gemeentewet, respectievelijk art. 124 lid 5 jo
                            art. 123 Waterschapswet en art. 29 GR). De heffingsambtenaar is
                            daarnaast bevoegd ten aanzien van de Wet waardering onroerende zaken,
                            voor zover in die wet bevoegdheden niet aan het college zijn toegekend
                            (art. 1 WOZ en art. 29 GR).</al><al>De invorderingsambtenaar die als zodanig wordt aangewezen bezit ten
                            aanzien van de in te vorderen belastingen de bevoegdheden die de
                            ontvanger bezit op grond van de AWR, de Invorderingswet 1990, de
                            Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de
                            Waterschapswet, de Wet milieubeheer en de Waterwet (art. 232 lid 4 jo
                            art. 231 Gemeentewet, respectievelijk art. 124 lid 5 jo art. 123
                            Waterschapswet en art. 30 GR). </al><al>De ambtenaar van het samenwerkingsverband die als zodanig wordt
                            aangewezen bezit ten aanzien van de te heffen en in te vorderen
                            belastingen de bevoegdheden die ambtenaar als bedoeld in artikel 232,
                            vierde lid, onder c, van de Gemeentewet, respectievelijk de ambtenaar
                            als bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onder c, van de Waterschapswet,
                            respectievelijk de ambtenaar als bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van
                            de Wet waardering onroerende zaken bezit op grond van de AWR, de
                            Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de
                            Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet en de
                            Wet waardering onroerende zaken (art. 232 lid 4 jo art. 231 Gemeentewet,
                            respectievelijk art. 124 lid 5 jo art. 123 Waterschapswet en art. 31
                            GR). </al><al>De belastingdeurwaarder die als zodanig wordt aangewezen bezit ten
                            aanzien van de in te vorderen belastingen de bevoegdheden die de
                            belastingdeurwaarder bezit op grond van de AWR, de Invorderingswet 1990,
                            de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de
                            Waterschapswet, de Wet milieubeheer en de Waterwet (art. 232 lid 4 jo
                            art. 231 Gemeentewet, respectievelijk art. 124 lid 5 jo art. 123
                            Waterschapswet en art. 32 GR).</al><al><vet> 3. Taken en bevoegdheden van het bestuur</vet></al><al>In artikel 35 GR zijn de belastingen opgenomen die het
                            samenwerkingsverband voor alle deelnemers heft en invordert. De mogelijk
                            wordt geboden om ook de heffing en invordering van andere
                            belastingsoorten bij het bestuur van het samenwerkingsverband onder te
                            brengen (art. 36 GR). De in artikel 3 GR opgenomen belangen met
                            betrekking tot de Wet waardering onroerende zaken (verder: WOZ) komen
                            alle terug in artikel 35 GR, dat handelt over aan het
                            samenwerkingsverband overgedragen bevoegdheden. </al><al>Omwille van de efficiëntie is ervoor gekozen om het artikel (artikel 36)
                            waarin de extra over te dragen belastingsoorten met bijbehorende
                            bevoegdheden per deelnemer kunnen worden opgenomen, vorm te geven als
                            een artikel waarin wordt verwezen naar een bijlage. Het algemeen bestuur
                            is verplicht de bijlage te wijzigen wanneer een deelnemend college een
                            delegatiebesluit neemt. Daarmee wordt voorkomen dat de regeling telkens
                            wanneer een deelnemend college van burgemeester en wethouders besluit de
                            uitvoering van een extra belastingsoort aan de belastingorganisatie op
                            te dragen, gewijzigd moet worden en opnieuw bekend gemaakt. Dat laat
                            onverlet dat het betreffende college zijn delegatiebesluit wel
                            overeenkomstig artikel 3:42 lid 2 Awb bekend dient te maken, wil het
                            gelding hebben. Daarnaast moet het betreffende college zijn
                            delegatiebesluit inzenden aan gedeputeerde staten van Noord-Brabant
                            (art. 26 lid 4 Wgr) en moet het college de overgedragen bevoegdheden
                            opnemen in het gemeentelijk Wgr-register op grond van artikel 27 Wgr
                            (art. 27 lid 2 aanhef en onder c Wgr). Er komt een reglement voor het
                            algemeen bestuur waarin afspraken worden gemaakt onder welke condities
                            en wanneer nieuwe belastingen kunnen worden toegevoegd en op welke wijze
                            het algemeen bestuur hierover besluit.</al><al><vet>3.1 Het algemeen bestuur</vet></al><al>Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het samenwerkingsverband en
                            is belast met een algemene bevoegdheid tot regeling en bestuur van de
                            belangen van het samenwerkingsverband (art. 37 GR). Hieronder vallen ook
                            de kaderstellende en controlerende bevoegdheden van het algemeen
                            bestuur. Daarnaast is het algemeen bestuur bevoegd tot het aanwijzen en
                            ontslaan van de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur zoals
                            hierboven beschreven. Het algemeen bestuur stelt tevens de begroting
                            (alsmede wijzigingen) en de jaarrekening vast.</al><al><vet>3.2 Het dagelijks bestuur</vet></al><al>Het dagelijks bestuur is belast met de dagelijkse aangelegenheden en de
                            voorbereiding en uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur
                            (art. 40 GR). Daarnaast bezit het dagelijks bestuur de taken en
                            bevoegdheden als omschreven in artikel 40 e.v. van de gemeenschappelijke
                            regeling.</al><al><vet>3.3 Verdeling algemeen bestuur – dagelijks bestuur</vet></al><al>Op de verdeling van bevoegdheden over het algemeen bestuur, het
                            dagelijks bestuur en de voorzitter is artikel 66 lid 1 Wgr van
                            toepassing. Dit artikel bepaalt dat de bevoegdheidsverdeling in acht
                            moet worden gehouden zoals die in de wetgeving ten aanzien van gemeenten
                            is gegeven. Dat wil zeggen dat bij uitvoering van medebewindswetten,
                            taken van het college bij het dagelijks bestuur komen te liggen.</al><al><vet>3.4 Privaatrechtelijke bevoegdheden</vet></al><al>Het samenwerkingsverband bezit rechtspersoonlijkheid (art. 62 jo. art. 8
                            lid 1 Wgr). Dat betekent dat Het samenwerkingsverband bevoegd is
                            privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten (art. 2:5 jo. art.
                            3:32 BW). Zo kunnen verenigingen (art. 2:26 lid 2 BW), naamloze
                            vennootschappen (art. 2:64 lid 2 BW), besloten vennootschappen (art.
                            2:175 lid 2 BW) en stichtingen (art. 2:285 lid 1 BW) worden opgericht.
                            Ook overeenkomsten zijn rechtshandelingen en kunnen dus gesloten worden
                            (art. 6:213 BW). Te denken valt daarbij onder andere aan koop, huur,
                            pacht, opdracht, de arbeidsovereenkomst en de aanneming. De
                            vermogensrechtelijke gevolgen van een handeling van de bestuursorganen
                            van het samenwerkingsverband treffen de rechtspersoon (art. 1:1 lid 4
                            Awb).</al><al><vet> 3.5 Ombudsfunctie</vet></al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wet extern klachtrecht moeten alle
                            bestuursorganen voorzien in een ombudsfunctie (art. 9:18 Awb). Dit kan
                            op twee manieren bij gemeenschappelijke regelingen. Wanneer de
                            gemeenschappelijke regeling niets bepaalt, is de Nationale ombudsman
                            bevoegd (art. 1a lid 1 sub b WNo). De gemeenschappelijke regeling kan
                            bepalen dat de ombudsman of ombudscommissie van één van de deelnemers
                            belast wordt met de ombudsfunctie (art. 62 jo. art. 10 lid 4 Wgr). Er
                            moet dan een keuze worden gemaakt welke deelnemer dit wordt, en bepaald
                            moet worden welke deelnemer de gemeenschappelijke regeling inzendt aan
                            de Nationale ombudsman. </al><al>Er is in de gemeenschappelijke regeling echter voor gekozen dat de
                            Nationale ombudsman bevoegd is tot externe klachtbehandeling, hoewel op
                            zich niet nodig is dat voor de duidelijkheid expliciet opgenomen (art.
                            33 GR).</al><al><vet>4. Financiën</vet></al><al><vet>4.1 Algemeen</vet></al><al>In een verordening moet het algemeen bestuur richtlijnen geven voor de
                            kostenverdeelsleutel. Deze sleutel vormt de basis voor het bepalen van
                            de jaarlijkse bijdragen van de verschillende deelnemers aan het
                            samenwerkingsverband, zoals die in de begroting wordt opgenomen (art. 47
                            lid 3 GR). Op de begroting, jaarrekening, administratie en controle is
                            Hoofdstuk XIV van de Gemeentewet, alsmede het Besluit begroting en
                            verantwoording provincies en gemeenten van overeenkomstige toepassing,
                            voor zover daar niet van is afgeweken (art. 66 Wgr en art. 48 lid 2
                            GR).</al><al><vet>4.2 Begroting</vet></al><al>De Wet gemeenschappelijke regelingen geeft een aantal kaders voor de
                            vaststelling van de begroting. Deze zijn overgenomen in de
                            gemeenschappelijke regeling. Zo moet het dagelijks bestuur de
                            ontwerpbegroting zes weken voordat deze aan het algemeen bestuur wordt
                            aangeboden aan het algemeen bestuur van het waterschap en de
                            gemeenteraden zenden (art. 68 lid 1 Wgr en art. 50 lid 1 GR). De
                            gemeenten en het waterschap moeten de ontwerpbegroting voor een ieder
                            ter inzage leggen en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar
                            stellen. Hiervan moet openbare kennisgeving geschieden (art. 68 lid 2
                            Wgr en art. 50 lid 2 GR). De raden en het algemeen bestuur kunnen bij
                            het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband hun zienswijzen
                            bekend maken. Het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband voegt
                            deze zienswijzen bij de ontwerpbegroting zoals die wordt aangeboden aan
                            het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband (art. 68 lid 3 Wgr en
                            art. 50 lid 3 GR). Deze zogenoemde voorhangprocedure geldt eveneens voor
                            begrotingswijzigingen, behoudens voor die wijzigingen die geen
                            verandering brengen in de kosten voor de deelnemers (art. 50 lid 4 GR). </al><al>Het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband stelt de begroting
                            vast (art. 67 lid 1 Wgr en art. 51 lid 1 GR). Er is voor gekozen hierbij
                            een versterkte meerderheid te hanteren van drie vierde van het aantal
                            uit te brengen stemmen. Het vaststellen van deze meerderheid gebeurt met
                            inachtneming van de stemverhoudingen zoals die opgenomen zijn in de
                            artikelen 6 en 14. Het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband
                            zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar uiterlijk
                            voor 15 juli aan gedeputeerde staten. Het algemeen bestuur zendt de
                            begroting aan de deelnemers, die bij gedeputeerde staten hun zienswijzen
                            bekend kunnen maken.</al><al>De deelnemers van het samenwerkingsverband dienen elk jaarlijks bij te
                            dragen in de kosten van de bedrijfsvoering van het samenwerkingsverband.
                            Om enig misverstand te voorkomen: daar waar in de regeling wordt
                            gesproken over „bijdrage‟ betreft het dus een financiële bijdrage. De
                            bijdrage wordt vastgesteld door het algemeen bestuur van het
                            samenwerkingsverband. Dit vindt als regel plaats bij de vaststelling van
                            de begroting en de jaarrekening.</al><al>Uit een oogpunt van flexibiliteit is ervoor gekozen om in de
                            gemeenschappelijke regeling zelf geen criteria voor de verdeling van de
                            kosten op te nemen. De kostenverdeelsleutel en de berekeningswijze van
                            de bijdrage van de deelnemers wordt geregeld in een door het algemeen
                            bestuur bij unanimiteit vast te stellen verordening. Hiervoor is gekozen
                            gezien de impact die dit besluit heeft voor de afzonderlijke
                            deelnemers.</al><al><vet> 4.3 Jaarrekening</vet></al><al>Het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband stelt de jaarrekening
                            vast (art. 67 lid 3 Wgr en art. 52 lid 3 GR). Het dagelijks bestuur van
                            het samenwerkingsverband zendt de jaarrekening binnen twee weken na
                            vaststelling, maar uiterlijk voor 15 juli aan gedeputeerde staten.</al><al><vet>4.4 Verliezen</vet></al><al>Volgens de Circulaire aansprakelijkheid voor schulden van openbare
                            lichamen op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn de
                            deelnemers aan een gemeenschappelijke regeling verplicht een daarbij
                            opgericht openbaar lichaam van middelen te voorzien waardoor het de
                            taken waartoe het is opgericht naar behoren kan vervullen. Daartoe
                            behoren ook de financiële verplichtingen die het openbaar lichaam ter
                            uitvoering van die taken is aangegaan. Daarnaast behoren tot de
                            verplichte uitgaven van een openbaar lichaam evenals voor gemeenten en
                            waterschappen de aflossing van schulden en renten en andere opeisbare
                            schulden. Artikel 53 GR berust op deze circulaire.</al><al><vet>5. Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing</vet></al><al>Volgens het bepaalde in artikel 61 lid 3 van de Wet gemeenschappelijke
                            regelingen wordt onder het treffen van een regeling mede verstaan
                            toetreden tot, uittreden uit en wijzigen van een regeling. Dit betekent
                            dat evenals voor het aangaan van de regeling ook voor toetreding,
                            uittreding en wijziging van de regeling de medewerking van de deelnemers
                            en de toestemming daarvoor van hun raden respectievelijk algemeen
                            bestuur is vereist. Daarbij zijn verschillende situaties aan de orde. De
                            toetreding, uittreding, wijziging en opheffing zijn uitvoerig geregeld
                            in Hoofdstuk 6.</al><al>Naast het besluit van een nieuwe deelnemer om aan de regeling deel te
                            willen nemen moeten ook de al bestaande deelnemers aan de regeling
                            daartoe besluiten. Zowel de besluiten tot toetreding van een nieuwe
                            deelnemer, als die tot instemming met een toetreding door de bestaande
                            deelnemers behoeven de toestemming van de vertegenwoordigende organen
                            van de deelnemers.</al><al>Voor toetreding van een nieuwe deelnemer is instemming vereist van drie
                            vierde van de bestaande deelnemers aan de regeling. De toetreding gaat
                            in op de eerste dag van het jaar volgende op dat waarin de toestemming
                            tot toetreding is verleend. Daarbij geldt de beperking dat tussen de
                            instemming tot toetreding en de datum van toetreding een periode van ten
                            minste zes maanden moet zijn gelegen. Dit is om de organisatie van het
                            samenwerkingsverband in de gelegenheid te stellen om de toetreding van
                            een nieuwe deelnemer goed voor te bereiden. Het algemeen bestuur kan
                            voor toetreding algemene regels stellen waaraan voldaan moet worden door
                            de nieuwe deelnemer. Indien het noodzakelijk is, kan het algemeen
                            bestuur ook specifieke regels stellen voor één deelnemer. Na toetreding
                            moeten (mogelijk) de artikelen omtrent de taken (art. 35), en de
                            zeggenschapsverhouding in het algemeen bestuur (art. 6 en 14) worden
                            gewijzigd. Deze wijziging geschiedt bij unanimiteit omdat hiervoor geldt
                            dat alle deelnemers zich erin moet kunnen vinden. Het verdient
                            aanbeveling hierover overeenstemming te bereiken alvorens definitief
                            wordt besloten tot toetreding. Dit om te voorkomen dat de
                            gemeenschappelijke regeling voor een onwerkbare situatie komt te staan
                            als de nieuwe deelnemer is toegetreden en er vervolgens geen unaniem
                            besluit genomen blijkt te kunnen worden over het wijzigen van de taken
                            en/of de zeggenschapsverhouding.</al><al>Uitgangspunt bij de regeling van de uittreding is dat een deelnemer uit
                            de regeling moet kunnen treden, maar dat de uittreding gepaard moet gaan
                            met een regeling van de financiële gevolgen die recht doet aan de
                            financiële belangen van de achterblijvende deelnemers. Uittreding door
                            een deelnemer uit de regeling kan voor de regeling en de overige
                            deelnemers namelijk ingrijpende gevolgen hebben. Om de gevolgen van
                            uittreding goed te regelen zijn in artikel 55 een aantal bepalingen
                            daarvoor opgenomen. Bij uittreding van een deelnemer wordt een fictief
                            liquidatieplan opgesteld. Dit plan wordt door het algemeen bestuur
                            vastgesteld. Op basis hiervan worden voor de uittredende deelnemer de
                            financiële verplichtingen bij uittreding vastgesteld. De uittredende
                            deelnemer is gehouden om binnen zes maanden aan de vastgestelde
                            financiële verplichtingen te voldoen en de kosten van het opstellen van
                            het liquidatieplan te betalen. Gedurende de eerste drie jaren na
                            toetreding is het niet mogelijk om weer uit de regeling te treden.
                            Hiertoe is besloten om de continuïteit van de regeling te
                            waarborgen.</al><al>Op het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling en de opheffing van
                            de regeling is dezelfde procedure van toepassing (zie artikel 56 en 57).
                            Belangrijk element hierin is, dat een dergelijk besluit genomen moet
                            worden met een versterkte meerderheid van ten minste drie vierde van het
                            aantal deelnemers aan de regeling. Het vaststellen van deze meerderheid
                            gebeurt met inachtneming van de </al><al> stemverhoudingen zoals opgenomen in artikel 6 en 14. Hierop zijn vier
                            uitzonderingen; ingeval de wijziging van de regeling betrekking heeft op
                            de opgedragen belastingtaak (art. 35), op de samenstelling
                            respectievelijk zeggenschapsverhouding in het algemeen bestuur (art. 6
                            en 14) of op de kostenverdeelsleutel (art. 47) is unanimiteit vereist.
                            De reden hiervoor is dat deze besluiten van zwaarwegend belang, ook in
                            financiële zin, zijn voor alle deelnemers. Na het besluit tot opheffing
                            vindt de liquidatie van het openbaar lichaam plaats. Hiermee is het
                            dagelijks bestuur van het openbaar lichaam belast. De liquidatie vindt
                            plaats op basis van een door het algemeen bestuur, de deelnemers
                            gehoord, vastgesteld liquidatieplan.</al><al><vet>6. Inwerkingtreding van de gemeenschappelijke regeling</vet></al><al>Op grond van artikel 59 van de gemeenschappelijke regeling treedt de
                            gemeenschappelijke regeling in werking op 1 juli 2010 <cursief>(datum
                                onder voorbehoud)</cursief>. Voorwaarde is wel dat alle deelnemende
                            colleges hun besluit hebben bekendgemaakt. Deze bekendmaking geschiedt
                            op de wijze zoals ook normale besluiten bekend worden gemaakt (art. 26
                            lid 2 Wgr). </al><al>Op het moment van inwerkingtreding zijn de bevoegdheden die in de
                            gemeenschappelijke regeling zijn genoemd omtrent de uitvoering van de
                            belastingtaak nog niet daadwerkelijk overgedragen. Omdat deze overdracht
                            niet voor 1 juli 2011 <cursief>(datum onder voorbehoud)</cursief> dient
                            plaats te vinden is in het tweede lid opgenomen dat de bevoegdheden met
                            betrekking tot de heffing en invordering van belastingen pas op die
                            datum in werking treden. Vanaf dat moment zijn dus het dagelijks bestuur
                            en de ambtenaren bevoegd. Deze delegatie heeft echter geen terugwerkende
                            kracht. Voor besluiten die door een ambtenaar of het college van een
                            deelnemer voor de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke regeling
                            zijn genomen, blijft dus gelden dat de ambtenaar of het college dat het
                            betreffende besluit heeft genomen, bevoegd is. Ook de bezwaarschriften
                            op deze ‘oude’ besluiten moeten door die ambtenaar of dat college worden
                            afgehandeld, waarbij door AMG eventueel wel advies gegeven kan worden. </al><al>De organisatie van het samenwerkingsverband gaat al voor 1 juli 2011 aan
                            de slag en bezig met de inrichting van de organisatie. Dat betekent dat
                            ambtenaren ook al eerder geplaatst kunnen worden. Om te voorkomen dat
                            daardoor problemen ontstaan vanaf het moment waarop de betreffende
                            ambtenaren bij de gemeenschappelijke regeling zijn geplaatst, moeten de
                            gemeenten en het Waterschap Aa en Maas een aantal tijdelijke besluiten
                            nemen. Het gaat dan om toekenning van de bevoegdheden tot heffing en
                            invordering. Dit kan via attributie en mandaat. Om gebruik te maken van
                            de mogelijkheid van attributie dient een deelnemer een ambtenaar van het
                            samenwerkingsverband aan te stellen als onbezoldigd ambtenaar van die
                            deelnemer. Vervolgens kan het college van die deelnemer, die onbezoldigd
                            ambtenaar van de deelnemer die werkzaam is bij het samenwerkingsverband,
                            op grond van artikel 231 van de Gemeentewet, dan wel 123 van de
                            Waterschapswet aanwijzen.</al><al>Om gebruik te maken van de mogelijkheid van mandaat, moet vanaf de start
                            van de samenwerking volgens artikel 59, eerste lid, GR tot het moment
                            als bedoeld in artikel 59, tweede lid, GR bij de deelnemers nog een
                            ambtenaar in de zin van artikel 231 van de Gemeentewet, dan wel 123 van
                            de Waterschapswet aangewezen blijven, ter zake van belastbare feiten die
                            zich zullen voordoen tot 1 juli 2011 <cursief>(datum onder
                                voorbehoud)</cursief>. Die ambtenaar kan vervolgens mandateren aan
                            een ambtenaar van het samenwerkingsverband. </al><al>Naast de attributie / het mandaat dient dan nog tussen de deelnemer en
                            het samenwerkingsverband geregeld te worden hoe de financiële
                            afwikkeling plaats vindt. Een voorstel hiertoe volgt.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>