<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR106002_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Huisvestingsverordening Den Helder 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-07-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2011, 28</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Huisvestingsverordening Den Helder 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147; Huisvestingswet, artikel 2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-06-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-07-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB11.0089</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt Huisvestingsverordening Den Helder 1994</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Huisvestingsverordening Den Helder 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1:</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>wet</onderstreept>: de Huisvestingswet;</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>besluit</onderstreept>: het
                                    Huisvestingsbesluit;</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>woonruimte</onderstreept>: het daaromtrent in
                                    artikel 1, lid 1 sub b, van de wet bepaalde;</al></li><li nr="d."><al><onderstreept>huurprijs</onderstreept>: het daaromtrent in
                                    artikel 1, lid 1 sub j, van de wet bepaalde;</al></li><li nr="e."><al><onderstreept>huurprijsgrens</onderstreept>: het daaromtrent in
                                    artikel 6, lid 3, van de wet bepaalde;</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>huishouden</onderstreept>: een alleenstaande, dan
                                    wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke
                                    huishouding voeren, of willen gaan voeren;</al></li><li nr="g."><al><onderstreept>huisvestingsvergunning</onderstreept>: de
                                    vergunning, bedoeld in artikel 7 van de wet;</al></li><li nr="h."><al><onderstreept>eigenaar</onderstreept>: het daaromtrent in
                                    artikel 1, lid 2, van de wet bepaalde;</al></li><li nr="i."><al><onderstreept>ingezetene</onderstreept>: degene die in het
                                    bevolkingsregister van één der gemeenten van de regio Kop van
                                    Noord-Holland is opgenomen en feitelijk in de regio Kop van
                                    Noord-Holland hoofdverblijf heeft in een voor permanente
                                    bewoning aangewezen woonruimte;</al></li><li nr="j."><al><onderstreept>onzelfstandige woonruimte</onderstreept>:
                                    woonruimte, niet zijnde woonruimten bestemd voor inwoning, welke
                                    geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan
                                    worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van
                                    wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;</al></li><li nr="k."><al><onderstreept>inwoning</onderstreept>: het bewonen van een
                                    woonruimte die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die door
                                    een ander huishouden in gebruik is genomen. Hiervan is in ieder
                                    geval sprake indien de eigenaar (of eigenaren) van de
                                    (oorspronkelijke) zelfstandige woonruimte woonachtig blijft in
                                    de woonruimte en deze eigenaar ook op dat adres ingeschreven
                                    staat in de gemeentelijke basisadministratie;</al></li><li nr="l."><al><onderstreept>standplaats</onderstreept>: het daaromtrent in
                                    artikel 1, lid 1, sub e, van de wet bepaalde;</al></li><li nr="m."><al><onderstreept>woonwagen</onderstreept>: het daaromtrent in
                                    artikel 1, lid 1, sub f, van de wet bepaalde;</al></li><li nr="n."><al><onderstreept>onttrekkingsvergunning</onderstreept>: de
                                    vergunning als bedoeld in artikel 30 van de wet;</al></li><li nr="o."><al><onderstreept>splitsingsvergunning</onderstreept>: de vergunning
                                    als bedoeld in artikel 33 van de wet;</al></li><li nr="p."><al><onderstreept>aanwijzingsgebied
                                        onttrekkingsvergunning</onderstreept>: een speciaal daartoe
                                    aangewezen gebied, bijvoorbeeld bestaande uit een (gedeelte van
                                    de ) straat en/of wijk, waarop het
                                    onttrekkingsvergunningenstelsel in de zin van artikel 3.1.2 sub
                                    c van toepassing is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2:</nr><titel>VERDELING VAN DE WOONRUIMTE</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Verdelingsprincipe</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Marktmechanisme</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verdeling van woonruimte, met uitzondering van woonruimte als
                                    bedoeld in artikel 6, lid 1 van de wet, vindt plaats volgens het
                                    principe van vraag en aanbod.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verhuurders van woonruimte kunnen de verdeling van woonruimte
                                    ook doen plaatsvinden op basis van een
                                    woningzoekendenregistratiesysteem, waarbij het toewijzen van
                                    woonruimte primair plaatsvindt op volgorde van de
                                    inschrijvingsdatum.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Uitvoering van de woonruimteverdeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Overeenkomsten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders sluiten in ieder geval met de
                                    eigenaren van sociale huurwoningen, maar indien nodig/gewenst
                                    zoveel mogelijk ook met de eigenaren van de overige
                                    huurwoningen, een overeenkomst over het in gebruik geven van
                                    woonruimte en komen daarbij in ieder geval overeen, dat</al><lijst><li nr="a."><al>de algehele uitvoering van de woonruimteverdeling en
                                            waar mogelijk en gewenst de uitvoering van de
                                            urgentieverlening, wordt overgelaten aan deze
                                            eigenaren;</al></li><li nr="b."><al>de overeenkomsten een evenwichtige en rechtvaardige
                                            verdeling van woonruimte dienen te bevorderen;</al></li><li nr="c."><al>het inkomen van het huishouden in een redelijke
                                            verhouding tot de huurprijs van de woonruimte moet
                                            staan, met inachtneming van een huurprijs tot het bedrag
                                            genoemd in de Wet op de Huurtoeslag;</al></li><li nr="d."><al>om voor zelfstandige woonruimte in aanmerking te komen,
                                            ten minste één der leden van het huishouden meerderjarig
                                            moet zijn;</al></li><li nr="e."><al>de leden van het huishouden of de Nederlandse
                                            nationaliteit moeten bezitten, of over een geldige
                                            verblijfstitel in Nederland beschikken;</al></li><li nr="f."><al>daarin het gestelde in artikel 2.2.2, lid 2, nader wordt
                                            vastgelegd;</al></li><li nr="g."><al>een onafhankelijke klachtencommissie wordt ingesteld,
                                            welke bindende uitspraken doet op alle ingediende
                                            klachten over de uitvoering van de overeenkomst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De overeenkomsten worden ter goedkeuring aan de gemeenteraad
                                    voorgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inhoud van de overeenkomsten wordt in ruime mate bekend
                                    gemaakt aan de inwoners van de gemeente en aan andere
                                    belanghebbenden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Urgentie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een woningzoekende dringend behoefte heeft aan een
                                    (andere) woonruimte, kan hij/zij de eigenaar van een sociale
                                    huurwoning verzoeken hem/haar een urgentieverklaring te
                                    verstrekken voor een sociale huurwoning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eigenaar van een sociale huurwoning verleent de
                                    urgentieverklaring op basis van de door hem/haar (eventueel in
                                    overleg met corporaties) vast te stellen urgentiecriteria en met
                                    inachtneming van de ter zake ingewonnen adviezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Mandatering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het toezicht op de
                                    naleving van het bepaalde in artikel 2.2.1, lid 1, onder e en f,
                                    te mandateren aan de directeur van dienst (of een vergelijkbare
                                    functionaris) van de desbetreffende eigenaren in de
                                    gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de uitvoering van het
                                    bepaalde in artikel 2.2.2, lid 1, te mandateren aan de directeur
                                    van dienst (of een vergelijkbare functionaris) van de
                                    desbetreffende eigenaren in de gemeente.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Standplaatsen voor woonwagens</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Vergunningvereiste</titel></kop><al>Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een standplaats
                                voor woonwagens in gebruik te nemen voor bewoning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>De aanvraag van een standplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag dient te worden gericht aan burgemeester en
                                    wethouders en dient in ieder geval de volgende gegevens van de
                                    aanvrager te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en volledige voornamen;</al></li><li nr="b."><al>de geboortedatum en geboorteplaats;</al></li><li nr="c."><al>de woonplaats, het woonadres en de postcode ten tijde
                                            van de aanvraag;</al></li><li nr="d."><al>de burgerlijke staat;</al></li><li nr="e."><al>de grootte van het huishouden;</al></li><li nr="f."><al>het beroep;</al></li><li nr="g."><al>of ten tijde van de aanvraag een woonwagen wordt
                                            bewoond;</al></li><li nr="h."><al>of voorheen een woonwagen werd bewoond en zo ja, in
                                            welke gemeente en op welk adres;</al></li><li nr="i."><al>van toepassing zijnde gegevens, zoals omschreven in
                                            artikel 2.3.3., onder A tot en met E.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het huishouden van de aanvrager uit meer personen dan de
                                    aanvrager bestaat, dienen in de aanvraag ook de namen,
                                    voornamen, geboortedata en geboorteplaatsen van de overige leden
                                    van het huishouden te worden vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3</nr><titel>De inschrijving voor een standplaats</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders houden een lijst van standplaatszoekenden
                                bij, waarop zij in afnemende puntenvolgorde worden genoteerd. De
                                volgende factoren bepalen het aantal toegekende punten, waarbij op
                                grond van iedere van toepassing zijnde factor een punt wordt
                                toegekend:</al><lijst><li nr="A."><al>Deconcentratie.</al><lijst><li nr="-"><al>aanvrager woont op een woonwagencentrum dat dient te
                                                worden opgeheven of verkleind.</al></li></lijst></li><li nr="B."><al>Zorg.</al><lijst><li nr="-"><al>aanvrager heeft familie in de eerste of tweede graad
                                                op het woonwagencentrum van de aanvraag;</al></li><li nr="-"><al>aanvrager heeft familie in de eerste of tweede graad
                                                op een ander woonwagencentrum in de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>aanvrager woont buiten één van de gemeenten van de
                                                regio Kop van Noord-Holland en heeft familie in de
                                                eerste of tweede graad op één van de woonwagencentra
                                                in één van de gemeenten van de regio Kop van
                                                Noord-Holland.</al></li></lijst></li><li nr="C."><al>Regio.</al><lijst><li nr="-"><al>aanvrager woont reeds meer dan een jaar op één van
                                                de woonwagencentra binnen de gemeente, hetgeen
                                                blijkt uit het bevolkingsregister;</al></li><li nr="-"><al>aanvrager woont reeds meer dan een jaar op één van
                                                de woonwagencentra binnen één van de gemeenten van
                                                de regio Kop van Noord-Holland;</al></li><li nr="-"><al>aanvrager beschikt over zelfstandige woonruimte,
                                                niet zijnde een woonwagen, binnen de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>aanvrager beschikt over zelfstandige woonruimte,
                                                niet zijnde een woonwagen, binnen één van de
                                                gemeenten van de regio Kop van Noord-Holland.</al></li></lijst></li><li nr="D."><al>Inschrijvingstermijn.</al><lijst><li nr="-"><al>aanvrager heeft reeds eerder ten minste een jaar in
                                                de gemeente een standplaats gehad;</al></li><li nr="-"><al>per maand, dat de inschrijving van kracht is en de
                                                aanvrager jonger dan 30 jaar;</al></li><li nr="-"><al>per maand, dat de inschrijving van kracht is en de
                                                aanvrager 30 jaar of ouder is.</al></li></lijst></li><li nr="E."><al>Bijzondere omstandigheden.</al><lijst><li nr="-"><al>aanvrager volgt algemeen vormend, dan wel
                                                beroepsonderwijs (geen partieel onderwijs).</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4</nr><titel>Criteria voor de verlening van de
                                    huisvestingsvergunning</titel></kop><al>De huisvestingsvergunning voor een standplaats voor een woonwagen
                                wordt verleend, indien aan de volgende voorwaarden wordt
                                voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de standplaatszoekende meerderjarig is en de Nederlandse
                                        nationaliteit bezit, of over een geldige verblijfstitel in
                                        Nederland beschikt;</al></li><li nr="b."><al>indien er sprake is van de koop van de standplaats door de
                                        standplaatszoekende;</al></li><li nr="c."><al>de standplaatszoekende neemt op de in artikel 2.3.3.
                                        bedoelde lijst de bovenste plaats in, of de boven hem
                                        staande standplaatszoekenden willen of kunnen (bijvoorbeeld
                                        doordat het financieel niet haalbaar is) niet in aanmerking
                                        komen voor de standplaats;</al></li><li nr="d."><al>ingeval van bijzondere medische en/of sociale omstandigheden
                                        van de standplaatszoekende kunnen burgemeester en wethouders
                                        afwijken van de voorwaarde genoemd onder sub b van dit
                                        artikel;</al></li><li nr="e."><al>de standplaatszoekende moet een overeenkomst hebben
                                        ondertekend voor het gebruik van de standplaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.5</nr><titel>Intrekking of vervallen van de huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                    intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunninghouder de in de vergunning vermelde
                                            woonruimte niet binnen de door burgemeester en
                                            wethouders bij de verlening van de vergunning gestelde
                                            termijn in gebruik heeft genomen;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                            vergunninghouder verstrekte gegevens, waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs kon vermoeden, dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren;</al></li><li nr="c."><al>de vergunninghouder in strijd handelt met het bepaalde
                                            bij of krachtens deze verordening, de vergunning en de
                                            daaraan verbonden voorschriften.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De huisvestingsvergunning houdt op van kracht te zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien niet binnen twee weken na afgifte van de
                                            vergunning een koopcontract voor de standplaats is
                                            ondertekend door de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al>zodra de aan de vergunninghouder verleende "vergunning
                                            tot het bewonen van een woonwagen" is ingetrokken;</al></li><li nr="c."><al>één maand nadat de vergunninghouder schriftelijk te
                                            kennen heeft gegeven van de vergunning geen gebruik meer
                                            te willen maken;</al></li><li nr="d."><al>onmiddellijk nadat het koopcontract genoemd in lid 2 sub
                                            a voor de standplaats is ontbonden.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Ligplaatsen voor een woonschip</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Vergunningvereiste</titel></kop><al>Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een ligplaats voor
                                woonschepen in gebruik te nemen voor bewoning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>De aanvraag van een ligplaats</titel></kop><al>De aanvraag dient te worden gericht aan burgemeester en wethouders
                                en dient in ieder</al><al>geval de volgende gegevens van de aanvrager te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en volledige voornamen;</al></li><li nr="b."><al>de geboortedatum en geboorteplaats;</al></li><li nr="c."><al>de woonplaats, het woonadres en de postcode ten tijde van de
                                        aanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>De inschrijving voor een ligplaats</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders houden een lijst van ligplaatszoekenden
                                bij, waarop zij in volgorde van inschrijvingsdatum worden
                                genoteerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Criteria voor de verlening van de
                                    huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De huisvestingsvergunning voor een ligplaats voor een woonschip
                                    wordt verleend, indien aan de volgende voorwaarden wordt
                                    voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de ligplaatszoekende meerderjarig is en de Nederlandse
                                            nationaliteit bezit, of over een geldige verblijfstitel
                                            in Nederland beschikt;</al></li><li nr="b."><al>de ligplaatszoekende neemt op de in artikel 2.4.3.
                                            bedoelde lijst de bovenste plaats in, of de boven hem
                                            staande ligplaatszoekenden willen niet in aanmerking
                                            komen voor de ligplaats, of de ligplaatszoekende kan
                                            aangemerkt worden als de nieuwe eigenaar van een
                                            woonschip, dat ten tijde van de aanvraag van de
                                            huisvestingsvergunning is gelegen op een door de
                                            gemeente als zodanig aangewezen ligplaats en de verkoper
                                            van dat woonschip op dat moment de houder is van de
                                            vergunning voor het innemen van die ligplaats;</al></li><li nr="c."><al>de ligplaatszoekende heeft een overeenkomst ondertekend
                                            voor het gebruik van de ligplaats en de berm.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de te verlenen huisvestingsvergunning kunnen door
                                    burgemeester en wethouders nadere voorwaarden worden
                                    verbonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Intrekking of vervallen van de huisvestingsvergunning</titel></kop><al>Overeenkomstig artikel 2.3.5, lid 1 en artikel 2.3.5, lid 2, onder
                                c.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>WIJZIGING VAN DE SAMENSTELLING VAN DE WOONRUIMTEVOORRAAD</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Onttrekking, samenvoeging en omzetting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><al>Het bepaalde in dit hoofdstuk is van toepassing op alle
                                woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Vergunningvereiste</titel></kop><al>Het is verboden om zonder onttrekkingsvergunning een woonruimte,
                                aangewezen in artikel 3.1.1:</al><lijst><li nr="a."><al>geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning te
                                        onttrekken. Onder het onttrekken aan de bestemming tot
                                        bewoning wordt in deze verordening verstaan het slopen of
                                        het gebruiken voor een ander doel dan permanente bewoning
                                        door het huishouden;</al></li><li nr="b."><al>met andere woonruimte samen te voegen;</al></li><li nr="c."><al>van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten
                                        indien er sprake is van een woonruimte die is gelegen in een
                                        daartoe nader aangewezen straat, wijk en/of gebied
                                        (Aanwijzingsgebied onttrekkingsvergunning; ten behoeve van
                                        onttrekkingsvergunningenstelsel voor onzelfstandige
                                        woonruimten Huisvestingsverordening).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Aanvragen van een onttrekkingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag van een onttrekkingsvergunning wordt ingediend bij
                                    burgemeester en wethouders en gaat vergezeld van de volgende
                                    informatie en bewijsstukken:</al><lijst><li nr="a."><al>Naam en adres van de eigenaar;</al></li><li nr="b."><al>Gegevens over de huidige situatie:</al><lijst><li nr="-"><al>huur- of koopprijs;</al></li><li nr="-"><al>aantal kamers;</al></li><li nr="-"><al>woonoppervlak;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Gegevens over de beoogde situatie:</al><lijst><li nr="-"><al>bestemming;</al></li><li nr="-"><al>bouwtekening/bouwvergunning;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>Gegevens bij voorgenomen samenvoeging:</al><lijst><li nr="-"><al>verwachte huur- of koopprijs;</al></li><li nr="-"><al>naam van toekomstige bewoner;</al></li><li nr="-"><al>omvang van het huishouden van de toekomstige
                                                  bewoners;</al></li><li nr="-"><al>schriftelijke verklaring van toestemming van de
                                                  huurder.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij de beoordeling van
                                    aanvragen tot onttrekking ten behoeve van de uitoefening van een
                                    bedrijf advies inwinnen bij de Kamer van Koophandel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op of bij de onttrekkingsvergunning vermelden burgemeester en
                                    wethouders de volgende informatie:</al><lijst><li nr="a."><al>de mededeling dat binnen één jaar van de
                                            onttrekkingsvergunning gebruik kan worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>de woonruimte waarop de vergunning betrekking
                                            heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning verlenen voor
                                    tijdelijke onttrekking, indien de onttrekking voorziet in een
                                    tijdelijke behoefte.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een onttrekkingsvergunning
                                    in de zin van artikel 3.1.2 sub c van deze verordening
                                    voorwaarden verbinden, die onder andere betrekking hebben op de
                                    brandveiligheid, de algemene leef- en woonomstandigheden
                                    (waaronder hygiëne), parkeernormen en hiermee gelijk te stellen
                                    huisvestingsaspecten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.4</nr><titel>Criteria voor vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen de onttrekkingsvergunning,
                                    indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders het met
                                    de onttrekking, samenvoeging of omzetting gediende belang groter
                                    is dan het belang van het behoud of de samenstelling van de
                                    woonruimtevoorraad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op samenvoeging of omzetting
                                    van woonruimte wordt de onttrekkingsvergunning in ieder geval
                                    verleend, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>bij samenvoeging de vergunningaanvrager eigenaar-bewoner
                                            is en de bestemming tot bewoning gehandhaafd blijft,
                                            of</al></li><li nr="b."><al>de aanvraag geschiedt door een verhuurder/beheerder ten
                                            behoeve van een te krap wonend huishouden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders hebben vastgesteld, dat zowel
                                    het belang van de aanvrager als het belang van de
                                    volkshuisvesting zwaar wegen, of dat het belang van de aanvrager
                                    niet opweegt tegen het belang van de volkshuisvesting, wordt de
                                    onttrekkingsvergunning verleend, indien aan door burgemeester en
                                    wethouders gestelde voorwaarden en voorschriften is
                                    voldaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op de omzetting van
                                    zelfstandige naar onzelfstandige woonruimte wordt de
                                    onttrekkingsvergunning niet verleend, indien de aanvraag ziet op
                                    een gebied waarop het Aanwijzingsgebied onttrekkingsvergunning
                                    van toepassing is en er door de aanvraag niet (meer) wordt
                                    voldaan aan het (eventueel) genoemde percentage vanuit het
                                    Aanwijzingsgebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.5</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een onttrekkingsvergunning
                                intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet binnen één jaar, nadat de beschikking onherroepelijk is
                                        geworden, wordt overgegaan tot onttrekking, samenvoeging of
                                        omzetting;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                        vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of
                                        redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig
                                        waren;</al></li><li nr="c."><al>er niet aan de gestelde voorwaarden van de vergunning wordt
                                        voldaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.6</nr><titel>Verzegeling</titel></kop><al>Indien sprake is van het gebruik van woonruimte zonder
                                onttrekkingsvergunning anders dan voor permanente bewoning, kunnen
                                burgemeester en wethouders de woonruimte verzegelen. Deze
                                verzegeling wordt opgeheven op het moment dat de woonruimte in
                                gebruik genomen wordt voor bewoning, of dat de woonruimte door
                                verhuur of verkoop opnieuw voor bewoning wordt bestemd, of indien
                                alsnog een onttrekkingsvergunning wordt verleend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Splitsing in appartementsrechten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op
                                gebouwen, die woonruimte bevatten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Vergunningvereiste</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om zonder splitsingsvergunning een recht op een
                                    gebouw, aangewezen in artikel 3.2.1. te splitsen in
                                    appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, eerste en derde
                                    lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, indien een of meer
                                    appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van
                                    een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het verlenen
                                    van deelnemings- of lidmaatschapsrechten of het aangaan van een
                                    verbintenis daartoe door een rechtspersoon met betrekking tot
                                    een gebouw als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Aanvragen van een splitsingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag van een splitsingsvergunning wordt ingediend bij
                                    burgemeester en wethouders en gaat vergezeld van de volgende
                                    stukken:</al><lijst><li nr="a."><al>een splitsingsplan dat voldoet aan de vereisten als
                                            neergelegd in artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk
                                            Wetboek en het krachtens dat artikel vastgestelde
                                            Besluit betreffende splitsing in appartementsrechten,
                                            en</al></li><li nr="b."><al>een taxatierapport betreffende het gebouw en de tot
                                            afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten van het
                                            gebouw, opgemaakt door een beëdigd makelaar. Dit rapport
                                            omvat in elk geval mede een beschrijving en een
                                            beoordeling van de onderhoudstoestand van het
                                            gebouw.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op of bij de splitsingsvergunning vermelden burgemeester en
                                    wethouders de volgende informatie:</al><lijst><li nr="a."><al>de mededeling dat binnen één jaar van de
                                            splitsingsvergunning gebruik kan worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>het gebouwd onroerend goed waarop de splitsing
                                            betrekking heeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Gronden tot weigering van een splitsingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren een splitsingsvergunning,
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de
                                            vergunningaanvraag betrekking heeft, één of meer
                                            woonruimten bevat die verhuurd worden of die laatstelijk
                                            verhuurd zijn geweest, dan wel, indien het gebouw of het
                                            gedeelte van een gebouw, voorzover dit geheel of
                                            gedeeltelijk verhuurd is geweest voor bewoning, in
                                            strijd met de voorschriften van een bestemmingsplan als
                                            bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c van de Wet algemene
                                            bepalingen omgevingsrecht of met enig wettelijk
                                            voorschrift, geheel of gedeeltelijk voor een ander doel
                                            dan voor bewoning in gebruik genomen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet kan waarborgen, dat de woonruimte of
                                            de woonruimten na de voorgenomen splitsing bestemd
                                            blijft of blijven, c.q. de voormalige woonruimte of
                                            woonruimten na de voorgenomen splitsing opnieuw zullen
                                            worden bestemd voor verhuur ter bewoning, en;</al></li><li nr="c."><al>het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing
                                            heeft niet opweegt tegen het belang van het behoud van
                                            de woonruimtevoorraad, voorzover die voor de verhuur
                                            bestemd is. Hierbij wordt mede de ligging en de te
                                            verwachten vraag naar de in het betreffende gebouw of
                                            een gedeelte van het gebouw opgenomen woonruimten
                                            betrokken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren eveneens een
                                    splitsingsvergunning, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebied waarin het gebouw waarop de
                                            vergunningaanvraag betrekking heeft is gelegen, een
                                            bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet
                                            ruimtelijke ordening dan wel een ontwerp voor zodanig
                                            plan, of voor een herziening daarvan in procedure
                                            is;</al></li><li nr="b."><al>het ontwerp voor dat plan, dan wel voor de herziening
                                            daarvan ter inzage is gelegd voordat de aanvraag van de
                                            splitsingsvergunning is ingediend, dan wel, indien de
                                            aanvraag krachtens artikel 3.2.5 is aangehouden, voordat
                                            die aanhouding is geëindigd;</al></li><li nr="c."><al>de voorgenomen splitsing naar het oordeel van
                                            burgemeester en wethouders nadelige gevolgen heeft voor
                                            de met het plan nagestreefde of na te streven doelen,
                                            en;</al></li><li nr="d."><al>het belang van de vergunningaanvrager bij de splitsing
                                            heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen
                                            van belemmering van de stadsvernieuwing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren tenslotte een
                                    splitsingsvergunning, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag
                                            betrekking heeft zich uit oogpunt van indeling of staat
                                            van onderhoud geheel of ten dele tegen splitsing verzet,
                                            en;</al></li><li nr="b."><al>de desbetreffende gebreken niet door het treffen van
                                            voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen
                                            worden opgeheven, dan wel onvoldoende is verzekerd dat
                                            die gebreken zullen worden opgeheven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van gebreken als bedoeld in het vorige lid is in ieder geval
                                    sprake indien:</al><lijst><li nr="a."><al>burgemeester en wethouders ingevolge de artikelen 13 tot
                                            en met 18 van de Woningwet een aanschrijving hebben
                                            gedaan en deze aanschrijving nog niet is
                                            uitgevoerd;</al></li><li nr="b."><al>het gebouw, waarop de aanvraag om een
                                            splitsingsvergunning betrekking heeft, één of meer
                                            woonruimten bevat, die ingevolge de artikel 17 van de
                                            Woningwet onbewoonbaar zijn verklaard.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Aanhouding van de splitsingsaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders houden de beslissing op de aanvraag
                                    van een splitsingsvergunning aan, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de
                                            vergunningaanvraag betrekking heeft een
                                            voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 Wet
                                            ruimtelijke ordening van kracht is met het oog op de
                                            voorbereiding van een bestemmingsplan of van een
                                            herziening daarvan;</al></li><li nr="b."><al>dat besluit is genomen voordat de aanvraag om vergunning
                                            werd ingediend, en;</al></li><li nr="c."><al>redelijkerwijs verwacht mag worden dat de in het
                                            stadsvernieuwingsplan op te nemen maatregelen nadelig
                                            kunnen worden beïnvloed door de voorgenomen
                                            splitsing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanhouding als bedoeld in het vorige lid duurt tot het moment
                                    dat het voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 3.7 Wet
                                    ruimtelijke ordening is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing op een aanvraag
                                    om een splitsingsvergunning aanhouden, indien de aanvrager
                                    aannemelijk kan maken dat hij binnen een daarvoor redelijke
                                    termijn de gebreken, als bedoeld in artikel 3.2.4, lid 3, met
                                    het oog op de voorgenomen splitsing zal opheffen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag
                                    om een splitsingsvergunning overeenkomstig het bepaalde in het
                                    vorige lid aanhouden, vermelden zij in het besluit tot
                                    aanhouding welke gebreken met het oog op de voorgenomen
                                    splitsing moeten worden hersteld en binnen welke termijn zij dit
                                    redelijk achten. Indien de in het besluit tot aanhouding
                                    vermelde gebreken zijn hersteld binnen de in datzelfde besluit
                                    aangegeven termijn, wordt de vergunning verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning
                                intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet binnen één jaar nadat de beschikking onherroepelijk is
                                        geworden, is overgegaan tot overschrijving in de openbare
                                        registers van de akte van splitsing in appartementsrechten,
                                        bedoeld in artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk
                                        Wetboek, of tot het verlenen van deelnemings- of
                                        lidmaatschapsrechten;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                        vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of
                                        redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig
                                        waren.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>VERDERE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing
                            van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt
                            ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Hij die handelt in strijd met het bepaalde in artikel 3.1.2 of 3.2.2
                            wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste vier maanden of
                            geldboete van de derde categorie. De genoemde strafbaar gestelde feiten
                            zijn overtredingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Handhaving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                                verordening bepaalde zijn belast de daartoe door burgemeester en
                                wethouders aangewezen ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met de opsporing van de bij artikel 4.2 strafbaar gestelde feiten
                                zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
                                aangewezen ambtenaren belast de in het eerste lid genoemde
                                ambtenaren, voorzover zij door de minister van justitie daartoe zijn
                                aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde ambtenaren hebben de bevoegdheden als
                                genoemd in artikel 77 en 78 van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Restbepaling</titel></kop><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslissen
                            burgemeester en wethouders, waarbij zij zich uitsluitend laten leiden
                            door overwegingen betrekking hebbende op de evenwichtige en
                            rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanvragen van woonruimte, met uitzondering van aanvragen van een
                                woonwagenstandplaats en een ligplaats voor een woonschip, welke tot
                                op de laatste dag vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn
                                ingediend bij burgemeester en wethouders, worden, gerekend vanaf de
                                datum van inwerkingtreding van deze verordening, gedurende zes
                                maanden met voorrang behandeld ten opzichte van woningaanvragen
                                ingevolge artikel 2.1.1. van deze verordening ingeval van gelijke
                                score. Deze termijn kan door burgemeester en wethouders in overleg
                                met de woningcorporaties met zes maanden worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen van een woonwagenstandplaats en een ligplaats voor een
                                woonschip, welke tot op de laatste dag vóór de inwerkingtreding van
                                deze verordening zijn ingediend bij burgemeester en wethouders,
                                worden vanaf dat moment beschouwd als aanvragen als bedoeld in de
                                artikelen 2.3.2. en 2.4.2. van deze verordening en behouden hun
                                kracht tot zij zijn vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Huisvestingsverordening Den
                            Helder 2011".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking van
                                    de vaststelling.</al></li><li nr="2."><al>De "Huisvestingsverordening Den Helder 1994" wordt per gelijke
                                    datum ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering van 20 juni 2011.</ondertekening><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>Mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>