<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR106293_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ameland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ameland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeente Info, 19-06-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/zoeken_op/BWBR0005181/HoofdstukII659020/Afdeling2/Artikel8/geldigheidsdatum_07-07-2011">Woningwet, artikel 8 en 11</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-05-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-06-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ameland,</al><al>Overwegende het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 september
                        2010;</al><al>gelet op de artikel 8 en 11 van de Woningwet;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al> Artikel</al><al> 1.</al><al> de Bouwverordening gemeente Ameland 2010 overeenkomstig het daartoe door de
                        Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgestelde model, bijgewerkt tot en met
                        de dertiende serie wijzigingen, laatstelijk bij 22 april 2010, kenmerk
                        ECGR/U20100875, zulks met inachtneming van de
                        wijzigingen/aanvullingen/gekozen alternatieven en</al><al> 2.</al><al> bijlage A, het Reglement van orde van de adviescommissie Welstand en
                        Monumentenzorg.</al><al> 1 Inleidende bepalingen</al><al> Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al> 1. In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al> - asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 ;</al><al> - bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1,
                        eerste lid, onderdeel e , dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan
                        als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders;</al><al> - bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2
                        van de Woningwet ;</al><al> - bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de
                        Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht;</al><al> - bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of
                        ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij
                        indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                        of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al><al> - deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt
                        verstaan in artikel 6, eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005
                        ;</al><al> - gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                        Bouwbesluit ;</al><al> - hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens
                        burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al><al> - NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                        norm;</al><al> - NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                        voornorm;</al><al> - Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een bouwactiviteit
                        als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht ;</al><al> - Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een sloopactiviteit
                        als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht ;</al><al> - straatpeil:</al><al> a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de
                        hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;</al><al> b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst
                        de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing
                        van de bouw;</al><al> - weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of
                        paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de
                        wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                        liggende en als zodanis aangeduide parkeerterreinen.</al><al> 2. In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al> bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk</al><al> gebouw: een gedeelte van een gebouw</al><al> Artikel 1.2 Termijnen</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al><al> Alternatief 1</al><al> 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                        gemeente:</al><al> a. het gebied binnen de bebouwde kom;</al><al> b. het gebied buiten de bebouwde kom.</al><al> 2. Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze
                        verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al><al> Alternatief 2</al><al> 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                        gemeente:</al><al> a. het gebied met de grootste maximale bouwhoogte, als bedoeld in de
                        artikelen 2.5.20 (alternatief 2), 2.5.21 (alternatief 2), 2.5.23
                        (alternatief 2) en 2.5.24 (alternatief 2);</al><al> b. het overige deel van de bebouwde kom;</al><al> c. het gebied buiten de bebouwde kom.</al><al> 2. Als gebieden bedoeld in het vorige lid, onder a t/m c, gelden de
                        gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig zijn
                        aangegeven.</al><al> Alternatief 3</al><al> 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                        gemeente:</al><al> a. het gebied binnen de bebouwde kom;</al><al> b. het gebied buiten de bebouwde kom;</al><al> c. het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht, als bedoeld in
                        artikel 9.9, eerste lid.</al><al> 2. Als gebieden, bedoeld in het vorige lid onder a tot en met c, gelden de
                        gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig zijn
                        aangegeven.</al><al> Alternatief 4</al><al> 1. Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                        gemeente:</al><al> a. het gebied met de grootste maximale bouwhoogte, als bedoeld in de
                        artikelen 2.5.20 (alternatief 2), 2.5.21 (alternatief 2), 2.5.23
                        (alternatief 2) en 2.5.24 (alternatief 2);</al><al> b. het overige deel van de bebouwde kom;</al><al> c. het gebied buiten de bebouwde kom;</al><al> d. het gebied dat is uitgesloten van welstandstoezicht, als bedoeld in
                        artikel 9.9, eerste lid.</al><al> 2. Als gebieden, bedoeld in het vorige lid onder a tot en met d, gelden de
                        gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig zijn
                        aangegeven.</al><al> 2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al> Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</al><al> Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                        vergunningaanvragen</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</al><al> Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8,
                        vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><al> 1. a. de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht
                        volgens NEN5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol
                        dat volgt uit figuur 1.</al><al> b. vervallen</al><al> c. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes
                        of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de
                        wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al><al> 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                        artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het
                        bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is
                        aan een bouwwerk als genoemd in Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van
                        bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in Besluit
                        omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al><al> 3. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                        plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4,
                        onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van
                        artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente
                        onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al><al> Het college verleent ontheffing voor de verplichting tot het uitvoeren van
                        een bodemonderzoek omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de
                        bodemkwaliteit bekend zijn. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de bodem
                        van het betreffende perceel de kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde c.q. wonen
                        heeft en dat uit een historische toets blijkt dat het terrein niet verdacht
                        is op de aanwezigheid van bodemverontreiniging door bijvoorbeeld opslag van
                        producten, bodembedreigende bedrijfsactiviteiten en/of calamiteiten.</al><al> Om te bepalen of er sprake is van een niet verdachte locatie, dient het
                        formulier met de historische toets ingevuld te worden door de aanvrager van
                        de omgevingsvergunning. Op basis hiervan beoordeelt de gemeente Ameland of
                        vrijstelling van het bodemonderzoek verleend kan worden.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het
                        indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van
                        de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
                        instandhoudingtermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit
                        het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch
                        gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan
                        wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                        uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al><al> 5. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                        zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt
                        en voordat met de bouw wordt begonnen.</al><al> Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                        bouwvergunning</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                        woonwagens en standplaatsen</al><al> (vervallen)</al><al> Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al> Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</al><al> (vervallen).</al><al> Paragraaf 3 Welstandstoetsing</al><al> Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)</al><al> Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al><al> Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</al><al> Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><al> a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                        verblijven;</al><al> b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                        vereist; en</al><al> c. 1. dat de grond raakt, of</al><al> 2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                        gehandhaafd.</al><al> Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al> In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht , kan het bevoegd
                        gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in
                        het geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt.</al><al> Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</al><al> Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                        stedenbouwkundige bepalingen</al><al> vervallen</al><al> Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</al><al> Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen
                        in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen.</al><al> Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</al><al> 1. Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                        bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een
                        verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die
                        geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's
                        en het overige te verwachten verkeer.</al><al> 2. Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij
                        de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een
                        verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:</al><al> a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste
                        3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                        ten minste 4,2 m;</al><al> b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een
                        massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken;
                        en</al><al> c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al> 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw
                        voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                        onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning
                        is vereist, voor zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel
                        tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al><al> 4. Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, moeten
                        zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat een
                        doeltreffende verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan
                        worden gelegd.</al><al> 5. Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet
                        worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                        bluswatervoorziening.</al><al> 6. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging en
                        het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.</al><al> Artikel 2.5.3A Brandweeringang</al><al> (Vervallen).</al><al> Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al> 1. Tussen de toegang van enerzijds:</al><al> a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                        Bouwbesluit ;</al><al> b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                        Bouwbesluit;</al><al> en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al> 2. Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><al> a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al><al> b. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al> c. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                        plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in
                        de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit .</al><al> Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</al><al> De voorgevelrooilijn is:</al><al> a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging
                        van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de
                        weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig
                        beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al><al> b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig
                        is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10
                        meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte
                        geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de
                        weg.</al><al> Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</al><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al> Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al> Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><al> a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                        zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen bedoeld in artikel
                        3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><al> b. andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet
                        vallen onder de werking van de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel
                        7, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht , te weten:</al><al> 1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                        rioolputten;</al><al> 2. stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg
                        met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al><al> Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al> 1. In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor:</al><al> a. ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het
                        straatpeil;</al><al> b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2,
                        onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht , die
                        naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf
                        toelaatbaar zijn;</al><al> c. laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                        overschrijden;</al><al> d. erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de
                        voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden;</al><al> e. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                        stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                        schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                        bedoeld zijn in ;</al><al> f. overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken;</al><al> g. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor
                        zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande
                        omgeving.</al><al> 2. Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden toegestaan,
                        indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><al> - 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van
                        0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al> - 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al> en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in
                        gevaar komt.</al><al> Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</al><al> In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor:</al><al> a. gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
                        wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage
                        II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><al> b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                        waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                        alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub
                        b, c en d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><al> c. vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al><al> d. reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al><al> e. andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                        vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al><al> Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</al><al> 1. Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                        voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al><al> 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><al> a. de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking
                        genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al><al> b. in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de afwijking
                        genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter
                        de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al><al> c. in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al><al> 3. Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt
                        van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen
                        zich in beide wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden
                        van minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een
                        hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil -
                        worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd
                        blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid voor:</al><al> a. gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al><al> b. gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al><al> c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al> d. bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                        onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht bedoelde
                        gebouwen;</al><al> e. gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                        daaronder begrepen, en de daarbijbehorende woningen;</al><al> f. gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al><al> g. gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                        gebaat.</al><al> Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</al><al> 1. De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt
                        zich:</al><al> a. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of
                        regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                        gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                        voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                        dan 15 meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de
                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste;</al><al> b. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere
                        dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn,
                        bepaald op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                        bouwblok tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op
                        geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al> c. in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                        bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                        gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide
                        zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                        meter;</al><al> d. in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te
                        bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de
                        voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                        voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde
                        of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al> e. in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die
                        wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a
                        tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                        voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al><al> 2. Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen
                        een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing - in het
                        belang van de toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste 5
                        meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                        ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al><al> 3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het
                        gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.</al><al> Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</al><al> Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al> Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al> Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><al> a. buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                        zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                        daaronder begrepen;</al><al> b. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                        doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen,
                        indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
                        bedraagt;</al><al> c. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                        zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het bouwen waarvan op
                        grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II
                        bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al><al> d. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                        zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in
                        artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><al> e. andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet
                        vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                        Besluit omgevingsrecht , te weten:</al><al> 1. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                        rioolputten;</al><al> 2. terrassen, bordessen en bordestreden;</al><al> f. antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van
                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht .</al><al> Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al> In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor:</al><al> a. buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                        doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen,
                        waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
                        bedraagt;</al><al> b. binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al><al> c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al> d. gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                        grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een
                        spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van
                        die zijden mag worden bebouwd;</al><al> e. gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld
                        in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 , is verzekerd;</al><al> f. bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                        onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht ;</al><al> g. gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of
                        industrieterrein omvattend;</al><al> h. bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist;</al><al> i. ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de
                        hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw;</al><al> j. erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder
                        artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                        Besluit omgevingsrecht ;</al><al> k. trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                        stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al><al> l. bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor
                        zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                        omgeving.</al><al> Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</al><al> 1. Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste
                        een strook grond omvat die:</al><al> a. over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel,
                        en</al><al> b. voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen
                        tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                        meter.</al><al> 2. De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                        achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het
                        gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel
                        2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven.</al><al> 3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in:</al><al> a. het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
                        gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al><al> b. het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt
                        voldaan:</al><al> 1. een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al><al> 2. het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan
                        een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein
                        slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van
                        redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;</al><al> 3. bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te
                        bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de
                        bestaande toestand verbeterd.</al><al> Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</al><al> 1. Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                        dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn
                        ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel
                        van het gebouw en over de volle breedte daarvan.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid:</al><al> a. indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
                        vormen;</al><al> b. indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al> Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</al><al> 1. De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                        zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk
                        en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
                        ontstaan die:</al><al> a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter
                        breed zijn;</al><al> b. niet toegankelijk zijn.</al><al> Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf
                        wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is
                        voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al><al> Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><al> 1. Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                        12 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht .</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of
                        terrein.</al><al> Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                        ondergrondse hoofdtransportleidingen</al><al> 1. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding
                        bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen
                        bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, dan die welke deel uitmaken van de
                        hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden
                        gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                        hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
                        elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al><al> 2. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                        hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, worden gebouwd.</al><al> 3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                        van:</al><al> a. het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
                        indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen
                        bezwaar oplevert;</al><al> b. het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
                        indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de
                        leiding geen bezwaar bestaat.</al><al> Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</al><al> Alternatief 1</al><al> 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
                        van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist
                        in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al> a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen
                        langs de desbetreffende weg;</al><al> b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al><al> 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing
                        aan wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling
                        verschilt, in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke
                        aan de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de
                        hoek af gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg,
                        doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al><al> 3. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het
                        bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al><al> 4. Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt
                        ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid,
                        de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien de
                        tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van
                        die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de
                        onderbreking voorkomende rooilijnen.</al><al> Alternatief 2</al><al> 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
                        van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                        vereist, in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd
                        met:</al><al> a. in delen van de bebouwde kom, aangeduid op de bij de bouwverordening
                        behorende kaart, 1,73 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de
                        desbetreffende weg;</al><al> b. in het overige deel van de bebouwde kom eenmaal de afstand tussen de
                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al><al> c. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al><al> 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing
                        aan wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling
                        verschilt, in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke
                        aan de brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte, van de
                        hoek af gemeten gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                        smalle weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al><al> 3. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het
                        bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al><al> 4. Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt,
                        geldt ter bepaling van de maximale hoogte, bedoeld in het eerste lid, de
                        dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende
                        rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van de onderbreking de
                        verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking
                        voorkomende rooilijnen.</al><al> Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</al><al> Alternatief 1</al><al> 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
                        van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                        vereist in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd
                        met:</al><al> a. in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al><al> b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te beschouwen
                        achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte
                        van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand
                        tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde
                        tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al><al> 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte
                        van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen
                        dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al> 4. Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil
                        ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een
                        maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het
                        onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de
                        bouw.</al><al> Alternatief 2</al><al> 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
                        van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                        vereist in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd
                        met:</al><al> a. in delen van de bebouwde kom, aangeduid op de bij de bouwverordening
                        behorende kaart 1,73 maal de afstand tot de tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al><al> b. in het overige deel van de bebouwde kom eenmaal de afstand tot de
                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al><al> c. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te beschouwen
                        achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte
                        van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand
                        tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde
                        tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al><al> 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte
                        van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen
                        dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al> 4. Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil
                        ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een
                        maat gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het
                        onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de
                        bouw.</al><al> Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                        achtergevelrooilijn</al><al> 1. Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                        gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de
                        andere weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan
                        bedraagt - onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte
                        van de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek
                        ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn
                        die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                        worden bepaald als beschreven is in , tweede lid, voor de bepaling van de
                        afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de
                        voorgevel.</al><al> Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</al><al> Alternatief 1</al><al> 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het
                        bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en de
                        achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale
                        vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op
                        de - krachtens de artikel 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met
                        het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><al> a. 45 graden in de bebouwde kom;</al><al> b. 37 graden buiten de bebouwde kom.</al><al> 2. Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die
                        gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit
                        bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak
                        door die zijgevel snijdt ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 -
                        maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                        graden.</al><al> Alternatief 2</al><al> 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het
                        bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en de
                        achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale
                        vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op
                        de - krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die
                        met het horizontale vlak een hoek vormen van:</al><al> a. 60 graden in delen van de bebouwde kom, aangeduid op de bij de
                        bouwverordening behorende kaart;</al><al> b. 45 graden in het overige deel van de bebouwde kom;</al><al> c. 37 graden buiten de bebouwde kom.</al><al> 2. Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die
                        gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit
                        bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak
                        door die zijgevel snijdt ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 -
                        maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                        graden.</al><al> Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</al><al> Alternatief 1</al><al> 1. De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15 meter.</al><al> 2. Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                        verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst
                        gelegen weg.</al><al> Alternatief 2</al><al> 1. De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, mag in delen van de bebouwde kom, aangeduid
                        op de bij de bouwverordening behorende kaart, niet meer bedragen dan 26
                        meter en de hoogte van een bouwwerk in de overige delen van de gemeente mag
                        niet meer bedragen dan 15 meter.</al><al> 2. Bouwen op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in
                        de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - is in delen van de
                        bebouwde kom, aangeduid op de bij de bouwverordening behorende kaart, niet
                        toegelaten tot een grotere hoogte dan 26 meter en in de overige delen van de
                        gemeente niet tot een grotere hoogte dan 15 meter.</al><al> 3. Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                        verschillende hoogten liggen, dan geldt de in het eerste lid bedoelde hoogte
                        ten opzichte van de laagst gelegen weg.</al><al> Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                        terreinen</al><al> 1. De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                        artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg
                        grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande
                        dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat - daarboven een
                        zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                        omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al><al> Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</al><al> 1. De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak
                        van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil.</al><al> 2. De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                        worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke
                        verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en 2.5.28, onder h, i,
                        j en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten
                        beschouwing worden gelaten.</al><al> Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al> Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
                        van toepassing op:</al><al> a. onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                        zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in
                        artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><al> b. het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het
                        aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in
                        artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><al> c. topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de
                        achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de
                        geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is
                        dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                        plaatse;</al><al> d. plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.</al><al> Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</al><al> In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><al> a. gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                        gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen;</al><al> b. gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                        welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al><al> c. gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en
                        industrieterrein;</al><al> d. agrarische bedrijfsgebouwen;</al><al> e. het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                        anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                        omgevingsrecht , en indien:</al><al> 1. de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en
                        de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al><al> 2. bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere
                        hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al><al> f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                        waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                        anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het
                        Besluit omgevingsrecht ;</al><al> g. topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                        aard;</al><al> h. plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;</al><al> i. dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                        meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder
                        dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter
                        bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al><al> j. draagconstructies voor een reclame;</al><al> k. vrijstaande schoorstenen;</al><al> l. bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan
                        wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover
                        zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                        aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al> Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval
                        van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</al><al> In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><al> a. er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al><al> b. geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de Wet
                        algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al><al> c. de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                        toekomstig ruimtelijk beleid;</al><al> d. de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                        en</al><al> e. de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                        bevat.</al><al> Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                        gebouwen</al><al> Alternatief 1</al><al> 1. Indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat is
                        aangeduid op de - bij deze bouwverordening behorende - kaart als zijnde een
                        gebied dat per openbaar vervoer uitstekend of goed bereikbaar is, moet -
                        voor zover de omvang of de bestemming van het gebouw daartoe aanleiding
                        geeft - ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in beperkte mate
                        ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het
                        onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al><al> 2. Indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat is
                        aangeduid op de - bij deze bouwverordening behorende - kaart als zijnde een
                        gebied: a waarin de bereikbaarheid per openbaar vervoer in de toekomst
                        uitstekend of goed zal zijn; en b waarin tevens, totdat die verbeterde
                        bereikbaarheid is verwezenlijkt, van gemeentewege voor aanvullende parkeer-
                        of stallingruimte wordt zorg gedragen; moet - voor zover de omvang of de
                        bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft - ten behoeve van het
                        parkeren of stallen van auto's in beperkte mate ruimte zijn aangebracht in,
                        op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij
                        dat gebouw behoort.</al><al> 3. Indien een gebouw gelegen is in een ander deel van de gemeente dan wordt
                        bedoeld in het eerste en het tweede lid, en de omvang of de bestemming van
                        het gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of
                        stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder
                        dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                        behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de
                        bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de
                        eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al><al> 4. De - in de voorgaande leden bedoelde - ruimten voor het parkeren van
                        auto's moeten afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                        personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al> a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij
                        5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al><al> b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                        gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een
                        trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al><al> 5. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                        verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet
                        in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat
                        gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                        behoort.</al><al> 6. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste, het tweede, het derde en het vijfde lid:</al><al> a. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan
                        wel laad- of losruimte wordt voorzien;</al><al> b. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op
                        overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden - voor wat
                        betreft de toepassing van het eerste en het tweede lid - in elk geval worden
                        gerekend:</al><al> - een te verwachten meer dan gemiddeld aantal gehandicapte gebruikers of
                        bezoekers van het gebouw;</al><al> - een te verwachten meer dan gemiddeld aantal klanten of bezoekers, indien
                        het gebouw bestemd is voor de vestiging van één of meer
                        detailhandelsbedrijven, dan wel openbare dienstverlening of
                        vermakelijkheid;</al><al> - een bestemming van het gebouw als parkeergarage, dan wel
                        garagebedrijf.</al><al> Alternatief 2</al><al> 1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding
                        geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende
                        mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder
                        het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet
                        overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw,
                        waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per
                        openbaar vervoer.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet
                        afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze
                        eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al> a. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij
                        5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al><al> b. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                        gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een
                        trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al><al> 3. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                        verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet
                        in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat
                        gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                        behoort.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><al> a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op
                        overwegende bezwaren stuit; of</al><al> b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan
                        wel laad- of losruimte wordt voorzien.</al><al> Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al> Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteraanduidingen</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                        hulpverleningsdiensten</al><al> (vervallen)</al><al> Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al> Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al> De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het
                        distributienet van de openbare waterleiding:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                        zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij
                        zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 50 m.</al><al> Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al> De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                        zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 100 m.</al><al> Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al> 1. De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet
                        voor aardgas:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                        zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                        voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40
                        m. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen, waarin voor
                        het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor
                        verwarming geen individuele aansluiting voor gastoevoer nodig is.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid:</al><al> a. voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m²;</al><al> b. voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al><al> c. voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke
                        voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit
                        (warmtedistributienet).</al><al> Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke
                        voorziening voor verwarming</al><al> Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor verwarming
                        van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit
                        (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te bouwen bouwwerk zijn
                        aangesloten op die publieke voorziening:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtstbijzijnde
                        leiding van die publieke voorziening is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van de
                        publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                        voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40
                        m.</al><al> Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al> Alternatief 1</al><al> 1. De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de
                        in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten
                        aan een openbaar riool. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid:</al><al> a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                        is;</al><al> b. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al><al> 2. Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><al> a. op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor
                        het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van
                        het gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten
                        kruisen;</al><al> b. of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden
                        tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater,
                        faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag gelegen is om op
                        natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.</al><al> 3. Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer moet
                        worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde
                        aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede
                        werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van
                        hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de
                        hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                        geeft.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder
                        verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is:</al><al> a. voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar
                        riool zijn gelegen;</al><al> b. voor agrarische bedrijven.</al><al> Alternatief 2</al><al> 1. De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën moeten zijn
                        aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is deze eis in delen
                        van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is.</al><al> 2. Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><al> a. op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor
                        het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van
                        het gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten
                        kruisen;</al><al> b. of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden
                        tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater en
                        faecaliën, ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op
                        het openbaar riool te lozen.</al><al> 3. Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al dan
                        niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden
                        tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede staat van
                        het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere
                        aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van
                        de af te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder
                        verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is:</al><al> a. voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar
                        riool zijn gelegen;</al><al> b. voor agrarische bedrijven.</al><al> Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al> Alternatief 1</al><al> 1. Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                        aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën,
                        alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in
                        bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet
                        aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende
                        bepalingen:</al><al> a. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling,
                        moeten lozen op een rottingput met overstort;</al><al> b. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling,
                        moeten lozen op een mestkelder of een beerput zonder overstort, een gierput
                        of een rottingput met overstort;</al><al> c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen
                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al><al> d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al><al> 2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                        het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op andere wijze
                        zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is.</al><al> Alternatief 2</al><al> 1. Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                        aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën niet
                        aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende
                        bepalingen:</al><al> a. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling,
                        moeten lozen op een rottingput met overstort;</al><al> b. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling,
                        moeten lozen op een mestkelder of een beerput zonder overstort, een gierput
                        of een rottingput met overstort;</al><al> c. leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                        overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
                        van water, bodem en lucht kan optreden;</al><al> d. leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet
                        lozen op een rottingput.</al><al> 2. De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken
                        aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten:</al><al> a. zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht kan
                        optreden; en</al><al> b. zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte opvang- en
                        bezinkingsvoorziening van voldoende capaciteit, welke voorziening in verband
                        met de grootte van de te ontwateren oppervlakken en de bodemgesteldheid ter
                        plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand van de perceelgrenzen en de
                        bebouwing op het perceel.</al><al> 3. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking:</al><al> a. van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op andere wijze
                        zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is;</al><al> b. van het bepaalde in het tweede lid, indien de bodemgesteldheid en de
                        grondwaterafvoer ter plaatse, dan wel de omvang van het perceel de
                        infiltratie van hemelwater niet toelaten en bovendien de afvoervoorziening
                        voor hemelwater niet wordt aangesloten aan een rottingput.</al><al> Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                        en terreinen</al><al> 1. Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                        scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                        plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.</al><al> 2. De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen
                        van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting
                        gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de
                        buitenriolering.</al><al> 3. In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting
                        aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingputten
                        voorkomen.</al><al> 4. Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                        vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop
                        hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een voldoende
                        binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn
                        voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave
                        2007.</al><al> 5. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de
                        afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens
                        van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125
                        mm.</al><al> 6. Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                        leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend
                        zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan
                        het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7.</al><al> Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen</al><al> De in de artikiele 2.71, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                        beschouwd.</al><al> 3 De melding</al><al> Artikel 3.1 De wijze van melden</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 3.2 Welstandscriteria</al><al> (vervallen)</al><al> 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van
                        een bouwwerk</al><al> Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                        tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</al><al> (Vervallen).</al><al> Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al> Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                        aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                        gegeven:</al><al> a. de omgevingsvergunning voor het bouwen;</al><al> b. andere toestemmingen;</al><al> c. het bouwveiligheidsplan;</al><al> d. een besluit ingevolge artikel 13 , 13a en 14, tweede lid, sub b van de
                        Woningwet , dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                        oplegging van een last onder dwangsom.</al><al> Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)</al><al> Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al><al> Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor omgevingsvergunning voor het
                        bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van de
                        omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen alvorens
                        door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig:</al><al> a. het straatpeil is aangegeven;</al><al> b. de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                        uitgezet.</al><al> Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                        van) de bouwwerkzaamheden</al><al> 1. Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                        omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd het bepaalde
                        in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen - ten minste
                        twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het
                        bouwproces in kennis te worden gesteld:</al><al> a. de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder
                        begrepen;</al><al> b. de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van
                        proefpalen daaronder begrepen;</al><al> c. de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al><al> 2. Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                        worden gesteld van het storten van beton.</al><al> 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien
                        het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al><al> Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</al><al> Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                        ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                        bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                        verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al><al> Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</al><al> Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                        ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                        wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                        grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                        naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid
                        van die bouwwerken schaadt.</al><al> Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</al><al> 1. Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                        moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                        veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg
                        gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken,
                        open erven en terreinen en hun gebruikers.</al><al> 2. Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten,
                        wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd
                        niet inbegrepen:</al><al> a. de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van
                        het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld,
                        dat het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al><al> b. machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand,
                        dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de
                        daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;</al><al> 3. Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische
                        verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven
                        bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt
                        onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.</al><al> 4. Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of
                        andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt
                        nodig zijn.</al><al> Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</al><al> 1. Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke
                        werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van
                        de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien
                        gevaar of hinder te duchten is.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en
                        ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de
                        toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen,
                        er niet door wordt belemmerd.</al><al> 3. Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet
                        van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden,
                        moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht
                        dit niet nodig acht.</al><al> Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</al><al> 1. Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen
                        en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft,
                        voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud
                        verkeren.</al><al> 2. Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                        werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving
                        optreedt.</al><al> 3. Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of
                        ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                        verbieden.</al><al> 4. Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                        gebruiken krachtwerktuig:</al><al> a. uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al><al> b. de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al><al> c. het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden
                        gebruikt.</al><al> 5. Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing
                        indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de
                        Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing
                        is.</al><al> Artikel 4.11 Bouwafval</al><al> 1. Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de
                        volgende fracties:</al><al> a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                        Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al><al> b. steenwol, mits dit meer dan 1 m³ per bouwproject bedraagt;</al><al> c. glaswol, mits dit meer dan 1 m³ per bouwproject bedraagt;</al><al> d. overig afval.</al><al> 2. Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                        fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de
                        bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al><al> 3. Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject
                        minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m³, mag degene die
                        bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval meenemen naar zijn
                        bedrijf voor tijdelijke opslag.</al><al> Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</al><al> 1. Van het gereedkomen:</al><al> a. van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering,
                        alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                        straatpeil;</al><al> b. van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                        thermische isolatie in andere besloten constructies</al><al> moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a en b
                        bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al><al> 2. Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                        mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden
                        onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving.</al><al> 3. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die
                        onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de omgevingsvergunning voor
                        het bouwen verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing
                        is bepaald.</al><al> 4. Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                        omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het einde van
                        die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al><al> 5. De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                        bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al><al> Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</al><al> 1. Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                        buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee
                        dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden gesteld
                        van de te treffen maatregelen ten behoeve van:</al><al> a. het niet verwerken van bevroren materialen;</al><al> b. het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al><al> c. de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen
                        vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog
                        beneden 2 graden Celsius is.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                        bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al><al> Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</al><al> Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                        nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht.</al><al> 5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en
                        het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</al><al> Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al><al> Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</al><al> 1. Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                        bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al><al> 2. Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                        veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers
                        of anderen, ten gevolge van:</al><al> a. drassigheid;</al><al> b. stank;</al><al> c. verontreiniging;</al><al> d. aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al><al> e. aanwezigheid van begroeiing.</al><al> Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</al><al> 1. Indien de toegang van een gebouw meer dan .. meter is verwijderd van een
                        openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare
                        wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                        ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer, tenzij
                        de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al> 2. Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij
                        de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een
                        verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:</al><al> a. een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste
                        3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                        ten minste 4,2 m;</al><al> b. zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een
                        massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken;
                        en</al><al> c. op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al> 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw
                        voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                        onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning
                        is vereist, voor zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel
                        tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al><al> 4. Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                        aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de
                        bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het
                        gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al> 5. Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet
                        worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                        bluswatervoorziening.</al><al> Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al> 1. Tussen de toegang van enerzijds:</al><al> a. een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                        Bouwbesluit ;</al><al> b. een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit
                        ;</al><al> en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al> 2. Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><al> a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al><al> b. geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al> c. ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                        plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in
                        de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit .</al><al> Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al> Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen,
                        niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                        kantoorgebouwen</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen
                        van bijzondere aard</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                        logiesverblijven en logiesgebouwen</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                        kantoorgebouwen</al><al> (vervallen)</al><al> Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al> Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al> De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                        aan het distributienet van de openbare waterleiding:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                        zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij
                        zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 50 m.</al><al> Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al> De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                        zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 100 m.</al><al> Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al> De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor
                        aardgas:</al><al> a. indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                        zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al> b. indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                        voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40
                        m.</al><al> Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><al> a. woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas
                        aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer
                        nodig is;</al><al> b. woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m²;</al><al> c. woningen die niet worden verhuurd;</al><al> d. woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al><al> Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al> 1. De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de
                        eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                        hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in , op een doeltreffende wijze
                        zijn aangesloten aan een openbaar riool.</al><al> 2. Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><al> a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                        is;</al><al> b. op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool
                        zijn gelegen;</al><al> c. voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al><al> d. op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor bedrijfsdoeleinden
                        worden gebruikt en een daartoe voldoende ruime mestkelder, gier- of beerput
                        aanwezig is.</al><al> Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al> Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden
                        de volgende bepalingen:</al><al> a. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling,
                        moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar
                        die toiletten aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische
                        bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;</al><al> b. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                        waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een
                        doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig
                        zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen
                        verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al><al> c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen
                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al><al> d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al><al> Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                        en terreinen</al><al> Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al> Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen</al><al> De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet
                        worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder
                        bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het
                        dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten
                        bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk
                        worden beschouwd.</al><al> Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al> Artikel 5.4.1 Preventie</al><al> Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al> 6 Brandveilig gebruik</al><al> Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</al><al> Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</al><al> (vervallen)</al><al> Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                        brandgevaar</al><al> Artikel 6.2.1 Gebruikseisen van bouwwerken</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al> (vervallen)</al><al/><al> Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</al><al> (vervallen)</al><al> Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                        brand</al><al> Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</al><al> (vervallen)</al><al> Paragraaf 4 Hinder in verband met brandveiligheid</al><al/><al> Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al> (vervallen)</al><al> 7 Overige gebruiksbepalingen</al><al> Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al> Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</al><al> Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te
                        doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is
                        medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met:</al><al> a. bouwvalligheid van het bouwwerk;</al><al> b. bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al><al> Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                        hygiëne</al><al> Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                        afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                        voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken
                        over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen
                        beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of
                        een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het
                        gebruik van het bouwwerk te staken.</al><al> Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</al><al> (vervallen).</al><al> Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al> Alternatief artikel:</al><al> Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf</al><al> Bepaling aantal personen nachtverblijf</al><al> In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit
                        omgevingsrecht , wordt het aantal personen bepaald op .... (N.B. Hier
                        invullen bij welk gewenst aantal personen de vergunningsplicht geldt).</al><al> Artikel 7.3.2 Hinder</al><al> Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein
                        voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                        verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><al> a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of
                        stof wordt verspreid;</al><al> b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het
                        bouwwerk, het open erf of terrein;</al><al> c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of
                        vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt
                        door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door
                        schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                        bouwwerk, open erf of terrein;</al><al> d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al><al> Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft
                        nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in
                        deze wet genoemde wet van toepassing is.</al><al> Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al> Artikel 7.4.1 Preventie</al><al> 1. Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat
                        het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al> 2. Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard
                        dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken.</al><al> Paragraaf 5 Watergebruik</al><al> Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al> Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag
                        schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                        gebruiken.</al><al> Paragraaf 6 Installaties</al><al> Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al> Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit , het
                        Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid
                        verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een
                        onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al><al> 8 Slopen</al><al> Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al> Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al> 1. Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te slopen
                        zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag.</al><al> 2. De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar
                        redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10
                        m³, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is
                        geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een besluit op grond van
                        artikel 13 van de Woningwet , dan wel een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al><al> Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in
                        het derde lid.</al><al> 3. Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen
                        slechts voorschriften over:</al><al> a. de veiligheid tijdens het slopen;</al><al> b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al><al> c. het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het
                        sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een
                        fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval;</al><al> d. het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens
                        als bedoeld in , artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze
                        gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al><al> 4. De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid,
                        onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de
                        fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein
                        en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het
                        sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                        slopen met betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed
                        maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn
                        waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al><al> 5. De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in
                        een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een seizoengebonden
                        bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het tijdelijke
                        bouwwerk.</al><al> Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</al><al> (vervallen).</al><al> Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</al><al> (vervallen).</al><al> Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</al><al> (vervallen).</al><al> Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</al><al> (vervallen).</al><al> Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</al><al> Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien:</al><al> a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door
                        het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                        gewaarborgd;</al><al> b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen
                        onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op
                        een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al><al> c. een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten ingevolge
                        de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke
                        monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;</al><al> d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet
                        op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht van de
                        Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft behouden, is vereist
                        en deze niet is verleend;</al><al> Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</al><al> Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien:</al><al> a. de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave
                        van gegevens;</al><al> b. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning
                        voor het slopen geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al><al> c. tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                        werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                        stilliggen.</al><al> Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                        het slopen</al><al> Artikel 8.2.1 Sloopmelding</al><al> 1. In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen omgevingsvergunning
                        voor het slopen vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep
                        of bedrijf in zijn geheel slopen van:</al><al> a. geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden
                        zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die
                        woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het
                        kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of
                        bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te
                        verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per
                        kadastraal perceel bedraagt;</al><al> b. asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                        vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning staand
                        bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de
                        uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                        gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende
                        vloerbedekking of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per
                        kadastraal perceel bedraagt;</al><al> mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders
                        en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is
                        gemeld is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is
                        vereist.</al><al> 2. Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden
                        gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders
                        vastgesteld formulier.</al><al> 3. De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in ..voud worden
                        ingediend.</al><al> 4. De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands
                        zijn gesteld.</al><al> 5. In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het
                        gebruik van het bouwwerk.</al><al> 6. Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester
                        en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                        datum van ontvangst is vermeld.</al><al> 7. Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                        mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de
                        mededeling van rechtswege gedaan.</al><al> 8. Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het
                        eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering,
                        opslag en afvoer van asbest.</al><al> 9. De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het zevende
                        lid is verplicht het gestelde in een door de minister van volkshuisvesting,
                        ruimtelijke ordening en milieubeheer uitgegeven publicatie ter zake van het
                        slopen van asbest bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de
                        houder verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de
                        voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te nemen.</al><al> 10. Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop
                        vrijkomt is niet toegestaan.</al><al> 11. Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en
                        met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en
                        wethouders degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen
                        één week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al><al> Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                        omgevingsvergunning voor het slopen</al><al> In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                        omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover
                        dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van
                        de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen
                        van:</al><al> a. geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al><al> b. verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                        kassen;</al><al> c. rem- en frictiematerialen;</al><al> d. pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al><al> e. pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen
                        met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.</al><al> Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al> Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</al><al> Het bepaalde in de tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het
                        slopen en het sloopterrein.</al><al> Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al> Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een
                        besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                        dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter
                        inzage worden gegeven.</al><al> Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                        slopen</al><al> 1. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het slopen,
                        voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig
                        bedrijf.</al><al> 2. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een afschrift
                        van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen
                        krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al><al> 3. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten minste
                        één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het bevoegd gezag
                        schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen,
                        voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden.</al><al> 4. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen twee
                        weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag een afschrift
                        van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid
                        van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 .</al><al> Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</al><al> 1. Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het slopen
                        is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt
                        ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan
                        het bouw- en woningtoezicht.</al><al> 2. Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang
                        van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de
                        beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden.
                        Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk
                        geschieden.</al><al> Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</al><al> 1. Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk
                        aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt
                        gesloopt.</al><al> 2. Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken
                        worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te
                        voorkomen.</al><al> Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</al><al> Vervallen</al><al> Paragraaf 4 Vrij slopen</al><al> Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</al><al> 1. Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning
                        krachtens , noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten
                        minste te worden gescheiden in de navolgende fracties:</al><al> a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                        afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al><al> b. steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al><al> c. bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al><al> d. met PAKS verontreinigde materialen;</al><al> e. asfalt;</al><al> f. dakgrind;</al><al> g. overig afval.</al><al> 2. Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                        fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het
                        sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al><al> Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><al> Alternatief 1</al><al> 1. De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan ...
                        die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie,
                        hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie.</al><al> 2. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen
                        voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al> 3. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                        genoemde welstandscriteria.</al><al> Alternatief 2</al><al> 1. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen
                        voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al> 2. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                        genoemde welstandscriteria.</al><al> Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</al><al> Alternatief 1</al><al> 1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en ...
                        leden, waarvan ten minste ... leden deskundig zijn op het gebied van
                        architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al><al> 2. Voor de voorzitter en leden worden ... plaatsvervangers aangewezen die
                        hen bij afwezigheid kunnen vervangen.</al><al> 3. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste
                        drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over
                        deskundigheid op het gebied van welstand.</al><al> 4. De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten
                        opzichte van het gemeentebestuur.</al><al> 5. De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens
                        plaatsvervanger.</al><al> Alternatief 2</al><al> 1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en ...
                        leden, waarvan ten minste ... leden deskundig zijn op het gebied van
                        architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al><al> 2. Voor de voorzitter en leden worden ... plaatsvervangers aangewezen die
                        hen bij afwezigheid kunnen vervangen.</al><al> 3. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste
                        drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over
                        deskundigheid op het gebied van welstand.</al><al> 4. De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten
                        opzichte van het gemeentebestuur.</al><al> 5. De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens
                        plaatsvervanger.</al><al> 6. In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders als
                        bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al><al> Alternatief 3</al><al> 1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een
                        voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn
                        op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                        cultuurhistorie.</al><al> 2. Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al><al> 3. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste
                        drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over
                        deskundigheid op het gebied van welstand.</al><al> 4. De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                        gemeentebestuur.</al><al> Alternatief 4</al><al> 1. De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een
                        voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn
                        op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                        cultuurhistorie.</al><al> 2. Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al><al> 3. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste
                        drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over
                        deskundigheid op het gebied van welstand.</al><al> 4. De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                        gemeentebestuur.</al><al> 5. In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders als
                        bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al><al> Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</al><al> 1. De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                        welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de
                        burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</al><al> 2. De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn
                        van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een
                        periode van ten hoogste drie jaar.</al><al> 3. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bij deze
                        verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande
                        leden, nadere benoemingsprocedures.</al><al> Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al> De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                        voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:</al><al> - op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                        welstandsnota;</al><al> - de werkwijze van de welstandscommissie;</al><al> - op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                        vergaderen;</al><al> - de aard van de beoordeelde plannen;</al><al> - de bijzondere projecten.</al><al> De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                        aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en
                        de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al><al> Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><al> 1. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of
                        namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al> 2. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft
                        op een deel van project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie
                        weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is
                        verzocht.</al><al> 3. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                        welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden
                        van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een
                        langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de
                        termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel
                        3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht .</al><al> Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al><al> 1. De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar.
                        De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig
                        bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws-
                        of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                        burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een
                        verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en
                        wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                        openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt
                        zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al><al> 2. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom
                        bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen
                        heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat
                        gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.</al><al> 3. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                        behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient
                        de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te
                        ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                        behandeld.</al><al> Alternatief 1:</al><al> Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van
                        orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is
                        vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid
                        wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen.</al><al> Alternatief 2:</al><al> Er is geen spreekrecht.</al><al> Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</al><al> 1. De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                        mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden
                        (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen
                        het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                        verondersteld.</al><al> 2. In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog voor
                        aan de welstandscommissie.</al><al> 3. Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het
                        bevoegd gezag - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen
                        tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeeste en wethouders daaraan
                        klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                        bestuur ten grondslag te leggen.</al><al> Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al> 1. De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                        schriftelijk.</al><al> 2. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                        burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al> Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</al><al> 1. Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen
                        heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te sluiten
                        van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan
                        nadat:</al><al> a. op het voornemen inspraak is verleend;</al><al> b. het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al><al> 2. De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                        voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                        verordening.</al><al> 10 Overige administratieve bepalingen</al><al> Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</al><al> (vervallen).</al><al> Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                        onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</al><al> (vervallen).</al><al> Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</al><al> (vervallen).</al><al> Artikel 10.4 Overdragen mededeling</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                        woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</al><al> Vervallen.</al><al> Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                        voorschriften</al><al> Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                        behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
                        betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
                        of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al><al> 11 Handhaving</al><al> Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</al><al> Vervallen.</al><al> Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</al><al> Vervallen.</al><al> Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</al><al> Vervallen.</al><al> Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</al><al> (vervallen)</al><al> 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al><al> Artikel 12.1 Strafbare feiten</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</al><al> (Vervallen)</al><al> Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven
                        en terreinen</al><al> Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                        gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op
                        basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de
                        Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van
                        artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn
                        gesteld.</al><al> Artikel 12.4</al><al> (vervallen).</al><al> Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</al><al> (vervallen)</al><al> Artikel 12.6 Slotbepaling</al><al> Alternatief 1 (inwerkingtreding ineens)</al><al> 1. Deze verordening treedt in werking op de ... dag na die waarop zij is
                        afgekondigd.</al><al> 2. Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><al> a. de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. .......... en alle
                        daarin aangebrachte wijzigingen;</al><al> b. de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d.
                        .......... en alle daarin aangebrachte wijzigingen, voor zover deze
                        brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig gebruik van
                        bouwwerken stelt.</al><al> 3. Deze verordening kan worden aangehaald als 'bouwverordening'.</al><al> Alternatief 2 (gefaseerde inwerkingtreding)</al><al> 1. Deze verordening treedt in werking op de ... dag na die waarop zij is
                        afgekondigd, met uitzondering van de artikelen</al><al> - 2.1.5, 2.2.5, 2.4.1, 2.4.2 en 12.2 (kiezen bij fasering van de
                        bodembepalingen)</al><al> - 4.11. 8.1 t/m 8.10 en 12.5 (kiezen bij fasering van de bepalingen over
                        bouw- en sloopafval)</al><al> - 6.1.1 t/m 6.3.2 en 12.4 (kiezen bij fasering van de bepalingen over
                        brandveilig gebruik)</al><al> ~</al><al> 2. Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><al> a. de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. .......... en alle
                        daarin aangebrachte wijzigingen;</al><al> - (bij gefaseerde inwerkingtreding van de bepalingen m.b.t. slopen dient
                        tussen 'wijzigingen' en de puntkomma opgenomen te worden: , met uitzondering
                        van de artikelen 304 en 305)</al><al> b. de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d.
                        .......... en alle daarin aangebrachte wijzigingen, voor zover deze
                        brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig gebruik van
                        bouwwerken stelt.</al><al> - (bij gefaseerde inwerkingtreding van de bepalingen m.b.t. het brandveilig
                        gebruik dient het bovenstaande onder 2b niet opgenomen te worden; van de dan
                        resterende tekst van lid 2 kan een lopend geheel gemaakt worden waarbij de
                        aanduiding 'a' achterwege kan blijven.)</al><al> 3. Deze verordening kan worden aangehaald als 'bouwverordening'.</al><al> Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</al><al> Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</al><al> Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als
                        bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen)</al><al> Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en
                        bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening
                        (vervallen)</al><al> Artikel 3 Funderingsplan (vervallen)</al><al> Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)</al><al> Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen)</al><al> Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)</al><al> Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)</al><al> Bijlagen 2 t/m 6</al><al> (vervallen)</al><al> Bijlage 7</al><al> Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven
                        en terreinen</al><al> Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al> De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><al> a. NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen'
                        (met correctieblad d.d. december 1979);</al><al> b. NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                        correctieblad d.d. december 1979);</al><al> c. NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                        buitenrioleringen';</al><al> d. NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                        buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen,
                        hulpstukken en het systeem' (Engelstalig;</al><al> e. NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                        buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                        aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3,
                        uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig);</al><al> f. NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                        buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                        aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en
                        monstername' (Engelstalig);</al><al> g. NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                        buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                        Beproevingsmethoden' (Engelstalig).</al><al> Bijlage 8</al><al> (vervallen)</al><al> Bijlage 9</al><al> Reglement van orde van de welstandscommissie</al><al> De tekst van het reglement van orde dient vanuit de specifiek lokale
                        situatie te worden opgesteld.</al><al> In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de
                        (provinciale) welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om
                        een universeel toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in
                        de modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het
                        al dan niet werken met rayonarchitecten, het al niet gebruik van
                        subcommissies en het al dan niet samenwerken met een monumentencommissie.
                        Een reglement van orde, afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten
                        in het algemeen op in samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties
                        waarbij zij zijn aangesloten.</al><al/><al> Bijlagen 10, 11 en 12</al><al> (Vervallen)</al><al> Toelichting op de Model-bouwverordening (MBV)</al><al> Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</al><al> Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</al><al> Asbest</al><al> Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest:
                        de vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet
                        (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel
                        (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet
                        (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten
                        zijn verwerkt.</al><al> Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de daarbij behorende toelichting.</al><al> Regeling omgevingsrecht (Mor)</al><al> Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                        (Wabo) vervalt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning
                        (Biab). Hiervoor komt in de plaats de Regeling omgevingsrecht (Mor). Hierin
                        staan de indieningsvereisten voor de aanvraag van een
                        omgevingsvergunning</al><al> Besluit omgevingsrecht (Bor)</al><al> Bij de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor)
                        vervalt het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige
                        bouwwerken (Bblb). De categorie licht bouwvergunningplichtige bouwwerken
                        verdwijnt geheel. De vergunningvrije bouwwerken staan in bijlage II van het
                        Bor.</al><al> Bevoegd gezag</al><al> In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en
                        wethouders’ gewijzigd in ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de
                        begripsomschrijving voor bevoegd gezag opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt
                        van de tekst van het gewijzigde artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de
                        Woningwet. De bevoegdheden voor het verlenen, wijzigen en intrekken van
                        vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening, blijven gelijk. De
                        meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit betekent dat de
                        sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt afgestemd met
                        de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het bouwtoezicht, die
                        moeten worden gedaan door de vergunninghouder, of namens deze door degene
                        die bouwt of sloopt, blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het kader
                        van het Gebruiksbesluit wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar de aanvraag
                        omgevingsvergunning wordt ingediend. In het geval dit bestuursorgaan niet
                        burgemeester en wethouders is, zendt het bestuursorgaan de melding door naar
                        burgemeester en wethouders.</al><al> Bouwbesluit 2003</al><al> Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                        geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan
                        het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn
                        de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                        opgenomen.</al><al> Bouwtoezicht</al><al> De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                        wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                        bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op
                        grond van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders
                        ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van het
                        bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.</al><al> Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
                        provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel
                        bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de
                        toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau
                        kunnen onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al> Gebruiksoppervlakte</al><al> Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                        lid 2 begripsbepalingen. De gebruiksoppervlakte is van belang bij de
                        bepalingen omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de MBV.</al><al> Bouwwerk en gebouw</al><al> De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de
                        als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk
                        wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de
                        jurisprudentie.</al><al> De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                        bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel
                        1 van de Woningwet.</al><al> Deskundig bedrijf</al><al> Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing
                        van hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen
                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is
                        van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het
                        Arbeidsomstandighedenbesluit.</al><al> Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen
                        naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Zie
                        hiervoor www.ascert.nl</al><al> Omgevingsvergunning</al><al> In de MBV worden de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ en
                        ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ gebruikt voor de in de
                        begripsomschrijving genoemde activiteiten. Uiteraard bestaat maar één
                        omgevingsvergunning, geen twee</al><al> Vergunningvrij bouwen</al><al> Met de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd.</al><al> Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist
                        staat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is
                        gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningvrije en licht
                        bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).</al><al> Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de
                        volgende onderdelen:</al><al> - De categorie lichte bouwvergunning komt te vervallen. Een activiteit,
                        zoals het bouwen, is nu vergunningvrij of vergunningplichtig. ;</al><al> - De categorie ‘omgevingsvergunningvrije’ bouwwerken wordt verder verruimd
                        waarbij twee categorieën vergunningvrij bouwen worden onderscheiden: 1. een
                        categorie waarop de bebouwingsregeling van het bestemmingsplan of de
                        beheersverordening (of andere planologische regelingen) wel van toepassing
                        is (art. 3) en 2. een categorie waarop de bebouwingsregeling van het
                        planologisch regime niet van toepassing is. Een en ander hangt samen met het
                        in de Wabo opgaan van planologische afwijkingsbesluiten;</al><al> - Alle uitbreidingen van en bijgebouwen bij een hoofdgebouw worden onder
                        een nieuw begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ gebracht;</al><al> - Vergunningvrij bouwen wordt mogelijk bij alle typen gebouwen (was alleen
                        bij woningen en woongebouwen);</al><al> - Vervallen maximale maatvoering van 2,5 m voor diepte van een aan- of
                        uitbouw;</al><al> - Bouwen in, aan, op of bij een monument blijft vergunningplichtig;</al><al> Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al><al> Algemeen</al><al> Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van
                        de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van
                        de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde
                        kom.</al><al> Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien
                        voor het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                        beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                        dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                        beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente.</al><al> De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige
                        bepalingen voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de
                        Woningwet bevat een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en
                        bouwverordening. Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor de
                        bebouwde kom van kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het
                        vaststellen van een bestemmingsplan voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben
                        voor dit artikel en de daarop gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de
                        bebouwde kom een bestemmingsplan wordt vastgesteld, dient te worden bezien
                        of en in hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet worden
                        afgestemd of wellicht overbodig is geworden.</al><al> Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden
                        binnen de gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor
                        elk gebied een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze
                        toelichting.</al><al> Alternatief 1</al><al> Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                        binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                        waarin ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al> Alternatief 2</al><al> Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                        binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en
                        waarin geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht.</al><al> Alternatief 3</al><al> Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet
                        binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, maar
                        wel een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is
                        vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een
                        terrein voor zware industrie.</al><al> Alternatief 4</al><al> Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin een - al dan niet
                        binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en ook
                        een gebied dat - geheel of voor bepaalde categorieën bouwwerken - is
                        vrijgesteld van welstandstoezicht, bijvoorbeeld een havengebied of een
                        terrein voor zware industrie.</al><al> Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al> Algemeen</al><al> Regeling omgevingsrecht.</al><al> In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking
                        hebben op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen. De
                        indieningsvereisten staan in de Regeling omgevingsrecht. Deze Regeling
                        vervangt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning.</al><al> Wet BIBOB</al><al> De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
                        (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003,
                        180 zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet
                        houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor
                        het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager
                        een integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau
                        ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek te
                        doen naar de antecedenten van de aanvrager -zowel natuurlijke als
                        rechtspersonen- en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject
                        wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag
                        aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren.</al><al> Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                        advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                        behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                        maximaal acht weken op.</al><al> Awb</al><al> De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het
                        rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen
                        besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de
                        voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit
                        geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme
                        openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is.</al><al> Wro</al><al> Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                        vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).</al><al> De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet
                        kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf
                        2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de
                        toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om
                        een bouwwerk te kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor
                        gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele
                        regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten
                        is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in
                        werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften
                        van dit hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9
                        en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is
                        opgelost.</al><al> WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het
                        bouwen</al><al> De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van
                        art. 3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om
                        een omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd
                        verzoeken bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens
                        die op grond van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die
                        nodig zijn bij de beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al> De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet
                        ter inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                        antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het
                        te bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn
                        gevoelig voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><al> Wabo</al><al> De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                        omgevingsvergunning. De bouwvergunning en de sloopvergunning op grond van
                        hoofdstuk 8 MBV maken deel uit van de omgevingsvergunning en worden in de
                        MBV aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1 Wabo) en
                        omgevingsvergunning voor het slopen (art. 2.2, lid 1, onder a. Wabo). De
                        Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de
                        bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof
                        gemaakt. De gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en de
                        vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo
                        mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning.</al><al> Voorwaarden voor bouwafval in de omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al> Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen voorwaarden worden
                        verbonden over de wijze van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de
                        bouwplaats opslaan en over het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het
                        bouwafval. Deze voorwaarden dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in
                        artikel 4.11.</al><al> Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke
                        (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan
                        betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag
                        en de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking.</al><al> Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</al><al> Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</al><al> Voor de gemeente Ameland zijn een bodemkwaliteitskaart (Regionale
                        bodemkwaliteitskaart Friesland, d.d. december 2011, kaart/nummer 206115.03)
                        en een Nota bodembeleid (Nota bodembeleid, d.d. 2 december 2011, kenmerk
                        N360023) opgesteld. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de bodem van de
                        gemeente Ameland van een overwegend goede milieuhygiënische kwaliteit
                        is.</al><al> Aangezien in de bouwverordening is vastgelegd dat ontheffing verleend kan
                        worden bij een omgevingsvergunning omdat er voldoende gegevens bekend zijn
                        met betrekking tot de bodemkwaliteit, wordt de bodemkwaliteitskaart in
                        combinatie met de nota bodembeleid geaccepteerd bij
                        omgevingsvergunningaanvragen voor de activiteit bouwen op onverdachte
                        locaties waarbij de bodemkwaliteitskaart als wettelijk bewijsmiddel</al><al> Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al><al> Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</al><al> Algemeen</al><al> In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                        gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op
                        te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde
                        lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze
                        voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de
                        redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening
                        niet is toegestaan.</al><al> De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                        een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort,
                        staan in de Regeling omgevingsrecht.</al><al> De structuur is als volgt:</al><al> - Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                        onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus
                        artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht.</al><al> - Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden
                        waarover het bevoegd gezag reeds beschikt, niet opnieuw behoeven te worden
                        verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de
                        periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als
                        archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van
                        de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd
                        gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de
                        gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt,
                        omdat deze reeds in het bezit van het bevoegd gezag zijn.</al><al> - Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                        bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden
                        opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening,
                        wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid
                        gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.</al><al> - Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd
                        gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de
                        desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat
                        met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een termijn gesteld en
                        een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus de
                        Regeling omgevingsrecht.</al><al> De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen
                        in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid
                        zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke
                        grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de
                        schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de
                        bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming
                        waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens,
                        plant en dier centraal staat.</al><al> Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang.
                        Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw-
                        en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo</al><al> Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</al><al> Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                        voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting
                        bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het
                        betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde
                        mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te
                        genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van
                        twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee
                        of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één
                        dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al> Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of
                        kweken van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                        nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                        waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd
                        als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg
                        voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel
                        eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het
                        algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt
                        die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het
                        verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK,
                        1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van kamervragen verder
                        opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een
                        logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend
                        verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of
                        garage bij een woning.</al><al> Bouwwerken die de grond niet raken</al><al> Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                        verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                        vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering
                        of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden
                        gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek
                        worden geëist.</al><al> Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                        bodemverontreiniging</al><al> Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag voor de vraag of bij
                        niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan
                        niet onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.</al><al> Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                        gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten die
                        daartoe zijn aangewezen (zie website ministerie VROM site:
                        www.vrom.nl/pagina.html?id=24354&amp;term=wet+bodembescherming ; Besluit
                        aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming) volgens de Wet
                        bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen
                        saneringsmaatregelen.</al><al> Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</al><al> Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden
                        kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging
                        geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen
                        aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de
                        bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van
                        verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een
                        verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van
                        de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                        omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren,
                        zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende
                        voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de
                        toelichting onder artikel 2.4.2 van MBV.</al><al> Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                        aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                        bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het
                        saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de
                        bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend
                        kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de
                        bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan
                        noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</al><al> Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al> Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel
                        van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                        verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte
                        termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op
                        welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al> In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                        verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning
                        voor het bouwen.</al><al> In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                        worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot
                        de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken
                        aan:</al><al> - de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag
                        wordt aangebracht;</al><al> - de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                        afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al><al> - de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater
                        wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het
                        bouwwerk in stand wordt gehouden.</al><al> Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                        verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen
                        is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen
                        van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op
                        een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten
                        plaatsvinden.</al><al> Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                        bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><al> Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</al><al> Algemeen</al><al> Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                        vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro
                        gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van
                        enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk.
                        Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van
                        belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen
                        bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).
                        Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in
                        een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4,
                        vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het
                        gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van paragraaf 5 van
                        hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10
                        Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al> Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten
                        die dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische
                        onderwerpen zijn geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die
                        onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9 Woningwet).</al><al> Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</al><al> Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                        paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan
                        voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan
                        niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht
                        kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal
                        eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal
                        gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende
                        bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft
                        de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij
                        het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het
                        bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat
                        bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn.
                        Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid
                        zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten worden. Is een van deze
                        gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige bepalingen (inclusief
                        het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het bestemmingsplan aan.</al><al> Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de
                        bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden
                        uitgevoerd:</al><al> a. bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een onderwerp
                        dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord
                        ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden gesteld of,</al><al> b. het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                        aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan gereguleerde,
                        onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op deze vraag
                        ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,</al><al> c. de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                        voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende werking
                        van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de gebruiksmogelijkheden die het
                        bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is
                        dit het geval, dan dient aanvullende werking van de bouwverordening alsnog
                        op grond van artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden
                        afgewezen.</al><al> Wet ruimtelijke ordening (Wro)</al><al> De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                        bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is
                        hierop ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van de artikelen 3.5.3
                        (Bereikbaarheid bouwwerken voor wegverkeer; brandblusvoorzieningen), 2.5.3A
                        ( Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten) en 2.5.30 (parkeren)
                        wijzen wij op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde
                        lid Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt,
                        blijven deze artikelen vooralsnog in de MBV bestaan.</al><al> Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</al><al> Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan
                        wel in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is
                        geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag
                        voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze
                        bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al> Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</al><al> Lid 1</al><al> Het onderhavige voorschrift spreekt over 'een bouwwerk dat voor het
                        verblijf van mensen is bestemd', omdat met name ziekenauto's en
                        brandweerauto's niet alleen gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook
                        bepaalde bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals de tribunes van
                        sportvelden.</al><al> Indien de maat in het eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt
                        bepaald, dan correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan -
                        ingevolge artikel 5, lid 4 van de Postregeling 2009 dat op artikel 20 van de
                        Postwet 2009 berust - een brievenbus aan het tuinhek moet worden aangebracht
                        in plaats van aan de voordeur, een zgn. buitenbus. De maat van 10 meter
                        verdient uit een oogpunt van brandbestrijding eveneens de voorkeur, omdat
                        anders de lengte van de blusslangen te groot wordt.</al><al> Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de
                        zin van het eerste lid, moet de omgevingsvergunning voor het bouwen worden
                        geweigerd. Eventueel kan de omgevingsvergunning voor het bouwen worden
                        verleend met de voorwaarde dat met bouwen pas mag worden begonnen, wanneer
                        de totstandkoming van een weg die aan de eisen voldoet, voldoende is
                        gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat de aanvrager van de
                        omgevingsvergunning voor het bouwen eerst moet zorgen dat hij beschikt over
                        een toestemming tot aanleg van de verbindingsweg en/of het aansluiten ervan
                        op het wegennet.</al><al> Een publiekrechtelijke regeling (met een meldingsplicht voor het aanleggen
                        van wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene
                        plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke
                        toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke toestemming tot
                        uitwegen is - gelet op artikel 14 van de Wegenwet - niet nodig voor het
                        aansluiten, c.q. uitwegen op openbare wegen.</al><al> Lid 2</al><al> De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik
                        door gangbare vrachtauto's, zoals verhuisauto's, vuilnisauto's,
                        brandweerauto's e.d., zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De
                        eis voor het draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een
                        sloot of iets dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde
                        gangbare vrachtauto's.</al><al> Lid 4</al><al> Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden
                        aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk.</al><al> Zulke opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de
                        plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik
                        beschikt.</al><al> Lid 5</al><al> De openbare bluswatervoorziening is geregeld op grond van artikel 1 van de
                        Brandweerwet 1985. B&amp;W hebben de zorg voor de openbare (brand)veiligheid
                        en zijn op grond van deze wet verantwoordelijk voor de openbare
                        bluswatervoorziening. De gemeente zelf moet hierin voorzien.</al><al> In de bouwverordening staat dat bij gebrek aan een openbare
                        bluswatervoorziening (de bouwer) moet zorg dragen voor een niet openbare
                        bluswatervoorziening. Te denken valt aan een huisje op de hei. In zo'n geval
                        kan van de gemeente geen bluswaterleiding worden gevraagd, dit gaat de
                        zorgplicht te boven. De bouwer moet dit zelf regelen.</al><al> Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al> Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het
                        Bouwbesluit die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen. In
                        genoemde bepalingen is tevens geregeld, wanneer de eigenlijke toegang van
                        een gebouw over een hellingbaan moet beschikken.</al><al> Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</al><al> Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin
                        de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                        gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                        voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan
                        verdient het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te
                        redigeren:</al><al> b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld,
                        aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al> - bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een afstand
                        van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al><al> - bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                        bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al><al> - bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit
                        de as van de weg.</al><al> Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</al><al> Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                        behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te
                        voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn opgenomen. Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst
                        aan het bestemmingsplan, zie art. 3.25 Wro.</al><al> Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al> Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in
                        toenemende mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en
                        vergunningplichtige werken. In onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking
                        voor de 'totaal- benadering' zoals die ook uit de wetsgeschiedenis is af te
                        leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is
                        als het onderdeel uitmaakt van een (meeromvattend) vergunningplichtig
                        bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt echter niet in dat de vergunning
                        dan ook mag worden geweigerd louter op dat onderdeel dat op zichzelf
                        beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van samenloop gaat het zwaarste
                        regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van vergunningvrij bouwen
                        wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De redenering is, dat
                        bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk
                        aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om
                        een omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod
                        tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten
                        zijn. De voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3,
                        onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een
                        uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar
                        bedoelde veranderingen mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het
                        bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande
                        afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus
                        vergunningplichtig.</al><al> Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                        bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als
                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit
                        omgevingsrecht, kunnen worden beschouwd:</al><al> 1. uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                        mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij
                        voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten,
                        enigszins uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</al><al> 2. uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                        mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij
                        voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten,
                        uithangbordjes en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan gebouwen de
                        voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven,
                        zal het bevoegd gezag dus in het algemeen overwegen daartegen repressief op
                        te treden. Indien in een bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied
                        van rooilijnen, toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de
                        artikelen 2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard,
                        dan verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen
                        met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder
                        tussenvoeging van de woorden ', te weten:'.</al><al> Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in af wijking van het verbod tot
                        overschijding van de voorgevelrooilijn</al><al> Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel
                        2.5.29 nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen
                        bestemmingsplan of beheerverordening in voorbereiding is en geen van de
                        omstandigheden als genoemd in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al> Lid 1, ad b</al><al> Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                        afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                        beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al> Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</al><al> Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat
                        de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen
                        genoemd zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te
                        sluiten.</al><al> Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><al> Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</al><al> Lid 4, onder a</al><al> Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                        complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                        gevangenissen vallen.</al><al> Lid 4, onder f</al><al> Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                        zolderverdiepingen e.d.</al><al> Lid 4, onder g</al><al> Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                        gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><al> Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</al><al> Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al> Lid 1, onder a</al><al> Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                        achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                        dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel
                        2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al> Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</al><al> Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                        behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden', is - om misverstand te
                        voorkomen - een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al> Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat
                        worden als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al> Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van
                        rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije
                        bouwwerken bij wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van
                        artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al> Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al> Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht.</al><al> De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde
                        onderdelen aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel
                        2, Bijlage II van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn.
                        Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het
                        niet logisch om het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn
                        hierop van toepassing te laten zijn.</al><al> Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><al> Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al> Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent
                        artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale
                        gevallen.</al><al> Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De
                        vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de
                        bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn,
                        uit te sluiten.</al><al> Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het
                        verbod de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht
                        te worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er
                        aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet
                        blijven.</al><al> Ad a en g</al><al> Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                        bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                        bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                        omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                        winkelbebouwing.</al><al> Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</al><al> Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                        'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al> Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots
                        voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                        laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven
                        als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen
                        worden aangebracht.</al><al> Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het
                        motief voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk)
                        samenvallen van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een
                        beletsel.</al><al> Lid 3 b, onder 1</al><al> Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al> Lid 3 b, onder 2</al><al> Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus
                        open ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw
                        behoort en het gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou
                        kunnen worden afgeweken van de voorgeschreven erfgrootte.</al><al> Lid 3 b, onder 3</al><al> Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                        bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte
                        dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van
                        het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het
                        gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een
                        verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten
                        worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht moeten worden
                        geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij
                        brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer.</al><al> Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</al><al> Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan
                        het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                        laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven
                        als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen
                        worden aangebracht.</al><al> Lid 2, onder a en b</al><al> Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                        rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                        dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                        gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen
                        woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast
                        bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid
                        zich voordoet zal minder ver worden afgeweken van het bepaalde in het eerste
                        lid, dan in het andere geval.</al><al> Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</al><al> Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open
                        ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze
                        aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel
                        worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een
                        tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag
                        kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het
                        eerste lid, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar
                        is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel
                        van het gebouw.</al><al> Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><al> Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het
                        recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele
                        beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde
                        voorschriften spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een
                        erfafscheiding is in principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van
                        artikel 2, Bijlage II, Bor, althans indien de daarin vermelde beperkingen
                        ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht worden genomen. Hogere
                        erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en
                        behoeven derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften van het
                        bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de bouwverordening. Eventueel
                        kan het bevoegd gezag op grond van het tweede lid van laatstgenoemd artikel
                        de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod als bedoeld in
                        het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van bijvoorbeeld
                        een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat geen erf,
                        behorend bij een gebouw, is.</al><al> Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van
                        beweegbare delen van erf- en terreinafscheidingen.</al><al> Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                        ondergrondse hoofdtransportleidingen</al><al> Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk
                        en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet
                        meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan
                        zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten
                        e.d.</al><al> Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre
                        het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                        toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd
                        als een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te
                        wijken zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de
                        gebruikers van het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede
                        werking van de lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de
                        aanwezigheid van het bouwwerk.</al><al> Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het
                        aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn
                        of de hoofdtransportleiding.</al><al> Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht
                        van opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                        Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30
                        meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met
                        uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d.</al><al> Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een
                        dergelijk recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan
                        geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een
                        bestemmingsplan geen betekenis.</al><al> In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones
                        vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><al> Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</al><al> Alternatief 1</al><al> Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                        voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                        afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is
                        aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is
                        bedoeld.</al><al> Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook
                        op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste
                        fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is
                        dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in
                        de achtergevelrooilijn.</al><al> Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil
                        van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                        belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten,
                        omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren
                        en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                        belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als
                        de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de
                        bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al> Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is
                        wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde
                        kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten
                        (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij
                        deze Toelichting behorende bijlage.</al><al> Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                        vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal
                        een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende
                        invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle
                        gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke
                        onderbreking van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de
                        uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al> Alternatief 2</al><al> Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                        voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                        afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is
                        aangegeven, dat het stelsel alleen voor vergunningplichtige bouwwerken is
                        bedoeld.</al><al> Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook
                        op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste
                        fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is
                        dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in
                        de achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste
                        meter boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van
                        aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing
                        gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst
                        leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte
                        bevinden. (De belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te
                        definiëren als de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw
                        en de bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al> Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is
                        wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde
                        kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten
                        (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij
                        deze Toelichting behorende bijlage.</al><al> Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de
                        onderhavige bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale
                        bestemmingsplannen zonder uitwerkingsverplichting is in een verdere
                        differentiatie voor de bebouwde kom voorzien, zodat bij voorbeeld verschil
                        kan worden gemaakt tussen grootstedelijke binnenstadsgebieden
                        (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige delen van de bebouwde kom. Zie
                        figuur 14.</al><al> Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</al><al> Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al> Alternatief 1</al><al> Lid 2</al><al> De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                        achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                        evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de
                        voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                        achtergevelrooilijnen is. Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen
                        terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                        bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al> De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats
                        van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur
                        18).</al><al> Lid 4</al><al> Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                        anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in
                        het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde
                        lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                        binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                        krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten
                        opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                        genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al> Alternatief 2</al><al> Lid 2</al><al> De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                        achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                        evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de
                        voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                        achtergevelrooilijnen is. Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen
                        terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                        bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al> De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats
                        van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur
                        18).</al><al> Lid 4</al><al> Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                        anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in
                        het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde
                        lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                        binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                        krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten
                        opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                        genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al> Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                        achtergevelrooilijn</al><al> Zie figuur 19.</al><al> Lid 2</al><al> Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                        achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                        aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                        verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om af te
                        wijken van de in het eerste lid bepaalde maximale hoogte voor het laten
                        optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de voorgevel.</al><al> Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</al><al> Alternatief 1</al><al> Lid 2</al><al> De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                        hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al> Alternatief 2</al><al> Lid 2</al><al> De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                        hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al> Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</al><al> Alternatief 1</al><al> De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al> Alternatief 2</al><al> De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek van
                        60 graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding van 1,7,
                        genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.</al><al> Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter - bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 9 à 9,5 bouwlaag. De
                        maximumbouwhoogte van 15 meter komt - eveneens bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al> Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van
                        rijkswege beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije
                        bouwwerken bij wijze van uitzondering wel vergunningplichtig op grond van
                        artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.</al><al> Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                        terreinen</al><al> Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                        binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al> Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in
                        het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen
                        tot hun goot.</al><al> Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</al><al> Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><al> Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al> Ad a</al><al> De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd
                        bouwwerk bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als
                        vrij bouwen met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze
                        onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te
                        bouwen is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn.</al><al> Ad b</al><al> Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of
                        te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van
                        een bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de
                        artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken
                        ingevolge artikel 2.5.28, onder e.</al><al> Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</al><al> De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18
                        van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om
                        het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken,
                        die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit
                        omgevingsrecht (Bor), uit te sluiten.</al><al> Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid
                        dient bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel
                        2.5.2. Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken.</al><al> Ad e, onder 1</al><al> Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit
                        bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger
                        is dan thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte
                        kan dan een gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al> Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval
                        van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</al><al> Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige
                        afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen
                        enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en
                        anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan.
                        Paragraaf 2.5 MBV is te beschouwen als een bestemmingsplan vervangende
                        regeling met derhalve ook de behoefte aan regels inzake afwijking wanneer
                        nieuw ruimtelijk beleid wordt voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige
                        afwijkingsregeling voor bouwen en gebruiken te hebben voor de verplichtingen
                        uit de stedenbouwkundige eisen van de bouwverordening als van die uit een
                        bestemmingsplan.</al><al> Sub a.</al><al> Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen
                        van toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                        projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                        bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van
                        3.9 Wabo van toepassing is.</al><al> Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</al><al> De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                        aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit
                        is bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren,
                        maar er voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage
                        is gelegd of een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een
                        dergelijke situatie vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV,
                        waaronder deze.</al><al> Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al> Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle
                        besluiten de eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze
                        motivering zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten
                        hebben op toekomstig planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis
                        opgenomen dat het bouwplan waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de
                        toegelaten bouwhoogte 'in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                        ruimtelijk beleid'.</al><al> 'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de
                        afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                        structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                        bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al> Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de
                        situaties zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage
                        gelegd ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit
                        voor bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al> Sub d.</al><al> De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                        Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de
                        betekenis die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt
                        rekening gehouden met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke
                        en landschappelijke waarden.</al><al> Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                        hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante
                        afstanden treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en
                        milieuzonering'.</al><al> Sub e.</al><al> In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                        ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                        Wabo.</al><al> Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                        gebouwen</al><al> Algemeen</al><al> Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                        parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen. Als
                        uitwerking hiervan is in artikel 8.17 van de Invoeringswet Wro bepaald dat
                        artikel 8, vijfde lid van de Woningwet vervalt.</al><al> In verband met wetstechnische problemen is besloten dit deel van de
                        Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking te doen treden. Een nieuwe
                        datum van inwerkingtreding is niet bepaald. Dit betekent dat onder meer het
                        ‘parkeerartikel’ uit de bouwverordening blijft bestaan, ook indien op grond
                        van de nieuwe Wro een bestemmingsplan wordt vastgesteld, waarin niet is
                        voorzien in een regeling over het parkeren.</al><al> Alternatief 1</al><al> Lid 1</al><al> Het eerste lid kan de gemeenteraad vaststellen voor die delen van de
                        bebouwde kom die kunnen worden aangeduid als zogenaamde best ontsloten
                        locatie(s).</al><al> Lid 2</al><al> Het onderhavige voorschrift behelst het zogenaamde ingroeimodel. Hieronder
                        wordt verstaan het openhouden van de mogelijkheid om in te spelen op
                        toekomstige verbeteringen in de bereikbaarheid per openbaar vervoer,
                        namelijk doordat de gemeente op het moment van realisatie van de bedoelde
                        verbetering kan overgaan tot de verwijdering van de aanvullende
                        parkeerplaatsen op de openbare weg (of op ander gemeentelijk terrein) nabij
                        het betrokken gebouw.</al><al> Lid 3</al><al> Het is niet alleen zeer moeilijk - bij de toepassing van het eerste lid -
                        aan te geven, wat in algemene zin het maximumaantal parkeerplaatsen op het
                        terrein van een te bouwen (of een te verbouwen) pand dient te zijn, maar ook
                        - bij de toepassing van het onderhavige lid - wat in algemene zin een niet
                        te overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom ook in
                        dit geval per omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling
                        hangt weer af van onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de
                        gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers,
                        de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het
                        tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke
                        uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op
                        het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd in het
                        lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al> Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                        aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de
                        bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor
                        verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004: geactualiseerd 25
                        juli 2008. Verkrijgbaar op CD-rom.), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de
                        Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en
                        Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00
                        of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te
                        verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</al><al> Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                        verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm
                        worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                        praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke
                        vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in
                        een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking
                        naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar
                        vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al> Lid 4</al><al> Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze
                        voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte
                        naleving van de leden 1, 2 en 3. De verplichting in die leden om een bepaald
                        aantal parkeerplaatsen op eigen terrein (of onder eigen dak) aan te brengen
                        zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken met
                        afmetingen voor het kleinste type personenauto, respectievelijk het grootste
                        type vrachtauto te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in
                        werking getreden - artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende
                        afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige
                        onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een
                        bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken
                        is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van
                        parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al> Lid 5</al><al> De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                        voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw
                        van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen,
                        bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al> Lid 6</al><al> Ad a</al><al> De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de
                        eis in het eerste en in het tweede lid om een beperkte parkeergelegenheid op
                        eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder meer bedoeld voor het
                        geval dat in de nabijheid een gemeenschappelijke of openbare parkeergarage
                        aanwezig is. De mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen in
                        afwijking van de eis in het derde lid om een parkeergelegenheid van
                        voldoende omvang op eigen terrein (of onder eigen dak) te maken is onder
                        meer bedoeld voor omgevingsvergunningsplichtige verbouwingen van winkels
                        e.d. in binnensteden. In dat geval kan eventueel onder financiële
                        voorwaarden vergunning worden verleend.</al><al> Aan de bouwvergunning mocht geen financiële voorwaarde worden verbonden.
                        Aan een daarmee samenhangende planologische ontheffing wel. Dit laatste gold
                        voor onder meer het bekende artikel 19 WRO en ook voor de ontheffing bedoeld
                        in art. 2.5.30 MBV.</al><al> Er mag van worden uitgegaan dat dit aspect niet anders is nu de
                        ontheffingen en eventuele financiële voorwaarden worden gesteld in de
                        omgevingsvergunning. De op grond van artikel 2.5.30 gevormde jurisprudentie
                        onder de oude wetgeving betreft kort samengevat:</al><al> 1. Een richtinggevende uitspraak waarbij het vragen van geld voor een
                        parkeerfonds aan de orde was geweest, betreft: BR 1999/223 ABRS 4 augustus
                        1998</al><al> Parkeergelegenheid Schagen</al><al> Vraag of aan het verlenen van vrijstelling van de eis dat op eigen terrein
                        in de parkeerbehoefte wordt voorzien een financiële voorwaarde mag worden
                        verbonden. Art. 2.5.30 Bouwverordening:</al><al> De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het algemeen moet worden
                        aangenomen dat een bestuursorgaan in beginsel rechtens de mogelijkheid heeft
                        om door middel van het verbinden van een financiële voorwaarde aan een
                        vrijstelling, tot betaling van een tegemoetkoming of een compensatie te
                        verplichten. Aan deze mogelijkheid zijn beperkingen verbonden, aldus dat
                        door voldoening aan de voorwaarde een rechtstreekse bijdrage wordt geleverd
                        aan de doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning of
                        vrijstelling berust en voorts dat de verlening van de vergunning of
                        vrijstelling in het algemeen belang tot het heffen van een geldbedrag noopt.
                        Bovendien moet blijken dat niet een andere uit hoofde van rechtsbescherming
                        meer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of
                        compensatie te verlangen. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak
                        van 30 augustus 1985, BR 1985, p. 911.</al><al> Opmerking: Deze uitspraak vormt de basis voor het stellen van een
                        financiële voorwaarde bij de voormalige ontheffing van de parkeernorm op
                        grond van art. 2.5.30 MBV.</al><al> Een belangrijk onderdeel uit deze uitspraak is: De financiële voorwaarde is
                        toegestaan onder enkele voorwaarden:</al><al> a. de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de
                        doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning berust;</al><al> b. de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van een
                        geldbedrag;</al><al> c. de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet ook
                        hieruit blijken dat niet een andere, uit hoofde van rechtsbescherming meer
                        aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een tegemoetkoming of compensatie
                        te verlangen.</al><al> Een noodzaak om in het algemeen belang een bedrag te vragen voor het
                        realiseren van voldoende parkeergelegenheid is tegenwoordig al snel
                        aanwezig, de parkeerproblematiek is zo groot dat zonder het treffen van
                        voorzieningen de omgeving overlast / parkeerhinder zal ondervinden.</al><al> 2. In de recente uitspraak ABRS 28 januari 2009, LJN BH1125, te vinden op
                        www.rechtspraak.nl , over de financiële voorwaarde bij de ontheffing van de
                        parkeernorm, wordt een directere relatie tussen het geld en de te realiseren
                        voorziening geëist. Citaat uit deze uitspraak:</al><al> ' dient voldoende aannemelijk te zijn dat de financiële bijdrage die door
                        [vergunninghoudster] is voldaan, aangewend zal worden om te voorzien in de
                        desbetreffende parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan.(.. ) Ter
                        zitting van de Afdeling heeft het college uiteengezet dat met centrumgebied
                        is bedoeld een gebied in een straal van 600 m rond het bouwplan. Hiermee
                        staat niet vast dat de door [vergunninghoudster] betaalde bijdrage
                        daadwerkelijk zal worden aangewend om te voorzien in het tekort aan
                        parkeerplaatsen waarop de ontheffing betrekking heeft. Dat de rechtbank
                        heeft overwogen dat een afstand van 600 m acceptabel is voor het parkeren
                        van bezoekers, kan ( ¿) niet afdoen aan haar oordeel dat ten aanzien van de
                        vijf parkeerplaatsen niet aannemelijk is dat de financiële bijdrage zal
                        worden aangewend om te voorzien in de behoefte daaraan. De rechtbank is
                        terecht tot dat oordeel gekomen en heeft derhalve evenzeer terecht overwogen
                        dat de ontheffing in strijd met artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder
                        a, van de bouwverordening is verleend.</al><al> ¿.ontheffing krachtens artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de
                        bouwverordening voor de vijf parkeerplaatsen heeft miskend dat niet is
                        voldaan aan het in die bepaling gestelde vereiste dat verlening van
                        ontheffing slechts mogelijk is indien op andere wijze in de nodige
                        parkeerruimte wordt voorzien.</al><al> Het college heeft zich in het besluit van …. ten aanzien van twee van de
                        vijf parkeerplaatsen op het standpunt gesteld dat de parkeerbijdrage
                        concreet zal worden aangewend voor de uitvoering van het herinrichtingsplan
                        van de openbare ruimte aan de Wellezijde en dat die parkeerplaatsen zullen
                        worden gerealiseerd op of nabij de aanvankelijk geplande inritten voor de
                        vervallen inpandige parkeervoorzieningen. Het college heeft aldus ten
                        aanzien van die twee parkeerplaatsen voldoende aannemelijk gemaakt dat de
                        financiële bijdrage die door [vergunninghoudster] is voldaan ter verkrijging
                        van de ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef onder a,
                        aangewend zal worden om te voorzien in de desbetreffende parkeerbehoefte ten
                        gevolge van het bouwplan. In zoverre is voldaan aan het in het slot van
                        voormeld artikelonderdeel gestelde vereiste.</al><al> Het college heeft ten aanzien van de resterende drie parkeerplaatsen geen
                        inzicht verschaft in de wijze waarop daarin zal worden voorzien, zodat het
                        betoog van [wederpartijen] in zoverre slaagt.'</al><al> Ad b</al><al> De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning door gebruik
                        van de afwijkingsmogelijkheid, vermeld onder het tweede aandachtsstreepje
                        van punt b, is bedoeld voor onder meer winkels, schouwburgen, de
                        loketfunctie van raadhuizen, sportstadions en bibliotheken. Niet hoeft te
                        worden afgeweken, indien in de nabijheid voldoende parkeergelegenheid is op
                        de openbare weg, op een blijvend openbaar parkeerterrein of in een blijvend
                        openbare parkeergarage.</al><al> Alternatief 2</al><al> Lid 1</al><al> Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te
                        overvloedig minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per
                        omgevingsvergunning voor het bouwen te bepalen normstelling hangt af van
                        onder meer de grootte van het gebouw, de ligging in de gemeente, het te
                        verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele
                        aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie daarvan, het tijdstip
                        waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke uitwisselbaarheid van
                        parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het voorgestane
                        verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale verkeer- en
                        vervoerplan.</al><al> Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                        aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de
                        bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor
                        verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3,
                        verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de
                        Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede
                        (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde
                        parkeernorm alleen per te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen
                        worden bepaald.</al><al> Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                        verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm
                        worden bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                        praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke
                        vastgestelde parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in
                        een concrete omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking
                        naar boven van 10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar
                        vervoer bereikbaar zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al> Lid 2</al><al> Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze
                        voorschriften niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte
                        naleving van lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op
                        eigen terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken
                        door alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto
                        te maken. Ook het Bouwbesluit 1992 sprak in het - niet in werking getreden -
                        artikel 218, lid 1, over 'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het
                        Bouwbesluit 2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                        bestemmingsplan en/of bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen
                        van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de
                        afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor
                        rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><al> Lid 3</al><al> De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                        voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw
                        van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen,
                        bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al> Lid 4, ad a</al><al> De mogelijkheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking
                        van de eis in het eerste lid om een parkeergelegenheid van voldoende omvang
                        op eigen terrein of onder eigen dak te maken is onder meer bedoeld voor
                        omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van winkels e.d. in binnensteden.
                        Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden worden gesteld.</al><al> Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al> Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al> De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt
                        niet in dat het waterleidingbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht
                        is en evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van
                        drinkwater. De plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts
                        de verplichting in tot het doen treffen van de technische voorzieningen die
                        het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is
                        afhankelijk van een met het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De
                        voorwaarden waaronder dit contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een
                        afzonderlijke verordening op de levering van drinkwater. In feite zal de
                        aansluiting ook veelal door het waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen
                        de aansluiting van de binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de
                        levering van drinkwater vaak in hetzelfde contract zijn geregeld.</al><al> Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen
                        aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt in geval een
                        binnenhuisinstallatie voor drinkwater - als bedoeld in het genoemde
                        artikelnummer van het Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                        toepassing van de gelijkwaardigheidbepaling van het Bouwbesluit ertoe leidt
                        dat het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                        drinkwater wordt toegestaan.</al><al> Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding
                        van het openbare distributienet, zie artikel 2.7.7.</al><al> Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al> De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                        kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid.
                        Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1. Hetgeen daar is gesteld over de
                        waterleiding geldt mutatis mutandis voor de aansluiting aan het
                        elektriciteitsnet’</al><al> Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al> Lid 1</al><al> De niet-vantoepassingverklaring is bedoeld voor woningen, waarin niet op
                        gas wordt gekookt en voor verwarming geen individuele toevoer van gas nodig
                        is. In de praktijk betreft dit vaak woningen voor ouderen of gehandicapten,
                        waar wordt aangenomen dat elektrisch koken veiliger is dan op gas
                        koken.</al><al> Lid 2, onder b</al><al> Het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bepaalde in
                        het eerste lid is denkbaar voor koopwoningen, indien de eigenaar-bewoner
                        geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot hetgeen het geval
                        kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad geschiktheid van de
                        woning voor het stoken en koken op de meest economische brandstof
                        noodzakelijk acht.</al><al> Lid 2, onder c</al><al> Van het bepaalde in het eerste lid hoeft niet afgeweken te worden bij
                        woningen die worden aangesloten op de stads-, wijk- of blokverwarming,
                        indien een gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op
                        aardgas.</al><al> Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al> Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de publieke
                        voorziening voor verwarming</al><al> Kostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject kunnen botsen
                        met de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is een titel
                        gewenst om de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te kunnen
                        afdwingen, ook al is er reeds voorzien in een aansluiting op het
                        aardgasnet.</al><al> Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al> Alternatief 1</al><al> Algemeen</al><al> De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
                        transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is
                        neergelegd in artikel 10.33 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, de
                        Wet Milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Waterwet richten zich op de
                        lozers van afvalwater. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van deze
                        regelgeving. Voor een uitgebreidere uiteenzetting verwijzen wij naar het
                        Handboek Water: www.infomil.nl/handboekwater.</al><al> Met het oog op vermindering van de belasting van het milieu en van het
                        bestaande rioleringsnet kan in bepaalde gebieden of in een hele gemeente
                        verplicht worden gesteld dat hemelwaterafvoer wordt afgekoppeld van het
                        gemengde rioolstelsel. Deze plicht is niet gebaseerd op de bouwverordening,
                        maar staat in een afzondelijke gemeentelijke verordening. De VNG heeft
                        hiervoor de Modelverordening afvoer hemelwater en grondwater opgesteld en
                        oer ledenbrief van 16 juli 2009, Lbr. 09/091 aan de gemeentebesturen
                        toegezonden. Deze verordening is gebaseerd op artikel 10.32a van de Wet
                        milieubeheer.</al><al> Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel
                        2.7.4 van de MBV. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in
                        artikel 5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 2.1
                        van de Wabo gegeven vergunningplicht voor het bouwen en het herziene artikel
                        13 van de Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te
                        verplichten om aan te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de
                        openbare riolering en het dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of
                        minder bedraagt.</al><al> Vanaf begin 2008 worden lozingen zoveel mogelijk geregeld met algemene
                        regels (amvb’s). Deze amvb’s zijn gebaseerd op bovengenoemde wetten en
                        regelen alle lozingsroutes: rioolstelsels, oppervlaktewater en bodem. Dit
                        betreft drie amvb’s, die zich richten tot een bepaalde doelgroep:</al><al> 1. Het besluit lozing afvalwater huishoudens (Stb. 2007, 468), dat
                        uitsluitend van toepassing is op lozingen vanuit particuliere
                        huishoudens,</al><al> 2. het Activiteitenbesluit (Stb. 2007, 415), dat zich richt tot
                        inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, en</al><al> 3. het Besluit lozen buiten inrichtingen (Scr., 2009, 12902) waarin het
                        grootste deel van de resterende lozingen in geregeld worden. Dit besluit is
                        nog in ontwerp en zal in 2010 van kracht worden.</al><al> Een aantal lozingen, met name die van grotere bedrijven, worden nog
                        geregeld met vergunningen. Bij lozing in het oppervlaktewater is dat de
                        watervergunning, bij lozing in het riool de Wabo -vergunning.</al><al> Buiten bepaalde afstanden tot de riolering (afhankelijk van de omvang van
                        de lozing) staan de besluiten een directe lozing in het oppervlaktewater of
                        de bodem toe. In deze besluiten zijn de voorwaarden voor deze lozingen
                        opgenomen, voor kleinschalige lozingen van huishoudelijk afvalwater kan dan
                        bijvoorbeeld een Iba (Individuele Behandeling van Afvalwater) worden
                        toegepast.</al><al> Lid 1</al><al> In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dient de afvoerleiding
                        het huishoudelijk afvalwater te worden aangesloten op het vuilwaterriool. De
                        afvoer van het hemelwater van dak en terrein kan afhankelijk van het
                        gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan
                        (GRP), geloosd worden in het oppervlaktewater, de bodem of een speciaal
                        daartoe aangelegd hemelwaterstelsel. De voorwaarden waar deze lozingen aan
                        moeten voldoen staan in de hiervoor genoemde besluiten onder
                        ‘Algemeen’.</al><al/><al> De aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan de onder b
                        genoemde uitzondering op de aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien
                        (laten) gebruiken om het hemelwater op te slaan en in het kader van het
                        duurzaam bouwen te consumeren, waar drinkwater niet noodzakelijk is, zoals
                        voor de toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie
                        bijvoorbeeld in de losbladige uitgaven van het Nationaal pakket Duurzaam
                        bouwen, uitgegeven en regelmatig herzien door de Stichting Bouwresearch
                        (SBR) te Rotterdam, specificatieblad S 445.</al><al> Lid 2, onder a</al><al> Naast het geven van aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn
                        van de te realiseren aansluitleiding of aansluitleidingen is het
                        gemeentelijk bouwtoezicht op grond van het onderhavige voorschrift
                        bevoegd:</al><al> a. om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of vacuümriolering
                        wordt aangesloten;</al><al> b. om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden gerealiseerd
                        voor enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de vuilwaterafvoer, indien
                        in het desbetreffende deel van de gemeente een gescheiden gemeentelijk
                        rioolstelsel aanwezig is.</al><al> Lid 2, onder b</al><al> Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen
                        bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                        rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan
                        tevens voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden
                        getroffen, waarbij moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de
                        mogelijkheid van aangroeiing meestal een onvoldoende voorziening is.</al><al> Lid 3</al><al> Bij het tussenschakelen van voorzieningen nodig voor de goede werking van
                        het riool kan worden gedacht aan terugslagkleppen, ontluchting e.d. Door de
                        'hogere regelgeving' – hiervoor genoemd onder ‘Algemeen’ - is nog meer dan
                        voorheen duidelijk dat de bouwverordening niet gaat over het lozen, maar
                        uitsluitend over de aansluitplicht.</al><al> Lid 4, onder a</al><al> Deze lozingen in oppervlaktewater of bodem zijn geregeld in bovenstaande
                        besluiten. In bepaalde gevallen, genoemd in die besluiten, moet gemeld
                        worden.</al><al> Lid 4, onder b</al><al> Het bevoegd gezag kan afwijking toestaan van de verplichting tot
                        aansluiting aan het openbare riool.</al><al> Een gebruikelijke praktijk bij agrarische bedrijven is dat het
                        huishoudelijk afvalwater geloosd wordt in de mestkelder en gezamenlijk met
                        de mest wordt uitgereden over het land onder de meststoffenregelgeving.</al><al> Alternatief 2</al><al> Lid 1</al><al> Voor de voorzieningen ter lozing van het hemelwater van het bouwwerk en het
                        terrein, zie artikel 2.7.5, alternatief 2.</al><al> Leden 2 tot en met 4</al><al> Zie in alternatief 1 dezelfde lidnummers.</al><al> Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al> Alternatief 1</al><al> Lid 1, onder c</al><al> Het verdient aanbeveling om de aanvrager van de omgevingsvergunning voor
                        het bouwen erop te wijzen dat de lozingen van afvalwater, via alle
                        lozingsroutes, zijn geregeld met algemene regels volgens de amvb’s genoemd
                        in toelichting bij artikel 2.7.4.</al><al> Lid 1, onder d</al><al> In het belang van de goede werking van een rottingput (septic tank) dienen
                        daarop geen afvoerleidingen voor afvalwater zonder fecaliën, respectievelijk
                        hemelwater te worden aangesloten. Indien geen lozing op een waterloop met
                        behoorlijke doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een zo goed mogelijke
                        andere oplossing moeten worden gezocht.</al><al> Alternatief 2</al><al> Lid 2, onder b</al><al> De voorgeschreven verplichting om het hemelwater niet op traditionele wijze
                        af te voeren naar het gemeenteriool of naar oppervlaktewater, maar naar een
                        op het eigen erf of terrein aan te leggen opvang- en bezinkingsvoorziening,
                        berust op milieuhygiënische overwegingen ('duurzaam bouwen'). Hiermee wordt
                        beoogd om het hemelwater aan de bodem toe te voegen om op deze wijze zo veel
                        mogelijk bij te dragen aan de instandhouding van het grondwaterpeil en het
                        tegengaan van verdroging van het milieu.</al><al> Afhankelijk van de grootte van het erf en de bodemgesteldheid ter plaatse
                        kan bedoelde infiltratievoorziening bestaan uit een in de grond aangebrachte
                        infiltratieput, een drainage, een grindbak, een bezinkingsvijver of een
                        daarmee gelijk te stellen voorziening. Richtlijnen voor dergelijke
                        voorzieningen kunnen worden ontleend aan ISSO-publicatie nr. 70-1,
                        Hemelwater binnen de perceelsgrens - Ontwerp en uitvoering van voorzieningen
                        ten behoeve van opvang, gebruik en infiltratie van hemelwater binnen de
                        perceelsgrens, (www.isso.nl/producten/isso-winkel/ ).</al><al> De aanvrager van de omgevingsvergunning dient van tevoren te (laten)
                        onderzoeken welke van de genoemde infiltratievoorzieningen, gelet op de ter
                        plaatse aanwezige bodemgesteldheid en grondwaterstand, voor zijn bouwplan
                        geschikt is. Bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan of grootschalig
                        bouwproject zal een dergelijk onderzoek in de praktijk reeds in het kader
                        van het vooronderzoek door de projectontwikkelaar zijn verricht en/of kunnen
                        de uitkomsten van gemeentewege beschikbaar worden gesteld.</al><al> Lid 3, onder b</al><al> Om verzakking van de te stichten of reeds aanwezige bouwwerken, alsmede
                        wateroverlast voor de belendende percelen te voorkomen moet de
                        infiltratievoorziening voor hemelwater zodanig op het eigen erf kunnen
                        worden gesitueerd dat voldoende afstand tot genoemde bouwwerken en de
                        perceelgrenzen in acht wordt genomen. Die afstand is geen vast gegeven, maar
                        hangt af van de hoeveelheid te lozen hemelwater in relatie tot de aard van
                        de infiltratievoorziening en de bodemgesteldheid ter plaatse. Op grond van
                        de ter zake overgelegde of bij de gemeente aanwezige gegevens kan het
                        bevoegd gezag afwijking toestaan van de verplichting tot het aanbrengen van
                        een infiltratievoorziening, indien de bodemgesteldheid, de grondwaterafvoer
                        en/of de geringe afmetingen van het erf daartoe aanleiding geven.</al><al> Bij de keuze van een meer traditionele wijze van hemelwaterafvoer is
                        overigens van belang dat terwille van een goede werking van een rottingsput
                        (septic tank) daarop geen afvoerleidingen voor hemelwater mogen worden
                        aangesloten.</al><al> Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en
                        terreinen</al><al> Lid 3</al><al> In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een
                        gemeentelijk rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt
                        afgevoerd, moet er - met het oog op het in goede staat houden van dat
                        rioolstelsel en de goede werking van de zuiveringsinstallatie - op worden
                        toegezien dat er in de huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten
                        e.d. voorkomen.</al><al> Lid 4</al><al> Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                        praktijkrichtlijn NPR 3218 'Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                        onderhoud' die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                        verschenen.</al><al> Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 2007, 'Binnenriolering in
                        woningen en woongebouwen - Eisen en bepalingsmethoden' formeel slechts
                        toepasbaar is op binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn
                        dat de dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en
                        anderzijds de daarop aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf
                        buitenshuis gelijk moet zijn. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de
                        'huis'-aansluitleidingen van niet tot bewoning bestemde gebouwen.</al><al> Lid 5</al><al> De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                        huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                        rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                        voorgeschreven.</al><al> Lid 6</al><al> Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                        NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met
                        overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband
                        daarmee vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.</al><al> Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                        ingebruikneming van een bouwwerk</al><al> Algemeen</al><al> Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling
                        tot de voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de
                        vergunning(procedure), maar uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en
                        in gebruik nemen van een bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13
                        hebben betrekking op alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij als
                        vergunningplichtig.</al><al> Artikel 7b Woningwet bevat verplichtingen in de vorm van algemene
                        verbodsbepalingen met betrekking tot de voorschriften uit de bouwverordening
                        die van toepassing zijn op onder meer het bouwen en het gebruik van een
                        bouwwerk of een open erf of terrein. In de artikelen 2.1., 2.2 en 2.3 van de
                        Wabo staat (onder meer) het verbod te bouwen zonder of in strijd met een
                        voorschrift van de omgevingsvergunning. Voorts kan worden opgetreden tegen
                        de instandhouding van een (deel van een) bouwwerk dat is gebouwd zonder of
                        in afwijking van een omgevingsvergunning.</al><al> Structuur van de voorschriften</al><al> Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                        handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door
                        het bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1
                        tot en met 4.6 en 4.13.</al><al> Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van
                        nadelige effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid,
                        grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7
                        tot en met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het
                        bouwafval.</al><al> Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de
                        gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt
                        geregeld in artikel 7b Woningwet jo 4.14 MBV.</al><al> De veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden
                        ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein.</al><al> Handhaving van de voorschriften</al><al> De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn op grond van artikel 7b van de
                        Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene toelichting
                        bij Hoofdstuk 11.</al><al> Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in
                        artikel 4.6 kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang.</al><al> Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze
                        bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor
                        gelden andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie
                        belast.</al><al> Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al> Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen
                        op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is toch de plicht
                        opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te hebben en op
                        verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht aanwezig
                        zijn van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die bescheiden is
                        voorgeschreven. De tekst is immers voorhanden en voorkomt dat de uitvoerder
                        op het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te kennen.</al><al/><al> Sub a</al><al> Onder het begrip ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ in de zin van dit
                        artikel vallen tevens de bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen,
                        berekeningen e.d., die niet strijdig zijn bevonden met de voorschriften en
                        dus moeten worden gehanteerd bij de bouwwerkzaamheden.</al><al> Sub b</al><al> Deze toestemmingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze bouwkundige
                        consequenties hebben. Deze vergunningen kunnen betrekking hebben op bij
                        voorbeeld beschikkingen van de rijks- of provinciale overheid.</al><al> Sub d</al><al> Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge de artikelen 13, 13a en 14,
                        tweede lid, onder b. van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing
                        van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom is nodig, omdat
                        voor bouwen op grond van deze besluiten geen omgevingsvergunning voor het
                        bouwen is vereist (art. 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en
                        art. 2.1, derde lid van de Wabo).</al><al> Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge artikel
                        8.3.2 ook de sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig
                        zijn.</al><al> Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al><al> De woorden 'voor zover nodig' zijn opgenomen, omdat er ook gevallen
                        voorkomen, waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen,
                        bij voorbeeld bij een verbouwing.</al><al> Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                        van) de bouwwerkzaamheden</al><al> De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot
                        tijdige controle.</al><al> Lid 1, sub a</al><al> Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd, verdient het
                        aanbeveling het regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te
                        lichten ter voorkoming van schade aan leidingen. Sinds 1 juli 2008 geldt de
                        Wet Informatieuitwisseling Ondergrondse Netten (WION), ook wel genoemd
                        ‘Grondroerdersregeling’. Het Kadaster is belast met de uitvoering van deze
                        wet. Zie: www.kadaster.nl/KLIC .</al><al> Lid 3</al><al> In het kader van de terugdringing van administratieve lasten wordt
                        geadviseerd terughoudend gebruik te maken van de schriftelijke melding door
                        vergunninghouder en deze melding telefonisch of digitaal (e-mail) te
                        verlangen.</al><al> Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</al><al> Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het
                        bouwtoezicht vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het
                        oog zijn onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de
                        kosten van de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te
                        verrichten of te doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die
                        bouwt heeft het immers zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde
                        werkzaamheden tijdig het bouwtoezicht te informeren en overigens conform de
                        vergunning, het Bouwbesluit en de bouwverordening te werken. Specifieke
                        controlewerkzaamheden buiten dit artikel om komen voor rekening van de
                        controlerende instantie, c.q. de gemeente.</al><al> Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het
                        verrichten van onderzoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast
                        biedt om bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt
                        dit artikel van de bouwverordening toegepast.</al><al> Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</al><al> Het belang dat hier wordt gediend is de kwaliteit van funderingen en
                        daarmee de veiligheid van bouwwerken. Dit is een publiekrechtelijk belang.
                        Dit artikel ziet niet op eventuele schade in privaatrechtelijke zin. Het
                        motief van het bepaalde in dit artikel is aanvullend op de doelstelling van
                        de Waterwet.</al><al> De Grondwaterwet is per 22 december 2009 vervangen door de Waterwet. Een
                        belangrijk gevolg van de invoering van de Waterwet is dat de huidige
                        vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld.
                        Dit resulteert in één vergunning: de watervergunning.</al><al> In veel gevallen is een watervergunning niet nodig omdat veel activiteiten
                        onder algemene regels vallen.</al><al> In de regel komt dit neer op een meldingsplicht in plaats van de
                        vergunningenprocedure.</al><al> Bevoegd gezag voor de verlening van de watervergunning zijn het waterschap
                        voor het regionale watersysteem, Rijkswaterstaatvoor het hoofdwatersysteem
                        en de provincies vor drie specifieke categorieën grondwateronttrekkingen en
                        infiltraties. Als de aanvraag om een watervergunning betrekking heeft op
                        handelingen waarvoor verschillende bestuursorganen bevoegd zijn, wordt de
                        beslissing op de aanvraag in beginsel genomen door het hoogste bevoegde
                        gezag. De Waterwet geeft Rijkswaterstaat, de provincies en de waterschappen
                        wel de mogelijkheid in voorkomende gevallen te regelen dat een ander
                        bestuursorgaan bevoegd gezag wordt. Hiertoe is een handreiking ontwikkeld
                        (‘Handreiking samenloop bevoegdheden Waterwet’)</al><al> De watervergunning en de omgevingsvergunning worden niet geïntegreerd. Het
                        zijn afzonderlijke vergunningen die wel bij hetzelfde overheidsloket,
                        Omgevingsloket online, kunnen worden aangevraagd. De gemeente is aangemerkt
                        als het overheidsloket van Nederland, dus in principe ook voor de
                        watervergunning, ook al is zij hiervoor geen bevoegd gezag. De aanvraag voor
                        een watervergunning kan echter ook rechtstreeks bij het bevoegde gezag op
                        grond van de Waterwet worden ingediend (Rijkswaterstaat, provincie of
                        waterschap). Overigens kan ook de aanvraag om een omgevingsvergunning bij de
                        provincie worden ingediend als niet de gemeente maar de provincie bevoegd is
                        op die aanvraag te beslissen. De aanvrager heeft dus alle vrijheid, daarom
                        is het verstandig dat waterbeheerders, provincies en gemeenten afspraken
                        maken over de onderlinge afstemming. De wettelijke termijnen moeten immers
                        in acht worden genomen, waardoor snel handelen noodzakelijk is. Zo zal een
                        via de gemeente binnengekomen aanvraag om een watervergunning direct aan de
                        waterbeheerder of de provincie moeten worden doorgezonden.</al><al> Zie ook: www.helpdeskwater.nl en www.waterwet.nl</al><al> Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</al><al> Dit voorschrift betreft de veiligheid van voorbijgangers en belendingen.
                        Zie ook artikel 2.4 van de Regeling omgevingrecht (Mor) dat regels bevat
                        over het indienen van een bouwveiligheidsplan.</al><al> Lid 1</al><al> De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen,
                        die bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van
                        een heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming
                        van bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft
                        de veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010.</al><al> Leden 2 en 3</al><al> Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de
                        schakelapparatuur zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die)
                        gedurende de bedoelde tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.</al><al> Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</al><al> Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein
                        te weren en te voorkomen dat mensen - en vooral spelende kinderen - op een
                        bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het
                        derde lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij
                        het bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:
                        permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist
                        het bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer.</al><al> De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn
                        gewaarborgd.</al><al> Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</al><al> De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder
                        voor de omgeving te voorkomen.</al><al> Artikel 4.11 Bouwafval</al><al> Algemeen</al><al> Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet
                        eist geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de
                        bouwverordening dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval.</al><al> Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden
                        van afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als
                        gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering
                        bij de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afvalstof slechts voor
                        hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met
                        ander afval.</al><al> a Gevaarlijke afvalstoffen</al><al> Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart
                        worden gehouden. Een anti-mengclausule in in het derde lid van artikel 4 van
                        de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL), verbiedt het mengen van
                        gevaarlijk afval met ander afval (zgn. verdunnen). Eenmaal gescheiden
                        afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te blijven. Daartoe verplicht de
                        Regeling scheiden en gescheiden houden die is gebaseerd op de Wet
                        milieubeheer. De doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden gevaarlijk
                        (chemisch) afval thuis in de chemobox doen en op deze wijze gescheiden
                        afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling van klein
                        chemisch afval van huishoudens.</al><al> b en c Glaswol en steenwol</al><al> Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier
                        ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten 'big bag' (een
                        stevige zak met een inhoud van 1 m3) of een zak van 200 liter.</al><al> De ondergrens van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige
                        kosten te veroorzaken. Onder het begrip 'bouwproject' wordt verstaan het
                        geheel van bouwwerkzaamheden waarvoor een en dezelfde omgevingsvergunning is
                        verleend.</al><al> Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht
                        tot scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal
                        zijn.</al><al> d Overig afval</al><al> Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die
                        bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De
                        onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een inrichting
                        die op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst
                        te nemen.</al><al> Wanneer is iets afval?</al><al> Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een
                        afvalbak is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die
                        apart worden gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen
                        afval.</al><al> Acceptatievoorwaarden en marktwerking</al><al> De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden
                        als ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande
                        scheiding toe te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen
                        veelal op basis van economische motieven besluiten tot een verdergaande
                        scheiding. Hierbij zullen prijzen worden vergeleken en zal bij een
                        verdergaande scheiding dikwijls een gunstiger prijs- en kostenverhouding
                        gelden. Indien een verdergaande scheiding plaatsvindt, geldt onverkort het
                        voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een bewerkingsinrichting die
                        bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie overig afval moet in
                        het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting. Als
                        sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam
                        overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het
                        overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is
                        tot ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q.
                        milieustraten zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen.</al><al> Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer
                        gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in
                        het gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden
                        worden opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de
                        ontvanger (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). Het verdient dan ook
                        aanbeveling om nauwkeurig kennis te nemen van de acceptatie-eisen en de
                        eventuele veranderingen daarin.</al><al> Afvoeren en overdragen van bouwafval</al><al> De formulering 'gescheiden houden op de bouwplaats' heeft vooral ten doel
                        om het mengen van reeds uitgesorteerde fracties bij het gereed maken voor
                        transport vanaf het werk te verbieden. Voor een wijze van vervoer die
                        bevorderlijk is voor het hergebruik van materialen, geldt andere wetgeving
                        dan de bouwverordening, waarbij met name te denken valt aan de provinciale
                        milieuverordening. Uit dien hoofde moet het bouwafval worden afgevoerd naar
                        een bewerkings- of verwerkingsinrichting, respectievelijk een inzamelaar die
                        op grond van de Wet milieubeheer bevoegd is deze afvalstoffen te
                        ontvangen.</al><al> De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de
                        bouwplaats. Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk een
                        stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval. Particulieren die geringe
                        hoeveelheden bouw- en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij
                        sorteerbedrijven en gemeentelijke milieustraten, veelal ook op
                        zaterdagmorgen.</al><al> Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor
                        asbest, waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige
                        artikel over bouwafval niet genoemd, omdat het als bouwmateriaal niet meer
                        is toegelaten.</al><al> Terugleveren aan de leverancier of fabrikant</al><al> Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd
                        aan de fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een
                        uitzondering op de regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een
                        bewerkingsinrichting of anders naar een sorteerinrichting moeten worden
                        afgevoerd. Rechtstreekse retourlevering waarbij het product dient als
                        grondstof voor nieuwe producten wordt zinvol geacht.</al><al> Sorteerinrichting</al><al> Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is
                        - voorzover het uit meer dan één afvalstof bestaat - alleen toegestaan naar
                        een sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen
                        ongesorteerd te ontvangen.</al><al> Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de
                        beoordelingsrichtlijn voor de certificering van sorteerbedrijven te houden
                        aan de Regeling niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval. Hierin worden de
                        volgende afvalstromen aangeduid als herbruikbaar: harde steenachtige
                        materialen, ferro en non-ferro metalen, massief niet-verduurzaamd hout,
                        papier/karton, LDPE-folie, kunststofgevelelementen of delen daarvan en
                        kunststofleidingbuizen. Voor deze stromen ligt uitsortering voor de hand,
                        hetzij aan de bron, hetzij achteraf in een sorteerinrichting.</al><al> Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij
                        een sorteerbedrijf volledig operationeel. Voor de retourname van reststoffen
                        van gipsblokken en gipskartonplaten heeft de Nederlandse Branchevereniging
                        voor Gips (NBVG) in samenwerking met de gipsproducenten een systeem scheiden
                        en schoon afvoeren ontwikkeld. Voor steenwol is deze mogelijkheid enigszins
                        operationeel en voor EPS ('piepschuim') en gipsblokken nog niet, vanwege het
                        nietoperationeel zijn van een retoursysteem . Overigens geldt voor zowel
                        steenwol als EPS dat zij meestal slechts in geringe mate in bouwafval
                        voorkomen.</al><al> Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen
                        ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van
                        aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPE-folie. Via
                        de Stichting KNAPZAK (www.knapzak.nl) nemen enkele kunststofverwerkers deze
                        kunststoffen zowel van transporteurs als van sorteerbedrijven in voor
                        reclycing.</al><al> De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door
                        sorteerbedrijven voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de
                        Vereniging van Kunststofleidingsystemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof
                        gevelelementen kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het
                        recyclingsysteem van de Stichting Recycling VKG te Zoetermeer. Een
                        verwerkingssysteem voor kitkokers, verfverpakking en snoerband
                        (PP-materialen) is operationeel bij B &amp; R Recycling BV te
                        Middelharnis.</al><al> Mee terugnemen naar de werf</al><al> Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                        verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen
                        naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de
                        bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot
                        praktisch nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een
                        omgevingsvergunning is vereist op grond van de Wabo. De term tijdelijke
                        opslag duidt erop dat dit afval vervolgens in het algemeen wel moet worden
                        afgevoerd naar een sorteerbedrijf. De plicht om zgn. EURAL-stoffen
                        gescheiden te houden van andere stoffen, de anti-mengclausule, blijft
                        onverkort van kracht, evenals de plicht tot het afvoeren van deze stoffen
                        naar een depot of ze overdragen aan een inzamelaar die voor de inname van
                        deze stoffen bevoegd is.</al><al> Enkele specifieke begrippen</al><al> Met de term 'bevoegd is ...... te ontvangen' wordt gedoeld op de
                        aanwezigheid van een omgevingsvergunning ingevolge de Wabo.</al><al> Onder 'inzamelaar' wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in
                        te zamelen met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent.
                        Voor enkele deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem.
                        Zie de toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en
                        recyclingsystemen voor kunststoffen.</al><al> Lid 1</al><al> De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron - dit is op het
                        terrein - worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                        scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                        verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet
                        milieubeheer. De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen
                        het gevaarlijk afval gaat moet beschikken over een adequate
                        omgevingsvergunning op grond van de Wabo. Er bestaat keuzevrijheid naar welk
                        bedrijf wordt afgevoerd. In de praktijk komt het bepaalde in dit lid erop
                        neer dat gevaarlijk bouwafval niet naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen
                        zijn vrijwel nooit bevoegd de hier bedoelde stoffen in ontvangst te nemen.
                        Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen is verbranden de beste oplossing.</al><al> Voor de handhaving is het van belang dat het begrip 'gevaarlijk' uniform
                        wordt uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide
                        afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL) voorziet hierin. In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt
                        verwezen naar dit besluit.</al><al> Vergunningvoorwaarden</al><al> Het is niet toegestaan voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen te verbinden die ertoe strekken nog andere fracties verplicht op de
                        bouwplaats te scheiden dan die vermeld staan in het eerste lid. In het
                        algemeen komt men dan in strijd met het vierde lid van artikel 2.22
                        Wabo.</al><al> Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij
                        elkaar. Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet
                        combineren met een brand- of explosiebron (houtverduurzamingsmiddelen,
                        lijmen, verven, verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.),
                        logen, basen en zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met
                        een ontstekingsbron noch met een brand- of explosiebron.</al><al> Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling
                        bij het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op
                        hoofdstuk 8, het slopen, te betrekken.</al><al> Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</al><al> De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen
                        spoedig daarna controles uit te voeren. Artikel 7b van de Woningwet bevat
                        het verbod een bouwwerk te gebruiken of te laten gebruiken anders dan in
                        overeenstemming met de op dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften,
                        bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a. Uit dit artikel uit de
                        Woningwet vloeit voort dat de voorschriften omtrent het gebruik in de
                        bouwverordening geen betrekking kunnen hebben op het gebruik in
                        planologische zin, doch uitsluitend op het veilig en verantwoord gebruik van
                        gebouwen.</al><al> Lid 1</al><al> Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een
                        latere fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra
                        graafwerkzaamheden mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke
                        melding.</al><al> Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte
                        overeenkomstig de uitkomst van de berekening van de
                        energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de desbetreffende categorie gebouwen
                        voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is eveneens slechts effectief
                        mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is onttrokken door het
                        opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het afpleisteren van
                        de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie.</al><al> Lid 2</al><al> Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden, is een termijn
                        van twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de
                        noodzakelijke of gewenste controles uitvoert.</al><al> Lid 3</al><al> Voor zover in de voorwaarden van de omgevingsvergunning niet anders is
                        gesteld, geldt ook hier de termijn van twee dagen.</al><al> Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</al><al> Op aandrang vanuit de praktijk en gelet op de uitspraak rechtbank
                        Leeuwarden van 22 september 2008, LJN BF2263 wordt het verbod tot
                        ingebruikneming van een bouwwerk dat niet is gereed gemeld opnieuw
                        ingevoerd.</al><al> Hierbij is uitgegaan van de oude tekst van artikel 4.14 uitsluitend ten
                        aanzien van het niet gereed melden.</al><al> Gereedmelding is aan de orde bij de in artikel 4.12 MBV genoemde gevallen.
                        Voorkomen moet worden dat onveilige situaties ontstaan als gevolg van het in
                        gebruik nemen van onvoltooide bouwwerken of bouwwerken waarin niet alle
                        noodzakelijke bouwtechnische voorzieningen zijn aangebracht (ABRvS, 23
                        december 2009, LJN: BK7451).</al><al> Hoofdstuk 5 Staat van open ervan en terreinen, aansluiting op de
                        nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</al><al> Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al><al> Algemeen</al><al> In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid
                        gemaakt in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor
                        bestaande bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren
                        te verkeren. Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden
                        voor het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond
                        van de artikelen 13, 13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel het
                        toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.
                        Voor de situaties die al bestonden voor het in werking treden van de
                        artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen of de verlangde voorzieningen
                        ter plekke mogelijk zijn en of het alsnog opleggen van een plicht tot het
                        treffen van die voorzieningen redelijk is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 zijn
                        nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de aanvraag
                        om omgevingsvergunning voor het bouwen. Op die plek fungeren de eisen als
                        een toets voor aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. De
                        bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de staat of toestand van een
                        open erf of terrein en niet op het gebruik daarvan.</al><al> Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7.</al><al> Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2.</al><al> Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</al><al> Van een onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld
                        sprake, indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze
                        verontreiniging kan een gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of
                        van een gebrek aan een bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan
                        ook worden veroorzaakt door overvloedige begroeiing, waardoor de
                        lichttoetreding tot een gebouw wordt belemmerd of de veiligheid van het
                        verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt</al><al> Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</al><al> Zie de toelichting op artikel 2.5.3.</al><al> Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al> Zie de toelichting op artikel 2.5.4.</al><al> Paragraaf 2</al><al> (Vervallen)</al><al> Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al> Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al> Zie de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al> Het onderhavige voorschrift vormt geen grondslag voor een besluit ingevolge
                        de artikelen 13, 13a en 14, tweede lid van de Woningwet dan wel tot
                        toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom
                        waarin het bevoegd gezag het maken van een aansluiting op het
                        waterleidingnet verplicht stelt vanuit een pand waarin een
                        binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde artikelnummers van het
                        Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de
                        gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het bevoegd
                        gezag de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het betrekken
                        van drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende
                        welput, regenbak of watertank.</al><al> Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding
                        van het openbare distributienet, zie artikel 5.3.7.</al><al> Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al> Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al> Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al> Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al> Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al> Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al> Het is zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13
                        Woningwet dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een
                        last onder dwangsom te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool,
                        zolang - op grond van het Lozingenbesluit bodembescherming - het afvalwater
                        in de bodem mag worden geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven
                        voorzieningen (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde
                        voorzieningen - in financiële zin - nog niet afgeschreven zijn. Immers, een
                        regeling van de rijksoverheid zoals het Lozingsbesluit bodembescherming
                        prevaleert ten opzichte van een gemeentelijke verordening, in casu de
                        bouwverordening.</al><al> Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al> Zie de toelichting op artikel 2.7.5.</al><al> Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al> Artikel 5.4.1 Preventie</al><al> Onreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is
                        geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een
                        bouwwerk zich moet bevinden. Dit artikel heeft rechtstreekse werking en
                        leidt in geval van geconstateerde gebreken tot een besluit ingevolge artikel
                        13 Woningwet dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of het
                        opleggen van een last onder dwangsom gericht aan de eigenaar die kennelijk
                        het bouwwerk onvoldoende onderhoudt. Het artikel is bedoeld om excessen
                        tegen te gaan.</al><al> Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</al><al> Algemeen</al><al> De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening
                        voorschriften bevat over het gebruik van woningen, andere gebouwen en
                        bouwwerken geen gebouw zijnde. De wet noemt onderwerpen die in elk geval
                        moeten worden geregeld. Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in de
                        bouwverordening worden geregeld over het gebruik. In artikel 122 van de
                        Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van gemeentelijke verordeningen in
                        wier onderwerp door onder meer een algemene maatregel van bestuur wordt
                        voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het Besluit brandveilig gebruik
                        bouwwerken (Stb. 2008, 327) voorziet in dit onderwerp. De overige
                        gebruiksbepalingen staan in dit hoofdstuk.</al><al> Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al> Artikelen 7.2.1 en 7.2.2 Verbod tot gebruik en staken van gebruik</al><al> Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de
                        Woningwet is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen tot
                        het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het
                        gebruik. Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het
                        gebruik van een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een
                        verbod gesteld worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een
                        bouwvallig bouwwerk is gelegen.</al><al> Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in
                        artikel 7.2.2 is afhankelijk gesteld van een beschikking van het bevoegd
                        gezag. De mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te beschouwen als een
                        mededeling van feitelijke aard.</al><al> Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al> Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</al><al> Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de mogelijkheid om van
                        het in artikel 2.11.1 eerste lid, onderdeel a, genoemde aantal personen af
                        te wijken. De raad kan indien afwijking van dit artikel is gewenst, een
                        nieuw artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf in de bouwverordening
                        vaststellen.</al><al> Artikel 7.3.2 Hinder</al><al> Artikel 7.3.2 is gebaseerd op de Woningwet en rechtstreeks handhaafbaar op
                        grond van artikel 7b van die wet.</al><al> Artikel 7.3.2 kan onder meer worden toegepast in de volgende gevallen: het
                        plaatsen van voorwerpen of voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen
                        van tot bewoning bestemde gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio-
                        en televisietoestellen), het veroorzaken van radio- en televisiestoringen,
                        voor zover niet geregeld in andere wettelijke voorschriften, het opslaan van
                        stankverwekkende stoffen, het op gevaarlijke wijze stapelen van materiaal
                        (bij voorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen), het
                        verwijderen van asbest bevattende materialen of restanten hiervan die zich
                        in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van
                        asbestvezels of –stof te vrezen valt.</al><al> Door weersinvloeden en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende
                        materialen die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een
                        erf of terrein zijn opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat
                        de vezels gemakkelijk losraken en door de wind worden verspreid. Deze
                        asbestvezels vormen een risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het
                        erf of terrein en de aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit
                        ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van
                        verweren of slijtage. Een overtreding van het Bouwbesluit is niet aanwezig
                        of is onvoldoende aantoonbaar.</al><al> In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                        of oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van
                        artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13 van de Woningwet.</al><al> Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit
                        artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om
                        maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en -stof te
                        rechtvaardigen.</al><al> Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al> Artikel 7.4.1 Preventie</al><al> Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van
                        schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene
                        reinheid. Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van
                        excessen. Voor de duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze
                        bepaling onmisbaar.</al><al> Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</al><al> Paragraaf 5 Watergebruik</al><al> Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al> Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat het bevoegd gezag de
                        beschikking heeft genomen. Zie de toelichting bij de artikelen 7.2.1 en
                        7.2.2.</al><al> Paragraaf 6 Installaties</al><al> Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al> In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de
                        eigenaar of de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te
                        onderhouden en gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een
                        huurder, kan over nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden
                        aangemerkt als een privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot
                        veiligheids- en gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan
                        de orde is, ligt dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling
                        opgenomen over het onderhoud en gebruiksgereed houden van liftinstallaties,
                        collectieve installaties voor portiekverlichting, centrale verwarming,
                        mechanische ventilatie, drukverhoging in de waterleiding (hydrofoor)
                        e.d.</al><al> Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan
                        terreinrioleringen, inclusief pompen en putten, en op in de grond
                        aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater.</al><al> N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de
                        veiligheidsaspecten van gewone personenliften, in principe geregeld in het
                        Warenwetbesluit liften, dat op de Warenwet berust.</al><al> Hoofdstuk 8 Slopen</al><al> Algemeen</al><al> Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8,
                        tweede lid, letter d, van de Woningwet, en van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. Dit hoofdstuk gaat over de
                        omgevingsvergunning voor het slopen. Aan de vergunning kunnen voorschriften
                        worden verbonden gericht op het specifieke sloopproject. Het voornaamste
                        motief voor een uitgebreide sloopregeling in de bouwverordening is gelegen
                        in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel mogelijk hergebruiken
                        van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief gericht op het bouwafval
                        staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze toelichting daarop verwijzen
                        wij hier.</al><al> De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen wordt geregeld in
                        hoofdstuk 4 van het Besluit omgevingsrecht. De indieningsvereisten staan in
                        artikel 7.2 van de Mor.</al><al> Planologische sloopvergunning</al><al> De Wet ruimtelijke ordening (Wro) introduceert een sloopvergunning, die wij
                        hier ter onderscheiding van andere ‘sloopvergunningen’ – uit de
                        bouwverordening en uit de Monumentenwet – aanduiden als ‘planologische
                        sloopvergunning’. De planologische sloopvergunning kan door de raad van een
                        gemeente in een bestemmingsplan worden opgenomen. De wet stelt niets
                        verplicht, maar biedt deze mogelijkheid. Deze vergunning ziet op de
                        planologische gevolgen van sloopactiviteiten en de eventuele bouwplannen op
                        de locatie die door het slopen vrij komt.</al><al> Asbest</al><al> Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is gebaseerd op de Wet
                        milieugevaarlijke stoffen en op de Woningwet. Dit besluit bevat regels voor
                        de verwijdering van asbest bij het slopen van bouwwerken en het uit elkaar
                        nemen van objecten. Het besluit heeft voor zover het betreft het slopen van
                        bouwwerken geen directe werking voor de burger. Het besluit bevat een
                        opdracht aan de gemeenteraad tot regelgeving in de plaatselijke
                        bouwverordening. De voorschriften van de bouwverordening zijn bindend voor
                        de burger.</al><al> Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota
                        van toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een
                        selectie uit deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van
                        de bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te
                        raadplegen, in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32).</al><al> Voor meer informatie en publicaties over dit onderwerp wordt verwezen naar
                        www.infomil.nl\asbest</al><al> Incident</al><al> Het optreden in geval van een incident (ook wel aangeduid als calamiteit),
                        zoals een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde
                        lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in
                        geval van een calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak
                        asbestbranden”.</al><al> Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak.</al><al> Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten
                        die tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                        asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met
                        de bij het incident passende spoed te gebeuren.</al><al> Certificering</al><al> De certificering voor de bouw valt onder het ministerie van SZW. De
                        instantie die zich bezig houdt met de certificering is de Stichting
                        Certificatie Asbest, www.ascert.nl De oude Beoordelingsrichtlijnen (BRL) die
                        van toepassing waren op de sloop van asbest zijn vervangen door
                        certificeringsschema’s voor asbestinventarisatie (SC 540) en
                        asbestverwijdering (SC 530) (Gepubliceerd in Stcrt. 2008, nr. 57, p.
                        9).</al><al> Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen
                        naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al> Risicoklasse</al><al> Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                        arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in
                        risicoklassen ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van
                        de arbo-regels. Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning.</al><al> De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                        arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was
                        meldingen te doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.</al><al> Intensivering van de handhaving</al><al> Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de
                        handhaving van de sloopvoorschriften.</al><al> Voor diverse publicaties wordt verwezen naar www.infomil.nl</al><al> Ledenbrieven van de VNG over dit onderwerp treft u aan op www.vng.nl .</al><al> Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al> Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al> De Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische
                        basis voor de omgevingsvergunning voor het slopen. De Wabo brengt met zich
                        mee, dat de term sloopvergunning wordt vervangen door omgevingsvergunning
                        voor het slopen of wanneer het uitsluitend over het verwijderen van asbest
                        gaat omgevingsvergunning voor het slopen van asbest.</al><al> Ontvangstbevestiging en mededeling procedure</al><al> De huidige praktijk van het plaatsen van een datumstempel op de aanvraag
                        als bewijs van ontvangst is niet langer voldoende. Artikel 3.1, tweede en
                        derde lid Wabo stelt verplicht dat na ontvangst van een aanvraag onverwijld
                        de bevestiging wordt verzonden en dat eveneens onverwijld een mededeling
                        over de te volgen procedure wordt verzonden.</al><al> Lid 1</al><al> Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt
                        afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen
                        asbest bevattend - minder dan 10 m3 - een algemene eis geformuleerd in
                        artikel 8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve van
                        niet-ingrijpende interne verbouwingen.</al><al> Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit
                        artikel of meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit
                        onder de vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1.</al><al> Lid 2</al><al> Een ondergrens van 10 m3 voor de vergunningplicht lijkt reëel, voor zover
                        het te slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt overeen met
                        een gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat, omdat deze op
                        de sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter plekke niet te
                        controleren.</al><al> Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de
                        10 m3 komen is een te opvallende methode van ontduiking van de
                        vergunningplicht om kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is
                        dit een overtreding wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning voor
                        het slopen.</al><al> Onder 10 m3 sloopafval wordt verstaan: los gestort sloopafval.</al><al> Lid 3</al><al> Uit dit lid blijkt dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden
                        verbonden. Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de
                        vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met
                        d. Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het
                        scheiden en gescheiden houden tot de afvoer van het sloopafval een nadere
                        detaillering.</al><al> Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen
                        genoemd in het derde en vierde lid van dit artikel.</al><al> Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van
                        nabijgelegen bouwwerken</al><al> Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen
                        4.8 tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van
                        overeenkomstige toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein
                        enz. staat wordt uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen
                        veiligheid op het bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid
                        van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder zijn als directe norm
                        geformuleerd. Dit betekent dat deze eisen ook gelden indien het
                        vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard behoeft datgene wat via deze
                        vantoepassingverklaring al van toepassing is, niet nogmaals als voorwaarde
                        te worden opgenomen in een vergunning. Mede afhankelijk van de sloopmethode
                        en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de directe omgeving van het te
                        slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld. Van veel belang is te
                        bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De veiligheid voor
                        degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort tot de sfeer van
                        de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de Arbeidsinspectie. Een
                        sloopveiligheidsplan wordt verlangd en ingediend bij de aanvraag om een
                        vergunning. De regeling daarvoor staat in hoofdstuk 4 van het Besluit
                        omgevingsrecht in samenhang met artikel 7.2 Regeling omgevingsrecht (en art.
                        7.1 Regeling omgevingsrecht wanneer sprake is van het slopen van een bij
                        gemeentelijke verordening aangewezen beschermd monument of het slopen in een
                        bij gemeentelijke verordening aangewezen stads- of dorpsgezicht).</al><al> Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas
                        wanneer de gekozen methode leidt tot strijd met de bepalingen van dit
                        hoofdstuk, bij voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het
                        uitvoeren van bodemonderzoek, worden aan de vergunning voorschriften
                        verbonden ter voorkoming van deze strijdigheid.</al><al> Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren</al><al> Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of
                        verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of
                        transporteur het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de
                        voorschriften van de vergunning en andere regels, bij voorbeeld die over het
                        vervoer van gevaarlijk afval, in acht te worden genomen. In de praktijk komt
                        dit erop neer dat alleen mag worden samengewerkt met vergunninghoudende
                        inzamelaars en transporteurs voor het gevaarlijk afval en alleen mag worden
                        toegeleverd aan bewerkings- en verwerkingsinrichtingen die beschikken over
                        een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. De voorschriften in de
                        vergunning mogen geen 'gedwongen winkelnering' inhouden, dus niet
                        verplichten tot het afvoeren naar bedrijf X, terwijl voor dat afval de
                        bedrijven Y en Z ook vergunninghouder zijn.</al><al> De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de
                        vergunningvoorschriften. De keuze van de fracties hangt af van de
                        hoeveelheid en samenstelling van het te verwachten afval en van de
                        acceptatievoorwaarden van in de regio aanwezige bewerkings- en
                        verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest minimale scheiding vastgelegd
                        die voortvloeit uit landelijke regelgeving.</al><al> Naast deze drie 'onvermijdelijke' fracties - gevaarlijke afvalstoffen,
                        asbest en overig afval - verdient het aanbeveling om ten minste de volgende
                        fracties als voorwaarde in de vergunning op te nemen:</al><al> - steenachtig sloopafval, met uitzondering van gips;</al><al> - bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al><al> - met PAKS verontreinigde materialen;</al><al> - asfalt;</al><al> - dakgrind;</al><al> - glas (vlakglas) voor zover een inzamelstructuur beschikbaar is.</al><al> De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer.</al><al> Wanneer de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het
                        bepaalde in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf en het bepaalde in
                        artikel 5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al> Een opdrachtgever doet er verstandig aan een sloopaannemer te kiezen die is
                        gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere
                        sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd bedrijf.</al><al> Welke voorschriften, wanneer en waarvoor</al><al> Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een
                        vergunning worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te
                        slopen bouwwerk en de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in
                        welke hoeveelheden en welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van
                        containers) en voorts van de in de regio beschikbare verwijderingstructuren,
                        waaronder bewerkings- en verwerkingscapaciteit.</al><al> Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende
                        inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk
                        regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn.
                        Het is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van
                        de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale
                        verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al> Het is van belang dat voordat een aanvraag om vergunning wordt getoetst de
                        hergebruikmogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn. Hierbij
                        moeten de volgende aspecten worden nagegaan:</al><al> - wat kan worden hergebruikt;</al><al> - wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie;</al><al> - kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet;</al><al> - aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te voldoen;</al><al> - wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers, sorteerders
                        en inzamelaars.</al><al> Onderzoek</al><al> Voordat de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden
                        ingediend moeten de volgende onderzoeken plaatsvinden:</al><al> - Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen gedeelte
                        daarvan laatstelijk is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede lid, letter
                        f);</al><al> - Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te
                        slopen bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is verontreinigd met
                        gevaarlijke afvalstoffen, dient een onderzoek te worden ingesteld naar de
                        vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van dit
                        onderzoek bij de aanvraag om vergunning worden gevoegd (MBV artikel 8.1.2,
                        derde lid);</al><al> - Indien moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest
                        aanwezig is, moeten overeenkomstig het gestelde in artikel 8.1.2, daarover
                        bij het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen
                        gegevens worden ingediend. Op grond van artikel 3 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 geldt een onderzoeksplicht naar de
                        aanwezigheid van asbest door een deskundig, dat wil zeggen daartoe
                        gecertificeerd bedrijf.</al><al> Achter in deze toelichting is als bijlage 8 van de toelichting opgenomen
                        een Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop. Deze
                        keuzetabel biedt de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen een
                        handreiking voor een verdergaande scheiding dan normaliter in de voorwaarden
                        van deze omgevingsvergunning verplicht is gesteld om op de slooplocatie uit
                        te voeren. Uiteraard kan genoemde houder voor een verdergaande scheiding
                        zowel financiële als milieuhygiënische overwegingen in zijn beschouwing
                        betrekken.</al><al> Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen</al><al> Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de
                        producenten van kunststof gevelelementen (verenigd in de VKG) en de
                        producenten van kunststofleidingsystemen (verenigd in de FKS) zijn voor deze
                        twee deelstromen inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld.</al><al> De VKG heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                        inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen en deuren.</al><al> De FKS heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                        volledige inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                        kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene
                        die sloopt een container kan huren waarin de afval geworden
                        kunststofleidingen worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten
                        ketenbeheer, functionerend voor het gehele land. Andere kunststoffen dan
                        hier genoemd kunnen niet worden afgevoerd via met dit inzamelsysteem.</al><al> Andere inzamelsystemen</al><al> Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product
                        en die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te
                        maken voor hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol (minerale wol) en
                        voor aluminium. De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen bij
                        de leverancier en bij de brancheorganisatie.</al><al> Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediend</al><al> De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen
                        van een aanvraag om vergunning behoren te worden ingediend bij de aanvraag.
                        De artikelen 8.1.2 en 8.1.3 regelen dit. De naam en het adres van degene die
                        met het slopen zal worden belast - gewoonlijk de aannemer - zijn dikwijls
                        nog niet bekend ten tijde van het indienen van de aanvraag om
                        omgevingsvergunning voor het slopen. Deze gegevens spelen bovendien geen rol
                        bij de beoordeling van het in behandeling nemen.</al><al> In de vergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende dat
                        uiterlijk ... (bij voorbeeld twee) dagen voor de aanvang van de
                        sloopwerkzaamheden de naam en het adres van degene die met de
                        sloopwerkzaamheden is belast worden overgelegd aan het bevoegd gezag of de
                        directeur van het (gemeentelijk) bouwtoezicht.</al><al> Het gebruik van een mobiele puinbreker</al><al> In de meeste provincies bevat de provinciale milieuverordening een regeling
                        voor de toelaatbaarheid van mobiele puinbrekers op slooplocaties. Een
                        dergelijke regeling maakt voorschriften ter zake in de gemeentelijke
                        bouwverordening overbodig. In een concreet geval raadplege men de
                        desbetreffende provinciale griffie over de vraag of, en zo ja welke,
                        provinciale voorschriften terzake gelden.</al><al> In de bouwverordening van de gemeenten die in de overige provincies liggen,
                        blijven de voorschriften voor het gebruik van een mobiele puinbreker echter
                        zinvol.</al><al> Op verzoek van de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het slopen kan,
                        onder in de vergunning te stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de
                        sloopplaats het beton en metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar
                        opgestelde mobiele puinbreekinrichting.</al><al> Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ bevat alle voorschriften
                        ten aanzien van mobiele brekers en is in werking getreden op 1 maart 2004.
                        Vanaf deze datum zijn de in enkele gemeentelijke bouwverordeningen nog
                        bestaande voorschriften over mobiele brekers van rechtswege vervallen. De
                        hogere regeling treedt in de plaats van de lagere regeling.</al><al> Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven in genoemd besluit is het
                        toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in de directe nabijheid
                        daarvan een mobiele puinbreker op te stellen waar het steenachtige bouw- en
                        sloopafval wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten periode van ten
                        hoogste drie maanden. Het is verboden om met een mobiele puinbreker bouw- en
                        sloopafval te bewerken dat afkomstig is van andere bouw- of slooplocaties
                        dan die waarbij de breker is opgesteld.</al><al> Lid 4</al><al> Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                        derde lid waarover in de vergunning voorschriften worden gesteld.
                        Afhankelijk van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of
                        bepaalde handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk
                        afval zware eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag
                        ervan. De tweede zin verplicht het bevoegd gezag een voorschrift in de
                        vergunning op te nemen over het afzonderlijk gereed maken voor de afvoer van
                        het sloopproject van asbest en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren. Deze
                        verplichting staat in artikel 10, letter e, van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al> Lid 5</al><al> Voor seizoengebonden bouwwerken, welke naar hun aard slechts tijdelijk een
                        plek staan en meestal jaarlijks op dezelfde plek opnieuw worden geplaatst,
                        geldt een andere regeling. Het betreft hier meestal het uit elkaar nemen van
                        het bouwwerk totdat dit opnieuw wordt opgebouwd. Hierbij wordt gedacht aan
                        strandpaviljoens, bouwwerken voor jaarlijks terugkerende evenementen
                        e.d</al><al> Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</al><al> Ad a en b</al><al> Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de vergunning, als
                        bedoeld in artikel 8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid
                        tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende
                        is gewaarborgd. Indien ook door het stellen van voorschriften geen voldoende
                        niveau van veiligheid c.q. bescherming kan worden gewaarborgd, moet de
                        vergunning worden geweigerd. Meestal zal in overleg met de aanvrager - vaak
                        al vóór de indiening van de aanvraag om vergunning - worden gezocht naar een
                        voor de gegeven situatie veilige sloopmethode en zodanige maatregelen dat
                        voldoende bescherming van nabijgelegen bouwwerken is verzekerd. De
                        weigeringgronden ad a en b strekken ertoe een onveilige sloopwijze of een
                        onvoldoende bescherming van andere bouwwerken te kunnen tegenhouden. Het
                        doel is niet om het slopen onmogelijk te maken. Er moet van worden uitgegaan
                        dat ooit ieder bouwwerk een keer wordt gesloopt.</al><al> Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</al><al> Voordat wordt besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder
                        van die vergunning te worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid.
                        Indien de houder aannemelijk kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd
                        met de werkzaamheden begint, of deze voortzet, kan dit een reden zijn een
                        besluit tot intrekking nog niet te nemen. De Wabo verhindert niet dat in een
                        verordening, waarbij de vergunningplicht is ingesteld, criteria op te nemen
                        over het intrekken van de vergunning.</al><al> Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van de omgevingsvergunning voor
                        het slopen</al><al> Artikel 8.2.1 Sloopmelding</al><al> Algemeen</al><al> De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de vergunningplicht.
                        Dit betekent dat indien wordt gesloopt zonder mededeling naar aanleiding van
                        een melding, terwijl deze wel is vereist, overtreding plaatsvindt van
                        artikel 8.2.1 juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening.</al><al> Een melding als hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling
                        van het college van burgemeester en wethouders. Deze mededeling is een
                        beschikking en vatbaar voor bezwaar en beroep in de zin van de Algemene wet
                        bestuurrecht. Dit betekent onder meer dat de melding schriftelijk moet
                        worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Ingevolge het tweede lid
                        moet worden gebruik gemaakt van de door het college van burgemeester en
                        wethouders vastgestelde formulieren. In het achtste lid is bepaald dat aan
                        de mededeling voorschriften kunnen worden verbonden.</al><al> Degene die een mededeling als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de
                        sloopwerkzaamheden verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken
                        naar de risico’s voor de gene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die
                        in de woning verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid).</al><al> Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen 7 en 8 van
                        het Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende voorschriften
                        waaraan degene die asbest verwijdert anders dan in het kader van beroep of
                        bedrijf – dus de burger - zich moet houden. Op grond van het tweede lid van
                        artikel 8 van dit Besluit is de minister van VROM bevoegd om, in het kader
                        van de bescherming van mens en milieu tegen emissie van asbestvezels,
                        aanvullende regels te stellen voor de door particulieren toegestane
                        verwijdering van asbest. Deze voorschriften gelden dan naast artikel 7 en
                        naast de voorschriften bij de mededeling. Van deze mogelijkheid zal blijkens
                        de toelichting bij artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 slechts
                        gebruik gemaakt worden als uit praktijkervaringen blijkt dat de in artikel 7
                        opgenomen voorschriften onvoldoende zijn.</al><al> Voor het zich ontdoen van het verpakte asbest staan thans drie
                        mogelijkheden open: zelf afvoeren naar een stortplaats of depot, door een
                        aannemer laten afvoeren en, indien de gemeente daarvoor een mogelijkheid
                        aanbiedt, meestal tegen betaling, meegeven met de inzameldienst op
                        vergelijkbare wijze als het grof huisvuil. Om te voorkomen dat asbest 'zoek
                        raakt' verdient het aanbeveling dat de gemeente voor het asbest afkomstig
                        van particulieren een inzamel-structuur creëert, waardoor ten minste op een
                        van de vorenstaande wijzen de particulier zich van dit afval kan
                        ontdoen.</al><al> Lid 1</al><al> Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner zelf het asbest
                        verwijdert. Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook gelden voor de
                        bijgebouwen of met de woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom zijn naast de
                        woning ook genoemd het logiesverblijf (recreatiewoning) alsmede de op het
                        daarbij behorende erf staande bijgebouwen.</al><al> Het door de burger verwijderen van geschroefde asbesthoudende platen, van
                        asbesthoudende vloertegels en van niet-gelijmde asbesthoudende
                        vloerbedekking is in artikel 4, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit
                        2005 gebonden aan een maximum van 35 m2 per kadastraal perceel.</al><al> Genoemd artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en
                        bijgebouwen bij woningen. De begripsbepaling voor woning in het tweede lid
                        van artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit geeft hiervoor geen
                        oplossing, omdat onduidelijk is wat daar onder ‘mede’ wordt verstaan en
                        omdat in de Woningwet het begrip woning niet is omschreven. Voor zover
                        bedoeld is met dit Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in
                        het beleid noch in de uitvoering van de regels te brengen, mag worden
                        geconcludeerd dat onder woning mede wordt verstaan een een logiesverblijf
                        zoals is genoemd in het eerste lid van art. 8.2.1 MBV.</al><al> De tekst van het derde lid van artikel 4 van het Asbestverwijderingsbesluit
                        geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende golfplaten op een schuurtje
                        bij een woning vergunningvrij door de burger verwijderd mogen worden onder
                        het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al> Er staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                        hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het
                        erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                        niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden
                        gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                        te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter
                        per kadastraal perceel bedraagt’.</al><al> Een schuur is een bijgebouw bij een woning. En hoewel de dakplaten niet
                        letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen, mag worden aangenomen dat bedoeld is –
                        net als onder de regeling van vóór het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit
                        wel mogelijk te maken. De Nota van toelichting geeft niet aan dat een
                        wijziging is bedoeld. Er staat in de toelichting bij het derde lid van
                        artikel 4: ‘De in het onderhavige besluit opgenomen uitzonderingen zijn
                        gebaseerd op de uitzonderingen die zijn opgenomen in de modelbouwverordening
                        van de VNG, die door het merendeel van de gemeenten in hun regelgeving zijn
                        overgenomen.’ Daarom heeft de VNG thans bij de implementatie van meergenoemd
                        derde lid in de model-bouwverordening, de bestaande toevoegingen van met een
                        woning gelijk te stellen bouwwerken ‘logiesverblijf’ gehandhaafd.</al><al> Beleidsmatig verdient het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het
                        is beter dan de andere uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest
                        van een schuurtje niet zelf mag doen. De kans is groot dat dan toch door de
                        burger het asbest golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar
                        illegaal. En illegaal verwijderd asbest kun je moeilijk legaal inleveren,
                        dus bestaat kans dat dit eveneens illegaal wordt weggewerkt. Met de
                        voorgestelde ruime uitleg is de burger legaal bezig en kan hij de
                        asbestplaten legaal inleveren.</al><al> Op grond van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet meer
                        toegestaan om anders dan in het kader van beroep of bedrijf over te gaan tot
                        het verwijderen van:</al><al> - gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude voorschriften met
                        betrekking tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking bleken zodanig
                        complex dat ze voor particulieren niet goed waren na te leven. Minder
                        vergaande voorschriften leiden echter tot een risico op blootstelling aan
                        asbestvezels.</al><al> - dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk groot.
                        Bij breuk van asbesthoudende dakleien komen asbestvezels vrij, hetgeen leidt
                        tot een onaanvaardbaar risico op inademing van asbestvezels en
                        verontreiniging van het milieu met deze vezels.</al><al> Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al> Lid 9</al><al> De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende
                        voorschriften' die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van
                        asbest bevattende vloerbedekking en andere afvalstoffen die hij zelf mag
                        verwijderen na een melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld
                        de voorschriften over het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden
                        aan de ophaaldienst voor grof huisvuil of die over het aanbieden van deze
                        afvalstoffen bij de gemeentewerf of andere inzamelplaats.</al><al> Lid 10</al><al> Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen
                        mogen niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind
                        opdat zij in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel
                        worden onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij
                        voorafgaand aan verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten
                        onder hoge druk.</al><al> Lid 11</al><al> De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de
                        procedure van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing
                        is: Indien de aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kunnen
                        burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet in behandeling te
                        nemen. Dat kan pas als de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn
                        aanvraag binnen een door burgemeester en wethouders te stellen termijn aan
                        te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen die termijn kort te houden
                        (één week).</al><al> Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                        omgevingsvergunning voor het slopen</al><al> Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder een
                        omgevingsvergunning voor het slopen als bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder
                        sloopmelding als bedoeld in artikel 8.2.1 mag gebeuren. Deze uitzonderingen
                        hebben geen betrekking op andere regelingen waarin bepaalde sloophandelingen
                        mogelijk aan een vergunning of melding zijn gebonden, zoals de Monumentenwet
                        of monumentenverordening.</al><al> In gevolge het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is ook het verwijderen van
                        beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen vergunningvrij.
                        Ook wel aangeduid als voegkit.</al><al> Dit artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a,
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 bedoelde waterleidingbuizen,
                        gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen, voor zover zij deel
                        uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water- en rioolleidingnet. Het
                        verwijderen van gas-, water-, riool- en mantelbuizen in bouwwerken moet wel
                        plaatsvinden door een deskundig asbestverwijderingsbedrijf. Bij het
                        verwijderen van deze buizen die zich in (of in de kruipruimte van) een
                        bouwwerk bevinden is geen sprake van routinematig verwijderen met een
                        beheersbaar risico.</al><al> Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al> Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</al><al> Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1.</al><al> Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al> Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de
                        aanwezigheid van de vergunning of een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom dat leidt tot het
                        slopen mag degene die de werkzaamheden verricht - in de regel een ander dan
                        de houder van de vergunning - geacht worden de voorwaarden te kennen.</al><al> Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de omgevingsvergunning
                        voor het slopen, indien deze mede betrekking heeft op asbest, een afschrift
                        van deze vergunning ter hand stelt aan de sloopaannemer.</al><al> Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest</al><al> De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van
                        asbest. De betekenis van de artikelen kan als volgt worden onderscheiden.
                        Artikel 8.3.3 schept verplichtingen voor de houder van de
                        omgevingsvergunning voor het slopen. Artikel 8.3.4 geldt voor de gevallen
                        dat vooraf de aanwezigheid van asbest niet bekend was. Deze situatie kan
                        zich voordoen in alle gevallen dat wordt gesloopt. Artikel 8.3.5 geldt voor
                        alle situaties dat asbest wordt gesloopt, dus zowel op grond van een
                        omgevingsvergunning voor het slopen als op grond van een mededeling naar
                        aanleiding van een melding. De eis dat bij het slopen de beste bestaande
                        technieken worden toegepast geldt krachtens het derde lid van dit artikel
                        echter niet voor het slopen op grond van een mededeling.</al><al> Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                        slopen</al><al> De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 10,
                        letters k, l, m en n van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Deze leden
                        bevatten verplichtingen voor de houder van de omgevingsvergunning voor het
                        slopen.</al><al> Volledigheidshalve merken wij op dat in artikel 5 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat dat degene die opdracht geeft tot het
                        slopen voor de aanvang van de werkzaamheden aan een afschrift van het
                        asbestinventarisatierapport verstrekt aan degene die de handeling verricht.
                        Voorheen stond dit in artikel 8.3.3, derde lid. De plicht is er nog, maar
                        staat op een andere plek en behoeft niet te worden herhaald in de
                        bouwverordening.</al><al> Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</al><al> Lid 1</al><al> Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest
                        wordt aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment
                        dat asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop
                        gerichte vergunning of mededeling naar aanleiding van een melding aanwezig
                        zijn. Die moet er eerst komen, voordat het asbest mag worden gesloopt.</al><al> Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van het stilleggen
                        van de sloopwerkzaamheden door toepassing van bestuursdwang.</al><al> Lid 2</al><al> De strekking van het tweede lid is het bouwtoezicht de gelegenheid te geven
                        tot tijdige controles tijdens en bij het voltooien van het sloopwerk.</al><al> Indien het bevoegd gezag de ontvangst van een melding van de voltooiing van
                        een sloopwerk bevestigt, bijv. door de melding af te stempelen en van de
                        ontvangstdatum te voorzien, is die bevestiging een administratieve handeling
                        die niet meer inhoudt dan een bewijs dat er is gesloopt. De gemeente
                        aanvaardt daarmee geen aansprakelijkheid voor eventuele onvolkomenheden bij
                        het slopen en het scheiden en gescheiden houden van het sloopafval.</al><al> Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</al><al> Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de
                        voorschriften voor de wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
                        voorzover dit gebeurt anders dan in de uitoefening van een beroep of
                        bedrijf.</al><al> Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze handelingen
                        gelden regels op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de
                        desbetreffende certificering.</al><al> Voor degenen die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf een
                        handeling als hiervoor bedoeld verrichten, geeft artikel 8 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 een vergelijkbare verplichting. Van de
                        bevoegdheid om op grond van het tweede lid van artikel 8 een ministeriële
                        regeling te doen uitgaan heeft de minister van VROM tot nog toe geen gebruik
                        gemaakt.</al><al> De leden 1 en 2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding
                        van asbest wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de
                        minister op grond van het tweede lid van artikel 8 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding
                        hogere en lagere regelgeving vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking.</al><al> Paragraaf 4 Vrij slopen</al><al> Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</al><al> Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, zijn er redenen om de plicht
                        tot het hebben van een vergunning te koppelen aan een ondergrens van 10 m3
                        sloopafval. Dit betekent niet dat al het sloopafval dat minder dan 10 m3
                        bedraagt, niet gescheiden zou behoeven te worden.</al><al> De fracties waarin het sloopafval verplicht moet worden gescheiden,
                        uiteraard voor zover die stoffen daarin voorkomen, betreffen gevaarlijke of
                        verontreinigde stoffen die niet mogen worden gemengd met het overige afval.
                        In de opsomming is asbest niet opgenomen, omdat dit immers nooit zonder
                        vergunning of zonder melding mag worden verwijderd.</al><al> Preventief toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet
                        voorzien. De handhaving vindt bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet
                        meer dan 10 m3, uitsluitend repressief plaats.</al><al> Transponeringstabel artikelen Asbestverwijderingsbesluit 2005 en MBV incl.
                        11e serie wijzigingen</al><al> Asbestverwijderingsbesluit 2005 MBV inclusief 11e serie wijzigingen</al><al> Art. 3 H 8, Toelichting Algemeen</al><al> Art. 3, lid 3 H 8, Toelichting calamiteit</al><al> Art. 4, lid 1, sub a 8.1.2, lid 3, sub c</al><al> Art. 4, lid 1, sub b 8.2.2, lid 1, sub c</al><al> Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e 8.2.2, lid 1, sub a, b, d en e</al><al> Art. 4, lid 3, sub a, b en c 8.2.1, lid 1, sub a en b</al><al> Art. 5 8.3.3, lid 3 vervallen</al><al> Art. 6 1.1 (Begripsbepaling)</al><al> Art. 7 H. 8 Toelichting Algemeen brochure VROM nog niet gereed</al><al> Art. 8, lid 1 8.3.5, lid 1 en 2</al><al> Art. 8, lid 2 Min. Besluit is er nog niet</al><al> Art. 10, letter a 8.1.1</al><al> Art. 10, letter b 8.1.2, lid 3, sub c</al><al> Art. 10, letter c 8.2.1</al><al> Art. 10, letter d 8.2.1, lid 7</al><al> Art. 10, letter e 8.2.1, lid 8</al><al> Art. 10, letter f 8.2.1, lid 9</al><al> Art. 10, letter g 8.2.1, lid 8</al><al> Art. 10, letter h 8.1.2, lid 12</al><al> Art. 10, letter i 8.1.4, lid 2</al><al> Art. 10, letter j 8.1.2, lid 4</al><al> Art. 10, letters k, l, m en n 8.3.3, lid 1 t/m 4</al><al> Art. 11 12.1, lid 1 en 2</al><al> Hoofdstuk 9 Het welstandstoezicht</al><al> Algemeen</al><al> In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen
                        met betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8,
                        zesde lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                        samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><al> De werkwijze van de welstandscommissie is in de MBV niet concreet
                        uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten dienen
                        nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze, ook
                        indien een gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De
                        gemeentelijke keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de
                        provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief te
                        nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze te
                        onderschrijven.</al><al> Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                        situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                        stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een
                        dergelijk reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen,
                        maar dient wel dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                        bouwverordening.</al><al> Welstandscriteria en welstandsnota</al><al> Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                        verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                        vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                        welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                        omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                        welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen
                        burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige
                        mate in strijd is met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die
                        strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota
                        zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is geen welstandstoezicht
                        mogelijk.</al><al> De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in
                        de nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald
                        dat deze criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene
                        categorieën bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de
                        plaats waar een bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria
                        per samenhangend deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten
                        de bebouwde kom verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande
                        kwaliteiten en ten aanzien van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke
                        ontwikkelingen, die vastliggen in een bestemmingsplan of specifieke
                        beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van landschapsverbetering,
                        stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De bestaande situatie en de
                        beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen
                        voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een
                        behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist verandering en
                        vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake van
                        ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                        zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                        beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al> De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                        gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende
                        gebied een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de
                        vaststellingsprocedure wordt gevolgd.</al><al> Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                        toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                        afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                        bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><al> Relatie bestemmingsplan en welstand</al><al> De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel
                        uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te
                        richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan
                        biedt.</al><al> Het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van de Woningwet
                        omschreven als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De
                        voorrangsregeling van artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van
                        toepassing. De jurisprudentie heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat
                        die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16
                        maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119).</al><al> In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op
                        de welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin
                        is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de
                        bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste
                        lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de
                        welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering.
                        Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in
                        de Wet op de ruimtelijke ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen
                        omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de daarbijbehorende
                        bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de
                        welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking
                        van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan
                        biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A.
                        Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner naarmate het
                        bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te
                        realiseren.</al><al> Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid
                        Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig
                        bestemmingsplan en welstand.</al><al> Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><al> Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een
                        welstandscommissie bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verplicht indien een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van
                        criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van
                        welstand. De commissie adviseert, het bevoegd gezag beslist.</al><al> De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie
                        een stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                        voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                        stadsbouwmeester.</al><al> De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan
                        wel provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om
                        voor de welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale
                        welstandsorganisatie, die het resultaat is van een gemeenschappelijke
                        regeling of een privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt
                        gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de
                        leden van de welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie
                        toelichting bij artikel 9.2.</al><al> Alternatief 1</al><al> In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de
                        diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan
                        hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                        vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als
                        welstandscommissie te worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt
                        uit haar midden personen voor aan b&amp;w om door de gemeenteraad te worden
                        benoemd. De welstandscommissie adviseert over alle vergunningplichtige
                        bouwwerken.</al><al> Alternatief 2</al><al> In dit alternatief is er sprake van een lokale welstandscommissie, die
                        adviseert over alle vergunningplichtige bouwwerken.</al><al> Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</al><al> Onafhankelijkheid</al><al> Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                        onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de
                        leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook
                        is het raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert
                        te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het
                        college van burgemeester en wethouders of van het bevoegd gezag dat
                        besluiten neemt over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen aan de welstandscommissie voor de eigen gemeente of voor de gemeente
                        waarover het bevoegd gezag besluiten neemt, is in dit verband
                        uitgesloten.</al><al> Deskundigen en burgers</al><al> In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                        hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                        kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                        commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                        beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                        niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke
                        bevolking verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de
                        kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het
                        gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden benoemd. De
                        gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen
                        wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de
                        welstandscommissie.</al><al> Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al><al> Alternatief 1</al><al> De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden. De secretaris
                        is geen lid van de welstandscommissie.</al><al> Alternatief 2</al><al> In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                        burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                        provinciale welstandsorganisatie is de keuze voor dit alternatief denkbaar,
                        maar minder werkbaar dat uit elke gemeente aan die gemeente gebonden
                        inwoners deelnemen.</al><al> De secretaris van de welstandscommissie is geen lid van de
                        welstandscommissie.</al><al> Alternatief 3</al><al> De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al><al> Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik
                        wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                        rayonarchitect.</al><al> Alternatief 4</al><al> In de welstandscommissie hebben, naast deskundigen, ook 'geïnteresseerde
                        burgers' zitting. Indien de welstandsadvisering is opgedragen aan een
                        provinciale welstandsorganisatie is het denkbaar, maar minder werkbaar dat
                        uit elke gemeente aan die gemeente gebonden inwoners deelnemen.</al><al> Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien een
                        provinciale welstandsorganisatie is aangewezen als commissie, is dit veelal
                        de rayonarchitect.</al><al> Alternatief 5</al><al> In plaats van een welstandscommissie biedt de Woningwet de mogelijkheid om
                        een stadsbouwmeester te benoemen. Dit alternatief is niet uitgewerkt in de
                        MBV.</al><al> Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</al><al> Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van
                        de leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een
                        eenmalige mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in
                        de commissie die in de desbetreffende gemeente werkzaam is. Daarmee wordt
                        beoogd de doorstroming van de leden van de welstandscommissie te bevorderen.
                        Kennelijk is op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de
                        zittingsduur in concrete situaties de continuïteit van de commissies in
                        gevaar kan brengen.</al><al> Het is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de benoemingsprocedure
                        voor (deskundige) leden op te nemen in de MBV. Een reglement van orde dat
                        als bijlage 9 bij de bouwverordening dient te worden vastgesteld en
                        toegesneden is op de lokale situatie, is hiervoor geschikter. In een
                        dergelijk reglement van orde lijkt het zinvol om onder meer een
                        benoemingsboekhouding te regelen om in geval van bezwaren en beroepen tegen
                        onbevoegd gegeven welstandsadviezen zittingstermijnen van leden/voorzitter
                        aan te kunnen tonen.</al><al> Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al> Jaarverslag welstandscommissie</al><al> Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de
                        welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij
                        de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in
                        specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse
                        verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b,
                        derde lid van de Woningwet.</al><al> Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling
                        van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                        welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van
                        het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente.
                        Ervan uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in
                        september/oktober wordt behandeld, zou het 'verslagjaar' van de
                        welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni.</al><al> Jaarverslag burgemeester en wethouders</al><al> Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                        welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                        welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                        artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent
                        de toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In
                        dit jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><al> - op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                        welstandsadviezen;</al><al> - op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                        vergaderen;</al><al> - in welke gevallen burgemeester en wethouders een besluit hebben genomen
                        tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op
                        grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld
                        in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan
                        zijn overgegaan.</al><al> Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag
                        over ruimtelijke ordening en bouwregelgeving.</al><al> Tezamen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                        gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                        bevorderd.</al><al> In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                        wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                        bouwregelgeving.</al><al> Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><al> De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn
                        beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de
                        welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering
                        binnen de Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de
                        adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de
                        beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd.</al><al> De mogelijkheid van beoordeling van een zgn. schetsplan in een informele
                        voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de
                        ontvangst van verzoek om vergunning.</al><al> Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien
                        waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het
                        raadzaam gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de
                        beslistermijn.</al><al> Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al><al> Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur,
                        dat nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van
                        de Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden
                        uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de
                        belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                        bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de
                        aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren.</al><al> Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de
                        welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking
                        hebben op de geagendeerde aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het
                        bouwen ter inzage te leggen bij de agenda en daarvan melding te maken in de
                        bekendmaking.</al><al> De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                        vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol
                        van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de
                        advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de
                        openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en
                        kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al> Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                        onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de
                        aanvrager van de omgevingsvergunning en anderzijds andere
                        belanghebbenden.</al><al> Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                        toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient
                        te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen.</al><al> Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn
                        aanvraag toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager
                        kan - indien nodig - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden
                        gekomen, waardoor de noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan
                        worden verkleind.</al><al> Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht
                        wordt geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                        spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel
                        1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de
                        vergadering van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een
                        eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen geen 'recht van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden
                        zijn.</al><al> De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                        vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet
                        dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om
                        zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend,
                        dan kan de termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige
                        voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake is.</al><al> De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de
                        vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is
                        niet verplicht voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een
                        schetsplan, dat meestal door een of meer daartoe gemandateerde leden van de
                        commissie wordt uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het stadium van
                        vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op
                        het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte
                        bouwplanprocedure vooroverleg stimulering verdient.</al><al> Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</al><al> In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                        mandaat.</al><al> De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de
                        afdoening van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan
                        de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden
                        verondersteld.</al><al> Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor mandatering met
                        betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken</al><al> Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten.</al><al> Behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen
                        onder mandaat vraagt met name ten aanzien van de openbaarheid enige
                        aandacht. Met name in geval van veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor
                        het bouwen van kleine bouwwerken zal er geringe belangstelling zijn om de
                        behandeling van bouwplannen door de gemandateerde bij te wonen. Het verdient
                        in dat geval aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten te agenderen,
                        zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan en er geen ongebruikte
                        (vergader)tijd verloren hoeft te gaan.</al><al> Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al> Lid 1</al><al> Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk
                        uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b,
                        eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet
                        ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete
                        motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit
                        direct zodra bezwaar tegen de (voorheen) bouwvergunning wordt
                        ingediend.</al><al> Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</al><al> Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                        welstandstoezicht, stelt de raad alternatief 3 of alternatief 4 van de MBV
                        vast. Het desbetreffende gebied is aangeduid op de kaartbijlage als bedoeld
                        in artikel 1.3 MBV.</al><al> Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</al><al> Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                        voorschriften</al><al> Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                        Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's)
                        en praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al> Hoofdstuk 11 Handhaving</al><al> Algemeen</al><al> Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de
                        bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande
                        bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan worden
                        opgetreden, zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke
                        aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2003 geldt voor alle bouwwerken
                        (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze systematiek
                        vormt in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste voor bestaande
                        bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met het generieke
                        handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb kan worden
                        afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk gaat
                        voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2003, dat het
                        gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                        overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een
                        bouwwerk niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand,
                        beoordeeld naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al> Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de
                        Awb met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen
                        zal hebben tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de
                        gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In het
                        handhavingsbesluit dient vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met
                        welke voorschriften van het Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een
                        gebouw of ander bouwwerk in strijd is en met welke voorzieningen het bouwen
                        of de staat van dat gebouw of ander bouwwerk weer in overeenstemming met die
                        voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde
                        termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig
                        artikel 5:24, vierde lid, van de Awb de toepassing van bestuursdwang
                        voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb het
                        verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al> Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de
                        Awb in samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep,
                        hoger beroep en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te
                        vragen).</al><al> Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan
                        om met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb
                        met een last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                        sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                        Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning
                        wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om
                        spoedshalve bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24, vijfde
                        lid Awb. Het direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of
                        sloopwerkzaamheden is er immers op gericht te voorkomen dat de illegale
                        situatie verder in omvang toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders
                        mogelijk voor voldongen feiten worden geplaatst. In dit verband kan onder
                        meer worden verwezen naar de uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG
                        020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).</al><al> Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al><al> Algemeen</al><al> Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                        steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de
                        Wet op de economische delicten.</al><al> Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven
                        en terreinen</al><al> De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande
                        situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen
                        en redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe situaties
                        - dat wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze
                        voorschriften - lijkt de eis wel redelijk.</al><al> Wanneer een bestaand gebouw, dat krachtens deze overgangsbepaling niet aan
                        de nieuwe voorschriften behoeft te voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een
                        vergunning nodig is op grond van artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die
                        vergunning eisen omtrent de bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld.
                        Dit om te voorkomen dat een eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer
                        eigentijdse eisen van bereikbaarheid zou behoeven te voldoen.</al></artikel></regeling-tekst><bijlage><al> Bijlagen</al><al> Bijlage 1 Toelichting verordening</al><al> Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen</al><al> Figuren 1 tm 19, bij stedenbouwkundige bepalingen.pdf (versie geldig sinds:
                        04-05-2010; PDF-bestand; grootte: 326.57 KB)</al><al/><al> Bijlage 5 Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingen</al><al> Activiteit samenhangende met sloopproject</al><al> Sloopmethode Bedreiging</al><al> Beulen (slopen met behulp van slingeren, zwaaien, vallen van bal) –
                        onvoldoende afstand tot gebouwen</al><al> – stof bij instorten</al><al> – overmatige trillingen</al><al> – ongecontroleerd instorten</al><al> – ongecontroleerd instorten</al><al> Omduwen/omtrekken (uitoefenen kracht haaks op lengterichting met als gevolg
                        breuk) – stof bij instorten</al><al> – wegspatten dommekracht (hefboom)</al><al> – ongecontroleerd instorten</al><al> Expanderen (sloopmethode die gebruik maakt van bepaalde stoffen die een
                        aanzienlijke volumevergroting vertonen; o.a. explosieven.) – rondvliegend
                        puin</al><al> – opslag e.d.</al><al> – trillingen</al><al> – verzakkingen</al><al> Afhijsen (knijpen) – vallend materiaal/onvoldoende afstand</al><al> – omvallen kraan/maximum hijslast</al><al> – afbreken hijslast</al><al> Trekken (uitoefen kracht in de lengterichting) – kantelen
                        trekapparatuur</al><al> – stapelen palen</al><al> Overige methoden: Slopen in het algemeen met de hand vanaf stellingen, al
                        dan niet met behulp van werktuigen. Hierbij kan indien het bouwhek niet
                        vergenoeg staat puin, gereedschap e.d. Buiten het sloopterrein vallen.</al><al> Materieel (bouwkranen, mobiele puinbrekers) - aan- en afvoer</al><al> - op- en afbouw</al><al> - afbreken hijslast of delen daarvan</al><al> - omvallen kraan</al><al> - overschrijden max. wegbelasting</al><al> Sloopobject - omvallen bouwdelen</al><al> - wegspattend/vallend puin en gereedschap</al><al> - verontreinigd sloopmateriaal</al><al> Activiteit samenhangende met sloopproject Bedreiging</al><al> Sloopterrein - afkalven, instorten bouwputten</al><al> - opslag van materialen en materieel</al><al> - onvoldoende afgrenzing</al><al> Bouwputten en -sleuven - instorten/afkalven bouwputten en sleuven</al><al> - onjuiste bemaling</al><al> Bodemverontreiniging en afvoer van sloopmaterialen Veiligheidsaspecten
                        reeds gedekt: p-bladen arbeidsinspectie en APV's</al><al> Bijlage 6 Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten
                        behoeve van de opsteller van het sloopveiligheidsplan</al><al> Bedreigde functies en objecten Mogelijke maatregelen (bron-, pad- en
                        object- gericht) Aanbevelingen</al><al> Belendingen Bouwkundige staat – constructief scheiden Overleg met
                        eigenaar/beheerder</al><al> - - – trillingsarm slopen belending (in extremo: met de hand) -</al><al> - - – stutten/stempelen bouwputten- en sleuven -</al><al> - - – gecontroleerd bemalen -</al><al> - - – voorzieningen i.v.m. gemeenschappelijke bouwmuren en funderingen
                        -</al><al> - Gebruikers – trillingsarm slopen Voorlichten gebruikers</al><al> - - – stofarm slopen -</al><al> - - – slopen op bepaalde dagen/tijden -</al><al> - - – in extreme situaties (calamiteiten): ontruimen -</al><al> - - – rekening houden met verontreinigd sloopmateriaal, zoals asbest -</al><al> - Gebruiksfuncties – vrijhouden / toegankelijk houden van belendende
                        gebouwen Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan
                        verkeerscirculatieplan</al><al> - - – aangepaste werktijden -</al><al> Gedeeltelijk te slopen objecten Bouwkundige staat resterende constructie –
                        toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat betreft veiligheid Zie
                        ook bouwkundige staat belendingen Getoetst dient te worden aan de
                        regelgeving met betrekking tot veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voor
                        bestaande situaties. Voor mogelijke maatregelen en aanbevelingen zie
                        ’belendingen’</al><al> - Gebruikers resterende constructie – toetsen aan Bouw besluit en
                        Bouwverordening wat betreft veiligheid en gezondheid Zie ook gebruikers
                        belendingen. -</al><al> - Gebruiksfuncties resterende constructie (school, ziekenhuis, e.d.) –
                        toetsen aan Bouw besluit en Bouwverordening wat betreft bruikbaarheid Zie
                        ook gebruiksfuncties belendingen -</al><al> Infrastructuur Kabels, leidingen en rioleringen – aangepaste sloopmethode
                        Regelen in vooroverleg met betreffende nutsbedrijven</al><al> - - – stutten -</al><al> - - – beschermen -</al><al> - - – (afdekken) -</al><al> - - – afsluiten -</al><al> - - – omleggen -</al><al> - - – hijsplan bij grote hijsklussen -</al><al> - Straatmeubilair (lantaarnpalen e.d.) – beschermen -</al><al> - - – afsluiten -</al><al> - - – verwijderen -</al><al> - Wegen, bruggen, viaducten, e.d. – afdekken (schotten, rijplaten, zand)
                        Overleg met verantwoordelijke instanties</al><al> - - – aangepaste sloop methode -</al><al> - Waterstaatkundige werken (kanalen, sluizen, dijken e.d.) - Overleg met
                        verantwoordelijke instanties</al><al> - Overig (tunnels e.d.) - Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke
                        instantie</al><al> Verkeerssituatie Voetgangers en fietsers – afdoende afgrenzen sloopterrein
                        Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan Regelen in vooroverleg met
                        verantwoordelijke instanties en gemeentediensten</al><al> - - – uitstekers (valschermen) -</al><al> - - – voetgangerstunnels -</al><al> - - – afzetten weggedeelte met hekwerk -</al><al> - - – (tijdelijk) afzetten van de gehele weg -</al><al> - Overig wegverkeer (openbaar vervoer, auto’s) – afdoende afgrenzen
                        sloopterrein Bij complexe situaties:</al><al> - - – vrijhouden en waarbor gen veiligheid boven leidingen trams en
                        trolleys Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                        gemeentediensten</al><al> - - – uitstekers -</al><al> - - – afzetten weg verkeerscirculatieplan -</al><al> - Routes voor brandweer- en ziekenhuis auto’s e.d. – vrijhouden weg Bij
                        complexe situaties: verkeerscirculatieplan</al><al> - - – aangepaste sloop methode Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke
                        instanties en gemeentediensten</al><al> - - – beperken overige verkeersstroom -</al><al> - Spoorwegen Regelen in vooroverleg met NS -</al><al> - Scheepvaart Regelen in vooroverleg met waterbeheerder (RWS, provincie,
                        waterschap, gemeente) -</al><al> Bijzondere omstandigheden Veel omstanders – aanbrengen extra
                        veiligheidsvoorzieningen Vooraf informeren omwonenden</al><al> - - – afzetten wegen Bij grote manifestaties overleg met gemeente</al><al> - Calamiteiten (slopen na brand, explosies e.d) – afzetten weg Overleg met
                        deskundige instanties</al><al> - - – ontruimen belendende percelen -</al><al> - Vandalen en daklozen – extra afscheiding -</al><al> - - – verscherpt toezicht -</al><al> Bijlage 7 Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><al> Voorbeeld inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><al> 1. Naam en correspondentieadres van de aannemer</al><al> 2. Ligging van het te slopen perceel</al><al> 3. Doel en opzet sloopveiligheidsplan</al><al> 4. Beschrijving werkzaamheden</al><al> 5. Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen, materieel en
                        hulp- en beveiligingsmiddelen</al><al> 6. Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met betrekking tot
                        externe veiligheid</al><al> 7. Betrokken instanties</al><al> 8. Dagindeling werkzaamheden</al><al> 9. Instructies aan werknemers</al><al> 10. Instructies/voorlichting omwonenden</al><al> 11. Voorgenomen veiligheidsmaatregelen</al><al> 12. Uitvoering toezicht op maatregelen</al><al> 13. Logboek</al><al> Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan</al><al> a. belangrijke telefoonnummers</al><al> b. tekening waarop staat aangegeven:</al><al> - de situering van het sloopobject;</al><al> - de plaats van de bouwkranen;</al><al> - de aan- en afvoerwegen;</al><al> - de laad-, los- en hijszones;</al><al> - de plaats van de bouwketen;</al><al> - de situering van het sloopobject ten opzichte van aangrenzende wegen,
                        bouwwerken e.d.;</al><al> - de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle sloopwerkzaamheden, het
                        laden en lossen daaronder begrepen, plaatsvinden;</al><al> - de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige leidingen;</al><al> - de plaats van ander hulpmaterieel. De schaal van deze tekening mag niet
                        kleiner zijn dan 1:1.000. (indien nodig bij detailleringen niet kleiner dan
                        1:100).</al><al> c. controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de werken</al><al> d. transportroutes afkomende materialen</al><al> Bijlage 8 Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop</al><al> niveau I</al><al> minimumscheiding niveau I-plus</al><al> minimumscheiding niveau II niveau III</al><al> maximumscheiding</al><al> gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch verontreinigde
                        afvalstromen) gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of chemisch
                        verontreinigde afvalstromen olieproducten overig gevaarlijk afval afgewerkte
                        olie</al><al> brandstofrestanten</al><al> batterijen</al><al> accu's</al><al> schoorsteenkanalen</al><al> rookkanalen</al><al> overig chemisch belast puin</al><al> verontreinigde leidingen</al><al> oliehoudende elementen</al><al> coatings, kitten</al><al> bitumineuze materialen</al><al> zeefzand</al><al> tl-buizen/starters</al><al> halogeen lampen</al><al> niet uitputtende lijst, voor overzicht zie EURAL</al><al> asbest en asbesthoudende afvalstromen asbest en asbesthoudende afvalstromen
                        asbestproducten</al><al> golfplaat spouwbladen</al><al> brandwerende platen</al><al> isolatiemateriaal</al><al> producten niet elders genoemd</al><al> met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval met asbest en asbeststof
                        verontreinigd sloopafval</al><al> metalen metalen ferro constructiebalken e.d.</al><al> metalen trappen e.d.</al><al> betonijzer</al><al> schroot</al><al> tanks, silo's</al><al> ferro niet elders genoemd</al><al> non ferro aluminium (kozijnen, instructies) lood (buis, slabben)</al><al> zink (regenpijp, dakgoot)</al><al> koperbuis</al><al> non ferro niet elders genoemd</al><al> elektriciteitskabels kabels 220 V</al><al> kabels &gt; 220 V</al><al> steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin steenachtig afval i.c.
                        betonpuin en baksteenpuin beton gewapend beton</al><al> schuimbeton</al><al> gasbeton</al><al> staalvezelbeton</al><al> hoge sterkte beton</al><al> betonproducten</al><al> beton niet elders genoemd</al><al> metselwerk metselwerkpuin</al><al> metselmortel</al><al> kalkzandsteen metselwerkpuin</al><al> bouwblokken</al><al> dakpannen/bedekking (beton, keramiek, leisteen) intacte dakpannen</al><al> gebroken dakpannen</al><al> dakleien</al><al> keramiek wandtegels</al><al> plavuizen</al><al> sanitair</al><al> gipshoudende elementen gipsplaat</al><al> stucwerk</al><al> anhydriet</al><al> vloeren</al><al> gipsvezelplaat</al><al> gipshoudende elementen</al><al> asfalt asfaltbeton</al><al> asfaltpuin</al><al> freesafval</al><al> steenwol steenwol steenwol</al><al> glaswol glaswol glaswol</al><al> massief hout (zonder verduurzamingsmiddelen, direct herbruikbaar) massief
                        hout (zonder verduurzamingsmiddelen, direct herbruikbaar) massief hout
                        (direct herbruikbaar) balken</al><al> vloerdelen</al><al> trapelementen</al><al> dakbeschot</al><al> regels/tengels</al><al> pallets</al><al> schoon hout niet elders genoemd</al><al> geverfd/gelakt hout gevelelementen</al><al> kozijnen</al><al> deuren</al><al> parketvloeren</al><al> geverfd/gelakt hout niet elders genoemd</al><al> verlijmd hout (plaatmateriaal) spaanplaat</al><al> multiplex</al><al> hardboard</al><al> vezelplaat</al><al> houtwolcementplaat</al><al> bekistingmateriaal</al><al> vloerplaat</al><al> plaatmateriaal niet elders genoemd</al><al> geïimpregneerd hout tuinhout</al><al> bielzen</al><al> geïmpregneerd hout</al><al> niet elders genoemd</al><al> overig afval kunststof gevelelementen kunststof gevelelementen kunststof
                        gevelelementen</al><al> PVC- en PE-leidingen PVC leidingsystemen (riolering, afvoer)</al><al> PP en PE leidingsystemen (riolering, afvoer)</al><al> dakfolies</al><al> wandfolies</al><al> vlak glas vlak glas vlak glas</al><al> draadglas</al><al> spiegelglas</al><al> dubbelglas</al><al> HR- en LE-glas</al><al> papier en karton papier en karton papier</al><al> karton</al><al> overig afval LDPE/HDPE dakfolies</al><al> wandfolies</al><al> leidingsystemen</al><al> XPS/EPS vloerisolatie</al><al> dakisolatie</al><al> wandisolatie</al><al> PUR isolatieplaten</al><al> PUR-producten niet elders genoemd</al><al> overige kunststoffen gemengd EPDM</al><al> overige kunststoffen gemengd</al><al> cellulose isolaties cellulose isolaties</al><al> textiel gordijnen</al><al> vloerbedekking</al><al> door vuil voor hergebruik ongeschikte materialen folies met aanhangend
                        papier/karton met aanhangend vuil textiel met aanhangend vuil</al><al> glas met kitresten</al><al> composiet-materialen beton met PS-platen</al><al> sandwichtpanelen</al><al> metselwerk met stucwerk</al><al> beton met stucwerk</al><al> thermohardende kunststoffen meterkasten</al><al> deurknoppen</al><al> overig afval overig afval</al><al> Toelichting tabel</al><al> In de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I en niveau I-plus
                        staan voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in artikel 8.4.1. Dit
                        minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de vereiste
                        minimumscheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee niveaus,
                        respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeenteraad bij de
                        vaststelling van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee
                        alternatieven.</al><al> Niveau III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een
                        maximale scheiding.</al><al> Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder inzicht
                        wordt verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De
                        verschillende categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden
                        onderscheiden, kunnen niet worden opgevat als definitieve oplossingen met
                        betrekking tot scheiden.</al><al> Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel kan worden gebruikt
                        als hulpmiddel.</al><al> - Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch belaste
                        afvalstromen:</al><al> Op het gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen
                        van toepassing (EURAL). Het scheiden van de herbruikbare componenten uit het
                        gevaarlijke afval heeft alleen zin indien deze gescheiden worden op niveau
                        III.</al><al> - Asbest en asbesthoudende afvalstromen</al><al> Het scheiden van asbestproducten tot op niveau III is niet zinvol. Volstaan
                        kan worden met het apart houden van asbest en asbesthoudende producten in
                        één afvalstroom, omdat asbest altijd moet worden gestort.</al><al> - Overige afvalstromen</al><al> Het scheiden van de diverse componenten is alleen zinvol indien hiermee een
                        afvalstroom wordt verkregen die in aanmerking komt voor hergebruik en
                        waarvoor inzamel- en verwerkings- of bewerkingscapaciteit bestaan.</al><al> Voor sommige componenten betekent dit dat gescheiden dient te worden tot
                        niveau III (bijvoorbeeld bepaalde betonproducten, steenachtige
                        isolatiematerialen, dakpannen, metalen, kunststoffen, glas, schoon hout).
                        Voor andere componenten kan ook worden volstaan met scheiding op niveau II
                        (asfalt, metselwerk, kalkzandsteen, geverfd en gelakt hout, verlijmd hout,
                        papier en karton, textiel, kabels).</al><al> - Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q. chemisch verontreinigde)
                        afvalstromen</al><al> In verband met het stortverbod voor bouw- en sloopafval, moet ook deze
                        categorie worden beschouwd als overig afval en worden afgevoerd naar de
                        sorteerinrichting.</al><al> De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het bepalen
                        van de mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de
                        sloopvergunning.</al><al> Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de verschillende
                        inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze
                        regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig
                        zijn.</al><al> Het is daarom noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar,
                        verantwoordelijk voor de controle van de vergunningaanvraag, op de hoogte is
                        van de lokale en regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop
                        vrijkomende afvalstromen.</al><al> Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen. Grond die
                        tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan dus geen
                        onderwerp zijn in een voorschrift van de sloopvergunning. Toch verdient het
                        aanbeveling alert te zijn op de afvoer van (verontreinigde) grond.</al><al> Bijlage 10 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                        vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al><al> Product Mogelijk toegepast in Mate waarin het is toegepast Uiterlijk</al><al> Asbestcement, vlakke plaat Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen Vaak
                        Grijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan een kant ‘wafelstructuur'</al><al> Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating Decoratieve buitengevels,
                        galerij Vrij algemeen in flats Als vlakke plaat maar met aan een kant
                        gekleurde geëmailleerde of gespoten coating</al><al> Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal Bij kachel of CV-installatie,
                        ventilatiekanalen Vaak Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat</al><al> Asbestcement, bloembak Zowel buiten als binnen, balkons Vaak In diverse
                        vormen, verder als vlakke plaat, meestal dunner dan betonnen bak</al><al> Asbestcement, golfplaat Daken van schuren en garages Vaak Als golfplaat, in
                        diverse dikten</al><al> Asbestcement met cellulosevezels (asbestboard) Alleen geschikt voor
                        binnentoepassingen, aftimmeringen, inpandige kasten Soms Geelbruine, dunne
                        plaat, lijkt op hardboard</al><al> Asbestcement, dakleien Imitatieleien In Nederland weinig toegepast Vlakke
                        plaatjes, aan één zijde gecoat</al><al> Asbestcement, standleidingen Afvoer toilet Vaak Als luchtkanaal, maar
                        dikker</al><al> Asbestcement, imitatiemarmer Vensterbanken en schoorsteenmantels Soms Als
                        marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels zichtbaar</al><al> Harde asbesthoudende vinyltegels Toiletten, keukens Soms, meestal bij de
                        bouw gelegd Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief</al><al> Toelichting tabel</al><al> Herkennen van asbest</al><al> Alleen in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld
                        of een materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen
                        herkennen waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt
                        daarbij. Dit overzicht is niet volledig.</al><al/><al> Voor de herkenning van vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de
                        volksmond zeil) waarin mogelijk asbest zit, kan de volgende informatie
                        worden gegeven:</al><al> - Asbesthoudende vinylvloertegels</al><al> Tot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met
                        asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd.
                        Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals toiletten
                        en keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een
                        wit 'gevlamde' decoratie.</al><al> - Asbesthoudende vinylvloerbedekking</al><al> Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel
                        gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag
                        zit asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot
                        lichtbeige en soms lichtgroen.</al><al> Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten vloerbedekking:
                        vloerbedekking van textiel (tapijt); ondertapijt van vilt; breekbaar, dun
                        zeil met een doffe, zwarte of wijnrode onderkant; stijve, zeilachtige
                        vloerbedekkingen met een harde, ruwe onderzijde met daarin een grofmazig
                        juteweefsel, zoals linoleum; buigzaam zeil met een dikke, bruine, harige
                        onderzijde; soepel zeil met een onderkant van kunststof (plastic) of foam
                        (schuim).</al><al> Ten slotte is het van belang het volgende te weten: Toepassing en verkoop
                        van asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na 1983 is vrijwel geen
                        losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren zijn ook asbestvrije
                        cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De in Nederland
                        gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT
                        aan de onderzijde van de plaat.</al><al/><al> Jurisprudentie</al><al> JG 10.0040</al><al> JG 10.0047</al><al> JG 10.0066</al><al> JG 10.0072</al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>