<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR107558_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Doesburg 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Regiobode, 13 juli 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Doesburg 2011Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 102 Wet op het primair onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-03-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-04-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>31-03-2011, nr. 6</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-15963</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Doesburg 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Doesburg, </al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van 31 maart 2011; </al><al/><al>gehoord het advies van de commissie Maatschappelijke Ontwikkeling van 15
                        maart 2011;</al><al>gelezen het advies van het op overeenstemming gericht overleg met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al/><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs bij verordening te regelen;</al><al>b e s l u i t: vast te stellen de navolgende <vet>Verordening voorzieningen
                            huisvesting onderwijs gemeente Doesburg 2011.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><al>a. minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al><al> b. bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair
                            onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die geheel of
                            gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                            grondgebied van de gemeente; </al><al>c. school: school voor basisonderwijs; </al><al>d. school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school
                            voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair
                            onderwijs; e. nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                            ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs voor
                            bekostiging in aanmerking is gebracht; </al><al>f. voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld
                            in artikel 2 van deze verordening; </al><al>g. programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                            verordening; </al><al>h. overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de vaststelling
                            van het programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13 van
                            deze verordening; </al><al>i. aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging van
                            een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een
                            voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft
                            ingediend; j. aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om
                            bekostiging van bouwvoorbereiding; </al><al>k. voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                            huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                            bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk is; </al><al>l. voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                            huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in
                            bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren noodzakelijk
                            is; </al><al>m. permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en
                            de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren als
                            volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; </al><al>n. noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en
                            de aard van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als
                            volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; </al><al>o. gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                            lichamelijke oefening; </al><al>p. advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                            vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van richting
                            en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de Wet op
                            het primair onderwijs; </al><al>q. verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde
                            onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke
                            of recreatieve doeleinden. </al><al>r. gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op
                            het primair onderwijs; </al><al>s. beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde staten
                            in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van de Wet op het
                            primair onderwijs; </al><al>t. eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel
                            110 van de Wet op het primair onderwijs.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden: </al><al>a. de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                            bestaande uit: </al><al>1° nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in
                            aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke
                            vervanging van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet
                            op dezelfde locatie; </al><al>2° uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest; </al><al>3° gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten
                            behoeve van de huisvesting van een school; </al><al>4° verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de
                            huisvesting van een school; </al><al>5° terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub 1°
                            tot en met 4° omschreven voorziening; </al><al>6° inrichting met onderwijsleerpakket voor zover deze nog niet eerder
                            voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht; </al><al>7° inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor
                            bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht; </al><al>8° medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al
                            bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een
                            gymnastiekruimte; b. aanpassingen aan gebouwen van een school voor
                            basisonderwijs, bestaande uit een of meer activiteiten zoals
                            onderscheiden in bijlage I onder 1.9 en 2.9; </al><al>c. onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs, bestaande
                            uit één of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.10
                            en 2.10; </al><al>d. herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw
                            veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten
                            gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                            onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                            wanprestatie; </al><al>e. herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                            onderwijsleerpakket en meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a1°, a2°,
                            voor zover betrekking hebbend op een uitbreiding van minimaal 2 groepen
                            en het daartoe benodigde terrein als bedoeld onder a5°, kan een aanvraag
                            worden ingediend voor bekostiging van bouwvoorbereiding. Hierop is het
                            bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><al>1. Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                            toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel
                            3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de vergoeding
                            een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en bedragen
                            gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval. </al><al>2. De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met
                            inachtneming van het bepaalde in bijlage IV deel A en is van toepassing
                            op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a sub 1°, 2°, 6° en
                            7°. Het bepaalde in artikel 3 is hierbij van overeenkomstige
                            toepassing.</al><al>3. De bekostiging op basis van feitelijke kosten is van toepassing op de
                            voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder 3°, 4°, 5° en 8°, en onder
                            b, c, d, en e.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><al>1. Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die noodzakelijk
                            zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze verordening. </al><al>2. Het college kan nadere regels stellen aan de gegevensverstrekking. </al><al>3. Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het
                            college vastgesteld formulier.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>1. Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma
                                wordt voor 1 februari van het jaar van vaststelling van het
                                betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het
                                college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                vastgesteld aanvraagformulier. 2. Aanvragen ingediend na de datum
                                als genoemd in het eerste lid, neemt het college niet in
                                behandeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><al>1. De aanvraag vermeldt in ieder geval: </al><al>a. de naam en het adres van de aanvrager; </al><al>b. de dagtekening; </al><al>c. de naam van de school en, voor zover van toepassing, het gebouw
                                ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd; </al><al>d. welke voorziening wordt aangevraagd; </al><al>e. de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                voorziening; </al><al>f. de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening. </al><al>2. In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de
                                aanvraag vergezeld van: </al><al>a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten,
                                tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a
                                onderdelen 6° tot en met 8° en artikel 2, onder d en e; </al><al>b. de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet
                                worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als bedoeld
                                in artikel 2, onder a, onderdelen 1° tot en met 4°; </al><al>c. een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt, indien het
                                een voorziening betreft bestaande uit: </al><al>1° nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een
                                gebouw; 2° onderhoud aan een gebouw van een school voor
                                basisonderwijs, of; </al><al>3° herstel van een constructiefout. </al><al>Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
                                vastgestelde formulier ‘Bouwkundige opname’. </al><al>d. een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
                                voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een voorziening
                                waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van
                                toepassing is; e. een voor aanbesteding gereed bouwplan en
                                bouwbegroting, indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld in
                                artikel 27. </al><al>3. Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op
                                de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het eerste
                                of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de gelegenheid
                                gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de vereiste
                                gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt, neemt het college de
                                aanvraag niet in behandeling. </al><al>4. Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan de
                                beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal
                                leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van 1
                                oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt, dan
                                zendt de aanvrager het college onverwijld een afschrift van de
                                jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op
                                de wettelijke teldatum staat ingeschreven op de betrokken school.
                                Indien het college het afschrift niet binnen een week na de
                                wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit
                                schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de
                                gelegenheid gesteld het afschrift binnen drie dagen na de datum van
                                ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien het
                                afschrift niet binnen de termijn bedoeld in de vorige volzin is
                                verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft
                                daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                                genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><al>1. Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe
                                te lichten. </al><al>2. Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 4,
                                derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college van
                                oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting
                                dient te worden aangepast. Het college geeft in het voorstel tot
                                vaststelling van het bedrag, het programma en het overzicht als
                                bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van de redenen, aan
                                wanneer er in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de
                                hoogte van het geraamde bedrag. Het college geeft in dit voorstel
                                tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan, waarvan voor de
                                aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing van het
                                gestelde in paragraaf 2.3.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><al>1. Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt,
                                worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid
                                gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel
                                naar voren te brengen. </al><al>2. Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15
                                september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken
                                voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis
                                gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud
                                van het voorstel. </al><al>3. De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als
                                bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde
                                datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het
                                college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis. </al><al>4. Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de
                                tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswijzen en van
                                de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag wordt
                                toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen. </al><al>5. Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de voorgenomen
                                inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid van richting en
                                de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar tijdens het overleg
                                als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt aan de hand van een
                                schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover
                                het advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens
                                het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid van
                                richting en de vrijheid van inrichting. </al><al>6. De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te
                                brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het
                                schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren gebrachte
                                zienswijzen maken deel uit van het verslag van het overleg als
                                bedoeld in het vierde lid. </al><al>7. Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies
                                bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de Onderwijsraad
                                alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het
                                verzoek, waaronder het schriftelijk verslag van het overleg. </al><al>8. Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies
                                wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de
                                bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeeltelijk opvolgen
                                van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een of meer
                                inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het
                                programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij
                                de toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een
                                nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of
                                nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van het
                                afschrift van het advies van de Onderwijsraad. </al><al>9. Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee
                                weken plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan
                                de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt van dit overleg een
                                verslag en voegt dit toe aan het verslag als bedoeld in het vierde
                                lid.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><al>1. Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding
                                van de aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan
                                worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per
                                voorziening. </al><al>2. Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31
                                december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6
                                valt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><al>1. De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het
                                jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden
                                gemaakt, komen, voor zover het college heeft vastgesteld dat geen
                                van de in de Wet op het primair onderwijs opgenomen
                                weigeringsgronden van toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op
                                het programma. Daarbij past het college de regels toe met betrekking
                                tot: </al><al>a. de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I; </al><al>b. de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II; </al><al>c. de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in
                                bijlage III. Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking
                                komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van de
                                urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen
                                op in het programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als
                                bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend zijn. </al><al>2. Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan het
                                college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma af
                                te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V. </al><al>3. Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                wordt, voor zover van toepassing, door het college aangegeven: </al><al>a. het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV , deel A voor de
                                betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld; </al><al>b. het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de voorziening
                                als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin; </al><al>c. de voorwaarden betreffende ingebruikneming of
                                buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><al>1. Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op
                                het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn
                                opgenomen. </al><al>2. Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma
                                zijn opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><al>1. De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt binnen
                                twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het
                                college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de
                                bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling over de
                                besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen. </al><al>2. De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd
                                met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><al>1. Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het
                                college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering van
                                de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg wordt
                                alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de
                                voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing, afspraken
                                gemaakt over: </al><al>a. het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; </al><al>b. het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door
                                de aanvrager; </al><al>c. een andere wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming
                                van het beschikbaar te stellen bedrag; </al><al>d. de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing van
                                het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in verband met
                                wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden als
                                bedoeld in artikel 16; </al><al>e. de controle op en het afleggen van verantwoording over de
                                besteding van de beschikbaar te stellen middelen; </al><al>f. de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt met als uitgangspunt
                                dat op opdrachten onder het Europese drempelbedrag de richtlijnen
                                zoals vastgelegd in het Besluit overheidsaanbestedingen van
                                toepassing zijn. </al><al>2. De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg
                                niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk
                                vast in een verslag, dat het binnen vier weken na afloop van het
                                overleg ter kennis van de aanvrager brengt. Indien de aanvrager
                                schriftelijk instemt met het verslag of binnen twee weken na
                                ontvangst nog niet schriftelijk heeft gereageerd, wordt er,
                                afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht
                                overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt. 3. Indien
                                toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16, vierde lid,
                                neemt het college binnen vier weken nadat de overeenstemming als
                                bedoeld in het derde lid is bereikt, een beslissing over het
                                tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. Het bepaalde
                                in artikel 17 is daarbij van overeenkomstige toepassing. </al><al>4. Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het
                                derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het
                                verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvrager.
                                Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de
                                voorziening geen aanvang zal nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><al>1. Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid, is
                                bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient
                                de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken, de
                                bouwplannen, de desbetreffende begroting en een aanduiding van het
                                tijdstip waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                                instemming in bij het college. </al><al>2. Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college
                                over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende begroting
                                en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt. Het college
                                kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn
                                verlengen met drie weken. Indien niet binnen deze termijn is
                                besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de
                                bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan op het door
                                de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college deelt de beslissing
                                over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip
                                waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen twee weken na de
                                datum van de beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager. </al><al>3. Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college
                                eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school
                                verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van
                                de vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend zijn
                                gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het college ingrijpende
                                wijziging van de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog
                                niet voor bekostiging in aanmerking. </al><al>4. De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting,
                                de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde
                                voorschriften, en de toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en
                                omstandigheden kunnen achterwege blijven als dat naar het oordeel
                                van het college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan mededeling
                                aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in artikel 15. </al><al>5. De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van een
                                voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. De
                                beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft dan
                                uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de
                                genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige toepassing. </al><al>6. Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft ingestemd,
                                overlegt de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte
                                afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het college de
                                aan de aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de
                                voorziening. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van
                                de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld
                                voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee
                                weken na de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis
                                gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de
                                offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><al>1. De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien
                                niet door de aanvrager vóór 1 oktober van het jaar volgend op de
                                vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend, dan
                                wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een
                                afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het college
                                is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is
                                onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de
                                termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het
                                werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde
                                overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                                erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding, alsmede
                                de duur van de overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum
                                van aankoop. </al><al>2. De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september een
                                schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn, als
                                bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft ingediend. </al><al>3. Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd,
                                wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als
                                bedoeld in het eerste lid wordt verlengd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><al>1. De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in
                                artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de aanvrager de
                                volgende gegevens te verstrekken: </al><al>a. een nadere aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in
                                de huisvesting spoedeisend maken; </al><al>b. de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden
                                aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen programma; </al><al>c. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten,
                                tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2 onder a,
                                onderdelen 6° tot en met 8° en artikel 2 onder d, e en f; </al><al>d. een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien het
                                een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste
                                volzin. </al><al>2. Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als
                                bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na
                                datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de
                                aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de
                                ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
                                mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de
                                vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag
                                niet te behandelen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><al>1. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn
                                verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na de
                                datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in
                                kennis gesteld door het college. </al><al>2. Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden gegeven,
                                stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij
                                een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
                                worden gezien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><al>1. De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college
                                heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de
                                voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de
                                in de Wet op het primair onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de regels toe
                                met betrekking tot: </al><al>a. de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I; </al><al>b. de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II; </al><al>c. de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage
                                III. </al><al>2. De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste
                                voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening
                                omvatten. </al><al>3. Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                bepaalde in bijlage IV , deel A voor de toegewezen voorziening
                                beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde bedrag is indien
                                het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college vast voor welke
                                datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur-
                                of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een
                                afschrift daarvan aan het college moet zijn toegezonden. Binnen vier
                                maanden na de datum van de beschikking door het college moet een
                                bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de
                                termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een
                                termijn van drie weken geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>1. Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde tijdstippen
                                een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is
                                gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten
                                aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 18, eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing. </al><al>2. De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere
                                omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en de
                                aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van deze datum
                                een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college
                                tot verlenging van de termijn. </al><al>3. Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging
                                op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college het
                                verzoek inwilligt, noemt het college een nieuwe datum waarop de
                                aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek
                                afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als
                                vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de
                                oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><al>1. Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor
                            plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik bestemde
                            voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan voorafgaand een
                            aanvraag voor bekostiging van de bouwvoorbereiding indienen bij het
                            college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
                            aanbesteding van die voorziening. </al><al>2. De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand aan
                            het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt gebruik
                            gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. </al><al>3. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens: </al><al>a. de naam en het adres van de aanvrager; </al><al>b. de dagtekening; </al><al>c. de naam van de school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt
                            gewenst; </al><al>d. de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste locatie
                            van de voorziening; </al><al>e. het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening; </al><al>f. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school
                            die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten; </al><al>g. een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging
                            blijkt, indien het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand
                            gebouw. Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
                            vastgestelde formulier ‘Bouwkundige opname’; </al><al>h. een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de
                            bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening bedoeld
                            in artikel 4, derde lid, laatste volzin. </al><al>4. Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde
                            lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de
                            aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15 maart de gegevens
                            aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is daarbij van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><al>1. Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het
                            overleg over de begroting als bedoeld in het vorige artikel, is het
                            bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige toepassing. </al><al>2. Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                            bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met de
                            aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het overleg als bedoeld
                            in artikel 10, eerste lid. Artikel 10, tweede, derde en vierde lid, zijn
                            daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><al>1. Het college neemt voor het tijdstip, als bedoeld in artikel 11,
                            tweede lid, een beslissing op de aanvraag. </al><al>2. De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover: </al><al>a. er voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                            bouwvoorbereiding beschikbaar zijn; </al><al>b. de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat; </al><al>c. er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar
                            van uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht. </al><al>3. Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot welk
                            bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het bedrag kan in
                            termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden gesteld, echter steeds op
                            een zodanig tijdstip dat de aanvrager aan zijn financiële verplichtingen
                            jegens derden die hij heeft ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan
                            voldoen. De aanvrager en het college maken afspraken over de
                            daadwerkelijke beschikbaarstelling van het bedrag. </al><al>4. Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                            aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing van
                            de voorziening op enig toekomstig programma.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin het besluit is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien: </al><al>a. er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en
                                het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel
                                6 of 19 voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend; </al><al>b. het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere
                                huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de
                                behoefte aan huisvesting kan worden voorzien; </al><al>c. er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en
                                beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of
                                instelling gangbare berekeningswijze; </al><al>d. er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school; </al><al>e. er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><al>1. Er is sprake van leegstand in een lesgebouw: </al><al>a. wanneer het betreft een gebouw van een school voor
                                basisonderwijs, indien uit de vergelijking van het aantal vierkante
                                meters bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op basis van bijlage
                                III, deel B en de capaciteit van het gebouw in vierkante meters
                                bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis van bijlage III,
                                deel A, blijkt dat er ten minste een aantal vierkante meters
                                bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage III, deel C
                                genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde school
                                of scholen; </al><al>2. Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte: </al><al>a. wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een of
                                meer scholen voor basisonderwijs, indien de som van het aantal
                                klokuren gebruik dat door het college wordt vergoed minder is dan 40
                                klokuren;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><al>1. Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw
                                waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik
                                heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van het
                                onderwijs aan die school of scholen.</al><al> 2. Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het
                                gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan
                                die scholen reeds ter beschikking staande huisvestingscapaciteit. </al><al>3. Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt: </al><al>a. als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik is
                                bij een school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit oogpunt van
                                doelmatigheid het vorderen van leegstand in een ander gebouw een
                                betere oplossing biedt; </al><al>b. vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school
                                van dezelfde richting is gehuisvest en </al><al>c. vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst
                                gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de
                                vordering plaatsvindt. </al><al>4. Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde
                                gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in
                                het derde lid opgenomen volgorde afwijken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><al>1. Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering
                                van leegstand in een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het
                                college daarover overleg met het bevoegd gezag waarvan de leegstand
                                gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is
                                bestemd. Dit overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
                                artikel 10. </al><al>2. Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk mededeling van
                                de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze
                                mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg
                                te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben. </al><al>3. Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in
                                het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert het
                                college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag
                                waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de
                                huisvesting is bestemd. </al><al>4. Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid,
                                doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het
                                bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan
                                worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft
                                geen bezwaar tegen de vordering te hebben. </al><al>5. De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het
                                tweede en vierde lid, bevat in ieder geval: </al><al>a. de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan
                                wordt gevorderd; </al><al>b. een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan
                                gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in lichamelijke
                                oefening, het aantal klokuren dat gevorderd wordt; </al><al>c. een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking
                                heeft; </al><al>d. een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat gevorderd
                                wordt; e. de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van
                                het medegebruik.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg een vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg
                                niet tot overeenstemming leidt wordt deze vergoeding gebaseerd op
                                het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen door het
                                ministerie van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de
                                groepsafhankelijke programma’s van eisen, zoals jaarlijks
                                gepubliceerd door het ministerie van OCW.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien: </al><al>a. sprake is van leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte
                                zoals bedoeld in artikel 30. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><al>1. Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met
                                het bevoegd gezag. </al><al>2. In dat overleg komt in ieder geval aan de orde: </al><al>a. voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt; </al><al>b. of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school; </al><al>c. welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat
                                het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het
                                medegebruik ondervindt; </al><al>d. wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een
                                redelijke vergoeding voor het medegebruik is; </al><al>e. de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan
                                nemen. </al><al>3. Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het
                                eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het overleg
                                heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die
                                afspraken. Voorzover het overleg niet tot overeenstemming heeft
                                geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college over deze
                                punten. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen
                                bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke
                                mededeling als hier bedoeld worden afgezien.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><al>1. Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het
                                toestemming voor de verhuur aan het college. </al><al>2. Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een
                                aanduiding van de huurder, en van de bestemming van de te verhuren
                                ruimte. </al><al>3. Het college verleent geen toestemming indien: </al><al>a. de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs; </al><al>b. de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school.
                                </al><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 6 Einde gebruik gebouwen en terreinen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><al>1. Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft
                            voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo spoedig
                            mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de door het
                            college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke akte of de datum
                            zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een
                            geschil over de totstandkoming van een gezamenlijke akte. </al><al>2. Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                            achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het eerste
                            lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort,
                            wordt, voordat de eigendomsoverdracht heeft plaats vindt, een staat van
                            onderhoud opgemaakt. </al><al>3. De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college na
                            overleg met het bevoegd gezag. </al><al>4. Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                            gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk
                            deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd gezag wordt uitgevoerd of
                            welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald wordt. Indien het
                            overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke
                            handelwijze gevolgd wordt. </al><al>5. Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit
                            naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><al>1. Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs verstrekt
                            jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een
                            opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste
                            onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende
                            gegevens: </al><al>a. de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal
                            klokuren; </al><al>b. de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het gebruik
                            wordt gewenst; </al><al>c. de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek wordt
                            gewenst. </al><al>2. De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                            gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als een
                            aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de
                            afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel van
                            toepassing is. </al><al>3. Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                            daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                            voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen
                            voor basisonderwijs van de op het grondgebied van de gemeente gelegen
                            gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik afgezet
                            tegen de beschikbare capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt
                            uitgegaan van een capaciteit van 26 klokuren per week per
                            gymnastiekruimte. 4</al><al>. Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                            inroostering het volgende in acht: </al><al>a. de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van
                            een gymnastiekruimte, zoals opgenomen in bijlage I, deel B; </al><al>b. het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden
                            school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte wordt voor de
                            betreffende school het eerste ingeroosterd voor die gymnastiekruimte; </al><al>c. het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                            ingeroosterd in één gymnastiekruimte. </al><al>5. Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor basisonderwijs
                            de volgende gegevens: </al><al>a. het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een
                            gymnastiekruimte; </al><al>b. de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden gedurende
                            welke het onderwijsgebruik plaatsvindt; </al><al>c. een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per
                            gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één gymnastiekruimte
                            plaatsvindt; </al><al>d. voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal
                            klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte voor
                            basisonderwijs voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt,
                            wordt vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag
                            van de school. Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit
                            lid onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor zover
                            daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met
                            het totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in
                            aanmerking komt. 6. Het voorstel tot inroostering wordt door het college
                            binnen twee weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde
                            gezagsorganen voor basisonderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden
                            daarbij uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg
                            vindt plaats binnen twee weken na toezending van het voorstel. In het
                            overleg worden de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de
                            gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel tot inroostering. </al><al>7. Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt
                            het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde lid,
                            de definitieve inroostering vast van het gebruik van de gymnastiekruimte
                            voor het volgende schooljaar. Indien het college daarbij afwijkt van een
                            of meer in het overleg als bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte
                            reacties, dan wordt dit gemotiveerd. 8. Binnen twee weken na
                            vaststelling van de inroostering ontvangen de betreffende bevoegde
                            gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college over de
                            inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun
                            bevoegd gezag staande school of scholen voor het volgende schooljaar.
                            Deze mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van
                            artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin van
                            artikel 32, vierde lid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><al>1. De verordening kan worden aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            huisvesting onderwijs gemeente Doesburg 2011 </al><al>2. Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is
                            bekendgemaakt en werkt terug tot en met 1 januari 2011 onder
                            gelijktijdige intrekking van de Verordening voorzieningen huisvesting
                            onderwijs gemeente Doesburg 2003.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Doesburg in zijn openbare
                        vergadering van 31 maart 2011.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>J.B. Voorhof drs. C.J.G. Luesink</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Doesburg/i68263.pdf">Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Doesburg 2011</extref></al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>